Skip to main content

VMBO-PIE voorbeeld reader

Page 1

vmbo

Naam vmbo college

Reader vmbo leerobjecten Voorbeeld


Voorbeeld leerobjecten PIE


COLOFON Š2019 Kenteq, Hilversum Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand dan wel openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieÍn, opname, of enige andere wijze, zonder voorafgaande toestemming van de uitgever. Kenteq Postbus 81 1200 AB Hilversum info@techniekstad.nl


Inhoudsopgave 1

Aftekenen en centeren

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7

Wat is aftekenen? Wat is centeren? Aftekengereedschap Centergereedschap Veilig aftekenen en centeren Hoe teken je af? Samenvatting

5 6 6 10 11 12 14

2

Arbeid, vermogen en energie

15

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

Arbeid Vermogen PotentiĂŤle- en kinetische energie Samenvatting Antwoorden

16 21 24 27 28

3

Bedrijfsorganisatie

29

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

Soorten bedrijven Organisatiestructuren Formele en informele organisatie Organisatievormen Samenvatting Antwoorden

30 32 34 36 40 41

4

Titelblok, stuklijst en aanzichten

43

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Werktekening Titelblok Stuklijst Aanzichten Antwoorden

43 43 45 46 54

5

Veiligheid op de werkplek

57

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

Gevaren op het werk Gevaren aanpakken Persoonlijke beschermingsmiddelen Noodplan Samenvatting Antwoorden

58 60 67 73 77 78

Š Kenteq

5

3


4

Inhoudsopgave


1 Aftekenen en centeren In dit leerobject leer je een werkstuk aftekenen. Je leert ook centeren.

1.1

Wat is aftekenen? De gegevens van je werktekening neem je over op het materiaal. Hoe? Je tekent lijnen op het materiaal. Dit heet 'aftekenen'. Door af te tekenen weet je waar je later moet zagen, knippen of boren.

Aftekenen

Aftekenlijnen kunnen verschillende vormen hebben. Er zijn rechte lijnen en gebogen lijnen.

Rechte en gebogen lijnen

Rechte lijnen Je kunt een rechte lijn op drie manieren tekenen: • evenwijdig aan het uitgangsvlak

• haaks op het uitgangsvlak

© Kenteq

5


• onder een hoek met het uitgangsvlak

Gebogen lijn Een cirkel is rond. Je tekent een cirkel vanuit een middelpunt. Je kunt ook een deel van een cirkel tekenen. Dat noemen we een cirkelboog. Cirkels en cirkelbogen zijn gebogen lijnen.

Cirkel en cirkelboog

1.2

Wat is centeren? Aftekenlijnen kun je extra duidelijk maken door er kleine putjes in te slaan. Dat heet 'centeren'. De putjes op de aftekenlijnen heten centers.

Centeren

Je kunt ook centers slaan op het snijpunt van twee lijnen. Dat doe je als je daar een gat moet boren. Je maakt de centers met een hamer en een centerpons.

1.3

Aftekengereedschap Als je gaat aftekenen, heb je aftekengereedschap nodig. Er bestaan verschillende soorten aftekengereedschap.

6

Aftekenen en centeren


Kraspen Een kraspen is een pen met een dunne punt. Hij is gemaakt van gereedschapsstaal. Dat staal is erg hard en slijtvast. Met een kraspen kun je dunne, rechte lijnen tekenen. Je krast de lijnen in het materiaal. In sommige materialen mag of wil je niet krassen. Gebruik dan een potlood. Dat is niet zo duidelijk als met een kraspen, maar je hebt je materiaal niet beschadigd.

Kraspen

Rei Een rei is een dikke liniaal van staal. Er staat meestal geen maatverdeling op. Met een kraspen kun je langs een rei rechte lijnen trekken. Ook langs een maatlat kan dat.

Aftekenen met een rei

Blokhoekhaak Met een blokhoekhaak trek je haakse lijnen. Dat betekent dat de lijnen een hoek van 90° maken met het uitgangsvlak.

Aftekenen met een blokhoekhaak

Š Kenteq

7


Hoogteschuifmaat Een hoogteschuifmaat is een schuifmaat die rechtop staat. In de volgende situaties gebruik je een hoogteschuif-maat: • het voorwerp dat je moet meten, staat rechtop • je kunt het werkstuk moeilijk aftekenen • je moet veel werkstukken aftekenen • je moet veel evenwijdige lijnen trekken

Hoogteschuifmaat

Een hoogteschuifmaat heeft een liniaal. Op die liniaal zit een maatverdeling in millimeters. Met een schuif kun je de maat instellen.

Instellen van de lineaal

Vlakplaat Een vlakplaat is een plaat van gietstaal of natuursteen. De plaat is aan de bovenkant zuiver vlak. Hierop kun je metingen doen of materiaal aftekenen. Let op! Je moet nooit op een vlakplaat centeren, want dan beschadig je de vlakplaat. Vlakplaat

8

Aftekenen en centeren


Hoekplaat Als je aftekent met een hoogteschuifmaat, zet je het materiaal tegen een hoekplaat.Een hoekplaat is net zoiets als een boekensteun. Je zet je materiaal ertegenaan. Een hoekplaat zorgt ervoor dat het materiaal precies haaks op de vlakplaat staat.

Aftekenen met behulp van een hoekplaat

Verstekhaak Met een verstekhaak teken je lijnen af onder een hoek van 45° of 135°.

Aftekenen met een verstekhaak

Instelbare hoekhaak Een instelbare hoekhaak lijkt op een verstekhaak. Het verschil is dat je de hoek van een instelbare hoekhaak zelf kunt instellen. Dat doe je met een gradenboog. Je moet bijvoorbeeld een hoek instellen van 30°. Dan leg je de zijkant van de haak op het getal 30 van de gradenboog. Het blok van de instelbare hoekhaak leg je tegen de rechte kant van de gradenboog.

Instellen van de instelbare hoekhaak

Met de instelbare hoekhaak kun je ook hoeken overnemen.

© Kenteq

9


Steekpasser Een steekpasser is een passer met twee scherpe punten van staal. Met de steekpasser kun je cirkels op je materiaal tekenen. Je kunt ook delen van cirkels tekenen. Je stelt de steekpasser in met een maatlat.

Aftekenen met een steekpasser

1.4

Centergereedschap Als je gaat centeren, heb je een centerpons en een bankhamer nodig.

Bankhamer en centerpons

Centerpons Een centerpons is gemaakt van gereedschapsstaal. Hij heeft een scherpe punt om centers in het materiaal te slaan.

Centerpons

Bankhamer Je hebt ook een bankhamer nodig om te centeren. Een bankhamer heeft een lichte, stalen hamerkop.

Bankhamer

10

Aftekenen en centeren


Soorten centers Je maakt kleine centers om de aftekenlijn te verduidelijken. Die centers noem je aftekencenters.

Aftekencenter

Je kunt ook een grotere center maken op het snijpunt van twee lijnen. Dat doe je als je daar later een gat moet boren. Dit noem je een 'boorcenter'. Een boorcenter voorkomt dat de boor verloopt. Hiermee bereik je dat je op de juiste plaats boort. Boorcenter

1.5

Veilig aftekenen en centeren Veiligheid is altijd belangrijk. Draag geen scherpe aftekengereedschappen in je zak, zoals een steekpasser of een kraspen. Je kunt je aan de scherpe punten verwonden. Als je valt, kan het aftekengereedschap als een dolk werken.

Dit is gevaarlijk

Ook bij centeren is veiligheid belangrijk. Controleer altijd of de steel vast in de hamerkop zit.

Hamer met loszittende hamerkop

Š Kenteq

11


Zorg dat de kop van je centerpons braamvrij is. Een braam kan je hand verwonden.

Centerpons met en zonder bramen

1.6

Hoe teken je af? Je weet dat je rechte en gebogen lijnen kunt aftekenen. Rechte lijn aftekenen Een rechte lijn kan drie standen innemen: • evenwijdig aan het uitgangsvlak • haaks op het uitgangsvlak • onder een hoek met het uitgangsvlak Evenwijdig Een lijn evenwijdig aan het uitgangsvlak teken je af met een: • kraspen • maatlat of rei

Aftekengereedschap

Denk daarbij aan de volgende regels: • Gebruik een aanlegblokje, als het kan. • Leg de maatlat of de rei en het werkstuk goed tegen het blokje aan. • Teken de maten nauwkeurig af.

Goed aftekenen

12

Aftekenen en centeren


• Trek één scherpe, duidelijke aftekenlijn.

Lijn trekken

• Controleer de afstand tussen de lijnen.

Controleren van lijnen

Haaks Een lijn haaks op het uitgangsvlak teken je af met een: • kraspen • blokhoekhaak Onder een hoek Een lijn onder een hoek met het uitgangsvlak teken je af met een: • kraspen • verstekhaak of instelbare hoekhaak Leg het dikke gedeelte van de verstekhaak of de instelbare hoekhaak goed tegen het uitgangsvlak.

Aftekenen onder een hoek

© Kenteq

13


Je legt het blok van de blokhoekhaak goed tegen het uitgangsvlak. Je tekent af langs het blad. Verder gelden dezelfde regels als bij het aftekenen van een lijn evenwijdig aan het uitgangsvlak.

Haaks aftekenen

1.7

Samenvatting Aftekenen doe je met de volgende aftekengereedschappen: • Kraspen: stalen pen met een dunne punt. • Rei: dikke stalen liniaal. • Hoogteschuifmaat: schuifmaat die rechtop staat. • Verstekhaak: gereedschap waarmee je rechte lijnen aftekent onder een hoek van 45° of 135°. • Instelbare hoekhaak: gereedschap waarmee je rechte lijnen aftekent; je kunt de hoek zelf instellen met een gradenboog. • Blokhoekhaak: gereedschap om rechte lijnen af te tekenen, die haaks op het uitgangsvlak staan. • Steekpasser: gereedschap om cirkels mee af te tekenen. • Een centerpons is een stalen gereedschap met een scherpe punt om centers mee te maken. Centeren doe je: • om aftekenlijnen duidelijker te maken • om te voorkomen dat de boor verloopt Je centert met een bankhamer en een centerpons.

14

Aftekenen en centeren


2 Arbeid, vermogen en energie Inleiding Een duwboot die een aantal duwbakken de rivier op moet duwen moet arbeid leveren om zijn lading op plaats van bestemming te krijgen. Om arbeid te kunnen leveren heeft de duwboot energie en vermogen nodig. Bij de energie denk je aan de brandstof die in de motor (vermogen) omgezet wordt in arbeid (duwkracht). Duwcombinatie binnenvaart

Arbeid is in de natuurkunde de inspanning die een krachtbron levert bij verplaatsing van een massa. Arbeid druk je uit in W. Vermogen is de natuurkundige grootheid voor energie (arbeid) per tijdseenheid. Vermogen druk je uit in watt. Energie is de mogelijkheid om arbeid te verrichten, de mogelijkheid om een verandering te realiseren. Energie druk je uit in Joule. Leerdoelen Je kunt: • de formule noemen om de arbeid (zonder wrijving) te berekenen voor het verplaatsen van een lichaam • de formule noemen om vermogen te berekenen • eenvoudige berekeningen maken met betrekking tot arbeid, vermogen en rendement.

© Kenteq

15


2.1

Arbeid Als er op een voorwerp een kracht werkt, in de richting waarin het voorwerp zich verplaatst, dan verricht deze kracht arbeid.

De kracht werkt in de richting van de weg

De grootte van de verrichte arbeid vind je uit: arbeid = kracht × weg Waarbij de kracht werkt in de richting van de weg Arbeid geef je aan met het symbool W. De verrichte arbeid kun je berekenen met de volgende Arbeid

W=F×s F = kracht s = afgelegde weg De eenheid van arbeid is N × m = Nm Opmerking 1 Nm = 1 Joule Voorbeeld Gegeven Een blok met een gewicht van 25 N wordt door een horizontale kracht van 8 N met een eenparige snelheid over het horizontale vlak getrokken.

Gevraagd Bereken de verrichte arbeid als het voorwerp 9 m wordt verplaatst. Oplossing W=F×s W=8N×9m W = 72 Nm = 72 Joule

16

Arbeid, vermogen en energie


1.

Een blok (F = 20 N) moet verplaatst worden.

De richting van de kracht De richting van de kracht is niet altijd dezelfde als de richting van de weg.

De kracht onder een hoek ten opzichte van de bewegingsrichting

Stel dat de kracht werkt onder een hoek a ten opzichte van de bewegingsrichting. Een plat vlak kan alleen maar krachten kan opnemen die loodrecht op het vlak staan. Dus moet je de kracht F in twee componenten ontbinden: • F v loodrecht op het vlak • F h evenwijdig aan het vlak.

Kracht F ontbinden in twee componenten

In de richting waarin het lichaam zich verplaatst, werkt nu de kracht Fh. Met de cosinusregel kun je dit berekenen: cos α =

Fh , dus F = F × cos a h F

Als de kracht onder een hoek werkt, verandert de formule voor de verrichte arbeid in: W = F × s × cos a F v verricht in dit voorbeeld geen arbeid. Dat komt omdat de hoek die Fv maakt met de bewegingsrichting 90° is. Reken je dit uit, dan zie je dat dit klopt: W = F v × s × cos 90° W = Fv × s × 0 W=0

© Kenteq

17


Een andere manier om de verrichte arbeid te berekenen is om de afgelegde weg te gebruiken. Je projecteert de afgelegde weg in de richting waarin de kracht werkt.

De geprojecteerde weg is sp. cos α =

Sp , dus s = S × cos a p s

W = F × s p gaat dan weer over in de hiervoor gevonden formule W=F×sp W = F × S × cos a Voorbeeld Gegeven Een rol tapijt van 800 N wordt van punt A naar punt B gebracht. De rol tapijt moet langs een hellend vlak verplaatst worden. De hellingshoek is 30°. De wrijving wordt verwaarloosd.

Gevraagd Hoe groot is de verrichte arbeid? Oplossing Je kunt dit op 3 manieren oplossen:

18

Arbeid, vermogen en energie


Methode 1: ontbinden van de kracht

Ontbind het gewicht G in een component F2 loodrecht op de bewegingsrichting en een component F1 evenwijdig aan de bewegingsrichting. Meetkundig zie je dat F1 = 400 N en F2 = 400 √3 N. Dus F1 = 400 N moet overwonnen

F 1 = 400 N en F2 = 400 √3 N

worden. W=F×s W = 400 N × 12 m W = 4800 Nm Methode 2: projectie van de afstand

De projectie van de weg AB op de bewegingsrichting van G is de afstand BC. Meetkundig zie je dat BC = 6 m. W=F×s W = 800 N × 6 m W = 4800 Nm Methode 3: met de formule

Met de meest algemene formule: W = F × s × cos a a is de hoek tussen de weg en de geprojecteerde weg, dit is 60°. W = 800 N × 12 m × cos 60° W = 800 N × 12 m × 0,5 W = 4800 Nm 2.

© Kenteq

Er wordt getrokken aan een voorwerp met een kracht F van 500 N. De kracht staat onder een hoek a van 30°.

19


Verticale kracht Tijdens hijsen wordt ook arbeid verricht. Stel dat je een zware kist via een takel omhoog wilt hijsen. Verticaal te verrichten arbeid kun je berekenen met de formule:

Hijsen van een zware kist Verticale arbeid

W = G × h of W=m×g×h W = mechanische arbeid in Nm G = gewicht van het lichaam in N h = hijshoogte in m m = massa van het lichaam in kg g = versnelling van de zwaartekracht in N/m of m/s2. Voorbeeld Gegeven Een complete schakelkast met een massa van 80 kg moet 15 m omhoog worden gehesen. g = 10 N/kg.

20

Arbeid, vermogen en energie


Gevraagd Bereken de arbeid die het hijswerktuig moet leveren. Oplossing W = m × g × h = 80 × 10 × 15 = 12000 Nm = 12 kJ Voorbeeld Gegeven Een liftkooi heeft een eigen gewicht van 700 N. In de lift staan zich vier personen die samen een gewicht hebben van 2.800 N. De liftkooi verplaatst zich 8 m met een constante snelheid omhoog. Gevraagd Bereken de arbeid die de liftmotor over dat traject moet leveren. Oplossing Het totale gewicht bedraagt: Gtot = 700 + 2800 = 3500 N De te leveren arbeid: W = Gtot × h = 3500 × 8 = 28000 Nm = 28 kJ Opmerking • Als een lift met een constante snelheid stijgt of daalt, dan is de versnelling of vertraging gelijk aan nul (a = 0 m/s2). • Bij het in beweging komen en het stoppen van de lift op een bepaalde verdieping zijn de snelheden niet constant (a ¹ 0). Dit is van invloed op het gewicht. We zullen dit onderwerp verder niet bespreken. 3.

De liftkooi van een bouwlift heeft een eigen gewicht van 600 N. In de liftkooi liggen een boormachine met een gewicht van 680 N en een bos kabel met een gewicht van 400 N. Bereken de arbeid die de liftmotor moet leveren als de liftkooi zich met een constante snelheid 6,4 m naar boven verplaatst.

2.2

Vermogen Vermogen is de verrichte arbeid per tijdseenheid. Vermogen geef je aan met het symbool P.

© Kenteq

21


Vermogen P

P =

W t

P = vermogen in Nm/s W = arbeid in Nm t = tijdsduur in s

Vermogen is de hoeveelheid arbeid die per tijdseenheid verricht wordt. Dit heeft dus ook betrekking op de snelheid waarmee een product bijvoorbeeld opgehesen wordt. Dit kun je meenemen in een formule: Arbeid W = F × s, dus P = F × s (1) t Uit de bewegingsleer weet je dat de snelheid is afgelegde weg per tijdseenheid of v =

s (2). t

Uit (1) en (2) volgt dus: P = F × v Vermogen P

P=F×v P = vermogen in W F = kracht in N v = snelheid in m/s Voorbeeld Gegeven Aan een loopkat hangt een last FG met een gewicht van 20 kN. De snelheid waarmee de last omhoog gaat is 24 m/ min. Wrijving verwaarlozen.

Loopkat

Gevraagd Hoe groot is het vermogen dat de motor moet leveren?

22

Arbeid, vermogen en energie


Oplossing P=F×v P = 20 kN × 24 m/min P = 20 kN × 24 m/s 60 P = 8 kNm s Nm = Watt s P = 8 kW Voorbeeld Gegeven Een draaibeitel ondervindt een constante snijkracht van 1800 N. De snijsnelheid = 30 m/min.

Gevraagd Hoe groot is dan het ontwikkelde vermogen tijdens het verspanen? Oplossing P=F×v P = 1800 N × 30 m/min P = 1800 N × 0,5 m/s P = 900 Nm s P = 900 W P = 0,9 kW 4.

Een elektrische takel moet een last met een gewicht van 600 N in een tijd van twee minuten 12 m omhoog hijsen. Bereken het afgegeven vermogen van de elektrische takel.

© Kenteq

23


2.3

Potentiële- en kinetische energie Potentiële energie Om een voorwerp naar een bepaalde hoogte te brengen, moet je arbeid verrichten. Arbeid W

W=Gxs W = arbeid in Nm G = gewicht in N s = tijd in s Om het voorwerp te laten zakken geldt hetzelfde. Als een voorwerp op een bepaalde hoogte hangt, dan is er in dat voorwerp ten opzichte van het uitgangspunt een hoeveelheid arbeid opgehoopt. Je noemt deze arbeid potentiële energie, afgekort Ep. De potentiële energie is de energie die in een voorwerp aanwezig is omdat dit voorwerp zich in een krachtenveld bevindt. Deze energie komt vrij als het voorwerp in staat wordt gesteld een val te maken terug naar zijn uitgangspunt. Het voorwerp is dus in staat arbeid te verrichten. Alleen al door zijn plaats (hoogte) is er potentiële energie in het voorwerp opgehoopt. De potentiële energie wordt daarom ook wel 'arbeidsvermogen van plaats' genoemd. Potentiële energie Ep

Ep=Gxh E p = potentiële energie in J G = gewicht in N h = hoogte in m

5.

Wat is potentiële energie?

Kinetische energie Als je een voorwerp laat vallen, dan zal de hoogte kleiner worden. De potentiële energie neemt af en wordt omgezet in bewegingsenergie. Naarmate het voorwerp verder valt, wordt de potentiële energie minder. Daardoor zal de snelheid en dus de bewegingsenergie groter worden. Deze bewegingsenergie noem je kinetische energie, afgekort Ek . Kinetische energie noem je ook wel arbeidsvermogen van beweging.

24

Arbeid, vermogen en energie


Kinetische energie Ek

Ek =

1 × m × v2 2

E k = kinetische energie in J m = massa in kg v = snelheid in m/s Als een voorwerp valt wordt tijdens het vallen potentiële energie omgezet wordt in kinetische energie. Je noemt de potentiële energie (Ep) en de kinetische energie (Ek) samen de mechanische energie. Volgens de wet van behoud van energie is deze mechanische energie altijd constant. E p + Ek = constant Je kunt dus alleen maar energie van de ene soort omzetten in energie van de andere soort. Bij afname van Ep zal Ek evenveel toenemen. 6.

Wat is kinetische energie?

Rendement Machines werken nooit zonder wrijving. Daardoor is het afgegeven vermogen altijd kleiner dan het toegevoerde vermogen. Je noemt dit rendement. Rendement geef je aan met het symbool h. Rendement is de verhouding tussen het afgegeven vermogen en het toegevoerde vermogen. Het rendement druk je meestal uit in procenten. Rendement =

afgegeven vermogen × 100% toegevoerd vermogen

Rendement h

η =

Paf × 100% Ptoe

h = rendement Paf = afgegeven vermogen Ptoe = toegevoerd vermogen Voorbeeld Een elektromotor geeft een vermogen af van 10 kW. Het rendement van de motor is 80%. Hoe groot is het toegevoerde vermogen?

© Kenteq

25


η =

Paf 10 Kw 10 × 100 10 × 100 × 100% -> 80 = × 100% -> 80% = Ptoe = Ptoe Ptoe Ptoe 80

P toe = 12,5 kW 7.

Een motor neemt 6,25 kW op en levert 5 kW aan de uitgaande as. Hoe groot is het rendement van de motor?

26

Arbeid, vermogen en energie


2.4

Samenvatting • arbeid = kracht × weg W=F×s • Als de kracht onder een hoek werkt, gebruik je: W = F × s × cos a • Verticale kracht: W = G × h of W = m × g × h • Vermogen is de verrichte arbeid per tijdseenheid. Vermogen geef je aan met het symbool P. •

P =

W of P = F × v t

• Potentiële energie is 'arbeidsvermogen van plaats' • Kinetische enerie is 'arbeidsvermogen van beweging' • Rendement is de verhouding tussen het afgegeven vermogen en het toegevoerde vermogen.

η =

© Kenteq

Paf × 100% Ptoe

27


2.5

Antwoorden Antwoord 1 W=F×s 80 = 20 × s s=4m Antwoord 2 W = F × s × cos a W = 500 × 10 × cos 30° W » 4.330 Nm Antwoord 3 W=G×h W = (600 + 680 + 400) × 6,4 W = 10752 Nm Antwoord 4 Eerst reken je de snelheid uit: v=s/t v = 12 / (2 × 60) = 0,1 m/s P=F×v P = 600 × 0,1 P = 60 Nm/s Antwoord 5 Potentiële energie is de energie die in een voorwerp aanwezig is Antwoord 6 Kinetische energie is de bewegingsenergie. Je noemt het ook wel het arbeidsvermogen van beweging. Antwoord 7

η =

Paf × 100% Ptoe

h = 5 / 6,25 × 100% h = 0,8

28

Arbeid, vermogen en energie


3 Bedrijfsorganisatie Inleiding Een bedrijf moet zich organiseren om ervoor te zorgen dat alles goed loopt. Medewerkers moeten op de juiste plaats worden ingezet, afhankelijk van hun kennis, ervaring en vaardigheden. Aandachtspunten daarbij zijn: • soorten bedrijven • het doel van een organisatiestructuur • formele en informele organisatie • organisatieschema • lijn- en lijnstaforganisatie • overige organisatievormen.

Organistatie is essentieel voor een bedrijf

Leerdoelen Je • • • • • •

© Kenteq

kunt: verschillende soorten bedrijven noemen het doel van een organisatiestructuur toelichten verschillende organisatiestructuren noemen een organisatieschema lezen een organisatieschema maken verschillende organisatievormen noemen.

29


3.1

Soorten bedrijven Er zijn verschillende soorten bedrijven. Productiebedrijven en dienstverlenende bedrijven Je kunt een onderscheid maken tussen: • productiebedrijven • dienstverlenende bedrijven. Een bedrijf is een georganiseerd samenwerkingsverband waarin mensen met behulp van productiemiddelen en grondstoffen iets produceren. De koekjesfabriek heeft machines (deegmengers, ovens, inpakmachines) nodig, maar ook mensen om die machines te bedienen en deeg om de koekjes te bakken. De koekjesfabriek produceert iets en is daarom een productiebedrijf.

Een koekjesfabriek is een productiebedrijf

Een ziekenhuis is ook een bedrijf. Hier worden geen producten gemaakt, maar er wordt zorg verleend. Zorg betekent dat mensen verzorgd en genezen worden. Dit is een dienst. Daarom heet een ziekenhuis een dienstverlenend bedrijf, oftewel een dienstverlenende instelling.

Dienstverlenend bedrijf

1.

Geef van de volgende bedrijven aan of het een productiebedrijf of een dienstverlenend bedrijf is. Zet een kruisje in de juiste kolom. Bedrijf

Productiebedrijf

Dienstverlenend bedrijf

Kapsalon Administratiekantoor Bakkerij Advocatenkantoor Fietsenfabriek Snackbar Productief of dienstverlenend?

30

Bedrijfsorganisatie


Productiemiddelen Er zijn twee elementen die elk bedrijf en iedere instelling nodig heeft: • arbeid • kapitaal. De mensen die in een bedrijf werken verrichten arbeid. Zonder mensen wordt er geen koek gebakken en worden er geen patiënten behandeld. Kapitaal is het geld dat nodig is om de productiemiddelen aan te kunnen schaffen. Zonder machines kunnen de mensen in de fabriek geen koek bakken. En zonder medisch gereedschap kunnen de dokters de patiënten niet behandelen. Productiemiddelen zijn bijvoorbeeld: • grond • gebouwen • machines • gereedschappen • transportmiddelen • voorraden. Het kenmerk van productiemiddelen is dat ze betaald moeten worden vóórdat er wat mee verdiend is. Er moet dus geld voor beschikbaar gesteld worden. Dit geld kan komen van een bank of van de overheid. Overheidsinstellingen en particuliere bedrijven Het onderscheid tussen deze twee bedrijfsvormen wordt bepaald door de plaats waar het geld voor de productiemiddelen vandaan komt. Bij particuliere bedrijven komt het geld van de bank. Overheidsinstellingen krijgen geld van de overheid. Particuliere bedrijven Bij particuliere bedrijven worden de productiemiddelen betaald uit het geld dat door één of meer particulieren hiervoor ter beschikking is gesteld. Een particulier bedrijf wordt ook wel een onderneming genoemd. Deze ondernemingen moeten winst maken, anders zal het bedrijf failliet gaan. Voorbeelden zijn de koekjesfabriek, het schildersbedrijf en de transportonderneming.

© Kenteq

31


Overheidsbedrijven/instellingen Bij overheidsbedrijven worden de productiemiddelen betaald uit de opbrengst van de belastingen. De belastingbetaler kan gebruikmaken van de diensten van de instelling. Winst maken is niet noodzakelijk, omdat het geld door de overheid beschikbaar wordt gesteld. Overheidsbedrijven zijn bijvoorbeeld de GGD, de politie en de brandweer.

2.

De politie is een overheidsinstelling

Geef van de volgende bedrijven aan of het een particulier bedrijf of een overheidsinstelling is. Zet een kruisje in de juiste kolom. Bedrijf

Particulier bedrijf

Overheidsinstelling

De openbare bibliotheek De Fiat autodealer Samsung Politie hoofdkantoor Particulier of overheid?

3.2

Organisatiestructuren De organisatie van een bedrijf wordt vastgelegd in een organisatiestructuur. Organisatiestructuur vroeger In het begin van de negentiende eeuw waren de bedrijven nog klein. In die tijd had men nog nauwelijks gehoord van concurrentie. Het takenpakket was simpel omdat de eisen niet zo hoog waren. Een bedrijf werd dan ook geleid door de baas/ directeur die ook eigenaar was. De organisatiestructuur van het bedrijf was dus eenvoudig. Vroeger waren bedrijven kleiner

32

Bedrijfsorganisatie


Organisatiestructuur tegenwoordig Tegenwoordig is er veel veranderd: • de bedrijven zijn groter • de concurrentie onderling is veel heviger • de eisen zijn hoger waardoor de deskundigheid ook groter moet zijn. Het is duidelijk dat dit teveel wordt voor één persoon. Dit houdt in dat verantwoordelijkheden gedelegeerd moeten worden. Er moet een duidelijkere structuur in de organisatie komen.

Een modern bedrijf verlangt een duidelijke structuur in de organisatie

Doel organisatiestructuur Om te kunnen voldoen aan de hogere eisen en concurrerend te kunnen zijn, moet een onderneming de werkzaamheden verdelen. Hiervoor is leiding nodig, omdat er beslissingen moeten worden genomen. Medewerkers moeten op de juiste plaats worden ingezet, afhankelijk van hun kennis, ervaring en vaardigheden. Met andere woorden; een bedrijf moet zich organiseren.

Leiding in klein en groot bedrijf

Organisatieschema Een organisatiestructuur wordt vaak vastgelegd in een organisatieschema. Dit wordt ook wel een organogram genoemd.

© Kenteq

33


Voorbeeld van een organogram

3.

3.3

De organisatiestructuur van bedrijven is tegenwoordig ingewikkelder dan vroeger. Schrijf drie redenen daarvoor op.

Formele en informele organisatie Er zijn twee soorten organisatie: • de formele organisatie • de informele organisatie.

Formele en informele organisatie 34

Bedrijfsorganisatie


Formele organisatie De formele organisatie is het geheel van de in het organisatieschema officieel vastgestelde procedures en gezagsverhoudingen. Er blijkt ook uit wie verantwoording verschuldigd is aan wie.

Formele organisatie

Informele organisatie De informele organisatie is het geheel van relaties, processen en besluiten die zich buiten de formele structuur afspelen. De informele organisatie bestaat uit de sociale structuur van de werknemers die het werk en de gedragscodes met elkaar afstemmen. Het gaat dan bijvoorbeeld om: • wie van nature de leiding neemt • wie elkaar aardig vinden en wie niet • het onderling praten over de gang van zaken in het bedrijf • emoties/gevoelens. De informele organisatie is er altijd. Maar soms ontstaat er meer ruimte voor de informele organisatie als zich een tijdelijke situatie in het bedrijf voordoet. Bijvoorbeeld doordat er tijdelijke werkgroepen zijn ingesteld om een probleem zo snel mogelijk op te lossen. Zo'n werkgroep kan zijn samengesteld uit specialisten van verschillende afdelingen uit het bedrijf. Als het probleem is opgelost, valt de werkgroep weer uiteen en nemen de specialisten weer hun formele plaats in.

© Kenteq

35


4.

Gaat het om formele organisatie of informele organisatie? Zet een kruisje in de juiste kolom. Voorbeeld

Formele organisatie

Informele organisatie

Jim is de afdelingschef van Leonard. Leonard moet verantwoording afleggen aan Jim. Annemarie is voorzitter van de tijdelijke werkgroep. Zij leidt de vergaderingen. Roxanne heeft een hekel aan haar collega Bert. Als ze samen moeten werken, doet ze expres het tegenovergestelde van wat Bert wil. Ali is hoofd van de feestcommissie. Hij verdeelt de taken voor het personeelsfeest. Margreet is hoofd van de financiële afdeling. Zij is verantwoordelijk voor het begeleiden van de stagiaires. Rowan is een luidruchtige man. Tijdens de lunch in de kantine heeft hij het hoogste woord en bepaalt hij waar de gesprekken over gaan. Formele of informele organisatie?

3.4

Organisatievormen Er • • • •

zijn verschillende organisatievormen: lijnorganisatie lijnstaforganisatie projectorganisatie functionele organisatie.

Deze hebben betrekking op de formele organisatie. Lijnorganisatie De lijnorganisatie is een formele organisatievorm waarbij iedere medewerker één persoon boven zich heeft aan wie hij of zij verantwoording moet afleggen. Alle lijnfunctionarissen zijn rechtstreeks verantwoordelijk voor het resultaat van hun taken. Lijnorganisatie

Schema lijnorganisatie Dit is het organisatieschema van een lijnorganisatie.

36

Bedrijfsorganisatie


Opzet van een lijnorganisatie

Lijnstaforganisatie Het kan zijn dat lijnfunctionarissen zo’n groot takenpakket hebben, dat zij niet genoeg tijd hebben voor hun belangrijkste verantwoordelijkheid, het resultaat. Zij moeten dan een aantal taken afstoten. Het gaat meestal om taken die worden uitgevoerd ter ondersteuning en voorbereiding van de eigenlijke productie. Staffunctionarissen of stafafdelingen nemen deze taken over. Staf betekent in dit verband steun. De staffunctionaris ondersteunt en adviseert de lijnfunctionaris. De lijnfunctionaris blijft verantwoordelijk.

Lijn en staf

Schema lijnstaforganisatie Dit is het organisatieschema van een lijnstaforganisatie. De functies zoals planning, werkvoorbereiding en afdelingsadministratie zijn staffuncties. Deze liggen buiten de verticale lijn.

Š Kenteq

37


.

Opzet van een lijnstaforganisatie

5.

Is dit het organisatieschema van een lijnorganisatie of een lijnstaforganisatie?

Lijn- of lijnstaforganisatie

Licht je antwoord toe.

Overige organisatievormen Andere organisatievormen zijn: • projectorganisatie • functionele organisatie.

38

Bedrijfsorganisatie


Projectorganisatie Een projectorganisatie is een organisatievorm die je terugziet bij bedrijven die met projecten werken, bijvoorbeeld bouwbedrijven. Bij deze organisatievorm heeft een projectleider de verantwoording over één of meer projecten. Bij het beëindigen van een project gaat hij of zij weer over naar een ander project. De projectleider hoeft ook niet altijd met dezelfde ploeg medewerkers te werken. De samenstelling van zo'n ploeg kan wisselen. Functionele organisatie Bij een functionele organisatie zijn de bevoegdheden en de verantwoordelijkheden verdeeld over gespecialiseerde medewerkers. Dit heeft een nadeel. De uitvoerenden krijgen hun opdrachten niet van één medewerker, maar van meerdere medewerkers. In de praktijk blijkt deze vorm van organisatie bijna niet te werken in een onderneming. Je vindt deze vorm van organiseren wel bij verenigingen. 6.

© Kenteq

Functionele organisatie

Waarom werkt een functionele organisatie niet goed voor een onderneming?

39


3.5

Samenvatting • Je kunt een onderscheid maken tussen: – productiebedrijven – dienstverlenende bedrijven. • Een tweede onderscheid is tussen: – particuliere bedrijven – overheidsbedrijven (of overheidsinstellingen). • Een bedrijf moet zich organiseren om te zorgen dat alles goed verloopt. Er zijn twee soorten organisatiestructuren: – formele organisatie – informele organisatie. • Een organisatie kun je in een organisatieschema weergeven. • Er – – – –

40

zijn verschillende organisatievormen: lijnorganisatie lijnstaforganisatie projectorganisatie functionele organisatie.

Bedrijfsorganisatie


3.6

Antwoorden Antwoord 1 Bedrijf

Productiebedrijf

Dienstverlenend bedrijf

Kapsalon

×

Administratiekantoor

×

Bakkerij

×

Advocatenkantoor

×

Fietsenfabriek

×

Snackbar

×

Productie of dienstverlenend?

Antwoord 2 Bedrijf

Particulier bedrijf

De openbare bibliotheek

×

De Fiat autodealer

×

Samsung

×

Politie hoofdkantoor

Overheidsinstelling

×

Particulier of overheid?

Antwoord 3 • Bedrijven worden steeds groter. • Er is steeds meer concurrentie. • Er worden steeds hogere eisen gesteld.

© Kenteq

41


Antwoord 4 Voorbeeld Jim is de afdelingschef van Leonard. Leonard moet verantwoording afleggen aan Jim.

Formele organisatie

Informele organisatie

×

Annemarie is voorzitter van de tijdelijke werkgroep. Zij leidt de vergaderingen.

×

Roxanne heeft een hekel aan haar collega Bert. Als ze samen moeten werken, doet ze expres het tegenovergestelde van wat Bert wil.

×

Ali is hoofd van de feestcommissie. Hij verdeelt de taken voor het personeelsfeest.

×

Margreet is hoofd van de financiële afdeling. Zij is verantwoordelijk voor het begeleiden van de stagiaires. Rowan is een luidruchtige man. Tijdens de lunch in de kantine heeft hij het hoogste woord en bepaalt hij waar de gesprekken over gaan.

×

×

Formele of informele organisatie?

Antwoord 5 Een lijnstaforganisatie. Er zijn afdelingen die niet in de lijn staan, maar die een ondersteunende functie hebben. Antwoord 6 De specialisten krijgen opdrachten van verschillende mensen. Ze hebben dus verschillende chefs. Dit kan voor problemen zorgen, doordat het niet meer duidelijk is wie nu de leiding heeft.

42

Bedrijfsorganisatie


4 Titelblok, stuklijst en aanzichten 4.1

Werktekening Je ziet een verkleinde werktekening van een fotostandaard. Bekijk de tekening aandachtig. Zoals je ziet, bestaat het werkstuk uit verschillende delen: • Eén voetplaat. • Vier pennen. Op de tekening staat ook een samengestelde tekening. Die laat zien hoe de verschillende onderdelen in elkaar passen. Het werkstuk is ook in isometrische projectie weergegeven. Hiermee krijg je snel inzicht in de ruimtelijke vorm. Onderaan de tekening zie je een titelblok en een stuklijst. Deze ga je terugzien op iedere werktekening.

Werktekening

4.2

Titelblok Je ziet hier het titelblok van de fotostandaard.

Titelblok

Het titelblok bevat informatie over de gehele tekening: Benaming

Bij 'Benaming' vind je de naam van het (samengestelde) werkstuk in de tekening. In dit geval fotostandaard. Tekeningnummer

Hier wordt een specifiek nummer ingevuld om de tekening gemakkelijk terug te kunnen vinden in het tekenarchief. Schaal

De aangegeven algemene schaal die voor deze tekening wordt toegepast is 1 : 2 .

© Kenteq

43


Projectiemethode

Symbolische weergave van de derde kwadrant projectiemethode. Derde kwadrant projectiemethode

Algemene tolerantie

ISO 2768-mK: aan deze normverwijzing moeten de maten van het werkstuk voldoen. Tekenaar

Bij 'Getekend' plaatst de technisch tekenaar zijn eigen naam of initialen. Datum

De aanmaakdatum van de tekening wordt hier vermeld. Je kunt in de stuklijst ook de wijzigingsdatum of goedkeuringsdatum van de tekening tegenkomen. Eigenaar

In het titelblok staat de bedrijfsnaam of het logo van het bedrijf waarvoor de tekenaar werkt. Het bedrijf is de wettelijke eigenaar van de tekening en heeft het auteursrecht op de tekening. Maateenheid

De maateenheid voor een technische tekening is mm. 1.

Welke maateenheid geldt voor technische tekeningen.

2.

Bekijk het titelblok. a. Welke schaal heeft de tekening?

b. Wie heeft de tekening gemaakt?

c. Wie is de eigenaar van de tekening?

d. Op welke datum is de tekening ontstaan?

e. Welke projectiemethode is van toepassing?

44

Titelblok, stuklijst en aanzichten


4.3

Stuklijst De stuklijst geeft informatie over de verschillende onderdelen van het werkstuk.

Stuklijst

In de lijst zie je achtereenvolgens: Stuknummer

Elk onderdeel van het werkstuk heeft een eigen nummer, een zogenaamd stuknummer. Dit nummer wordt zowel bij de samenstelling als bij het onderdeel zelf geplaatst. Aantal

Van bepaalde onderdelen moeten er meerdere worden gemaakt. Zo moeten er vier dezelfde pennen worden gemaakt voor de fotostandaard. Benaming

Hier wordt de bestelnaam van het uitgangsmateriaal vermeld, in dit geval een staaf, plat en staaf, rond. Materiaalsoort

Het is belangrijk dat je precies weet van welk materiaal het onderdeel gemaakt moet worden. Zoals je ziet, moet de voetplaat gemaakt worden van S235Jr. Dat is staal met een bepaalde sterkte (360 N/mm2). Afmeting/Normaanduiding

De afmetingen van het uitgangsmateriaal worden hier vermeld. De vorm en afmetingen van bepaalde onderdelen zijn vastgelegd in normbladen. Schroeven, bouten en moeren zijn daarvan voorbeelden. Een cilinderschroef met 6 mm metrische schroefdraad en een lengte van 25 mm wordt in de stuklijst aangeduid met: ISO 4762 - M6 Ă— 25 Opmerking Hier kan aanvullende informatie over het onderdeel worden vermeld. In dit geval worden de namen van de onderdelen vermeld.

Š Kenteq

45


3.

Bekijk de stuklijst. a. Welk uitgangsmateriaal wordt er gebruikt voor stuknr. 1?

b. Hoeveel onderdelen heb je nodig van stuknr. 2?

c. Wat zijn de afmetingen van stuknr. 1?

4.

De normaanduiding cilinderschroef ISO 4762-M8 x 50 betekent: ____________________ mm, metrische ____________________ met een ____________________ van ____________________ mm.

4.4

Aanzichten Ontstaan aanzichten Je ziet hier een afbeelding van een luciferdoosje.

Lucifersdoosje

Kijk je recht naar de voorkant dan zie je het vooraanzicht.

Vooraanzicht

46

Titelblok, stuklijst en aanzichten


Kijk je vanaf een zijkant tegen het luciferdoosje dan zie je één van de zijaanzichten.

Zijaanzicht

Stel je voor dat je recht op de bovenkant van het doosje kijkt, dan zie je het bovenaanzicht

Bovenaanzicht

Afspraken aanzichten De aanzichten staan in een willekeurige volgorde onder elkaar. Voor technische tekeningen zijn afspraken gemaakt hoe de verschillende aanzichten ten opzichte van elkaar geordend worden. De aanzichten volgens afspraak geordend en van een passende naam voorzien: Het bovenaanzicht staat recht boven het vooraanzicht. Het zijaanzicht staat precies naast het vooraanzicht. Vooraanzicht, bovenaanzicht en zijaanzicht

5.

© Kenteq

Bij het ____________________ aanzicht houd je het werkstuk precies recht voor je.

47


Plaatsing aanzichten Een werkstuk heeft altijd een ruimtelijke vorm. In technische tekeningen wordt het werkstuk weergegeven met behulp van aanzichten. Aanzichten zijn voorstellingen van het werkstuk in het platte vlak. Het weergeven van een (ruimtelijk) werkstuk in een plat vlak heet projectie. De projectie kan op verschillende manieren plaatsvinden. De manier van projecteren, bepaalt de onderlinge plaats van de verschillende aanzichten. Om dat duidelijk te maken, maken we gebruik van een verdeling van de ruimte in vier kwadranten.

Eerste kwadrant projectie

Eerste kwadrant projectie Bij de eerste projectiemethode wordt het werkstuk in het eerste kwadrant geplaatst. We gebruiken als werkstuk het gelijkzijdig hoekprofiel.

Gelijkzijdig hoekprofiel

Het hoekprofiel is in het eerste kwadrant geplaatst. Met de waarnemer ga je recht voor het werkstuk staan en kijk je in de richting a. Wat je dan ziet is naar de achterwand geprojecteerd: het vooraanzicht. Door op dezelfde manier in de richting b te kijken, ontstaat het bovenaanzicht op de bodem. Het rechterzijaanzicht wordt tegen de zijwand geprojecteerd door vanuit d te kijken. Je projecteert bij deze methode dus van je af. De projectie komt achter het werkstuk.

48

Hoekprofiel in eerste kwadrant

Titelblok, stuklijst en aanzichten


Projecteren aanzichten eerste kwadrant

Als basis nemen we het vooraanzicht. De bodem en zijwand zijn scharnierend verbonden met de achterwand. De bodem draai je naar beneden en de zijwand naar links. Beide komen nu in hetzelfde vlak als de achterwand. Bij projectie in het eerste kwadrant komt het bovenaanzicht dus onder het vooraanzicht. Het rechterzijaanzicht komt links van het vooraanzicht.

Projectie in eerste kwadrant

Derde kwadrant projectie In de afbeelding is het derde kwadrant benadrukt. Bij de derde kwadrant projectie wordt het werkstuk in het derde kwadrant geplaatst.

Derde kwadrant projectie

Š Kenteq

49


Kijk weer met de waarnemer mee in richting a. Op deze wijze ontstaat het vooraanzicht op de voorwand. Vervolgens kijk je in de richtingen b en d. Op deze wijze ontstaan het bovenaanzicht en het rechterzijaanzicht. Bij deze methode haal je de projectie naar jezelf toe. De projectie komt voor het werkstuk.

Hoekprofiel in derde kwadrant

Projecteren aanzichten derde kwadrant

Het vooraanzicht nemen we weer als basis. Het bovenaanzicht draaien we naar boven. Het rechterzijaanzicht naar rechts. Op deze manier ontstaat de projectie in het derde kwadrant.

Projectie in derde kwadrant

Hier zijn de wanden van de kwadranten weggelaten.

Zonder wanden

50

Titelblok, stuklijst en aanzichten


6.

Benoem de beide projectiemethoden.

Alle mogelijke aanzichten Alle mogelijke aanzichten zijn getekend en geplaatst volgens de derde kwadrant projectie. Het linkerzijaanzicht wordt links van het vooraanzicht geplaatst. Het onderaanzicht onder het vooraanzicht. Het achteraanzicht wordt naast het rechterzijaanzicht geplaatst.

Alle aanzichten

Benodigde aanzichten

Als vooraanzicht wordt het aanzicht genomen dat de vorm en de afmetingen van het werkstuk het duidelijkst weergeeft. Je hebt lang niet altijd alle zes aanzichten nodig om een werkstuk te kunnen maken. Aanzichten die alleen maar dubbele informatie bevatten, worden weggelaten.

Benodigde aanzichten

Š Kenteq

51


7.

Het aantal aanzichten zal minimaal / maximaal zijn, maar anderszijds voldoende / onvoldoende om het werkstuk volledig weer te geven.

Afkortingen

Voor de aanzichten worden de volgende afkortingen gebruikt: • • • • • •

Vooraanzicht, VA Bovenaanzicht, BA Linkeraanzicht, LA Rechteraanzicht, RA Onderaanzicht, OA Achteraanzicht, AA

Afkortingen bij aanzichten

Symbolische weergave Uiteraard wordt op iedere werktekening aangegeven welke projectiemethode is gebruikt. Dat gebeurt in het titelblok. Derde kwadrant projectiemethode

De derde kwadrant projectie (voorheen Amerikaanse projectie). In dit werkboek worden de aanzichten weergegeven volgens de derde kwadrant projectie.

Derde kwadrant projectiemethode

Eerste kwadrant projectiemethode

De eerste kwadrant projectie (voorheen Europese projectie). Eerste kwadrant projectiemethode

52

Titelblok, stuklijst en aanzichten


8. VA betekent: BA betekent: OA betekent: LA betekent: RA betekent: AA betekent:

9.

Teken het symbool voor de derde kwadrant projectie methode.

10.

Met hoeveel aanzichten kan dit gelijkzijdig hoekprofiel volledig worden weergegeven?

Gelijkzijdig hoekprofiel

Š Kenteq

53


4.5

Antwoorden Antwoord 1 Maateenheid is millimeters (mm) Antwoord 2 a. De schaal is 1:2. b. De tekening is gemaakt door RaEij. c. De eigenaar van de tekening is: Kenteq. d. De datum is 22-3-2018. e. De 3e kwadrant projectiemethode is van toepassing. Antwoord 3 a. S235Jr b. 4 c. Staaf, plat 50x12-140 Antwoord 4 8 mm metrische schroefdraad met een lengte van 50 mm Antwoord 5 Bij het vooraanzicht houd je het werkstuk precies recht voor je. Antwoord 6 Derde kwadrant projectiemethode Eerste kwadrant projectiemethode Antwoord 7 Het aantal aanzichten zal minimaal zijn, maar anderszijds voldoende om het werkstuk volledig weer te geven. Antwoord 8 VA betekent: Vooraanzicht BA betekent: Bovenaanzicht OA betekent: Onderaanzicht LA betekent: Linkerzijaanzicht RA betekent: Rechterzijaanzicht AA betekent: Achteraanzicht Antwoord 9 Symbool derde kwadrant projectie methode.

54

Titelblok, stuklijst en aanzichten


Antwoord 10 Twee aanzichten.

Vooraanzicht en bovenaanzicht

© Kenteq

55


56

Titelblok, stuklijst en aanzichten


5 Veiligheid op de werkplek Inleiding In Nederland gebeuren jaarlijks 220.000 arbeidsongevallen die zo ernstig zijn dat werknemers moeten verzuimen, blijvend letsel oplopen of overlijden. De meeste ongevallen zijn het gevolg van vallen van hoogte (32%), werken met machines (25%) en vallende objecten (13%). De werkgever moet maatregelen nemen om ongevallen te voorkomen. Hij moet voorlichting en instructie geven over veilige werkwijzen en veilig gebruik van machines, apparatuur en gereedschappen. De werknemer moet de instructies opvolgen en de beschermingsmiddelen op de juiste manier gebruiken. Beschermingsmiddelen gebruiken

Leerdoelen Je • • • • •

kunt: uitleggen wat veilig werken inhoudt. aangeven welke gevaren je op het werk kunt lopen. uitleggen hoe je gevaren kunt aanpakken. verschillende persoonlijke beschermingsmiddelen benoemen. beschrijven hoe je persoonlijke beschermingsmiddelen op de juiste manier gebruikt. • aangeven wat je moet doen als er toch iets gebeurt.

© Kenteq

57


5.1

Gevaren op het werk Op het werk kunnen allerlei ongelukken gebeuren. • Je kunt bekneld raken of jezelf verwonden bij het werken met een machine. • Er kunnen voorwerpen vallen uit een hijs- of portaalkraan. • Je kunt vallen, bijvoorbeeld van een steiger. Je • • •

kunt tijdens het werk ook brandwonden oplopen, bijvoorbeeld bij: het aanraken van hete oppervlakken van machines en leidingen. het werken met hete producten. het werken met hete vloeistoffen.

Verder kun je tijdens het werk in aanraking komen met elektriciteit. Een elektrische schok kan heel nare gevolgen hebben. Bijvoorbeeld bij elektrische leidingen waarvan de koperdraad bloot ligt, tijdens bij het werken met een machine of elektrisch gereedschap. Ook met interne transportmiddelen gebeuren vaak ongelukken. Een aanrijding met een heftruck of het omvallen van producten kan leiden tot ernstige ongevallen. 1.

Wat is volgens jou de meest voorkomende oorzaak van ongelukken op het werk? A. Een kapotte machine of kapot apparaat. B. Onoplettendheid van werknemers zelf. C. Te weinig voorlichting of instructie door de werkgever. D. Te weinig controle door de Inspectie SZW.

Gevaren herkennen Waarschuwingen voor gevaren op de werkplek zijn te herkennen aan symbolen of pictogrammen. Elk pictogram heeft een eigen betekenis. Pas op: gevaar. Dit is een algemeen pictogram. Vaak staat onder dit pictogram waarvoor je precies moet opletten.

Gevaar

Pas op: gevaar voor elektrische spanning. Deze waarschuwing is te vinden bij hoogspanningskabels, maar ook op elektrische apparaten en gereedschappen. Gevaar voor elektrische spanning

58

Veiligheid op de werkplek


Pas op: transportvoertuigen, zoals heftrucks. De chauffeur heeft niet altijd goed zicht op wat er op de grond gebeurt, dus je moet zelf ook goed opletten. Pas op voor transportmiddelen

Pas op: niet in de draaicirkel komen. Bijvoorbeeld van een mobiele kraan of een machine met een lastarm.

Niet in de draaicirkel komen

Pas op: hangende lasten. Denk aan metalen buizen die in een grote hal door een transportsysteem verplaatst worden.

Pas op hangende lasten

Pas op: gevaar voor uitglijden. Bijvoorbeeld op een natte vloer. Dat kan komen doordat er vloeistoffen gelekt hebben of doordat er net gedweild is.

Pas op voor uitglijden

Pas op: gevaar voor vallende voorwerpen. Denk aan materiaal of gereedschap dat van een steiger of uit een kraan kan vallen.

Pas op voor vallende voorwerpen

Pas op: frees-as. Denk aan draaiende machines met scherpe uitstekende delen.

Pas op voor frees-as

Er zijn ook waarschuwingen voor gevaarlijke stoffen. Die worden hier niet behandeld.

Š Kenteq

59


2.

Welke waarschuwing hoort bij welk pictogram? Trek een lijn tussen de beschrijving en de juiste afbeelding. gevaar voor knellen

gevaar voor snijden

gevaar voor struikelen

gevaar voor draaiende delen

gevaar voor hoogteverschil

5.2

Gevaren aanpakken Onveilige situaties kunnen leiden tot ongevallen en daardoor kan er schade aan mensen en materialen ontstaan. Je kunt zelf iets doen aan een onveilige situatie. Bijvoorbeeld door: • de machine waaraan je werkt op een goede manier te bedienen • geen werkzaamheden te doen waarvan je niet zeker weet of je ze wel kunt • op een andere manier te gaan werken, bijvoorbeeld in een andere volgorde • je werkplek op te ruimen.

60

Bediening op de juiste manier.

Veiligheid op de werkplek


Veilige inrichting van de werkomgeving Voor veilig werken is een veilige inrichting van de werkomgeving zeer belangrijk. • Vloeren zijn schoon, niet glad en vrij van obstakels. • Verbindingswegen, deuren, hekken, doorgangen en vloeren zijn afgestemd op het verkeer dat plaatsvindt. • Werken op hoogte mag alleen vanaf een veilige en ergonomisch verantwoorde steiger, stelling, bordes of werkvloer. 3.

Wie is verantwoordelijk voor de veiligheid op de werkplek? A. De werkgever. B. De werknemer. C. De werkgever en de werknemer samen. D. De overheid.

Veiligheidsborden Om de veiligheid te verbeteren gebruiken veel bedrijven veiligheidsborden. • Gele driehoeken laten zien welk gevaar er dreigt. • Ronde borden met een rode rand laten zien wat verboden is. • Blauwe ronde borden laten zien welke beschermingsmiddelen je moet gebruiken. • Groene en rode vierkante borden hebben te maken met hulpverlening en brandbestrijding. In veel bedrijven zijn roken en open vuur verboden.

Roken en open vuur verboden

Soms zijn delen van een terrein verboden voor voetgangers.

Verboden voor voetgangers

Sommige gedeelten van een bedrijf zijn verboden, bijvoorbeeld omdat daar met zeer gevaarlijke stoffen wordt gewerkt.

Verboden toegang

© Kenteq

61


Op sommige plaatsen mag je niet lassen, bijvoorbeeld omdat er door de vonken brand kan ontstaan.

Verboden te lassen

Sommige machines mogen maar door één persoon tegelijk bediend worden.

Machinebediening door één persoon

Op de meeste plaatsen waar gewerkt wordt, mag je niet eten en drinken.

Verboden te eten en te drinken

In sommige bedrijven zijn mobiele telefoons verboden, omdat het signaal storend kan werken op de apparatuur.

Mobiele telefoons verboden

62

Veiligheid op de werkplek


4.

Welk verbod hoort bij welk pictogram? Trek een lijn tussen de beschrijving en het juiste pictogram. verboden nat te slijpen

verboden mee te rijden op de heftruck

verboden aan te raken: onder spanning

verboden aan te raken

verboden met de hand te slijpen

Risico's beperken Risico's of knelpunten kun je op verschillende manieren beperken. Daarbij geldt een vaste volgorde: 1. bronbestrijding 2. afscherming van de bron 3. persoonlijke beschermingsmiddelen. Bronbestrijding Bronbestrijding betekent dat je de problemen bij de bron aanpakt. Š Kenteq

63


Je vervangt dan gereedschappen of middelen. Bijvoorbeeld: • de compressor die te veel lawaai maakt • de ontvettingsvloeistof waar mensen uitslag van krijgen. Andere voorbeelden van bronbestrijding zijn: • De deur van de werkruimte staat steeds open. Daardoor sta je in de tocht. Ook komt de kou van buiten naar binnen. De oplossing is een veer op de deur. De deur staat dan niet meer de hele dag open. • Je moet lassen in een afgesloten ruimte. Maar dan krijg je last van de lasrook. Je krijgt ook te weinig zuurstof. Een oplossing is het werk uit te voeren met perslucht op. Voorbeeld De werkplek opruimen is ook een vorm van bronbestrijding. Troep op de grond betekent dat je gemakkelijk kunt struikelen of vallen. Als er veel spullen op je werkbank liggen, dan kun je die eraf stoten. Er kan iets op je voet vallen, misschien met nare gevolgen. Het materiaal of het gereedschap kan kapotgaan en dan moet je opnieuw beginnen. Door je werkplek op te ruimen, neem je een bron van mogelijke ongelukken weg. 5.

Spullen op de werkbank en de grond

Als je moet werken met een gevaarlijke machine, kun je het werk afwisselen met een collega. Waarom is dit een vorm van bronbestrijding? A. Omdat de machine dan minder gevaarlijk wordt. B. Omdat je voor elkaar in de gaten kunt houden of je niet in aanraking komt met gevaarlijke onderdelen. C. Omdat je dan allebei maar de helft van de tijd aan het gevaar blootstaat. D. Omdat je dan samen maar één persoonlijk beschermingsmiddel nodig hebt.

Afscherming van de bron Afscherming van de bron betekent dat je ervoor zorgt dat de bron minder gevaarlijk wordt. Bijvoorbeeld door een geluiddempende kast om een machine heen te bouwen of door een machine te voorzien van luchtafzuiging. Dit zijn meestal zaken waar de werkgever voor zorgt. Ook de beveiliging van machines hoort hierbij. Veel machines zijn beveiligd. Dat kan op verschillende manieren.

64

Veiligheid op de werkplek


• Met tweehandsbediening: laat je één hand los, dan stopt de machine automatisch. • Met een beschermkap, bijvoorbeeld over een zaag. Dit kan ook samen met een tweehandsbediening.

Tweehandsbediening

• Met een noodstopschakelaar. Daarmee zet je de machine uit als er iets gebeurt. Dit is echt een noodoplossing.

Noodstopschakelaar

• Moderne machines, zoals CNC-freesmachines, hebben een stopbeveiliging. Als je de deur openmaakt, stopt de machine automatisch. Je kunt dan niet met je handen in het apparaat bekneld raken. Je kunt ook het werkstuk niet aanraken. 6.

© Kenteq

Wat moet je doen als een machine geen stopbeveiliging heeft? Er zijn twee antwoorden goed. A. Dan moet je zelf de machine uitzetten voordat je het werkstuk pakt. B. Dan moet je goed uitkijken dat je niet met je handen tussen de bewegende delen komt. C. Dan mag je er helemaal niet mee werken. D. Dan moet je je leidinggevende waarschuwen voor de gevaarlijke situatie.

65


Persoonlijke beschermingsmiddelen De derde stap bij het beperken van risico's is het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM). Je moet PBM’s gebruiken als het werk onveilig of ongezond is. Maar je leidinggevende mag niet alleen PBM’s uitdelen. Hij kan ook iets doen aan bronbestrijding of bescherming van de bron. Persoonlijk beschermingsmiddellen

Gevaren melden Als zich in een bedrijf toch gevaarlijke situaties voordoen, heb je als werknemer de volgende mogelijkheden: • gevaar melden bij je leidinggevende • gevaar melden bij de OR of VGW-commissie • gevaar melden bij de Inspectie SZW • het werk neerleggen (bij ernstig, acuut gevaar). VCA-diploma Als je aan de slag gaat voor een aannemer, moet je in de meeste gevallen een B-VCAdiploma hebben. VCA staat voor Veiligheid, Gezondheid en Milieu (VGM) Checklist Aannemers. Met het B-VCA-diploma laat je zien dat je basiskennis hebt van veiligheid, gezondheid en milieu. Dat betekent dat je veilig kunt werken en daarbij rekening houdt met het milieu en de gezondheid van jezelf en anderen. Een VCA-diploma wordt veel gevraagd in de volgende branches: • bouw • civiele techniek • elektrotechniek en procesbesturing • werktuigbouwkunde • overige technische diensten, zoals isolatie, steigerbouw, industrieel reinigen, stralen/conserveren/schilderen, transport, inspectie, enz. Het VCA-diploma is nodig omdat het vaak gaat om risicovolle werkzaamheden in een risicovolle omgeving. Bijvoorbeeld constructie- of onderhoudswerkzaamheden op bouwterreinen, in fabrieken en werkplaatsen en bij installaties. 7.

66

Waarom is het belangrijk om een VCA-diploma te hebben? A. Omdat je anders nooit bij een aannemer aan het werk kunt. B. Omdat je daarmee laat zien dat je veilig kunt werken. C. Omdat je dan alle werkzaamheden bij een aannemer mag doen. D. Omdat dit toch al een onderdeel van je opleiding is.

Veiligheid op de werkplek


5.3

Persoonlijke beschermingsmiddelen Persoonlijke beschermingsmiddelen zijn hulpmiddelen om jezelf te beschermen tegen gevaren voor je veiligheid en je gezondheid. Je gebruikt ze als andere manieren om je te beschermen tegen gevaar niet voldoende zijn. Je werkgever moet deze middelen gratis verstrekken. Als werknemer ben je zelf verantwoordelijk voor het juiste gebruik. Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) zijn in te delen in: • oogbescherming • gehoorbescherming • lichaamsbescherming • hoofdbescherming • voetbescherming • handbescherming • adembescherming. Oogbescherming Je moet je ogen beschermen bij werkzaamheden waarbij je schadelijke stoffen in je oog kunt krijgen. Denk aan: lassen, snijden en verspanende bewerkingen. Oogbescherming verplicht

Er • • • •

zijn verschillende oogbeschermende middelen: veiligheidsbril cupbril ruimzichtbril gelaatsscherm.

Een veiligheidsbril zet je op net als een gewone bril. De bril kan glazen op sterkte hebben, voor mensen die normaal ook een bril dragen. De bril kan zijkapjes hebben om de ogen ook van opzij te beschermen tegen rondvliegende deeltjes of spetters.

Veiligheidsbril

De veiligheidsbril beschermt niet altijd even goed. Er kan bijvoorbeeld van boven of onderen nog iets bij je ogen komen. Dan kun je een cupbril gebruiken. Die lijkt op een zwemmersbril en sluit de ogen rondom af. Een ruimzichtbril of beschermbril draag je over je gewone bril of normale veiligheidsbril. Je gebruikt hem bijvoorbeeld als je even moet slijpen.

© Kenteq

67


Soms moet je niet alleen je ogen, maar je hele gezicht beschermen. Een gelaatsscherm biedt bijvoorbeeld bescherming tegen: • rondvliegende metaaldeeltjes of vonken • rondspattende zuren of andere gevaarlijke stoffen.

Gelaatsbescherming verplicht.

Gehoorbescherming Als je werkt in een omgeving met veel lawaai, moet je je oren beschermen. Vanaf een geluidsniveau van 85 dB(A) is gehoorbescherming verplicht. Van harde knallen, sterker dan 120 dB(A), kun je voor korte tijd doof worden. Lawaaidoofheid gaat nooit meer over en wordt ook nooit minder.

Gehoorbescherming verplicht

Geluid is schadelijk wanneer het sterker is dan 80 dB(A). dB(A) is de maat van het geluid. Maar pas op: elke 3 dB(A) erbij, betekent dat er twee keer zo veel geluid is. Enkele voorbeelden van geluidsniveaus zijn: fluisteren

15-30 dB(A)

schreeuwen

70-85 dB(A)

stofzuiger

55-70 dB(A)

smeden, frezen

80-115 dB(A)

straaljager

100-130 dB(A)

discotheek

105-120 dB(A)

Ter bescherming van je gehoor kun je gebruiken: • oorkappen • oordopjes (earplugs) • otoplastieken.

68

Veiligheid op de werkplek


Oorkappen Een oorkap bestaat uit twee schelpen met een verstelbare beugel. De schelpen moeten goed afdichten rondom de oren. Als je lang haar hebt, zware bakkebaarden of een bril, kunnen de schelpen minder goed afdichten. Dan beschermen ze dus minder. Het is belangrijk dat je de oorkappen zo goed mogelijk opzet. De demping ligt tussen de 15-30 dB(A). Oorkappen zijn gemakkelijk op en af te zetten.

Oorkappen

Nadelen zijn dat ze klemmen en dat je ervan gaat zweten rondom je oren. Dan ben je geneigd om maar geen gehoorbescherming te gebruiken. Fout! Oordopjes Met oordopjes heb je geen last van zweten en klemmen. Oordopjes (of earplugs) zijn vaak gele propjes. Je kunt ze zelf kneden en inbrengen in je oor. Deze zijn voor eenmalig gebruik. De bescherming van oordopjes is over het algemeen voldoende. Maar dan moet je zeker weten dat je ze goed hebt ingebracht. In dat geval geven oordopjes een demping van 10-25 dB(A). Nadelen van oordopjes zijn: • De propjes kunnen losraken, vooral als je veel kauwgom kauwt. Dan verdwijnt de bescherming. Daarom moet je de propjes regelmatig controleren en ze opnieuw vastzetten. • Je krijgt gemakkelijk vuil in je oren, vooral als je de oordopjes met vuile handen inbrengt. Otoplastieken zijn oordopjes die op maat worden gemaakt. Ze zijn prettig in het gebruik en beschermen over het algemeen beter dan oorkappen. De demping bedraagt 15-25 dB(A). Voordelen zijn dat je geen last hebt van zwetende oren en dat je je collega nog kunt verstaan. In aanschaf zijn ze duurder dan oorkappen of oordopjes. Otoplastieken

Aandachtspunten voor het gebruik van gehoorbescherming: • Breng de gehoorbescherming aan voordat je de lawaaiige ruimte binnengaat of voordat het lawaai begint. • Maak oorkappen en otoplastieken na gebruik schoon. • Zorg dat je vingers schoon zijn als je oordopjes of otoplastieken in je oor stopt.

© Kenteq

69


• Controleer regelmatig de afsluitranden van de oorkappen. Vervang ze als ze hard of stug worden of als ze gescheurd zijn. Lichaamsbescherming Je lichaam, je hoofd, je voeten en je handen kun je beschermen met de volgende beschermingsmiddelen: • overall • veiligheidshelm • veiligheidsschoenen • handschoenen. Overall Om je lichaam en je kleding te beschermen draag je een overall. Een goed sluitende overall geeft de meeste veiligheid. Hij moet niet te krap zijn, want dan kun je niet goed bewegen. Maar ook niet te ruim, want dan kan de stof ergens aan blijven haken of tussen draaiende delen komen.

Beschermende kleding verplicht

Veiligheidshelm Om je hoofd te beschermen gebruik je een veiligheidshelm. Je draagt een helm als er een risico is dat er iets naar beneden valt, bijvoorbeeld van een kraan of een steiger. Je draagt ook een helm als er grote dingen tegen je hoofd kunnen stoten, zoals bij hijswerkzaamheden. Een helm moet goed passen. Hij mag niet van je hoofd vallen als je een keer bukt.

Veiligheidshelm verplicht

Veiligheidsschoenen Het is verstandig om veiligheidsschoenen te dragen. Zorg ervoor dat de schoenen goed passen. Je moet er de hele dag goed op kunnen lopen. De stalen neus beschermt goed tegen vallende voorwerpen en tegen stoten. Je hebt niet meteen een gekneusde teen. Onder de zolen zit meestal een oliebestendig antislipprofiel. Je glijdt dan minder snel uit. In de zool kan een stalen plaat zitten. Iets scherps kan dan niet door de zool heen dringen.

70

Veiligheidsschoenen verplicht

Veiligheid op de werkplek


Handschoenen Er zijn veel redenen om handschoenen te dragen tijdens het werk. • Als je met scherp materiaal of scherpe gereedschappen werkt, bescherm je je handen tegen snijden. • Als je met hete voorwerpen of materialen werkt, bescherm je je handen tegen verbranden. • Als je met chemische stoffen werkt, bescherm je je handen tegen de invloed van bijtende of irriterende stoffen. • Werkstukken kunnen vet en vuil zijn. Met handschoenen blijven je handen schoon.

Veiligheidshandschoenen verplicht

Adembescherming Tijdens het werk kun je te maken krijgen met luchtvervuiling, bijvoorbeeld door stof, spuitnevel, lasrook, gassen en dampen. Die vervuilende stoffen kunnen schadelijk zijn voor de slijmvliezen in je neus, je mond en je keel, en voor je longen. Daartegen kun je jezelf beschermen met adembescherming.

Adembescherming verplicht

Adembescherming kiezen Er zijn verschillende soorten adembescherming, bijvoorbeeld tegen stof of tegen dampen. Pak daarom niet zo maar een adembescherming, maar vraag je eerst af: • Om wat voor soort verontreiniging gaat het? • Wat zijn de schadelijke effecten daarvan? • Welk masker moet je dan kiezen? • Hoe moet je het masker gebruiken? Als je het niet weet, vraag je het aan je collega of aan je leidinggevende. Er bestaan verschillende soorten adembescherming: • stofkapjes • gelaatsmaskers. Stofkapjes Stofkapjes komen het meest voor. Stofkapjes worden ook wel ‘snuitjes’ genoemd. Ze geven alleen bescherming tegen grof stof. Ze beschermen niet tegen nevel, dampen of rook. Draag dus geen stofkapje bij het spuiten van verf of tijdens het ontvetten van metaal. Dan ben je niet goed beschermd. © Kenteq

Stofkapje verplicht

71


Gelaatsmaskers Een gelaatsmasker is een rubberen masker dat strak aansluit op het gezicht om de neus en mond. Ze worden gebruikt om je tegen giftige dampen en gassen te beschermen. Ze hebben een filter om de schadelijke stoffen uit de lucht te filteren.

Gelaatsmasker met filter.

Gelaatsmaskers hebben verwisselbare filters. Voor iedere soort werk is er een ander filter, bijvoorbeeld tegen stof en tegen schadelijke dampen. • Stoffilters hebben een code. De meest gebruikte hebben de code P1, P2 of P3. Hoe hoger het getal, hoe beter de bescherming is tegen stofdeeltjes. Filters die beschermen tegen dampen zijn te herkennen aan een bruine band. Je gebruikt ze bijvoorbeeld als je met verf werkt. De filters zijn beperkt bruikbaar. Je mag niets ruiken of proeven van de damp. Als dat wel zo is, vervang je het filter. Bij veelvuldig gebruik moet je de filters zeker één keer in de week vervangen.

Verwisselbare filters

PBM's: gebruik en onderhoud Volgens de Arbowet is je werkgever verplicht om je PBM’s te geven. Hij moet zorgen dat: • je weet welke PBM’s je moet gebruiken; • je weet hoe je ze moet gebruiken; • je weet waar je ze kunt halen of aan kunt vragen. PBM´s kiezen Het soort PBM hangt af van het soort werk dat je doet. Soms gaat het om veiligheidshandschoenen of een veiligheidshelm. Andere keren gaat het om adembescherming of gehoorbescherming. Het is belangrijk om altijd de juiste PBM te kiezen. Verkeerde PBM’s geven je een vals gevoel van veiligheid. Je denkt dat je beschermd bent, maar je bent het niet.

72

Veiligheid op de werkplek


PBM´s gebruiken Persoonlijke beschermingsmiddelen beschermen jou, maar alleen als je ze daadwerkelijk gebruikt. Er zijn allerlei redenen om geen PBM’s te gebruiken. In sommige bedrijven is het dragen van PBM’s niet de gewoonte. Soms zegt je leidinggevende er niets van. Persoonlijke redenen om geen PBM's te gebruiken zijn bijvoorbeeld: • Het werk duurt maar kort, bijvoorbeeld even een boor slijpen. • De PBM’s zitten niet lekker. • De PBM’s liggen te ver weg, je moet ernaar zoeken. • Het staat zo stom, zo’n veiligheidsbril op je gezicht. Ook de houding van collega's kan een reden zijn om geen PBM's te gebruiken. Het is niet altijd gemakkelijk om je daar niets van aan te trekken. Maar besef wel: PBM's beschermen alleen als je ze gebruikt. PBM's onderhouden Persoonlijke beschermingsmiddelen krijg je van je werkgever. Maar jij moet ze zelf onderhouden. Let daarbij op de volgende punten: • Zet je veiligheidsschoenen regelmatig in het vet. Ze blijven dan waterafstotend. • Maak otoplastieken regelmatig schoon. Ze blijven dan goed je gehoor beschermen. • Haal regelmatig het stof uit de binnenkant van je gelaatsmasker. Dan blijven je longen goed beschermd. • Trek regelmatig een schone overall aan. Dan blijven je benen en armen schoon.

8.

Kies voor elke situatie welk persoonlijk beschermingsmiddel je gebruikt. In veel situaties kun je meer dan één antwoord kiezen. Beschermingsmiddel

5.4

A

Veiligheidsbril

B

Beschermbril

C

Oorkappen

D

Oordoppen

E

Stofkapje

F

Gelaatsmasker

G

Veiligheidsschoenen

H

Handschoenen

Werken met een CNCmachine

Lassen

Elektrische bedrading vervangen

Verf spuiten

Noodplan Ondanks alle voorzorgsmaatregelen gebeuren er soms toch ongelukken in een bedrijf. In zulke gevallen moet iedereen weten: • welke vluchtroutes er zijn • waar brandblusmiddelen te vinden zijn • wie de bedrijfshulpverleners zijn.

© Kenteq

73


Voorbeeld In een grote fabriekshal werken 150 mensen. Op normale werkdagen is iedereen om vijf voor vier nog aan het werk. En om vijf over vier is iedereen weg. Laatst brak er brand uit. Het duurde zeker 20 minuten voordat iedereen weg was uit de hal. Doel noodplan In geval van brand of een andere noodsituatie moet een bedrijf vlot ontruimd kunnen worden. Iedereen moet weten wat hij moet doen en waar hij heen moet. Daarvoor dient een noodplan. Inhoud noodplan In het noodplan staat: • De plaats waar medewerkers zich moeten verzamelen. Zo kun je controleren of er mensen zijn achtergebleven en hoeveel.

Hier verzamelen

• Instructies voor wat te doen bij een ongeval, brand, ontruiming enzovoort.

Wat te doen bij brand

Vluchtroutes In een noodsituatie reageren mensen anders dan normaal. Als een gang geblokkeerd is, kan er bijvoorbeeld paniek uitbreken. Daarom moet een bedrijfsruimte minimaal twee uitgangen hebben. De deuren moeten open staan. De vluchtroutes moeten vrij zijn en breed genoeg zijn. Je kunt er dan gemakkelijk doorheen. De vluchtroutes moeten met speciale borden zijn aangegeven.

74

Veiligheid op de werkplek


Brandblusapparatuur Bij brand is het belangrijk dat er zo snel mogelijk geblust wordt. Daarom moet je weten waar de brandblusapparatuur hangt. Je moet ook weten hoe je de apparatuur moet gebruiken. Dit geldt zeker als je met brandgevaarlijke werkzaamheden bezig bent, zoals lassen, slijpen of ontvetten.

Brandslang aanwezig

Brand blussen Een kleine brand kun je blussen met een brandblusapparaat of een kleine brandslang. Niet alle branden kun je met water blussen. Brandende olie mag je bijvoorbeeld niet met water blussen, want dat maakt de brand alleen maar erger. Ook een schakelkast mag je niet met water blussen. Daarvoor heb je poeder nodig.

Niet met water blussen

Bedrijfshulpverlening De eerste hulp bij ongelukken heet in een bedrijf: bedrijfshulpverlening (BHV). Een bedrijf moet een aantal medewerkers laten opleiden tot BHV’er. Een BHV'er weet hoe hij mensen uit een brandend gebouw moet krijgen en hoe hij bij een ongeval eerste hulp moet verlenen. Een BHV’er kan bijvoorbeeld mensen reanimeren en verbanden aanleggen.

© Kenteq

75


9.

Bekijk het noodplan op jouw werkplek. a. Hoe zijn de vluchtroutes aangegeven?

b. Waar hangt de brandblusapparatuur?

c. Beschrijf kort hoe je brandblusapparatuur moet gebruiken.

d. Wie is de BHV'er?

e. Beschrijf kort wat hij of zij doet.

f. Wanneer was de laatste oefening voor een noodsituatie?

g. Beschrijf kort wat je in geval van nood moet doen.

76

Veiligheid op de werkplek


5.5

Samenvatting • Op het werk kunnen allerlei ongelukken gebeuren, zoals knellen en snijden, verbranden, elektrische schok, vallen of aangereden worden. • Waarschuwingen voor gevaren op de werkplek zijn te herkennen aan symbolen of pictogrammen. • Je kunt veel doen aan veilig werken, door je manier van werken aan te passen, machines op de juiste manier te bedienen en je werkplek op te ruimen. • Om de veiligheid te verbeteren gebruiken veel bedrijven veiligheidsborden: – Gele driehoeken laten zien welk gevaar er dreigt. – Ronde borden met een rode rand laten zien wat verboden is – Blauwe ronde borden laten zien welke beschermingsmiddelen je moet gebruiken. – Groene en rode vierkante borden hebben te maken met hulpverlening en brandbestrijding. • Risico's zijn op verschillende manieren te beperken. Daarbij geldt een vaste volgorde: 1. Bronbestrijding, d.w.z. de bron van gevaar wegnemen. 2. Afscherming van de bron. 3. Persoonlijke beschermingsmiddelen gebruiken. • Als je aan het werk gaat voor een bedrijf of een aannemer moet je een VCA diploma hebben. Het behalen van een VCA diploma is een onderdeel van veel technische opleidingen. VCA staat voor Veiligheid, Gezondheid Milieu Checklist Aannemers. • Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM's) zijn om jezelf te beschermen tegen gevaren voor je veiligheid en gezondheid. Er zijn PBM's voor je ogen en gezicht, je oren, je longen en je handen, voeten en lijf. • Je werkgever moet zorgen dat je PBM's hebt, maar het is jouw verantwoordelijkheid om ze op de juiste manier te gebruiken en te onderhouden. • Voor noodsituaties moet een bedrijf een noodplan hebben. Duidelijk moet zijn: – welke vluchtroutes er zijn, – waar brandblussers te vinden zijn, – wie de BHV'ers zijn.

© Kenteq

77


5.6

Antwoorden Antwoord 1 B. Onoplettendheid van de werknemers zelf. Antwoord 2 Welke waarschuwing hoort bij welk pictogram? gevaar voor knellen

gevaar voor snijden

gevaar voor struikelen

gevaar voor draaiende delen

gevaar voor hoogteverschil

Antwoord 3 C. De werkgever en de werknemer samen. Antwoord 4 Welk verbod hoort bij welk pictogram?

78

Veiligheid op de werkplek


verboden nat te slijpen

verboden mee te rijden op de heftruck

verboden aan te raken: onder spanning

verboden aan te raken

verboden met de hand te slijpen

Antwoord 5 C. Omdat je dan allebei maar de helft van de tijd aan het gevaar blootstaat. Antwoord 6 A. Dan moet je zelf de machine uitzetten voordat je het werkstuk pakt en B. Dan moet je goed uitkijken dat je niet met je handen tussen de bewegende delen komt. Antwoord 7 B. Omdat je daarmee laat zien dat je veilig kunt werken.

Š Kenteq

79


Antwoord 8 1. Werken met een CNC-machine: A. Veiligheidsbril. 2. Lassen: B. Beschermbril of laskap. 3. Elektrische bedrading vervangen: G. Veiligheidsschoenen. 4. Verf spuiten: F. Gelaatsmasker Antwoord 9 Antwoorden zijn afhankelijk van het noodplan op de werkplek. a. Hoe zijn de vluchtroutes in aangegeven? b. Waar hangt de brandblusapparatuur? c. Beschrijf kort hoe je brandblusapparatuur moet gebruiken. d. Wie is de BHV'er? e. Beschrijf kort wat hij of zij doet. f. Wanneer was de laatste oefening voor een noodsituatie? g. Beschrijf kort wat je dan moet doen.

80

Veiligheid op de werkplek


info@techniekstad.nl

EANCode 8881622121***


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
VMBO-PIE voorbeeld reader by Uitgeverij Kenteq B.V. - Issuu