Zorgontvanger met diabetes graduaat verpleegkunde campus Kortrijk module verpleegkundige basiszorg academiejaar 2022-2023
INHOUDSOPGAVE 1.
Wat is Diabetes Mellitus?
1.1
Omschrijving
1.2
Metabole en klinische gevolgen van insulinetekort
1.3
Types van diabetes
1.3.1 Type 1 diabetes 1.3.2 Type 2 diabetes 1.3.3 Zwangerschapsdiabetes 1.4
Ontstaan is verschillend bij type 1 en 2
2.
Doel en behandelingsplan
2.1
Doel
2.2
Gezonde voeding
2.3
Beweging
2.4
Medicamenteuze behandeling
2.4.1 Insulinetherapie 2.4.2 Orale antidiabetica 2.4.3 Geneesmiddelen die inwerken op de incretines (type 2) 2.4.4 Basale insuline in combinatie met incretine (type 2) 3.
Multidisciplinaire problemen
3.1
Acute metabole complicaties
3.1.1 Hypoglycemie 3.1.2 Hyperglycemie 3.2
Chronische complicaties
3.2.1 Angiopathie of vaatlijden 3.2.2 Neuropathie of zenuwlijden 3.2.3 Oogpathologie
3.2.4 Nefropathie of nierlijden 3.2.5 Diabetische voet 3.2.6 Infecties 3.2.7 Aandachtspunten bij diabetische voeten 4.
Opvolging van diabetes
4.1
Het voortraject
4.2
Het zorgtraject
4.3
De conventie
4.4
De consultatie van de endocrinoloog
4.4.1 Glycemiedagprofiel 4.4.2 Wat betekent HbA1c? 4.4.3 Glycemiebepaling dmv een glucometer 4.5
De vingerprik
4.6
Continue glucose monitoring
5.
Insulinetoediening .......................................................................... 44
5.1
Toedieningswijze ........................................................................................................... 45
5.2
Resorptiesnelheid ......................................................................................................... 45
5.3
Naaldgebruik en naaldlengte ............................................................................. 45
5.4
Lipodystrofie ..................................................................................................................... 46
5.5
Aandachtspunten bij gebruik van een insulinepen ............................ 48
5
INSULINETOEDIENING
Insulinetoediening is een B2-handeling; Deze handeling mag enkel op voorschrift van de arts uitgevoerd worden. Afhankelijk van de medische diagnose, behandeling en glycemiemeting worden de aantal eenheden insuline bepaald. De verpleegkundige kan insuline toedienen met een insulinespuit of insulinepen. Voor het toedienen van insuline zal de verpleegkundige een glycemiemeting uitvoeren om zonodig de eenheden aan te passen.
Vb van een aanpassingschema:
Novorapid
Lantus
<60
Basis -4
Basis
60-80
Basis -2
Basis
80-150
Basis
Basis
150-200
Basis +1
Basis
200-250
Basis +2
Basis
250-300
Basis +3
Basis
300-350
Basis +4
Basis
› 350
Basis +5
Basis
5.1 Toedieningswijze Insulines worden altijd SC toegediend. Dit in het onderhuidsbindweefsel.
Redenen: -
minder pijn,
-
minder hematoomvorming
-
gelijkmatige opname van de insuline.
Indien men toch IM prikt dan is dit pijnlijker voor de zorgvrager en kan de resorptie verschillen waardoor er meer schommelingen zijn.
5.2 Resorptiesnelheid Het diep of oppervlakkig SC prikken maakt géén verschil qua opnamesnelheid. De opname is gelijkmatig binnen éénzelfde regio. Hierdoor voorkomt men schommelingen.
Opname van snelst naar traagst: Buik bovenarmen dijen (in rust) billen
5.3 Naaldgebruik en naaldlengte Onze huid is max. 3mm dik “Hoe korter de naald, hoe kleiner de kans om IM te prikken!”
Je hebt keuze uit: 4mm,5mm,6mm,8mm,12mm. Verschillend aanbod per fabrikant. De naaldlengte bepaalt wél om al dan niet een huidplooi te maken! -
4-5mm: geen huidplooi
-
>6mm: zeker een huidplooi
Om lipodystrofie te voorkomen mag men thuis max.4x/dag prikken met dezelfde naald. In het ziekenhuis neemt men telkens een nieuwe naald.
5.4 Lipodystrofie Wat Vervorming van het onderhuidsbindweefsel.
Soorten -
lipohypertrofie: verdikking van het onderhuidsweefsel (bulten, verhardingen, knobbels)
-
lipoatrofie: vermindering van het onderhuisweefsel (putjes)
Oorzaken Door het herhaaldelijk prikken op dezelfde plaats en/of lange tijd prikken met dezelfde stompe naald
Gevolgen Lipo’s kan je zien, voelen bij het palperen en je kan daar geen huidplooi maken! Ten gevolge van lipodystrofie wordt de insuline onregelmatig opgenomen met als gevolg gevaar voor hypo- en hyperglycemie.
Voorkomen Lipodystrofie kan men voorkomen door “zonerotatie” toe te passen. Hier zal men afwisselen van regio, zijde als binnen de zijde. Iedere injectie 2-3cm van elkaar.
Is lipodystrofie aanwezig dan gebruikt de diabeet bij iedere prik een nieuwe naald. Men raadt aan voor lange tijd (maanden) niet meer te prikken thv die lipo.
5.5 Aandachtspunten bij gebruik van een insulinepen -
Indien troebele insuline, ook 10x kantelen ! Nooit schudden omwille van schuimvorming én gevaar voor beschadiging van de insulinemoleculen
-
Controle of er luchtbellen zijn, zo nodig tikken met je vinger tegen het patroon. Hou hierbij de pen verticaal ! Luchtbel = minder E insuline → schommelingen
-
Controleer de doorgankelijkheid van de naald door 2E weg te spuiten, indien nodig doe je dit meerdere malen tot je een druppel insuline ziet
-
Trek de drukknop uit en stel het aantal E in
-
De insuline subcutaan inspuiten = onderhuids bindweefsel -
Hier wordt de insuline op een gelijkmatig tempo door de bloedstroom opgenomen
-
-
Minder pijnlijk
-
Minder kans op hematomen
De huid palperen ter controle op eventuele lipodystrofie -
Niet prikken in lipo’s: ze geven gevaarlijke schommelingen
-
-
Zonerotatie: 2 à 3 cm afstand, afwisseling van zijde/regio
Prik loodrecht op de huid (wel of geen huidplooi) -
De huidplooi wordt tussen duim en wijsvinger genomen en moet beweeglijk zijn (los van de spier)
-
Om het risico op I.M. injectie te verkleinen
-
Naaldlengte: >6mm = huidplooi
-
!!Wel of geen huidplooi, de opnamesnelheid blijft gelijk!!
-
Ter voorkoming van lipo’s
Duw de dosis volledig in tot u klik hoort en wacht 5 à 10 tellen vooraleer de naald te verwijderen.
Evaluatieoefeningen 1.
Wat versta je onder diabetes mellitus ?
2. Welke hormonen worden afgescheiden door de pancreas en verklaar hun invloed op de glycemie. 3. Vergelijk de normale stofwisseling met deze van een persoon met diabetes. 4. Wat versta je onder diabetes type 1 ? 5. Welke zijn de grootste oorzaak bij het ontwikkelen van een type 1 ? 6. Wat versta je onder diabetes type 2 ? 7. Welke is de grootste oorzaak bij het ontwikkelen van een type 2 ? 8. Wat versta je onder zwangerschapsdiabetes ? 9. Bespreek in juiste volgorde de behandeling van diabetes type 1 en type 2. 10. Geef de indicaties voor het toedienen van insuline. 11. Som de groepen insulines op. Welke insuline mag een VPKe aanpassen, welke niet! Welke insulines zijn enkel van toepassing voor type 2 diabeten. 12. Bespreek het basaal-bolus-schema. 13. Geef de soorten orale antidiabetica, volgens hun werking. Welke OAD’s kunnen een hypo veroorzaken. 14. Met welke acute complicaties kan een diabeet geconfronteerd worden? 15. Wat versta je onder hypoglycemie ? 16. Wat kunnen de oorzaken zijn van een hypoglycemie ?
17. Hoe kan je een hypoglycemie bij een diabetespatiënt herkennen ? 18. Hoe zal je handelen wanneer een diabeet een hypoglycemie ontwikkelt ? 19. Wat versta je onder hyperglycemie ? 20. Welke kunnen de oorzaken zijn van een hyperglycemie ? 21. Hoe kan je een hyperglycemie herkennen ? 22. Waaruit bestaat de behandeling van een hyperglycemie ? 23. Welke chronische complicaties kunnen zich voordoen bij diabeten en verduidelijk? 24. Leg bondig uit : Orale glucosetolerantietest Glycemiedagcurve HbA1c 25. Een diabeet kan zich aansluiten bij een zorgsysteem. Herken bij welk zorgsysteem de besproken diabeet zich moet aansluiten. Som de rechten, plichten en voordelen op. Bij wie is de vingerprik noodzakelijk + frequentie.
BIJLAGEN