Kinderrechtenorganisaties zijn geen gewone organisaties Evaluaties. Ze brengen onrust teweeg. Niet de evaluatie op zich geeft een onrustig gevoel - veelal zijn gesprekken over de eigen werking met een extern oprecht iemand verrijkend - wel de vraag naar wat er achteraf mee gebeurt. Zal men integer en discreet omspringen met de evaluatie? Of zal men de resultaten zonder context kenbaar maken aan het grote publiek? Zal de evaluatie nieuwe kansen en perspectieven bieden? Of leidt ze tot afslanking en verzwakking? Niet zelden passen evaluaties binnen een managementlogica met een nadruk op de drie E‘s,1 die vertaald worden in te behalen doelstellingen en aantallen. Er wordt nogal wat af geëvalueerd De laatste jaren is er in het landschap van de kinderrechten wat af geëvalueerd. Vijf jaar terug evalueerde prof. Vandenhole op vraag van het Vlaams Parlement het Kinderrechtencommissariaat van de eerste kinderrechtencommissaris. Bij het begin van de ambtstermijn van de tweede kinderrechtencommissaris boog het Bureau van het Vlaams Parlement zich over de werking van alle paraparlementaire instellingen, ook die van het Kinderrechtencommissariaat. Van september 2011 tot maart 2012 liet de Nationale Commissie voor de Rechten van het Kind zich extern evalueren. In februari 2013 organiseerde de Commissie voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media een gedachtewisseling rond de evaluatie van het middenveld kinderrechten Vlaanderen. Op vraag van het Vlaams Parlement en de minister Jeugd evalueerde prof. Doek het middenveld. En tot slot is er ‘de evaluaties geëvalueerd’ van prof. Vandenhole waarin hij de evaluatie van prof. Doek kritisch analyseert en evalueert. Minister Smet legde de nadruk op een ‘constructieve’ evaluatie van het middenveld kinderrechten. Hij wilde met de evaluatie de positie van minderjarigen in de samenleving versterken, wat we waardeerden2. Zijn uitgangspunt was: ‘Vanuit de vaststelling dat in onze samenleving bepaalde spanningsvelden scherper worden - rechten van kinderen versus rechten van volwassenen, kinderrechten als doel of als middel, een defensieve of offensieve kijk op kinderen – zal de overheid het kinderrechtenbeleid constructief evalueren’. De ambities van de minister waren lovenswaardig. Maar hoe te realiseren? Wie of wat neem je mee in je evaluatie? Vertrek je inderdaad vanuit de positie van minderjarigen en neem je dus alle Vlaamse en federale beleidsdomeinen en -actoren mee die de positie van minderjarigen beïnvloeden? Of beperk je je tot de bevoegdheden van je Vlaamse opdrachtgever. Neem je enkel actoren en instrumenten die vallen onder het decreet houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid of neem je ook andere organisaties mee, bijvoorbeeld jongerenwelzijnsorganisaties. Beperk je je tot het heden of houd je al rekening met de toekomst? Er beweegt momenteel behoorlijk wat rond
1
Efficiëntie, effectiviteit en economics. Zie: www.kinderrechtencommissariaat.be/sites/default/files/bestanden/2010_2011_9_advies_vlaams_actieplan_ki nderrechten_2011_2014_1.pdf 2
mensenrechten in België3. En tenslotte, wat begrijpen we onder kinderrechtenactoren? Wat horen ze te doen? Wat is hun rol? En dit zonder blauwdruk of eenduidige visie Boeiend om zien, is hoe elke evaluator op een andere manier aan de slag gaat. Prof. Vandenhole paste destijds een bedrijfskundig SWOT-model toe om het Kinderrechtencommissariaat te evalueren. Hij plaatste de werking van het Kinderrechtencommissariaat naast de mening van politici en kinderrechtenactoren uit het middenveld en trok zijn conclusies. Prof. Doeks evaluatie maakt duidelijk dat er weinig duidelijkheid rond de rol van kinderrechtenorganisaties bestaat. Iedereen erkent het belang van kinderrechtenorganisaties maar een duidelijke blauwdruk is er niet. Daarom gaat hij op zoek naar kapstokken in internationale mensenrechten verdragen en verklaringen waarin hij indirect antwoorden vindt. De variatie aan evaluatietechnieken toont aan dat we zoekende zijn. Terecht. Tenslotte zijn de uitdagingen niet min. Het Kinderrechtenverdrag vertalen naar een sociale en politieke realiteit is niet voor de hand liggend. Elke nieuwe overheid moet opnieuw overtuigd worden om kinderrechten verder te implementeren. Kinderrechten dagen maatschappelijk gevoelige onderwerpen en evidente kindbeelden en –mentaliteiten uit. En dit in een context waar kinderrechten niet altijd even hoog op de agenda staan. Andere financiële prioriteiten, een gebrek aan kennis over kinderrechten en hun toepassingen, politieke en institutionele ongevoeligheid, verzet omwille van angst, of een overgewicht van andere belangen en principes durven een verdere implementatie wel eens te dwarsbomen. Kinderrechtenactoren hebben een inbreng in de vertaling van ‘rights in books’ naar ‘rights in action’. Hun tussenkomsten, van welke aard dan ook, dragen bij tot de realisatie en de beleving van ‘rights in action’. En dit binnen verschillende sociale, politieke en economische contexten die, op de koop toe, continu veranderen. Kinderrechtenactoren moeten weten in te spelen op die veranderende contexten. Ze moeten voldoende onafhankelijk en flexibel zijn. Want in elke (veranderende) context moet elk (nieuw) kind op respect, bescherming en verwezenlijking van zijn rechten kunnen rekenen. Twee professoren doen een propositie Om deze taken te vervullen schuift Prof. Doek, naast de alternatieve rapportagefunctie, zeven functies naar voor die het middenveld kinderrechten kan vervullen. Die zijn: 1) voorlichting kinderrechten, 2) lobby / invloed op het beleid, 3) onderzoek / publicaties, 4) bijstand aan kinderen, 5) bevorderen van participatie, 6) vorming / stimulering zelfontplooiing en 7) actie / campagne. Om zo trouw mogelijk te blijven aan het fundamentele karakter van kinderrechten, kruist hij deze functies met de acht clusters4 die het VN-Kinderrechtencomité naar voor schuift bij de 3
Binnenkort ziet het ‘Interfederale Centrum voor Gelijke Kansen’ het leven en moet België verslag uitbrengen over haar vooruitgang inzake een mensenrechteninstelling en een toezichtsorgaan (OPCAT). 4 Met name: definitie van het kind (art. 1), algemene beginselen (art. 2, 3, 6 en 12), burgerrechten en vrijheden (art. 7, 8, 13-17 en 37), gezinssituatie en alternatieve zorg (art. 5, 18 (1-2), 9-11, 19-21, 25, 27 (4) en 39), handicap, elementaire gezondheidszorg en welzijn (art. 6, 18 (3), 23, 24, 26 en 27 (1-3)) onderwijs, ontspanning en culturele activiteiten (art. 28, 29, en 31) en bijzondere beschermende maatregelen (art. 22, 30, 38, 39, 40, 37 (b-d) en 32-36).
rapportageverplichting door de lidstaten. Op die manier komt hij in theorie tot 56 deelvelden die deel uitmaken van het gehele middenveld kinderrechten. Aan overlap in de vervulling van functies stoort hij zich niet. Aan de lacunes wel. Prof. Vandenhole schuift, in ‘de evaluatie geëvalueerd’, drie functies voor het middenveld kinderrechten naar voor: 1) monitoring en gegevensinzameling, 2) vorming en pleitbezorging, 3) onderzoek en professionele vorming. Hij pleit ervoor om overlap te vermijden en lacunes in kaart te brengen. Beide auteurs hechten belang aan een zekere onafhankelijkheid van het middenveld ten aanzien van de overheid. Tijdens de gedachtewisseling in de Commissie Jeugd stelden verschillende partijen vragen over de regie van het middenveld kinderrechten. Immers, een te strakke regie door de overheid kan de nodige onafhankelijk positie van kinderrechtenactoren in het gedrang brengen. Didier Reynaert, die ook aan de gedachtewisseling deelnam, pleitte voor een overheid die wat krachtlijnen uitzet5 maar die vooral de bestaande initiatieven, die van onderuit groeien, stimuleert. Prof. Doek stelde dat een bundeling van activiteiten kan gefaciliteerd worden door de overheid, maar het mag niet zijn: wie betaalt, bepaalt. De overheid is, aldus Prof. Doek, gebaat bij een ruim functionerend middenveld en een middenveld dat ook kritische geluiden formuleert. En prof Vandenhole ijverde tenslotte voor een regie van de hervorming, gefaciliteerd door het veld zelf of door een instelling die een zeker onafhankelijkheid heeft en het veld goed kent, bijvoorbeeld het Kinderrechtencommissariaat. Het belang van een gedeelde verantwoordelijkheid Het Kinderrechtencommissariaat trekt in zijn beleidsadviezen over het kinderrechtenbeleid altijd de kaart van een integraal kinderrechtenbeleid. We moedigen de Vlaamse overheid aan om vanuit kinderrechten haar beleid uit te tekenen, en zich niet te laten belemmeren door sectoren of begrensde beleidsdomeinen6. We waarderen de financiële ondersteuning van tal van organisaties door de overheid. Maar terzelfdertijd benadrukken we ook het belang van onafhankelijkheid t.a.v. de overheid, zeker wanneer het gaat om adviesverlening (door minderjarigen) en de realisatie van de alternatieve rapportage. In ‘de evaluatie geëvalueerd’ probeert prof. Vandenhole dit principieel pleidooi pragmatisch te vertalen. Vanuit de mensenrechtentraditie, schuift hij protectie en promotie7 als de twee hoofdopdrachten van kinderrechtenorganisaties naar voor. Ook benadrukt hij de nood aan positie bepalende ‘spelregels’ en stelt effectiviteit en efficiëntie als relevante criteria voor: ‘welke speler of 5
Bijvoorbeeld: resoluter kiezen voor het perspectief van de gebruiker in de ondersteuning van kinderrechtenactoren, een betere samenwerking tussen kinderrechtenorganisaties, een meer lokale invulling van kinderrechten en vooral inhoudelijke reflectie stimuleren. 6 Zie bijvoorbeeld: www.kinderrechtencommissariaat.be/sites/default/files/bestanden/2010_2011_9_advies_vlaams_actieplan_ki nderrechten_2011_2014_1.pdf, www.kinderrechtencommissariaat.be/sites/default/files/bestanden/2011_2012_1_advies_ontwerp_decreet_v ernieuwd_jeugd_en_kinderrechtenbeleid.pdf, www.kinderrechtencommissariaat.be/sites/default/files/bestanden/2010_2011_5_advies_jeugdbeleidsplan_iii .pdf 7 Die hij vervolgens vertaalt in: 1) monitoring en gegevensinzameling, 2) vorming en pleitbezorging, 3) onderzoek en professionele vorming.
spelers zijn het best uitgerust om een opdracht met een zo zuinig mogelijk gebruik van middelen te realiseren, en welke spelers zijn het best geplaatst om een opdracht te vervullen.’ Effectiviteit en efficiëntie kun je vanuit verschillende perspectieven en visies definiëren. Bijvoorbeeld vanuit een defensieve of offensieve visie op kinderrechten, vanuit een zuinigheidslogica of een impactlogica, of vanuit een overheidsperspectief of het perspectief van een kinderrechtenorganisatie. Vul je effectiviteit vanuit het perspectief van een kinderrechtenorganisatie in, dan krijgt effectiviteit een andere betekenis dan de gebruikelijke betekenis binnen een managementslogica. Mensenrechtenverdragen en mensenrechtenorganisaties zijn effectief wanneer ze impact genereren, en elke nieuwe overheid weten te overtuigen om mensen- en kinderrechten verder te implementeren. Kinderrechten dagen sociaal gevoelige onderwerpen en evidente kindbeelden en – mentaliteiten uit, wat geen gemakkelijk taak is. Slaagt een kinderrechtenorganisatie er in om een steentje bij te dragen aan de uitbouw van een kind(errechten)vriendelijke maatschappij dan is er sprake van effectiviteit. Dankzij de luisterbereidheid, openheid en responsiviteit van de overheid en de samenleving kunnen kinderrechtenorganisaties mee een verschil maken. Handelt de overheid vanuit een respect voor kinderrechten en maakt ze middelen vrij om tegemoet te komen aan kinderrechten, dan genereren kinderrechtenorganisaties makkelijker impact en dan wanneer de overheid dat niet doet. Effectiviteit vraagt om een gedeelde verantwoordelijkheid. Samen met UNICEF pleiten we voor een contextuele invulling van effectiviteit8. Effectiviteit is een verdienste van een respectvolle relatie tussen de overheid en kinderrechtenorganisaties. Binnen een impact- en implementatielogica vereist effectiviteit mogelijkheden en middelen om kinderrechtenschendingen te detecteren, bescherming te realiseren, belangen van (het individuele) kind(eren) te verdedigen, bezorgdheden te communiceren, en samenwerking tussen organisaties te stimuleren. Effectiviteit verlangt een overheid die de suggesties en aanklachten ernstig neemt, die voldoende ruimte biedt voor flexibiliteit en aan kinderrechtenorganisaties een stabiele onafhankelijke wettelijke basis geeft. Kinderrechtenorganisaties zijn geen gewone organisaties Evaluaties. Ze brengen onrust teweeg. De minister van Jeugd legde het accent op een ‘constructieve’ evaluatie. Met de evaluatie wil hij de positie van de minderjarigen in onze samenleving versterken. Deze ambitie is, aldus Prof. Doek, niet te herleiden tot het vervullen van een aantal functies. Elk kinderrecht moet vervuld worden. Zijn voorstel is om voor elk recht of elke cluster één of meerdere organisaties te voorzien, die één of meerdere functies vervullen. Prof. Vandenhole stelt drie functies voor. Prof. Doek zeven. De evaluaties van Prof. Doek en Prof. Vandenhole maken duidelijk dat kinderrechtenorganisaties geen gewone organisaties zijn. Doordat ze bijdragen tot de implementatie van mensen- en kinderrechten, verdienen ze een apart benadering. Ze waken over de fundamentele rechten die verbonden zijn met de menselijke waardigheid. En vereisen daarom evaluatiecriteria die niet a priori 8
UNICEF Office of Research. – Innocenti. ‘Championing Children’s Rights. A global study of independent human rights institutions for children.’ October 2012. UNICEF Office of Research. – Innocenti. ‘Governance and the Rights of Children.’ June 2012.
samenvallen met de gebruikelijke effectiviteit, efficiĂŤntie en zuinigheidscriteria. Maar evaluatiecriteria die zeer trouw blijven aan kinderrechten. We hopen dat de Vlaamse overheid het specifieke belang van kinderrechtenorganisaties blijft erkennen. En dat ze, in haar antwoord op de evaluatie van de kinderrechtenorganisaties, ook haar eigen verantwoordelijkheid in de uitbouw van een sterk kinderrechtenbeleid blijft erkennen.
Bruno Vanobbergen en Leen Ackaert