Skip to main content

Lanschot Cornelis

Page 1

0


1


HET TESTAMENT VAN CORNELIS LANTSCHOT 1572-1656

Hans Van Landschoot Knokke-Heist Havalan@gmail.com 2020

2


OUDERS VAN CORNELIS LANTSCHOT II Fragmenten uit het boek Cornelis Floris, opzoekingen Leon Van Landschoot (1917-1980) en eigen opzoekingen. De ouders van Cornelius II Van Lanschot waren Cornelius I en Margriete Geens. De ouders waren Gerart Lantschot x Van den Brande. Gerart was doctor medecin in Leiden in 1557. Drie gekende zonen waren: * Cornelis I werd op 24 juni 1552 ingeschreven als poorter van Antwerpen. Hij was toen reeds procureur te Antwerpen, maar was afkomstig van Breda. * Zijn broer Jan werd in 1572 eveneens vermeld procureur te Antwerpen. In 1597 aangesteld tot procureur in de Raad van Brabant. * Philips stamvader van de Leidse tak. De moeder overleed te Antwerpen op 20 augustus 1587. "Den 24 een kerklijk uyt St.-Jorisparochie Margriete Geens daar van Kieboom secretaris den sepultuer heeft betaald in 1587". Zij werd begraven bij haar echtgenoot in de Sint-Jacobskerk, in de kapel van "De Zoeten Naam Jezus". De echtelingen van Lanschot - Geens hadden een gezamenlijk testament opgemaakt op 24 juni 1581 voor Mr. Rombout de Backere, notaris te Antwerpen residerende en zekere getuigen. Margriete Geens liet "seven wettighe kinderen bij haer ende den voorseijde Mr. Cornelis Lanschot" na als universele erfgenamen. Zes van die kinderen waren nog minderjarig. Door dit overlijden werd het gezin volledig uit elkaar gerukt. Mr. Jan Baptiste vanden Kieboom, neef der kinderen, eveneens greffier deser stadt, was voogd over de minderjarigen. Hun oom Jan Lanschot werd aangeduid als tweede voogd. * Franchoys, die te Parijs verbleef, was 24 jaar en dus meerderjarig. * Catlyne verbleef aanvankelijk te Nijvel, later bij haar oom Jan te Brussel. * Anneken was in de kost bij Elisabeth van Lare, nadien bij Steven vanden Casteele. * Cornelis verbleef te Atrecht. * Voor Maeyken werden mondkosten en schoolgeld betaald aan de Wed. P. van Lare. Vanaf Bamis (okt.) 1592 woonde zij bij haar nicht Josynken Cops, begijn te Turnhout. * Grietken vond onderdak bij haar oom Jan Lanschot te Brussel. * Gielisken, 7 jaar oud, verbleef te Mechelen bij Lyntken Wuyts. In 1596 ging hij in het klooster. Hij werd priester bij de Augustijnen. Op 26 september 1588 werd een staat opgemaakt van alle door Margriete Geens nagelaten goederen. Deze is zeker niet zo indrukwekkend als die van bekende Antwerpse kooplui uit die periode, maar toch niet zonder belang. Naast de zestig guldens en vier stuivers in kontanten die ten sterfhuize bevonden werden vermeldt het document "huysraet, lynwaet, cleederen ende juwelen voor een waarde van vierthienhondert drye ende twintieh gulden twee stuyvers ende eenen halven naer luydt vanden vercoopboeck daer aff svnde gheteeekent byden gesworen oudecleercoopers clerck Nicolaes Saboth." Cornelius Grammaye was het sterfhuis nog 1200 guldens schuldig. Verder erfden de kinderen nog erfrenten en huizen: * "Een huys metten hove, gronde en toebehoirten gestaen ende gheleghen int beddestraetken alhier, dwelck Mr.Gillis van Vlierden advocaet in hueren had". Het werd aangeduid als "Het Grote Huys".

3


Foto 1 Beddenstraat -verbinding ts de Schoenmarkt en de Eiermarkt (uit https://www.kb.nl/themas/atlassen/stedenatlas-de-wit) Cornelius den ouden woonde in het huis "den Dom van Ceulen". Cornelis is in het jaar 1580 griffier van de rentmeeterskamer van Antwerpen. Hij koopt van de weduwe van J. de Hoest, het nagelaten erf, gelegen in het Lombaertstraetken, naast het huis "Portugael" eenerzijds en de huizen van wijlen Jacob Gillis anderzijds. Hij is de vader van de stichter van het Godshuis met de naam, "den rijken Cornelis Lanschot". Het huis zal door Cornelis worden verkocht aan Corijn Baltens die het in 1603 voortverkoopt aan de gekende familie van den Kieboom. In die tijd was het een heerlijke woonst niet een groote poorte. Een tweede huis daar naast gelegen, werd bij "den Dom" bijgekocht en vormde een geheel zodat het in het midden, van de 17de eeuw "het Groot huis" werd genoemd. De Croone, naast den Dom is, in het begin van de 17de eeuw van Hans van Hove. De Beddenstraat was in die tijd bewoond door vooraanstaande families. (Gazet Van Antwerpen - 13-04-1929)

4


Foto 2 Uit de St Jakobskerk in Antwerpen 5


* "Twee voerhuysen met elft cleyn achterhuyskens oft wooninghen genaempt "Out Gesthuvs" gestaen ende gheleghen int Kipdorp aen St.-Jacobskercke alhier", gedeeltelijk verhuurd "aen Merten Lissier, timmerman ende houtbreker ende weduwe van wylen Adriaen Reyns". * Een hoeve te Lokeren onder Turnhout. * Een hoeve te Turnhout genaamd "Heyseyde". Het beheer van al deze goederen was voor de voogden geen lichte opdracht, wat onder meer blijkt uit het verslag ervan dat zij de weesmeesters van de stad voorlegden. * " de Schrijtteye" in de Prekerstraat, bestaande uit twee woningen; * " het Cromhout" in de Jesusstraat ; * " 'tWielken" in de Beddenstraat; in ten behoeve van de kinderen Lanschot. Nochtans stonden de voogden in hun moeilijke taak niet helemaal alleen. In zijn afrekening van 1596 meldt Joannes Baptist vanden Kieboom reeds onkosten door Cornelis Lantschot gemaakt voor zijn reizen naar Turnhout om de zaken met betrekking tot de twee hoeven te regelen. Blijkbaar nam Cornelis zelf actief deel aan het beheer van de nalatenschap . Toch verbleef hij ongetwijfeld meestal in Atrecht (Arras- Frankrijk). Dezelfde rekeningen melden regelmatig bedragen van de wissels en de geldsommen die de rendant naar de stad zond aan Cornelis zelf of aan Christoffel Parys " desselfs Cornelis meester". Een andere belangrijke rekenpost gaat als volgt: "Item op den negensten augusti anno XCc sessentnegentich aenden voornoemden Cornelis gestelt in gelde om hem daer gheneren ende in coopmanschappen te employeren tot synen behoeve de somme van iiiic gulden." Blijkbaar kreeg Cornelis die dag in voorafname op zijn erfenis een bedrag toegespeeld om zich in zaken te kunnen begeven. Over wat voor soort zaken het ging laten de documenten ons volkomen in het ongewisse. Vierhonderd gulden kunnen bovendien bezwaarlijk een belangrijk kapitaal genoemd worden. Brengen we hier even in herinnering dat de huis van het gezin Lanschot een tiental jaren tevoren reeds op1400 gulden geschat werd. Pas in 1602, bij de definitieve afhandeling van de nalatenschap van Cornelis I verwierf 1- Cornelis II niet onbelangrijke mogelijkheden. Voor zijn aandeel werden hem toegewezen: * het huis "den Keerscorff" op de Harinckvliet, * het huis "de Schrijflaye" in de Prekerstraat, * het "Grote Huys" in de Beddenstraat, * het huis "het Wielken" eveneens in de Beddenstraat. 2- Zijn zuster Anna erfde de twee pachthoeven onder Turhout. 3- Zijn zuster Maria de twee "voerhuyzen" op het Kipdorp plus een rente op de Schoenmakersgang op de Kleine Cauwenberg. 4- Zijn nichtje Catharina vander Noot het huis "het Cromhout" in de Jesusstraat. 5-6- Franchoys en Loys waren toen reeds overleden. 7- Margriete misschien ook? Zij werd nergens meer vermeld. Alle vier de erfgenamen zullen elk telkenjare aan 8- Gielis Lanschot een rente van 4 gl. betalen en dit tot zijn overlijden. Zij zullen ook de rente, geschonken door hun grootvader, Franรงois Geens aan de kerk van het dorp "Castele over venne" blijven voldoen. Merkwaardig is wel dat de erfgenamen niet persoonlijk naar Antwerpen kwamen voor deze belangrijke aangelegenheid maar dat Jan Baptist vanden Kieboom de zaken met volmacht afhandelde. Cornelis, die blijkbaar nog steeds te Atrecht verbleef, nam ook de gelegenheid niet te 6


baat om de pas verworven en met geen renten belaste eigendommen te verkopen of te verpanden om alzo zijn bedrijfskapitaal te verhogen. Pas in 1606 verkoopt hij zijn eigendommen in de Beddenstraat en wel aan zijn neef en vroegere voogd Jan Baptist vanden Kieboom . In 1613 werd Sr. Jan Roose, vriend van Cornelis, belast met de verkoop van de overige huizen. Daartoe werd hem door "Sr. Cornelis Lantschot, coopman, woonende binnen der stadt Atrecht in Artois ende jegenwoird, alhier wesende tot Antwerpen" notariële volmacht verleend. Jan Roose wijdde zich nauwgezet aan zijn opdracht en met korte tussenpozen werden de huizen te gelde gemaakt. Na deze transacties vernemen we geruime tijd weinig of niets omtrent Cornelis. Pas in 1641 vinden wij hem terug en wel in Antwerpen. Wanneer hij precies Atrecht verliet voor de Scheldestad is niet bekend, noch de redenen daartoe. We konden enkel vaststellen dat ten minste vanaf 1641 zijn naam meer dan regelmatig voorkomt in de journaal boeken van Robert Laman, de man die hij later direkteur van zijn negociën zou benoemen en die hij eveneens aanstelde als mede-testament uitvoerder. Uit de journaal posten, soms meerdere per dag en bijna altijd voor grote bedragen, vernemen we spijtig genoeg nog steeds niets omtrent de preciese activiteiten van Cornelis. Wel valt op dat vele posten grote ronde bedragen vermelden, wat doet vermoeden dat hij eerder optrad als financier dan dat hij zelf koopman was in de echte zin van dat woord. Wat er ook van zij, dat hij in die veertig jaar een geweldig fortuin had weten te vergaren staat vast. Het feit dat Cornelis Lantschot nooit gehuwd was en dus geen kinderen naliet, samen met zijn diepe religieuse overtuiging, brachten hem ertoe nog tijdens zijn leven verschillende geestelijke instellingen in dat fortuin te laten delen. 1.000 gulden het Turnhoutse begijnhof In 1624 droeg Cornelis 1.000 gulden bij tot de vergroting van de kerk van het Turnhoutse begijnhof waar Maria Lanschot (zijn zuster) te dien tijde meesteresse was. In 1629 schonk hij de kerk bovendien nog een nieuw hoogaltaar. De paters Capucijen te Brussel "vande ordre van Sint-François" had hij in 1651 ook 18.000 gulden gegeven "tot opbauwinge van haere kercke". Het ontvangstbewijs hiervan was bij gevoegd bij zijn testament. Ook de kerk van het klooster "Ter Bancke" bij Leuven, waar Margriete Lanschot verbleef, had hij blijkbaar een altaar geschonken. Al deze weldadigheid tastte Cornelis' vermogen echter nauwelijks aan zodat bij zijn dood een groot fortuin vererfd werd. Op 12 juni 1654 verleed Cornelis Lantschot zijn eigenhandig geschreven en ondertekend testament voor Mr. Bartholomeus vanden Berghe "openbaeren notaris soo byden secreten raed als raed van Brabant geadmitteert ‘t Antwerpen residerende, comptoire inde Wolstrate" in het bijzijn van twee getuigen. "Bartholomeus Hoegaerts, oock notaris ende Jan Claessens, clerc, poortere ende ingesetene deser stadt, in beslotene forme en gecachetteert in rooden laccre door Cornels Lantschot en door Mr. Bartholomeus vanden Berghe notaris publicus admissus". Op 11 april 1656, 15 dagen vóór zijn dood, maakte hij een "codecille oft additie" aan zijn testament "voorden notaris Ambrosius Sebille, notaris publique residerende binnen de stadt Antwerpen". Cornelius van Lanschot overleed op 26 april 1656 te Antwerpen in het huis van wijlen zijn vriend Jan Roose, hij werd 84 jaar en 2 maanden. Op 28 april, twee dagen na Cornelis' overlijden, werd het "in behoorlijcke forme gesloten testament geopend en gelezen ten huyse van Mevrouwe Roose gestaen op de Meir alhier". 7


Hierbij waren aanwezig: * Ridder Hendrick van Halmale, schepen van Antwerpen * Gregorius Martens, eveneens schepen van Antwerpen * Sr. Louys Le Candele, executeur, oud aalmoezenier en vriend van Cornelius * Mr. Jan Baptista Batkin, eveneens executeur, oud aalmoezenier en vriend * Sr. Robert Laman, executeur, direkteur van Cornelis' negotie * Sr. Maximus Gerardi, stadssecretaris, die het verslag opmaakte * Mr. Ambrosius Kinschot, advocaat, zoon van Cornelis' zuster Anna In zijn testament schreef Cornelis Lantschot : "Soo verre ick Tantwerpen comme te sterven soo is myne wille, dat men my sal begraeven inde prochie kercke van St. Jacob, inde capelle vanden Soeten Naem Jesus, in het graft van myne ouders saliger, daerop ick eener nieuwen sarck hebbe doen leggen, ende daerop geschreven staet myne naeme in copere letteren, daer by men sal setten den dach van myne overlyden, ende niet meer, begere geen utwendige utvaert, met twee bidders, stillekens ende degelijck ende dat men op den dach van myne utaert sal doen lesen inde kercke van St-Jacob eenige missen ende utreycken ende deylen aen arme menschen eenige cantiteyt van broot, soa vele als myne executeurs ende vrinden loftelijck ende raetsaem sullen vinden". De eenvoudige zerk waarvan sprake ligt er nog steeds maar de koperen letters zijn verdwenen. Men leest er : "Sepulture D. CORNELIS LANTSCHOT sterf den. 26. April A.o 1656 Bidt voor de siele

8


HET WAPEN VAN DE FAMILIE LANTSCHOT Beschrijving van het zegel: Uit het boek van Armorial de J.B. RIETSTAP - et ses ComplĂŠments: Heraldische beschrijving in frans en nederlands D'or, au chef d'argent, chargĂŠ de trois merlettes de gueules. Casque. In goud, een schildhoofd van zilver beladen met drie merlettes in keel. Getopt met een helm van zilver, getralied, gehalsband en omboord van goud,gevoerd en gehecht van keel. Helmteken: in een gesloten vlucht van goud een merlette in keel. Een merlette staat voor en kleine zwarte vogel (merel/zwaluw) maar zonder bek en poten. Deze Cornelius had hetzelfde wapenschild als schepen Jan Van Lanscoot uit Maldegem (1352). De stamvader van de Leidse van Lanschot's was zijn neef. Een van hen gebruikte als contrazegel, het oude zegel die Jan Van Lanscoot (1352) reeds gebruikte. Dus deze JAN was de voorouder van Cornelius Lantschot.

Foto 3 detail wapenschild Cornelis Lanschot

9


VERSLAG VAN DE OPENING VAN HET TESTAMENT VAN CORNELIS LANTSCHOT 28 april 1656, (AOCMW, OA, doos 175, f. 12) Gelden te verdelen ongeveer 67000 gulden. Wy Hendrick van Halmale, ridder, ende Gregorius Martens, schepen van Antwerpen, maecken condt dat voor ons , quaemen Sr. Louijs le Candele, dheer Jan Baptista Batkin ende Sr. Robert Laman als executeurs vanden vuttersten wille van wylen Sr. Cornelis Landschot naer luyt van desselffs codicille gepasseert voorden notaris Ambrosius Sebille in presentie van sekere getuygen den elffsten van dese loopende maent aprillis ende inder qualiteyt de selve comparantten aen ons ende aan heer ende mr. Maximius Gerardi, secretaris deser stadt, in presentie vander voors. notaris Sebille, seker testament byden voors. Sr. Cornelis Lantschot gemaect in beslotenen forme ende gerecognosceert voor mr. Barthelomeus vanden Berghe saliger, oock openbaer notaris binnen dese stadt was, in presentie van sekere getuygen den tweelffsten junij a° XVIc ende vierentvyfftich, wesende het selve testament alnoch in behoorlycke forme gesloten ende gecachetteert, ende versochten de voors. comparanten het selve testament, naerdyen daertoe geroepen was heer ende mr. Ambrosius Kintschot geopent ende gelesen te worden mitsgaders ter prothocolle geregistreert omme daer vut te lichten de copyen dyer naermaels van noode souden mogen wesen tot gerechticheyt vande gene des behoevende dwelck geschiede ten huyse van nnevrouwe Roose gestaen opde Meire alhier den achtentwintichsten dach der maent van april a° xvjc ende sessenvijfftich. Luydende den voors. testamente als volcht : Inden naeme Ons Heeren Jesum Christum amen. Ick Cornelis Lantschot wesende wel te passe ende hebbe myne memorie ende vyff sinnen, gaende ende staende soo hebbe ick dit instrument gemaeckt ende geschreven met myne eygene handt voor mynen vuttersten wille ende testament, wederroepende alle andere testamenten, codicillen oft giften, mondelinge ofte in wat manieren het soude mogen geschiet wesen, doen de selve alles te nyette ende van geender weit de ende kouwe dit alleenelyck voor myne testament ende vutgersten wille soo ick begere dat naer rrwrie afflyvicheyt altyt Boet vast ende van weerden sal gehouden worden ten waere ick het selve andermael soude herroepen om eenige redenen oft consideratien my daertoe moverende, daeraff ick reservere mynen vryen wille om sylex te doen oft laten. Inden iersten soo wanneer myne siele vut myn lichaem sal schoyden soo beveele ick die aen Godt almachtich, Maria syne gebenedyde moeder ende aen alle Godts lieve heyligen. Ende by soo verre ick t'Antwerpen comme te sterven, soo is mynen wille datmen my sal begraeven inde prochie kercke van St. Jacob inde cappelle vanden Soeten Naem Jesus in het graff van myne ouders saliger daerop ick eenen nieuwen sarck hebbe doen leggen ende daerop geschreven staet mynen naem in copere letteren, daer by men sal setten den dach van myne overlyden ende niet meer. Begeere geene vutwendige vutvaert met twee bidders, stillekens ende degelyck ende datmen opden dach van myne vutvaert sal doen lesen inde kercke van St. Jacob eenige missen ende vutreycken ende deylen aen arme menschen eenige cantiteyt van broot, soo veele als mijne executeurs ende vrinden loffelycken raetsaem sullen vinden. Aan de Armenkamer van Antwerpen 24000 guldens Item soo maecke ick aende camere vanden armen deser stadt van Antwerpen de somme van vierentwintich duysent guldens eens van twintich stuyvers elcken gulden met conditien ende lasten hierna volgende te weten dat de aelmoesseniers vande voors. camere vanden armen voorde selve penningen sullen gehouden wesen te copen oft aen te leggen aen renten op dese stadt van Antwerpen opde consumpties oft aen goede gezonde van erven ende dat metten eersten te beneirstighen ende effectueren om mynen goede wille ende intentie niet te verachteren ende om de selve penningen niet infructue te laten liggen. 10


Ende van het jaerlycx innecommen is mynen wille ende begeiren dat de aelmoesseniers jaerlycx sullen betaelen twee hondert guldens tot twintich stuyvers het stuck aen eenen E.W. prister van goet ende heylich leven om daer voore eene daegelyckse, erffelycke ende eeuwige misse te lesen mette profondis ende andere goede gebedekens tot laeffenisse van myne siele ende die van myne ouders etc. ende dat inde cappelle vanden Soeten Naem Jesus in St. Jacobs kercke. Den voors(eijden) pristere sal gehouden wesen te leveren totten selven dienst der misse warse kersen, broot ende wyn tot synen laste. De collatie vanden cappellaen sullen hebben voor eerst myne vrinden de naeste met myne executeurs van myn testament omde selve te geven ende te versien ende maecken dat den voors. cappellaen alle halve jaere mach betaelt worden van synen salaris op dat den dienst der misse niet vercort en worde ende dat sy somteyts cleyn commoditeyt hebben om langer te wachten ende oft den tyt soo miserable werden dat den dienst der misse binnen Antwerpen voor eenige tyt soude verboden worden, soo ick door Godts gratie niet verhope geschieden sal, maer indijen gevalle soo sal de camere vanden armen binnen Antwerpen de voors. tweehondert guldens erffelycken genieten den tyt vande absentie oft verbott der misse ende niet langer. Voorder is noch mynen wille ende begeiren dat de voors. aelmoesseniers oft heyligeestmeesters der selver camere vanden armen noch van het jaerlycx innecommen vande vierentwintich duysent guldens eens sullen gehouden wesen jaerlycx eeuwelyck ende erffelycken vutte deylen in St.-Jacobs kercke voorde cappelle vande Soeten Naem Jesus daer myne begraeffenisse sal wesen, viermael tsiaers, te Paesschen, Sincxen, Alderheyligen ende Kersmisse, vier deylen van vyfftich proeven elcke prove van vyff pont roggebroot ende drye pont terwebroot met een pont Hollantsche kayse ende vande selve distributien suilen myne naaste vrinden met myne executeurs dispositie hebben ende loykens oft brieffkens geven aen arme noottrustige menschen daer het wel besteet sal wesen omde prooven aende aelmoesseniers oft heyligeest meesters te gaan haelen ende te ontfangen. Wel verstaande huysarmen ende niet vut gefonderde. godtshuysen ende bovendyen sullen de arme menschen gehouden wesen elcke reyse de misse van myne fondatie te horen ende voor myne siele bidden eer sy de proeven sullen mogen haelen. Ende het gene dat boven de selve fondatie soude mogen veroveren vande dagelycxe erffmisse ende vier proeven alle vier hoochtyden, dat sullen de aelmoesseniers gebruycken daer het beste ende nootelycken sal wesen tot proffyt vander armen tsy in houdt, torff oft anderssints. Ende op dat al dit wel sekerlyck erffelyck soude onderhouden worden, soo bidde ick vrindelycken aen myne executeurs van dese myne testamente haer sorghe te draegen dit alles wel te doen aenteeckenen inde boecken vande aelmoesseniers vanden armen ende in dyen boeck diemen noempt de clappeye om ontrent den tyt vande vier hoochtyden daeraff memorie te hebben ende dan haer alle behoirlycke brieven ende bescheet te nemen op dat tsynder tyt allen mach wel onderhouden worden, ja al soude men het inde kercke in eenen steen doen snyden tot een eewige memorie. 150 gulden Keck St Jacobs voor bergraving Item maecke aende kercke van St. Jacob binnen Antwerpen de somme van hondert ende vyfftich guldens eens van twintich stuyvers het stuck voor myne begraeffenisse ende kerckenrechten. 300 Guldens De cappelle vanden Soeten Naem Item maecke aende cappelle vanden Soeten Naem Jesus de somme van dry hondert guldens eens tot twintich stuyvers om geemployeert te worden tot eenen swerten fluweelen casuyvel, aultaercleet ende gordynen om te gebruycken letten dienst van myne dagelycksche misse ende watter te cort commen sal sal believen aen myne executeurs te nemen van myn capitael. 50 Guldens voor elk van de veschillende kloosters in Antwerpen Item maecke aen dese naervolgende cloosters binnen Antwerpen, te weten aende E. patres vande Predicheeren, Augustynen, Minnebroeders, Vrouwenbroeders opde Meir, aan het mansclooster 11


vande Carmelieten opde Corenmerct ende aende patres Minimes Fran. de Paule, aen elck vande voors. cloosters de somme van vyfftich guldens eens van twintich stuyvers daar voor elck clooster in particulier sal gehouden wesen te leesen hondert missen ende voirde salicheyt var le siele te bidden. 60 Guldens Roy clooster by Brussel Item maecke aan het Roy clooster by Brussel tsestich guldens eens tot twintich stuyvers om missen te lesen naer haer devotie met een vutvaert om voirde salicheyt van myn siele te bidden. 60 Guldens Het Godtshuys van Ter Bancken in Leuven Item maecke aen het godtshuys van Ter Bancken by Loven de somme van tsestich guldens tot twintich stuyvers tot ciraet te gebruyvken van mynen aultaer soo ick in haer kercke hebbe gegeven daer voor sy sullen gehouden wesen voor my een vutvaert te doen ende voor myne siele salichteyt te bidden. 20 Guldens voor elk van de kinderen Jan Baptista vanden Kieboom Item maecke aende naergelaeten kinderen van mynen neve heer Jan Baptista vanden Kieboom in syn leven greffier der stadt van Antwerpen aen elck een de somme van twintich guldens eens tot twintich stuyvers soo geestelyck als weerelyck, die ick meyne dry ofte vier syn, voor myne siele te bidden. 30 Guldens aan suster Margriete Hecquet, religieuse in Arras Item maecke aen suster Margriete Hecquet, religieuse int clooster vande Arme Clarissen tot Arras en la citte myne eerste pete, dertich guldens eens tot twintich stuyvers voir een cleet ende by soo doot is, soo maecke ick aent selve clooster om Godt voir myne siele te bidden. 50 Guldens aan elk van de kinderen van zijn oom Philips Lantschot Item maecke aende naergelaeten kinderen ofte haere erffgenaemen van mynen oom Philips Lantschot salr. de somma van vyfftich guldens eens tot twintich stuwers voir haer altesamen in generaal ende daar mede excludere ick haar ende maecke hen vutte om van myne naergelaeten goederen ende middelen in wat manieren sy souden consisteren oft bevonden knorden kil meer naer myn doodt te pretenderen ofte erven oft oock myne naergelaten erffgenaemen soo ick sal constitueren ende dat is alsoo mynen vryen wille ende begeiren ende intentie, nyet procederende oft commende tot eenige quane affectie maer om redenen my daertoe gemoveert hebben sulcx te doen. 2400 Guldens aan Anna Fredricx weduwe van Burgemeester Jan Roose Item maecke aan mevrouwe Anna Fredricx, huysvrouwe van mynen neve heer Jan Roose, borgemeester in syn leven der stadt van Antwerpen, daer ick lange jaeren by gewoont hebbe, de somme van tweeduysent vierhondert guldens eens tot twintich stuijvers oft ist dat haer belieft te nemen vut mynen spaerpot van myne fraeye goude oft silvere penningen voorde weerde vande selve somme gelyck ick par specificatie geanoteert hebbe oft wat minder, geve haer daeraff haeren vryen wille ende beliefte ende bidt Godt voor myne siele. Hongaarsche ducaten voor elk van haar kinderen Item maecke ende geven noch aen alle haere soenen soo naer myne afflyvicheyt sullen in leven wesen voor een memoire om voor myne siele te bidden elck een int particulier een double ducaet van thien Hongersche ducatkens die sy sullen bewaeren tot myne gedachtenisse. 150 Guldens aan zijn neef Priester Francise Kinschot Item maecke aen mynen neve heer Francise Kinschot prister ende religieus tot Roy clooster by Brussel de somme van hondert ende vyfftich guldens tot twintich stuijvers lijffrente soo myne executeurs hem jaerlycx sullen believen te betaelen oft aen synen E.W. heer prior om aen hem te 12


geven ende vuttereycken om te gebruycken tot syne eerlycke ende deuchdelycke begeerten sonder dat synen heer prior oft overste daer andere Lewin oft dispositie sullen aff hebben, ende dat voor syn leven. Ende naa syn doodt sal het selve wederomme commen op mijne geconstitueerde erffgenaemen ende belaste hem godtvruchtelich te leven als een goet religieus onder de obedientie van synen prior ende oversten ende voor myne siele te bidden ende missen te lesen etc. Aan verschillende personen in het Begijnhof te Turnhout Item maecke aen elck begyntken van het begynhoff tot Turnhout sesse stuyvers eens ende haer meesteressen ende pastoir elck tweelff stuyvers eens om voir myne siele te bidden ende een vutvaert doen voir alle de weldaden die ick aen haer begynhoff hebbe gedaen. Item soo is myne intentie ende begeiren ist dat Godt belieffde dat ick t'Antwerpen niet en quaeme te sterven datmen daeromme niet laeten sal myne geordineerde dagelycksche erffmissen te lesen inde prochiekercke van St. Jacob metten vutdeylen vande proeven. 20000 Guldens aan neef mr. Ambrosius Kinschot, advocaet te Brussel Item maecke aen mynen neve mr. Ambrosius Kinschot, advocaet ende schepene vande camere van Uckele tot Brussele, myne suster Anna Lantschot soene, die getrouwt is geweest met mr. Hendrick Kintschot, secretaris in syn leven vande stadt ende lande van Steenberge, de somme van twintich duysent guldenen eens tot twintich stuyvers elcken gulden, daermede is mynen wille ende intentie dat hy sal coopen ende employeren sekere goede gronden van erven oft wel ende sekere geipoteckeerde renten. Boven dien maecke hem noch een erffrente geipoteckeert opde stadt ende consumptien van Antwerpen soo ick aengeleyt hebbe gelyck het byde schepens brieff daeraff synde (sic). Maecke hem noch een erffrente mette verloopen van achttien guldens opde selve stadt van Antwerpen commende van ons ouders. 2 Hoeven te Turnhout aan dezelfve neef van Kinschot Voirder laete ende maecke noch aen myne voors. neve Kinschot twee hoeven gelegen onder Turnhout, een opde Heyse ende dander op Lockeren, soo syne moeder saliger geerft heeft vut ons sterffhuys van vader ende moeder saliger, daer rnynen selve neve in eene notabele somma gelts hebben verschoten in diversche raijsen, gelyck blyck par specificatien ende myne boecken. Alles op conditie by soo verre hy hem niet en begeeft totten houwelycken staet ende vercrycht wettige ende legittime kinderen tot syne erffgenaemen, soo is myn begeiren ende wille dat hy naex syne afflyvicheyt sal laeten ende maken syne naergelaeten goederen aen huysarmen ende noottrustige arme menschen daer ane het wel besteedt sal wesen ende nademael de Kintschot syn gesproten vut de vryheyt van Turnhout salt weldoen een vande twee hoeven te geven ende maecken aende Heyligen Geest tot Turnhout tot een eeuwige memorie van uwe vrinden ende voor de siele te bidden. Maecke noch aen mynen voors. neve myne cleederen ende lynwaet. Myne executeurs sullen believen hem over te leveren de twee rentebrieven opde stadt van Antwerpen mette brieven ende bescheeden vande twee hoeven tot Turnhout om hem daeraff te dienen. lek belaste mynen voors. neve Kintschot met allen het gene dat ick hem gegeven ende het gene ick hem gelegateert hebbe te vreden houden sonder dat hy van myne naegelaten middelen in wat manieren sy souden consisteren iet meer te pretenderen ofte erven oft met dit myn testament hem niet te onderwinnen aen te trecken ofte ondersoecken, daer aen myne executeurs van dese myne testamente allen eere ende vrintschap bethoonen ende haer assisteren ende behulpich wesen in het gene sy op, U, souden versoecken oft begeiren ende voorder niet meer. Ende soo verre hy anders tegen mynen wille oft intentie soude gouverneren, soo excludeere ick hem van alle het gene ick hem by dese myne testamente liberalyck hebbe gemaeckt ende geleateert met mynen vryen wille, sonder daer inne gehouden te wesen. Daeromme belaste aen mynen voors. neve 13


Foto 4 Grafsteen Cornelis Lanschot

14


voor myne ziele te bidden ende te doen bidden ende hem altyd degelyck en de eerlycken te gouverneren inde vreese Godts ende alle arme menschen gedachtich wesen. 175 Ponden mynen committant tot Arras Item stelle hier par memorie dat ick,' hebbe doen ontfangen door mynen committant tot Arras in mynen naem in diversche raisen van een quade schuit van Jan de Corbohens de somme van hondert vyfenseventich ponden Vlaems, procederende van eenent die gefailliert is in Zeelandt over veele jaeren ende competeert aen eenige persoonen in Duytslant dier niet naer vernemen. Myne executeurs sullen believen de voors, sornme van 175 ponden Vlaemsch in handen vande heere aelmoesseniers deser stadt van Antwerpen te stellen tot datter iemant wel gefondeert met goet recht ende tiltres comt eysschen ende naer vraegen gelyck in mynen grooten boeck n°. 5. folio n°. 2 breeder par memorie hebbe gestelt. 18000 gulden voor de opbouw van de Capucijnenkerk in Brussel in 1651 Par memorie dat ick aende E.W. patres Capuchienen hebbe gegeven achthien duysent guldens eens tot opbauwinge van haere kercke tot Brussel, daer voore sy my beloeft hebben my in haeren boeck wande weldoenders te stellen ende boven dyen aen elcken pater van dese provincie voor myne siele te doen lesen eene misse mette Profondis. Myne executeurs sullen believen haer sulcx indachtich te maecken ende geven aende selve heeren Capuchienen aen haer clooster t' Antwerpen vyfftich guldens eens voor een vrolycke recreatie.

Foto 1 nl.wikipedia.org/wiki/Kapucijnenklooster_van_Brussel Hij was samen met Anna de Croy die 30000 gulden schonk bij de grootste schenkers. Item naer dat alle myne schulden sullen betaelt wesen, soo van legaeten donnatien oft anderssints 15


ende soo ick hier naer noch door een codicille soude maecken oft ordineren, eerlycken tot alle contentement sullen voldaen ende betaelt wesen, het gene daerenboven sal resterende ende veroveren, dat maecke, geve ende legateere ick alles aende camere vande schamele armen binnen dese stadt van Antwerpen met expresse conditien ende lasten hier naer volgende: Ten eersten naerdemael dat alle myne middelen ende goeden consisteren in contante penningen ende vutstaende schulden van wisselbrieven ende gelt in deposito soo daegelycx sal inne commen ende soo Sr. Robert Laman van my in handen heeft ende voor my dirigeert ende gouverneert soo sullen de aelmoesseniers deser stadt vande camere der armen met myne executeurs tsaemen, sullen believen de selve cornptante penninge met de eerste goede ossasie ende gelegentheyt soo haer sal voorcommen ende presenteren aen te leggen ende voor te coopen goede sekere gronden van erven, lant oft goede geipoterde (sic.) renten soo naer myne goetduncken voor beste soude wesen opde consumptie vande stadt van Antwerpen sende haer daer op believen te beraeden welcke voor beste ende profytelycke ende sekerste soude wesen voorde selve camere vanden armen, gelyck ick haer genoech toebetrouwe, dat met een goede affectie ende lieffde sullen doen. Ende dat alles soo geschiet ende volcomentlyck geffectueert wesende soo is voorder myne intentie ende wille dat de voors. aelmoesseniers met myne executeurs sullen coopen oft doen maecken een godtshuys voir twelff oude gebreckelycke manspersoonen die niet meer en connen wercken ende die met goeden naem ende faeme wel sullen geleeft hebben, dienren alle weken sal geven een ordinarie proeve van rogge ende terwen broot soo veel sy nootelycken van doene sullen hebben met een pont Hollantsche kayse ende thien stuyvers in gelde ende alle jaer een hondert mutsaerden oft weirden van goeden harten torff soo haer voir beste dienelycken sal wesen. Boven dijen sullen de aelmoesseniers moeten doen maecken een cleyn cappelleken in het selve godtshuys ende dat vercieren met degelycke ornementen soo het betaemen sal totten dienste Godts ende tsynder eeren ende alle sondaeghe salmen daer inne doen lesen een misse doorden cappellaen die de daegelycxsche misse voor mij in St.-Jacob kercke inde cappelle vanden Soeten Naem Jesus sal doen ende tsaemen bidden voir myne siele. Ende aengaende de colatie vande selve mans persoonen sullen hebben vair een helft myne executeurs mette aelmoesseniers die sullen gehouden syn de huyssen van alle nootelycke wat te versien ende met goede reparatien te onderhouden ende boven de porte oft deure doen snyden in eenen steen dat iel( alsucken godtshuys hebbe gefondeert. Het welcke bidde aen myne executeurs beleven te laeten loffelycken doen ende bidde vrindelycken aende hoeren aelmoesseniers dat alles soo in haer ordinaris boecken wel mach per ordre in geschrieft gestelt worden ende daeraff geven aen myne vrinden ende executeurs van dese myne gedelateirde testamente tot proffyt vanden armen alle behoirlijcke brieven ende bescheet op dat alles tot eeren van Godt ende welvaren vanden armen ende mynder sielen salicheyt eeuwelycken ende erffelycken wel mach onderhouden worden ende sal oock wesen tot restitutie van myn onrechtveerdich goet dat ick sonde mogen vercregen hebbe. Elk 600 Gulden aan Srs. Louijs Le Candele, Jan Baptista Bautkin en Sr. Robert Laman Item naedemael dat ick den meestendeel van myne naergelaeten goederen ende middelen gemaeckt ende gelegateert hebbe aende camere vanden armen deser stadt Antwerpen, soo hebbe ick om redenen ende beterwille daertoe willen noemen ende verclairen van dese myne testamente ende vutterste wille voir myne executeurs twee oude aelmoesseniers vande selve camere mijne speciale goede vrinden ende wel bekende te weten de ,eersaeme Srs. Louijs Le Candele ende Jan Baptista Bautkin met noch Sr. Robert Laman, directeur van myne negotie, de welcke ick seer vrindelycken ja oodtmoedelycken ben biddende ter eeren ende lieffde Godts ende welvaren vanden armen dat haer believe te aenveirden desen laste van te wesen myne executeurs van dese myne testamente ende vutterste wille ende alles gouverneren ende administreren aloft het haer eygen waere ende gelyck 16


ick haer dat genoech toebetrouwe alles met lieffde ende affectie sullen doen ende waer voore ick haer geve ende vereere voor een courtoijsie ende moeyte aen elck eene van haer dryen in particulier sessehondert guldens eens van twintigh stuyvers. Boven dien naede groote moeyte ende vaccatien soo sy souden doen watter meer toestaet, ben wel te vreden dat sy van myne naergelaeten middelen ryckelycken wel worden gecontenteert ende ist dat sy het raetsaem vinden mogen tot haer hulpe eenen getrouwen notaris nemen op dar, alles wel mach gederigeert worden ende otter eenige van desa executeurs quame afflyvich te worden oft weygerden ende difficulleyt naecte om te wesen ende te aenveerden myne executeur, soo in geender manieren verhoepe ende betrouwen in haer hebben dat sy my de eere ende vrintschap niet en sullen weygeren, maer indyen gevalle, soo bidde ick haer metten raaf vande voors. camere dat haer believe andere aelmoesseniers te committeren in haer plaetse tsy eenen ofte twee die sy daertoe bequaem sullen vinden om alles wel te dirigeren ende gouverneren tot proffyt vanden armen ende alles met de bovengementioneerde conditien ende van alles rekeninge te geven met reliqua aende camere vanden armen oft die daertoe gecommitteert sullen worden ende dit alsoo doende, soo bidde ick Godt almachtich U.L. te saemen voir desen tytelycken dienst, die tot Synder eeren ende glorie sal wesen U. te recompenseren met syne eeuwige glorie amen. Dit alles hebbe ick geschreven ende onderteeckent met myne eygen handt hebbende myn natuerlyck verstant ende vyff sinnen, gaende ende staende ende wesende wel te passe ende dit alles met mynen goeden wille ende deliberatien desen tweellften juny inden jaere Ons Heeren anno duysent sessehondert ende vierenvyfftich in Antwerpen. Was onderteeckent Cornelis Lantschot. Ter syden stondt : anno 12 juny 1654 in Antwerpen. Van binnèn int voors. testament waeren liggende twee billetten luydende als volcht, te weten het eene : * Cornelis Lantschot is geboiren den thienden february op eenen sondach omtrent den middernacht anno 1572 stilo Brabantie. Peeter : Jan van Woonsel. Meeter : de huysvrouwe van Jeronimus Baudewins. * Ende het ander billet luydt : Par memorie dat ick onders. hebbe betaalt aende R. Patres Capuechienen vande ordre van St. Franchois de somma van achthienduysent guldens eens van twintich stuyvers het stock soo ick haar in myne testament belooft hadde voor eenti liberaele charitate tot opbauwinge van haere kercke inde stadt van Brussele tot Godts glorie ende care ende rnynder siele salicheyt ende vergiffenisse rnynder sonden, daer mede de voors. beloefte ende gifje is betaelt ende voldaen, gelyck R. pater Constantin, gardiaen van het convent tot Antwerpen ende andere religieusen sullen getuygen met haeren geestelycken vader tot Brussele Edoart Walraven, die de penningen door revisie van Robert Laman heeft ontfangen. Toirconden deses hebbe dit geschreven ende onderteeckent desen vyffthien february in Antwerpen anno 1651. Was onderteeckent Cornelis Lantschot. Onderstondt : gelyck par specificatie blyct in myne boecken, somma 18.000 guldens. Opden rugge vanden voors. testamente stont geschreven : Inden naeme ons Heeren, amen. Heden den tweelffsten dach der maent van junio vanden jaere desselffs Ons Heeren duysent seshondert ende vierentvyfftich voor my Bartholomeus vanden Berghe, openbaeren notaris soo byden Secreten Raede als Raede van Brabant geadmitteert t' Antwerpen residerende, ende ten bywesene vande getuygen naegenoempt, compareerde Sr. Cornelis Lantschot coopman, poorter ende ingeseten deser stadt my notaris bekent, den welcken comparant syne sinnen, memorie ende verstant wel machtich synde ende die volcomentlyck gebruyckende gelyck dat claerlyck aen hem wel bleeck ende scheen, heeft verclaert ende verclaerde midts desen dat het toegecacchetteert volumen inhoudende sesse bladeren geschrift gebonden aen dit omblat ende geschreven ende onderteeckent met syne eygen handt, is syn testament ende ordonnantie van vuttersten wille. 17


Wilt ende begeere daeromme het selve syn testament ende vuttersten wille terstond naer syne doot ende afflyvicheyt in alle ende jegelycke syne poincten clausulen ende articulen achtervolcht ende onderhouden sal moeten worden, meer oft min dan oft tselve by hem wettelyck oft wel voir notaris ende getuygen opentlyck gelesen ende gepasseert waere, tsy by forme, rechte oft eitule van testamente, codicille, donatie oft anderssints, soo ende gelyck iemants testament ende vutterste wille alderbest ende vast stede grypen ende subsisteren mach ende oversulcx wederroepende, casserende, doodt ende te niet doende alle voorgaende testamenten, codicillen, giften oft maeckingen by hem eenigssints voorden date van desen synen hier inne beslotenen testarnente gernaeckt ofte bekent, mondel inga of t schriftgewyse ende sal alsoo dit testament alleen effect sorteren, niettegenstaende datter niet inne geobserveert en waeren alle ende jegelycke de solempniteyten daertoe van rechts wegen gerequireert ende oock niettegenstaende eenige geschreven stadt oft lantrechten ter contrarien alle de selve midts desen derogerende. Dits aldus gedaen, bekent ende gecognosceert naer lecture soo van hem comparant selver midts syne herthooricheyt als van my notaris ten voors. xijen junnio anno voorseyt tmyns notaris comptoire inde Wolstrate gestaen ter presentie van Bartholomeus Hoegaerts oock notaris ende Jan Claessens, clerck, oock poorteren ende ingesetenen deser stadt als getuygen hier toe versocht. Ende tot meer vasticheyt heeft de voirghen. comparant beneffens de voorgen. getuygen naer affvraginge van oft sy schryven conden ende antwoirdinge des jaen, desen recognoscemente ende verclaeringe staende op dit besegelt ombladt onderteeckent gelyck ick notaris hebbe gedaen ende is tselve dit omblat oock gecachetteert soo met syns comparants cachet als met duyme soo alhier blyckt in rooden laccre was onderteeckent : Cornelis Lantschot, B. Hoegaerts, J. Claessens ende B. vanden Berghe notaris pub. admissus. Onder stonde noch Desen achtentwiniichsten april xvjc ende sessentvyfftich is dit testament alnoch behoorlyck besloten, gecacchetteert ende onderteeckent in behoirlycker forme ingevolge het eewich edict gepresenteert aen hr. Henrick van Hairnale, ridder, Mr. Gregorius Mertens, schepenen, ende my, secretaris desen onderteeckent hebbende, geopent ten versoecke van Sr. Louijs Lecandele, Jan Baptista Batkin ende Sr. Robert Laman als executeurs vanden wille vanden overledenen luijt syne codicille voorden notaris Sebille, hiertoe geroepen, h. ende Mr. Ambrosius Kinschot. Actum ten huyse van mevrouwe Roose ende die was onderteeckent : Max. Gerardi. Ende is de voors. copye naer collatie mettet voors. originael testament bevonden te accorderen van woorde te woorde sonder het daeraff gecommitteert te hebben sonder argelist in kennisse van desen letteren besegelt met onse segelen gegeven int jaer Ons Heeren als men schreef duysent sessehondert ende sessentvyfftich, achtentwintich dagen inde maent van april. Was onderteeckent : Max. Gerardi, ende besegelt met twee segels. Onder stondt : collatum concordat, quod attestor. Was onderteeckent : A. Sebille not. publicus.

18


BIJVOEGSEL BIJ HET TESTAMENT CORNELIS LANTSCHOT. 11 april 15 66. (AOCMW, OA, doos 175, f. 12) (Origineel : SAA, N, 3016, f° 238-242) Copije uijtten prothocolle van wijlen den notaris Mr. Ambrosius Sebille, in zijnen leven residerende binnen de stadt Antwerpen. Inden naeme Ons Heeren den elfsen aprilis 1656 Compareerde d'eersaeme Sr. Cornelis Lantschot ingesetene deser stadt Antwerpen, mij notaris wel bekent, sieckelijck op eenen stoel sittende, nochtans zijne sinnen, memorie ende verstandt over al wel machtich ende volcommentlijck gebruijckende soo dat genoech aen hem scheen ende bleke alhoewel hij herthoorich was, die welcke bekende ende verclaerde alnoch te approberen alsuicken testament als hij opden tweelfsten junij anno sesthienhondert ende vierenvijftich met sijn eijgen handt geschreven ende onderteeckent, in beslotene forme gemaeckt heeft ende gerecognosceert voorden notaris Mr. Bertholomeus vanden Berghe in presentie van sekere getuijgen, zijnde gecachetteert metten cachette van hem comparant ende vanden zelven notaris, willende oversulcx hij comparant dat het zelve zijn testament in alle sijne clausulen ende poincten sal volbrocht ende achtervolght worden voor soo vele tselve dese zijne tegenwoordige ordonnantie niet en is contrarierende. Verklarende ende bekennende voorts hij comparant bij forme van co bekennende oft additie tollen zelven sijnen testamente te ordonneren het naervolgende Inden eersten alsoo hij in zijnen voorschreven testamente quijdtgescholden ende geremitteert heeft aen sijnen neve heer ende ende Meester Ambrosius Kinschot advocaet tot Brussel, meer als de somme van negenduijsent guldens die hij codicillateur aenden zelven zijnen neve in jaeren heeft verschoten ende geleent tot sijn onderhoudt ende omme zijne montcosten te betaelen, als blijckt diversche rekeningen onderteeckent ende hem overgelevert soo ist dat hij codicillateur alsnu wilt ende begeert dat de zelve quijdtscheldinge niet en sal geschieden dan op dese expresse conditie te wetene ingevalle den voors. zijnen neve sich niet en comt te begeven totten houwelijcken staete ende gheene wettige kindt oft kinderen bij hem geprocreert int levene achter laet, in sulcken gevalle verclaert hij codicillateur sijn verstandt, intentie ende wille te wesen dat de twee hoeven onder “Lokeren ende d'ander opde Heijse “ aenden voors. zijnen neve bijden voorschreven sijnen testamente gemaeckt ende gelaeten naer desselfs zijns neefs afflijvicheijdt sullen commen ende devolleren, naementlijck de hoeve opde heijse aen het gasthuijs van Turnhoudt ende de hoeve gelegen tot Lokeren aen het beggijnhof tot Turnhoudt tot opbauwinge ofte vergrootinghe vande kercke vant zelve beggijnhof opden last dat die vant voors. gasthuijs midtsgaders die vant voors. beggijnhof schuldich ende gehouden sullen wesen alle weken eeuwelijck ende erffelijck duerende te doen celebreren eene gelesene misse van requiem tot laeffenisse vande ziele van hem codicillateur ende zijne ouders midtsgaders voor henne zielen te bidden weshalven hij codicillateur ordonneert dat die vant voors. gasthuijs ende beggijnhof sullen geven een behoorlijck bescheedt ende geschrift van tselve alsoo te achtervolgen, zijnde bij hem codicillateur alnoch versien ingevalle den voorschreven zijnen neve daer inne niet en wilde consenteren oft het zelve toestaen datmen hem alsdan de bovengementionneerde somme van negenduijsent guldens salvo justo, sal corten ende aftrecken aende legaeten die hij codicillateur aenden zelven zijnen neve bij sijnre voorschreven testamente gemaeckt ende gelaeten heeft, als zijnde sulcx inden gevalle als vore sijns testateurs expressen vuttersten wille ende begeerte. Ende tot volcommen observantie ende onderhoudt van tgene voors. is wilt ende ordonneert hij codicillateur dat voor ende aleer den voorgenoemden sijnen neve iet sal mogen trecken van sijne voors. legaeten hij schuldich ende gehouden sal wesen wettelijck bescheedt te passeren daer mede hij verccaere oft hij inde bovenschreven conditie consenteert oft niet. Item maeckt ende laat hij codicillateur een zijne heer neve Franciscus Kinschot, religieus ende priester int Roijclooster bij Brussel twee schilderijen staende op zijns codicillateurs slaepcamer een van eenen Ecce Homo ende d'ander van Onse Lieve Vrouwe met noch twee cleijne schilderijkens oock op zijne camer staende ende anders niet. 19


Item laet ende maeckt aen Susanna Cnobbers beggijne tot Turnhoudt, in wiens camer hij vele jaeren gelogeert heeft, eene schilderije van Onse Lieve Vrouwen Boodtschap opdat zij voor hem codicillateur zoude bidden. Item maecke ende laet aen Digna van Kieboom oock beggijne tot Turnhoudt, die bij zijne suster Maria gewoont heeft, thien pattacons eens boven een rentken van vier guldens erffelijck mette verloopen tot laste van Paulus Cornelis tot Marplas, commende van sijns codicillateurs voors. suster, soo ende gelijck hij codicillateur het zelve rentkenaende voors. Digna van Kieboom gegeven heeft den twintichsten junij anno sesthienhondert ende negenenveertich opdat zij voorde ziele van hem codicillateur zoude bidden. Item maeckt ende laet aen elcke religieuse in het clooster ter Bancke bij Loven aen elck int particulier eenen pattacon eens ende aen henne pater ende aende Eerweerdige mevrouwe Sta. Marta aen elck eenen ducaton eens om voor sijne ziele te bidden ende eene uijtvaert te doen voor alle de weldaden die hij codicillateur aen hen clooster verclaerit gedaen te hebben. Item maekt ende laet aen Barbara Ceusters, oude maerte vanden huijse vanden heere borgermeester Jan Roose zaliger, veertich pattacons eens opdat zij voor sijne ziele zoude bidden. Item laet ende maeckt aende twee andere maerten vanden voorschreven huijse, genaemt Anna vanden Velde ende Maria Momhaert, aen elck vijffentwintich pattacons eens op conditie ingevalle zij tsijnen sterfdaege noch woonachtich sijn ten voors. huijse van mevrouwe Roose ende anders niet, alles om voor sijns codicillateurs te bidden. Item laet ende maeckt aen Joos de Somere die ten zelven huijse eenighe jaeren gewoont heeft, thien pattacons eens om voor sijns codicillateurs ziele te bidden ende dat boven andere beneficien die hij vanden codicillateur gehadt ende genoten heeft. Item verclaert hij codicillateur dat alle de legaeten, soo bij hem voor date deser als uijt crachte van dese jegenwoordige codicille gemaeckt ende geordonneert, daer van de legatarissen voor hem zouden mogen gestorven wesen, sullen commen te cesseren.

Foto 5 Godshuis Lanschot in midden Item de twaelf schilderije vande appostelen hangende rontomme zijns codicillateurs camer ten huijse vanden voorschreven wijlen heere borgermeester Roose, de zelve laet ende maeckt hij tot cieraet vande zelve camer tot eene memorie. Item laet ende maeckt hij codicillateur aen mevrouwe Anna Fredericx naergelatene wede. vanden voorschreven wijlen heere borgermeester Jan Roose, alle ende jegelijcke de stucken goudt diernen in zijns testateurs cassen sal bevinden te liggen in een root schoteltken, voor alle diensten. beneficien ende bijslandt die hij van haer genoten heeft ende dat bovens ende behalvens het legaet 20


dwelck hij codicilateur aende zelve mevrouwe gemaeckt heeft bij sijn voorschreven testament. Item noch kiest, stelt ende deputeert hij codicillateur andermaels bij desen voor executeurs van sijnen voorschreven testamente ende van desen zijne codicille Sr. Louis Lecanele, oudt aelmoessenier, d'heer Jan Baptista Batkin Sr. Carelssone, oudt schepene ende mede oudt aelmoessnier deser stadt Antwerpen, rnidtsgaders Sr. Robert Laman, omme alles punctievelijck te executeren ende te doen onderhouden inder vuegen ende manieren gelijck inden voorschreven sijnen testamente ende in dese zijne codicille begrepen is. Waer toe hij hen geeft volcommen ende absolute macht, soo ende gelijck die naer recht verheijst ende van noode wesen sal sonder eenige limitatie ende met vrije ende generaele administratie over alles ende in alles naer exigentie ende gelegentheijdt vande saecke. Allen dwelck hij hen wilt toebetrauwt te worden sonder contradictie van iemande endè sonder naermaels te mogen doen oft mogen doen in rechte oft daer buijten tegens tghene de voorgeroerde executeurs dijenvolgende verricht ende gedaen sullen hebben ende bij soo verre iemandt van hen quaeme afflijvich te worden voor het volbrengen ende effect vanden voorschreven sijnen testamente ende vuttersten wille, indijen gevalle sullen de twee overlevende mogen tot hen kiesen ende aennemen eenen anderen executeur van ende uijt de oude aelmoesseniers deser stadt gelijck hen dat sal goedtduncken. Voorders repeleert hij codicillateur gelijck hij in zijn voors. testament oock verclaert geseght te hebben dat sijnen wille ende intentie is dat de heeres aelmoesseniers deser stadt geene gereede penningen en sullen genieten oft handelen ten zij tot de daegelijcxse misse ende de vier jaerlijcks deijlen ofte proven daer aff zij sullen gehouden wesen behoorlijck bescheedt ende geschrift te geven omme jaerlijcx wel onderhouden te worden ende belangende tgene zij voorder van hem

21


Foto 6 Voordeur Godshuis Lanschot

22


codicillateur sullen ervan, neer inhoudt van sijnen voorschreven testamente, daer aff en sullen sij gheene gereede noch comptante penningen genieten oft handelen, maer sullen de zelve blijven liggen ende berusten onder den voors. Robert Laman, mede executeur als boven, soo lange ende tottertijt soe de zelve penningen wel ende behoorlijck sullen aengeleijt wesen, altijt in landen, huijsen oft aen goede gehipothiceerde renten op dese stadt oft ander goede panden, alles met toestemminghe ende advies vande voorschreve executeurs, omme jaerlijcx daer aff te genieten de vruchten ende innecommen tot proffijt vande camer vanden armen deser voors. stadt Antwerpen ende anders niet. Welck emploije, ingevalle het zelve geschiede aen eenige renten, altijt niewelijck ende erffelijck durende, inder manieren als boven, sal moeten geschieden ingevalle de renten gequeten werden, daer aene het zelve emploij gedaen waere. Item sullen de dienende aelmoesseniers gehouden wesen alle jaeren op Ste Barberen dach, daechs ter vergaederinghe vanden oude aelmoesseniers, aenwijsinghe te doen ten versoecke vande zelve ouden aelmoesseniers, waer inne ende hoe de capitaele penningen ende allen tghene sij inder manieren ende opde conditien als boven verhaelt vanden codicillateur sullen hebben geerft, aengeleijdt ende geconstitueert zijn. Item begeert hij codicillateur dat den priester totten goddelijcken dienst om te doen de daegelijcxsche misse bij hem geordonneert inde kercke van St.-Jacobs alhier, sal worden gedenomineert bijde voorgenoemde mevrouwe van den heere borgemeester Roose zaliger ende den voorschreven Sr. Robert Laman ende naer hen doodt bijden ghenen offt de die zij inde zelve qualiteijt daer toe te voren sullen hebben gecosen ende gedenomineert, sonder dat den heere pastoor aldaer hem deshalven sal hebben te bemoeijen. Allen tghene voors. is verclaerde hij codicillateur te wesen sijnen uijttersten wille ende begeerte, ordonnerende dat het zelve beneffens zijne voors. testament sal volbracht ende achtervoght worden. Versoeckende hier af bij mij notaris tselve wettelijck stipulerende een ofte meer openbaeren instrumenten gemaeckt te worden. Actum t'Antwerpen ten woonhuijse vande voors. vrouwe de weduwe vanden heere borgermeester Roose, alwaer den codicillateur is innewoonende, ter presentien van Gillis de Voght ende Guilliam van Ishoven, dienaers ten zelven huijse als getuijgen hier toe geroepen. Ende wesende den voors. codicillateur ende getuijgen bij mij notaris gevraecht oft zij conden schrijven, hebben geantwoordt, te wetene den voors. codicillateur ende Gillis de Vรณght jae ende den voors. Guilliam van Ishoven neen. Ende des toorconden dese minute beneffens mi'j . notario met henne naemen ende handtteeckenen respe onderteeckent. Was onderteeckent Cornelis Landtschot, Dillis de Voght. Onderstondt een cruijsken daerbi volgt : dit is het handtte j geschreven stondt als die als boven ecken vanden voors. Guilliam van Ishoven verclaerde niet te connen schrijven. Item was noch onderteeckent Ambrosius Sebille notarius.

23


Uit Het handelsblad * 28-04-1895 CORNELIS LANTSCHOT 1656

Of is te koop met kracht van geldt! Er had enige dagen geleden ene lijkplechtigheid plaats in St-Jacobskerk : een groot getal personen uit den werkenden stand, woonde ze bij. - Onder deze waren er velen, die den doods wezenlijk gedachtig waren ; anderen schenen « grote denkers » te zijn. Ik zag er die stonden met de armen over de borst gekruist, onderzoekend naar boven, rechts of links gapend, alsof zij wilden weten hoe dat ding, die kerk, ineen zat, in welke zij blijkbaar vreemd waren. Zij knielden niet, zij bogen het hoofd niet. Heere vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen! ’t Waren misschien op hunne manier « vrijdenkers », die het lijk van hunnen kameraad tot aan het graf wilden vergezellen, en zich voor een enkelen keer geweerdigd hadden , hunnen schoenzool door den vloer eener kerk te laten bevuilen. Op een zeker ogenblik zag ik een jong gezel, die het meest onbeschoftheid en uitdaging aan den dag legde, met enen ouderen van de groep weggaan. Hij wilde dezen blijkbaar ene curiositeit in de kerk wijzen — en ik begreep hem onmiddellijk. Links in de tweede kapel zag ik inderdaad den geleider driftig peroreeren, met een ver-waanden en brutalen lach op het aangezicht. Hij wees op een marmeren blad, waarop de eerlijke tijdgenoot van Cornelius Lantschot, in 1656, had doen kappen ter zijner eer : Men wint den Hemel met gewelt, Of Is te koop Het kracht van geldt. 't Verwonderde mij niet. Ik begreep dat die jonge waangeleerde bezig was met de twee regels, ten nadeele van kerk en priester, uit te leggen, en hiermee den twijfel en het ongeloof te zaaien in het hart van den ouderen. Anderen, zelfs die zich als grote geesten voordoen, hebben hierin eene scherpe satire Willen vinden tegen de Roomsche Kerk. Welke booze geest, welke vijandige vreemdeling deed hetzelfde niet! Onze liberalen hebben die twee regels — natuurlijk met het bovenste gedeelte van het opschrift weg te laten — geëxploiteerd, gelijk nu de radicalen doen, en meer dan een sukkelaar heeft zich door hen laten bedodden, omdat hij niet-verder onderzocht. Onbeschaamd, » hoorde ik den ouden werkman zeggen en op dat woord zal wel een reesel vervloekingen gevolgd zijn tegen de « papen » die willen, volgens het opschrift, dat men hunne zakken vol geld brengen zou om den hemel te koopen. Wie weet, of men er niet bijvoegde : de arme heeft geen geld te brengen en dus voor hem — geen hemel ! Wat een prachtig thema voor een boozen volksverleider en tekstvervalscher, om eenvoudige menschen te bedriegen ! Wat een schoon middeltje ook voor eenen onbe-schaamden commissionnair, om eenen protestant te doen glimlachen en eene goede fooi uit zijnen zak te kloppen! Hoe het zij, die twee regelen zijn ook bij vele Antwerpenaars aangeschreven, om er mee tegen kerk en geestelijkheid uit te varen en gelijk Camille Lemonnier ze te aanzien, als eene ironie op zijn Uilenspiegels of zijn Reinaerts tegen de geestelijkheid. Wonder genoeg dat zij nooit de moeite deden, om het geheele opschrift te lezen en er den waren zin van uit te leggen ! Hoe, gij, werkman, gij spot ook domweg met die twee regels, en gij weet niet dat duizenden uwer hongerlijdende broeders, nu 240 jaar geleden, door den man, aan wien die regels waren toegewijd, werden geholpen, bijgestaan en gered! Ja, Men wint den Hemel met gewelt, of is te koop met kracht van geldt. Dat wil zeggen : « Gij, die in het geld zwemt, gij, die in de millioenen grabbelt, geef, geef met volle hand aan den armen broeder ! Dat is het middel om den hemel binnen te treden, volgens het voorschrift van Christus !» 24


Tot hem, die den arme en ongelukkige mild gedachtig is geweest, zal ook volgens de god-delijke beloften gezegd worden: « Kom, treed binnen in het rijk der hemelen ; want ik had honger, en gij hebt mij gespijsd ; ik had dorst, en gij hebt mij gelaafd ; ik was naakt,en gij hebt mij gekleed !» Zóó verstond het die edele Antwerpsche koopman, Cornelius Lantschot die zich menschlievend toonde heel zijn leven door, die een godshuis voor arme vrouwen stichtte, die hielp wie leed, en bij zijn sterven nog honderdduizenden aan den arme vermaakte. De wereld verbreidde zijnen lof, de aarde kreeg zijn lichaam, de arme zijn geld — en God zijne ziel ! zoo spreekt het opschrift. Waarom snijdt ge, o volkshedriegers en kerkhaters, boosaardig de onderste regels van de bovenste af ? Enkel om te kunnen lasteren en liegen ! Wij weten wel dat de handelwijs van Cornelius Lantschot, in onze eigenbaatzuchtige eeuw, door al de « genieters,» als eene domheid wordt uitgekreten. Wij weten wel dat men het vandaag beter vindt, zelf zooveel mogelijk te genieten en zoo min mogelijk aan het lijden van den ongelukkige te denken . Maar daarom juist zijn de eeuwen van rein en vast geloof, van waar christengevoel, van wezenlijke naastenliefde, voor ons zoo ve-heven, zoo grootsch ! Daarom vereeren wij zoo diep de stichters van onze liefdadige instellingen, die schier allen uit die dagen dateeren. Die weldoeners hadden noch stad, noch gouvernement noodig: zij stichtten zelve uit eigen beurs! Daarom is die edele Cornelius ons lief, en walgt het ons de naïeve woorden, onder zijne beeltenis geplaatst, domweg te hooren verdraaien en vervalschen. Onze eeuw heeft vele volksvrienden — in naam ten minste ; maar weinig volksvrienden in daad, gelijk Lantschot was die, dunkt ons, voor den hoogen Rechterstoel gekomen, met reden zeggen mocht : « Ik heb mijn goed, o Heer, den arme gegeven, zoals Gij het mij bevolen hebt » Ziedaar nu een socialist in den waren zin des woords, en die in onze dagen bij de socialisten — al zijn er dan ook die gouden knoppen aan de broek hebben — geene de minste navolging vinden zal. Wij leven niet meer in de dagen dier groote werken : wij leven in die der groote en holle woorden, die nochtans zoo min werk geven als zij den hongerigen buik vullen! Had onze samenleving vele mannen als Cornelius Lantschot, en wat minder blaffers en woordenkramers, die den mond vol hebben van gelijkheid en broederlijkheid, maar die hunnen zak toegestropt houden en alleen broederlijk voor hun eigen zorgen— het zou, voorwaar, wat beter gaan in de wereld. Werkman, die nog eerlijk denkt, als gij in St-Jacobskerk komt en de tweede kapel binnentreedt, vergeet dan niet dat daar een oprecht volksvriend herdacht wordt, die het overgroot gedeelte van zijne rijkdommen aan den lijdenden werkman, aan den ongelukkigen broeder heeft geschonken. Ja, 't is zoo dat : Men wint den hemel met gewelt Of is te koop met kracht van geldt.

25


Ons Oud-Antwerpen - Het Handelsblad 10-5-1931

Een eigenaardig grafschrift. Het Godshuis Landschot Antwerpen heeft ten allen tijde liefdadige zielen geteld. En men weet dat men nu nog in onze stad geen nutteloos beroep op de liefdadigheid doet. In vroeger eeuwen, wanneer de armoede zich veel strenger deed gevoelen, door het feit dat er alsdan van officiele zijde niet genoeg kon geholpen worden om in tijden van nood voedsel en kleeding aan de behoeftigen te bezorgen, waren het vooral de rijke ingezetenen der stad, die met elkaar wedijverden om het hunne bij te dragen tot het lenigen van den nood. In den ouden tijd was het geen zeldzaamheid dat groote fortuinen in hun geheel aan liefdadige instellingen, kerken of kloosters gelaten werden. Soms werden sommen uitgezet waarvan de intresten moesten dienen om jaarlijks een of ander goed werk te doen. Vele dier oude stichtingen bestaan nog en zullen blijven bestaan, daar ze gewoonlijk bij testament als eeuwigdurend vermeld worden. Zoo ontstond het gebruik der Pelgrimstafel, in het St-Julianus gasthuis. Dat gasthuis zelf is een liefdadige instelling bij testamentaire beschikking ingesteld. Een veel toegepaste wijze van weldoen bestond in het stichten van toevlucht- of godshuizen voor arme, oude of gebrekkige lieden. Zulke instelling had het voordeel na het afsterven den naam van den weldoener te vereeuwigen. Bij laatste wilsbeschikking werd dan aan het gesticht een vast inkomen toebedeeld waarvan men de liefdevolle zorgen aan een zeker aantal armen kon verzekeren. Er bestaan nog een groot aantal dier oude godshuizen in onze stad, welke er soms uitzien als begijnhoven. In sommige gevallen ging echter in den loop der tijden het werkelijk doel verloren, 't zij door de steeds toenemende onkosten van onderhoud — gedenkt dat er instel-lingen bij zijn die drie tot vierhonderd jaren oud zijn — 't zij om andere redenen. En zoo komen we waar we heen wilden, toen we dit artikel begonnen te schrijven. Een onzer kennissen vroeg ons laatst of we het beruchte opschrift kenden dat zich in St-Jacobskerk bevindt. En we herinnerden ons dat die vraag naar, en de uitleg van dat opschrift meermalen opgeworpen wordt in onze stad. Hier wordt bedoeld het gedicht welke in den gedenksteen aan Cornelis Lantschot gebeiteld staat. Cornelis Lantschot was een schatrijk .koopman die met zijn groot fortuin veel goede werken verrichtte. In 1656 stichtte hij een Godshuis op de Falconrui voor twaalf oude vrouwen. Een schoone kapel toegewijd aan de H. Rosalia, behoorde bij de stichting. Gebouwen en kapel bieden weinig merkwaardigs. Van den voorgevel en de kapel, die nog bestaan, blijft weinig heel over. De huizekens rondom den binnenkoer zijn bewoond en netjes onderhouden, evenals het tuintje in het midden. De voorgevel ziet er uit alsof hij nooit voleindigd werd. Boven de ingangpoort staat in den steen gehouwen : «Godtshuys gefondeert bij Cornelis anno 1656». Lantschot liet het grootste deel van zijn fortuin aan de armen na. In St-Jacobskerk, in de kapel van den H. Naam Jezus, hangt onder het kerkraam het gedenkteeken van den liefdadigen Lantschot. Het dateert van 1660. Onder zijn portret, een paneel van Van Diepenbeek, mogelijk van Cornelis De Vos, staat het veelbesproken lofdicht:

26


Cornelius Lantschot die hier light Heeft met sijn deught de mens gesticht Met gelt en goet, capel en kerck En liet den armen naer dit werck Noch hondert dusenden. Daertoe Ja, maekt de miltheit selver moe Mits elck daer iets begeerden van Is doot gedeylt die grooten man De werelt sijn lof: aerd 't lijf behiel Den armen t' gelt, en Godt sijn siel Men wint den Hemel met gewelt Of is te koop met kracht van geldt Stirf A° 1656, 26 April. Als we zeggen dat dit opschrift gekend is, overdrijven we. Men kent slechts de twee laatste regels. die het geheel niet kunnen weergeven, en die men dan ook verkeerd uitlegt. En men brengt die overwinning op den hemel in verband met de koopkracht van het geld. Dit is echter zoo niet te verklaren. Wanneer men het geheele opschrift nagaat, en het liefdadige leven van Lantschot, dan vindt men ook de werkelijke beteekenis van dat vers. Lantschot heeft met zijn geld zooveel goeds gedaan, dat hij door zijn liefdadigheid den Hemel mocht verwinnen. Het was dus wel onrechtstreeks met de kracht, of macht van zijn fortuin dat hij het zoo ver brengen kon. Wat het woord, « gewelt » (d) er bij staat te doen? Hier is bedoeld 't geweld dat men zich zelf moet aandoen om z'n zondige neigingen te bemeesteren, en aldus de hemelsche belooning waardig te worden. Een ander Godshuis bevindt zich nog in dezelfde straat, dat gesticht werd in 1635 door Michiel van Cauwenberghe. Heer van Schilde. Het was bestemd voor zeven ouderlingen. Het werd opgericht op eenen ouden bleekhof genaamd «Het Hoefijzer». Hier vinden we het voorbeeld, hooger aangehaald waar de stichter er zorg voor droeg dat het huis ook een verzekerd inkomen had. Een testament vermeldde een kapitaal van 16.000 gulden, nagelaten ten voordeele der stichting. Noemen we nog een Godshuis, uit de vele die hier nog bestaan, dat der Oudemanstraat, genaamd «Godshuis grauw en blauw». De stichter Geert Baerts, bepaalde bij testament dat de ouderlingen een grauw- en blauwe kleeding zouden dragen. Vandaar kwam de benaming. In datzelfde testament, van 1470, verklaarde Geert Baerts, dat hij wilde «hier op eertrijck te saeyene, dat hij in Hemelrijek mochte maeyen». De bedoeling was hier dezelfde als bij Lantschot, maar het was in ieder geval nederiger uitgedrukt. De Oudemanstraat ontleent haar naam aan dat Godshuis. F. VAN LIESHOUT, Architect. Lid van Antwerpse Oudheidkundige Kring.

27


ZIJN BROER PASTOOR Gillis (Egidius) van Lantschoot stierf als pastoor van Kaprijke in januari 1640. Hij werd afgelegd en gekist door Jan Cuelenbroeck. Lieven De Key, timmerman van beroep, maakte de doodkist. Hij gebruikte spiessen hout (dat is epicea) en hij bevestigde ringen aan de kist. Zij kostte drie pond groten. Lieven haalde ook tarwebrood voor de mensen die bij het lijk waakten. Hij deed dan 26 masteluinbroden bakken om die aan arme mensen te geven na de uitvaart. Die broden moeten zeer groot geweest zijn want ieder brood woog acht ponden, dat is dus bijna vier kilo. Zij kostten trouwens 17 groot het stuk. Voor de uitvaart werden gewaden geleend te Watervliet. Elias Van den Baecke, klokluider en rafmaker, bestelde bij de wasmaker Adriaan Vermeire te Eeklo, 16 pond wit was. Hij luidde vier keren (vier pozen zegde men toen) tijdens de dagen dat de overledene nog boven de aarde lag en hij luidde ook tijdens de kerkdienst. Guillaume De Smedt, kerkbaljuw van Kaprijke, was de roedrager. Matthijs Maeye leverde eten en drank voor de uitvaart en hij betaalde daarvoor 3 pond en 13 schelling. De buren werden ook getracteerd en dat kostte 1 pond en 3 schelling. De wethouders van Kaprijke en de deken van Aardenburg dronken voor vier schelling wijn. Gillis van Lantschoot werd niet te Kaprijke begraven. Zijn lijk werd door Elias Van den Baecke naar Brugge gevoerd. Antonius Cosijn, medepastoor van Gillis, mocht meerijden op de wagen en Jan Cuelenbrouck volgde te paard. Die reis nam drie dagen in beslag, gaan en keren.

Foto 2 "Verdwenen Augustijnenkerk Brugge Gillis werd in de te Brugge begraven. Hij was immers een Augustijnmonnik afkomstig uit de abdij van Zevenborren te St. Genesius-Rode. Op bevel van de griffier van Kaprijke reisde Niclaas De Mol naar daar om het overlijden aan de prior bekend te maken. 28


Het gebeurde wel meer dat een priester zonder erfgenamen stierf en het was dan de deken die zich met de nalatenschap moest bezighouden. In dit geval was dat Willem Van Houcke, pastoor te Watervliet en deken van de dekenij Aardenburg. Die geestelijke werd geholpen door Jan Hooft, griffier van Kaprijke. Er moesten allerlei schulden betaald worden want Gillis was nogal nalatig geweest in dat opzicht. Maar eerst en vooral werd het geld geteld in de pastorij. Bij die belangrijke bezigheid werd de deken nog door andere mensen geholpen: de burgemeesters Lieven Weytsens en Gillis Blancqaert, de schepenen Jacques Schollaert, Jan De Deckere, Christiaan Van Hyfte en Jooris Van Heede. Griffier Jan Hooft schreef alles op: allerlei gouden en zilveren munten, in verschillende zakjes gestoken en in een koffer geborgen. De waarde van de gouden munten werd geschat op 76 pond 15 schelling 6 groot. Het zilveren geld werd geschat op 178 pond 19 schelling 6 groot. Pastoor van Lantschoot was dus niet arm. Al zijn geld moest, op bevel van bisschop N. de Haudion, naar Brugge gebracht worden door de deken. Gillis De Vos voerde hem en er gingen nog twee mannen mee om gebeurlijke dieven op afstand te houden. Kort nadien werden de 20 goederen van de overleden pastoor openbaar geveild (Spijtig genoeg worden ze in het hier gebruikte document niet gespecifieerd). Burgemeesters, schepenen, deken en anderen verteerden toen 1 pond en 7 schelling ten huize van Pieter de Cupere. De schout Jan Goethals, die de verkoop en de kerkgeboden gedaan had, kreeg 6 schelling en 8 groot. Met de opbrengst van die meubelen trachtte men de schulden van Gillis te betalen. Zijn meid, Katelijne Robert was een oude kaducke vrouw die bijna niets gekregen had. Zij had wel gebruik mogen maken van een bed van de pastoor, van dekens, slaaplakens en van een spinnewiel. Zij had anderhalf jaar bij de pastoor gediend en zij kreeg nu 4 pond 8 groot, dezelfde som die zij ook gekregen had toen zij bij de baljuw van Wondelgem gediend had. Die meid kon het geld goed gebruiken. Na de dood van de pastoor woonde zij gedurende 9 weken bij Matthijs Maeye en die eiste nu 1 pond 8 schelling en 8 groot van het sterfhuis voor dertig maaltijden die Katelijne bij hem gebruikt had en voor haar slaping. Matthijs Maeye had dan nog verschillende keren bier en wijn geleverd aan de pastoor. In 1639 had hij zelfs een karteel wijn gekocht te Sluis. De pastoor was bij hem maar hij had geen geld genoeg op zak om dat te betalen. Het ledig vat moest nog aan Matthijs teruggegeven worden. Een tinnen bord en een boek die de pastoor van hem geleend had moesten ook nog teruggegeven orden. De pastoor was een slechte betaler. In 1634 had hij zelfs een proces gevoerd tegen Matthijs Maeye in verband met een stuk wijn die hij bij Maeye gekocht had voor 13 patacon maar waarvoor hij afslag wilde omdat er zeven pinten te kort in waren. Gheeraert Bockstael, procureur ter Vierschaar van Kaprijke, verdedigde toen de pastoor en hij eiste nu ook zijn loon, zoals hij dat trouwens deed voor andere processen die hij voor de pastoor moest verdedigen. In 1633 was de pastoor zo in proces tegen Guillaume De Schepper voor de betaling van een karteel goede Franse wijn. In datzelfde jaar ging het tegen Antheunis De Mol, Matthijs Maeye en bovengenoemde De Schepper die zich verzetten tegen het huwelijk van Elisabeth De Mol met Joos Gautsem. De procureur verdedigde toen de pastoor die dat huwelijk steunde in het ge estelijk hof. Nog in 1633 betrok de pastoor Matthijs Maeye voor de vierschaar van Kaprijke omdat die weigerde een mis te betalen die de pastoor te zijner intentie had laten doen voor O.L. Vrouw van Stoepe. De pastoor beschouwde die mis als betaling van geleend geld en van gekochte wijn maar Maeye had daar een andere mening over. Tegen jonkheer Aernout Hauweel, Frans de Meulemeester en Hubrecht van Keleghem procedeerde Gillis van Lantschoot wegens betaling van tiendepacht. Tegen de weduwe van Jan Bruynsteen, ontvanger van de kerk, was dat wegens haar eis voor betaling van achterstallig loon van haar echtgenoot. Diezelfde weduwe had, in augus tus 1633, vier tonnen bier geleverd, grooten klein bier. In 1634 leverde zij nog een halve ton klein bier en zes en hald pond hoppe. In 1635 leverde zij nog eens hoppe en witte haver om te brouwen. De pastoor had dat allemaal nog niet betaald. Eind oktober 1639 kwam die zaak voor de wet en de pastoor tracteerde toen met 1 schelling Antwerps bier. Hij had dat ook nog niet betaald toen hij stierf. Tijdens al die proces sen dronken de wethouders voor 41 schelling bier in De Kroon, de herberg van het stadhuis te Kaprijke. Voor zijn werk in al die processen eiste procureur Bockstael van het sterfhuis 3 pond 6 29


schelling en 10 groot. Ook bij meester Hubrecht van Keleghem bleef Gillis van Lantschoot in het krijt staan. Dat moet een soort geestelijke geweest zijn die toen te Kaprijke verbleef en misschien als kapelaan dienst deed. In oktober 1637 werd Gillis van Lantschoot gedurende enkele maanden te Aardenburg vastgehouden door de protestanten. Dat was een verplicht verblijf dat de hervormden wel meer als revanche toepasten. Deken Van Houcke had zo omstreeks die tijd vast gezeten te Iizendijke en de paters van Zoetendale werden een tijdlang te Sluis opgehouden. Gillis maakte allerlei kosten tijdens dat verblijf in Aardenburg en meester Van Keleghem stond borg voor hem, dat wil zeggen dat hij die schuld betaalde. Dat waren dan zes pond voor een jaar huishuur, vier pond voor lakens, één pond 10 schelling voor specerijen, 8 schelling voor een tonneken beschuit, 1 pond 8 schelling voor boter en dan nog geld voor andere zaken, in totaal 14 pond. De pastoor had 2 pond 10 schelling betaald, de rest was door Keleghem gegeven. Hij moest nog 4 pond betalen aan de pastoor voor pacht van een huis dat aan de kerk toebehoorde en dus moest hij 7 pond 10 schelling krijgen van Gillis. Keleghem mocht daar achter wachten tot in 1640, dus tot na de dood van de pastoor. De kerkbaljuw, Guilliame De Smedt had toen ook het een en het ander gekocht voor de gevangen pastoor: een paar schoenen van 5 schelling bij het begin van de intemerin een paar schoenen van 6 schelling toen de pastoor terug thuis kwam, 4 gebuilde tarwebroden van 3 stuiver 't stuk (dat was gelijk aan 6 groot) en twee keer twee pond aberdaan (dat is kabeljauw) die hij te Eeklo gekocht had tegen 4 groot het pond. Later had de kerkbaljuw nog schoenen gekocht voor de pastooren er zelf ook hersteld. De pastoor had wel het een en het ander voldaan maar er bleven nog 14 schelling te betalen door het sterfhuis. Antonius Piers had ook vis geleverd te Aardenburg, botten (heilbot) en platen. Hij moest nog 5 schelling krijgen van het sterfhuis. De pastoor had dokter Duerman uit Sluis naar Aardenburg doen komen maar hij had die ook niet betaald. Het sterfhuis moest nu twee pond betalen voor vier bezoeken. Het moest ook ongeveer twee pond betalen aan apotheker Jacques de Genez uit Gent voor twee onsen Duitse siroop voor de borst, 5 onsen mannatabletten om te purgeren, een pot zalf met allerlei ingrediënten, callissedrop en nog eens drie onsen borstsiroop. Dat was allemaal geleverd aan de pastoor toen die ziek was in april 1639. Christoffel Verschueren leverde een koppel patrijzen voor 20 schelling maar hij was tevreden met de helft van die som omdat hij wat garen gekregen had van de pastoor. Later bezorgde hij die nog een koppel patrijzen en omdat zij veel kleiner waren was hij tevreden met 4 schelling. Voor drie koppels kwartels vroeg hij 5 schelling. De pastoor had hem ook niet betaald, het sterfhuis zou dat nu doen. Christoffel had ook de tuin van de pastoor gespit en hij had allerlei reizen voor hem gedaan. Hij liet het over aan het sterfhuis om hem hiervoor te vergoeden. Mailjaert De Cock deed ook het een en het ander: de pastorij kuisen, een vaatje wijn halen te Aardenburg, een koppel vogels leveren voor 5 schelling, een kluts peren voor 2 schelling, alles samen 12 schelling. De pastoor had hem ook betaald met steekgaren maar De Cock gaf dat garen terug aan het sterfhuis, hij kreeg liever geld. Jacques Van Hecke had een paar keren bier gebrouwen voor de pastoor. Hij deed dat in de brouwerij van Joos Mortier. Hij werkte daar gedurende vier dagen en hij vroeg 12 schelling. De gist en de specerijen die hij voor 3 schelling gekocht had bij de pasteibakker Jacques Spruyt, waren in die som begrepen. Hij kocht een vaatje wijn voor de pastoor bij Jan Potteldoorn (8 schelling 9 gr.) en dan nog eens twee flessen wijn en een pot brandewijn (6 sch. 2 gr.). Dat bleef onbetaald evenals 5 pond kaarsen tegen 12 groot het pond. Te Aardenburg had hij drie vaatjes wijn gekocht en die waren door de pastoor betaald. Flet vervoer (2 sch. 2 gr.) en de licentie (5 sch. 9 gr.) waren door Van Hecke betaald. Jacques De Mey bracht mout naar de Westmolen en hij haalde die 's anderendaags terug (twee sch.). Voor het vervoer van die mout naar de brouwerij van Joos Mortier vroeg hij één schelling. Voor twee sch. bracht hij een voer hout, getrokken door twee paarden, naar de brouwerij. Hij reed dan 30


nog eens met de pastoor naar Brugge voor 7 sch. De helft van die som was kontant betaald. Jacques 1 ook eens 50 grote appels en de pastoor beloofde 1 stuiver per appel te betalen. Bij de mulder Aemout de Notere stond de pastoor in het krijt voor malen van graan (2 sch.) en. leveren van twee steen tarwemeel. Comelis De Doncker had Gillis van Lantschoot ook eens helpen brouwen bij Jacques Mortier en hij vroeg daar 3 sch. 4 gr. voor. De grafmaker en klokluider Elias van den Baecke had dat ook eens gedaan en hij vroeg 6 schelling. Pasteibakker Jacques Spruyte slachtte een lam voor de pastoor. Hij leverde vlees en maakte vispastei, alles voor 4 schelling. Toen Gillis van Lantschoot te Aardenburg gevangen zat stuurde hij Gheraerd Hutse bout, officier van Maldegem, naar Brugge waar hij bij baljuw Pycke geld moest vragen dat aan de pastorij van Kaprijke toebehoorde en dat daar in bewaring gegeven was. Baljuw Pycke zond de officier naar Eeklo waar zijn huisvrouw dat geld gaf. Hutsebout trok daarmee naar Aardenburg en hij had ook een brief bij die le vrouw van Pycke had meegegeven voor de pastoor. Dat alles nam drie dagen in beslag en dat kostte hem 3 sch. 8 gr. per dag. Griffier Jan Hooft betaalde al die schulden met geld dat de verkoop van het huisraad had opgebracht. Hij had daarvoor de toestemming gekregen van de deken. Burgemees ter Weytsens was aanwezig bij de betaling die in maart 1640 plaats had. Hooft betaalde ook nog wat herstellingen aan de priesterage, dus de pastorij, waar Antonius Cosijn nu zou gaan wonen. Een nieuwe pastoor, Cornelis Courtois zou een ander pastoreel huis betrekken, in de Weststraat rechtover de kerk. Dat pastoreel huis was nog met stro gedekt. Meester Hubrecht van Keleghem had daar, in 1639, 216 glijen stro doen op verdekken en hij moest daar nog twee pond groten voor krijgen. Hij woonde daar toen wellicht tijdelijk bij Cosijn die dikwijls ruzie maakte met Gillis van Lantschoot. Vooral in 1635 was dat erg geweest. Van Lantschoot was pastoor van de tweede portie, zoals men dat toen noemde en Cosijn was pastoor van de eerste portie. De ruzie stond in verband met het toedienen van sacramenten en innen van de inkomsten van de kerk, onder andere van een fondatie van dertig missen. Daniel Verstraete Brugge - Rijksarchief - Fonds De Hoop, nummer 921.

31


32


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Lanschot Cornelis by Hans Van Landschoot - Issuu