Bouwstenen van de samenleving Detailleur Heidi Sociaal-agogische werk Graduaat maatschappelijk werk/ sociaal-cultureel werk Kortrijk academiejaar 2022-2023
Bouwstenen van de samenleving
CASUS 1: Charlotte en haar ouders
In casus 1 gaan we op weg met onderstaand verhaal. Ook in dit OLA zullen we telkens teruggrijpen naar dit gezin om zaken te illustreren, toe te passen, concreter te maken.
Charlotte wordt geboren in het gezin van Wim en Lieve. Wim is bankbediende en Lieve geeft Frans en Economie in het eerste en tweede middelbaar. Lieve vertroetelt haar dochtertje graag. Bij de minste kik neem Lieve Charlotte in de armen. Charlotte vindt het niet fijn om in haar wiegje te blijven liggen en spendeert haar tijd het liefst dicht bij mama. Wim vindt dit niet altijd even fijn. Als Charlotte ’s nachts huilt dan moet je haar even laten huilen tot ze vanzelf in slaap valt. Lieve kan hier niet mee om en staat bij het minste geluidje aan de wieg van Charlotte. Dit leidt tot veel discussies tussen Lieve en Wim. Vooral de ouders van Wim mengen zich heel vaak in deze discussie en kiezen partij voor hun zoon. Na drie maanden thuis moet Lieve opnieuw aan het werk. Ze vonden een crèche dichtbij. Lieve ziet ertegenop om weer te gaan werken en vooral om Charlotte af te geven aan een verzorgster die ze niet zo goed kent. De week voor de start in de crèche piekert Lieve over alles wat Charlotte kan overkomen: wat als ze haar niet horen wenen, wat als ze moet braken en de verzorgsters zien het niet, wat als ze loszittende speeltjes in haar mond steekt,… Vol weemoed brengt Lieve
Bouwstenen van de samenleving
Charlotte naar de crèche. Ze heeft het moeilijk om Charlotte achter te laten en kan haar tranen amper bedwingen. Zeker als Charlotte op haar beurt begint te huilen. Wanneer ze op het punt staat te vertrekken, polst ze nog eens bij de verzorgsters of ze af en toe een berichtje kunnen sturen hoe het met Charlotte gaat. Met twee kleintjes rond de benen en terwijl ze een pamper van een ander kleintje ververst, antwoordt de verzorgster ‘daar doen wij niet aan mee’ zonder Lieve aan te kijken. Lieve vertrekt met een wrang gevoel naar het werk. De weken passeren. Charlotte wordt omringd door kindjes die ouder zijn dan haar. Af en toe gaat er een vertrouwd gezichtje weg uit de crèche om de eerste stap naar school te zetten. Hoe ouder Charlotte wordt, hoe moeilijker ze het lijkt te vinden om afscheid te nemen van vriendjes. In de crèche leren ze heel wat zaken waaronder ook zonder pamper de dag doorbrengen. Lieve merkt dat Charlotte thuis gedrag vertoont die ze zelf nooit zou goedkeuren. Zo komt ze al eens met een scheldwoord thuis. Wanneer ze Charlotte afhaalt in de crèche ziet ze dagelijks andere ouders. Sommige ouders hebben, naar de mening van Lieve, een vreemde opvoedingsstijl. Zij probeert Charlotte bijvoorbeeld algemeen Nederlands te leren maar merkt dat andere kinderen dialect praten en woorden hanteren die zij nooit zou toelaten. Lieve stelt, tot vervelens toe voor Wim, de crèche voortdurend in vraag. Lieve wil hierover in discussie gaan maar heeft het gevoel dat Wim hier niet voor openstaat, waardoor ze nog meer aandringt bij hem om hierover te praten. Zeker nu ze merkt dat ook Charlotte meer en meer tegen haar zin naar de crèche gaat.
Bouwstenen van de samenleving
1
SOCIOLOGIE: een wetenschap van de samenleving
1.1
Inleiding: wat zal je leren in dit hoofdstuk?
In dit hoofdstuk ontdek je wat centraal staat in de wetenschap ‘sociologie’, ook wel ‘maatschappijleer’ of ‘samenlevingskunde’ genoemd. Je komt te weten hoe deze wetenschap zich onderscheidt van andere (mens)wetenschappelijke disciplines. Kijken met een sociologische blik betekent dat je voortdurend oog hebt voor de wisselwerking tussen actoren (individuen, groepen…) en het samenlevingsgeheel waarvan ze deel uitmaken. We bekijken waarom sociologische basiskennis van belang is voor sociaal werkers.
1.2
Wat is sociologie?
In de sociologie bestuderen we het samenleven van mensen. De maatschappij is iets wat wij allemaal kennen, want elk van ons maakt er deel van uit. Het gaat dus om het bestuderen van iets wat ons zeer vertrouwd is. Een krachtige metafoor om uit te drukken wat sociologie in beeld brengt, is het volgende: mochten we vissen zijn, dan zou sociologie ons in staat stellen te zien dat we in water zwemmen. Het sociale is namelijk voor de mens wat het water is voor de vis. Het is zo alomtegenwoordig en vanzelfsprekend dat we er ons niet van bewust zijn. Maar net als water levensnoodzakelijk is voor de vis, zo wezenlijk is het sociale verbonden met wie wij als mens zijn (Verbruggen, Maelstaf, Stevens, & Desnerck, 2016). “Dat is nogal een sociale zeg! Heel vlot, kan met iedereen overweg, gaat gemakkelijk in gesprek…” “Ja, ik ben nogal sociaal voelend van aard; daarom dat ik denk dat de opleiding sociaal werk wel iets voor mij is.” Iedereen herkent in bovenstaande het gebruik van het woordje ‘sociaal’ in de dagdagelijkse communicatie. Wanneer we het in de sociologie over ‘het sociale’ hebben, gaat dit niet over het sociale als een persoonskenmerk, maar wel over ‘de essentie van het mens-zijn’, het ‘sociale als een feitelijkheid’. Sociologie bestuderen betekent een manier van kijken aanleren.
We kijken naar de
werkelijkheid, die we reeds kennen, maar nu met een welbepaalde bril. We zien mensen allerhande gedrag stellen, allerhande zaken ondernemen, organisaties en systemen ontwikkelen…. Wanneer we naar dit samenleven kijken met een sociologische bril, zullen we proberen om wetmatigheden of ‘patronen’ te vinden in dit alles. We willen ‘boven’ het individuele gaan kijken, en van daaruit verklaringen vinden waarom mensen doen wat ze doen; of waarom de samenleving eruitziet zoals ze eruitziet.
Bouwstenen van de samenleving
Deze specifieke zienswijze wordt ook wel ‘sociale verbeelding’ genoemd. We kijken hoe het geheel van relaties waar mensen deel van uitmaken een invloed uitoefent op de levensloop van mensen én de keuzes die ze hierin maken.
Een voorbeeld: Vandaag de dag studeren heel veel 18-jarigen verder; veel meer dan dit het geval was 50 jaar terug. Als we de verklaring louter op individueel niveau zouden zoeken, dan gaan we kijken naar de intelligentie van deze jongeren. Zijn deze jongeren zoveel intelligenter dan 50 jaar geleden, en is dat dus de verklaring voor het toegenomen aantal hogeschoolstudenten? Je voelt dat deze verklaring geen steek houdt. Er moet meer in het spel zijn dan enkel het element ‘persoonlijke intelligentie’. We kijken naar onze samenleving (en haar beroepenstructuur) op vandaag. Er is heel veel vraag naar hooggeschoolde werknemers. De productie van en het omgaan met kennis staat centraal in onze hedendaagse samenleving. Daarnaast is er voorbije decennia veel aandacht gegaan naar gelijke kansen in het onderwijs en niet in het minst naar onderwijskansen voor meisjes. Dit samenlevingsgegeven, waar jullie als student deel van uitmaken, heeft een weerslag op jullie ‘persoonlijke’ wensen en keuzes. Doordat je net op vandaag, in deze samenlevingsvorm, 18 jaar bent is de kans veel groter dat je gaat verder studeren dan dat je 50 jaar geleden 18 was. Jouw ‘persoonlijke’ beslissing is dus veel minder individueel dan je op het eerste zicht zou denken. De sociologie houdt zich bezig met het verklaren van gedrag van individuen en groepen mensen, vanuit de maatschappelijke invloeden die ze ondergaan. Dit betekent dat w e individuele gebeurtenissen zullen begrijpen en verklaren vanuit het geheel van sociale relaties waar mensen deel van uitmaken. Er zijn nog andere wetenschappelijke disciplines die eveneens de menselijke samenleving bestuderen, maar daar wordt vertrokken vanuit een ander gezichtspunt. In de psychologie staat het individueel gedrag van mensen centraal. De economie houdt zich bezig met de manier waarop mensen productie en verdeling van schaarse goederen regelen. De politicologie onderzoekt de manier waarop mensen en de beleidskeuzes die gemaakt worden vormgeven aan de toekomst.
Bouwstenen van de samenleving
1.3
Sociologie: de studie van het sociale als een FEIT
1.3.1
De betekenis van het woord ‘sociaal’ in de sociologie
(Verbruggen, Maelstaf, Stevens, & Desnerck, 2016) Wanneer de term ‘sociaal’ gebruikt wordt in de sociologie wordt hiermee niet gedoeld op het sociale als een persoonlijkheidskenmerken (“mijn dochter is echt een sociale madam, ze babbelt met alles en iedereen”); noch op een waardenoordeel. Stelen, iemand pesten, machtsmisbruik….vinden wij bijvoorbeeld niet ‘sociaal’ wanneer we vertrekken vanuit het begrip sociaal als waardenoordeel. In de sociologie spreken we over ‘het sociale’ wanneer gedrag betrekking heeft op de ander of op de omgeving. En aangezien de mens onlosmakelijk verbonden is met de ander en zijn omgeving, is net dat het werkterrein van de sociologie: het sociale als een feit. Bekijken we het sociale als feitelijkheid, dan kunnen we stellen dat zaken zoals stelen, pesten, machtsmisbruik wel degelijk ‘sociale’ gedragingen zijn. Wees je er dus van bewust, wanneer je de sociologie bestudeert, wat wordt bedoeld met het begrip ‘sociaal’.
1.3.2
De begrippen ‘sociaal handelen’ en ‘sociale interactie’
(Bracke, Van de Putte, Van Houtte, & Vermeersch, 2018) (Vranken, 2019) (Verbruggen, Maelstaf, Stevens, & Desnerck, 2016) Samenleven betekent elkaar ontmoeten. De aard en de vorm van dat ontmoeten kunnen verschillen. We praten met elkaar, raken elkaar aan of ontwijken elkaar, wisselen blikken, likes en tags uit, maken ‘love’ of ruzie. De ontmoetingen kunnen gewild of ongewild zijn, oppervlakkig of intensief, éénmalig of herhaald, verbaal of non-verbaal, direct of indirect. Toch is er iets gemeenschappelijks aan die ontmoetingen: we zullen op elkaar reageren, ook al beperkt die reactie zich tot een enkele blik of tot welbewust negeren. Zelfs bij sporadische en oppervlakkige ontmoetingen, houden we bewust of onbewust, rekening met elkaar en stemmen we ons handelen op elkaar af. Het feit dat wij samen met anderen (moeten) leven, zorgt er dus voor dat ons handelen zinvol betrokken is op dat van anderen. Dat noemen we, in navolging van Max Weber, sociaal handelen (Weber, 1922/1956). Sociaal handelen = handelen dat gericht is op andere mensen of beïnvloed wordt door andere mensen; je bent zinvol betrokken op de ander; bij jouw handeling houd je rekening met wat de ander gaat of kan doen.
Bouwstenen van de samenleving
Dat we discussiëren, ruziemaken, vechten is net zo goed sociaal handelen als overleggen, overeenstemmen en samenwerken. Bij een discussie of een gevecht houden we namelijk minstens evenveel rekening met het handelen van anderen als bij een samenzang of een vrijpartij. Ook die vormen van sociaal handelen impliceren een zinvolle betrokkenheid op het handelen van anderen. Ook niet-handelen kan sociaal handelen zijn. Wanneer iemand een uitgestoken hand negeert, niet ingaat op een uitnodiging of niet deelneemt aan een staking, een like geeft maar geen comment achterlaat, is de zinvolle betrokkenheid op het handelen van anderen minstens even duidelijk en vergaand als wanneer dat wel gebeurt. Met andere woorden: elkaar niet (willen, kunnen) ontmoeten is even cruciaal voor het sociaal handelen van mensen als elkaar (al dan niet vreedzaam) ontmoeten. Sociaal handelen kan gericht zijn op voorbij, tegenwoordig of toekomstig handelen. De brandweermannen die iedere avond om 20u aan de Menenpoort in Ieper The Last Post blazen zijn een voorbeeld van dat eerste (gericht op ‘voorbij’). Ons opkleden voor een bepaalde gelegenheid, piekeren over wat we straks gaan zeggen op het examen, een tekst schrijven waarvan we hopen dat die later zal gelezen worden zijn voorbeelden van sociaal handelen gericht op de toekomst. Bij dit handelen zal ik rekening houden met de reacties die ik denk te kunnen verwachten van anderen. Weber zal van een aantal handelingen uitdrukkelijk aangeven dat deze geen ‘sociaal handelen’ zijn, en hij argumenteert daarbij ook waarom. ➢ Handelen dat louter gericht is op ‘objecten’ – ‘dode’ materialen dus, geen medemensen, - is volgens Weber geen sociaal handelen. Denk bvb aan hout klieven, spitten….Hier is immers - op zich - geen sprake van een ‘zinvolle betrokkenheid’ op iemand anders. Maar: indien we hout klieven voor ons gezin, omdat zij het warm zouden hebben, is dat wel weer sociaal handelen. Hier is dan immers wel een zinvolle betrokkenheid op andere mensen. Als ik hout hak omdat ik zo indruk kan maken op mijn vader, is dit ook sociaal handelen. Als ik hout hak omdat ik weet dat mijn broer dat mocht doen en ik hem zo kan pesten, is dat ook sociaal handelen.
➢
Stel dat twee fietsers botsen op mekaar, ze zagen mekaar totaal niet aankomen, en vallen beide gewond op de grond. Deze botsing zal Weber niet beschouwen als ‘sociaal handelen’, ook al zijn er twee individuen betrokken bij de val. Het is geen ociaal handelen omdat er geen motief verbonden was aan de botsing. Geen van beide fietsers heeft hier iets gedaan of nagelaten omwille van de andere fietser, want hij was zich zelfs niet bewust dat deze er was. Stel nu dat de fietsers doelbewust proberen om mekaar te ontwijken, dan kunnen we dit wel beschouwen
Bouwstenen van de samenleving
als sociaal handelen. Wanneer de fietsers na de valpartij mekaar verwijten naar het hoofd gaan slingeren, is ook dat weer wel sociaal handelen.
Sociaal handelen vormt de onderbouw van ‘sociale interactie’. Sociale interactie wordt gevormd door handelingen van een persoon én de reactie daarop door een ander persoon. Interactie ontstaat wanneer twee of meer mensen een gedeelde betekenis aan elkaars handelen geven. Met andere woorden: wanneer het motief van de ene actor gevolgd wordt door een reactie van de andere, verschuift ‘sociaal handelen’ naar ‘sociale interactie’.
Voorbeeld: Twee personen, Jan en Lieve, ontmoeten elkaar. Wanneer Jan zijn hand uitsteekt, doet hij dit opdat Lieve dit als een teken tot groet zou beschouwen. Wanneer Lieve vervolgens op de gepaste manier reageert en het gebaar als groet interpreteert, dan reikt ook zij de hand omdat Jan het initiatief nam om te begroeten.
Voorbeeld: Wanneer ik dingen zeg om mijn broer te pesten, en hij vervolgens doet alsof het hem niets kan schelen, spreken we over sociale interactie: mijn handelen geeft aanleiding tot zijn handelen. Je merkt dat de grens tussen ‘sociaal handelen’ en ‘sociale interactie’ zeer klein is, en dat beide termen nogal vaak door mekaar gebruikt worden en in essentie gaan over ‘betrokken op de ander’ (sociaal handelen) en ‘betrokken op elkaar’ (sociale interactie).
1.4
Vier types van sociaal handelen (Max Weber)
(Vranken, 2019) Max Weber (socioloog, 1864-1920) bestudeerde het sociaal handelen grondig. Op basis van deze studies onderscheidt Weber vier ‘grondcategorieën’ van sociaal handelen. Het is nuttig om deze grondcategorieën te bekijken, omdat deze helpen om meer inzicht te verwerven in de veelvuldigheid van sociaal handelen. Let wel: de ‘typologie’ van Weber is een ‘theoretische’ indeling, waarin de vier types strak en duidelijk van mekaar gescheiden zijn. In de realiteit zullen we vaak merken dat bepaalde voorbeelden tegelijk in meerdere van deze ‘grondcategorieën’ onder te brengen zijn.
Bouwstenen van de samenleving
Weber onderscheidt volgende grondcategorieën van sociaal handelen: -affectief sociaal handelen -traditioneel sociaal handelen -doelrationeel handelen -waarderationeel handelen Het ‘motief’ tot handelen (= waarom doet iemand iets) vormt de basis voor de indeling in deze vier categorieën. Hieronder verduidelijken we deze vier grondcategorieën en illustreren telkens met een voorbeeld.
1.4.1
Affectief sociaal handelen
Het affectief sociaal handelen steunt op emotie, is onbewust en niet-rationeel (= niet sterk vooraf overwogen of doordacht). Het is een uiting van een emotionele, passionele of zelfs instinctieve en meestal ongecontroleerde reactie op een stimulus.
Voorbeeld: Ik ben aan het fietsen, een geparkeerde auto zwaait achteloos zijn portier open, waardoor ik bijna ten val kom. Onmiddellijk slinger ik de autobestuurder de lelijkste verwijten naar het hoofd. Dit is niet overdacht noch weloverwogen, maar ontspruit rechtstreeks vanuit het fel geschrokken zijn.
1.4.2
Traditioneel sociaal handelen
Traditioneel sociaal handelen is een vorm van sociaal handelen die bepaald is door de gewoonte of de traditie. Het is dus ook een min of meer onbewust handelen, waarmee bedoeld wordt dat je de zinvolheid ervan niet hoeft in te zien of er niet mee akkoord hoeft te gaan. We doen iets omdat het zo hoort of omdat we het zo geleerd hebben in onze opvoeding. In deze vorm van handelen zullen mensen doen wat ze doen ‘omdat het altijd zo geweest is’.
Voorbeeld: Trouwen voor de kerk omdat het een ingeburgerde traditie is; een hand geven bij het begroeten; een cadeautje meenemen wanneer je iemand gaat bezoeken (‘je komt niet met lege handen ergens toe’)…
Bouwstenen van de samenleving
1.4.3
Waarderationeel sociaal handelen
Waarderationeel handelen is een vorm van sociaal handelen die vertrekt vanuit de overtuiging dat dit handelen op zich een ethische, religieuze, esthetische of sociale waarde vertegenwoordigt. Het resultaat van de handeling is niet van belang (= ik doe het niet om iets te bekomen), maar de handeling zelf wordt aangevoeld als ‘waardevol’.
Voorbeeld: zich inzetten als vrijwilliger bij Poverello – niet omdat het moet, maar omdat ik dit als solidaire medemens wil doen en belangrijk vind; een gezellig avondje uit met vrienden – het samenzijn op zich is voor mij waardevol – ik doe het niet om een bepaald doel te bereiken.
Voorbeeld: Trouwen voor de kerk omdat je het belangrijk vindt je ja-woord voor God te geven.
1.4.4
Doelrationeel handelen
Een laatste vorm van sociaal handelen vinden we terug in het doelrationeel handelen. Dat is handelen met het oog op het bereiken van een concreet vooropgesteld doel. Bij dit doel worden verschillende doelen met elkaar vergeleken, wordt een balans opgemaakt en wordt vervolgens het sociaal handelen afgestemd op het bereiken van deze doelstellingen. Vervolgens worden de middelen afgewogen om de gestelde doelen te bereiken. Dit alles veronderstelt een rationele afweging van doelen en middelen met het oog op het bereiken van vooropgestelde doelstellingen.
Voorbeeld: Mijn doel is later een ‘mooie job’ te hebben. Ik denk na op welke manier ik het meest kans maak om dit doel te kunnen realiseren. Ik besluit om hoger onderwijs te volgen, want dit zal mijn kansen vergroten om dit doel te kunnen realiseren. Het volgen van hoger onderwijs is hier dus het ‘middel’. Wanneer ik alles met mekaar vergelijk en daar goed over nadenk, besluit ik dat een diploma halen in het hoger onderwijs de beste manier zal zijn om mijn doel te kunnen realiseren.
Bouwstenen van de samenleving
Voorbeeld: Trouwen voor de kerk omdat je leerkracht bent in een katholieke school. Je weet dat de leiding van de school belang hecht aan de katholieke levenshouding, dus je gaat trouwen voor de kerk om ‘op een goed blaadje te staan’.