Skip to main content

Lezing leen ackaert seminarie kinderrechtenindicatoren 20 oktober 2014

Page 1

Standpunt DATUM

20 oktober 2014

Seminarie kinderrechtenindicatoren Nationale Commissie voor de Rechten van het Kind

Kinderrechtenindicatoren voor kinderen met nood aan zorg Wat bij decentralisatie en vermaatschappelijking van de zorg?

Beste aanwezigen, Beste Sarah, Hartelijk dank voor de uitnodiging. We waarderen de ruimte die je ons biedt om publiekelijk te reflecteren over kinderrechtenindicatoren voor kinderen met nood aan zorg. Met beide thema’s zijn we behoorlijk vertrouwd.

1. Kinderen met nood aan zorg Klachten bij onze Klachtenlijn illustreren dagelijks dat de hulpverlening voor kinderen blijft tekort schieten. Niet alleen in termen van een tekort aan aanbod maar ook in termen van organisatie en keuzes die worden gemaakt in het belang van het kind. Het Kinderrechtencommissariaat krijgt klachten van belangenbehartigers over de te lange wachttijd voor opvang. We vragen van minderjarigen die niet naar een voorziening willen omdat ze liever bij hun oma blijven

2. Kinderrechtenindicatoren Het Kinderrechtencommissariaat is al jaren vragende partij naar degelijke kinderrechtenindicatoren. Wij dromen van kinderrechtenindicatoren die ons informeren over het aantal kinderen dat uit huis wordt gezet, het aantal kinderen dat op een speelruimte in de buurt kan rekenen, het aantal minderjarigen dat een nacht in de cel moet doorbrengen, ‌ De Nationale Commissie voor de Rechten van het Kind (NCRK) heeft in deze al een hele weg afgelegd.


In de beginjaren van de NCRK nodigde de commissie alle relevante federale en Vlaamse administraties uit om mee na te denken over de soort gegevens, de toegankelijkheid ervan en de afstemming ervan. Al snel werd duidelijk dat de ontwikkeling van nationale kinderrechtenindicatoren geen kinderspel is. Veel relevante gegevens worden niet geregistreerd, kinderen zijn niet altijd de onderzoekseenheid of record, de afstemming tussen verschillende data- of gegevensbanken bleek onmogelijk, er werd niet altijd even accuraat geregistreerd, … Na kennismaking met de warrige realiteit aan gegevensverzameling volgde een periode van reflectie. Wat te doen met de droom naar kinderrechtenindicatoren wanneer je merkt dat ze in de praktijk moeilijk haalbaar is? In 2012 nam het Kenniscentrum Kinderrechten (Keki) deze bezorgdheid ter harte en schreef een aantal artikels over kinderrechtenindicatoren1. Keki concludeerde dat de zoektocht naar kinderrechtenindicatoren geen neutraal gebeuren is. Kinderrechtenindicatoren kunnen zeer bepalend zijn voor het beleid. De soort gegevens die een overheid verzamelt, stuurt de wijze waarop de overheid vorm geeft aan kinderrechten. Ze brengen zaken aan het licht, maar zorgen er ook voor dat andere zaken in het donker blijven. De boodschap van Keki was eenvoudig: ‘bezin eer je begint, want je keuze heeft impact op de richting van het beleid.

3. Kinderrechtenindicatoren en kinderen met nood aan zorg Binnen onze reflectie over kinderrechtenindicatoren voor kinderen met nood aan zorg willen we rekening houden met de boodschap van Keki. Het is belangrijk om de impact van kinderrechtenindicatoren op het beleid te erkennen. Op het eerste gezicht liggen twee reflectiepistes open. - Of we vertrekken van het meest gewenste beleid en gaan op zoek naar kinderrechtenindicatoren die dit beleid het best in beeld brengen en monitoren. - Of we vertrekken van reële beleidstendensen en lijsten indicatoren op die ons informeren over rechtsgaranties binnen de nieuwe tendensen. In deze reflectie kiezen we voor de tweede piste. Eerst bespreken we twee reële beleidstendensen. Daarna schuiven we een aantal indicatoren naar voor die noodzakelijk zijn in het licht van deze beleidstendensen.

1 OP DE BEEK H., 2013, Children’s rights indicators from theory to implementation: The Flemish case, Paper gepresenteerd op het 4de congres van de International Society for Child Indicators (ISCI), Seoul National University, Seoul, 29-31 mei 2013. DE BRUYCKER T., 2012, Zin in kinderrechtenindicatoren, Presentatie op het interdisciplinair expertenseminarie: Zin en onzin van het gebruik van kinderrechtenindicatoren, Brussel, 25 juni 2012. OP DE BEECK H., VANDENHOLE W., DESMET E, 2012, Meten en Weten voor een gefundeerd kinderrechtenbeleid. Een kritische reflectie over de zin en onzin van kinderrechtenindicatoren, Gent: Kenniscentrum Kinderrechten vzw. VAN KALMTHOUT D., 2012, Zin en onzin van het gebruik van kinderrechtenindicatoren, Presentatie op het interdisciplinair expertenseminarie: Zin en onzin van het gebruik van kinderrechtenindicatoren, Brussel, 25 juni 2012.

2


4. Decentralisatie en vermaatschappelijking van de zorg De laatste jaren spreekt Vlaanderen geregeld over ‘decentralisatie van het beleid’ en ‘vermaatschappelijking van de zorg’. Er wordt niet alleen over gesproken, beide concepten vind je ook terug in beleidsplannen en regelgeving. Bijvoorbeeld: vermaatschappelijking van de zorg is de eerste doelstelling in het decreet integrale jeugdhulp, decentralisatie is een doelstelling binnen het witboek interne staatshervorming. Decentralisatie en vermaatschappelijking van de zorg leven al volop bij onze noorderburen. Vanaf 1 januari zal in Nederland de jeugdzorg gedecentraliseerd zijn. Voortaan zullen de gemeentes verantwoordelijk zijn voor de organisatie van de jeugdzorg en niet de nationale overheid. Ook vermaatschappelijking van de zorg komt van Nederland. Daar zet de overheid een stap achteruit wanneer ze er van overtuigd is dat de mensen zelf of samen met hun omgeving hun problemen kunnen oplossen. Inhoudelijk vloeien beide concepten voort uit het subsidiariteitsbeginsel. - Subsidiariteit in de zorg betekent voorrang geven aan de minst ingrijpende hulp. - Binnen bestuurszaken betekent subsidiariteit voorrang geven aan het lagere bestuursniveau wanneer het lagere bestuursniveau het kan.

5. De pro’s van decentralisatie en vermaatschappelijking Houden we beide concepten tegen het licht van kinderrechten dan klinken beide concepten op een aantal punten veel belovend. - Het VN-comité voor de rechten van het kind in Genève tikte België op de vingers omdat het kinderen te vlug in een voorziening plaatst. De vermaatschappelijking van de zorg instrumentaliseert de rem waar het comité om vraagt. - De vermaatschappelijking van de zorg draagt bij aan een meer inclusieve en participatieve samenleving. Mensen die in een voorziening verzorgd worden, raken geïsoleerd en hebben minder impact op de uitbouw van hun zorgtraject. Bouw je daarentegen de zorg samen met de omgeving uit, dan kunnen mensen die zorg nodig hebben, blijven participeren aan hun omgeving, met recht om mee te beslissen. Ook de decentralisatie houdt fundamentele kansen in. Bijvoorbeeld: hoe lokaler het beleid, hoe meer het beleid kan inspelen op de lokale noden. Of hoe lokaler het beleid, hoe transparanter en democratischer het beleid. Democratisch, omdat de burger dichter bij het lokale dan bij het regionale of nationale beleid staat. Transparanter, omdat beleidsbeslissingen die dichter bij de burger staan meer zicht bieden op het beleid en de beslissingsprocessen.

3


6. Vragen bij decentralisatie en vermaatschappelijking Anderzijds zijn er vanuit de rechten van het kind ook vragen bij beide concepten te stellen.

6.1. Zie toe op het gelijkheidsbeginsel Wat met het gelijkheidsbeginsel wanneer we het beleid decentraliseren? Omdat lokale besturen zelf hun beleid uittekenen, geeft decentralisatie ruimte aan variatie. Variatie op zich is niet problematisch. Niet zelden is variatie een ideale voedingsbodem voor vernieuwing en verbetering, ook voor kinderen met nood aan zorg. Anderzijds kan variatie ook leiden tot rechtsongelijkheid of onduidelijkheid over de zorgkwaliteit die minderjarigen mogen verwachten. Wanneer decentralisatie niet samengaat met een degelijke monitoring, Vlaams of nationaal gestuurd, dan riskeert decentralisatie het gelijkheidsbeginsel onder druk te zetten.

6.2. Recht op extra bescherming? Wat met het recht op extra bescherming voor kwetsbare kinderen? Wanneer Vlaanderen zich op essentiĂŤle beleidsdomeinen zou terugtrekken, dan is de kans groot dat de macht van het getal op lokaal niveau primeert. Het lokale beleid zal zich toespitsen op de noden van de grootste groep inwoners en minder op specifieke noden van een kleinere groep, want dit vraagt verhoudingsgewijs meer middelen. Wanneer er geen Vlaanderen is die aan deze specifieke behoeften blijft tegemoet komen, riskeren minderjarigen met bijzondere behoeften uit de boot te vallen. Hun recht op extra ondersteuning, omwille van hun kwetsbare positie, komt op de helling te staan.

6.3. Niet iedereen heeft een netwerk Wat met vermaatschappelijking van de zorg wanneer je geen krachtig en ondersteunend netwerk hebt? Vermaatschappelijking van de zorg impliceert dat mensen met nood aan zorg niet alleen een netwerk hebben maar ook ĂŠĂŠn waarop ze kunnen rekenen. Vermaatschappelijking van de zorg gaat ervan uit dat mensen genoeg tijd en kracht hebben om elkaar te helpen. Helaas heeft niet iedereen een netwerk of een netwerk waarop ze kunnen rekenen. Mensen in armoede, bijvoorbeeld. Zij hebben vaak geen netwerk. Als ze er een hebben, dan is de kans groot dat het netwerk evenveel nood aan zorg heeft als het gezin in kwestie. Ook evolueert onze samenleving niet richting meer tijd en ruimte om voor te zorgen. Integendeel ieder van ons moet in de toekomst nog arbeidsactiever zijn en nog langer participeren aan de arbeidsmarkt.

4


6.4. Gebrek aan netwerk is vaak de oorzaak Gaan problemen van kinderen niet meestal samen met een gebrek aan een krachtige omgeving? Voor minderjarigen brengt vermaatschappelijking van zorg nog een extra probleem mee. Niet zelden vallen de problemen van kinderen in de hulpverlening samen met problemen in hun omgeving. Ze groeiden op in een omgeving met een grote nood aan ondersteuning. Wanneer we aan minderjarigen vragen oplossingen te vinden in hun omgeving, laten we ze dan niet twee keer in de steek?

6.5. Stappen kinderen te snel naar professionele zorg? Gaat vermaatschappelijking van zorg niet teveel uit van de premissie dat kinderen te snel naar de hulpverlening stappen, zonder ten rade te gaan bij hun omgeving? Onderzoek naar de toegankelijkheid van zorg voor jongeren komt steeds tot dezelfde conclusie: net als volwassenen, proberen de meeste jongeren eerst hun problemen zelf op te lossen, zonder hulp. Lukt dit niet , dan spreken ze hun intieme kring aan zoals hun broer en zussen, vrienden, ouders. Vinden jongeren hier ook geen antwoord op hun vraag, dan komen ze snel terug bij zichzelf terecht. Vaak komt het er op neer dat er op dat ogenblik niet meer verder naar hulp wordt gezocht. Ofwel verdwijnt het probleem dan vanzelf, ofwel continueert het of wordt het zelfs erger. Het is alvast niet zo dat jongeren te snel naar de hulpverlening stappen. Jongeren ervaren bij de stap naar professionele hulp heel wat drempels.

7. Kinderrechtenindicatoren, kinderen met nood aan zorg, decentralisatie en vermaatschappelijking van de zorg Wat betekenen al deze vragen voor ons onderzoek naar kinderrechtenindicatoren voor kinderen met nood aan zorg? Welke kinderrechtenindicatoren krijgen voorrang wanneer we willen anticiperen op decentralisatie en vermaatschappelijking van de zorg?

7.1. Nationaal, Vlaams en lokaal niveau Vooreerst maakt decentralisatie duidelijk dat kinderen en jongeren er alle belang bij hebben kinderrechtenindicatoren niet alleen op nationaal / Vlaams niveau te situeren maar ook op lokaal-niveau. - Een nationaal / Vlaams niveau laat toe om te waken over de rechtsgelijkheid tussen jongeren die in verschillende gemeenten leven. - Kinderrechtenindicatoren op nationaal / Vlaams niveau blijven de Vlaamse en nationale overheid herinneren aan hun verantwoordelijkheden bij gebrek aan slagkracht op lokaal niveau. - Wanneer decentralisatie een feit wordt, dan moeten we zicht krijgen op de implementatie van kinderrechten op lokaal niveau.

5


7.2. Breng de draagkracht in beeld Ten tweede moeten kinderrechtenindicatoren oog hebben voor de financiële, materiële en ruimtelijke ondersteuning van de omgeving van kinderen en jongeren. Kinderrechtenindicatoren moeten aangeven op hoeveel draagkracht de omgeving kan rekenen. Ze moeten ons informeren over de tijd, de financiële en materiële middelen en de psychische en fysieke ruimte waarop kinderen en hun directe omgeving kunnen rekenen. Dit niet alleen omdat ouders de eerste verantwoordelijken zijn en recht hebben op ondersteuning om deze verantwoordelijkheid te dragen. Maar ook omdat kinderen en jongeren op een krachtige omgeving moeten kunnen rekenen. Het is een illusie te denken dat de vermaatschappelijking van de zorg in elke situatie kan. Kinderen met ernstige fysieke of psychische problemen of kinderen die opgroeien in een omgeving met weinig middelen, draagkracht en tijd kunnen deze vermaatschappelijking niet aan.

7.3. Vraag naar gespecialiseerde zorg als pijler Ten derde. Gegevens over de nood aan gespecialiseerde zorg moeten altijd deel blijven uitmaken van het indicatorenpalet. De macht van het getal mag de tegemoetkoming aan de nood aan specifieke zorg niet onderdrukken. De decentralisatie van de jeugdzorg in Nederland laat zien dat er fel gesnoeid wordt in de gespecialiseerde zorg voor kinderen met nood aan gespecialiseerde zorg.

7.4. Kinderen als onderzoekseenheid Ten slotte moeten kinderen de onderzoekseenheid blijven. Statistieken op klas, school of gezinsniveau zijn iets anders dan statistieken op kindniveau. Ideaal brengen statistieken de belevingen en ervaringen van de kinderen zelf aan het licht.

6


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Lezing leen ackaert seminarie kinderrechtenindicatoren 20 oktober 2014 by Kinderrechten Vlaams Parlement - Issuu