klimaatneutraal natureOffice.com | NL-215-373384
gedrukt
De aftrap werd gegeven door TuinKeur-directeur Jelle Westra. Volgens Westra gaat het weer goed in de sector. „De economische crisis ligt achter ons. Er is genoeg werk en de stemming onder consumenten is goed.” Westra signaleert echter een nieuwe crisis. De uitstroom uit de branche overtreft de in-
Vorige week had ik de eer om te mogen spreken op het hovenierscongres GardenExperience van TuinKeur. Voor een uitverkochte zaal hield ik een verhaal over het klimaatbestendig inrichten van de openbare en particuliere ruimte en de rol die de hovenier hierbij kan spelen. Aan de reacties merkte ik dat klimaatverandering voor sommigen toch nog een ver-vanmijn-bedshow blijft, ondanks de vele piekbuien deze zomer, de ongekende hitte in september en de zachte winters van de afgelopen jaren. Na afloop sprak een hovenier mij aan die er wél van overtuigd is dat we de tuinen duurzamer in moeten richten. Alleen worstelt hij ermee hoe hij dit verhaal aan zijn klanten kan verkopen. Want vaak kiest die klant toch voor 'comfort' en laat zijn tuin vol tegelen. Waarbij ik me afvraag hoe comfortabel een tuin vol tegels is bij een temperatuur van 32 graden. Het is hetzelfde verhaal met biodiversiteit; iedereen
stroom van nieuwe groenleerlingen ruim. Volgens Westra is dit voor een deel het gevolg van bezuinigingen op aoc's. Toch zal de branche het zelf moeten oplossen. „Ondernemers moeten openstaan voor alle stages, ook van vmbo. Zie ze niet alleen als goedkope arbeidskrachten, neem ze mee en laat ze zien wat we doen. Via maatschappelijke stages moet je jezelf promoten.” Ook VHG-directeur Egbert Roozen benadrukte dit punt. „De omgeving verandert, de markt trekt weer aan. Ook de economie is veranderd, het is nu tijd om te investeren in mensen zodat je als bedrijf kunt groeien.” Roozen noemde duurzaamheid en klimaatverandering als kansen voor de sector. Hoofdredacteur van Tuin en Landschap Ralph Mens borduurde verder op het klimaatthema en zag vooral kansen voor hoveniers in het klimaatbestendig inrichten van
de openbare en particuliere ruimte. De groensector kan hierin met haar kennis van groen een grote rol spelen. Een heet hangijzer blijft onkruidbestrijding. Jan Hekman van Eco Consult hield het publiek voor dat ze er niet op moeten rekenen dat het verbod op chemische bestrijding wordt teruggedraaid. Wel verwacht Hekman binnen vijf jaar een besluit over een particulier verbod en duidelijkheid over laagrisicomiddelen. Tot slot kwam de VAR aan bod en de nieuwe modelovereenkomsten die deze vervangen. Volgens de belastingadviseurs gaat het in de praktijk niet om het wel of niet geven van een opdracht aan een zzp'er, maar om de invulling ervan. Daarbij zal gebruik van bedrijfskleding bijvoorbeeld geen probleem vormen, maar gebruik van machines wel. Tot 1 mei 2017 geldt een overgangsregime, daarna wordt steekproefgewijs gecontroleerd.
wil vlinders en bijen in zijn tuin. Maar in een tuin vol tegels is niets te halen voor insecten en vogels. Sowieso houden de meeste beestjes niet van al te nette tuinen. Nou begrijp ik dat niet iedereen een wildernis in zijn achtertuin wil. Maar met een iets andere inrichting van de tuin, en door planten en bomen aan te planten die aantrekkelijk zijn voor insecten, kun je op je eigen vierkante meter bijdragen aan de biodiversiteit. Vele kleintjes maken één grote. Dit nummer van Tuin en Landschap staat daarom helemaal in het teken van insectvriendelijk sortiment. Hier kunt u precies uitvinden welke planten, bollen, heesters en bomen aantrekkelijk zijn voor bijen en vlinders. En dit kunt u meenemen in uw verhaal naar uw klant. 'Als u nou deze struik aanplant, dan krijgt u deze vlinders cadeau!' Mooi toch? Ook gemeenten kunnen er hun voordeel mee doen, want in het openbaar groen valt ook nog veel te verbeteren.
Jan de Vries, directeur van Boot en Dart Boomkwekerijen, het bedrijf dat is ontstaan door de fusie van twee grote kwekers Boot & Co en Darthuizer, zei dat dinsdag 6 september in Hillegom tijdens een Masterclass Zorgeloos Groen van De Enk Groen & Golf. Het nieuwe bedrijf met kwekerijen in Leersum, Boskoop en Zundert heeft een marktaandeel van ongeveer 50%. De boomkwekers bundelen samen meer dan 160 jaar ervaring in het openbaar groen. De Vries vindt het jammer dat er zoveel soorten en cultivars in vergetelheid raken. „Dat verontrust ons. De deskundigheid en kennis in de gemeentelijke
organisatie neemt af.” Boot en Darthuizer zien in hun krachtenbundeling een mogelijkheid om het serviceniveau te verbeteren en de continuïteit van hun bedrijven te garanderen. De commerciële activiteiten van de nieuwe organisatie zijn per 1 september 2016 geconcentreerd in Boskoop.
Jolanda Maas, senior onderzoeker en docent klinische psychologie aan de Vrije Universiteit, voorspelt dat 70 tot 90% van de wereldbevolking in de nabije toekomst in een stedelijk gebied woont. Voor deze mensen is een groene woonomgeving van levensbelang. Er is al wetenschappelijk aangetoond dat bewoners van groene wijken – en vooral de kinderen - minder last hebben van depressies, migraine, diabetes en astma. In groene stadswijken komen minder sterfgevallen voor,
omdat groen sociale contacten bevordert en uitnodigt om meer te bewegen. In groene wijken ligt het huisartsbezoek 25% lager dan in versteende gebieden. Maas rekende voor dat 10% meer groen een besparing van €65 miljoen per jaar zou betekenen op de gezondheidszorg en €329 miljoen op arbeidsverzuim. „Niet alleen de kwantiteit, maar ook de kwaliteit van het groen is belangrijk. Rode planten geven energie; groene planten rust.”
Margareth Hop, voorheen werkzaam bij PPO in Lisse, werkt sinds drie jaar als veredelaar voor Boot en Dart aan nieuwe, gezonde cultivars voor het openbaar groen. Haar ervaring is dat er steeds hogere eisen worden gesteld aan ‘de juiste plant op de juiste plaats’. „Die planten moeten het microklimaat verbeteren, kindvrien-
delijk en ziektebestendig zijn, jaarrond een hoge sierwaarde hebben, onkruidgroei tegengaan, met de klepelmaaier gesnoeid kunnen worden en ook nog eens weinig kosten.”
De masterclass in Hillegom volgde op de oplevering van het Zorgeloos Groen-concept in de gemeente langs de N208 die dwars door het dorp loopt. In totaal zijn 40.000 vaste planten, heesters, rozen en bomen aangeplant op een oppervlakte van 8.000 m2. Het is daarmee het grootste project in de openbare ruimte tot nu toe dat met het beplantingsconcept van Buro Mien Ruys, De Enk Groen & Golf en Boot & Co is aangelegd. Omdat Hillegom in de Bollenstreek ligt, zijn er voor deze gelegenheid ook bollen aangeplant in stroken gras langs de provinciale weg. Daarmee kent de beplanting jaarrond bloei.
(Geranium, Phlox en Alchemilla zijn bijvoorbeeld erg geliefd), fruitbomen, aardbei en jonge bomen. Engerlingen hebben veel natuurlijke vijanden, zoals loopkeverlarven, roeken, kraaien, merels, spreeuwen, wilde zwijnen en dassen. Deze vijanden kunnen tijdens het graven naar de engerlingen voor enorme schade zorgen. De gunstige omstandigheden voor de ontwikkeling van de eitjes leidt plaatselijk tot massale aanwezigheid van engerlingen. Engerlingen van de meikever (Melolontha melolontha) voeden zich met wortels van allerlei gewassen zoals gras, heesters, fruitbomen, sierplanten, sla en aardappels.
Ook de rozenkever (Phylloperta horticola) heeft het dit jaar uitzonderlijk goed gehad. De engerlingen van rozenkevers voeden zich met wortels van onder meer gras, sierplanten
Door het natte, koude voorjaar met weinig aaneengesloten warmere periodes is 2016 een afwijkend jaar voor insecten en spinnen in het algemeen. Zo waren er opvallend weinig vlinders tot in juni. Waarnemingen van entomologen wezen uit dat er sowieso heel weinig insecten waren. En omdat er weinig voedsel voor ze was, waren er ook opvallend weinig spinnen te zien. Later is dat veranderd en vond er blijkbaar een inhaalslag plaats.
Mijn schoonzus en zwager blijven bij de tijd. Ze dragen allebei een iWatch. Zo’n modern horloge met tal van functies, zoals een activiteitentracker, een gezondheidstracker én de tijd. Had je nog niet zo lang geleden een thermostaatknop voor je kachel, tegenwoordig heeft een slim huis een bedieningspaneel voor je verwarming, verlichting en rookmelder. Controle over conditie, prestatie en energieverbruik op elk moment van de dag. Welkom in de nieuwe wereld. Sinds kort hou ik me vakmatig bezig met het inspectiebeleid voor bomen. Alle onderdelen in de openbare ruimte worden vanaf 2017 op dezelfde manier geïnspecteerd, zo luidt de opdracht. „Hoe presteren jouw bomen?”, was een vraag van mijn collega’s van bruggen en wegen. Uuh, prestatieeisen aan een boom? Geen idee, nooit over nagedacht. Ik kom in een nieuwe wereld.
Precies zoals gepland heeft een 100 tons kraan het nokstuk geplaatst van Jardin d’Hiverre, het nieuwe congres- en evenementencentrum van Bomencentrum Nederland in Baarn. Jardin d’Hiverre verwijst naar de oude oranjerieën oftewel wintertuinen. Het gebouw is een aanvulling op het Groene Paviljoen dat Blokzijl ruim vijftien jaar geleden liet bouwen. Jardin d’Hiverre ligt midden in een 25.000 m² groot ideeënpark met hoogteverschillen, waterpartijen en een grote diversiteit aan bomen en planten. De oplevering van het gebouw is half februari 2017.
Inmiddels heb ik me aardig verdiept in de prestatie-eis van een boom. Ik laat me niet meer verrassen door zo’n vraag. Ik weet, als bomen goed presteren dragen ze maximaal bij aan waterberging, luchtzuivering en het vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven. Over vijf jaar ziet de wereld er heel anders uit. Gemeenten hebben de prestatie-eisen van hun hele bomenbestand dan precies in beeld. Sterker, je kan de prestatie, conditie en het energieverbruik van de gemeentelijke boom voor je deur volgen via je slimme, high-tech horloge; de bWatch.
Galabau verwelkomde dit jaar 337 buitenlandse bedrijven, zo'n 10% meer dan vorig jaar. Daarmee is ongeveer een kwart van de standhouders afkomstig uit een ander land dan Duitsland. Galabau wordt daarmee meer en meer een internationale beurs. Ook 10% van de bezoekers is uit het buitenland afkomstig. De variatie onder de stands was enorm. Natuursteenleveranciers, vakbladen, boomverzorgingsbedrijven, software-experts, specialisten in waterafvoer, dakbegroeners, de hele groene branche was vertegenwoordigd in het zuiden van Duitsland. De Nederlandse inbreng bestond onder meer uit een flink contingent boomkwekers.
Naast de stands, was er ook ruimte voor andere activiteiten. Onder meer voor de finale van de Duitse beroepenwedstrijd. Vertegenwoordigende teams van de verschillende bondsstaten namen het tegen elkaar op in de strijd om de Landschaftsgärtner-Cup. Het winnende team mag zijn land op World Skills in Abu Dhabi vertegenwoordigen. Ook waren er tientallen sprekers in het Galabau Praxisforum en het Galabau
Expertenforum. De onderwerpen waarover zij spraken varieerden van het ’Verzekeren van liquiditeit met depositogaranties’ via ’Trends in tuinarchitectuur’ tot ’Waterplanten voor zwemvijvers’. Op het buitenterrein werden praktijkdemonstraties gegeven en konden bezoekers de getoonde, veelal nieuwe machines zelf proberen.
Op de beurs waren zo'n 150 (aangemelde) innovaties.
Ik zit te wachten op het vliegveld Londen City. Vandaag spreker geweest op de Landscape Show. Ondanks de hitte, het is een record vandaag in Londen, is er toch een grote opkomst. Hoveniers, groenvoorzieners, ontwerpers, tuin- en landsarchitecten komen naar Battersee Park om de laatste snufjes op hun vakgebied te komen zien. Aan mij de vraag of ik wilde komen spreken over het thema groen en lobby. In mijn voorbereiding dacht ik; wat kan ik de Britten brengen? Zij hebben een rijke tuincultuur, mooie tuinprogramma’s op televisie en alles in het groen is gekoppeld aan iets koninklijks. En toch. Als thema heb ik ervoor gekozen om mijn visie neer te zetten over hoe we bezig zijn groen te herpositioneren. Werken aan een nieuwe mindset
Vijftien bedrijven kregen een Galabau-Innovationsmedaille 2016 voor hun nieuwigheid. Eén daarvan was Lightpro, een relatief nieuw onderdeel van buitenverlichtingsspecialist Techmar uit Hengelo. Lightpro richt zich op de hovenier en biedt een 12 Volts buitenverlichtingssysteem. Het bedrijf won de prijs voor de connector waarmee je een lamp op de draad aansluit. De connector heeft geen losse onderdelen en zet je met een eenvoudige draaibeweging vast op de 12V lijn die door de tuin loopt. Directeur Gert Nijland is razend enthousiast over de beurs: „Het is ongelooflijk wat een bezoek we krijgen en dat komt door die prijs, die genereert ongelooflijk veel aandacht.” De Duitse markt lijkt klaar te zijn voor het systeem, buitenverlichting op 12V is er nagenoeg onbekend. Hoveniers reageerden dan ook verheugd op de mededeling dat ze deze verlichting zelf mogen aanleggen zonder tussenkomst van een erkende elektricien en dat de kabels ook geen 60 cm diep hoeven worden ingegraven.<
en een nieuw samenwerkingsketen. Daar zijn we in Nederland al stevig mee op weg, maar nog lang niet klaar. Ik kreeg een mooie respons van mijn publiek. Bevestiging van de weg die we moeten gaan met extra aandacht voor de rol van de overheid en de wensen van de eindgebruiker. We hebben veel gemeen, de Britten en wij. Die Brexit, tja. Ook daar heb ik geluiden over gehoord. Laten we desondanks onze goede samenwerking en delen van kennis niet uit het oog verliezen, kreeg ik mee. Na afloop van mijn speech heb ik nog diverse mensen gesproken. Allemaal bezig met vergelijkbare activiteiten als wij en waar we van elkaar kunnen leren. Nu snel terug naar Nederland. Met volop inspiratie en nieuwe contacten. De gate staat alleen nog niet aangegeven…
Entente Florale en Operatie Steenbreek gaan hun samenwerking versterken, waarbij Entente zich op de openbare ruimte richt en Steenbreek de private ruimte op zich neemt.
Mooi ontworpen, technisch goed aangelegde en uitstekend onderhouden binnengroenprojecten komen voor de tweede keer onder de aandacht in de competitie Interieurpeblanting van het Jaar van VHG.
VHG wil samen met het onderwijs en het bedrijfsleven kwalitatief goed onderwijs maken. Zo zal VHG clusters van bedrijven rondom vmbo-scholen creeĂŤren en worden leskaarten ontwikkeld voor nieuwe keuzevakken in het groen.
Het Duitse Bayer neemt de Amerikaanse zaadveredelaar en fabrikant van gewasbeschermingsmiddelen Monsanto over. De overname moet nog goedgekeurd worden. Bij groen licht kan de overname eind 2017 rond zijn.
Kijktuinen Nunspeet organiseert zaterdag 24 september een rondleiding door de siergrassentuin waar de meeste siergrassen inmiddels zijn gaan bloeien. Bijna alle in Nederland voorkomende grassen en de meest winterharde bamboes zijn er te zien.
Vind ons op
:
+ GrootGroen 1) (stand R06 Dag van de uimte Openbare R (stand 3.2.01)
Keurmerk voor Duurzame Boomkwekerijproducten Vakmanschap, duurzaamheid, kwaliteit en garantie. Groenkeur ontwerpt kaders en borgt kwaliteit in de groene sector. Wij maken promotie voor ons kwaliteitslabel op beurzen en congressen. Wij zitten aan tafel bij opdrachtgevers vanuit de overheid waardoor Groenkeur als gunningscriterium wordt opgenomen bij aanbestedingen.
‘Groenkeur voldoet aan de eisen van maatschappelijk verantwoord inkopen en is het selectiecriterium bij aanbestedingen voor groenvoorzieningen.’
Stichting Groenkeur Postbus 1010
info@groenkeur.nl
3990 CA Houten
www.groenkeur.nl
030 – 659 5663
@groenkeur
a twaalf jaar lang in Houten heeft de Dag van de Openbare Ruimte dit jaar de sprong gemaakt naar de Jaarbeurs in Utrecht. Al een aantal jaren kampte de beurs in Houten met ruimtegebrek. Werd vorig jaar nog gekozen voor een extra paviljoen, dit jaar is de knoop doorgehakt en heeft de beursorganisatie voor een ruimere locatie gekozen. Het aantal deelnemers is dit jaar daardoor gegroeid naar meer dan 500. Op de beursvloer komen alle denkbare producten en diensten voor openbare ruimte aan bod: spelen, licht, groen, straatmeubilair, bestrating, ondergronds, landschapsarchitectuur & ontwerp en advies & beheer. De afdeling 'ondergronds' is dit jaar voor het eerst toegevoegd. Slim beheer van openbare ruimte vraagt om een integrale benadering waarbij bovengrondse en ondergrondse disciplines samenwerken. Denk hierbij aan de indeling van de ondergrond in relatie tot bovengrondse ruimtelijke ordening, door coördinatie op ligging van kabels, leidingen en riool, archeologie, ecologie (bomen), netbeheerders, ondergronds bouwen, duurzame ondergrondse infrastructuren, WION, KLIC-systematiek, Velin- en Vewin-voorwaarden.
De beurs wordt woensdag 28 september geopend door wethouder Kees Geldof van de gemeente Utrecht. „Utrecht investeert extra in het onderhoud en beheer van de openbare ruimte, waardoor mensen zich prettiger in de stad voelen. We gaan voor een schone, hele en veilige stad. Dat betekent ook goed onderhoud aan bruggen, wegen en werven. Bewoners krijgen ook de ruimte om hun eigen initiatief ten uitvoer te brengen. Bijvoorbeeld in de eigen wijk, in parken en bij de
invulling en het onderhoud van groen in de stad.” Het lezingenprogramma kent ook weer een grote variëteit. Op het hoofdpodium in hal 2 vinden twee dagen lang forums en lezingen door keynote speakers plaats. Een van de sprekers is landschapsarchitect Adriaan Geuze van West 8, onder andere bekend van Madrid RIO, Maximapark Utrecht en Governors Island in New York. Andere sprekers op het hoofdpodium zijn Lodewijk Hoekstra van NL Greenlabel over het duurzaamheidspaspoort, weerman Reinier van den Berg over klimaatverandering en Bruno Fabre over de stad van de toekomst.
Tuin en Landschap organiseert dit jaar ook weer een eigen lezing. Deze vindt plaats op woensdag 28 september om 15.30 uur in Julianazaal 1. De lezing met de titel 'Groen is saai!' wordt gehouden door Kars Veling van de Vlinderstichting. De lezing is gekoppeld aan het themanummer over insectvriendelijk sortiment waar Tuin en Landschap 19 aan is gewijd. Dit nummer wordt voor de lezing gepresenteerd en zal na afloop van de lezing voor de bezoekers beschikbaar zijn.
Registreren kan eenvoudig via de website van de Dag van de Openbare Ruimte.
<
HEGGEN SNOEIEN VANAF:
€ 6750,-
SNOEIEN MET EEN PERFECT EINDRESULTAAT HEGGENSNOEIER
s 4.5 tan .23 d
www.becxmachines.com info@becxmachines.com tel: +31 (0) 13 513 1140
BLOEMBOLLEN VAN EIGEN KWEKERIJ
ADVIES OP MAAT
100 JAAR ERVARING
LEVERING EN AANPLANT
GETEELD VOLGENS MPS EN SMK
KWALITEIT & SERVICE
Jac. Uittenbogaard & Zonen B.V. T +31 (0)252 373762 E info@jubholland.nl W www.jubholland.nl
het veld is het echter vrij lastig in kaart te brengen. Neem neonicotinoïden. Op labniveau is het effect super duidelijk. In het veld is echter pas voor het eerst in een recente Britse studie naar gebruik van imidacloprid in koolzaad een duidelijk effect gevonden. Vervolgens moet je aantonen dat er een oorzakelijk verband is.”
„Dat hangt er vanaf wat je met 'de bij' bedoelt. Er zijn 360 soorten bijen. De meeste berichten gaan over de honingbij. Afgelopen jaren lag de wintersterfte van honingbijen rond de 20-25%. Vorig jaar daalde dat opeens naar 6,5%. Maar het was een zachte winter. En de imkers worden beter. Toch kunnen we zeggen dat de honingbijen in aantal niet achteruit gaan. Met de wilde bijen gaat het met een groot aantal soorten niet goed. We hebben veel data over de afgelopen honderd jaar waaruit we kunnen afleiden dat de diversiteit in de jaren 50-60 het hoogste was, in de jaren 70-80 ging het heel veel slechter, en in de laatste twintig jaar zien we geen achteruitgang. Maar het is een stuk slechter dan in 50-60.”
„Er zijn diverse oorzaken aan te wijzen, zoals intensieve landbouw, minder voedsel, afnemende biodiversiteit, pesticidengebruik, klimaatverandering en ziektes. Maar het hangt er heel erg vanaf waar je de effecten bekijkt. Binnen een lab-omgeving zie je veel effect. Buiten in
„Het is niet 'ja' of 'nee'. Er zijn 360 verschillende soorten bijen, sommige zijn afhankelijk van de habitat, andere van het klimaat. Het is een beetje dezelfde discussie als bij roken. Is het slecht voor je? Ja. Ga je er direct dood aan? Nee. We krijgen nu meer aandacht voor subletale effecten; bijen gaan niet direct dood, maar ze worden minder productief, krijgen minder nakomelingen of raken gedesoriënteerd. Ctgb en EFSA kijken nu beter naar de gezondheid van de bij en proberen dat in regels vast te leggen.”
„Het gaat om een stuk bewustwording. Als je mensen vraagt of ze tegen gebruik van imidacloprid zijn, zeggen ze 'ja'. Maar hetzelfde spul zit ook in antivlooienmiddellen voor honden en katten, of in antiluismiddelen voor de tuin. Mensen zouden gewoon geen middelen meer in hun tuin moeten gebruiken, dat is beter voor ons en beter voor het milieu.”
„Iedereen vindt bijen leuk. Maar het gaat mij niet om de bij, het gaat om biodiversiteit. Een van de beste manieren om dat verhaal te vertellen is via de bij, niet via pissebedden of kakkerlakken. Daarbij hebben bijen en andere bestuivers een groot economisch belang. De helft van de bestuiving van onze gewassen gebeurt door bijen, een kwart daarvan door de honingbij en een kwart door de wilde bij. We proberen het verhaal te vertellen over gewassen en wilde planten. Zonder bijen geen koffie, appels of aardbeien.”
„Op zich is het heel duidelijk wat we kunnen doen voor bijen. Ze hebben B&B nodig, Bed and Breakfast. Dus voedselaanbod en nestplekken. Dat kunnen rommelhoekjes zijn, open plekken. Daarnaast kan er nog veel worden verbeterd in de inrichting van de stad. In plaats van een groot stuk met grassen inplanten, zoals voor het LUMC in Leiden, kun je beter bloeiende planten neerzetten die insecten aantrekken. Ook zie je dat er nog steeds water met steile oevers wordt aangelegd, terwijl iedereen weet dat glooiende oevers beter zijn voor flora en fauna. Landschapsbureaus lijken zich daar niet altijd van bewust.”
„Iedereen gooit dezelfde planten in de grond, vaak eenjarigen of één soort bloem. Daar valt nog veel te verbeteren. Ook worden vaak cultivars aangeplant, bijvoorbeeld kersenbomen met gevulde bloemen. Daar hebben insecten en vogels dus niets aan. Plant liever soorten aan zoals rozen waar rozenbottels aan groeien, dan hebben de vogels er ook wat aan.”
„We zijn nu bezig met het ontwikkelen van een systeem voor groenbeheerders, zodat die meteen kunnen zien welke plant het beste is voor de biodiversiteit. Dat verschilt per regio. Wat in Groningen werkt, kan in Maastricht niet werken. We willen een top tien maken van bijen, zodat je per gemeente kunt aangeven welke bijen ze krijgen bij goed beheer. Met ander maaibeheer en door geen insecticiden te gebruiken kun je al heel veel doen.”
„We willen graag dingen veranderen in het groenonderwijs. Zo willen we lectoren biodiversiteit aanstellen in het hoger onderwijs. Daarnaast zouden we graag met het mbo samenwerken. Ook bij groenprofessionals zit een kennisgat wat betreft biodiversiteit. Je moet bestui-
ving zien als input, en biodiversiteit als output. We willen kijken wat hoveniers nodig hebben om dit in de praktijk toe te passen.”
„Ik vind Operatie Steenbreek een geweldig initiatief, het is een kwestie van de lange adem om de tegels uit de tuin te krijgen. Maar ook Scharrelkids van de IVN is een goed initiatief. We moeten de jeugd erbij betrekken, ze leren zelf onderzoek te doen naar natuur in hun omgeving. We werken samen met diverse natuurorganisaties waarbij Naturalis de educatieve programma's maakt. De bij speelt daar een belangrijke rol in.”
„Bijenradar is een proef met aardbeienplatjes die we vorig jaar in Leiden zijn begonnen. Bij aardbeien kun je aan de vorm zien of ze goed zijn bestoven. Als je een mooi gevormde aardbei hebt, is deze goed bestoven. Heb je een exemplaar met deuken, dan is de bestuiving in je tuin wat minder. We willen dit via stadslandbouwnetwerken verder uitrollen over Nederland en ook scholen en volkstuinen erbij betrekken.”
„Binnen het Groene Cirkels-project werken we samen met diverse partijen, waaronder gemeenten, waterschappen, milieuorganisaties maar ook Heineken, om een bijenbeschermingsnetwerk op te bouwen. Dit werkt heel goed, beter dan als ik er een paper over schrijf. Het mooie is dat het enorm veel energie oplevert bij de betrokken partijen. Het gaat niet om financiële redenen, maar om de inspiratie van een mooie omgeving zonder gif en met meer bijen. Dat is heel erg tof.”
„Ik ben ervan overtuigd dat chemische middelen er op den duur grotendeels uit gaan en we andere oplossingen vinden voor onkruidbeheer en plaagbestrijding. Belangrijk is dat er kritisch wordt gekeken welke opties er zijn voor beheerders.”
<
e kunt iets leren over de bestuiver door naar de bloem te kijken’’, begint Nor„ bert Peeters als we een rondje door de Hortus botanicus van Leiden lopen. Hij wijst in een van de tropische kassen op de Thunbergia mysorenis, de Mysore-winde uit India, waarvan de roodgele bloemen langs lianen groeien. „In de kelk past precies een honingvogel, wanneer hij zijn snavel in de nectarbron steekt, plakt het stuifmeel op zijn kop. Vaak vormt de bloem een negatief van de bestuiver.” Van de Mysore-winde gaat de wandeling langs de reuzenaronskelk uit Sumatra die slechts eens in de paar jaar bloeit, maar dan wel een dusdanige lijkenlucht uitwasemt dat er honderden aasvliegen op af komen. „Zijn window of opportunity is beperkt.” De botanisch filosoof blijkt een spraakwaterval en zit boordevol plantaardige weetjes. Als hij is aangekomen in de orchideeënkas gaat hij pas echt los. Na Darwins baanbrekende werk On the Origin
of Species publiceert hij een boek over orchideeën. Daarin beschrijft hij vijfhonderd van de toenmalig bekende orchideeën en toont aan dat elke orchidee een unieke manier heeft ontwikkeld om kruisbestuiving te bewerkstelligen. „Voor hetzelfde doel zijn duizenden wegen naar Rome ontwikkeld.”
„Botanische filosofie gaat over de manier waarop we naar planten kijken en de verschuivingen daarin. De manier waarop planten aan je kunnen verschijnen, vertelt iets over jou en je omgeving. Neem bijvoorbeeld mos, enerzijds een miezerig plantje, anderzijds heeft mos een cruciale rol gespeeld in de toename
van zuurstof in onze atmosfeer. En kijk eens naar landbouwgewassen, wie heeft wie nu in zijn macht? De mens wordt als heer en meester gezien, maar is dat wel zo? Het verbouwen van die planten zorgt er immers voor dat we op één plek blijven. Die machtsverhouding is helemaal niet zo eenduidig. Je zou ook kunnen zeggen dat landbouwgewassen een van de succesvolste soorten op aarde zijn.’’
„Hij heeft aangetoond dat het geen tweederangs organismes zijn. Carolus Linnaeus toonde als eerste aan dat planten zich seksueel voortplanten via meeldraden en stampers. Dat was in zijn tijd al revolutionair omdat tuinieren een
Hoofdstuk twee uit Botanische revolutie draagt de titel ’Darwins bloemen en bijen – een plantaardig incesttaboe’. Peeters beschrijft hoe Darwin in zijn eigen woorden stark raving mad wordt als hij de vernuftige manier ontdekt waarop de grote kattenstaart, Lythrum salicaria, kruisbestuiving bewerktselligt. En dat terwijl de plant heel veel bloemen heeft en zelfbestuiving dus op de loer ligt. Darwin ontdekt echter dat de kattenstaart drie verschillende bloeivormen kent, het verschil zit hem in de lengte van de stampers en meeldraden, die zijn kort, middellang en lang. Die opbouw heeft gevolgen voor het transport van stuifmeel door de bezoekende hommels. Alleen het stuifmeel van een lange meeldraad bereikt die van een lange stamper, hetzelfde geldt voor de middellange en korte paren, die combinaties blijken het vruchtbaarst en brengen het meeste zaad voort. En laten die nu op twee verschillende planten aanwezig zijn. Voor meer bloemplanten demonstreert Darwin hoe zij op een ingenieuze manier zelfbestuiving voorkomen, hij laat daarmee zien dat de plantaardige wereld beschikt over een zogenoemd ’zedelijk inzicht’. Bestuivers zijn daarbij onontbeerlijk om het stuifmeel van de ene naar de andere plant te transporteren.
vrouwelijke aangelegenheid was. Bloemen stonden voor zuiverheid, planten werden gezien als mooie decorstukken slechts ter verhoging van het menselijke plezier, en Linnaeus maakte er nu iets vunzigs van. Hij ging er echter vanuit dat de planten zich voornamelijk zelf bestoven, terwijl Darwin nog een stapje verder ging door aan te tonen dat planten alles op alles zetten om kruisbestuiving te bewerkstelligen. Daarmee ontketende hij pas echt een revolutie. Planten werden gezien als primitieve organismes omdat ze – zo werd toen aangenomen – niet complex genoeg zijn, niet bewegen, geen waarneming hebben en zich niet seksueel voortplanten. Darwin ontdekte dat planten wel complex zijn, wel bewegen en waarnemen en wel seks hebben.’’
„Je zult inderdaad moeite moeten doen om insecten weg te houden uit je tuin. Zelfs als die helemaal is bestraat, en er groeit wat tussen de tegels, zul je al gauw insecten aantreffen. Desondanks is het goed dat er meer oog is voor de relatie tussen planten en hun bestuivers. Al zijn we overigens wel heel selectief voor welke bestuiver we oog hebben met een insectvriendelijke tuin.”
„Mieren, zweefvliegen, strontvliegen, wespen en motten zijn ook heel belangrijke bestuivers, maar een stuk minder aaibaar dan bijen, hommels en vlinders. Aan het begin van het seizoen klagen we over hoe het slecht het gaat met de honingbij, terwijl we aan het eind van het seizoen ons beklagen over de aanwezigheid van wespen, terwijl beiden belang-
rijke bestuivers zijn. Of neem vlinders en motten, er zijn meer motten dan vlinders die voor bestuiving zorgen. Voor ons mensen blijkt - logischerwijs - het stukje esthetiek ook heel belangrijk.”
„Ja, hoe we met onze tuin omgaan, zegt natuurlijk veel over hoe we met planten omgaan. Een keuze voor insectvriendelijk erkent dat de plant in zichzelf waarde heeft. Dat planten meer zijn dan versiering alleen. Het maakt ons ook bewust van onze afhankelijkheid van de natuur, van planten en hun bestuivers, zonder hen zouden de groente- en fruitschappen behoorlijk leeg zijn. Wij mensen zijn helemaal niet uitgerust om planten te bestuiven. We moeten echt niet denken dat wij duizenden jaren van evolutie kunnen aftroeven met een stuk technologie.” Het gesprek gaat vervolgens over de ’insectvriendelijke tuin’ die Darwin rondom zijn huis in het Britse Kent had aangelegd. Niet voor de sier, maar om de relatie tussen planten en hun bestuivers te kunnen onderzoeken. Ook weet de botanisch filosoof te vertellen dat Darwin veelvuldig kwekers bezocht om zo ’de evolutie versneld in actie te zien’. „Cultivars zijn natuurlijke variaties en het kruisen van soorten gebeurt in de natuur ook. Een beurs als Plantarium, waarop 130 nieuwe variëteiten worden gepresenteerd, had Darwin geweldig gevonden.” Biologen hebben wat Peeters betreft te veel aandacht voor de natuurlijke soorten, terwijl kwekers bij hun zoektocht naar nieuwigheden niet per se aandacht hebben voor bestuivers. „Die twee vakgroepen kunnen elkaar goed helpen, tussen hen zou daarom wel wat meer kruisbestuiving mogen plaatsvinden.” Met die woorden neemt de filosoof afscheid. Het maakt nieuwsgierig naar de rest van zijn boek over Darwins plantkundige ontdekkingen. Zo baarde hij ook opzien met zijn bevindingen over vleesetende planten en de vreemde technieken van klim- en slingerplanten. De ontdekking van de kruisbestuiving echter, noemt Darwin zijn grootste ontdekking. <
e tijd dat insecten door velen direct met een vliegenmepper of een spuitbus werden geassocieerd, is voorbij. Sinds de honingbij de knuffelstatus heeft verworven, zien we dat insecten niet alleen nuttig, maar zelfs noodzakelijk zijn. Naast de honingbij zijn de ongeveer 370 soorten wilde bijen en 300 soorten zweefvliegen belangrijke bestuivers voor de inheemse flora. Met bestuiving wordt de genetische variatie van een plantensoort geborgd en kan deze zich aanpassen aan nieuwe situaties. De flora wordt hierdoor weerbaarder. Maar niet alleen bestuivers doen nuttig werk. Veel larven en kevers spelen een rol in de omzetting van plantaardig materiaal. Ze maken ’afval’ weer beschikbaar voor andere dieren en planten. Op hun beurt zijn insecten een belangrijke voedselbron voor andere insecten, maar ook voor vogels en kleine zoogdieren.
Ieder insect kent verschillende ontwikkelstadia die allemaal een andere relatie hebben met de planten en de dieren waarmee zij samenleven. Vanuit het eitje ontwikkelt zich vaak eerst een larve (rupsen, ritnaalden en engerlingen).
Deze larven zijn een voedselbron voor veel andere insecten, of worden door sluipwespen en -vliegen gebruikt om eitjes in te leggen. Zo eet de larve van een gaasvlieg de eikenprocessierups. Loopkevers zijn vaak ’s nachts actief en eten veel wortelknagende larven zoals emelten en engerlingen. Veel insecten kennen na het larvestadium het popstadium, waaruit na de metamorfose het volwassen insect (imago) verschijnt. Ook in het popstadium en tijdens het leven als imago heeft elk insect weer andere vijanden. Daarom leggen ze vaak massaal eitjes. In een gevarieerde omgeving overheersen er geen soorten, omdat er voldoende predatoren aanwezig zijn. Anders gezegd,
bij een goed insectenbeheer is de kans op plagen klein.
Bij een plaag of bij overlast door insecten is het heel verleidelijk om naar een middel te grijpen om het probleem de kop in te drukken. In veel gevallen gaat het om een tijdelijk probleem waarvan de schade is te overzien en ook weer snel herstelt. Denk hierbij aan spinselmot. De kardinaalsmuts herstelt zich weer van de vraat en de mezen hebben ruimschoots voedsel voor hun jongen. Durf dit uit te leggen aan bewoners. Daarnaast zijn bijverschijnselen van chemische bestrijdingsmiddelen, al dan
niet biologisch afbreekbaar, voor het oog niet altijd waarneembaar en wordt de indruk gewekt dat ze ‘schoon’ zijn. Wanneer een mees echter zijn jongen voert met bespoten rupsen of met rupsen die bespoten planten hebben gegeten, dan kan dat leiden tot sterfte van de mezenjongen.
Om een bepaald insect te stimuleren, is het dus belangrijk om de juiste voorwaarden te scheppen voor ieder ontwikkelstadium. Het is niet nodig om van de pakweg 18.000 in ons land levende insectensoorten het lievelingsmenu en de voorkeuren voor schuil- en nestgele-
genheid te kennen. Wanneer we ons richten op de bij, dan richten we ons vaak op de bloei. Dat is een prima uitgangspunt voor insectenbeheer, want voordat een plant tot bloei komt is deze al voor veel bladmineerders, wortel- en stengelvreters van dienst geweest. Met bijvriendelijk (of vlindervriendelijk) beheer zit je dus al op de goede weg. Na de bloei zet een plant zaad. Bijna alle vruchten hebben weer intieme vrienden; de frambozenkever, de hazelnootboorder en de eikenboorder danken bijvoorbeeld hun naam aan de vrucht waarin zij hun eitjes leggen. In de holle stengels van kruidachtigen overwinteren veel insecten en de afgestorven delen van houtachtigen bieden een wieg voor houtboorders. Dit gaat natuurlijk oneindig door want de verlaten gangen van bijvoorbeeld een wilgenhoutrups zijn weer huisvesting voor poppen van vlinders. En zo heeft ook iedere houtsoort, ieder tak- of stamdikte en ieder rottingsstadium van een houtsoort weer andere gasten. Het versnipperen van snoeihout schakelt dus al een deel van de biodiversiteit uit. Dat betekent niet dat er nooit meer gesnipperd mag worden. Echter, het verwerken van grof dood hout, het maken van takkenrillen, náást het versnipperen, is al een flinke verbetering. Dat geldt ook voor het overstaan van bermen of andere grazige vegetaties. Kies plekken uit waar het kan en maai daar pas in het voorjaar of voer ’de winterbeurt’ voor delen van de tuin in het voorjaar uit.
Diversiteit is de sleutel voor insectenvriendelijk groenbeheer. Hiervoor zijn verschillende goede uitgangspunten te noemen die echter niet als dogma moeten worden gehanteerd, maar al naar gelang de situatie kunnen worden ingezet. Een grotere diversiteit in soorten zorgt in het (boom-)beheer voor risicospreiding bij de uitbraak van een ziekte of plaag. Dit is ook een belangrijke stap in het insectenbeheer, want meer diversiteit in
beplanting leidt tot meer diversiteit in insectenleven. Voor ontwerpers is dit soms even slikken, omdat gevreesd wordt dat het ten koste gaat van uniformiteit en herkenbaarheid van structuren. Met meerdere soorten kan dit echter ook worden bewerkstelligd door ritme en herhaling toe te passen. Dit geldt ook voor heesterbeplantingen en kruidachtigen. Door gebruik te maken van zaailingen in plaats van cultivars ontstaat een grotere genetische variatie. Voor insecten wordt hiermee het aanbod in nectar, jong blad et cetera meer gespreid. Hierbij gaat er een voorkeur uit naar het gebruik van inheems materiaal, liefst uit de eigen streek.
Afwisseling tussen bomen, heesters, kruidachtigen en water geeft een impuls aan het insectenleven. Op kleinere schaal kan de diversiteit vaak enorm worden vergroot door het beheer te faseren en door overgangen tussen beheertypen uit te buiten. Maai bijvoorbeeld de grens tussen bosplantsoen en speelveld extensief. Hier ontstaat vanzelf een bloemrijke rand. Ook het inzaaien van bloemenweides en akkerranden is een goede aanvulling op insectenbeheer. Wees alert op mogelijkheden om te variëren in beplanting en verschillende manieren en tijdstippen van beheer. Als je ook nog planten tot bloei laat komen en, waar dat acceptabel is, planten laat staan in de winter, komt dat de biodiversiteit nog meer ten goede. Een grotere biodiversiteit leidt tot een weerbaardere natuur, met ruimte voor predatoren om een eventuele plaag te onderdrukken. Zo is insectenbeheer niet alleen prettig voor de insecten, maar ook voor bewoners en beheerders. <
Organische meststoffen, bodemverbetering, boomverzorging, biologische gewasbescherming, bemonstering, advies & opleiding. GrasZรณ, BioBasis, BioBodem, Mosvrij gazonmix, RoBo Gazonmix, Sedummix, Bio Haag, , Agrimix, Vilt-remover, Quickgrow, beendermeel, bloedmeel, kieseriet, (maerl) kalk, Structuur-Actief, Hoveniers potgrond, Innogreen Air, Cito, zeewier, vloeibare organische meststoffen, aaltjes, lieveheersbeestjes, XenTari, basaltgruis, bentoniet, zeolite, bodemkundig onderzoek, bemestingsadvies, cursussen.
www.innogreen.nl / info@innogreen.nl / T0031(0)183-509796
Laten we eerlijk zijn, de afgelopen jaren was het een beetje behelpen met de economie. Dus de tuin kon voor veel mensen wel even wachten. Maar die tijden liggen gelukkig achter ons. Er wordt weer geïnvesteerd. In huis, maar vooral ook daarom heen. Kortom, het is weer tijd voor het echte werk. Tijd dus ook voor een echte bus: De Toyota PROACE. De meest functionele bedrijfsauto in zijn klasse. Zo beschikt hij over een laadvermogen tot 1.525 kg en 6,6 m3 en is hij leverbaar vanaf € 16.995,-. Daarbij is hij nog superzuinig ook. Met een verbruik vanaf slechts 5,1 l/100km. Bovendien krijgt u op dit betrouwbare werkpaard een garantie van 3 jaar, of tot 100.000 km. Genoeg reden om hem met eigen ogen te komen bewonderen in de showroom. U kunt ook direct een proefrit maken. De PROACE kan niet wachten!
Brandstofverbruik (EC 2015/45X) 5,1-5,9 L/100km (16,9-19,6 km/L); CO2 133-155 gr/km. Prijzen excl. BTW, BPM en excl. kosten rijklaar maken en recyclingbijdrage. Vraag naar de verkoopvoorwaarden of kijk op toyota.nl. Prijswijzigingen en drukfouten voorbehouden • Afgebeeld is de PROACE Worker 1.6 D-4D 115pk Professional t.w.v. € 23.695,- excl. BTW en BPM.
aste planten zijn belangrijk voor veel soorten wilde bijen, honingbijen en vlinders. Ze waren al populair in tuinen, maar de laatste decennia worden ze ook steeds meer toegepast in de openbare ruimte. Het zijn vaak dé blikvangers zowel in tuinen als in het stedelijk gebied en dragen substantieel bij aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Van veel vaste planten zijn er tientallen, soms zelfs honderden cultivars. Deze zijn niet per definitie allemaal geschikt als nectar- of stuifmeelleverancier. Zeker op gevuldbloemige planten valt vaak niets te vinden voor bijen en andere insecten. Doorgaans is het zo dat hoe dichter een
cultivar bij de oorspronkelijke botanische soort staat, hoe meer nectar en stuifmeel ze leveren. Er bestaan natuurlijk duizenden vaste planten waarop bijen kunnen vliegen (dit geldt zeker voor honingbijen en als het gaat om nectar), maar toch hebben ze duidelijke favorieten. Dat geldt niet alleen voor plantensoorten, maar ook voor individuele planten. Als een exemplaar van een bepaalde plant in een tuin al bezocht is door bijen, zullen ze er graag op terug komen. Zelfs als je ernaast een 'lekkerdere' plant zet, bestaat de kans dat ze deze links laten liggen en blijven vliegen op de plant waarop ze zijn ’ingevlogen’.
>
et tweemansbedrijf in het NoordHollandse Abbekerk kweekt op één hectare zo’n tweehonderd verschillende soorten inheemse wilde planten. Tijdens een bezoek in augustus gonst het er van de vlinders, hommels en bijen, maar ook puttertjes en patrijzen houden zich op tussen de bloeiende planten. Het bedrijf levert ruim dertig standaardmengsels. Vijf daarvan zijn speciaal samengesteld voor vlinders en bijen. Het verschil zit hem in de levensduur van de planten. Twee mengsels bestaan alleen uit één- en tweejarigen: bestemd voor snel resultaat op tijdelijk braakliggende plekken. In de andere zitten ook meerjarige planten voor een langdurige inrichting. Petra Hageman en Jos Groen van De Bolderik hebben de mengsels samengesteld op basis van informatie van de digitale bijenhelpdesk van Arie Koster en De Vlinderstichting. Ook is volgens Groen de publicatie Afwegingskader voor het gebruik van bloemenzaadmengsels ten bate van bestuivers en biodiversiteit van het Belgische INBO een heel goede bron (te raadplegen
op internet). De twee laten zich ook leiden door wat ze zelf zien tijdens het werken op hun kweekvelden. De vijf mengsels bestaan uit ruim twintig soorten van zowel nectarplanten als waardplanten voor vlinders en drachtplanten voor bijen. Naar wens van de klant kunnen de mengsels worden aangepast. Een belangrijk criterium bij het samenstellen van de mengsels voor De Bolderik is dat de planten veel verschillende bijen en vlinders aantrekken. ,,Hoe meer insecten, hoe beter. We kiezen daarom minder voor de soortspecifieke relaties’’, legt Hageman uit. ,,In principe trekken bijna alle wilde bloemen bijen en vlinders aan, maar er zijn natuurlijk wel soorten die ware lokkers zijn.’’ Marjolein, beemdkroon, betonie, kattenkruid, rolklaver, grote centaurie en knoopkruid bijvoorbeeld. Daarnaast worden de planten geselecteerd op een langdurige bloeitijd en zo met elkaar gecombineerd dat er van mei tot en met september veel bloeit. Voor vroege bloei zorgen bijvoorbeeld vergeet-mij-nietje, wede, pinksterbloem,
salvia en dotterbloem. Of het zaadmengsel uiteindelijk het beoogde resultaat zal hebben, valt of staat met een goede voorbereiding van de grond en vervolgens met het beheer ervan, benadrukken de twee. Zo is het handig om vóór het inzaaien een vals kiembed te creëren: het stuk grond te schonen van onkruid, het vervolgens een tijd braak laten liggen om de onkruidzaden die in de grond zitten te laten kiemen en die met een rotorkopeg weg te schoffelen. ,,Dit zou je een paar keer kunnen herhalen als veel zaad in de grond zit’’, zeg Groen. Daarnaast is gefaseerd, gedifferentieerd beheer onontbeerlijk. ,,Door plekgewijs te variëren met maaitijdstippen en zeker niet alles in één keer weg te maaien, creëer je een vegetatie waarin bijen en vlinders zich in alle fasen van hun levenscyclus thuis voelen.’’ Op de volgende pagina’s ziet u een reeks wilde inheemse planten die vlinders en bijen aantrekken, gefotografeerd in augustus 2016 op de kwekerij van De Bolderik. <
<
100% succesvolle aanplant Bodemverbeteraar
Bodemactivator
Terra- Actif
Terra- Fertiel
Optimaliseert de water- en luchthuishouding rondom de wortel Verbetert het organische stof gehalte
Stimuleert en activeert het bodemleven Op basis van schimmels, bacteriën en gisten Maakt de bodem beter bewerkbaar
Myco-Meststoffen Specifiek ontwikkelt voor: • hagen • bomen • heesters • zuurminnende planten
Een goede voedingstoestand van de bodem is noodzakelijk voor gezonde planten. Wij werken daarom uitsluitend met 100% organische meststoffen en bodemverbeteraars verrijkt met specifieke micro-organismen. De toegevoegde micro-organismen verbeteren de bodemstructuur, verhogen de weerstand en verbeteren de voedingen wateropname. Ze zorgen zo voor minder inboet en lagere kosten.
www.ecostyle.nl
n het vroege voorjaar zijn het behalve een enkele vroegbloeiende boom, struik of vaste plant vooral de vroegbloeiende bolgewassen die voor bijen en andere nuttige insecten voor het eerste verse voedsel zorgen. Vroeger waren het vooral krokussen en narcissen die in parken, bermen en plantsoenen toegepast werden. Tegenwoordig zie je steeds vaker mengsels van twee of meer verschillende soorten bolgewassen. De hoeveelheid nectar en stuifmeel verschilt per bolgewas en vaak ook per cultivar, waardoor de ene soort geschikter is als drachtplant dan de ander. Daarnaast hebben omgevingsfactoren als vocht en zonlicht invloed op de hoeveelheid nectar in een bloem. Zelfs gedurende de dag kan de hoeveelheid nectar in de bloem schommelen. Honingbijen verzamelen nectar om er – hun naam zegt het al - honing van te maken; een belangrijke voedselbron voor het bijenvolk. Tegelijkertijd verzamelen ze stuifmeel, dat eiwitten, vetten en vitamines bevat en bestemd is voor de larven. Vroeg in het voorjaar is veel stuifmeel en nectar nodig om een bijenvolk na de winter weer op te bouwen. Van wilde bijen komen in Nederland
zo’n 360 verschillende soorten voor. Ze leven solitair en verzamelen stuifmeel en nectar voor hun eigen brandstof en voor voeding van hun larven. Vlinders zijn niet geïnteresseerd in het stuifmeel. Hun larven (rupsen) leven van planten. Vlinders hebben een lange roltong waarmee ze kunnen snoepen van de nectar in bloemen waar bijen en hommels met hun kortere tong niet, of minder goed bij kunnen. De lengte van de eveneens uitrolbare hommeltong is bij iedere soort anders, wat de voorkeur voor specifieke plantensoorten per hommelsoort verklaart. Bijen en hommels vervoeren het stuifmeel in speciale korfjes op hun achterpootjes. Met het blote oog kan je de gekleurde stuifmeelklompjes goed zien. De kleur verschilt per plantensoort. Hommels kunnen wel twee uur achter elkaar stuifmeel verzamelen en daarbij meer dan de helft van hun lichaamsgewicht aan stuifmeel meedragen. Bijen en andere insecten hebben vanaf het moment dat ze gaan vliegen totdat de winter invalt voldoende variatie in stuifmeel en nectar nodig, van de vroegbloeiende voorjaarsbollen tot en met herfstasters en klimop in het najaar.
loeiende lanen met bomen, boomgaarden en grote velden heide of koolzaad zijn plekken waar iedereen wel eens bijenkasten heeft zien staan. Van die massa's bloemen kunnen bijen veel nectar en stuifmeel halen. Maar zodra de laan of het veld is uitgebloeid, stokt de aanvoer. In de stad bieden de gemengde plantsoenen en tuinen een veel gevarieerder, maar daardoor ook constanter aanbod. Door bij aanleg en herplant gericht te kiezen voor goede drachtplanten, kunnen we de kwaliteit van de stedelijke bijenweide nog aanzienlijk vergroten (zie kader). Naast goede bijenbomen, bloemrijke bermen, ingezaaide ’bijenmengsels’ en
kruidachtige beplantingen kunnen ook heesterbeplantingen in belangrijke mate bijdragen. Het is zeker niet zo dat elke struik die rijk bloeit goed is voor bijen: Forsythia bijvoorbeeld bloeit rijk, maar je zult er zelden bijen op zien. In dit artikel een aantal bekende en minder bekende heesters die met hun rijke bloei gegarandeerde bijenkampioenen zijn. Door de verschillende bloeitijden kun je er gericht ’gaten’ in de bijenweide mee vullen. De kleinere soorten zijn ook bijzonder geschikt voor toepassing in kleine tuinen, waar een van bijen en hommels gonzende struik een extra attractie is.
>
en bezoek aan kwekerij De Bolderik in augustus leverde dit mooie plaatje op. Een kleine vos doet zich tegoed aan de nectar van Succisa pratensis. Het is geen zeldzame vlinder, het gaat zelfs erg goed met hem. Hij heeft dan ook het geluk om de brandnetel als waardplant te gebruiken. En daar zijn er genoeg van in Nederland. Het maakt de schoonheid van de kleine vos er niet minder om met zijn fraaie zwartgefranjerde feloranje vleugels. De inheemse Succisa pratensis, de blauwe knoop, tref je daarentegen nog maar zelden in het wild aan. Hij staat niet voor niets op de Rode Lijst. Gelukkig wordt hij ook toegepast als tuinplant en zit hij in zaadmengsels voor het openbaar groen. Zowel voor vlinders, bijen, hommels als zweefvliegen is het een goede nectarplant. Ook fungeert hij als waardplant voor de moerasparelmoervlinder. Helaas is die sinds 1982 niet meer waargenomen in Nederland. Succisa is tweeslachtig: de bloemen hebben zowel mannelijke als vrouwelijke organen, maar in de tijd zijn die twee van elkaar gescheiden. Eerst steken de mannelijke meeldraden ver naar buiten zoals op de foto. Pas als alle bloemen van het bloemhoofdje hun stuifmeel verloren hebben, komt de vrouwelijke stijl tevoorschijn. Hiermee verzekert Succisa zich ervan dat hij door een soortgenoot bestoven wordt en niet door zichzelf. En voor die kruisbestuiving zorgen de bijen.
ientallen, soms honderden dode hommels liggen er ieder jaar in juli onder zilverlinden op straat. En ieder jaar is dat aanleiding voor berichten in de media en vooral plaatselijke kranten, als zou de nectar van deze lindesoort giftig zijn voor bijen. De werkelijke doodsoorzaak is voedselgebrek. Want hoewel Tilia tomentosa een zeer goede leverancier is van nectar en stuifmeel, is de productie niet toereikend voor de grote aantallen hommels en bijen die op de veelal solitair aangeplante zilverlinden afkomen. In plaats van zich te kunnen laven aan de nectar, sterven ze er massaal van honger en uitputting. Aanplant van meer zilverlinden is in dit geval vermoedelijk de meest adequate remedie om deze vorm van bijensterfte tegen te gaan.
De bijensterfte onder de zilverlinde toont dat het lang niet altijd goed gaat met bijen. Over het algemeen worden dan niet de hommels bedoeld, maar honingbijen. Want imkers trekken wereldwijd al jaren aan de bel over te veel sterfte in hun bijenvolken. Maar de achteruitgang grijpt veel breder om zich heen. Overal op de wereld gaan ook populaties achteruit van hommels, wilde solitair levende bijen en andere bloemenbestuivers als vlinders en zweefvliegen. Dat staat in een onder de vlag van de Verenigde Naties gepubliceerd rapport met een wereldwijde inventarisatie van de bestuivers van bloemen en cultuurgewassen. Koos Biesmeijer is een van de hoofdauteurs van dat rapport en wetenschappelijk directeur van Naturalis Biodiversity Center in Leiden. Hij stelt in een interview in het Volkskrant Zomermagazine van 16 juli dat 40% van de bijen, vlinders en zweefvliegen achteruit gaat. Met ’bijen’ bedoelt hij dan niet alleen honingbijen, maar ook hommels en solitair levende wilde bijen. In Nederland zijn dat een kleine 360 soorten, wereldwijd rekent men met ongeveer twintigduizend bestuivende bijensoorten. Die achteruitgang schrijft Biesmeijer vooral toe aan veranderend landschap. Schaalvergroting in de landbouw, meer monoculturen, meer bestrijdingsmid-
delen en betere technieken om onkruid te bestrijden. Anderzijds noemt hij dat driekwart van de voedselgewassen en 90% van de wilde planten in ieder geval deels afhankelijk zijn van bestuiving door dieren.
Vanwege die sluipende achteruitgang zijn veel bijensoorten, vlinders en zweefvliegen gebaat bij een zo groot mogelijke diversiteit van bloeiende planten. Het al genoemde voorbeeld van dode hommels
>
onder solitaire zilverlinden geeft aan dat er ook in de zomer voedselgebrek kan optreden. Want zo'n solitaire boom wordt zo intensief bezocht dat er nauwelijks iets te halen valt voor de vele hommels en bijen die op deze voedselbron afkomen. Voor de overlevingskansen van alle bloemenbestuivers is een zo continu mogelijk aanbod van nectar en stuifmeel
belangrijk, stellen ook de auteurs van het Alterra-rapport ’De betekenis van het openbaar groen voor bijen’. Nijpend kan voor bijen bijvoorbeeld de situatie in het vroege voorjaar en het najaar zijn als er weinig bloeit.
Zoals de titel van het Alterra-rapport al aangeeft, dient de aandacht voor aan-
plant van drachtplanten breder te gaan dan het landschap en de agrarische gebieden. Ook in tuinen, parken en plantsoenen, dus het stedelijk groen, liggen volop mogelijkheden om bijen van extra voedselbronnen te voorzien. Een bonte verscheidenheid aan planten, van kruidachtigen (bolgewassen, een-, tweejarigen en vaste planten) tot houtige gewassen (bomen en struiken), is hiertoe op inter-
net terug te vinden in lange lijsten met drachtplanten. Let wel, die lijsten zijn toegespitst op honingbijen en uitgesplitst tot op soortniveau. Voordeel van dit uitsplitsen is dat het bloeimoment per soort kan worden aangegeven. Met die informatie kan een doorlopend gedekte tafel voor zo veel mogelijk bestuivers worden samengesteld. Hierbij moet wel worden aangetekend dat bijen, wilde bijen en vlinders soms specifieke voorkeuren voor bepaalde planten vertonen. Uitbreiden van de lijsten met drachtplanten is zeker mogelijk. Plantengeslachten, waarvan al een aantal soorten is opgenomen, tellen vermoedelijk meer soorten die als drachtplant zijn aan te merken. Zo zijn praktisch alle soorten esdoorns, kersachtigen, wilgen en linden goede drachtplanten. Uitzonderingen hierop zijn soorten als Acer negundo (veder-esdoorn) en Salix babylonica var. pekinensis (kronkelwilg). Bijendeskundige Arie Koster heeft op deze soorten nog nooit bijen gezien.
Bomen worden doorgaans niet als eerste genoemd als ideale drachtplant. Toch verdienen bomen om meerdere redenen aandacht wanneer er voor bijen actie wordt ondernomen. Allereerst bieden de door imkers aanbevolen boomsoorten bloei, dus nectar en/of stuifmeel, van het zeer vroege voorjaar tot in de nazomer. De vroegste soorten wilgen en esdoorns beginnen al in de eerste maanden van het jaar te bloeien. Die vroege bloei is uitermate belangrijk voor het overleven van bijenvolken. Bovendien bezoeken bijen veelvuldig alle soorten wilgen om er nectar en stuifmeel te halen. De zwarte els en en hazelaar bloeien in dezelfde periode – vaak al in januari, afhankelijk van het weer – maar voor hun stuifmeel hebben bijen nauwelijks tot geen belangstelling. Na de wilgen en esdoorns volgen allerlei boomsoorten en ook struiken die door imkers worden gewaardeerd. Hekkensluiter onder de drachtbomen is de weinig toegepaste Kalopanax septemlobus – verwant aan Aralia elata. Hij groeit uit tot een boom van 8 m tot maximaal 10 m hoog. Zijn bloei begint veelal zo eind augustus en eindigt eind september of soms zelfs begin oktober. Een buitenbeentje tussen de drachtplanten is Prunus x subhirtella 'Autumnalis' met, zolang het niet vriest, bloemen van november tot in april.
Vervolgens vormen boomkronen een veel groter volume dan bijvoorbeeld kruidachtige vegetaties. Bomen bieden daardoor een overdaad aan bloeiwijzen, meer dan welke andere vegetatievorm ook. Dit gekoppeld aan hun aanzienlijk langere leven zijn bomen feitelijk de optimale leveranciers van nectar en stuifmeel. Ten slotte is ook voor de inrichting van
het stedelijk groen de grote verscheidenheid aan drachtbomen van groot belang. Die verscheidenheid levert een gevarieerde beplanting op. Dat uit zich niet alleen in de bloeitijd. Ook habitus en uiteindelijke afmetingen in hoogte en breedte variëren sterk en maken een beplanting afwisselend. >
<
Scharrenburgersteeg 14 6741 LT Lunteren
Tel. 0318-488161 Fax 0318-488166
info@veluweplant.nl www.veluweplant.nl
oveniers en ontwerpers kunnen door ontwerp, aanleg en onderhoud de basisvoorwaarden scheppen voor de vestiging van wilde bijen. In de meeste gebieden in ons land kunnen zo wel 20 tot 50 bijensoorten in tuinen voorkomen. Hoveniers kunnen bijvoorbeeld plantencombinaties ontwerpen die het hele vliegseizoen, van begin maart tot september, bijen voorzien van stuifmeel en nectar. De beste resultaten zijn te verwachten als je voedselplanten en nestgelegenheid biedt, en deze zo dicht mogelijk bij elkaar liggen. De maximale afstand hangt af van de soort bij en varieert van enkele tientallen meters tot een paar honderd meter. Nestgelegenheid en stuifmeelplanten hoeven overigens niet in dezelfde tuin aanwezig te zijn. Bijen kennen geen erfgrenzen, je kunt dus ook combinaties maken met tuinen in de buurt. Elders in deze special kun je vinden welke planten dienen als stuifmeelplanten en op de website www.bijenplanten.nl
staat een nog veel uitgebreider overzicht. Een combinatie van 10 tot 15 planten of meer vergroot de kans op succes enorm.
Op het gebied van onderhoud en beheer heeft de hovenier een belangrijke invloed op de geschiktheid van de tuin voor bijen. De hoofdpunten zijn: Gebruik geen chemische bestrijdingsmiddelen. Direct contact is dodelijk en ook indirect contact kan schadelijke gevolgen hebben voor bijen. Overigens mogen vanaf november 2017 sowieso geen bestrijdingsmiddelen meer worden ingezet in de tuin. Bied bijen de mogelijkheid in de grond te nestelen. De meeste wilde bijen nestelen in de grond, van enkele centimeters tot wel een halve meter diep. Grondbewerkingen zoals spitten verstoren de nesten. Schoffelen kan ook schadelijk zijn. Het beste is om onkruid zoveel mogelijk met de hand te wieden.
Met zand gevulde voegen tussen bestrating zijn ook een favoriete plek voor bijen om te nestelen. Voeg daarom niet de hele bestrating met voegmortel, maar vul in elk geval een klein deel ’gewoon’ met zand. Werk bij grotere onderhoudsbeurten gefaseerd. Houd ruimte over waar de bijen kunnen nestelen en foerageren. Wanneer je de hele tuin op de schop neemt, ben je in eerste instantie alle bijen kwijt en kun je weer opnieuw beginnen. Snoei bij de winter- of najaarsbeurt niet alles af: planten met holle stengels bieden nestgelegenheid aan wilde bijen. Als dat ongewenst is en de klant wil toch wilde bijen in de tuin, compenseer het dan met rietmatten (zorg wel dat de stengels nog open zijn en niet platgedrukt), andere holle stengels zoals bamboe of met een bijenhotel.
Wilde bijen zijn niet egaal over ons land
verspreid. Sommige soorten komen vrijwel overal in Nederland voor, andere soorten zijn beperkt tot een gedeelte van, of zelfs enkele locaties in het land. Ook de plek in het landschap heeft een enorme invloed op het aantal soorten bijen dat er kan voorkomen. Dat heeft te maken met barrières, vliegbereik en de bijvriendelijkheid van het landschap. De algemene tendens is dat in het centrale deel van een stad minder soorten wilde bijen voorkomen dan aan de stadsranden of de (groenere) stadsdelen die om het centrum heen liggen. Maar de leeftijd, de oppervlakte en de variatie van een tuin kunnen de geïsoleerde positie in de stad op den duur sterk bufferen. Dit is onder meer het geval in de Hortus Botanicus in Amsterdam die aan de rand van het oude stadscentrum ligt. Bijen komen hier talrijk voor. In de imposante achtertuinen in de grachtengordel van Amsterdam leven aanzienlijk minder wilde bijen dan in de open gemeenschappelijke binnentuinen van de Staatsliedenbuurt. Op het platteland maakt het veel uit of de tuin midden in een intensief landbouw- of veeteeltgebied ligt of in een meer bijenvriendelijke omgeving, met bijvoorbeeld bloemrijke greppels en bermen of in de buurt van bos of hei. Zowel in stedelijk als landelijk gebied kunnen hoveniers en ontwerpers een sleutelrol vervullen om de bijenstand
duurzaam te verbeteren of in stand te houden. Wat we kunnen regelen zijn de stuifmeel leverende planten en nestgelegenheid. Als deze combinatie er niet is, zullen de bijen in het gunstigste geval beperkt blijven tot dwaalgasten.
Daarnaast wordt het succes grotendeels bepaald door geografische en lokale landschappelijke factoren. Om geen verkeerde verwachtingen te wekken, is het verstandig als hoveniers en ontwerpers deze kennis met hun klanten delen. <
www.medigran.nl
AQUA XP waterdoorlatend voegen
Zwart
Voorkom onkruid
Basalt
Verbeterde formule Steengrijs
Goudgeel
AQUA XP
Naturel
• Verwerkbaar op natte stenen • Verbeterde formule • Optimale hechting • Sterk en duurzaam • Aantrekkelijk geprijsd
Normeco introduceert de nieuwe Aqua XP. Voegen zoals u gewend bent maar dan nóg beter. De verbeterde formule zorgt voor een 30-40% snellere droogtijd. Dit geeft een optimale hechting aan de bestrating. Aqua XP is verkrijgbaar in emmers van 12,5 kg of verpakking van 2,5 kg. De professionele hovenier werkt al jaren met kant-en-klare voegproducten. Een logische keuze want er kan met zowel zon als regen worden gevoegd. Hierdoor kan het project direct afgerond worden en is het terras eerder gebruiksklaar. Met Aqua XP kiest u voor een eenvoudige verwerking en een beter eindresultaat. Met als voordeel een zeer aantrekkelijke consumenten prijs en een ruime marge voor de vakman. Normeco gaat uw eerste project met Aqua XP ondersteunen door het u gratis aan te bieden. *Vraag naar de voorwaarden
Neem nu contact met ons op en profiteer van deze actie.
normeco ECOLOGIC SOLUTIONS
www.normeco.nl
+31 (0)6 45 60 56 29
Test nu Aqua XP en uw eerste project is gratis! * Niet tevreden, geld terug!
ijensoorten verschillen in vele opzichten van elkaar. In de manier waarop ze nestelen, hoe ze eruitzien, de manier waarop ze eten verzamelen, welke planten ze bezoeken en ook in de tijd van het jaar waarin ze vliegen. WannĂŠĂŠr bijen vliegen, hangt veelal samen met de planten waarop ze stuifmeel verzamelen. De vroege voorjaarsbijen vliegen vooral in maart en april, terwijl de klimopzijdebij vooral in september en oktober vliegt wanneer de bloeit.
Sociale bijen (honingbijen 1 soort, hommels 20 soorten) zijn bijen zoals we die allemaal kennen. Ze leven in een volk met een taakverdeling. Er is een koningin die eitjes legt, de overige bijen, werksters (vrouwelijke bijen), helpen mee met onder meer het bouwen van het nest en de broedcellen, en zorgen voor de voedselvoorziening. Zowel bij de solitaire als bij de sociale bijen zijn de mannetjes alleen betrokken bij de paring.
De meeste bijen echter zijn solitaire bijen. Solitaire zelfvoorzienende bijen (circa 240 soorten) maken hun eigen nest en zorgen voor hun eigen broed. Daarnaast zijn er circa 100 soorten parasitaire solitaire bijen die hun eieren in het nest van een andere bij leggen. Deze bijen worden ook wel koekoeksbijen genoemd. Er zijn ook 9 soorten parasitaire hommels in ons land. Het onderscheid tussen sociale en solitaire bijen is overigens niet scherp. Bij de groep groefbijen komen kenmer-
ken van solitaire bijen, maar ook sociale kenmerken voor. Met name de eusociale broedzorg, waarbij leden van de groep samenwerken bij het grootbrengen van de jongen.
Voor de ontwikkeling van ei tot bij is stuifmeel onmisbaar. Bijen hebben verschillende manieren ontwikkeld om dit kostbare goed te verzamelen. Het transport van stuifmeel gebeurt grotendeels via de verzamelharen aan de poten of aan de onderkant van het achterlijf of via de mond. De meeste bijen verzamelen en transporteren stuifmeel via de beharing op en bij de poten. Bij veel bijen zijn de haren vertakt, waardoor gemakkelijker stuifmeel kan worden verzameld. Deze verzamelharen bevinden zich aan en in de buurt van de achterpoten. Honingbijen en hommels hebben hiervoor aan de scheen van hun achterpoten een zogenaamd korfje om stuifmeel te verzamelen. Dat korfje bestaat uit een iets uitgeholde scheen met een glad, vaak glanzend oppervlak met daar omheen iets stijve haren. Bij pootverzamelaars komt het stuifmeel door beweging van de poten uiteindelijk terecht in de verzamelharen of de korfjes op de achterpoten. Metselbijen, behangersbijen en enkele andere bijengeslachten hebben de verzamelharen borstelvorming gegroepeerd aan de onderkant van hun achterlijf. Deze ’buikverzamelaars’ trillen met hun lichaam op een schuierende/borstelende wijze, zodat het stuifmeel wordt opgeslagen in de buikschuier. Als de bijen voldoende stuifmeel hebben verzameld, wordt dat naar het nest gebracht. Een derde groep bijen verzamelt stuifmeel met de mond. Mondverzamelaars missen de verzamelharen en verzamelen stuifmeel met hun mond dat vervolgens in hun krop wordt opgeslagen. Dat komt in Nederland alleen voor bij maskerbijen (25 soorten).
Het overgrote deel van de Nederlandse bijen vliegt op een groot aantal verschil-
lende plantensoorten om stuifmeel te verzamelen. De honingbij waarschijnlijk op enkele duizenden soorten (inclusief exoten). De meeste wilde bijen vliegen op tientallen tot meer dan honderd soorten. Een relatief klein gedeelte verzamelt stuifmeel op enkele soorten van één plantengenus of alleen op soorten van enkele plantenfamilies. Er zijn ongeveer 300 soorten polylectische bijen in Nederland, dat wil zeggen generalisten die niet gebonden zijn aan bepaalde planten. Deze vliegen vaak op tientallen soorten planten die in de omgeving voorkomen. Het grote voordeel hiervan is dat ze minder kwetsbaar zijn voor het verdwijnen van bepaalde planten en dat ze in allerlei habitats kunnen voorkomen. Darnaast zijn er oligolectische bijen ofwel specialisten (ruim 70 soorten) die op een beperkt aantal planten vliegt. Deze bijen zijn veel kwetsbaarder dan generalisten. Van deze groep zijn circa 25 soorten sterk gespecialiseerd. Ze vliegen in Nederland op soorten van één plantengenus of enkele soorten van een plantenfamilie. Deze bijen zijn in het algemeen zeer kwetsbaar. Stuifmeel verzamelen bijen als bron van eiwitten om hun jongen mee groot
te brengen. Ze verzamelen ook nectar als bron van energie. Als het om nectar gaat, zijn vrijwel alle Nederlandse bijen generalisten.
Het overgrote deel van de solitaire bijen (275 plus 70 parasitaire bijen) nestelt in de grond. Deze soorten zijn dan ook gebaat bij een onverstoorde bodem. Ze maken hun nest in open en zandige tot lemige bodem of tussen en onder stenen of bestrating. Ook open plekken tussen de begroeiing zijn hiervoor uitstekend geschikt. In de openbare ruimte vormen ook steilkantjes en taluds van bermen, greppels, holle wegen en dijken, en wortelkluiten van omgevallen bomen nestplaatsen voor deze groep. Inclusief zo’n 12 soorten parasitaire bijen, nestelen ruim 70 soorten boven de grond. Ze leggen hun eitjes in afgestorven holle stengels van onder meer riet en braam, in riet van rietdaken, in kevergangen, in dood hout van bomen, in afrasteringspaaltjes, in gaten en spleten in muren et cetera. Voor deze groep bijen worden bijenhotels gemaakt en deze bijen komen het meest in tuinen voor.
>
Je maakt het natuurlijk met Lageschaar!
BEZOEK ONZE STAND (NR. 4.6.03) OP DE
“DAG VAN DE OPENBARE RUIMTE”
INTRODUCTIE AFVALBAK 2017
28-29 SEPTEMBER JAARBEURS UTRECHT media
BINSYSTEM NEDERLAND • WWW.BINSYSTEM.NL
aal uitgebreid naar de aangeplante zomereiken in parken, lanen, begraafplaatsen en sportterreinen in Amsterdam.
e gemeente Amsterdam deed afgelopen jaar onderzoek naar vlinders en wilde bijen in de stad. Hieruit blijkt dat het goed gaat met deze insecten. Vlinderonderzoek uit de periode 19901998 is vergeleken met onderzoek uit de periode 2005-2015. Van de 26 standvlinders - soorten die zich in Amsterdam voortplanten - zijn sinds 1998 elf soorten stabiel gebleven en elf soorten zijn vooruit gegaan. Drie soorten zijn achteruit gegaan en één soort, de bruine eikenpage, is verdwenen. Ook de wilde bijen doen het goed: het aantal wilde bijen in Amsterdam is in 2015 met 45% toegenomen ten opzichte van 2000.
„Het is een optelsom van maatregelen waarvan de bijen en vlinders profiteren”, verklaart Geert Timmermans, ecoloog en projectleider groen & ruimtelijke ordening bij de gemeente. „Amsterdam was 40 à 50 jaar geleden zo goed als steriel als het gaat om insecten. In gazons waren wilde bloemen niet toegestaan, er was geen plaats voor rommelige hoekjes met brandnetels en distels en er werden ruimschoots chemische onkruidbestrijdingsmiddelen gebruikt. Nu is het beheer veel meer op insecten gericht. Er wordt meer en meer ecologisch beheerd: takken blijven liggen, bermen worden maar één keer gemaaid in plaats van tien keer per jaar, er worden inheemse wilde bloemen en struiken geplant en het gifgebruik in het openbaar groen is gestopt.” Volgens Timmermans laat het onderzoek naar bijen en vlinders zien dat het veranderde beleid zijn vruchten afwerpt. „We zien een voorzichtige opwaartse
trend. Veel vlindersoorten zijn stabiel gebleven of gaan vooruit.”
Het databestand waarmee het vlinderonderzoek is gedaan, bestaat uit verspreidingsgegevens die de gemeente Amsterdam zelf sinds 1992 verzamelt, aangevuld met particuliere waarnemingen via Waarneming.nl en Telmee.nl uit de Nationale Database Flora en Fauna. In Amsterdam tellen daarnaast ruim twintig vrijwilligers voor het Landelijk Meetnet Vlinders: zij lopen elke week een bepaalde ‘vlinderroute’ en noteren hoeveel ze van elke soort zien. De Vlinderstichting en het CBS gebruiken deze gegevens om wetenschappelijk onderbouwde uitspraken te kunnen doen over de veranderingen in de vlinderstand. In Amsterdam vliegen zo’n 35 verschillende vlindersoorten. Volgens het onderzoek van Timmermans doen niet alleen algemene soorten - de zogenoemde ’kroeglopers’ - het goed in de hoofdstad, ook enkele specialistische soorten zijn stabiel gebleven of vooruitgegaan, zoals icarusblauwtje, landkaartje en oranjetipje. Vooral park- en tuinvlinders zijn stabiel of gaan vooruit: de gehakkelde aurelia bijvoorbeeld is steeds vaker in Amsterdamse tuinen te vinden. Het boomblauwtje, dat op klimop vliegt, wordt veel vaker in binnentuinen gezien. Net als in andere steden neemt ook het bont zandoogje, van oorsprong een bosvlinder, in Amsterdam sterk toe. Werd deze soort in de jaren negentig slechts in 12 kilometerblokken waargenomen, tegenwoordig wordt de vlinder in 263 kilometerblokken gezien. Ook de eikenpage is aan het bos ontsnapt en heeft zijn are-
In de toekomst wil de gemeente nog veel meer plekken insectvriendelijk gaan beheren dan nu het geval is. In de Agenda Groen, die in september 2015 is vastgesteld, heeft de gemeente de ambitie uitgesproken om in 2018 de helft van het openbaar groen insectvriendelijk te beheren, nog afgezien van de ‘Amsterdamse Ecologische Structuur’ die in 2012 werd aangewezen als belangrijk voor dieren en planten en al ecologisch beheerd wordt. Een verminderde maai-intensiviteit en het behoud van rommelige hoekjes zijn voor bijen en vlinders van groot belang, volgens Timmermans. „Vlinders drinken nectar en rupsen zijn voor hun voedsel gebonden aan specifieke planten”, verklaart hij. „Landkaartjes hebben bijvoorbeeld de grote brandnetel
als waardplant. Voor veel vlinders is het van levensbelang dat de brandnetels niet overal worden weggehaald.”
Volgens Chris van Swaay van De Vlinderstichting is de toestand voor de vlinders in de stad de afgelopen decennia sterk verbeterd. Boerenlandvlinders doen het in steden tegenwoordig zelfs beter dan in het agrarisch gebied. Van Swaay: „Graslandvlinders zoals kleine vos, bruin zandoogje of hooibeestje hebben op het intensief beheerde boerenland weinig te zoeken. Op het platteland moeten ze het hebben van de planten in bermen, maar die lijden onder het gif dat gespoten wordt en de bemesting van het boerenland. In steden wordt meestal geen gif gebruikt. Vandaar dat de boerenlandvlinders de stad als toevluchtsoord zijn gaan gebruiken.” In het algemeen gaat het slecht met de meeste soorten vlinders in Nederland. De afgelopen 50 jaar zijn
er 17 soorten verdwenen. 30 van de 53 dagvlinders die in Nederland voorkomen staan op de Rode Lijst met bedreigde diersoorten. Tuinvlinders zoals atalanta, dagpauwoog, koolwitje en distelvlinder zijn sinds de tellingen van 1990 stabiel gebleven, zowel in steden als in de rest van Nederland.
Uit onderzoek van Van Swaay blijkt dat vlinders vooral stabiel blijven in openbaar groen dat ecologisch beheerd wordt, terwijl op gangbaar beheerde stukken een negatieve trend te zien is. Ook uit het Amsterdamse onderzoek blijkt dat vlinders in de gebieden die ecologische beheerd worden min of meer stabiel zijn of vooruit gaan, terwijl ze in traditioneel beheerde gebieden afnemen. Het specifieke verbod op Roundup op verharding van dit voorjaar zal volgens Van Swaay geen duidelijke verschuivingen teweeg brengen. „Plantjes tussen
de stoeptegels bieden vlinders weinig voortplantingsmogelijkheden. Het gaat meer om het algehele complex aan maatregelen waardoor de situatie in de stad is verbeterd voor vlinders.” Wetenschappelijk onderzoek naar het effect van het gebruik van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen op het voorkomen van vlinders is volgens van Van Swaay nooit gedaan. „Maar mijn gevoel zegt dat er haast wel effect moet zijn.” <
talanta, dagpauwoog, gehakkelde aurelia, landkaartje en kleine vos kun je in allerlei groen zien vliegen. Het zijn vlinders die veel mensen (her) kennen en die je best vaak tegenkomt in tuinen. Geen wonder, want deze vlinders hebben alle de brandnetel als hun waardplant, weet Wankja Ferguson, ecologisch hovenier en tuinontwerper. Waardplanten zijn de planten die als voedsel dienen voor de rups. Brandnetels groeien zo’n beetje overal, want ze gedijen op stikstof. En daar is tegenwoordig geen gebrek aan. Dus ben je één van vijf bovengenoemde vlinders, dan heb je geen probleem want overal kun je een brandnetel vinden om je eitjes op kwijt te kunnen. En je rupsenkinders te laten eten en tot vlinder te laten opgroeien. Een kleine vuurvlinder of icarusblauwtje daarentegen heeft het moeilijk. De eerste wil nou eenmaal per se schapen- of veldzuring en het icarusblauwtje legt zijn eitjes bijvoorbeeld op rolklaver. Heel andere waardplanten dus dan de
overvloedige brandnetel. Zowel zuring als rolklavers zijn er te weinig of op het verkeerde moment. Let wel, we hebben het hier niet over voor Nederland bijzondere vlindersoorten, maar over vlinders die van nature veel voorkomen in ons land. Door het ontbreken van de juiste waardplanten op het juiste moment hebben zij het tóch steeds moeilijker. Nectar vinden is het probleem niet. Ferguson: „Men realiseert zich vaak niet dat vlinders eigenlijk niet kieskeurig zijn wat nectar betreft. Maar in de waardplanten zullen ze niet afwijken, daar komt het er echt op aan.’’ Een mooie taak dus voor de groenprofessional: die kan door de juiste soorten te planten hele reeksen van vlinders helpen die het nu moeilijk hebben. En met goed gefaseerd maai- en snoeibeheer kun je nog meer bereiken. Moeilijk is dat niet: „Als je je enigszins verdiept in waardplanten en in de overwinteringswijzen van vlinders kom je al heel ver.’’ Als het aan Ferguson ligt, gaat kennis
van insect-plantrelaties standaard onderdeel uitmaken van elke hoveniersopleiding. In de natuur hangt immers alles met elkaar samen, en dat is juist voor de hovenier belangrijk om te beseffen en uit te dragen. Zo worden jonge vogels groot op eiwitrijk voedsel. Ferguson: „Voor één koolmezennestje zijn al zo’n 8.000 tot 10.000 rupsen nodig.”
Enthousiast geworden? Hieronder enkele waardplantentips: Plant ’stinzenviolen’ ofwel de vaste, met name bosviooltje, hondsviooltje en maarts viooltje. Ze zijn waardplant voor de keizersmantel, een zeldzame parelmoervlinder die wel wat stimulans kan gebruiken. Let op: poot de viooltjes vooral onder een boom of struik. De keizersmantel zet de eitjes namelijk af op een boomstam of struikstammetje. Het rupsje komt uit, en overwintert zonder eten op de stam. Pas in het voorjaar trekt hij de onder de boom of struik staande viooltjes in. Behoud pinksterbloem, look zonder look, judaspenning en damastbloem. Laat al deze planten zoveel mogelijk staan in de tuin en openbare ruimte. Het oranjetipje gebruikt ze als waardplant. Maai niet te vroeg, want de rups eet de hauwtjes ofwel vruchtjes van de plant. De plant moet dus helemaal kunnen afrijpen. Combineer deze soorten met struiken in de nabijheid. Immers, de volgroeide rups verhuist naar een struik om te verpoppen en aldaar te overwinteren. Snoei dus ook struiken gefaseerd, zorg dat er stukken blijven staan. Pas gewone en/of moerasrolklaver toe en maai in het openbaar groen om bloeiende rolklavers heen. Dit geldt ook voor kleine klaver en hopklaver. Het icarusblauwtje is afhankelijk van onder ander de rolklaver en ook de sint-jans>
vlinder zet er haar eitjes op af. De icarusblauwtje-rupsen mineren in het blad: bij maaien gaat de rups onherroepelijk verloren omdat hij tussen de bladlaagjes in zit. Rolklavers zijn ook een feest voor wilde bijen, die er graag nectar en stuifmeel halen. Promoot rolklavers ook in de particuliere tuin. Deze prachtige plant kan zich prima tussen andere soorten in de border doorvlechten, zonder hinder te veroorzaken. Plant schapen- en veldzuring of laat ze staan in het openbaar groen. De kleine vuurvlinder zet er haar eitjes op af. Doe dit ook in de particuliere tuin en beschouw ze niet als onkruid. Een klein hoekje heeft al zin. Zeker veldzuring past prima in een eetbareplanten-border. Maai eromheen of maai gefaseerd, in delen. Leg de waarde van zuring uit aan eventueel klagende inwoners. Koester het gras in de openbare ruimte. Gras van zekere lengte is van onschatbare waarde voor een hele range aan vlinders, de zogenoemde graslandvlinders. Allerlei grassen, zelfs lang gazongras, zijn waardplant voor groot dikkopje, bruinzandoogje, bont zandoogje, hooibeestje, argusvlinder, zwartsprietdikkopje en geelsprietdikkopje. Deze vlinders zetten alle relatief laat hun eitjes af, vaak in en ná juni, als de grote
maaibeurten beginnen. Een van de oorzaken dat het zo slecht gaat met deze vlinders, is dat er te veel en te intensief gemaaid wordt. Zwart- en geelsprietdikkopjes bijvoorbeeld zetten hun eitjes pas af op grassen van 15 cm en hoger. Maai gefaseerd, en maai de overgelaten delen niet alsnog in september, want dan zit de rups er nog. Laat grassen een jaar staan.
Ook wilde bijen en hommels kun je met gemak een handje helpen. Behalve de
honingbij, zijn er nog een kleine 360 andere bijensoorten bekend in ons land, inclusief hommels want die behoren ook tot de wilde bijen. Honingbijen en de meeste hommelsoorten zijn sociaal: ze wonen met een volk in één nest, hebben één koningin, werksters en darren. Vliegen doen ze van februari tot minimaal november. Wankja Ferguson: „Vrijwel alle andere bijensoorten leven solitair; elk vrouwtje is een koningin en maakt een eigen rijtje met celletjes. Ze kennen geen werksters, er zijn wel mannetjes.’’ Deze solitaire bijen zijn er elk slechts een korte periode in het jaar, sommige in het vroege voorjaar, andere in de voorzomer, weer andere in de nazomer. Bijen hebben stuifmeel nodig voor hun larven. Nakomelingen van alle bijensoorten, ook de honingbij, worden grootgebracht op stuifmeel. Hooguit met wat nectar vermengd om het tot een smeuïg hapje te maken. De nectar, die bijen en hommels uit bloemen halen dient puur als brandstof: om te kunnen vliegen. Net als bij vlinders. De specifieke planten waar solitaire bijen van afhankelijk zijn om stuifmeel te vergaren, heten drachtplanten. Sommige wilde bijen zijn afhankelijk van één plantenfamilie of soms zelfs van één en-
kele soort voor het benodigde stuifmeel. Dat noem je oligolectisch. Honingbij en hommels zijn polylectisch: zij zijn niet selectief, en kunnen stuifmeel van allerlei verschillende planten afhalen. Bij een groot deel van de bijen luistert het dus heel nauw qua planten. Veel bijen hebben het moeilijk om te overleven, terwijl ze zo belangrijk zijn. Zoals Ferguson zegt: „Alles wat vrucht draagt, daar is een bestuiving aan vooraf gegaan. En bij zaad net zo.’’ En lang niet alle planten kunnen door honingbijen bestoven worden: zo zijn hommels essentieel voor onder meer tomaat en bestuiven metselbijen fruit zeer effectief. Bovendien, bijen en planten vormen samen een systeem: door bestuiving krijgt het DNA van planten kans om te evolueren. Er kunnen kleine genetische veranderingen ontstaan, waardoor planten bijvoorbeeld beter met klimaatsverandering kunnen omgaan. Alle reden dus om ook de wilde bijen van dienst te zijn met geschikt sortiment.
Hieronder wat voorbeelden van drachtplanten: Geef gele composieten een kans, havikskruiden, bitterkruid en leeuwentanden. Of cichorei, ook een composiet. Deze zijn favoriet bij de pluimvoetbij, die van juni tot zeker eind augustus vliegt. Deze bij is de absolute winnaar in het
meeste stuifmeel per vruchtje verzamelen. Ze torst het mee in/aan haar enorm harige pluimvoeten. Solitarie bijen nestelen vanaf 20 cm diepte en dieper, dus met een extra dikke zandlaag onder de bestrating help je de pluimvoetbij ook. Evenals met een oude zandbak, onverharde paadjes en een steilrandje op het zuiden. Pas Rosa toe en knies niet over een knipje her en der! Allerlei bladsnijders zijn er mee in hun sas. Denk aan tuinbladsnijder en grote bladsnijder. Ze snijden behendig kleine stukjes uit de rozenbladeren. Typerend voor bladsnijders is dat ze hun eitjes in blad inpakken, vandaar hun acties. Ovale knipsels duiden op ’inpakwerk’, ronde uitsnijdingen zijn voor de tussenwandjes van de broedcellen. Bladsnijders verzamelen stuifmeel met hun harige buik en hebben daarom een voorkeur voor bloemen met platte hoofdjes, zoals heelblaadjes, inula's en gele kamille. Zet Campanula in tuinen. Vooral C. trachelium, het ruig klokje, en ook het grasklokje C. rotundifolia zijn gunstig voor alle klokjesbijen. De larven van de grote klokjesbij, kleine klokjesbij en klokjesdikpoot zijn volledig afhankelijk van klokjes voor het benodigde stuifmeel. De bijtjes gebruiken de klokjes ook als paraplu tegen de regen en slapen er ook vaak in. Knip Campanula niet af, ook niet voor een langere bloei, want juist als het klokje bloeit, vliegen de klokjesbijen erop.
Plant hartgespan en prikneus. De grote wolbij heeft grote behoefte aan de haren van deze en andere planten: ze verzamelt ze om haar eitjes mee in te pakken. Ze kaardt de haren als een bolletje wol om het eitje. Stuifmeel verzamelt ze vaak van allerlei lipbloemigen, zoals bos- en moerasandoorn, betonie en vele anderen. Ook muizenoor en oranje havikskruid zijn waardevol. De grote wolbij onttrekt stoffen aan deze planten om de haren mee te impregneren tegen schimmels. Zo geeft zij haar broed optimale kansen om gezond op te groeien. Geef de grote wederik, bos- en moeraswederik een plaats op vochtige grond, langs vijvers en sloten. De prachtige slobkousbij heeft deze planten nodig om te overleven. Grote wederik, bos- en moeraswederik hebben de slobkousbij trouwens net zo hard nodig als zij hen nodig heeft. Deze planten bieden namelijk een eigenaardig mengsel van olie en stuifmeel, en de slobkousbij is de enige die daar raad mee weet. En dus ook de enige, die deze planten kan bestuiven. <
3DTUIN Designer
DE NIEUWE STANDAARD IN REGISTREREN
'
Maak de tuindroom
systems
van uw klant werkelijkheid!
URENBRIEF
HET NIEUWE DIGITALE URENBRIEFJE !
✔
Verhoogt het verkoopresultaat met minimaal 50%
✔ ✔
www.timin.eu info@timin.eu
Geen CAD ervaring nodig Laat de klant wandelen in uw 3D ontwerp
STAMGEGEVENS
TE DOEN KLANTEN
www.buiterbeton.nl www.3dtuindesigner.nl
FACTUUR MEDEWERKER
VCA Europese Richtlijnen
Daktuincentrum
7
CE-markering
Wat is de betekenis van de CE-markering? • CE-markering op een product aangebracht, betekent dat men er vanuit mag gaan, dat het product (bijv. arbeidsmiddel, machines, PBM, …) CE Conform Europese veiligheidsrichtlijn, sinds 1995
op veiligheidsvlak voldoet aan de betreffende Europese Richtlijn Hoe is de CE-markering te herkennen? • Aan het CE-logo
Eisen machines en gereedschap
• Verkoop drainagematerialen • Daktuinsubstraat Terra Top in 30 liter zakken • Kwekerij sedumpluggen XL • Afhalen sedummatten • Dakgrind en daktegels
Aan welke eisen moeten machines en aangedreven gereedschap in het algemeen voldoen? • Na 1995 voorzien zijn van een CE-markering • Een gebruiks- en onderhoudsvoorschrift, in de taal van het land, waar de machine of het gereedschap gebruikt wordt Bewegende delen moeten afgeschermd zijn • Bijvoorbeeld de gele tussenasbescherming bij een trekker of de oranje beschermkap van de bosmaaier
Alles is op voorraad!
www.tfi.nl
• Groeiplaatsverbetering • Opheffen bodemverdichting • Insecten- en plaagbestrijding • Vermindering wortelopdruk
1e Mientlaan 11, 2223 LG Katwijk T: 071 3646111 E: info@ugbv.nl
• De werkgever verzorgt de periodieke keuring • Geldigheidsduur met sticker of kleurcodering. Tot wanneer is de keuring van deze oranje machine geldig? Periodieke keuring met geldigheidsduur ( tot april 2016 )
• Geschikt voor het uit te voeren werk • In goede staat zijn Door dagelijks onderhoud van de werknemer
Dagelijkse controle door werknemer van de gele afscherming van de tussenas: beveiliging draaiende delen
www.degroenepraktijk.nl Pas op, gevaar: draaiende delen!
foto lesboek + 1 dag cursus + CBT examen + incompany
€ 199
v.a.
excl. btw
,= * p.p.
www.degroenepraktijk.nl www.de www.degroene groenepraktijk.nl praktijk.nl
*bel voor info
& voorwaarden:
0651 126 942
ntwerp O Academie
Advies | Onderzoek | Beleid | Beheer Detachering | Vergunningsaanvraag
Stedelijk groen | Landschap Flora | Fauna | Bomen Van Pallandtlaan 10 | 6998 AW | Laag-Keppel Tel 0314-642221 | info@foreestgroenconsult.nl
www.foreestgroenconsult.nl
ECOLAT ECOPIC kunststof randafwerking
voor vijver/border/tuinpad
verdeler Nederland www.stabu.com kunststof en techniek voor groen - infra 0499-575715
Tel. Web. E-mail
0229-279840 www.medigran.nl info@medigran.nl
zaden van inheemse planten en kruidenmengsels
en W
â–
e
et hooibeestje, bruin zandoogje en de kleine vuurvlinder; het zijn drie van de dertien graslandvlinders die Nederland rijk is. Qua aandacht en weerbaarheid vallen ze tussen wal en schip. Het zijn vrij algemeen voorkomende soorten, maar wel kwetsbaarder dan tuinvlinders, zoals de dagpauwoog, atalanta en de koolwitjes die overal volop aanwezig zijn. Aan de andere kant zijn ze weerbaarder dan de zeldzame vlinders die gebonden zijn aan een specifieke plek in de natuur, zoals het pimpernelblauwtje ten zuiden van Den Bosch en de kleine heivlinder in het Kootwijkerzand. Voor die laatste groep hebben natuurorganisaties veel aandacht, en soms wordt alles op alles gezet om de vlinderpopulatie te behouden. Graslandvlinders hebben het de laatste vijftig jaar echter ook steeds moeilijker gekregen, doordat de inrichting van het platteland drastisch is veranderd. Een
dramatisch voorbeeld is de argusvlinder: in de laatste 25 jaar verdween 98% van de populatie. Door de schaalvergroting zijn de akkers veel monotoner geworden, met minder bloemen, en daarnaast worden er veel meer bestrijdingsmiddelen gebruikt. Volgens Gerdien Bos, projectleider bij De Vlinderstichting, zijn de boerenlandvlinders (zoals de graslandvlinders ook wel worden genoemd) daarmee hun plek kwijt en zoekende naar een nieuw thuis. ,,Er moet nu wat gebeuren om het tij te keren.’’ Om deze specifieke groep vlinders een handje te helpen bedacht De Vlinderstichting in 2013 samen met de Nederlandse Bijenhoudersvereniging het concept van de vlinderidylles: een locatie van minimaal 0,5 tot 1 ha wordt met behulp van omwonenden, lokale natuurwerkgroepen, gemeenten of boeren ingezaaid met een bloemenmengsel dat veel (grasland)vlinders en bijen aantrekt.
Van de Nationale Postcodeloterij ontvingen de organisaties een geldbedrag voor de realisatie van de idylles. Inmiddels zijn er, drie jaar later, 54 gerealiseerd, waarvan er dit najaar nog vijf worden ingezaaid. Dan is het geld van de Postcodeloterij op. De Vlinderstichting zal daarna nog wel advies geven over de inrichting van een idylle, maar de aanleg komt dan geheel voor rekening van diegene die er eentje wil realiseren.
Als het aan het aantal aanmeldingen had gelegen, dan hadden er al veel meer idylles kunnen zijn. Jaarlijks kreeg De Vlinderstichting de afgelopen drie jaar ruim honderd aanmeldingen binnen. Aan enthousiasme zeker geen gebrek. ,,Maar daardoor konden we ook streng selecteren’’, legt Bos uit. Niet alle locaties zijn namelijk even geschikt. De Vlinderstichting stelde niet alleen een minimale grootte als voorwaarde, maar bijvoorbeeld ook dat de locatie openbaar toegankelijk zou zijn. ,,De idylles zijn bedoeld voor vlinders, bijen én mensen. We wilden niet alleen iets goeds doen voor de natuur, ook het communicatiedeel was heel belangrijk.’’ Daarmee vielen zeer afgelegen locaties direct af. Daarnaast moesten er behalve diegene die de plek aanmeldde ook andere personen (buurtbewoners bijvoorbeeld) en organisaties bij betrokken zijn, zoals de gemeente, de regionale IVN of een imkersvereniging. Eén vast contactpersoon was daarbij onontbeerlijk. Het liefst wilde De Vlinderstichting ook dat de idylle minimaal vijf jaar zou kunnen blijven bestaan. Hierop heeft ze echter in een aantal gevallen een uitzondering gemaakt. ,,Omdat we ook tijdelijke natuur willen promoten, want dat is nog altijd beter dan de grond braak laten liggen.’’ Daardoor kan het dat 2 van de 54 idylles alweer zijn bebouwd.
Na een eerste selectie op papier volgde ook een check op locatie. Soms werd de plek dan alsnog afgekeurd omdat die te afgelegen lag, te vergrast was (met kweek of heermoes waarbij spuiten de enige afdoende optie leek en De Vlinderstichting wilde onder geen beding bestrijdingsmiddelen gebruiken) of omdat er te weinig mensen bij waren betrokken. Bij het bezoek op locatie inventariseerde De Vlinderstichting ook meteen de conditie van de grond: is het zand of klei, bemest of schraal? Wat is er nodig om de idylle aan te leggen, moet bijvoorbeeld de toplaag worden afgegraven om daarmee een deel van de zadenbank weg te halen? En – heel belangrijk – wie gaat wat betalen? ,,Als een gemeente bijvoorbeeld het grondwerk voor haar rekening wilde nemen, dan hoefden wij alleen het zaadmengsel te financieren waardoor we meer geld overhielden om nog meer idylles aan te leggen.’’
De zaden betrok De Vlinderstichting van leveranciers als de Cruydt-Hoeck, Biodivers of De Bolderik. Bloei van begin voor-
jaar tot laat in het najaar was een belangrijke eis. Behalve goede nectarplanten als margriet, muskuskaasjeskruid, wilde peen en biggenkruid zaten in het mengsel ook altijd een aantal waardplanten. Schapenzuring bijvoorbeeld voor de kleine vuurvlinder, rolklaver voor het icarusblauwtje of pinksterbloem voor het oranjetipje. Wat daarnaast ook een belangrijke eis was van de stichting: dat de toegepaste soorten niet alleen inheems zijn, maar ook dat de zaden afkomstig zijn uit Nederland. ,,De idylles zijn immers bestemd voor inheemse vlinders en wilde bijen’’, legt Bos uit. ,,Die zijn gespecialiseerd in inheemse plantensoorten.’’ De locaties waar de idylles zijn aangelegd zijn zeer verschillend. Qua grootte variëren ze van enkele hectares, bijvoorbeeld die in het Zeeuwse Kwadendamme, tot slechts enkele tientallen vierkante meters zoals de idylle in Veenendaal (soms is een uitzondering gemaakt op de minimale grootte). Sommige idylles liggen in het buitengebied, alhoewel nooit ver van de bebouwde kom, zoals de idylle in Natuurbelevingstuin De Bult in Nieuwe Wetering (foto pagina 66). Andere zijn aangelegd in een stedelijke omge>
ving zoals de idylle op een voormalig sportveld in een woonwijk in Brielle (foto pagina 64) of de idylle in de Puccinihof in Tilburg. ,,Bloemrijke plekken in de stad kunnen voor graslandvlinders goed fungeren als stapstenen’’, zegt Bos. ,,Ze stellen echter wel meer eisen dan tuinvlinders, bijvoorbeeld aan beschutting. Atalanta’s en dagpauwogen kun je ook op je bloemrijke balkon aantreffen, maar graslandvlinders zeer zeker niet.’’ Qua beheer adviseert De Vlinderstichting om – afhankelijk van de voedselrijkheid van de grond – een à twee keer per jaar te maaien, en het maaisel af te voeren. Uiteraard moeten er ook delen van de vegetatie blijven staan, zodat er genoeg schuilmogelijkheid overblijft voor de insecten. Meestal gebeurt het beheer door de gemeente (als die eigenaar van de grond is), soms ook door een agrariër of vrijwilligers.
Of de idylles ook daadwerkelijk de populatie van graslandvlinders ten goede komen, daar heeft De Vlinderstichting nog
geen harde bewijzen van. Sowieso zijn de idylles daarvoor nog te jong. ,,Waar bloemen zijn, zijn graslandvlinders. Het gaat erom of de vlinders zich ook gaan voortplanten in de idylles en daar kun je pas over jaren wat over zeggen’’, legt Bos uit. Voor de monitoring zijn wel in een aantal grotere idylles routes uitgezet van het Landelijk Meetnet Vlinders waarin De Vlinderstichting samenwerkt met het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek). Langs deze routes worden gedurende het hele seizoen het aantal en de soorten vlinders geteld door vrijwilligers. De wilde bijen zullen in twaalf idylles worden geïnventariseerd door een bijenexpert van De Vlinderstichting. Dat het geld van de Postcodeloterij is besteed, betekent geenszins dat De Vlinderstichting stopt met de vlinderidylles. Zij blijft gemeenten, organisaties en personen adviseren wanneer die een idylle willen aanleggen. ,,Alleen bezoek op locatie, het klaarmaken van de grond en de aanschaf van zaadmengels, daar hebben wij de middelen niet meer voor.’’ Ook wil de stichting de opgedane kennis over de aanleg en het beheer van idylles
verder verspreiden. Zo organiseert zij op 26 oktober in Ede een symposium over idylles (zie kader) onder het motto ’elke gemeente een idylle’. ,,Er zijn nu ruim vijftig idylles aangelegd en we hebben zo’n 390 gemeenten, er is dus nog wel werk aan de winkel.’’ <
Meclean introduceert de WSmini. Een kleine warm-water onkruidbestrijder voor €3.498. Door zijn lage gewicht en kleine omvang is de machine ideaal voor kleinere tuinen en moeilijk bereikbare plaatsen. Ook is de machine te gebruiken in combinatie met de spuitbalk op wielen (50 cm). Door het
hoge waterdebiet (8 l) en de juiste werksnelheid (2-3 km/ uur) kan er een oppervlakte tot 1.500 m² behandeld worden. Door de hogedruklans aan te brengen op het pistool schakelt de machine over naar een hogedrukstand om vlonders, tuinmuren, tuinmeubilair en speeltoestellen te reinigen.
Op een snelle en milieuvriendelijke manier onkruid en mos verwijderen met behulp van een compacttractor. Via MWmachines zijn sinds kort de nieuwe Rumex-onkruidborstels leverbaar, speciaal ontworpen voor frontaanbouw aan minitractoren. De onkruidborstels kunnen snel en eenvoudig aan
de voorzijde van een tractor worden gemonteerd. Een fronthefinrichting is hierbij geen vereiste. De borstels zijn volledig hydraulisch aangedreven, worden door een joystick bediend en werken met een oliestroom vanaf 18 liter per minuut en een druk vanaf 150 bar.
Deze gebruiksvriendelijke bladblazer behoort tot het nieuwe Stihl Compact AccuSysteem, dat ook een kettingzaag, bosmaaier en heggenschaar bevat. De meeste tuineigenaars zijn blij met bladeren zolang ze aan bomen en heggen groeien. Eenmaal gevallen op de binnenplaats of
op de oprit moeten ze omwille van de veiligheid uit de weg geruimd worden. Ook op het gras mogen bladeren niet lang blijven liggen, omdat het anders weldra geel verkleurt. Met de nieuwe accubladblazer BGA 56 hebben tuin- en huiseigenaars zowel bladeren als snoeiafval snel onder controle.
Met het Boa-sluitsysteem krijgt u veiligheidsschoenen met optimaal comfort, die bovendien snel kunnen worden geopend en gesloten. Boa garandeert dat uw veiligheidsschoenen altijd goed zitten. De draaiknop kan met één hand worden bediend. Zo kunt u de schoenen gemakkelijk openen en
sluiten en door de RVS-kabels zitten ze perfect. Ze kunnen ook snel worden losgemaakt als u uw schoenen gedurende de dag regelmatig moet aanen uittrekken. De knop kan worden afgesteld en geeft zo een perfecte pasvorm zonder drukpunten.
Bison introduceert de meest precieze en makkelijk toepasbare secondelijm ooit: Secondelijm Vloeibaar Control. Nooit meer vieze vingers, geen gemors, geen ongecontroleerde lijmuitvloeing. Met Secondelijm Vloeibaar Control zijn kleine reparaties voortaan in een handomdraai geklaard, zonder nare bijkomstigheden. Dankzij de Direct-Stop technologie is het werken met secondelijm niet langer een vies klusje. De speciale inlay in de tube geeft tegendruk zodra men met de lijm aan de slag gaat. Bij lichte druk veert de tube terug in haar oorspronkelijke vorm, waardoor een terugzuig-effect ontstaat; de lijm trekt zich weer terug in de tube. Secondelijm Control is een ware innovatie.
Het Groot Gedenkboek is de weerslag van een zoektocht door het ritueel landschap van vroeger, nu en in de toekomst. Een team van experts, onder wie Gerrit-Jan Deunk en Ada Wille, boog zich over de vraag: hoe herdenken we? Dit resulteerde in een vierhonderd pagina's tellend boek over het rituele landschap van Nederland en daarbuiten.
Eens in de twee jaar komt er een nieuwe uitgave van het normenboek. Op 1 september is de versie 2016 verschenen. Ten opzichte van het Normboek 2014 zijn alle kostennormen geactualiseerd. Daarnaast zijn er veel nieuwe tijd- en kostennormen opgenomen.
Tractoren mét bumpers zorgen voor snellere voertuigherkenning en beter anticiperen door weggebruikers. En daardoor voor veiliger landbouwverkeer op de openbare weg. Cumela gaat campagne voeren voor invoering van trekkerbumpers.
GKB Machines heeft deze maand een nieuw pand geopend in Barendrecht. Ter gelegenheid van het 70-jarig bestaan van het bedrijf vond tevens een seminar plaats rond groen in de stad.
Het nieuwe Handboek Duurzame Buitenruimte is uit. In dit handboek staat een overzicht van alle producten/materialen, planten en grondstoffen met een duurzaamheidspaspoort. Ook staat er informatie in over de labelmethode, de partijen die de labeling verzorgen en een doorkijk naar diverse gerealiseerde duurzame projecten.
In dit boek staat het al meer dan tweeduizend jaar oude gedicht over bijen van de Romeinse dichter Vergilius centraal. Wat was het belang van bijen in de Romeinse tijd? En hoe is onze kennis van en omgang met bijen in tweeduizend jaar veranderd? De auteur en vertaalster Marguerite Prakke, is een actief bijenhoudster.
Deze uitgave van de Bomenstichting gaat over de plaats die bomen kunnen innemen in het leven van kinderen: als een plek om te klimmen, van te leren en onder te spelen. Voor iedereen die bij de gemeente of via speelverenigingen te maken krijgt met bomen, biedt ’Leve(n)de speelplekken’ een bron van inspiratie en informatie.
In XTRRDNR GARDENS bundelt tuinontwerper Erik van Gelder een aantal van zijn projecten. Stuk voor stuk exclusieve buitenruimtes voor het hoogste segment. Het rijkelijk geïllustreerde boek licht zijn visie, achtergrond en werkwijze toe. Het biedt liefhebbers van luxueuze buitenruimtes inspiratie en is geschikt als koffietafelboek.
„Als 10-jarige jongen ging ik met school naar een imker in Bloemendaal. Daar kregen we een stukje bijenwas mee. Die geur is me altijd bij gebleven. In de jaren 90 ben ik zelf hobby-imker geworden. Ik had mijn eigen imker-vader, opa Carel, die heeft me het ambacht geleerd.”
„In 2013 is door de Tweede Kamer een motie aangenomen om bijen op daken te stimuleren. Ik heb toen Dion Graus gemaild om bijenkasten op het Binnenhof neer te zetten. Uiteindelijk zijn deze in de binnentuin van de Tweede Kamer geplaatst. Als de lindes op het Lange Voorhout bloeien, loopt de honing uit de kasten.”
„Het belangrijkst is om minder te maaien. Je ziet dat er steeds meer ecologisch wordt beheerd door gemeenten. Daarnaast is natuureducatie op scholen heel belangrijk. De kinderen van nu zijn degenen die later beslissen. Ook minder tegels op schoolpleinen en in tuinen helpt. En bijenhotels plaatsen.”
„Wilde bijen hebben gaatjes nodig om eitjes te leggen en stuifmeel op te slaan. Hoe meer bijenhotels, hoe meer nestplekken. Wel is belangrijk dat er voldoende voedsel in de omgeving is. Amsterdam komt bijvoorbeeld om in de bijen, maar er is niet genoeg voedsel voor ze in de stad.”
„Natuurlijk is het een hype, vòòr het Jaar van de Bij in 2012 hoorde je er niemand over. Nu wil ieder bedrijf een eigen bijenkast. Het moet wel gemeend zijn en niet alleen voor het eigen gewin. Het belangrijkste is om de aandacht vast te houden, met name van de jeugd. Verder zie je veel goede initiatieven, van bewoners die een bloemenveld inzaaien tot het aanplanten van bollen in schooltuinen en op schoolpleinen.”
„De bijensterfte onder honingbijen is de laatste jaren iets minder. Maar wilde bijen hebben het moeilijk. Waar dit precies aan ligt weet eigenlijk niemand, het blijft bij vermoedens.” <
GreentoColour® vasteplantenconcept
28+29 sept Dag van de imte Openbare Ru Stand 4.5.23
BIODIVERSITEIT IN HET OPENBAAR GROEN Griffioen Wassenaar BV
WEINIG ONKRUIDGROEI, LAGE BEHEERKOSTEN
DUURZAAM ATTRACTIEF BINNEN ÉÉN GROEISEIZOEN www.greentocolour.com