Skip to main content

Introduction to geospatial technologies 3rd edition - The complete ebook version is now available fo

Page 1


Introduction to Geospatial Technologies 3rd Edition pdf download

https://ebookgrade.com/product/introduction-to-geospatialtechnologies-3rd-edition/

Introduction to Geospatial Technologies

https://ebookgrade.com/product/introduction-to-geospatialtechnologies/

ebookgrade.com

Introduction to Geospatial Technologies Bradley Shellito

https://ebookgrade.com/product/introduction-to-geospatialtechnologies-bradley-shellito/

ebookgrade.com

(Test Bank) Introduction to Geospatial Technologies 3rd Edition by Bradley Shellito

https://ebookgrade.com/product/test-bank-introduction-to-geospatialtechnologies-3rd-edition-by-bradley-shellito/

ebookgrade.com

Introduction to Geospatial Technologies Third Edition Bradley A. Shellito

https://ebookgrade.com/product/introduction-to-geospatialtechnologies-third-edition-bradley-a-shellito/

ebookgrade.com

Introduction to Geospatial Technologies 2nd Edition by Bradley A. Shellito

https://ebookgrade.com/product/introduction-to-geospatialtechnologies-2nd-edition-by-bradley-a-shellito/

ebookgrade.com

Introduction to Geospatial Technologies 5th By Bradley A. Shellito Bradley A. Shellito

https://ebookgrade.com/product/introduction-to-geospatialtechnologies-5th-by-bradley-a-shellito-bradley-a-shellito/

ebookgrade.com

Introduction to Biotechnology 3rd Edition

https://ebookgrade.com/product/introduction-to-biotechnology-3rdedition/

ebookgrade.com

Introduction to Optics (3rd Edition)

https://ebookgrade.com/product/introduction-to-optics-3rd-edition/

ebookgrade.com

Exploring the Variety of Random Documents with Different Content

Trig, trig, subst. remblok, remschoen; Trig verb. remmen, vastzetten.

Trigger, trigə, trekker (v.eenvuurwapen): To pull the trigger = afvuren; Trigger-guard = beugel (onderdentrekker).

Trigon, traigon, trigoon, driehoek; het samenkomen v. drie teekens van den Dierenriem; Trigonal, trigən’l, driepuntig, driehoekig;

Trigonometric(al), trigənəmetrik(’l), tot de driehoeksmeting behoorende; Trigonometry, trigənomətri, driehoeksmeting.

Trigraph, traigrâf, drie klinkers met één klank, b.v. eauin beau.

Trihedral, traihîdr’l, traihedr’l, met drie gelijke zijden.

Trike, traik, verb. van Tricycle: Thesegirlsare adepts at triking = rijden goed op driewielers.

Trilateral, trailatər’l, driezijdig.

Trilinear, trailinjə, met drie lijnen.

Trilingual, trailiŋgw’l, in drie talen. [590]

Triliteral, trailitər’l, (woord) v. drie letters.

Trill, tril, subst. trilling, getrilde letter (zooalsdeNederl.r), tremblant (muz.); Trill verb. trillen, vibreeren.

Trillion, trilj’n, trillioen, 1 met 18 nullen (Amer . 1 met 12 nullen).

Trilobite, triləbait, zeker fossiel schelpdier.

Trilogy, trilədži, trilogie.

Trim, trim, subst. toestand, staat, orde, kleeding, gala, opschik, garneersel; adj. netjes, keurig, proper, goed passend; Trim verb. in orde brengen, netjes maken, versieren, uitrusten, snoeien, bijknippen, garneeren, opmaken, oprakelen, schoonmaken, terechtwijzen, geschikt maken, in goeden staat brengen (vaneen schipmetbetrekkingtotlading,ballast,masten,enz.): Weare in good trim = in goeden staat, op alles voorbereid; Shewasdressed in regulation trim = gekleed overeenkomstig de voorschriften (op bals,etc.); Out of trim = slecht gestouwd; Itrimmed him = veegde hem den mantel uit; To trim a candle = snuiten; Willyou trim the fire? = vuur oppoken (endenhaardaanvegen,etc.); He trimmed the lamp = maakte de lamp in orde; Ihave trimmed this piece in here= dit stuk hier ingepast; The sails were trimmed = zoo gunstig mogelijk (naar den wind) gezet; To trim one’s sails accordingly = de huik naar den wind hangen; Independentmembersdonottrim to politicaldemagogues= schikken zich niet naar; Trimmer = tremmer, politieke weerhaan, terechtwijzer, terechtwijzing; Trimming = terechtwijzing, pak slaag; onstandvastigheid, weifelmoedigheid; Trimmings = oplegsel, garneersel, toespijzen: Tea with trimmings; Trimness = netheid, etc.

Trimeter, trimətə, drievoetige versregel.

Trinal, train’l, drievoudig: Trinal unity.

Tringle, triŋg’l, gordijnroede, kleine kroonlijst.

Trinidad, trinidad.

Trinitarian, trinitêrj’n, subst. en adj. (belijder) v. de drieéénheidsleer; Trinitarianism = het leerstuk der drieéénheid; Trinity, triniti, drieéénheid: Trinity-house = oude corporatie te Londen bij welke o.a. het toezicht op vuurtorens en boeien aan

kusten en in rivieren berust; Trinity-Sunday = Zondag na Pinkster;

Trinity-term = een der vier termijnen (22 Mei–12 Juni) gedurende welke Londensche rechtscolleges zitting hielden; thans Trinity Sittings van Dinsdag na Pinkster tot 12 Augustus.

Trinket, triŋkət, kleinood, lijfsieraad in ’t algemeen; Trinket verb. intrigueeren.

Trinomial, trainoumj’l, subst. en adj. drienamig(e term) = Trinominal, trainomin’l.

Trio, traiou, trîou, trio, klaverblad (fig.).

Triolet, traiəlet, trîəlet, triolet.

Trior, traiə, ambtenaar, die onderzoekt of eene wraking van juryleden juist is.

Trip, trip, subst. trippelpas, getrippel, uitstapje, gang, slag, beentjelichten, struikeling, misstap, val, kleine fout; Trip verb. trippelen, vlug loopen, huppelen, een uitstapje doen, struikelen, een mispas doen, dwalen, op eene fout betrappen, beentje lichten: They went on their wedding-trip = op hun huwelijksreisje; Her foot tripped = zij struikelde; Itripped him up = heb hem den voet gelicht; Theytripped up one another’s heels = volgden elkander onmiddellijk, zaten elkaar achterna; Iwas tripped up by that branch = struikelde over dien tak. Zie Tripper.

Triparted, traipâtid, in drie stukken verdeeld; Tripartite, tripətait, traipâtait, in drie deelen verdeeld, in triplo; Tripartition, tr(a)ipâtiš’n, verdeeling in drieën.

Tripe, traip, pens, ingewanden, buik.

Tripetalous, traipetəlɐs, driebladig.

Triphthong, tripthoŋ, trifthoŋ, drieklank; adj. Triphthongal, tripthoŋg’l, trifthoŋg’l.

Triple, trip’l, adj. drievoudig, driemaal; Triple verb. verdrievoudigen; Triple-crown = pauselijke kroon; Triple-headed = driehoofdig; Triplet, triplət, subst. trio, drieling, drieregelig versje, fiets voor 3 personen; adj. drievoudig; Triplex, traipleks, trippelmaat; Triplicate, triplikit, verdrievoudigd, drievoudig; subst. triplicaat; Triplication= verdrievoudiging, tripliek; Triplicity, triplisiti, drievoudigheid.

Tripod, traipod, drievoet(ige stoel, tafel of ketel).

Tripoli, tripəli, Tripoli; Tripoline, tripəl(a)in; Tripolitan, tripolit’n, (bewoner) van T.

Tripos, traipos, het Honours-Exam.te Cambridge voor den B.A. graad.

Tripper, tripə, trippelaar, danser, pleizierreiziger: Cheap trippers = pleizierreizigers; Tripple = korte galop: Heput the tired nag into a sort of tripple oramblingcantermuchaffectedbySouth-African horses.

Triptych, triptik, een uit drie deelen bestaande altaarschilderij; antiek waschtafeltje met 2 bladen, die konden worden dichtgeslagen.

Triradiate(d), traireidjit(-eitid), met drie stralen.

Trireme, trairîm, galei met 3 rijen roeibanken boven elkaar.

Trise, trais, opeischen.

Trisect, traisekt, in drie gelijke deelen verdeelen; subst.

Trisection, traisekš’n.

Trispermous, traispɐ ̂məs, driezadig.

Trisyllabic(al), trisilabik(’l), drielettergrepig; Trisyllable, tr(a)isiləb’l, trisiləb’l, drielettergrepig woord.

Trite, trait, afgezaagd, alledaagsch; subst. Triteness.

Triton, trait’n, zeegod, watersalamander: Heisa Triton among the minnows = steekt verre boven zijns gelijken uit.

Triturate, tritjureit, tot fijn poeder malen of stampen; subst.

Trituration.

Triumph, traiəmf, subst. triomf, zegepraal; Triumph verb.

zegepralen, zegevieren: Hehastriumphed over alldifficulties= glansrijk overwonnen; Triumphal, traiɐmf’l, zegevierend: Triumphal arch = eereboog; Triumphal car = zegekar; Triumphant, traiɐmf’nt, zegevierend, zegepralend: Triumph car (chariot) = zegekar; Triumpher = triumphator.

Triumvir, traiɐmvɐ, drieman; Triumvirate, traiɐmvirit, driemanschap.

Triune, traijûn, drieëenig. [591]

Trivalvular, traivalvjulə, driekleppig.

Trivet, trivət, treeft, drievoet: I am (as) right as a trivet = ik ben zoo gezond als een visch.

Trivial, trivj’l, triviaal, onbeduidend, plat: Trivial name = populaire naam voor dier of plant; Triviality, trivialiti, alledaagschheid,

onbeduidend iets: Trivial verb. Trivialize; subst. Trivialness.

Trivium, trivj’m, naam voor de drie hoofdvakken in de Middeleeuwen: grammatica, rhetorica en logica.

Triweekly, traiwîkli, traiwîkli, driemaal per week (verschijnend blad).

Troat, trout, subst. het schreeuwen van een hert in den bronsttijd; Troat verb. schreeuwen (vaneenhert).

Trochaic, trəkeiik, trochaeisch.

Troche, troutš, trouk, troukî, (artsenij)tablet.

Trochee, troukî, trochee.

Trochil(us), trokil(ɐs), soort kolibri; tuinkoning.

Trod, trod, imperf. v. totread; Trod(den), trod(’n), p. perf. van to tread.

Troglodyte, tro(u)glədait, holbewoner; adj. Troglodytic(al), trogləditik(’l).

Trojan, troudž’n, subst. en adj. Trojaan(sch).

Troll, troul, subst. lied (kànon), rondzang, rolletje aan een hengel, soort kunstaas; aardgeest; Troll verb. rollen, ronddraaien, rondgeven, neuriën, lokken, aantrekken, hengelen, slenteren, een rondzang aanheffen.

Trollop, troləp, slons, slet; Trollopy = slonzig, vuil, zedeloos.

Trollope, troləp.

Troll(e)y, troli, kar, lorrie, rol- of sledecontact bij electr. trams.

Trombone, tromboun, schuiftrompet.

Troop, trûp, subst. troep, hoop, menigte, escadron; Troop verb. in een troep loopen, tot troepen of in eene menigte vereenigen, aftrekken (away): To get one’s troop = ritmeester worden; He soldout,andthe sale of his troop gaveusacompetence= hij kocht zich uit, en de opbrengst van zijne ritmeestersplaats verschafte ons genoeg om van te leven; Troops of the line = linietroepen; To levy (raise) troops; Trooping the colours = paradeeren; A troop-horse = cavaleriepaard; Troop-ship = transportschip; Trooper = cavalerist, transportschip: Heswears like a trooper = vloekt als een dragonder.

Trope, troup, redefiguur, fig. uitdrukking.

Trophy, trofi, zegeteeken, tropee.

Tropic, tropik, subst. keerkring: Tropic of Cancer = kreeftskeerkring; Tropic of Capricorn = steenbokskeerkring; The Tropics = de Tropen; Tropical = tropisch, beeldsprakig: Tropical fruit.

Trossachs, trosaks.

Trot, trot, subst. draf; dribbeltje of hummeltje; Trot verb. draven, in draf zetten: Little trots of fourorfiveyearsold= kleine hummels; A jog-trot = sukkeldrafje; At (On a) full trot = in vollen draf; Hebrought his horse to a trot = bracht zijn paard in draf; Hewas driving on at full trot = in vollen draf; To go for a trot = een eindje omstappen; To keep a person on the trot all day = in touw houden (fig.); To trot out = voorrijden; We’llhaveto

trot you out = wij zullen u moeten examineeren, u zal op de koord moeten. Zie Trotter.

Troth, troth, trouw, geloof, waarheid, trouwbelofte: By my troth = op mijn woord; In troth = voorwaar, waarachtig; Theyplighted their troth = beloofden elkaar trouw.

Trotter, trotə, draver, (schape-, of varkens)poot; Trotting: Trotting-horse = harddraver; Trotting-match = harddraverij.

Trottoir, trotwâ, plaveisel.

Troubadour, trûbədûə, troubadour.

Trouble, trɐb’l, subst. onrust, zorg, droefheid, verlegenheid, ongeluk, moeite, inspanning; Trouble verb. verontrusten, storen, lastig vallen, hinderen, verdriet doen, moeite veroorzaken, angst aanjagen: To be at the trouble to = zich de moeite geven om; To be in trouble = in zorgen zitten; To bring trouble upon oneself = zich in ’t ongeluk storten; Troubles like crows seldom come singly = een ongeluk komt zelden alleen; Myboy,you’llget into trouble = je loopt erin, je krijgt nog straf; There’s no good in meeting trouble = geen zorg vóór den tijd; IfearIhave put you to some trouble = dat ik u last heb veroorzaakt; Willyou take the trouble? = de moeite doen, u den last getroosten; Youmighthare saved me that trouble = dien last kunnen besparen; Iwillspare no trouble = geen moeite ontzien; Don’ttrouble (your head) about this= heb daar geene zwarigheid over; Iwilltrouble myself nomore about him= me niet meer druk om hem maken; MayItrouble you for thegravy? = om de jus verzoeken; There the wicked cease from troubling = daar houden de boozen op van beroering (Job.III,17 ); To fish in troubled water = in troebel water visschen; Troubler = verontruster, verstoorder; Troublesome = lastig, moeilijk, vervelend: My back is

troublesome = ik heb last van (pijn in) mijn rug; subst.

Troublesomeness; Atroublous life = leven vol zorgen; In troublous times = in tijden van beroering.

Trough, trof, trog, bak, etensbak, golfdal = Trough of the sea.

Trounce, trauns, afrossen, uitschelden; Trouncing = afstraffing.

Troupe, trûp, troep tooneelspelers.

Trousering, trauzəriŋ, broekstof; Trousers = lange broek: A pair of trousers = eene broek; To go into trousers = een lange broek aankrijgen; To turn up the end of one’s trousers = zijn broekspijpen omslaan; Trouser-strip = galon.

Trousseau, trûsou, uitzet van de bruid.

Trout, traut, forel(len); Trout-coloured = forelkleurig (witmet zwartespikkels); Trout-farm = kweekerij; Troutlet = kleine forel.

Trouvère, trûvêə, minnezanger.

Trove, trouv. Zie Treasure; Trover = bezitverkrijging door vinden, onrechtmatige toeëigening: Action of trover = aanklacht wegens deze toeëigening.

Trow, trau, trou, trû, gelooven, vertrouwen.

Trowbridge, troubridž.

Trowel, trauəl, subst. troffel; Trowel verb. met [592]een troffel opleggen; Youare laying it on with a trowel = legt het er dik op (fig.).

Troy, trôi, Troje, Troyes (stadZ.O.v.Parijs): Troy(-weight) = gewicht van 12 ouncesin het pound(= ± 373,242gr.), alléén voor

goud, zilver en juweelen; medicijnen.

Truancy, trûənsi, wegblijven, schoolverzuim; Truant, trûənt, plichtverzakend, lui, de school verzuimend; subst. leeglooper, spijbelaar; Truant verb. omboemelen, spijbelen: Heoftenplays (the) truant = spijbelt dikwijls; To run truant = wegloopen; Truant-school = school voor geregelde verzuimers.

Truce, trûs, wapenstilstand, tijdelijke opschorting: Flag of truce = witte (parlementaire) vlag; A truce to yourdoggerel= schei uit met je gerijmel; Youhave broken (the) truce = den wapenstilstand verbroken; To make truce with = een wapenstilstand sluiten; Truce-breaker = verbreker van afspraak of wapenstilstand.

Truck, trɐk, subst. ruilhandel, huishoudelijke artikelen, handel, gedwongen winkelnering, verkeer; groente, afval (Amer.); katrol, handwagen, lage stellage op wielen, lorrie, open goederenwagen, kleine ronde schijf of kloot boven aan vlaggestok of mast; Truck verb. ruilhandel drijven, schacheren, venten, in trucks overladen of verzenden; Truck-man = ruilhandelaar, wagenrijder; Trucksystem = gedwongen winkelnering; Truckage, trɐkidž, ruilhandel, vervoerloon; Truckful = wagenvol.

Truckle, trɐk’l, subst. wieltje, rolletje; Truckle verb. voortrollen; zich aan den wil van anderen onderwerpen, slaafsch zijn, kruipen voor (to), voortrollen; Truckle-bed = ledikant op rolletjes; He truckles to circumstances = onderwerpt zich aan de omstandigheden; Peoplecrawlandtruckle for socialsuccess= kruipen en buigen zich; Truckler = kruiper.

Truculence, trɐkjulens, woestheid, wreedheid, woest uiterlijk; Truculent = ruw, wreed, vreeselijk.

Trudge, trɐdž, voortsukkelen, zich voortslepen: Hetrudged after hisfather= sukkelde achter zijn vader aan.

True, trû, waar, trouw, standvastig, eerlijk, echt, zeker, regelmatig, recht, rechtmatig, juist: Whatyousaythereistrue enough = is volkomen waar; Hewas true to hiscountryandloyaltohisking= trouw aan koning en vaderland; True to one’s word; Hegaveusa true account ofit= een nauwkeurig verhaal; True bill = uitspraak v. de GrandJury, dat na onderzoek van het bewijsmateriaal rechtsingang zal worden verleend met verwijzing naar de PettyJury (Panel); A perfectly true circle = volkomen; True copy = eensluidend afschrift; To come true = uitkomen (v.droomen); To go true = goed loopen (v.horloges); To hold true = waar blijven; To prove true = waar blijken; True-blue, subst. trouw, oprecht en eerlijk persoon, echte Tory; adj. onwrikbaar, trouw en eerlijk; Trueborn = echt, van wettige geboorte; True-bred = van echt ras, van goede opvoeding; True-hearted = trouwhartig, eerlijk; subst. True-heartedness; True-love, subst. minnaar, geliefde; Truelove(r’s)-knot = soort van dubbele knoop (zinnebeeldv. wederzijdschetrouwenliefde); Truepenny = eerlijke vent; Trueness = trouw, oprechtheid, juistheid, etc.

Truffle, trɐf’l, truffel; Truffle-dog = truffelzoeker (hond); Trufflehunter.

Trug, trɐg, kalkbak; ⅔ bushel; groentemand.

Truism, trûizm, gemeenplaats, waarheid als eene koe.

Trullization, trɐlizeiš’n, het pleisteren.

Truly, trûli: Yours truly = hoogachtend uw, etc.

Trump, trɐmp, subst. troefkaart, goede kerel, kranige vent; Trump verb. troeven, troef (uit)spelen, verzinnen, opdrijven: To call for trumps = vragen; To lead off a trump = opkomen met; To play trumps; Hewas put to his trump(s) = tot het uiterste gebracht; Youalways turn up trumps = gij boft altijd, u loopt alles mee = All your cards are trumps; Trumped-up = verzonnen, waardeloos: Anaccusationwas trumped up against us= werd tegen ons verzonnen; Trumpery, subst. vodden, prulleboel, bedriegerij; adj. waardeloos, prullerig.

Trumpet, trɐmpət, subst. trompet, scheepsroeper, uitbazuiner; Trumpet verb. met veel ophef bekend maken, uitbazuinen, uitbundig prijzen, trompetten: The last trumpet = de bazuin van den oordeelsdag; A flourish of trumpets = fanfare; Heblows (sounds) his own trumpet = verkondigt zijn eigen lof; He trumpeted forth his friend’s praise = stak de loftrompet over zijn vriend; Trumpet-call = trompetsignaal; Trumpet-fish = trompetvisch; Trumpet-fly = schapenhorzel; Trumpeter = trompetter, loftuiter, schetteraar, trompetvogel; soort duif.

Truncal, trɐŋk’l, tot den stam of romp behoorende; Truncate, trɐŋkit, adj. afgeknot; Truncate verb. (trɐŋkeit), afknotten, snoeien: Truncated cone (pyramid) = afgeknotte kegel (piramide); Truncation, trɐŋkeiš’n, afknotting, het afgeknot zijn.

Truncheon, trɐnš’n, subst. stam, stomp, schacht, staf, knuppel, maarschalksstaf; Truncheon verb. afrossen.

Trundle, trɐnd’l, subst. rol, wieltje, rolwagen; Trundle verb. rollen, doen rollen, hoepelen: Let them trundle = laat ze loopen; Trundle-bed = rolbed; Trundle-head = kop v. een kaapstander; Trundle-tail = krulstaart.

Trunk, trɐŋk, romp, stam, snuit (v.olifant), neus, koffer, hoofdlijn (voorspooroftelefoon); bak, koker: Trunks = Trunk-hose = korte wijde broek boven de knieën ingenomen; Trunk-line = hoofdlijn van spoor, kanaal, etc.; Trunk-maker = koffermaker; Trunk-root = hoofdwortel; Trunk-sleeve = pofmouw.

Trunnel, trɐn’l= Treenail.

Trunnion, trɐnj’n, tap (vaneenkanon).

Truss, trɐs, subst. bundel, pakje, bosje, stellage of geraamte, pianokast, breukband, console; Truss verb. stijf binden, opstroopen, terecht trekken van kleeren, versterken, opmaken: Hetrussed on hisrags= hing zijne lompen om; Hetrussed up hishair= bond [593]op; A trussed fowl = opgemaakte vogel (gereedomteworden gebraden); Truss-maker = breukbandenmaker.

Trust, trɐst, subst. vertrouwen, geloof, toevertrouwd iets, deposito, crediet, zorg, vereeniging v. personen ten einde het monopolie te verkrijgen of te behouden; Trust verb. vertrouwen, gelooven, toevertrouwen, crediet geven, lichtgeloovig zijn, zich verlaten op: A distillers’ trust = vereeniging van distillateurs; Breach of trust = trouwbreuk; Position of trust = post van vertrouwen; To give trust = crediet geven; Youare in my trust = mij toevertrouwd, onder mijne hoede; Bondsin trust = effecten, etc. in bewaring; Thewatchwas committed to my trust = mij ter bewaring toevertrouwd; Don’tput your trust in suchpeople= stel geen vertrouwen in; Itook it on trust = op goed geloof; Iwilltrust him no further than I can see; itwas trusted to my care = toevertrouwd aan; Iwilltrust you with this= u dit toevertrouwen; Trust me for that = daar kunt ge op aan; Trust him to do it = hij “lapt net hem” wel; Trustee, trɐstî, beheerder, gevolmachtigde, commissaris, curator; Trustship; Trustful = vertrouwend; subst. Trustfulness; Trustless = niet te vertrouwen; subst.

Trustlessness; Trustworthiness, subst. van Trustworthy = trouw, vertrouwd, beproefd.

Truth, trûth, waarheid, oprechtheid, getrouwheid, standvastigheid: Hedid truth = hij volgde Gods bevelen; Why don’t you speak the truth? = waarom zegt gij de waarheid niet; In truth = in waarheid, waarachtig, inderdaad; Of a truth = waarlijk; Truth-ful = waarheidlievend, vertrouwbaar; subst. Truthfulness.

Truttaceous, trəteišəs, forellen …

Try, trai, subst. proef, poging; Try verb. beproeven, onderzoeken, op de proef stellen, verhooren (rechtbank), aanwenden, verleiden, ondervinden, ijken, aangrijpen, veel vergen, uitbraden, raffineeren, inschieten: To have a try at = eens probeeren; Ihave tried hard todoit= ik heb terdeeg mijn best gedaan; Iwilltry conclusions with him = het tegen hem opnemen; Thattries the eyes = vermoeit de oogen; Suchworktries a man = pakt je aan; Wewill try this quarrel hilttohilt= dezen strijd met de degens uitmaken; To try on = passen; probeeren: Itried on mynewcoat= paste; To try it on = bedriegen, van bedrog leven; probeeren hoeveel het (met iemand) lijden kan; To try out = doorzetten, uitsmelten: We willtry thematterout = wij zetten door tot de zaak beslist is; He was tried and condemned = verhoord en veroordeeld; Try-sail = gaffelzeil, bezaan; Try-your-weighter = automat. weegmachine. Zie Trying.

Trygon, traigən, pijlstaartrog.

Trying, trai-iŋ, lastig, smartelijk, moeielijk: Suchthingsare trying to aman= hard voor; A trying climate = ongezond klimaat; He is very trying = geeft veel last.

Tryst, trist, (plaats van) afgesproken bijeenkomst; Trysting-place = plaats van bijeenkomst.

Tsar, tsâ, Czaar; Tsarevitch, tšârəvitš, tšâreivitš; Tsarina, tšârinə, Tsaritsa, tšaritsə.

Tsetse, tsetsə, tsetsevlieg.

T-square, tîskwêə, teekenhaak = T.

Tub, tɐb, subst. tobbe, klein vat, badtobbe, lompe boot, kansel; Tub verb. in een tobbe doen, baden, een kuipbad nemen: Tale of a tub = bakersprookje; Tubs = boterkooper; Tub-fish = knorhaan;

Tub-frock = japon, die gewasschen kan worden; Tub-man = een der twee bekwaamste advocaten van het vroegere Courtof Exchequer(de andere werd Postmangenoemd); Tub-pair = soort v. roeiboot; Tub-thumping = lawaaierige oratie; Tubber = soort v. houweel; Tubby = tobvormig, tonvormig; dof klinkend.

Tuba, tjûbə, tuba (muziekinstr.).

Tube, tjûb, subst. buis, pijp, tube, kanaal, lampeglas; Tube verb. van pijpen of buizen voorzien: The Tube = de ondergrondsche spoorweg in Londen; India-rubber tube = gummislang; Testtube = reageerbuisje.

Tuber, tjûbə, vleezig gezwel, knol, aardappel; Tubercle, tjûbək’l, knolletje, kleine tuberkel; Tubercular, tjubɐkjulə, vol knobbels of tuberkels: Tubercular consumption; Tuberculous, tjubɐkjulɐs, lijdende aan tuberculose, vol tuberkels; Tuberculosis= tuberculose; Tuberose, tjûbərous, tjûbərous, subst. tuberoos (plant); adj. met knobbels of uitwassen; subst. Tuberosity, tjûbərositi, knobbeligheid, gezwel, zwelling; Tuberous= Tuberose.

Tubular, tjûbjulə, buis-, koker- of cylinder-vormig; Tubular boiler = stoomketel met vlampijpen; Tubular bridge = kokerburg; Tubular post = luchtdrukpost; Tubule, tjûbjûl, pijpje, buisje; Tubuliform= in den vorm van een buisje.

Tuck, tɐk, subst. opnaaisel, omslag, netje, lekkernijen, eetlust; trommelslag, rapier; Tuck verb. opschorten, omslaan, inslaan, optrekken, vouwen, opstroopen, instoppen, zich zat eten (out), vollen (vanlaken), tokken (vaneenekip): Tuck of drum = slag op trom; Itwas nip and tuck withus= het kwam er op aan, was een strijd op leven en dood; Tuck-shop = suikerbakkerij; Tuck-in (= Tuck-out) = traktatie; Ihave tucked themin warmly= heb ze ingestopt; Thehandkerchiefabouthisneckwas tucked in atthe bosom= was (nl.depuntenervan) in zijn borst gestopt; He tucked up hissleeves= stroopte op; Theytucked himup asbest theycould= pakten hem in; Tucker = kanten halskraag of chemisette; Tuck(ing)-mill = volmolen.

Tucum, tjûk’m, Z.-Amer. palmsoort.

Tudor, tjûdə, subst. en adj. (van) Tudor: Tudor style = GothischEngelsche bouwstijl.

Tuesday, tjûzdi, Dinsdag.

Tufa, tjûfə, tufsteen; Tufaceous, tjufeišəs, gelijkend op, bestaande uit tufa.

Tuff, tɐf, tuf(steen).

Tuft, tɐft, subst. bosje (haar), kuif, trosje, hoop, groep, kwast (aan muts,etc.), spitse baard; Tuft verb. in bosjes of hoopjes verdeelen [594](groeien), met kwastjes of trosjes versieren: Ricquet-with-a-

tuft; Tuft-hunter = klaplooper, flikflooier; Tufted = met kwastje of trosjes versierd, met spitsen kinbaard, in trosjes groeiend.

Tug, tɐg, subst. krachtige haal, ruk, sleepboot, rommelwagen of rammelkast; Tug verb. krachtig trekken of halen, rukken, sleepen: Tug of war = touwtrekken; Therealtug of war willcomeonthe electoralquestion= de ware strijd; I had a hard tug of it = het heeft me veel moeite gekost; Hewas tugged like a dog by fate = door het lot als een hond heen en weer gesleept; Wewere tugging against windandtide= roeiden tegen; Tugboat = sleepboot.

Tuition, tjuiš’n, onderwijs, opzicht; adj. Tuitional = Tuitionary.

Tula, tûlə, stad in Rusland; kookplaats (Indië); Tula-metal = allooi van zilver, koper, lood en zwavel.

Tulip, tjûlip, tulp; Tulipomania, tjûlipəmeinjə, tulpenmanie (17e eeuw); adj. en subst. Tûlipomaniac.

Tulle, tûl, tule.

Tumble, tɐmb’l, subst. val, buiteling, verwikkeling; Tumble verb. rollen, vallen, buitelen, neervallen, neergooien, opgooien, onderstboven gooien, tuimelen, bewegingen en verdraaiingen met het lichaam maken; Tumble-down = bouwvallig: Itwouldbegood toimprovethosetumble-down fever-dens offthefaceofthe earth= die bouwvallige koortsholen van den aardbodem te doen verdwijnen; To tumble in = naar kooi gaan; To tumble to = bemerken, begrijpen, vatten, snappen, op krijgen met, aanpakken; Tumble up, willyou? = allo uit je bed; Tumbler = buitelaar, kunstenmaker, tuimelaar (glasofduif), glas zonder voet; Tumbling tricks = kunsten van acrobaten.

Tumbrel, tɐmbr’l, Tumbril, tɐmbril, mestkar, stortkar, ammunitiekar.

Tumefaction, tjûmifakš’n, zwelling, gezwel, puist;—verb. Tumefy; Tumid, tjûmid, gezwollen, uitgezet, bombastisch; Tumidity, tjumiditi, gezwollenheid, hoogdravendheid = Tumidness; Tumour, tjûmə, gezwel, zweer, puist.

Tump, tɐmp, subst. heuveltje; Tump verb. aanaarden, eene hoogte vormen om eene plant; een gedood dier naar huis sleepen (Amer.).

Tumtum, tɐmtɐm, een W.-Ind. pisangschotel; maag (scherts.); dog-cart (Anglo-Ind.).

Tumult, tjûmɐlt, opschudding, beroering, opwinding, verwarring, oploop; Tumultuariness, tjumɐltjuərinəs, subst. v. Tumultuary,

tjumɐltjuəri, verward, opgewonden, oproerig, ontstuimig = Tumultuous, tjumɐltjuəs; subst. Tumultuousness.

Tumulus, tjûmjulɐs, grafheuvel.

Tun, tɐn, vat, ton (vanseerverschillendeafmetingenvoorwijn,bier , etc.); gistvat eener brouwerij, zuiplap; Tun verb. in ’t vat doen; Tun-bellied = met ronden, dikken buik.

Tunbridge, tɐnbridž, stad in Kent; Tunbridge-ware = kastenmakerswerk met ingelegde stukken van verschillend gekleurd hout.

Tundra, tûndrə, tundrə, toendra.

Tune, tjûn, subst. klank, toon, wijsje, melodie, juiste toonhoogte, stemming, harmonie; eendracht, gemoedsgesteldheid, stemming; Tune verb. stemmen, aanheffen, zingen, doen aanpassen: The tune the old cow died of = een echte treurzang; I’llmake you

sing another (change your) tune = zal je wel anders leeren; To bein tune = gestemd, gemutst; Mypianoisout of tune = ontstemd: Hewasratherout of tune to-day= niet erg gestemd; Thatcosts to the tune of fifty pounds = dat zal zoowat vijftig p. kosten; Tuneful = welluidend, zangerig; subst. Tunefulness; Tuneless = klankloos, stil, onwelluidend; Tuner = stemmer.

Tungsten, tɐŋst’n, wolfram; Tungstic acid.

Tunic, tjûnik, tunica, militaire rok, vlies; Tunicle = kleine tunica, vliesje.

Tuning, tjûniŋ: Tuning-fork = stemvork; Tuning-hammer, Tuning-key = stemhamer, stemsleutel.

Tunis, tjûnis; Tunisian= (bewoner) v. T.

Tunkers, tɐŋkəz, sekte van Duitsch-Amerikaansche wederdoopers = Dunkers.

Tunnage, tɐnidž, tonnemaat. Zie Tonnage.

Tunnel, tɐn’l, subst. pijp, schoorsteenpijp, tunnel, fuik (= Tunnelnet); Tunnel verb. (als) een tunnel maken door (onder), doorboren, in een fuik vangen: Tunnels of light = lichtbundels; Tunnel-pit, Tunnel-shaft = toegang tot het midden van een tunnel van uit den bovengrond.

Tunny, tɐni, tonijn.

Tup, tɐp, subst. ram; Tup verb. dekken, bokken.

Turan, tjûrân; Turanian, tjûreinj’n.

Turban, tɐb’n, tulband, tulbandvormige hoofdtooi.

Turbid, tɐbid, troebel, modderig, drabbig; verward, onrustig, stormachtig; subst. Turbidity= Turbidness.

Turbinate, tɐ ̂binit, ronddraaiend, spiraalkegelvormig.

Turbine, tɐ ̂bin, turbine; Turbine-steamer.

Turbit, tɐ ̂bit, meeuwtje (soortduif).

Turbot, tɐbət, tarbot.

Turbulence, Turbulency, tɐbjulens(i), onstuimigheid, beroering, oproerigheid, rumoerigheid; adj. Turbulent.

Turco, tûəkou, tɐ ̂kou, Fransch soldaat in ’t Algerijnsche kol. leger.

Turd, tɐd, drek.

Tureen, tjurîn, soepterrine; Tureen-ladle = soeplepel.

Turf, tɐf, subst. zode, grasveld, plag, turf; renbaan; Turf verb. met zoden of plaggen beleggen: Black heaps of turf = stapels turf; A sod of turf = zode; Heison the turf = leeft van (doet aan) wedrennen en wedden op renpaarden; Ihave broken with the turf andsoldmystudoff= doe niet meer aan de rensport; Turfclad = met zoden bedekt; Turf-cutter; Turf-fire; Turf-hedge = scheiding door eene bank van zoden; Turf-house = stulp van plaggen; Turf-moss = veenland; Turfman = liefhebber van rensport; Turf-seat = zodenbank; Turf-spade = spade om zoden te steken; Turfing: Turfing-iron, Turfing-spade = spade voor het steken van zoden; Turfless = zonder zoden; Turfite, tɐfait= Turfman; Turfy = vol zoden; [595]tot wedrennen of de renbaan behoorende.

Turgent, tɐdž’nt, gezwollen, opgeblazen: Turgescence, Turgescency, tɐdžes’ns(i), opgezwollenheid, opgeblazenheid; Turgescent= zwellend; Turgid, tɐdžid, gezwollen, opgeblazen, hoogdravend; subst. Turgidity, tɐ̂džiditi= Turgidness.

Turin, tjûrin, Turijn; Turinese, tjûrinîz, tjûrinîs, (bewoner) van T.

Turk, tɐk, Turk: Turk’s head = “kop van Jut” op kermissen; ragebol; Turkish, subst. en adj. Turksch(e taal): Turkish bath = bad (van116°tot165°); Turkish delight = soort v. lekkers; Turkophile, tɐkəfail, Turkenvriend.

Turkey, tɐki, Turkije, kalkoen: To talk turkey; Zie Talk; Turkeybird (Zie Wry-neck); Turkey carpet = Turksch vloerkleed, Smyrnasch tapijt; Turkey-cock = kalkoensche haan: She turned as red as a turkey-cock; Turkey-hen = kalkoensche hen.

Turmoil, tɐmôil, verwarring, ontsteltenis, herrie, sloven; Turmoil verb. in onrust zijn, zich afsloven.

Turn, tɐn, subst. draai, omwenteling, bocht, kromte, hoek, wandelingetje, verandering, wisselvalligheid, gelegenheid, aanleiding, doel, daad, voorval, dienst, mode, strekking, gedaante, aard, neiging, luim, stemming, poets, grap, beurt, karweitje, zenuwschok, woordstelling (ineenzin), ophanging, etc.; Turn verb. wenden, keeren, draaien, vormen, omkeeren, aanwenden, richten, strekken, overhalen, bekeeren, verdraaien, veranderen, vertalen, overbrengen, overpeinzen, doen gisten, schiften, verzuren, walgen, terugkeeren, weerstaan (eenvijand), weifelen, etc.: Aturn of fate = lotswisseling; Intheturn of a hand = in een oogenblik; Atthe turn of the river, road = bij de bocht; Theturn of a wager = de kans; Hisanswersaremere turns of wit = geestige zetten, wendingen; Aturn of work = klein karwei; One good turn deserves another = de eene dienst is den anderen waard; Iam

good for a turn at anygame= doe gaarne mee aan een spelletje; Thereisa quaintness of turn inhisstyle= zijn stijl heeft een zonderling cachet; Thenewsgave me such a turn = deed me erg schrikken; Thatsoldierseemsto have a turn fordesertion= neiging tot desertie te hebben; Thatwillhardlyserve your turn = dat zal je wel niet kunnen dienen; Wemust take turns = elkaar afwisselen; Thingshave taken a favourable turn = een gunstigen keer genomen; Hedoessoat every turn = bij elke gelegenheid; Wemustgothere by turns, in turn(s) = om beurten; Youmustdo itin turn = op uwe beurt; Each in his turn = ieder op zijne beurt; Thetidewas on the turn = het getij begon te kenteren; Doneto a turn = goed gaar; Turn for turn = leer om leer; These advantages turned torealaccount= leverden inderdaad wat op; My brain (head) turns = ik word duizelig; The leaves turn in autumn= worden geel; The mutton has turned withthehot weather= is bedorven; Wewere turned adrift = wij werden aan wind en golven ten prooi gegeven; Heturned aside = keerde zich om; To turn loose = loslaten (van honden bijv.); To turn pale = bleek worden; To turn sour = zuur worden; Heturned his back = hij draaide zich om, hij vluchtte; Heturned his back (up)on us= wendde ons den rug toe (ook fig.); Itturned the balance (scale) = deed de schaal omslaan; Hehasturned his coat = is afvallig geworden; Sheturned colour = verschoot van kleur; To turn the corner = het hoekje (crisisvaneenziekte) te boven zijn, beter worden; Therailway-shareshave turned the corner andare increasing= hebben zich hersteld en gaan omhoog; To turn a couplet = een versje maken; Shecanturn an epigram andpoint asatire= iets geestig zeggen en satiriek zijn; Heshavedtwenty menandnever turned a hair = en sneed hen geen enkele maal; To turn one’s hand to = zich toeleggen op; Hecouldturn his hand tomanythings= kon van alles maken; Thenewshasturned his head (brain) completely= heeft zijn hoofd op hol gebracht; He turned informer onme= hij verklikte mij; Willyou turn the key?

= omdraaien; Amerchantmustturn his money = steeds omzetten; Iwilltrytoturn a penny = een duit te verdienen; Turn the points = verzet den wissel; To turn the enemy’s position = omtrekken; To turn soldier = soldaat worden; Themedicineturns my stomach = ik walg van; The tables were turned = de bordjes werden verhangen; Iturned the tables upon him = sloeg hem met zijn eigen wapens; deed de kans keeren; To turn tail = op de vlucht gaan; To turn turtle = omslaan: Everythinghasturned turtle = alles ligt overhoop; To turn about = zich omkeeren; Turn again = keer terug, om; To turn away = zich afwenden: He turned away fromthepathofduty= verliet; Ihave turned him away = weggezonden, ontslagen; To turn money away = opsparen, wegleggen; To turn back = omkeeren, terugkeeren; The leafwas turned down (back) atthetop= het blad was bovenaan omgeslagen; Everythingwas turned upside down = onderstboven gekeerd; Turn-down = omgeslagen, dubbelgevouwen; ook subst. liggende boord; Turn of a letter = omgevouwen rand; Ihave turned it in = naar binnen gevouwen; Heturned it in his mind = overlegde het bij zichzelf; To turn in = naar kooi gaan; Heturned in withme= ging met mij naar bed; Theroadturns in and out = kronkelt gedurig; To turn into = veranderen in; Turn this into Dutch= vertaal dat in ’t N.; Heturned Germanballadsinto English verse= bracht … over; Heturned of adeadlycolour= werd doodsbleek; Heisturned (of) fifty= boven de vijftig; Thehour was turned ofsix= het was over zes; To turn off thegas,the steam= uitdraaien, afsluiten; To turn off anarticle= op ’t papier gooien; To turn on the gas= de gaskraan open zetten; She turned on hertears= begon te schreien; Everythingturns on your answer= hangt af van; Thefateofthecountryturns on theking’s decision= [596]hangt af; Turn him out = zet hem de deur uit; We have turned out thecows= de koeien in de weide gedaan; It turned out wrong,right= kwam verkeerd, goed uit, liep verkeerd, goed af; Hedidnotturn out much= het resultaat van zijn arbeid

was gering; Ihave turned it inside out = heb het binnenste buiten gekeerd; Hewillturn out trumpsafterall= toch nog een flinke vent worden; Itturned out tobe= bleek te zijn; Thebookis wellturned out = ziet er keurig uit; Awell turned-out stranger = net gekleed; Hisclotheshadbeenturned out bythebesttailor= waren geleverd; Turn-out = pronk, pak, vertooning, mooie equipage, groote menigte, ontvangst, afmarsch, werkstaking, uitsluiting, wisselspoor, opbrengst; Heturned over morethanfifty thousandpoundsayear= zette om; Wehave turned over anew leaf= zijn met een nieuw blad, een heel ander leven begonnen; He turned over andcontinuedreading= sloeg het blad om; Ihave turned it over and over = van alle kanten bekeken; Themoney was turned over totheowner= werd overgemaakt aan den eigenaar; Theboatwas turned over = werd omgeworpen, sloeg om; Iturned it over inmymind= ik overlegde het bij mijzelf; Let us turn over = van plaats veranderen; Turnover = onderstboven werping, soort gebak, omzet; adj. omgeslagen, ingericht om om te slaan: Turnover table = klap(speel)tafeltje; Heturned round = veranderde van houding, keerde zich om; Shelovedhimforsome time,andthenturned round (to another) = zette toen haar zinnen op een ander; Imusthavetimetoturn round = tijd om te overleggen of overwegen; Hiseyeswere turned to the stage = op het tooneel gericht; WhatshallIturn to? = wat zal ik nu doen, nu aanpakken; Youmusttryto turn this to profit, advantage, account = trachten te profiteeren van; To turn up = omhoogslaan, omslaan, opduiken, te voorschijn komen, gebeuren etc.: Ihope somethingwillturn up intime= dat er zich nog wat zal voordoen (opdoen); Turn up pagetheseventh= sla op; Turn it up = schei uit daarmee! To turn up one’snoseat= den neus optrekken voor; I turned hisarguments upon himself= sloeg hem met zijn eigen woorden; Iturned upon himsuddenly= draaide me plotseling naar hem om, viel hem aan; Theconversationturned upon all kindsoftopics= liep over allerlei onderwerpen; Shewillbemarried

turned Michaelmas = na; Turn-bench = kleine draaibank; Turncap = schoorsteengek; Turn-coat = afvallige; Turn-cock = opzichter v. de waterleiding; Turn-down collar; Turndun = snorder (jongensspeelgoed); Turnkey = cipier; Turnpike = tolhek, slagboom, wenteltrap; Turnpike-man = tolgaarder; Turnpikeroad = straatweg met tollen; Turn-screw = schroevendraaier; Turn-sick = draaiziek; Turnsole = kroontjeskruid; heliotroop; Turnspit = spitomdraaier; Turnstile = molentje, haspel op voetpaden; Turn-stone = soort steenlooper; Turn-table = draaischijf (opspoorwegen); Turner = kunstdraaier, varieteit van duif; Turnery = kunstdraaierij, draaiwerk; Turning, subst. draai, bocht, afwijking, kronkeling: Turning-lathe = draaibank; Turningplatform = draaischijf (voorspoorwagens); Turning-point = keerpunt.

Turnip, tɐnip, raap, knol, dik horloge; Turnip-radish = knolradijs.

Turpentine, tɐp’ntain, terpentijn; Terpentiny = met terpentijn bedekt, vol terpentijn.

Turpitude, tɐpitjûd, laagheid, verdorvenheid.

Turquoise, tɐkôiz, tɐkîz, tɐkoiz, turkoos (edelsteen).

Turret, tɐrət, torentje, draaibare toren op een oorlogschip; Turretship = torenschip; Turreted = met torentjes; Turriculate(d), tərikjulit(-eitid), gelijk een torentje, voorzien van torentjes.

Turtle, tɐ ̂t’l, subst. tortelduif; zeeschildpad(soep); Turtle verb. schildpadden vangen; Turtle-back = helmslak; Turtle-dove = tortelduif; Turtle-shell = schildpad; Turtle-soup = schildpadsoep.

Tuscan, tɐsk’n, subst. Toskaner; adj. van Toskane: Tuscan order = Toskaansche bouwstijl; Tuscany = Toskane.

Tush, tɐš, pst! stil! poe! hoektand.

Tusk, tɐsk, slagtand (v.olifantofwildzwijn): Tusked = met slagtanden; Tusker = olifant of wild zwijn met goed ontwikkelde slagtanden; Tusky = Tusked.

Tussaud, tusou.

Tussle, tɐs’l, subst. worsteling, kloppartij; Tussle verb. worstelen, vechten: We had a sharp tussle with theenemy= een vinnigen strijd.

Tussock, tɐsək, bosje, lok, bosje gras, heuveltje; adj. Tussocky.

Tut, tɐt, st! pst! stil! poeh! och kom!

Tutelage, tjûtəlidž, voogdij(schap), onmondigheid; Tutelar(y), tjûtələ(ri), beschermend: Tutelar angel; Tutelar spirits = beschermgeesten; Tutor, tjûtə, subst. voogd, (privaat)onderwijzer, een der professoren aan een collegebelast met het algemeen toezicht (= College tutor), of die de studie leidt (Private tutor); Tutor verb. onderwijzen, berispen; Tutorial, tjutôriəl, behoorende tot, uitgeoefend door een Tutor; Tutorship = voogdijschap; onderwijzersbetrekking, tutorschap.

Tutta, tutâ, geheel; Tutti, tuti, allen (muz.).

Twaddle, twod’lsubst. beuzelpraat, gewauwel; Twaddle verb. wauwelen, kletsen; Twaddler = leuteraar.

Twain, twein: In twain = in tweeën.

Twaite, tweit, elft. Z. Thwaite.

Twang, twaŋ, subst. scherp geluid, neusgeluid, neusklank, smaakje, onaangename smaak; Twang verb. gonzen, klinken, aanslaan, doen klinken, eruit gooien (out): There is a twang about it = er is een leelijk smaakje aan; To speak with a twang = door den neus spreken; Thetwanging of a full-toned guitar = het scherpe geluid van eene krachtige guitaar; Atwanging sound = scherp, doordringend geluid.

Twankay, twaŋkei, ordinaire groene thee. [597]

’Twas, twoz, samentr. van Itwas.

Tweak, twîk, subst. kneep, klem (fig.); Tweak verb. knijpen: To tweak a person by the nose, To tweak a person’s nose = iemand bij zijn neus trekken.

Tweed, twîd, stof voor manskleeren; adj. van tweed: Heather tweed = bruine tweed.

Tweedle, twîd’l, zacht strijken over, vedelen, doedelen, vleien, bepraten: Heinsisteduponthe difference between tweedledum and tweedledee = het verschil tusschen een half dozijn en zes.

Tweel, twîl; Zie Twill.

’Tween, twîn, samentr. van Between.

Tweeze, twîz, étui met instrumenten = Tweezer-case; A pair of tweezers = haartangetje.

Twelfth, twelfth, subst. en adj. (het) twaalfde; Twelfth-cake = driekoningengebak; Twelfth-day (Twelfth-tide) = Driekoningen; Twelfth-night = de avond van (vóór) Driekoningen; Twelve, twelv, twaalf: The Twelve = de twaalf apostelen, de twaalve; Some writersstrike twelve all at once = verschieten hun kruid al

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Introduction to geospatial technologies 3rd edition - The complete ebook version is now available fo by katemaurin6115 - Issuu