STAAT VAN GOED VAN MARIA DE VRIENDT OVERLEDEN VROUW VAN PIETER VAN LANDSCHOOT BRUGGE 1660
HANS VAN LANDSCHOOT HAVALAN@GMAIL.COM 29-1-2019
1
De Familie De Vrient Meester Jan de VRIENT (zoon van Franchoys en van Cathelyne van Vlamyncpoorte), schilder, vinder van 'het ambacht der beeldmakers en zadelaars op 2 september 1601 en op 2 september 1612, gouverneur op 11 october 1619 en op 15 october 1620, vinder op 14 october 1624, deken op 12 october 1628, stedehouder op 8 october 1630, gouverneur op 9 october 1631, vinder op 6 october 1637. Volgens het obituarium van de confrerie der schilders is hij overleden op 3 september 1641 . Op 30 juli 1604 heeft hij '" Het huis De Goude Patynne", aangekocht, gestaan te Brugge, aan de Pbilipstokstraat. Meester Jan de Vrient huwde te Brugge (St.-Walburga) op 30 juli 1606 Joe Marie GOORDE. Uit dit huwelijk werden geboren (gedoopt te Brugge, St.Walburga): 1. Joannes, gedoopt in de maand juni 1607. 2. Heer en Meester Joannes, gedoopt op 3 october 1609, overleden op 19 maart 1668, pastoor van de parochiale kerk van Sint-Walburga te Brugge. Zijn staat van goed werd geliquideerd voor schepenen der stad Brugge op 27 september 1668. Zijn successie werd verdeeld op 18 december van zelfde jaar: tussen zijn zuster Franchoise, de kinderen van zijn overleden zuster Magdaleene en de kinderen van zijn overleden zuster Marie. 3. Laurentius, gedoopt op 31 januari 1612. 4. Joncvr. Franchoise (Francisca), gedoopt op 14 maart 1613, overleden in het jaar 1668 (tussen 19 maart en 27 september), echtgenote van Meester Jan GILSON, fijn schilder, voor vrij meester ontvangen in het ambacht van de beeldmakers en zadelaars op 18 october 1632, vinder op 3 october 1635, deken op 15 october 1641, stedehouder op 13 october 1644, vinder op 12 october 1656. Uit dit huwelijk werden geboren: Joe Joanna-Eleonore (echtgenote van Sieur Gillis CLAISSONE), Anastasius (of Eustaes) en Joncvr. Isabelle. 5. Anna gedoopt op 10 october 1615. 6. Balthasar gedoopt op 4 februari 1617. 7. Josephus gedoopt op 8 januari 1620. 8. Joncvrouw Magdalene, gedoopt op 5 januari 1624, overleden op 4 maart 1653, echtgenote van Sieur JanBaptista LOSSCHAERT. Gehuwd in O.L.Vr. op 30 juni 1649. 9. Joncvrouwe Marie, gedoopt op 10 januari 1627, echtgenote van Pieter van LANTSCHOOT.
Uit dit huwelijk werden geboren: 1. Sieur Pieter, huidevetter, overleden te Brugge (St.- Anna) op l september 1700, begraven in de Dominikanerkerk (Predikheeren), echtgenoot van Joefr. Clara van TOERS (dochter van Sieur Jacques en van Joefr. Catherine de BLEECKERE), waarvan kinderen. Zijn staat van goed werd geliquideerd voor schepenen der stad Brugge op 5 juli 1701. 2. Heer en Meester Jacobus, priester, kapelaan te Klemskerke op 31 maart 1678, bij het verlijden van het 'huwelijkskontrakt van zijn broer Pieter.
2
Foto 1 De verdwenen Predikherenkerk in de Langestraat * Archiefbank Brugge kaart Marcus Geraerd 1562
3
4
WEESAKTE St Donaes boek 12 1660 pag. 18
Heer en meester Joannes De Vriendt, presbiter ende pastor vande parochiekercke van Sinte Walburghe in Brugghe naer renunchiatie van syn privielegen ende hem alhier in rechte geadvorseert hebbende ende Boudewyn Van Lantschoot zwoeren voochden van Jacobus ende Pieter de twee onbekwaeme kinderen van Pieter Van Lantschoot by Jouffrauwe Marie De Vriendt filia Jan, Int liquideren vande staet van de sterfhuise van de voornoemde Jouffrauwe Marie De Vriendt voor Oversiender ende Schepenen van weesen den 19e october 1660. Ende brochten over der weesen moederlicke successie ende eerst is comptant de somme van 447 ponden 14 schellinghen 5 grooten over dhelft van 895 ponden 8 schellinghen 10 grooten dat de liquide baten int gheheele excederen de lasten vande voorseyden sterf-huuse volghende den staet by den voornoemde Pieter Van Lantschoot als besitter geassisteert, gheliquideert als vooren ende onderteeckent Meester Vande Velde. Moerkerke Blyvende de voornoemde weesen met hemlieden vader als besitter ghemeene eerst in eene behuusde hofstede geleghen binnen den ambochte ende prochie van Moerkercke onder de wateren van noort over Leije, groot 24 ghemeten 2 lynen 6 roeden landts belast met 4 sch. tjiaers en losselicke rente, voorts inde reepschult (1) tot 10 p. 3 sch.3 gr. parisis tsjaers. Voorts met 5 schellinghen tsiaers cannunickschult sonder meer. (1) Reepschuld : rente op smalle strook/reep grond) Oedelem * Voorts in een ghemet 37 roeden ende ¼ meersch over een vierde in 4 ghemeten 1 lyne 39 roeden meersch, ligghende binnende prochie van Oelem, noortwest vandekercke ende noortwest by de goede ende casteele “Ten Torren” inden Eeckemeersch, belast met syn advenant in 5 sch. 2 gr. tsiaers gront ofte cheynsrenten. Hofstede in Varsenare * Voorts in acht ghemeten 2 lynen 50 roeden lants inde nombre van 21 ghemeten 1 lyne lants, wesende dhofstede gheleghen den ambachte ende prochie van Varsenare, ghemeene met heer en meester Jan De Vriendt cum suis. * Voorts in drye ghemeten 10 roeden lants binnen de voornoemde ambochte ende prochie van Varsenare, noortoost vande kercke in twee parcheelen int (lxxxvii) 87e beghin vande Waterynghe van Blanckeberghe. * Voorts is een lyne 59 roeden lants over t’vierde part ende handeel in twee ghemeten 36 roeden lant, met een huuseken daermede gaende, oock ligghende inde voornoemde prochie van Varsenare. Grond in Zillegem * Voorts in drye ghemeten lants over tevierde van twaelf ghemeten lants, wesende een hofstedeken met een woonhuus daerop staende geleghen inde prochie van Silleghem, belast met syn advenant in 13 sch. 7 gr. Tsaers. * Voorts in twee lynen 25 roeden lants over ghelycke vierde in drye ghemeten lants, ligghende inde voornoemde prochie van Silleghem, genaemt het hofstedeken van Hans De Meestere. * Voorts in één ghemet een lyne 50 r. lants over tvierde van ses ghemeten lants ooc ligghende in de voornoemde prochie van Silleghem. Huis en grond in Aartrijke * Voorts in ses ghemeten twee lynen lants metten advenante van huusynghe, scheuren ende stallijnghen daerop staende ligghende binnen den ambochte en de prochie van Aertrycke, suydt vander kercke, belast int gheheele met 4 p. gr. tsiaers en penninck XVI. Huis “ Den Bourgoensche Schilt” in Brugge * Voorts in een huus weesende een dweershove wijlent vier huusen gheweest synde genaemt Den Bourgoensche Schilt, met een scheure ende groote erfve daerachter ligghende, streckende totten meur vande cloostere vande chartreusen, daerinne dat d’overledene gestorven is, belast met 9 gr. sjaers leenrente, * Voorts in dhelft van drye ponden grooten tsiaers in drye partyen. 5
Oliewyntmeulene genaemt “Ruysch int Velt” in Sint Andries Voorts in dhelft van een oliewyntmeulene staende buyten deser stede inde prochie van Sinte Baefs, bij het clooster van Sint Andries, genaemt “Ruysch int Velt”, belast met 16 sch. 48 gr. tsiaers cheynsrente sonder meer. Huus genaemt “Het Goude Pattynken” in Brugge * Voorts in het vierde part van een huus genaemt “Het Goude Pattynken” staende in Brugghe ter noortsyde vande Phlips Stockstraete, synde suuver ende onbelast. * Voorts in eene rente van 3 p. 9 sch. 5 gr. 8 m. tsiaers den penningh 16 over het derde van 10 p. 8 sch. 4 gr. tsiaers loopende op oblegatie ten laste van wylent sieur Jaspar Solomé als geauthoriseert by de Gelande vande Nieuwe, bezet te poldere west der stede van Middelburch in Vlaenderen, nu ten laste van Pieter Bockman als in huwelick hebbende de weduwe vande voornoemde Salomé ende van syne huusvrauwens kynderen. * Voorts in eene rente van 6 pont groote tsiaers den penninck 16 op obligatie tot laste van Jan Vande Pitte. * Voorts in eene rente van ses pont vyf schellynghen grooten tsiaers den penninck 16 op obligatie tot laste van jonker Salomon Van Maldeghem, ende Jan Plante ontfangher vande Watereninghe van Moerkercke noort over Leije. * Voorts in een pont elf sch. drye groote tsiaers op obligatie tot laste van Pieter Van Cuyl, nu syne weduwe. * Voorts in 7 p. 12 grooten tsiaers den penninck 16 tot laste van Steven Melis, en syn hofstede in Oelem. * Voorts in vier pont groote tsiaers den penninck 16 tot laste vande middelen van het nieuw ghedelf van Plasschendaele naer Duynkercke over de quote van Brugghe. * Voorts in 9 partyen van batelicke inschulden per staet ghemeene gebleven, bedraegende salvo justo 208 p. 51 sch. 1 gr. 12 m.. * Voorts in seven hoet seven vaten scuroen die schuldich is te leveren Pauwels Willecays op … (?) * Voorts in ’t derde part van diversche batelicke inschulden gemeene gebleven ten sterfhuuse van Jonkvrouwe Barbara Van Cuyl, weduwe van Boudewyn Van Lantschoot, besitters moeder. * Voorts inde verachterthede van lantspachten. Waerjeghens syn ghemeene ghelast blijvende in de verachterthede van renten vutte voorschreven partyen gaend zynde t’comptant vande weesen ghebleven onder den besitter ten title van houdenisse met last van seker naer style.
Guillaume filius Guillaume Van Lantschoot zwoer voocht van Jacob ende Pieter de twee onbejaerde kynderen van Pieter Van Lantschoot by jonkvrouwe Marie De Vriendt, inde platse van heer en meester Joannes De Vriendt, overleden. Voor oversiender ende schepenen van weesen den 24 july 1668. Erven van hun oom Joannes De Vriendt De voornoemde voocht brochte over de successie op de voornoemde weesen by der doot van heer en meester Joannes De Vriendt sweesens oom materneel ende eerst in comptant de somme van 103 p. 2 sch. 10 gr. over het derde van 309 p. 8 sch. 3 gr. dat de liquide baten int gheheele excederen de lasten vande voorseyde sterfhuuse volghens den staet by jonkvrouwe Joanne Eleonore Gilson als machtich over sieur Gillis Claeissone haeren man geassisteert geliquideert voor Oversiender ende schepenen van weesen den 27 september 1668 ende ondertekent M. Vande Velde (rand: den staet van desen sterfhuuse rust ter greffie vande weeserie deser Stede ende is gecotteert nr. 1843. De vutgrootynghe ende vercavelynghe ten sterfhuuse van heer en meester Joannes De Vriendt staet geregistreert int 12e St. Donaes f. 135. De Rekeninghe is annex den staet cotte nr. 1843. De tweede rekeninghe annex den staet cotte nr. 1843.) Fragment met beschrijving Cavel A uit de akte van heer en meester Joannes De Vriendt hierboven vermeld. De cavel A is te lote gevallen aen Pieter Van Lantschoot/ d'Oude, midtsgaeders Jacobus ende Pieter sijne twee/onbejaerde kijnderen verweckt bij joncvrauwe Marie de / Vriendt, sijne eerste overleden huijsvrauwe/ consisteerende inde naervolghende partijen eerst: * in een huijs staende in Brugghe ande suudtsijde vande/ Hooghstraete ande Meulenbrugghe naerst den/ huijse toebehoorende dhoirs van Jooris Van/ Cruusen aende oostzijde, achterwaerts streckende/ met een platse van lande ende daer staende met/ een achter huijskene tot ande de reie der voor-noomde/ stede, allersints soo t'selve huus met de toebehoorten/ ghestaen ende gheleghen is, belast met 5 schellijnghen /grooten tsjaers leenrente aen Mijnheer Ferdinand/ Vercammen, sonder voorder lasten mist d'ander/ renten daervutten voor desen 6
gegaen hebbende/ sijn gequit ende ghelost, gebrocht bij den voorseijden/ staet folio 15 .. ende ghepresen 310 ponden grooten/ waervan ghemijncken zijn 10 ponden grooten over t’capitael/ vande voorseijde leenrente naer advenant/ den pennijnck 32, blijft suiver 300 ponden 4 schellijnghen grooten. * Voorts/ in dhelft danof de wederhelft angedeelen moet/ onder de cavel B van een hofstede met de/ hoofcamere ... daeroppe/ staende midtsgaeders de .. ende opgaende boomen/ daermede gaende groot 30 ghemeten en / 2 lijnen 80 roeden lants, sijnde erfve/ ghestaen ende ghelghen binnen de prochie van/ Varssenaere, verre noort west vander/ kercke met 87 roeden ligghende van Waeterijnghe/ van Blankenberghe ter diversche parcheelen/ breeder volghende de legher, danof sijnde alsnoch/ in pachte gebruijckt bij Pieter Groove/ wesende suiver ende onbelast ghebrocht bijden voor/ staende folio 8 ghepresen op 839 ponden / 4 schellijnghen grooten ghedeelen comende alhier over de/ voorseijde helft 419 ponden 12 schellijnghen grooten vutbringhen/ de voorschreven toegheleijden partijen van desen/ Cavel A t'samen 720 ponden 15 schellijnghen grooten en moet/ maer hebben 716 ponden 12 schellijnghen 2 grooten 14 mijten soo hier voorder/ gheseijt es, dus proufijteeren te veele 4 ponden 3 schellijnghen 8 grooten/ die dese cavel A moet goet doen/ te weten aende naer volghende Cavel B/ 2 ponden 15 schellijnghen 7 grooten ende ande kijnderen van Jan Baptist/ Losschaert hiervoorne angheleijt de resterende/ 1 pont 12 schellijnghen 1 groote 20 mijten./ weesakten St Donaes 12 folio 135 ***************** Blyvende de voornoemde weesen gherecht tot een derde ende ghemeene met Jonkvrouwe Joanne Eleonore Gilson, huysvrauwe van sieur Gillis Claeissone, Ende Isabelle Gilson alle kynderen van Jan Gilson by jonkvrauwe Franchoise De Vriendt, gherecht in ghelycke derden, midtsgaders met Jan ende Franchoise de twee onbejaerde kynderen van Jan Baptiste Losschaert by jonkvrouwe Magdalene De Vriendt, gherecht in het resterende derde van alle de goederen staende in het 12e Sint Donaes f. 121, mitsgaeders alle de lasten aldaert gedeclareert, alwaer geregistreert staende successie vervallen op de voornoemde kynderen van Jan Gilson byder doot van heer en meester Joannes De Vriendt voornomt, zynde A: comptant vande weesen ghelast , employeren naer style ******************************************************************************************************* Staet van Goed Brugge 2de reeks NR 829 – datum van 4/10/1660 PAG. 5 STAET VAN GOED en Vercaevelijnghe 1- Wij Alexander de Meulenaere/ ende Jacques Anchemant schepenen/ der stede van Brugghe indien/ tijden doen te weten allen/ luijden dat wij waeren als/ schepen int ghe-meene collegie/ van schepenen collegialick/ vergadert zijnde, alswaer dat/ compareerden Sieur Pieter van/ Lantschoot weduwnaere ten/ sterfhuijse van jouffrauwe Marije/ de Vriendt over een derde staecke/ voorts Sieur Boudewijn van Lantschoot/ ende jouffrauwe Clara/ Cobrijsse sijne huusvauwe over/ ghelijcke derde staecke, voorts/ Guillaume Matin D'oude als/ machtich over Dheer Pieter/ Michiels filius Dheer Ferdinand/ weduwnaer ten sterfhuijse/ van jouffrauwe Anna/ 2- van Lantschoot bij wettelicke/ procuratie ghepasseert voor/ Burgemeesters ende/ schepenen deser stede in/ daten vanden sessentwijntichsten/ februarij sesthienhondert/ t'sestich onderteeckent F. de/ Blende ende ghereghelt metten/ zegel van zaecken der voornoemde/ stede hier ghesijen, ende waer/ van den inhouden hier naer/ gheinferreert zal worden/ ende voorts daer Jan Louijs/ Michiels voocht ordinaire, ende/ den voornoemden Guillaume/ matin d' Oude voocht ter deser/ acte gheswooren in platsche vanden/ voornoemden Sieur Pieter van Lantschoot/ als voocht ordinaire van/ Barbara Phillippote, Anna Franchoise,/ ende Angelijne Terese de/ drije onbejaerde kijnderen vanden/voornoemden dHeer Pieter/ Michiels, gheprocreert, bijde/ voornoemde jouffrauwe Anna/ van Landtschoot, den voornoemden/ dheer Pieter Michiels ende/ sijnde drije kijnderen tsaemen/ representerende de derde staecke/ ende latste, ten sterfhuijse/ soo van Sieur Boudewijn van/ Landtschoot als van jouffrauwe / Barbara van Cuijl zijne weduwe/ hunnen vader ende moedere/ midtsgaders grootvadere ende/ grootmoedere vande weesen/ de welcke comparanten/ gheven te kennen hoe dat/
3- hemlieden vuijt de liquidatie/ vanden staet van goede ten/ sterfhuijse van hemlieden/ voornoemden vader ghebeurt/ opden twijntischten septembere/ sesthienhondert vijfenveertich/ onderteeckent A. vande Velde/ als van zinne 7
voorseijde/ moedere ende den weesen/ grootmoeder gheliquideert/ upden neghenthiensten september/ sesthienhondert neghenenveertich/ onderteeckent M. vande Velde tot hedent noch ghemeene/ ende onverdeelt zijn in diversche/ hofsteden ende landen huijsen/ meulens ende renten, de welcke/ zij bij ghemeene over een draeghen/ alle hebben ghedaen prijsien/ ende estimeren bij namen/ hemlieden dies verstaende/ te weten de gonne in Moerkercke/ gheleghen, nij Jan de Meulenaere/ d'oude, Aernout van Pamele/ ende bij Jan Coene, voorts/ de ghonne in Oedelen vij Anthone/ Messiaen lantmeter beneffens/Pieter vande Kerckhove ende/ Lieven Stevens landtsluijden,/ voorts de huijsijnghe hij Jan/ ende Aernout Willaeijs/ midtsgaders Cornelius Huijghe/ stockhouders ende bij Aernoudt/ de Bets ende Jan van Sluijs/ ende voorts de meulens/ bij Pieter vanden Dorpe ende/ Jan van Poucke meulen-/werckers, bedraeghende/ 4- de generaele masse mette/ renten in capitaele ende/ verloopen gherekent tot prima/ lauwe sesthien hondert/ tsestich tsaemen ter somme van/ vier duusent vijf hondert/ vijf ponden, veerthien schellijnghen/ seven grooten compteert daer inne/elck derde part ende handeel/ ter somme van een duisent/ vijf hondert een pondt achthien/ schellijnghen twee grooten/ acht mijten, alle welck/ ghemeene partijen van/ inmeubele goedijnghen, omme/ vuijtte ghemeenticht te/ gheraecken sijlieden comparanten/ hebben ghedaen stellen in dreije/ distuute cavels A, B, en C zoo egaele ende/ ghevoughelick alst eenichsins heeft commen/ gheschieden, omme daer naere/ bij elck sijnen particulieren/ caevel, ende deel tot, te ghebruijcken/ jouijfferen ende proffesseren als/ haerlieder vrije propre ende/ eijghen goedt themlieden meesten/ oorboore ende prouffijcte, voorts/ gheven de twee eerste/ comparanten noch te kennen/ dat aen hemlieden beneffens/ de selve weesen alleene/ eclk tot een derde staecke/ bovendien noch sijn competeren/ diversche goedijnghe op zijne/ verstorven ende ghesuccedeert/ bijden overlijden van Cornelius Wouckier/ filius Cornelius Wouckier/ bij jouffrauwe Anna/
5- van Landtschoot hemlieden rechtsweer/ ten welcken sterfhuijse de/ selve aen hemlieden onder/ de cavel D te lote ghevallen/ zijn in voldoenijnghe vanden/ somme van/ over heure quote gereditaire/ ten selven sterfhuijse bedraeghen/ als in de generaele masse/ ter somme van drije hondert/ tweeentneghentich ponden/ vijf schellijnghen grooten compeert/ daer inne elck derde ter/ somme van hondert dertich/ ponden vichhien schellijnghen/ grooten, welcke goedijnghe/ sij comparanten oock insghelick/ omme vuijte ghemeentich te/ gheraecken willen ghedaen stellen/ ende subdieneren inde voornoemde/ drije cavels A, B ende C omme/ tusschen hemlieden ghelodt ghetrocken/ ende verdeelt te worden alsvo oren/ dan alsoo al tselven, int regart/ vande weese deelen met en/ vermach te gheschreven sonder/ preallabel consent ende/ auchtorisatie vande collegie/ van schepenene deser stede/ als opperregierders van alle/ weesen ende hemlieden/ resorterende , de voochden/ vande weesen baeden dat/ de selve ... interponerende/ hun wettelicke decreet/ hemlieden daertoe soude/ beliefnen te authoriseren/ presenterende zijlieden te/ verclaersen opden eedt bij hun/
6- gheden ten aencommenen van/ hunne voochdie, dat zijlieden/ alle het selve met ende/ proffijctabele vijnder voor de/ selve weesen, staende/ t'voornoemde weese goet/ gheregistreert inden eersten/ bouck van weesen van/ Sincte Donaes zestendeel/ folio vierentseventich, alle/ twelcken bijden voornoemden/ collegie van schepenen/ ghehoort ende namentlick/t"savorabel rapport van mijne/ schepenen van weesen, midtsgaders den eedt vande/ voochden vaden weesen/ hebben interponerende hn/ wettelicke decreet de selve/ voochden tot doene vande/ naerschreven vercavelijnghe/ gheauthoriseert zoo zij doen bij/ desen, welcken volghende soo/ zijn de voorschreven cavels/ ghtetrocken bij jonkheer Charles/ Heurbloch raedt inde platse van/ burgemeester vande commune/ ende is de cavel A te loote / ghevallen aen Sieur Pieter van/ Landtschoot, consisterende/ eerst in eene hofstede/ gheleghen binnen de Ambachte/ ende prochie van Moerkercke/ onder de Waterijnghe van noort/ over leije met vierentwintich/ ghemeten twee lijnen zes/ roeden landts deel van meeredere/ partijen van veertich ghemeten/ sessenvictich roeden en halfne/ lants daerof de resterende/
7- vichthien ghemeten een lijne/ victich roeden halfne lants/ zijn vande selve hofstede/ ghesepareert ende hier naer/ ghestelt inde cavel B bij/ staete ghebrocht folio twee/ drije eene viere tsaemen in/ pachte ghebruijckt bij Lieven / Maes tot acht guldens/ van ghemete bij jaere/ ghepresen ende gheestimeert/ voor hunne goet tes advenante/ van tweeen dertich ponden/ grooten vlaemsch van ijder/ ghemet bedraeghende seven/ hondert tnegentich ponden/ grooten waer 8
af ghetrocken/ de lasten van twaelf schellijnghen/ acht grooten, vier mijten tsiaers/ onlosselicke rente in drije/ partijen daere vuijtte gaende/ als per staet folio twee/ verso ende drije, vuijtbrenghen/ vichthien ponden vier schellijnghen/ vier grooten, rest daer over/ alhier zuiver baete tot seven/ hondert vierentseventich ponden/ vichthien schellijnghen, acht/ grooten, voorts in een huus/ metten toebehoorten wesende/ eene dweersloven wijlent/ vier huusen gheweest t'sijnde/ ghenaempt "den Burgoenschen/ schilt" met een scheure/ ende erfve daer achter/ totten meur vande cloostere/ vande chartreusen bij staete/ ghebrocht folio veerthiene/ ende vichthien jeghenwoordich/
8- bewoont bij eersten comparant/ ghepresen op twee hondert/ vijfentwijntich ponden grooten/ waeraf ghetrocken tlast/ van neghen grooten tsiaers/ leenrente ende dertich/ schellijnghen grooten over dhelft/ van drije ponden grooten tsiaers/ losrente bedraeghende in/ capitaele sevenentwijntich/ ponden achthien schellijnghen/ grooten, de welcke ghemijnckt/ vande voornoemde prijsie,/ blijft daer over suijnen baete/ hondert sevenentneghentich/ ponden twee schellijnghen/ grooten,/ voorts noch de gherechte/ helft van eene olije wijnt-/meulen staende buijten deser/ stede op de prochie van Ste/Baefs bij het cloostere van/ St Andries ghenaempt "Ruijsch/ int velt" bij staete ghebrocht/ folio achthien en verso/ indifferentelick ghebruijckt/ bijde eerste twee comparanten/ ende den proprietaris vande/ wederhelft, ghepresen ende/ gheaffirmeert int gheheele/ op vier hondert seven ponden/ vier schellijnghen vier grooten/ waeraf ghetrocken tlaste van/ sesthien schellijnghen acht/ grooten tsiaers lants cheijns/ jeghens de penninck vierentwijntich, bedraeghende/ twijntich ponden grooten vlaems/ blijft noch einne baeten drije/ hondert sevenentachentich/ ponden vier schellijnghen vier/
9- grooten compt hier over dhelft/ van dit sterfhuus hondert/ drijenneghentich ponden twaelf/ schellijnghen twee grooten/ voorts eene rente van drije/ ponden neghen schellijnghen/ vijf grooten acht mijten tsiaers/ den penninck sesthiene vier grooten/ tsiaers ghemeene met de/ naervolghende cavels V ende/ C tot laste van wijlen Sieur/ Jaspar de Salome nu Pieter/ Bockman jeghens welck hebbende/ de weduwe vande selven/ de Salome bij staete ghebrocht/ folio twijntich bedraeghende/ in capitaele hondert sessent-sestich/ ponden derthien schellijnghen/ vier grooten ende over de/ verlopen vande selve rente tot/ ghelijcke ende verachtert/ tsijdert neghenthiensten junij/ sesthien hondert vichtich het/post, ghenomen up neghen jaere/ en half, tot ende met decembre/ sesthien- hondert neghenenvichtich/ beloopende achten neghentich/ ponden neghenthien schellijnghen/twee grooten, compt tsaemen/ twee hondert vijfentsestich/ ponden twaelf schellijnghen// ses grooten ende hier over/ een derde achtentachentich/ ponden thien schellijnghen thien/ grooten, voorts noch eene/ rente van zes ponden grooten/ tsiaers de penninck zesthiene/ up obligatie van Jan vande/
10- Pitte bij staete ghebrocht folio/ tweentwijntich verso bedraeghen/ in capitaele sessenent-neghentich/ ponden grooten, ende over de / verloopen van de selve tsijdert/ den eenentwijntichsten septembere/sesthien hondert achtenvichtich/ bedraeghende over een jaer/ drije maenden thien daeghen/ seven ponden derthien schellijnghen/ vier grooten, compt tsaemen/ hondert drije ponden derthijn/ schellijnghen vier grooten, voorts/ noch een rente van zes/ ponden vijf schellijnghen/ grooten sjiaers losselick/ de penninck zesthiene op/ obligatie tot laste van jonkheer/ Salamon van Maldeghem sluusmeester/ ende Jan Plante ontfanger/ vande waetrijnghe van/ moerkercke noort over leije als/ per staet folio drieentwijntich/ verso bedraeghende capitaele/ hondert ponden grooten, ende/ over de verloopen tsijdert/ neghenentwijntichsten octobere/ sesthienhondert achtenvichtich/ sijnde een jaer twee maenden/ twee daeghen tot seven ponden/ ses schellijnghen ses grooten/,compt tsaemen hondert seven/ ponden ses schellijnghen ses grooten/ ende voorts noch eene rente/ van een pondt elf schellijnghen/ drije grooten tsiaers den penninck/ sesthiene op obliagtie tot/ laste van Pieter van Cuijl/ nu sijne weduwe als per/ staet folio vierentwijntich/
11- bedraeghende in capitaele/ vijfentwijntich ponden grooten/ ende over de verloopen tsijdert/ achtiensten hoijmaent sesthien-/ hondert achtenvichtich en post/ bedraeghende over een jaer/ vijf maenden derthien daeghen/ twee ponden vijf schellijnghen/ vier grooten, comp tsaemen/ sevenentwijntich ponden vijf/ schellijnghen vier grooten,/ vuijtbringhende alle de voorschreven/ aenghemelde partijen ter/ somme van een duisent/ vier hondert tweeentwijntch/ ponden vijf schellijnghen thien/ grooten vlaemsch, voorts moet/ noch ontfanghen in contant van/ cavel B vijf ponden drije/ schellijnghen acht grooten/ ende voorts noch vier ponden/ acht schellijnghen acht grooten/ van cavel C als hier naer/ tsaemen vuijtbrijnghende over/ het derde ter voorseijde/ somme van vichthijen hondert/ ses ponden achthien schellijnghen/ twee grooten, ende daer-/mede afgaen, voorts zal dese/ cavel A noch volghen/ vuijtte goederen 9
vanden/ voornoemden Cornelius filius / Cornelius Wouckier een ghemet/ sevenendertich roeden ende/ een vierde meersch over een/ vierde in vier ghemeten/ een lijne neghenendertich/ roeden meersch ligghende/ binnen de prochie van Oedelem/ noort west van de kercke/
12- ende noordtwest bijden goede/ ende casteele "Ten Torre" inden/ eeckemeersch ghebrocht bij staet/ folio drie en verso, gheestimeert/ ende vercavelt zuijnen up/ twijntich ponden grooten het ghemet bedraeghende int ghehele/ neghenentachentich ponden/ vijf schellijnghen vier grooten,/ waeraf ghetrocken vijf schellijnghen/ twee grooten gront of te cheijns-/rente gherekent jeghens den/ penninck vierentwijntich ses/ ponden vier schellijn-ghen grooten/ rest zuijver dreientachentich/ ponden eene schellijnghe vier/ grooten, compt over t'selve/ vierde, twointich ponden vichthien/ schellijnghen vier grooten, Voorts/ noch eene rente van vijf ponden/ grooten tsiaers losselick den/ penninck sesthiene tot laste/ van Stiene Melis ende sijne/ hofstede in Oedelem bedraeghende/ in capitaele tachentich ponden/ grooten, ende over de verloopen/ tsijdert thiensten april sesthijen-/ hondert viereenvichtich compt/ over vijf jaeren acht maenden/ eenentwijntich daeghen totten/ lasten december sesthienhondert/ neghenenvichtich achtentwijntich/ ponden twaelf schellijnghen/ twee grooten, tsaemen hondert/ acht ponden twaelf schellijnghen/ twee grooten, vuijt brijnghende/ beede de bewesen partijen/ hondert neghentwijntich/ ponden seven schellijnghen, ses/
13- grooten, inde met dese/ cavel A als hier vooren over/ zijn ghebrocht derde hebben/ ende pruffijteren hondert/ dertich ponden vichthien schellijnghe/ grooten dus compt t cort/ ende sal ontfanghen hier naer/ van cavel C tot sessenijnghe/ een pondt seven schellijn-ghen ses/ grooten ende daermede./ Voorts de cavel B is te lote / ghevallen aen Sieur Boudweijn van/ Landtschoot, confisterende verst/ inde nombre van vichthijen/ ghemeten een lijne vichtich/ roeden landts en half over/ dhelft van eenendertich ghemeten/ een roede lants ghemeene/ met wijlen Jonvrauwe Isabelle/ filia dHeer Jacques Michiels/ de selve vichthijen ghemeteneen/ lijne vichthien roeden en half/ lants tot hedent gheweest/ sijnde deel ende ghegaen/ hebbende mette hofstede daer/ Lieven Maes up woont/ ligghende binder voornoomden/ ambachte ende prochie van/ Moerkercke onder de waterijnghe/ van noort over de Lijeve, die de selve/ partije noch in pachte is/ hebbende als per staet folio/ viere ghepresende ghaffirmeert/ ten advenant van vierentwijntich/ ponden grooten van de ghemete/ zuijvere, vuijtbrijnghende drije/ hondert tweeentzeventich ponden/ grooten, waeraf ghetrocken de/
14- laste van sessentwijntich schellijnghen/ thijen grooten zesthien mijten tsiaers/ onlosselick rente in ses partijen/ daer vuijtte gaende bedraeghende/ tweeendertich ponden vijf/ schellijnghen vier grooten/ rest daer over alhier zuivere baete/ drijehondert neghendertich/ ponden veerthijen schellijnghen/ acht grooten. Voorts d' hofstede/ daer Jan Coene up woondt/ ligghende binde voornoemde/ prochie van Moerkercke inde/ waterijnghe van zuijt over de/ Leije ende binnen den twaelfschepe/ van Middelburg in Vlaenderen/ groot achthien ghemeten/ eenentnegentich roeden landts/ ende busch bij staete ghebrocht/ folio viere en verso ende vijfve/ ghepresen ende ghestimeert ter/ advenant van vichthijn ponden/ grooten tghemet zuivere goede/ voor zuivere gelt, belopende/ twee hondert vierentzeventich/ ponden elf schellijnghen grooten/ waeraf ghetrocken talste van/ twaelf goede drije en halfve vier/.ten briefven van Aertrijcke/ in dertich hoofden, ende verschelle/ elf deniers obele parresis inden/ sesde bouck in tweeendertich/ hoofden penninck rente dienen/ vuijt de selve lande oock geldt/ ter voornoemde briefven van/ Aertrijcke, de welcke ghecalculeert/ twaelf jaeren denir een compt ten/ advenant van vierentzeventich/ ponden drije schellijnghe vier deniers/ par siaers, ende ghereckent in/ capitael jeghens den peninck/
15- tweeendertich bedraeghen hondert/ sevenentneghentich ponden/ vichthijen schellijnghen ses grooten/die ghetrocken vande voornoemde/ prijsie van twee hondert vieren-/ tseventich ponden elf schellijnghen/ grooten, eerst alhier sinnen baete/ sessentzeventich ponden vichthijen/ schellijnghen ses grooten, voorts/ noch zes diversche leenen in/ Moerkercke alle ghehouden vande/ hove van Moerkercke, ligghende/ zuijt vander kercke int sevenen-/twintischste beghin vande waterijnghe/ van zuijt over Leije van ouden/ tijden groot acht ghemeten/ twee lijnen eenentachtich/ roeden lants ende 10
bij nieuwe/ maete van Joos van Toortelboom/ naer groot bevonden acht ghemeten/ achten-neghentich roeden lants/ weesende zuiver ende onbelast/ als per staet folio zevene verso/ ende achte in pachte ghebruickt/ bij Florens Duffele ghepresen/ op veerthien ponden vijf schellijnghen/ grooten het ghemt, bedraeghende/ hondert achtijen ponden derthijen/schellijnghe grooten. Voorts noch/ een huus metten toebehoorten/ wijlen twee ghenaempt "de Bonte Coe" met een scheure/ daer achter staende ende een/ houckhuijs daer binnen als per/ staet folio neghene en verso/ bewoont bij Sieur Boudewijn van/ Lantschoot, dies moeten de twee/ deuren inde scheure west-waarts/ opengaende ende vuijt-commende/ op de erfve vande nieuwen/
16- huuse ghet fort worden ende/ en vermochene aldaer gheenen/ vuijtwech meer te nemen/ ende is ghepresen zuiver goede/ alle lasten afslach doende up/ twee hondert vijfnentseventich/ ponden grooten waeraf ghetrocken/ tlast van vier schellijnghen twee/ grooten sjiaers landtcheijns/ ende twintich schellijnghe/ grooten tsjiaers losrente den/ penninck achthijene aende kercke/ van St Cruus tsaeĂšen bedraeghen/ drieentwijntich ponden grooten, rest/ daer over zuiver baete twee hondert/ tweeenvichtich ponden grooten/ vlaemsch, voorts noch de neghen/ deelen van zesthijene van eene/ olie wijntmeulene ghenaempt/ "het Draecken Hooft", metten/ advenant vande wal daer/ op de selve is staende opden/ barm vande veste desen/ stede bijde Speijepoorte als per/ staet folio sesthiene en de/ seventhijene, ghepresen int/ gheheele zuiver op de zes hondert/ veertich ponden, elf schellijnghen/ acht grooten, waeraf ghetrocken/ tlaste van een schellijnck elf/ grooten achthijene mijten tsiaers/ grontrente ende vier ponden/ grooten tsiaers losrente daer-/vuijtte gaende bedrae-ghende/ ses ende tsestich ponden thien/ schellijnghen ses grooten, de/ welcke ghededineert vande/ voornoomde zes hondert/ veertich ponden elf schellijnghen/ acht grooten, rest daer over/
17- zuiver baete ter somme van/ vijf hondert vierentseventich/ ponden vier schellijnghen twee/ grooten int gheheele compt/ over de selve neghen deelen/ van sesthiene drije hondert/ tweeen-twijntich ponden neghen/ thijen schellijnghen thien grooten/ voorts noch eene rente van/ drije ponden neghen schellijnghen/ vijf grooten acht mijten tsiaers/ de penninck zesthiene over/ een derde in thien ponden acht/ schellijnghen vier grooten tsiaers/ ghemeene mette voorschreven/ ende naervolghende cavel/ tot laste van wijlent Sieur Jasper/ de Salome nu Pieter Bockman/ in huwelijck hebbende de/ weduwe van de selve Salome/ bij staete ghebrocht folio/ twintich bedraeghende in/ capitaele hondert sessentzestich/ ponden derthien schellijnghen vier / grooten end eover de ver-loopen/ tsijdert neghenthiensten junij/ sesthijenhondert vichtich es/ post achtentneghentich ponden/ neghenthijen schellijnghen twee/ grooten compt tsaemen twee/ hondert vijfnenzestich ponden/ twaelf schellijnghen ses grooten/ ende over tderde achtentachen-/tich ponden thien schellijnghen/ thien grooten. Voorts noch/ eene rente van thien ponden/ sesthijen schellijnghen acht/ grooten tsiaers den penninck/-sesthiene op obliagtie tot/
18- laste van Sieur Jan Gilson als/ per staet folio eentwijntich/ verso, bedraeghende in capitaele/ hondert drieentzeventich sesthijen/ schellijnghen vier grooten, ende/ over de verloopen vanden selve/ rente tsijdert vierden junij/ sesthien hondert sevenenvichtich/ vuijt brenghende over twee/ jaeren ses maenden sessentwijntich/daeghen sevenentwijntich ponden/ sesthijen schellijnghen acht/ grooten/ compt tsiaers twee/ hondert een ponden derthijen/ schellijnghen grooten,.
Voorts/ noch eene rente tsiaers den/ penninck zesthiene op obliagtie/ tot laste van Cornelis Huijghe/ op de borchtochte van jouffrauwe / Margriete van Cuijl vidua Adriaen/ de Deijstere bij staet ghebrocht/ folio eeentwijntich bedraeghende/ in capitaele achtenveertich/ponden grooten ende over de/ ver-loopen vande selve tsijdert/ seventhiensten septembre sesthiene/ hondert achtenvichtich, compt/ over drije jaeren vierentwijntich/ daeghen drije ponden neghenthijen/ schellijnghe grooten maeckende/ tsaemen eenenvichtich ponden/ neghenthijen schellijnghe grooten/ ende voorts noch een rente/ op obligatie tot laste van/ dHeer Pieter Michiels als/ per staet folio drieentwijntich/ bedraeghende in capitaele/ vichtich ponden grooten, ende/
11
19- over de verloopen tsijdert/ achthiensten junij sesthienhondert/ achtenvichtich sijnde een jaer/ zes maenden derthijen daeghen,/ bedraeghende vier ponden/ sesthijen schellijnghen grooten/ maeckende tsamen vierenvichtich ponden zes thien schellijnghen/ grooten vuijtbrenghende alle/ de voorschreven anghecavelde/ partijen tsaemen een duisent/vijf hondert seven ponden/ een schellijnck thien grooten/ ende en moet maer hebben/ over sijne derde als hiervooren/ een duust vijf hondert een/ ponden achthijn schellijnghen/ twee grooten, dus te vele/ dat dese cavel B moet/ furniren comptant an cavel/ A als hier vooren oock gheseijt/ is vijf ponden drije schellijnghe/ acht grooten ende daermede/ verhael, voorts zal dese cavel/ B noch volghen vuijtte goederen/ van Cornelius filius Cornelius/ Woucker/ bij jouffrauwe Anna/ Van Landtschoot, een vierde part/ in een hofstedeken groot/ seven ghemeten twee lijnen/ acht roeden landts mette/ huuse ende boomen daer uppe/ staende inde prochie van/ Sijsseele inde "Velthouck" commende metten noorthende/ jeghens de Veldstraete, als per staet folio viere verso/ ende vijfve ghepresen ende/ gheaffirmeert int gheheele/ op veertich ponden grooten compt/
20- over t'selve vierde, thien ponden/ grooten als vrije guijte erfve./ Voorts een vierde part ende/ handeel in een huus inde Peper-/straete ter zuijtzijde mette/ platse van lande daermede/ gaende als per staet folio/ zesse verso ende sevene/ ghepresen ende gheaffirmeert/ int gheheele op tneghentich/ ponden grooten af tlaste van/ seven schellijnghen thijen grooten/ acht mijten siaers erfnelicke/ grontrente jeghens den penninck/ vierentwintich bedraeghende/ in capitaele neghen ponden acht/ schellijnghen acht grooten, blijft/ seven resterende de somme/ vant'achentich ponden elf/ schellijnghe vier grooten, compt/ over een vierde twijntich ponden/ twee schellijnghen thijen grooten/ end evoorts eene rente van vijf / ponden grooten tsiaers den/ penninck achthiene op ende tot/ laste Jaecques Longhespe ende/ sijne twee huusen ter noortsijde/ van de Langhe-straete, bedraeghende/ in capitaele tneghentich ponden/ grooten, ende over de verloopen/ tsijdert neghen-twijntichsten/ lauwe ses thijenhondert achten-/vichtich, compt over een jaer/ elf maenden, neghen ponden/ elf schellijnghen acht grooten/ tsaemen neghenentneghentich/ponden elf schellijnghen acht/ grooten, vuijtbrijnghende alsoo/ tsaemen de voorschreven drije/ partijen van dese cavel B/ hondertneghenentwijntich ponden/ veerthijen schelijnghen ses grooten/
21- ende naer hebben alhier vooren/ over zijn voorschreven derde part/ hondert dertich ponden vichthijen/schellijnghen grooten, dus zal/ontfanghen tot effenijnghe van/ naerschreven cavel C twijntich/schellijnghen ses grooten ende/ daermede .., Ende voorts/ de cavel C is te lote ghevallen/ aen Dheer Pieter Michiels ende/ sijne drije kijnderen gheprocreert/ bij jouffrauwe Anna van/ Landtschoot sijne overleden huijsvrauwe/ consisterende: * eerst in eene/ behuusde hofstede staende/ ende ligghende binnen de prochie/ ende heerlickheede van Oedelem/ "ten Berghe" ter heerlickhede/ van Praet noort west vande/ kercke groot int gheele/ zevenendertich ghemeten een/ lijne seven-entsestich roeden/ lants, daerof dit sterfhuijs/ competeert tweeendertich/ ghemeten twee lijnen vijfven/tachentich roeden lants met/ noch een lijne lants bij d'overledene daerinne ghecocht tsaemen/ tweenedertich ghemeten twee/ lijnen vijfentachentich roeden/ lants, daer Pieter Callant bij pachte/ uppe woont als per staet folio/ vijfve verso, sesse ende zevene,/ en de welcke ghepresen ende/ gheestimeert is voor vrije guijte/ versine, mette fruijt draeghende/ ende opgaende bomen, midtsgaders/ het woonhuus, als de reste/ aengaende den pachtere op/ veerthien ponden thijen schellijnghen/
22- grooten het ghemet den een/ bedraeghende over de selve twee-/dertich ghemeten twee lijnen/ vijfventachtentich ponden zesthijen/ schellijnghen acht grooten, waeraf/ ghetrocken het last van ses hoeden/ drijespijnt ende een vierde ../ ende twee schellijnghen ses grooten/ een denier parresijs pennijnck rente/ dienen vuijtte selve hofstede int/ gheheele gelt aenden selven/ heere baron, de welcke gheredimeert/ is op vijnentwijntich schellijnghen/elf grooten tsiaers, die gherekent/ jegens den penninck tweenedertich/ bedraeghende int gheheele/ eenenveertich ponden twaelf schellijnghen/ grooten, ende voorts noch afghetrocken/ eene grontrente van ses grooten/ vier corten aende kercke van/ Oedelem, ende noch een schellijnck/ thijen grooten aenden disch van/ Oedelem bedraeghende tsaemen/ jegens den penninck vierentwijntich/ twee ponden sesthijene schellijnghen/ acht grooten, ende alsoo tsaemen/ vierenveertich ponden 12
achtschellijnghen/ acht grooten, compt over de selve/ tweeendertich ghemeten twee/ lijnen vijnentachenttich roeden/ tot vierentwijntich schellijnghen/ grooten vande ghemeten, neghen-/endertich ponden achtijen schellijnghen/ grooten, dus rest daer over noch/ zuiver baete vierhondert zevenen-/ dertich ponden achtijen schellijnghen/ acht grooten. Huizen in Brugge Hoyvaert straetken (= ts Essenboomstraat en Balsemboomstraat) * Voorts noch een/ nieuw steenen huus met eene/groote poorte ende erfve daer/ achter ligghende staende ten/ voorhoofde binnen deser stede/
23- ter zuutzijde vande Langhestraete/ ende ter westzijde vanden voornoemden/ huuse "de Bonte Coe" jeghenwoordich/ ledich staende als per staet/ folio thiene ende elfve ghepresen/ ende gheestimeert op drije hondert/ drijendertich ponden ses schellijnghen/ acht grooten, waeraf ghetrocken/ het last van vijfnendertich grooten/ tsiaers grontrente aende disch/ van St Cruus jeghens den penninck/ vierentwijntich bedraeghende drije/ ponden thien schellijnghen grooten,/ eerst hier zuiver baete drije hondert/ neghenentwijntich ponden sesthijen/ schellijnghen acht grooten./
* Voorts noch een huus metten toebehoorten/ staende ten houcke van het/ Hoijvaert-straetken wesende een/ ghereelmaeckers wijnckele/ wijlent een huudevetterije gheweest zijnde/ commende noordt op het reijken/ ofte stede waterloop inde/ Langhestraete als per staet/ folio elfve verso ende twaelfve/ in pachte ghebruijckt bij vidua/ Donaes de Schavere ghepresen tot/ hondert sesthijen ponden derthijen/ schellijnghen vier grooten waeraf/ ghetrocken tlaste van vijf schellijnghen/ een groote twaelf mijten tsiaers/ in drije partijene daer vuijtte gaende/ jegens de penninck vierentwijntich/ bedraeghende ses ponden drije schellijnghe/ grooten, rest zuiver baete hondert/ thijen ponden thijen schellijnghen/ vier grooten./ * Voorts noch een/ huiseken nieuwelich upghemaeckt/ staende zuut daernevens int/ voornoemde Hoivaertstraetken, hier voortijden gheweest sijnde deel/ vande voorgaende partije ende/
24- huudevetterije ende nu daerof ghesepareert/ van grachten met een haeghe/ als per staet folio twaelfve/ verso ghebruijckt in heure bij/ Frans Jooris ghepresende/ gheestimeert voor zuiver goet/ op tseventich ponden grooten,/ * Voorts noch een huiseken met een/ schoon erfveken in het voornoemde/ Hoijvaertstraetken oock suijt vande/ voorgaende partije als per staet/ folio derthiene in pachte ghebruijckt/ bij vidua Franchois Dierkens ghepresen/ up vijfventzeventich ponden grooten/ waer of ghetrocken staet van/ neghen endertich schellijnghe ses pennijnck/ par siaers grontrente jeghens/ de penninck vieren twintich/ bedraeghende drije ponden neghenthijen/ schellijnghen grooten, rest hier zuiver/ baete eenentzeventich ponden een/ schellijnck grooten,.
Voorts eene/ rente van twaelf ponden thijen/ schelijnghen grooten tsiaers den/ penninck sesthijne bezedt ende/ gheijpotgequieert upde middelen/ vande maelderie van Vlaenderen/ int quartier der stede van/ Gendt bij staete ghebrocht/ folio neghenthiene bedraeghen/ in capitaele twee hondert/ ponden grooten, ende over de/ verloopen vande selve verachtert/ tsijdert achtiensten maerte/ sesthienhondert sevenenvichtich/ es post bedraeghende tot prima/ lauwe (=januari) sesthienhondert tzestich/ over twee jaeren neghen maenden/ twaelf daeghen verloope/ vierendertich ponden vichthijen/ schellijnghen thijen grooten als voorschreven/ noch ene rente van drije ponden/
25- neghen schellijnghen vijf grooten/ tsiaers en thien ponden acht schellijnghen/ vier grooten den penninck zesthiene/ op obligatie tot laste van wijlent/ Sieur Jasper de Salome nu Pieter Bockman in huuwelicke hebbende de/ weduwe vanden selven Salome als/ per staet folio twijntich, bedraeghende/ in capitaele met d everloopen/ tsijdert neghenthijensten junij/ zesthienhondert vichtich verpost/ghenomen up neghen jaeren en half/ tot ende met december
13
sesthijen-/hondert neghenenvichtich, tsaemen/ neghenentachtich ponden thien/ schellijnghen thien grooten over/tderde van twee hondert vijfventzestich/ ponden twaelf schellijnghen ses grooten/ int gheheele,.
Voorts noch eene/ rente van vijf ponden grooten tsiaers/ de penninck sesthiene op obliagtie/ tot laste vande ghemeene hoirs/ van dHeer Ferdinand Michiels/ als per staet folio drijentwijntich/ bedraeghende in capitaele/ tachtentich ponden grooten,/ ende over de verloopen tsijdert/ vijfden meije sesthijenhondert/ sevenenvichtich, bedraeghende/ over twee jaeren seven maenden/ vijfnentwijntich daeghen, derthijen/ ponden vijf schellijnghen grooten/ tsaemen/ maeckende drientneghentich/ ponden vijf schellijnghen grooten./
Voorts noch eene schellijnghen/ ses grooten siaers op obligatie/ tot laste van Jonker Ambrosius/ Bremers upde borchtochte van/ Adriaen de Keersmaeckere als/ per staet folio vierentwijntich/
26- verso bedraeghende in capitael/ jegens den penninck sesthiene/ vichtich ponden grooten, en de over/ de verloopen tsijdert den derthiensten/ junij sesthijenhondert achtenvichtich/ sijnde een jaer zes maenden/ achthijen daeghen, vier ponden/ zeventhijen schellijnghen grooten,/ compt tsaemen vierenvichtich ponden/ seventhijen schellijnghen grooten,/ ende voorts noch eene rente van/ vichthijen schellijnghen grooten, sjiaers/ den penninck zesthien op obligatie/ tot laste van Lauwereijns Bultijnck/ als per staet folio vijfentwijntich/ bedraeghende in capitaele twaelf/ ponden grooten, ende over de/ verloopen tsijdert thiensten lauwe/sesthijenhondert vierenvichtich/ ende is up anne sesthijenhondert/ vijfvenvichtich ende sesthijenhondert/ sessenvichtich ontfaen twee/duisent ponden tot neghen schellijnghe/ grooten tduust, dus is up anno/ sesthienhondert sessenvichtich/ ontfaen drije schellijnghen grooten/ rest drije ponden elf schellijnghen/ twee grooten compt tsaemen/ met het voornoemde capitael/ vichthijen ponden elf schellijnghen/ twee grooten, vuijt brijnghende/ alle de voorschreven aenghecavelde/ partijen van lande huusen ende/ renten dese cavel C hier vooren/ bewesen ter somme van een/ duust vijf hondert ses ponden/ ses schellijnghen ses grooten/ ende en moet naer hebben als/ hier vooren tot een duust vijf/hondert ses ponden achtijjen /schellijnghen twee grooten, dus/ wort dese cavel te welc bewesen/
27- tot vier ponden acht schellijnghen/ ende acht grooten, dat de selve in/ comptant sal moeten betaelen ende/ firnieren aende voorschreven cavel/ A tot heffennijnghe,/
* Voorts vuijtte/ goederen van Cornelis filius Cornelis/ Wouckier, eerst een vierde part/ ende handeel in thijen ghemeten/ achtentzeventich roeden busch, ligghende/ binnen de prochie van Oedelem ende/ Beernem ghebrocht per staet folio/ viere verso ghepresen mette taillie/ daerop staende voor zuiver ende/ onbelast op tzestich ponden neghen/ schellijnghen acht grooten int/ gheheele compt over tselve vierde/ vichthijen ponden twee schellijnghen/ vijf grooten.
* Voorts noch het vierde/ part ende handeel in een behuusde/ hofstede staende ende ligghende/ binnen de voornoomde prochie/ van Oedelem ende Beernem groot/ zesthijen ghemeten veerthijen/ roeden lants onder dheerlickheede/ van Praet als per staet folio/ drije verso ende viere, ghepresen/ voor zuiver ende onbelast up/ neghenthijen ponden vicht-hijen/ schellijnghen grooten, het ghemet/ bedraeghende int gheheele drije/ hondert sesthijen ponden achtijen/ schellijnghen vijf grooten, compt over tselve vierde neghenent-zevent-/tich ponden vier schellijnghen/ seven grooten, ende voorts noch/ eene rente van twee ponden/ grooten tsjiaers den penninck/ sesthiene tot laste vande/ wet van Maldeghem ende/ hemlieden huus alsin nieuwelich/
28- gheapplicquiert aen hemlieden/ conchiergernie ofte stadthuus/ aldaer, bedraeg-hende in capitaele/ tweeendertich ponden grooten/ maeckende met ses ponden/ sesthijen schellijnghen grooten over/ de verloopen tsijdert neghensten/ ougst sesthijenhondert sessenvichtich/ tot ultima decembre sesthijen/ hondert neghenenvichtich maeckende/ drie jaeren vie rmaenden tweenen /twijntich daeghen tsaemen ter somme/ van achtendertich ponden zesthijen/ schellijnghen 14
grooten, vuijtbrijnghende/ de voorschreven drije bewesen/ partijen tsaemen hondert drijendertich/ ponden drije schellijnghen grooten, ende en moet maer hebben hondert/ dertich ponden vichthijen schellijnghen/ grooten, dus te vele twee ponden/ acht schellijnghen grooten die dese/ cavel C moet betaelen met/ comptant aende voornoomde/ cavel A tot sevenentwijntich/ schellijnghen ses grooten, ende/ aende cavel B totte resterende/ twijntich schellijnghen ses grooten/ ende daermede elck efhael, ende is/ voorts te weten dat van alle/ de verachtende lants pachten/ tot ende baemisse, ende vande/ huusheuren tot ende met kersmesse/ sesthijenhondert neghenenvichtich/ incluus sal rekenijnghe ghedaen/ worden jeghens de verachterhede/ van renten daer vuijtte gaende/ tsijdert wanneer elck zal/ commen inde volle opziene baeten/ ende prouffijtten van sijn/ anghecavelde partijen ende oock/ belast tweesen inde lasten van/
29- renten daer vuijtte aende hier/ vooren ghespecifieert, blijfnende/ voorts tusschen elckanderen noch/ ghemeene ende onverdeelt de/ baetelicke inschulden bijde staeten/ voor ghemeene ghelaeten die bij/ rekenijnghe purgative oock zullen/ verantwoort worden, sijndelijnghe/ is noch te weten dat int sterfhuus/ vande voornoomden Cornelis filius/ Cornelis Wouckier boven de/ voorschreven vercavelde partijen/ heeft ghecompeteert: * een vierde/ paert ende handeel in een huus/ ende backherije staende binnen/ deser stede ter zuijtzijde vande/ Langhestraete ghenaempt "Sincte/ Victoor" gheheele aen Jan Hanssens/ backere totter somme van vijf/ hondert ponden grooten vlaemsch/ haeren goet voor zuiver gelt/ ende es sweesen paert ende/ handeel daerop behouden in rente/ * ende oock dat het vierde part/ inde nombre van neghenthijen/ ghemeten een lijne sessen-twijntich/ roeden lants het sterfhuus vanden/ selven Cornelis Wouckier oock/ competerende in een hofstede/ van zevenendertich ghemeten twaelf/ lijnen zevenent-zestich roeden/ lants in Oedelem “Ten Berghe�/ ghemeene met de eerste/ sterfhuuse vande kijnderen/ vadere ende moedere hiervooren/ mette hofstede inde nombre van/ tweeendertich ghemeten twee lijnen drijentachtich roeden is/ vercavelt ende verdeelt, inde/ toegheleijt aende cavel C, / bekennende zijlieden comparanten/
30- ende namentlich de voornoomde/ voochden van de weesen vuijt crachte/ vanden voorschreven wettelicken/ consentie ende authorisatie vanden/ collegie van schepenen deser/ stede van Brugghe inde manieren/ voorseijt, alsoo vercavelt, verdeelt/ ende van elckanderen ghesepareert/ te wesen, inde beloven deer den/ anderen ende verkanderen elck/ anghecavelde partijen inden/ manieren voorschreven te weten/ te waeren ende te haeranderen/ jegens elcken mensche, op het/ verbandt van hemlieden respective/ persoonen ende goedijnghen present/ende toecommende als naer rechte,/ hier naer volght het inhouden/ vande voorschreven wettelicke/ procuratie, burgemeesters/ schepenene ende raeden der stede/ van Brugghe, doen te weten dat/ voor ons commen ende ghecompareert/ is d'Heer Pieter Michiels weduwnaer/ ten sterfhuiise van jouffrauwe / Anna Van Landtschoot impotent/ te bedde ligghende, den welcken/ comparant heeft machtich/ ghemaeckt ende gheconstitueert/ soo sij doet midts desen Guille/ Matijn d'oude ende... (niets vermeld)/ hemlieden ende/ elcke zonderlijnghe tooghen deser/ ghemende volle macht, authoriseert/ ende speciael bleven alsoluijt ende/ irrenocabel, omme over hem/ comparant beneffens de mede/ hoirs ten sterfhuuse van Sieur/ Boudewijn van Landtschoot sijn/ schoonvader, midtsgaders beneffens/ de voochden van s'comparante/ drije kijnderen gheprocreert bijde/ voornoemde jouffrauwe Anna/
31- van Landtschoot als hoir ten sterfhuuse/ van jouffrauwe Barbara van Cuijl/ weduwe van de selven Landtschoot/ hemlieden grootmoeder materneel/ te staene over de wette-licke/ acte van vercavelijnghe ende/ verdeelijnghe van generalick alle/ de immeuble goe-dijnghen bij hemlieden/ respectivelicken achter ghelaten/ ende oock mede omme inde zelve/ acte van vercavelijnghe ende/ verdeelijnghe over hem comparant/ te verkennen met de aenghecavelde/ partijen voldaen te zijne, ende/ elckanderen de selve te laeten/ alsoo ghebruijcken jonijssijren ende/ possesseren als hemlieden vrije/ propre ende eijghen goedt met/ belofte van garrande naer/ costuijme in kennesse der waerheijt/ soo hebben wij Burchemeesters/ schepenen ende raeden voornoemt/ hier oppe doen drucken den contre- / seijde van zaecken ende teeckenen/ bij onsen eersten Raedt, pensionaris/ ende eersten greffier actum/ desen sessentwijntichsten sporcle/ sesthijen hondert t'zestich ende/ was onderteeckent F. De/ Blende ende gheseghelt met/ eenen zeghel in groene hostie/ daer-oppe ghedruckt hebbende/ oversulcx de voornoemde respective/ comparanten de minute van/ desen staende in het register/ van mij onderschreven Guille/ Matin de Jonghe ghe-sworen/ clercq vanden vierschaere desen/ voorseijder stede van Brugghe/ inghevolghe vande ordonnantie/ vanden collegie van schepenen/ der voorseijden stede tsaemen/
15
32- onderteeckent, in kennesse den/ waerheijt soo hebben wij schepenen/ boven ghenoompt dese jeghen-/woordighe letteren van/ vercavelijnghe ghedaen zeghelen/ met onse respective zeghelen/ hier onder vuijthanghende in/ dobbelen staete van parhemijne/ dit was aldus ghedaen ende/ ghepas-seert binnen der voorseijden/ stede van Brugghe in het/ jaer ons heeren alsmen schreeft/ duisent zes hondert ende tzestich/ op den zeven-entwijntichsten dage/ der maendt van februarij (27-2-1660) mij / toirconde ende was onderteeckent/ Guille Matin de Jonghe Naer collatie ghedaen jeghens d'origineel vercavelijnghe van daten ende onderteeckent alsvooren, is dese copie daermede bevonden taccorderen van woorde tot woorde, mij notaris residerende binnen Brugghe ; J. Panncoucke 1660
16