Page 1

Loek Grootjans / Lon Robbé / Stansfield/Hooykaas / Thomas Huber / Femke Dekkers / Jan van den Langenberg / Margriet Kemper / Paul Frankhuijzen / Plattèl / Bram van Velde / Efrouw Monnaie / Florette Dijkstra

1

Het schrift voor nieuwe kunst

2012 – nr 1


Luciano Fabro. In cubo. Foto: Carla Lonzi, 1966 Š Giorgio Colombo, Milaan

2


KUNSTWORDTTERUGKUNST biedt ruimte aan het denken vanuit kunst. KUNSTWORDTTERUGKUNST wil de nieuwe kunst voor het voetlicht brengen. KUNSTWORDTTERUGKUNST nodigt kunstenaars en schrijvers uit die verantwoordelijkheid nemen voor kunst en werken en denken vanuit kunst. Zij doen waar ze het over hebben. De naam van het tijdschrift verwijst naar Kunst wordt terug kunst, een reeks colleges van Luciano Fabro. Hij stelt dat de hedendaagse kunstenaar zijn bestaansvoorwaarden is kwijtgeraakt. Het zou de taak van de kunstenaar moeten zijn om het gedachtegoed over kunst te koesteren en te voeden, aangezien de kunst het domein is waarin het denken vorm aanneemt. Zowel het instrumentarium van de kunstenaar als de plaats van de kunstenaar in de maatschappij, zijn in de huidige tijd niet meer vanzelfsprekend. De kunstenaar is in een wereld geplaatst waar het niet meer uitmaakt wat hij doet en waar en zelfs of hij het doet. Zijn handelingen zijn vrije, in de ogen van de wereld willekeurige beslissingen geworden waar niemand zich nog om bekommert. Met zijn plaats in de maatschappij is ook het traditionele instrumentarium van de kunstenaar versleten geraakt. Vroeger werd zijn innerlijk door de instrumenten veruitwendigd, maar tegenwoordig is hij al met de bezoeker van zijn tentoonstelling bezig nog vóór hij een werk heeft gemaakt. Hij staat dus oog in oog met het publiek, hetgeen zijn innerlijk kan beschadigen. Kunstenaars zouden op zoek moeten gaan naar nieuwe innerlijke instrumenten, zoals Fabro ze noemt. Hij weet zelf niet welke dat zijn: ‘het gebeurt dat men eerst een instrument gebruikt en het pas dan ontdekt. Maar aan de oorsprong der dingen staat een aandachtig-zijn.’ KUNSTWORDTTERUGKUNST wil een bijdrage leveren aan de zoektocht naar het instrumentarium van de kunstenaar. 3

Florette Dijkstra


Essay Loek grootjans Is kunst een onmogelijk iets? Kunst schijnt niet definieerbaar te zijn. Daarom lijkt het of iedereen er verstand van heeft. Niets is minder waar: de kunstenaar bepaalt zijn positie. Als de kunstenaar dat doet, kan hij grote hoogten bereiken. Maar niet alles is meer mogelijk. Niemand kan de wereld bekijken met ogen die niets hebben gezien of de wereld tegemoet treden met hersens die van niets weten. De kunstenaar zeker niet. ‘Het onschuldige oog’ bestaat allang niet meer. Het ‘niets-wetende-brein’ is een gotspe. Niets-weten staat gelijk aan niets-zijn, of willen-zijn, wat op zich weer een onmogelijkheid is. Hetgeen impliceert dat wie mee wil doen, op de hoogte moet zijn, om vandaaruit noodzakelijkerwijs zijn of haar conclusies trekken. Kunst is vraagstelling. Vraagstelling veronderstelt kennis. Niet alles is meer mogelijk, doordat voorgangers het pad hebben geëffend. Weliswaar op verschillende manieren, maar met een uitkomst die de wereld er anders uit liet zien. Rudi Fuchs zei jaren geleden: ‘Na het modernisme en haar opvolgers en navolgers, is de muur zo hoog geworden dat het bijna onmogelijk is om eroverheen te komen.’ Hij heeft geen gelijk gehad. Het is moeilijk en de muur is hoog, maar onmogelijk is er niets. De kunstenaar heeft altijd al een bepaalde relatie tot de wereld en de dingen, nog voordat hij zichzelf en zijn denken en handelen kan plaatsen in die wereld. Hij kan putten uit een bron waarin alles tot op zekere hoogte mogelijk is Alle denkbare beelden, alle denkbare illusies. Het allesomvattende ligt binnen zijn bereik. Dit in tegenstelling tot de ander, die meent de werkelijkheid te kunnen vatten in een brij van beelden. De werkelijkheid kan op allerlei manieren worden ervaren. Om die ervaring enigszins te leiden en te structureren proberen we ijkpunten aan te brengen Velen trachten de ‘werkelijkheid’ in een film of foto te vatten. Alles wat beweegt, groeit, van belang wordt geacht, aftakelt, sukkelt en dood gaat,

4


wordt in beeld gebracht. De digitale mogelijkheden zijn talrijk en worden ook zo gebruikt. Maar voor wie en waarvoor? Iedereen in de wereld, althans een groot deel van de mensen, tracht zijn of haar leven en omgeving via film of foto te vatten. Alles wat voorbijtrekt wordt vastgelegd. Dit wordt op een duizelingwekkende manier toegepast. Nog nooit is de wereld zo massaal in beeld gebracht. Miljarden foto’s en films op tv, internet en pc’s. Volgens de kunsthistoricus Robert Hughes zag de veertiende-eeuwse mens in zijn hele leven evenveel beelden als wij tegenwoordig per dag zien. Nu is niet iedereen op aarde bij machte zijn of haar leven in beeld vast te leggen, maar laten we er maar van uitgaan dat de helft dat zeker doet. Gevolg: Een ontzaglijke brij beeld. Maar wat gebeurt er als er teveel beelden voorhanden zijn? Gaan we er in op? Maken we er deel van uit? Maken we er nog meer? Is er sprake van een pandemieachtige amnesie? Willen we zo onze eigen kleine wereld in kaart brengen? Daar is meer voor nodig. Menigeen kent de grote schrijvers, filosofen en kunstenaars die al dan niet met een uitgewerkt plan aan de slag gingen en tot wonderen van menselijk kunnen kwamen. Elk beeld, elke gedachte werd nauwgezet getoetst, onderworpen aan inzicht, nieuwe formules, in relatie gebracht met al het voorafgaande en geschift door een selectief vermogen. Want niet alles is of was van belang en niet alles is meer mogelijk. De computer biedt mogelijkheden om het miserabele bestaan te veranderen. De werkelijkheid is ‘beter’ verbeeld dan ze ooit is waargenomen. Alles heeft een doel, maar of dat daadwerkelijk iets toevoegt aan het reeds gekende, is op zijn minst twijfelachtig. Het reeds gekende nogmaals omschrijven of in beeld brengen, lijkt overbodig. Computermodellen die ons ter beschikking staan, kunnen al het mogelijk denkbare visualiseren. Aan / uit, 0 / 1. Het lijkt niets, maar alle mogelijk denkbare beelden kunnen worden geproduceerd. De werkelijkheid wordt op de proef gesteld met elk nieuw beeld dat aan de wereld wordt toegevoegd. 5

We kunnen de werkelijkheid nooit (in één beeld) vatten, totaliseren, conceptualiseren,


omdat we ons er altijd middenin bevinden en het volledige overzicht onmogelijk is. Daar liggen de kansen. Ik kan hierbij het best refereren aan de filosoof Kant. Het sublieme bestaat er bij Kant in dat het hele bereik van de verbeelding en van de zintuigelijke waarneming en belangen niet alleen wordt overschreden, maar zelfs geweld wordt aangedaan. En zo komen we bij de kunstenaar. Het ligt binnen zijn bereik. Ik denk aan Yves Klein, die de vogels ter dood veroordeelde omdat ze door zijn onmetelijk blauwe universum vlogen. De vogels segmenteerden en doorboorden de ruimte, waardoor die niet meer eindeloos was. Weg was alle illusie. Wat overbleef was werkelijk, en niet afdoende. Gerhard Richter stelde vast dat een foto nooit een werkelijkheid voorstelt maar wel de realiteit van een reproductiemiddel. Dit in tegenstelling tot een schilderij, waarvan de verf de tastbare materie uitmaakt en het beeld visueel een foto kan zijn. Een schilderij is volgens hem dus een probater beeldmiddel dan een foto. Zijn uitleg kan deels een verklaring geven voor de populariteit van de schilderkunst en haar immer terugkerende revival. Hij schilderde zijn zoon Moritz, morsig en onscherp. Voor een trotse vader is dat merkwaardig. Hij prevaleert het naschilderen van een slecht kiekje boven de verheerlijking van de werkelijkheid. Hij had Moritz ook haarscherp en als het mooiste kind ter wereld kunnen schilderen. Maar dat doet hij niet, omdat het naschilderen van een onscherpe foto voor Richter de enige mogelijkheid is om te bewijzen dat een foto nooit een werkelijkheid voorstelt en dat de werkelijkheid altijd een prooi is van de kunstenaar. Chris Dercon (directeur Tate Modern) zegt over Richter: ‘Zijn tentoonstelling in Tate trekt zesduizend bezoekers per dag en vijftienduizend bezoekers in het weekend. Het heeft alles te maken met mensen die de complexiteit van de beelden van Richter niet alleen aankunnen, maar ook nodig hebben. Toch is Richter teleurgesteld, omdat niemand van het publiek of de pers hem de perfecte vraag had kunnen stellen: “Waarom heeft niemand mij gevraagd of ik in staat zou zijn om de bankencrisis te schilderen?”’ Hij heeft alle denkbare onderwerpen geschilderd. Maar de bankencrisis nog niet. Hij zou er perfect toe in staat zijn. Leve de kunstenaar. Laat me er een van zijn.

6


Lost in Photography Lon Robbé

Lon Robbé is een kunstenaar die graag fotografie gebruikt zoals niet bedoeld. Oude opnamen van berglandschappen zijn door haar als het ware digitaal vermorzeld. Deze oeroude mastodonten van materialiteit – ooit door de louche makelaar van het werkelijke die de fotografie is verkocht als toppen van het mysterieuze en avontuurlijke – worden hier in een handomdraai, samen met hun malafide handelaar, als tot op de draad versleten conformisten ontmaskerd. En blijken na recycling toch weer spannend gezelschap.

Volgende pagina’s: delen uit Massif: Roseg (1925) 2011 piezoprint 112x172 cm Bernina (1953) 2009 piezoprint 162x383 cm Majolapas (1953) 2011 piezoprint 112x172 cm 7

Pic du Midi (1960) 2011 piezoprint 112x172 cm


8


9


10


11


12


13


14


15


Thomas Huber houdt de Rede 端ber die Sintflut, Staatliche Kunstakademie D端sseldorf, 11 februari 1982 (oer-uitvoering)


Toespraak over de zondvloed Thomas Huber

Voor Thomas Huber is kunst de zielswoning van de kunstenaar. De zorg voor kunst en het verhaal van de kunst, kun je dus nooit overlaten aan anderen. In 1982, aan het einde van zijn studie aan de kunstacademie van D眉sseldorf, hield Huber een toespraak bij zijn schilderij Rede 眉ber die Sintflut. Het schilderij heet naar de toespraak en de toespraak naar het schilderij. Het schilderij is ook een beeld van de ruimte waarin de toespraak plaatsvond. Thomas Huber spreekt v贸贸r zijn schilderij, maar zijn woorden klinken vanuit het binnenste van het werk. Hij vertelt het verhaal van de zondvloed. Het is de getuigenis van de eerste kunstenaar op aarde en het eerste kunstwerk.

17


Toespraak over de zondvloed De plaats is goed gekozen. De ruimte voor de toespraak is in gereedheid gebracht. De blik naar buiten is vrij, want hier staat iets te gebeuren dat niet verborgen mag blijven. De dingen die nodig zijn om alles te laten zien, staan op hun plaats. Het water is warm en dampt zoals het hoort. De bloemen zijn vers gehouden, zodat het lijkt of ze nu net bloeien, speciaal voor dit moment. Het spreekgestoelte staat goed. De helling van bet leesvlak is aangenaam. Zo treedt de spreker voor het publiek en omringd door al deze veelzeggende zaken spreekt hij de volgende woorden uit: Geachte dames en heren,Is de tijd gunstig? Is het heden mij goedgezind? Ben ik wel bijdetijds? Ben ik een mens van deze tijd? De vraag kan nog inzichtelijker, nog directer worden gesteld: Is er de duidelijke, absolute zekerheid van het moment, is er het hier en nu, is er het moment van het nu en alleen maar nu? ls er het heden als gebeuren? Is een dergelijk gebeurend heden een uitdaging voor mij, geheel een mens van deze tijd te zijn, u nu mijn schilderij te tonen en nu tot u te spreken? ls deze uitdaging er die mij direct omgeeft en mij volledig tot mijn essentie brengt? Ik neem aan dat dergelijke vragen het vermoeden bij u doen rijzen dat ik deze uitdaging met u als publiek ben aangegaan. Met de aankondiging van deze toespraak op een affiche heb ik u opgeroepen om hier en nu in deze aanwezigheid te zijn. Ik kom u onder ogen. Ik begeef mij in het onontkoombare van uw bestaan. Ik moet het aangekondigde inlossen. Ik heb deze gebeurtenis geënsceneerd, zij is gewild en gepland. Het heden is tot stand gebracht. Het vindt plaats als beeld. Wij zijn nu beeld. Is dit hier en nu, nu het gestalte heeft gekregen, een beeld van iets? ls het nagebootst, omdat het gewild is. Heeft deze gebeurtenis een voorbeeld? Het voorbeeld van zeer grote onmiddellijkheid – het motief – is het noodweer. De stilte voor de storm, de afwachtende stilte, de hemel die zijn adem inhoudt, het loodgrijze boven alles – alsof alles met metaal is bedekt, in ijzer is gegoten. En dan lichten de eerste bliksemflitsen onheilspellend helder op aan de hemel. De donder barst boven ons los, de bodem raakt bezaaid met natte spetters en vervolgens is de lucht overspoeld met water. Er hangt een damp in de straat, een dichtheid tussen de huizen, een razen en donderen in de lucht. De auto’s rijden langzaam onder het neervallende water. Passanten staan als donkere schaduwen in de portieken. Er is een verzadiging in de lucht bij zware regen. Er ligt een antwoord in het noodweer. Het is de presentie, alsof er nu pas iets tegenover ons is, waar voordien slechts de lauwheid van de dagen was. De hemel ademt met volle teugen. Daar is de taal van de hemel. Er valt

18


water uit de hemel, ik sta aan het raam en kijk naar dit tafereel tegenover mij. De beelden van de hemel die zich opent, zijn geheel nieuw voor mij. Ik kan niet zeggen dat het denkbeeld van een taal die van boven komt iets van vroeger is. Ik sta beschut tegen het noodweer onder een dak en kijk uit het raam, en het is mooi.De zondvloed begon met zware regen. Ik heb iets concreets te zeggen. Ik voel de behoefte om mijn gedachten te delen. Ik heb gezien en wil daar nu over spreken. Ondanks deze overvloed aan woorden aarzel ik. De woorden draaien er omheen, alsof ze wachten op iets dat nog ontbreekt. Woorden zijn pas concreet in hun context. Woorden klinken anders in het bos dan in een trappenhuis. Dat wat gezegd wordt, wil zijn aanleiding, wil zijn plaats. Woorden wensen zich als gehoorde dat zichtbaar is wat tegenover hen staat. Zij vergen een, ook al is het nog zo geringe, overeenkomst met dat wat hen ontvangt. Niet andere woorden, niet een ander geluid, maar een volume dat hen kan bevatten. Zo heb ik voor mijn woorden de contexten geschilderd. Ik laat de ruimte zien waarin de woorden kunnen weerklinken. Ik maak de context van de taal aanschouwelijk. Taal vormt zich uit het rood van de lippen. De ronde vorm van de mond bevindt zich in een gezicht. Het gezicht kijkt vanuit het hoofd. Het hoofd rust op de hals. Het lijf draagt het hoofd. De benen bewegen het lijf, brengen de sprekende van hot naar her. Ze bewegen de sprekende en richten hem op zijn doel.Om een dergelijk doel aan te kunnen duiden, om voor de beweging een uitgangspunt te creëren, heb ik hetspreekgestoelte gemaakt. En ik heb het van goed materiaal gemaakt. Want in het hout dat ik heb geschilderd, wordt het groeien zichtbaar. Het ontstaan van het hout is in het hout als spoor geregistreerd. Het groeien van de bomen heeft een tekening achtergelaten. De tekening herinnert aan hun reiken naar de en het ruisen ver daarboven in het blauw. In het hout is de expansie vanuit het centrum te zien, het groeien vanuit het midden. Dit vermoeden wordt, terwijl het zich reproduceert, concreter. Zo wordt het tot vorm, tot gedachte. Het spreekgestoelte maakt de klank van de taal aanschouwelijk door het materiaal waarvan het is gemaakt. Het toont de geboorte van de gedachte. De spreker wil ruimte en plaats om zijn gedachten als woorden in de gebeurtenis van de toespraak te kunnen verenigen met zijn gedachten als beelden. Ik spreek in het aangezicht van iets, ik spreek in het beeld, vanuithet beeld tot u. Sprekend breng ik het beeld in de werkelijkheid. Het beeld is om de woorden heen. Het spreken en het besprokene laten in hun één-zijn een wereld ontstaan.En zo is hier de plaats voor de sprekende en de ruimte voor het gezegde. Want altijd al heeft het geziene zich de taal voorbehouden en het gesprokene naar beelden verlangd.Waarop anders is de wens tot een dergelijke overeenstemming gebaseerd dan op 19

de belevenis van het vis-à-vis in de dagelijkse ontmoeting met de ander.


20

Thomas Huber. Rede über die Sintflut, olieverf op linnen, 100 x 150 cm, 1982 (Privécollectie, Düsseldorf)


21


Daarvan wil ik een beeld maken. Ontmoet ik de ander, dan ishet vol taal en ook beeld: hij praat en is een en al gezicht. Uit het aanschouwde schijnt een licht naar mij toe en er wordt een snaar in mij geraakt. Daarom ben ik net zo, daarom voldoe ik aan een beeld. De spreker gaat voor u staan. Hij spreekt en laat u dingen zien, opdat u hoort en ziet tegelijk. Want wij willen beide tegelijk, gezicht en stem. Nu is het moment aangebroken van een lang verwachte ontmoeting, nu moet iets samenkomen, zodat het een beeld wordt van dat wat wij zelf zijn. Een volledig beeld, welluidend en kleurig. Zo klaart de lucht weer op en kunnen we aangenamer en dieper ademen. Ik heb als inleiding veel moeten zeggen om het volgende onbekommerd en adequaat te kunnen vertellen. Het verhaal is in de nevelen van het wonder gehuld. Ook al is dit woord een mooi woord, toch is het heden er niet in aanwezig. Het wonder veroordeelt het wonderbaarlijke tot het verleden. Wonderen zijn altijd al verleden tijd. En ze worden zo lang verteld en vertellend doorgegeven dat er wel een eigen verhaal resteert, maar dat de glans van hun realiseerbaarheid dooft. Zo wil ik het volgende zonder het wonderlijke kunnen vertellen. Ik zie af van de schoonheid van het woord om weer de glans te ervaren van realiseerbaarheid, de aanwezige werkelijkheid van dit verhaal. Het verhaal is overgeleverd, zo goed overgeleverd dat ieder van ons het kent. Het verhaal van Noach en de ark, het verhaal van de zondvloed. Het is de getuigenis van de eerste kunstenaar op aarde en zijn werk. Al in het begin ligt in de spanning van de grote boog de volledige bestemming van een houding besloten. Voor het eerst wordt begonnen, vorm gegeven en uitgevoerd, wat later keer op keer opnieuw zal gebeuren. Ik maak me een voorstelling en mijn vermoeden verdicht zich tot zekerheid. In de weinige gegevens van het verhaal van Noach bespeur ik een verwantschap: Noach had een vorm voor ogen, er drong zich iets aan hem op. Lang en smal. Aan de ene kant, in de bewegingsrichting, in een punt uitlopend. Lancetvormig, net als de vorm van een klein groen blad dat hij aan een of andere struik had gezien. Maar in het kleine kon de vorm niet blijven. Het was geen blad. De vorm verlangde naar expansie. Het idee bleef gehandhaafd, maar dan groter. Een schip moest het worden. Negentig meter lang moest het zijn. De vorm dijde uit in het ruimtelijke. Vijftien meter in de breedte en negen meter in de hoogte. Het geheel moest bestaan uit drie verdiepingen, die in louter kleine cellen werden opgedeeld. Welk materiaal kon dit denkbeeld het best tot uitdrukking brengen? Noach nam dennenhout. Het gebruik van hout heeft een dieperliggende reden, die ik u – als u nog even geduld heeft – later zal toelichten.Zo werd het schip gebouwd en Noach vond er ook de juiste naam voor. Hij noemde zijn werk de ark. Want het bouwsel had zich uit de oergrond aan hem voorgedaan,

22


was hem uit het oeroude overkomen als iets wat heel tegenwoordig was. Daarom droeg het in zijn naam al het nieuwe in zich, want ark betekent begin. Het begin is altijd nieuw. Zo werd het eerste wezenlijke werk door een mens gemaakt. Maar het wezenlijke werd niet gezien. Er omheen was grote bedrijvigheid, haastige drukte. Al het doen was gericht op het meest voor de hand liggende doel. Geldig was wat zijn reden in het klaarblijkelijke vond. De reden voor de bouw van de ark was echter de ark zelf. Het doel lag besloten in het schip. De waarheid was niet daarbuiten. Niemand wist iets van een zondvloed. Noach ook niet. Hij was niet berekenend in zijn doen. Met berekening bouwt men geen schip op het droge, ver van elk water, geen schip omwille van zichzelf. Het was dan ook een lachwekkend gezicht, een onzinnige aanblik, het schip in het open landschap. De mensen lachten. Toch kon Noach zich gelukkig prijzen. Want niemand sprak over schoonheid, plastische proportie of zelfs radicaliteit. Er was geen kunstwereld die Noach had uitgeroepen tot avant-gardist. Zoals er toen geen categorie was waarin deze menselijke schepping kon worden ondergebracht, anders dan in het schepsel zelf – het schip moest zich op eigen kracht zien staande te houden –, zo kon ook de zondvloed deze categorie niet zijn. Want in de catastrofe is de verschrikking. Stelt u zich maar eens voor dat het niet meer stopt met regenen. De straten zijn ondergelopen, de weilanden staan onder water en vervolgens ook de heuvels. Het water stijgt buiten de oevers van de rivieren. Het stroomt de huizen in, het stijgt, het stijgt hoger dan de bergen, bedekt zelfs de hoogste toppen en al het levende wordt weggevaagd, al het groeien wordt in de kiem gesmoord.Bij de aanblik van zo’n verschrikking kan geen redelijk mens zich zelfingenomen op de schouders kloppen en zeggen: Ik heb het altijd al geweten, had maar naar mij geluisterd. Een dergelijke houding zou kleingeestig zijn en zou geen recht doen aan de bouw van de ark. De waarheid van het schip reikt verder dan de ramp. De zondvloed raakt het wezen van het schip niet. De ark is niet het middel tot een snode redding. Daarom betwijfel ik of het Noach is geweest die aan boord van het schip is gegaan en als enige met zijn gezin niet ten onder is gegaan. Er varen anderen in de schepen dan hun bouwers. Noach kon zijn voordeel niet doen met zijn werk, er zijn anderen die het gemaakte hun uiteindelijke bestemming geven. Het schip brengt iets groters tot uitdrukking:Zo mooi is het, zo doordacht, dat ik denk dat anderen het ook als gelukkigen hadden beleefd. De dag dwingt tot niets en toch zou het kunnen dat men zich niet verveelt. Zo zoekt men een context voor deze geborgenheid in de vrolijkheid. Het meer is niet ver, een steiger ligt in het water, een boot erlangs. Zo waagt men zich op het houten bouwsel, het water klokt eronder. De jas gaat uit en wordt 23

in de boot gegooid. Men helpt zijn reisgenote uit haar bontmantel en laat


ook deze in de holte van de scheepsromp vallen; dieper valt hij dan de waterspiegel hoog is. Er trekt een rilling door mij heen bij de aanblik van deze val en het rusten van de pels onder de waterspiegel. Nadat het schip is afgeduwd van de steiger, glijdt het door het water. Het is nauwelijks voelbaar dat de boot vaart. Glad en zacht is het water aan de zijkant van de boot en de reisgenote tilt haar arm over de rand en steekt haar lichte hand in het water. Met een flauwe boog beweegt het over haar vingers naar achteren. Nu pas is het varen voor hen beiden zichtbaar. Bij een dergelijke aanblik meen ik te moeten zeggen dat het met het varen van de boot net zo is gesteld als met het groeien van de bomen. Hoog en rustig staan zij in de hemel, onopgemerkt hoe zij ontstaan zijn en toch vermoed. Zo lijkt hun verborgen groei op het varen van het schip over het meer. Hoger steeds hoger worden de bladeren van de boom de hemel in gedragen, verder steeds verder word ik met mijn reisgenote het meer in gevaren, gestaag en stil. In het varen van het schip is het besef dat de bomen groeien. Want het schip is van het hout van de bomen gemaakt en zo voortglijdend herinnert het hout zich zijn vroegere groei. Het doet dat hier meer bevrijd en daarom alleen maar stiller. Vrijer in de herinnering, alsof hĂ­er pas het groeien zijn essentie heeft gevonden. Zo groeien wij mee en varen uit over het meer, verwijderen ons van de oever, waar verder in het binnenland het bos aan de rand van een heuvel begint, over een welving verdergaat en over de top verdwijnt. Het groeien is aanwezig in het varen van het schip. Dat is de reden waarom de ark is gebouwd. Op de aardbodem heeft Noach het geraamte opgericht. Van hout werd de romp gemaakt. Toen alle kieren met pek waren afgedicht, begon het te regenen en al snel tilde de stijgende vloed het schip van de grond. Het water overdekte de gehele aarde, liet alle planten stikken, iedere boom was geheel met water omringd. Zo werd alle groei weggevaagd. Boven dit alles voer het schip. En als herinnering voer het groeien in het schip mee, hoog boven zijn oorsprong, waar het eens indruk maakte. Na lange tijd zonk de waterspiegel weer. De eerste bergtoppen kwamen uit het water tevoorschijn. Steeds meer kwam boven wat lang zonder adem was geweest. En het land bleek doods en met modderige kadavers bezaaid. En het schip raakte met zijn kiel de bodem weer vanwaar het ooit was opgetild. In deze aanraking gaf het de groei aan de bodem terug. En de aarde herinnerde zich dat wat lang vergeten was en werd weer vruchtbaar. Dit was het begin van nieuwe groei. De dalen werden weer groen. Zoals het schip zijn passagiers over het water voert, moeten onze ogen ons hart over het beeld dragen. Want is het beeldoppervlak niet net als het wateroppervlak? Voor de wandelaar aan de rand van het meer wordt de oever die het meer omzoomt, weerspiegeld in het wateroppervlak, het wateroppervlak rimpelt

24


in de wind. Maar voor de duiker, die ademloos naar boven naar het licht wil, voor de vis die naar muggen hapt, is deze grens het luchtondervlak. Voor de een is het dit, voor de ander dat, de grens hoort nergens bij en is alleen toch niet aanwezig. Ik sta voor het beeld en zie de basketbalkorf. En ik kom dichterbij en zie dat hij geschilderd is en ik kom nog dichterbij en zie dat het verf op een vlak is. En zo zie ik het beeldoppervlak. Als spreker sta ik in het beeld en wend ik mij naar het publiek. Sprekend in de benauwde onrust over het gezegde, beweeg ik mij in het beeld naar de grens waar het niet meer bestaat en het andere begint. Zo zie ik de achterkant van de werkelijkheid. Maar waar is het beeld, de laag waarin het is? Nergens is zij en toch aanwezig. Anders zouden er immers geen beelden zijn, hoe zou ik ze anders kunnen schilderen? Is de laag, de grens niet uit het een of ander te bepalen, dan moet zij uit haarzelf worden begrepen. Mogelijk wordt de blik getrokken door het meer; vanaf een oeverpromenade, de handen aan de balustrade. Precies op dat moment duikt een zwarte schaduw, ongeveer in de vorm van een strijkijzer, maar dan donker, zwart, schuin uit de donkergroene ondergrond glijdend, aan de oppervlakte op. Een zwarte zwemvogel, men noemt hem fuut, glipt uit het vlak, wordt uitgestoten. Kwikzilverachtig spat het water over het zwarte lichaampje en valt in parels opzij. Het vogeltje beweegt eerst nog besluiteloos heen en weer, maar dan steekt het zijn snaveltje vooruit en peddelt over het vlak, en is dan zomaar een zwarte vogel, net als de andere die aan de rand van een meer rondzwemmen. Pas wanneer zulke zwarte vogels opduiken uit de beelden, kunnen we het vlak zien. De waterspiegel is als vlak, als grens pas te bevatten, wanneer een vogeltje hem doorbreekt. Ook zou men kunnen spreken over de schrik van de vis wanneer een springer, door parelende luchtbelletjes omringd, van boven af in het water duikt. De grens bevindt zich in de overgang, zij bevindt zich op het ogenblik, in het gebeuren van deze overgang.De scheidingslaag, die niet behoort tot wat zij scheidt, is te herkennen wanneer zij wordt doorbroken. Haar adem stokt van verbazing over een dergelijke doorbraak.In het beeld wordt een dergelijke overgang bewaard. Het beeld is de doorbraak niet als een moment dat opkomt en verdwijnt, nee, het houdt de gebeurtenis continu in ere: ‘het geschiedt’. Het beeld is in het moment zonder einde.Zo is ook te begrijpen waarom de spreker bij zijn voorbereiding de vellen van zijn manuscript uit het water vist. Wanneer zij van het natte op het droge komen, ja op het moment dat deze overgang plaatsvindt, verschijnen de 25

gedachten helder en schrijven zich neer op papier. In het openhouden


van de gebeurtenis is het ontstaan van de beelden en de vorming van woorden. In het voortdurend blijven van deze gebeurtenis vastgehouden, zĂ­jn zij pas.Dit vertel ik terwijl het water in een vat warm wordt gemaakt. In de overgang van het ene medium naar het andere vormt zich aan de scheidingslaag tussen het warme water en de lucht de damp. Het ruimtelijke treedt uit het vlak. Daarom moeten de beelden heet zijn, zodat de boodschap uit het vlak treedt en zich als een koepel over ons heen welft. Wat is de plaats van de spreker in deze gebeurtenis? Wat de zeep voor het water is, dat is de spreker voor de beelden. De zeep grijpt in het oppervlak van het water, bindt zich met de moleculen van het water, spant het oppervlak, maakt haar groter, weidser. Er ontstaan kleine bolletjes. Zo welft het water over het oppervlak. Er is schuim. De zeep is voor de spreker geplaatst, zodat de doordringende geur zijn gedachten verheldert. En zoals de zeep in het water grijpt, grijpt de spreker in het beeld, bindt zich met het beeld. Sprekend verhoogt hij de spanning van het oppervlak, tot het beeld niet meer in zijn lijst kan worden gehouden en zich opricht, ruimtelijkheid vormt, waar de taal pas werkelijk kan weerklinken. En terwijl ik zo in het beeld grijp, vertel ik over dingen die met de woorden die ik daarvoor gebruik, het beeld onder grotere spanning brengen, want de woorden zijn niet eenvoudig. De Schepper, die aanzienlijk anders schept dan wij, heeft in zijn scheppen toch iets met ons gemeen. Ook bij hem rijst twijfel over het geschapene. De aanblik van zijn werk stelt hem teleur, omdat het niet gelukt is zoals hij het zich heeft voorgesteld. De vertwijfelde blik op zijn schepping zorgt voor crisis op aarde. In de Schepper leeft de vertwijfelde wens om het mislukte weg te vagen.Als hij zijn hulpeloosheid over zijn eigen werk toegeeft, verschijnt er iets helders. En de Schepper ziet dat de opzet van zijn werk goed is, ondanks al het verdorvene dat erin te vinden is. Dat hij dit goede heeft gezien, openbaart zich aan de mens als genade. Zo zijn nu ineens twee woorden genoemd, de openbaring en de genade, die ons innerlijk spannen, omdat ze met zoveel gewicht aankomen. Wanneer het lukt om de spanning van de woorden tussen de juiste polen te brengen, dan kunnen we ervaren dat wij daar zijn, altijd nog zijn of weer zijn, daar waar deze woorden worden genoemd.De genade is de opdracht aan de mensen om de schepping over te nemen. Zij openbaart zich als uitdaging. In deze uitdaging komt voor het individu het zien tot stand. Genade betekent eigenlijk niets anders dan kunnen zien. Nauwkeurig zien, verder zien, nog verder zien. In dit zicht uit zich voor de ziende een vertrouwen in het geziene. Het gezien hebben verandert in iets absoluuts. Het verplicht de ziende tegenover dat wat hij heeft gezien. Ik praat over het zien, over het geziene. Maar wat ziet men eigenlijk?

26


Men ziet beelden en daarin ziet men de betekenis.Beelden betekenen iets. Veelbetekenend richten zij zich met hun gezicht naar hetgeen zij aanduiden en worden door datgene ook beschenen. Hun gezicht wordt beschenen. Dat geeft ze deze helderheid. Ze stralen in de glans van datgene waarop zij gericht zijn. Onbevattelijk in zijn helderheid is het betekenisvolle, maar ons resteert de schijn als weerglans van het betekenisvolle. In de betekenis is genoeg. Want zo in betekenis ontstaan en voortdurend in betekenis, heeft het beeld zich al toegewend en kijkt het naar datgene waardoor het wordt beschenen. Het beeld kijkt ons aan en toch door ons heen naar datgene waarin het eigenlijk is. Door het beeld te bekijken ervaren wij deze blik. We zien het schijnen, de weerglans, waaraan het beeld zijn vertrouwdheid ontleent. De stralende blik van een beeld is onaantastbaar. Terwijl wij beelden maken, beelden bekijken, richten wij onze blikken op een gezicht dat meer ziet. Zien betekent het glimmen in een gezicht zien. Het beeld is naar mij toe gekeerd en kijkt toch in de verte. Het voert mij met zijn stralen mee in die verte die slechts het beeld heeft gezien. Ziet dit beeld de zondvloed komen? Is dit zijn betekenis? Wijst het op een ramp? Kijkt het misschien verder, naar dat wat na de overstroming komt? Misschien is de vloed lang geleden al gekomen, heeft het water de overhand genomen. En ruisen de schepen over ons heen. Ongelooflijk hoog glijden lancetvormige schaduwen boven ons heen en weer. We zien de blauwachtige romp van een schip van onderen. We moeten weer boven water komen! We moeten uit het bekende naar het nieuwe breken. Ooit kwamen de vissen uit het water en gingen ze aan land. En ze ontwikkelden zich tot rechtop lopende wezens. Pas toen ze zo liepen, konden ze beelden zien. Dat is de eigenlijke reden waarom wij rechtop lopen: om beelden te kunnen zien, om rechtop tegenover het oprechte te kunnen staan. Want in het beeld laat zich een nieuwe grens zien, die overwonnen moet worden. We moeten ons op het punt richten, waar het beeld zijn betekenis ziet. Daarom roep ik u op in het beeld te treden. Maak dan een draai en kijk vanuit het beeld naar buiten. Stel u in op de blik van het beeld. Kijk naar datgene waar het beeld naar kijkt. Zo treden we al kijkend vanuit het beeld weer in de werkelijkheid. En in de gebeurtenis van dit optreden begint alles, is alles nieuw. Vertaling: Thea Wieteler

27


Storage For Distorted Matter Loek Grootjans

Over het oeuvre van Loek Grootjans spreken, houdt in dat er over het kader wordt gesproken waarbinnen zijn werk een plaats krijgt. Dat kader creëerde hij in 1998 met de oprichting van de Foundation for the benefit of the aspiration and the understanding of context (formerly known as the institute for immediate knowledge, real perception and logic features according to the most contemporary monochrome paintings). De stichting bestaat uit verschillende departementen, subdepartementen en afdelingen die zich met de jaren meer vertakken. De stichting zal uiteindelijk overvloeien in de Storage for Distorted Matter, een langdurig project dat werd gestart in 2008. Alles wat de kunstenaar mentaal en fysiek achterlaat, krijgt een plaats in dit project. Het wordt opgeslagen, geregistreerd en gearchiveerd. Het betreft niet alleen zijn kunst, maar alles wat is gelieerd aan de kunstenaar en zijn wereld. Loek Grootjans slaat het leven op en confronteert ons met de onmogelijkheid hierin werkelijk te slagen. De poging alles te omvatten, heeft in Grootjans’ werk altijd een grote rol gespeeld. De onmogelijkheid ervan zou je een ‘hoopvol’ falen kunnen noemen. Het verlangen naar dat wat er niet meer 29

is, verwordt aldus tot een oneindig verhaal.


STORAGE FOR DISTORTED MATTER

Number

0191

Date

03 oktober

Time started

17.01

Time ended

17.07

Location

Elba ItaliĂŤ

Address

Laghetto di Terranera

Operation

Opvangen van water uit de grond

Employee

Loek Grootjans

Description

Het ruikt en smaakt er naar ijzer. Het is de smaak en geur van de jeugd. Een ongekend gelukkige jeugd, mede door het ijzer. De magazijnmeester is de jongste zoon van een schroothandelaar. IJzer, rood- en geelkoper, nikkel, aluminium, roestvrijstaal, brons, Elke dag, maar dan ook elke dag was het schroot onderwerp van gesprek. Een uitgestrekt gebied waar al dat metaal werd opgeslagen, was het speelterrein. Een mooiere speeltuin is niet denkbaar. Piramiden van kroonkurken, bergen van fluitketels, brommers, auto’s en vliegtuigen. Al het afgedankte metaal kwam er terecht. Maar vooral veel ijzer. Het strand ligt ermee bezaaid, niet alleen de overblijfselen van de mijn, in de vorm van schroot, maar ook het erts. Het heet er terra nera, maar dat is bedrog. Het zand is weliswaar zwart, maar zodra je graaft wordt alles bruin, puur ijzer. De magazijnmeester denkt aan zijn overleden vader en glimlacht. Hier had hij moeten zijn met zijn magneet, het onafscheidelijke attribuut van de handelaar in schroot. Is het ijzer of roestvrijstaal, messing of brons? Een wereld van verschil. Een verschil van verdienste. Het verschil tussen droog brood of gebakken tong. Hier is alles ijzer. De magazijnmeester graaft een kuil. Die welt langzaam vol met bruin zwaar water. Uit de bodem komt puur vloeibaar ijzer, lijkt het. Dit wordt opgevangen.

Notes

De ijzermijn is in begin jaren tachtig gesloten. Niet meer rendabel. Het is precies de tijd dat de vader met vervroegd pensioen moet vanwege de malaise in de handel. Soms valt alles op zijn plaats. Herinneringen blijken niet te roesten.

Signature

De magazijnmeester

31


STORAGE FOR DISTORTED MATTER

Number

0182

Date

07 augustus

Time started

19.33

Time ended

19.35

Location

Vlissingen, Nederland

Address

Gerbrandystraat 162

Operation

Kookwater mosselen

Employee

Loek Grootjans

Description

De mossel zwemt niet graag, Hij blijft het liefst op zijn stek met zijn soortgenoten. Hij klit het liefst aan zijn kompanen en aan de grond. Met zijn baard zet hij zich vast aan de bodem en aan zijn buren. Hoe komt een mossel uit de Waddenzee dan in de Oosterschelde terecht? En ook nog tegen de stroom in. Het antwoord is simpel en ingewikkeld tegelijk. Mosselen worden opgevist door mosselboeren. ‘Boeren’ is hier op zijn plaats, omdat ze eerst het gevangen zaad op percelen uitzetten, die tussen Harlingen, Terschelling en Vlieland liggen, en weer oogsten als de mossels wat groter zijn. Met mosselschepen worden ze dan naar de Oosterschelde gebracht en opnieuw uitgezet totdat ze groot genoeg zijn voor consumptie. De mosselboeren brengen dus ook water van de Waddenzee naar de Oosterschelde. Hoe echt is dan het water van de Oosterschelde? Hoe echt is water überhaupt? De magazijnmeester tobt met deze vragen. Zeker nu hij is gevraagd te participeren in een kunst - muziekproject op Vlieland. Omringd door water zal de Storage For Distorted Matter, welke voor het merendeel uit honderden flessen met verschillend water bestaat, worden getoond op de vuurtoren, baken voor een ieder die op het water is,

Notes

Op 7 augustus worden de eerste mosselen van het seizoen door de magazijnmeester gegeten. Ze zijn voortreffelijk. De sublieme smaak overtreft de vraag hoe echt iets is. Echt is zoals het is. Hoe dan ook. Zeker als het lekker is. Het kookwater wordt opgevangen.

Signature

De magazijnmeester

33


Day for Night

Stansfield/Hooykaas

Madelon Hooykaas werkte vanaf het begin van de jaren zeventig samen met Elsa Stansfield, met wie ze het duo Stansfield/Hooykaas vormde. Na het overlijden van Elsa Stansfield, in 2004, ging ze verder onder de naam van het duo. Haar werk ontstond vanuit het met Elsa Stansfield ontwikkelde gedachtegoed. Sinds 2011 werkt ze onder haar eigen naam. Kenmerkend voor het werk van Stansfield/Hooykaas en van Madelon Hooykaas, is het inzicht dat de kunstenaar dienstbaar is aan de kunst, of zoals Elsa Stansfield in een interview zei: ‘De materie krijgt de mogelijkheid om zichzelf te presenteren, de kunstenaar geeft het werk de opdracht zichzelf te laten zien.’ De kunstwerken van Stansfield/Hooykaas weerkaatsen de wereld, brengen geluid voort, verlengen het zien, veranderen de werkelijkheid. Ze tonen dat video en water, video en wind, video en vuur vergelijkbare eigenschappen bezitten. Wind is video. En zoals een beeld schaduw afgeeft, zo beschikt het over weerspiegeling. Schaduw en weerspiegeling kunnen zelf beeld worden, of inzet zijn voor nieuw werk. Technische verouderingsprocessen betekenen niet het einde van een beeld: er kan

34


Stansfield/Hooykaas

aan gesleuteld worden, de tijd kan het werk vooruit helpen. De werken

Day for Night (2004),

zijn dus niet eindig zodra ze gepresenteerd worden; ze houden nooit op.

audio-video installatie.

De audio-video installatie Day for Night (2004-2011) is een site-specific

Documentatie van de tentoonstelling Revealing the Invisible, The Art of

projectie die meermaals en in verschillende aangepaste versies te zien is geweest. Beeld, geluid, tekst en muziek komen samen op een rond doek

Stansfield/Hooykaas from

en be誰nvloeden elkaar. Day for Night is gecomponeerd uit beelden en

Different Perspectives in het

geluidsfragmenten, afkomstig uit het persoonlijke videoarchief van de

Centre for Contemporary

kunstenaars en uit de filmgeschiedenis. Het zijn fragmenten die tot het

Arts, Glasgow, Schotland

collectieve geheugen behoren. Beeld en geluid zijn aan elkaar en over

van 27 nov. 2010 t/m 29 jan. 2011

elkaar gemonteerd, waardoor geluid uit het ene filmfragment het andere ondersteunt. Tijdens het kijken word je je langzaam bewust dat de beelden het menselijk bestaan in kaart brengen. Rondom het cirkelvormige doek verwaaien beelden en geluiden in de nacht. De cirkel vangt het licht, het beeld is de wereld. Documentatie op video van de installatie Day for Night is te zien via de website www.kunstwordtterugkunst.nl

35


36


37


38


39


40


Bram van Velde Ontmoetingen met Charles Juliet

Als Bram van Velde spreekt, klinkt de stilte. Zijn woorden doemen op uit het niets en laten de spreker verbaasd achter. ‘Wat ik heb gemaakt, heb ik gemaakt om te kunnen ademen,’ zegt hij tegen de Franse schrijver Charles Juliet. ‘Dat heeft geen enkele verdienste.’ Charles Juliet en Bram van Velde maakten vaak lange wandelingen. Juliet noteerde tijdens de ontmoetingen de spaarzame woorden van de kunstenaar. Die woorden zijn even vergaand als Van Velde’s schilderijen. Het is alles of niets, of zoals hij zelf zegt: niet werken is moeilijker dan wel werken.

41 Eva Besnyö. Bram van Velde, Normandië, 1959. © Eva Besnyö/MAI.


Schilderen is heel simpel, doodeenvoudig. Ik schilder om

Ik schilder de onmogelijkheid van het schilderen.

mezelf uit het gat te trekken. Ik schilder mijn ellende. Mondriaan? Hij heeft een te subtiele geest. Hij heeft in het licht gewerkt. Ik werk Door te schilderen raak ik aan het niets, de leegte.

in het donker

Ik bevind me in de leegte. Niets om me aan vast te klampen.

De samenleving stoot de kunstenaar uit. Ik ben altijd bang. Wat ik schilder bevindt zich buiten het schilderen.

Ik kan niet spreken over wat zich Je moet je onderwerpen.

in mij afspeelt. Bovendien zijn woorden zo versleten.

Alles moet buiten de wil en het verstand om gebeuren. Het onbekende laten verschijnen‌

Het doek is een handeling, een avontuur, een vondst. We hebben geen twee ogen, maar duizend. Maar er is slechts twijfel, aarzeling. En toch word je gedreven door een noodzaak Het moeilijkste is om als een blinde te

die je dwingt door te

Het schilderen komt van zo

werken.

gaan.

ver, dat het moeilijk is om er een helder zicht op te krijgen.

Van Gogh? In een wereld waarin alleen klein gereken telt, was hij te intens. Hij joeg angst aan. Ze hebben hem buitengesloten.

Ik signeer mijn doeken niet meer. Je kunt geen naam zetten op dat wat het individu te boven gaat.


Je moet zwijgen. En zoals u weet wijzen de woorden mij af. Om tot iets speciaals te komen, moet je niets zijn.

Het is ongelukkig dat het woord zoveel

Het is extreem moeilijk om niet te bedriegen.

belang heeft. Toch is het woord niet het leven. Nee, ik teken niet. Als je tekent, weet je altijd min of meer waar je naartoe gaat. Er zit geen avontuur in. Ik heb de sprong in het onbekende nodig. Je moet van elke hulp onthouden zijn. Je moet jezelf verlaten. Je aan een diepe vergetelheid overgeven. Het leven zit niet in het zichtbare.

Ik houd van wandelen. De wandeling is altijd een plezier.

Het doek geeft me de mogelijkheid het onzichtbare zichtbaar te maken.

Het is het moeilijkste om niets te doen wanneer je de Zodra het schilderij vlak is, juich

kracht hebt om te werken.

ik. Dat is een moment van intense vreugde. Maar het duurt maar heel kort. Meteen volgt de terugslag. Dat komt doordat het schilderen

Woorden richten een slachting

verbonden is met het leven. Ik ben

aan. Slechts de leegte en

altijd in beweging en het is altijd

de wereld van de stilte zijn

nieuw, altijd onbekend. Daardoor heb

immens.

ik ook zo weinig gemaakt.

Werken is vooral niet doen. Zien, dat is volkomen zonder kennis zijn. Kunst, dat is het gevaar.


Componist van de natuurlijke beweging Paul Frankhuijzen In het werk van Paul Frankhuijzen komt de beweging voort uit klanken die elkaar in gang zetten, tijdelijke clusters vormen, uiteenvallen en zich hergroeperen. Alsof de componist volgt en inzichtelijk maakt wat gebeurt. In zijn muziek komen contrasterende elementen samen, zoals de oudste en de nieuwste muziek, sociaal-maatschappelijke tegenstellingen, cultureel-politieke wrijvingen en oosterse en westerse muziek. De contrasten blijken er vooral te zijn om samen kracht te genereren en die te ontwikkelen. Frankhuijzens hoofdthema is daarom niet de confrontatie, maar de inspiratie. Yohaky没 Een strijkstok klettert op de grond. De stilte is doorbroken. Pianoklanken klateren door de vrijgekomen ruimte. Een zangeres zingt lettergrepen die verglijden van toonhoogte. Ze hoort verbaasd zichzelf aan, verwonderd over de mogelijkheden van haar stem. Haar rol wordt haast ongemerkt overgenomen door een viool, die ook lettergrepen formuleert, maar zelfverzekerder dan de zangeres. Viool en piano vinden een spoor, raken in gesprek, vormen zinnen, vertellen een verhaal. De zangeres keert terug. Ze volgt het spoor dat is uitgezet. Haar zang wordt lied, maar v贸贸r ze werkelijk uitspraken doet, keren de uithalen van het begin terug en klatert de piano weer als een beek. De strijkstok klettert op de grond: meest pure, meest Japanse klank.

44


The Office Tiger Basso continuo is de horizon van de muziek. In de verte klinkt altijd de onderstroom. Een westers strijkkwartet vangt de monotone klankstroom op van de Indiase raagini. De strijkers herkennen hun verte, gaan op weg, naderen, tasten de horizon af en ontdekken dat die hun bewegingen volgt en bepaalt. Yohakyú (2001). Voor sopraan,

De strijkers imiteren de klank van de raagini versieren de monotonie met

viool en piano. Teksten: Japans No

klankkrullen en barsten tenslotte uit in losbandige individualiteit. Maar die

Theater Adachigahara. Tomoko

vrijheid is schijn, ze blijven verbonden met de eeuwige stroom, al raakt

Mukaiyama (piano en zang) en Monica Germino (viool). Opname:

die weer aan de verte, eeuwig begin van alle muziek.

2001, De Concertzender live, in Muziekcentrum De Toonzaal,

Fantasia

’s-Hertogenbosch. Duur: 14:00’

Twee cello’s cirkelen rond elkaar en rond een kort thema, dat eerder een aanzet-tot-thema is. De ene cello voert de ander mee in een werveling

The Office Tiger (2009). Voor strijkkwartet en raagini of tanpura. Mondriaan Kwartet. Opname:

naar de binnenkant van de muziek. In die draaiing wisselen melodie en begeleiding van plaats. Er is geen hiërarchie, geen rolverdeling. Elke

2-2-2010, in Muziekcentrum De

klank is intensivering van de aanzet. Soms ontstaat al improviserend een

Toonzaal, ’s-Hertogenbosch. Kees

melodie, maar nooit is sprake van een echte ontwikkeling.

van de Wiel Muziekproducties.

Nooit ook is er een andere uitkomst dan af te dalen naar de aanzet-tot-

Duur: 17:51’

thema: moment waarop opeenvolgende klanken polyfonie worden.

Fantasia (2004). Voor 2 cello’s. Ensemble Dubbelduet (Eduard van

G minor

Regteren-Altena en Jacqueline

Het strijkkwartet G minor is een ruimtelijke compositie. Het is

Hamelink). Opname: 6-2-2011

geïnspireerd op de eerste vioolsonate van Johann Sebastian Bach. Als

(live), in Muziekcentrum De

strijkkwartet uitgevoerd, krijgt de muziek ruimte en de ruimte klank.

Toonzaal, ’s-Hertogenbosch. Kees

In toegevoegde delen grijpt het werk terug op de tijd vóór Bach: tijd

van de Wiel Muziekproducties.

waarin klanken los van elkaar bewogen, tijd waarin de stilte klinkt, stilte

Duur: 7’

van de tijd die aan Bach voorafgaat.

G minor (2011). Voor strijkkwartet.

Zodra Bachs vioolsonate als strijkkwartet wordt uitgevoerd, wordt de

Matangi Quartet. Her-compositie

eenzaamheid van klank immens. Klank wordt ding in de ruimte, het

van Sonate voor viool nr. 1 in

alleen-zijn versterkt door de instrumenten: strijkers die, los van de

g mineur van Johann Sebastian

ontwikkeling van het muziekstuk, verlangen en herinnering oproepen. In

Bach

G-minor is de eenzame ruimte Bachs toekomst geworden.

Opname: 27-11-2011 (live), productie: November Music / Jheronimus Bosch 500,

Het werk van Paul Frankhuijzen is te beluisteren via de website

’s-Hertogenbosch. Duur: 16:20’

www.kunstwordtterugkunst.nl

45


Secretly built with paper

Femke Dekkers Op de foto’s van Femke Dekkers zijn voorwerpen zodanig in een ruimte geplaatst, dat ze door het oog van de camera een uitgebalanceerd tweedimensionaal beeld vormen. In een wereld waarin alles onzeker is, zul je zelf de verbindingslijnen moeten uitzetten. Het geeft de indruk dat de ontmoeting van de kunstenaar met de wereld een toevallige samenloop van omstandigheden is.

Femke Dekkers Secretly built with paper, inkjetprint on dibond, 130 x 104 cm, 2011 Corner, Check, Â inkjetprint on dibond, 119 x 80 cm, 2011 47

Lilac walls forever, inkjetprint on dibond, 101 x 70 cm, 2010


Hjir bin ik Plattèl De Rotterdamse zangeres en componiste Plattèl werd bekend met gevarieerde (pop-)muziek die niet in een duidelijk hokje past. In haar composities wisselen invloeden uit de triphop, jazz, dance en klassiek elkaar af. Plattèl verklankt haar gevoelens in muziek en verwoordt ze in liedteksten. Zij begint zonder helder stramien, vanuit een inspirerende opwelling of inval. Daarna bouwt zij met passie en inzicht verder aan haar muzikale bouwwerk. Voor Hjir bin ik grijpt ze terug op haar Friese roots. Het is een lied over het afsluiten van een donkere periode en het in de wereld staan als jezelf.   Hjir bin ik van Plattèl is te beluisteren via de website www.kunstwordtterugkunst.nl

Bart Wolvekamp en Plattèl


51

Hjir bin ik

Hier ben ik

Út ‘e nacht en wer frij, bin ik

Uit de nacht en weer vrij, ben ik

Nei it ljocht en myn krêft, bin ik

Naar het licht en mijn kracht, ben ik

Myn leafde en hert efternei

Mijn liefde en hart achterna

Groun, sjoch ik

Grond, zie ik

Hwat romte foar my, sjoch ik

Wat ruimte voor mij, zie ik

Mei rêst yn myn liif, sjoch ik

Met rust in mijn lijf, kijk ik

It tsjuster en tsjirming foarbei

De donkerte en snijdende pijn voorbij

Forbounens fiel ik

Verbondenheid, voel ik

Mei alles hwat libbet, fiel ik

Met alles wat leeft, voel ik

Omearmje de wrâld, fiel ik

Omarm ik de wereld, voel ik

Mysels, elkenien en ek dy

Mezelf, iedereen en ook jou

Al bisto sa fier fan my

Al ben je zo ver van mij

Al bisto sa fier fan my

Al ben je zo ver van mij


Efrouw Monnaie Levens en werken (1) Dibutade Vergetende herinnering is de titel van een tekst van de Franse schrijver Maurice Blanchot. Als je je in zijn tekst begeeft, word je meegevoerd en als het ware opgeslokt door zijn taal. Blanchot zegt: de poëzie van de dichter en de beelden van de kunstenaar komen ergens vandaan. De dichter en de kunstenaar vinden ze niet uit; ze bestaan al ergens in de wereld. De herinnering leidt ons ernaartoe. Gedichten en beelden kunnen dus niet ‘nieuw’ worden gemaakt. ‘Niet het zeggen is van belang, maar dat men herzegt. Horen betekent steeds gehoord hebben, plaats nemen in een gemeenschap van vorige toehoorders, hen in staat stellen opnieuw aanwezig te zijn.’

Herinneren, herzeggen, gehoord hebben: dat leidt je naar de mythologie. Er is een Griekse mythe die over herinneren en tekenen gaat. Het meisje Dibutade woont op een Grieks eiland. Ze is de dochter van een boetseerder, die om rond te komen dakpannen bakt in zijn ovens. Dibutade is verliefd op een herdersjongen. Ze ontmoeten elkaar in het geheim bij


zijn herdershutje in de bergen. Maar op een dag zegt de jongen dat hij haar vanwege de oorlog moet verlaten. Op de dag van afscheid ziet Dibutade hoe de schaduw van haar vriend op een rotswand valt. Ze pakt een krijtsteen van de grond en tekent de contour van de schaduw op de rots. Terwijl ze tekent kan ze haar geliefde niet zien: ze moet zich concentreren op de potloodlijn rond de schaduw. Als ze zich zou omdraaien om naar hem te kijken, zou ze hem niet meer kunnen tekenen. De jongen vertrekt en Dibutade blijft achter met de contourtekening op de muur. De tekening is haar laatste houvast. Ze tast de lijn af, op zoek naar haar vriend, maar kijkt ze naar de lijn, dan ziet ze geen gezicht, en kijkt ze naar de vorm binnen de lijn, dan stuit ze op de rotswand. Hoe ze ook zoekt, haar geliefde vindt ze niet terug. Het regent in die streken zelden, de tekening blijft lang bewaard. Dibutade keert er vaak bij terug. Telkens hoopt ze haar geliefde in de tekening te vinden, maar de tijd verstrijkt en de lijn op de muur wordt meer aanwezig dan de herinnering. Daarom, zegt Blanchot, is het wezen van de herinnering de vergetelheid. Alles begint en eindigt ermee. De dichter spreekt en de kunstenaar tekent alsof hij zich herinnert, maar als hij zich herinnert dan is dat door het vergeten. De muze is dus niet de herinnering, maar de vergetende herinnering. Het verhaal van Dibutade heeft een vervolg. Haar vader, de boetseerder, ziet hoe Dibutade lijdt onder het gemis van haar vriend. Hij besluit om een portret te boetseren van de herdersjongen. Echter, hij kent hem niet, omdat zijn dochter de jongen steeds in het geheim heeft ontmoet. Als uitgangspunt voor het beeld neemt hij daarom de contour op de muur. Terwijl het beeld tussen de dakpannen in de oven staat te bakken, overvallen vijandelijke legers het eiland. Ze bereiken de bakkerij en ontdekken het portret in de oven. Volgens het geloof van de bezetter mag er geen gelijkend portret gemaakt worden van een mens, en dus vernietigen ze het beeld. Voor Dibutade is er dan alleen nog de herinnering – maar nu is het niet zozeer de geliefde die in het geheugen staat gegrift, als wel het in stukken gevallen beeld. De pannenbakkers van het eiland trekken zich het lot van hun collega en zijn dochter aan. Ze besluiten op alle dakpannen die ze nog zullen bakken een miniportretje van Dibutade’s geliefde te boetseren – de jongen die zij nooit hebben gezien. Het is ook een daad van verzet tegen de vijand. Ze doen het tot op de dag van vandaag. De geliefde is nooit meer teruggekomen, wie hij was is vergeten, maar het beeld van hem en dit verhaal blijven in de herinnering bestaan. 53

Men zegt wel dat bij Dibutade de oorsprong van het tekenen ligt.


Tien jaar cultuurbijlagen

Verslag van een werkperiode in Haghorst, 26 april 2010 – 1 december 2011

Jan van den Langenberg Ze zaten al bijna in dozen, de geselecteerde, keurig opgestapelde cultuurbijlagen van De Volkskrant. Ik was klaar om ze naar de gemeentelijke stort in Hilvarenbeek te brengen, of in de container te gooien bij ons schooltje in Haghorst. Hebben die er nog wat aan, al is het maar een paar eurocenten. Traag gegroeide stapels bijlagen, van de donderdagen en vrijdagen, gelezen zonder precies te weten aan welke dag ik nu méér verslingerd was. Ik werd letterlijk te vaak verrast, liet dan de ervaring de ruimte en scheurde desnoods op dinsdag een hele bladzijde uit die zeker niet verloren mocht gaan. Altijd nog goed voor een citaat, of als inspirerend vonkje voor een judicium. Ineens was het genoeg, zij waren mij beu en ik hen. Ik had het gevoel dat ze voldoende de tijd hadden gekregen zich te integreren in mijn fysieke netwerk. Ze lagen daar opgestapeld op vier zwartstalen archiefkasten, die aan mijn rechterzijde in het atelier staan. Op mijn rechterarm bespeurde ik de laatste tijd wel een subtiele aanraking, waardoor hij trager en weifelender werd in zijn bewegingen. Dan keek ik op, liep naar de stapels kranten en begon er vertederd in te bladeren. Ik stond daar en keerde zomaar twee, drie jaar terug in de tijd, om al lezend te ontdekken dat een artikel nog steeds de actualiteitstrompet tettert. In feite herinnerde ik me alles nog. Elk gelezen onderwerp perste zich spontaan uit mijn lichaam naar buiten en werd direct weer deel van de dialoog die ooit bij het dichtvouwen van de krant leek te zijn geëindigd. Dat voelde aangenaam maar hield me tegelijkertijd op. De stapels cultuurbijlagen, met hun verhalen die mij bestookten om opnieuw tot leven te komen, leken als kleine kerncentrales. Ze haalden me

uit mijn concentratie, nestelden zich tussen mij en het werk dat nu mijn aandacht had. Ik was er niet blij mee. Die stapels die daar stonden als een gedateerd maar goed onderbouwd huis, eisten teveel aandacht op. Stromen, muren van informatie, meningen, veronderstellingen, oververhitting, strijdperk, vurig water, ongeloof en acceptatie. Al die stellingen namen stelling, onderbouwden… maar wat en waarom? Versnellingsmechanismen missen adequaatheid. Mij leek het steeds vaker toe dat al deze verschillende, wereldwijd verzamelde meningen als één gemeenschappelijke visie onder één gemeenschappelijke wereldhorizon bijeengebracht wilden worden. Informatiestromen zonder bestemming worden hier zelfgeadresseerden. Ze lussen zich in en raken verstrikt. Gelijktijdig intrigeerde het me hoe pijnlijk het dilemma kan zijn tussen het accepteren en verwerpen van een gedachtegang. Hoe pijnlijk de spagaat kan voelen tussen de momenten waarop je er alles mee kunt, de gedachte je als vertrouwd voorkomt en de momenten waarop je er niets mee kunt, de inspiratie wegvalt en je er totaal vervreemd van raakt. Een tijd lang lagen de kranten daar maar te liggen, gaven soms een signaaltje, stroomstootje in mijn rechterarm, maar lagen me niet in de weg. Tien jaar meningen en kritieken over cultuur waren erin samengeperst en toch was het er statisch stil. Kon alles niet worden weggegooid? De samengebalde kwaliteit van dit medium, was voor mij zowel de vriend als de vijand. Steeds was er de twijfel, de niet aflatende strijd met mezelf om er wel of niet in te gaan. Ik wist dat alle artikelen onze wereld al vele malen als een spin hadden ingewebd, telkens weer in een ander coloriet. Geloof in eigen visie, vanuit alle

54


krochten van de beeldende actualiteit, ligt daaraan ten grondslag. Alles is onderzocht. Elk artikel is hierin eerst als een gladde steen die over het rimpelloze oppervlak van het water ketst, daar op enig moment alle grip verliest en zinkt tot op de zeebodem waar het zachte schuren van de continenten voelbaar is. Is dat dus het signaal, het voortdurende stroomstootje in mijn rechterarm? Wat ik mis in de artikelen is het persoonlijke avontuur, het dolen, het fout kunnen lopen en op je vooronderstellingen terug moeten komen. Ik mis daarnaast het kompas, dat alleen werkt tijdens de reis, in de beweging. Ik wil dat sluiproutes de gelegenheid krijgen hoofdwegen te worden, waarbij ik simpelweg niets hoef en geen angst heb te falen. Achter elke bergkam telkens weer een ander dal vinden, steeds een nieuwe vlakte, een weidsheid die het zweet op het lichaam toewaait, het water droogt en de zoutkristallen laat glinsteren. Daar te staan in een ziltig geurende wolk, van en uit jezelf afkomstig. Het alledaagse weggewassen, de laffe streken van het leven afgeschud. Voelen hoe in de ons omringende eindeloosheid de creativiteit van de aarde onze ziel schoonspoelt. Elke dag opnieuw kunnen we de avant-garde in onszelf voelen en oproepen, om de puurheid van het leven richting te geven, om dat wat voor ons uitsnelt de ruimte te laten, de kans te geven zijn eigen biotoop te vinden. Steeds

55

hopen dat het een tijdelijk verblijf is, een voedselplek voor de opstap naar elders. Wellicht ontstaat het besef dat zo’n tijdelijk station er niet alleen is voor jezelf, maar geeft het je inzicht in hoe je samen met anderen de hybride wereld die op ons afsnelt kunt delen. Kritisch in de vraag blijven, harde punten durven zetten, zou hier hét verschil kunnen maken. Risico’s durven nemen, utopieën durven bouwen, vertrouwen durven hebben in een toekomst is het gereedschap. Dat ‘durven’ breekt in en door, legt bloot en laat zien. De kranten werden op mijn ateliervloer uitgelegd als een korst, een platform. Er werd door mij gezocht, gevonden, geleerd, geconsumeerd, gekoesterd, gedeeld en weer tenietgedaan. Actualiteit is lucide. Hij verschijnt en verdwijnt als een fantoom, soms als een B2-Stealth bommenwerper, aanwezig en toch niet zichtbaar, soms als een slechtvalk die met een snelheid van 320 kilometer per uur met zijn klauwen het zwerk bekrast. Hoe dan ook, de wereld gaat verder en neemt met zich mee wat hij op zijn weg tegenkomt: de niet aflatende stroom aan informatie, uit alle windstreken van de wereld professioneel door medianetwerken vergaard, als een vloedgolf voor zich uit stuwend. De effecten van de betrokkenheid zijn hier kortstondig. Het mechanisme


van de selectiecriteria zal de duurzaamheid bepalen. Noem het de kunst van het kunnen blijven bijvullen van adequate actualiteit. Kunst heeft een hybride vorm aangenomen, is niet meer gebonden aan stijl of specifieke opvattingen. Zij is hierdoor kwetsbaar, een speelbal geworden. Vooral de commercie is hier handig op in gesprongen, zelf weer aangestuurd en gemanipuleerd door wereldwijde medianetwerken. Zij doen ons geloven, sturen ons en bepalen mede de smaak van de dag. Wij proppen ons vol, beelden ons dingen in en projecteren dat wat we ons ingebeeld hebben terug in een onverzadigbare maatschappij. Moeilijk voor ‘De Kunst’ om binnen deze vorm nog kritisch dan wel revolutionair te zijn. Dat is de consequentie van een wereld die op elk moment van zijn bestaan, waar dan ook, zijn invloed wil en kan laten gelden, telkens opnieuw aangezwengeld en gecontroleerd door ons, mensen. Wat voor mij hierin positief is, is dat het me sterkt in mijn ervaring met het colloriet, de caleidoscoop, het totale leven. Heerlijk om nog steeds uit zo’n veelheid te kunnen kiezen, subjectief te mogen geloven en het plezier te beleven een avontuur aan te gaan met het beeldend vermogen dat mij gegeven is. Wat rest is het spoor dat men achterlaat. Een spoor waarin een veelheid aan verandering en daadkracht zichtbaar wordt en waarbij soms een subliem punt werd gemaakt.

Wat wil overleven houdt zich schuil, trekt zich terug in de krochten van de tijd, en wacht op dat ene moment om als nieuw, herboren ontdekt te worden. Tot die tijd worden de ‘Witte Plekken op de kaart’, dat wat nog niet is benoemd, angstvallig geheim gehouden. De sleutel tot overleven is creativiteit, met kunst als de meest expliciete vorm op vele wijzen ingezet. Echter, zonder doorzettingsvermogen en passie kan geen kwalitatief ‘beeld’ worden gemaakt. Zonder creativiteit kan geen ‘voedselbank’ worden gevonden. Wanneer zo’n ontwikkeling zich doorzet, accepteert men in feite het in gang zetten van het uitsterven van een soort en daarmee de overgang naar een totaal andere wereld. Ik heb ze geleefd en heb ze doorleefd, die cultuurbijlagen. Ze brachten me alles en niets, en toch heb ik, tijdens de reis binnen en buiten mezelf, geleerd om te bouwen en te maken, te zoeken naar verhaal en vorm. Om te weten moet men zonder vooropgesteld plan het onbekende aangaan en er zich onbevooroordeeld mee verbinden. De taal zwijgt, komt tot stilstand, men snuft en murmelt, kauwt het spuug. Kennis valt niet af te dwingen, het wordt je gegeven. Alleen wat niets zegt, zegt allen iets.

56


de ketelfactory

Secretly built with paper Op de foto’s van Femke Dekkers zijn voorwerpen zodanig in een ruimte geplaatst, dat ze door het oog van de camera een uitgebalanceerd tweedimensionaal beeld vormen. In een wereld waarin alles onzeker is, zul je zelf de verbindingslijnen moeten uitzetten. Het geeft de indruk dat de ontmoeting van de kunstenaar met de wereld een toevallige samenloop van omstandigheden is.

Hoofdstraat 44 – 3114 gg Schiedam +31 (0)10 - 473 81 23 – info@deketelfactory.nl 57

deketelfactory.nl


Margriet Kemper


Natuurwet Zeker weten dat ik niet zal vinden wat ik kwijt ben, pijn zal voelen waar het lichaam nu nog zonder is, woordloos zal zijn wanneer ik antwoorden moet. Bang blind te zijn voor komend onrecht, het geluk niet prijzend, angst toedekkend. Gaten graaf ik waar ik later in zal vallen, lampen sla ik stuk waar ik niet zonder licht kan, mijn rug keer ik toe als ik armen verlang, de dag prijs ik als de slaap niet komt. Ik twijfel waar hoop zich opdringt, verlang waar afstand geboden is, versnel waar traagheid mij verder brengen zou. Vraag nooit waar je op hoopt, wist ik als kind, bezweer het onwaarschijnlijke, geloof niet in het voorbij gaan, spreek toverwoorden om het donker te bezweren, zing om het licht te behouden! Valkuilen graven leerde ik, rookgordijnen leggen, maar ook uit steenkool kristal slaan, uit honger brood kneden, uit wrok liefde peuren.

59


Anamorfose Iemand schoot van opwinding, iemand stierf van schrik, iemand verklaarde de liefde, iemand begreep het verkeerd, iemand wachtte vergeefs, iemand was nooit vertrokken, iemand waande zich vrij, iemand hield iemand gevangen.  Niemand kent de precieze gevolgen van zijn handelen, niemand weet of zijn woorden landen waar zij bedoeld zijn niemand heeft zekerheid over de juistheid van zijn oordeel, niemand krijgt evenveel als wat hij meent te geven.   Ieder weet zich schipper in zicht van de haven, minnaar in een bed dat wacht, heer en meester in zijn hof. Want de oceaan is te leeg en te donker, de nachten te lang en te koud, de wereld te verraderlijk en te groot.

60


Wat komen zal Wat komen zal: de dingen van de dag zullen in het niet vallen, de banale, de bleke en de betekenisvolle, zelfs die waardoor mijn hand stokt of mijn bloed stuwt. Ik zal iets doen waarbij geen gereedschap of hulpmiddel nodig is. Materie noch energie komen eraan te pas. Er zal geen product zijn, geen zichtbaar resultaat. Het tijdstip van de dag is van geen belang, noch de duur. Mijn ledematen zal ik niet gebruiken, mijn zintuigen werkeloos. In de ruimte die geen plek is, op het moment dat geen tijdstip is, in het licht dat geen bron kent, in het binnenste zonder buitenkant zal het plaatsvinden. Groter zal het zijn dan wat ik ooit eerder deed, grootser dan mijn verbeelding toestaat. En zelfs van dóen zal geen sprake zijn, want er is geen oorzaak van een werking noch van een motief. Met één wiekslag zal alles wat geweest is in mijn leven, leugens die zich ophoopten in mijn geheugen, schoonheid die woekerde in mijn borstkas, iedere morzel oordeel die zich nestelde onder mijn tong, worden verjaagd. Voor even zal ik naakt zijn als een zuigeling die geen moeder nodig heeft en ik zal krijsen in mijn eigen stilte.

61


Werkzame stoffen Denk: ik ben vermetel tot aan het roekeloze! brutaal tot aan het verwerpelijke! cynisch tot aan het immorele! lyrisch tot aan het idiote! duister tot aan het gevaarlijke! obsceen tot aan het onwezenlijke! Zoiets denken is mentale exercitie, marcheren in de eigen tijd en ruimte, zoiets schrijven is bijna schreeuwen, zoiets lezen bijna gehoorzamen. Zijn deze regels niet zelf vermetel, brutaal, cynisch, lyrisch, duister en obsceen? Woorden zijn geen tâches de beautÊ, maar stoffen die hun werking doen. Wees vrij in denken, wees voorzichtig in schrijven, want woorden lezen is als eten. Na vluchtig genot dringen ze binnen, verbinden zich aan bloed, en cellen. Wees voorzichtiger nog in spreken, men neemt dan woorden in de mond.

62


Toelichting bij de inhoud van dit nummer Met dank aan: Ketelfactory Schiedam, Winnie Teschmacher, Thomas Huber, Thea Wieteler, Beate Klompmaker, Gerard Pels, Charles Juliet, Éditions P.O.L., Claar Plattèl KUNSTWORDTTERUGKUNST Statement Tekst © Florette Dijkstra Afb. Luciano Fabro. In cubo. Foto: Carla Lonzi, 1966 © Giorgio Colombo, Milaan Loek Grootjans Storage for Distorted Matter en Essay Tekst en afb. © Loek Grootjans Delen 0182 en 0191 uit Storage for Distorted Matter. Essay, 2012 www.loekgrootjans.com Lon Robbé Lost in Photography Tekst © J.A. Mulder. Afb. © Lon Robbé Delen uit Massif: Bernina (1953) 2009 piezoprint 162x383 cm, Roseg (1925) 2011 piezoprint 112x172 cm, Majolapas (1953) 2011 piezoprint 112x172 cm, Pic du Midi (1960) 2011 piezoprint 112x172 cm Tentoonstelling: Lens Based Works of Art, Reuten Galerie Amsterdam, t/m 22 februari 2012 www.lonrobbe.nl Thomas Huber Toespraak over de zondvloed Tekst en afb. © Thomas Huber Thomas Huber. Rede über die Sintflut. Das Büro (ed.), Düsseldorf, 1982. Vert.: Thea Wieteler. Vert. verschenen in: Thomas Huber. Das Kabinett der Bilder. Aargauer Kunsthaus (ed.), Lars Müller Publishers, Baden, Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, 2003, p. 19-29 [d], XI – XV [nl] Afb.: Thomas Huber. Rede über die Sintflut, olieverf op linnen, 100 x 150 cm, 1982 (Privécollectie, Düsseldorf) Afb. omslag: Thomas Huber houdt de Rede über die Sintflut, Staatliche Kunstakademie Düsseldorf, 11 februari 1982 (oer-uitvoering) www.huberville.de Stansfield/Hooykaas Day for Night Foto’s: Alan Dimmick © Madelon Hooykaas Stansfield/Hooykaas Day for Night (2004), audio-video installatie. Documentatie van de tentoonstelling Revealing the Invisible, The Art of Stansfield/Hooykaas from Different Perspectives in het Centre for Contemporary Arts, Glasgow, Schotland, 27 nov. 2010 t/m 29 jan. 2011 Publicatie: Revealing the Invisible: the Art of Stansfield/Hooykaas from Different Perspectives. Amsterdam, De Buitenkant, 2010 www.stansfield-hooykaas.net

Bram van Velde ontmoet Charles Juliet Foto: Eva Besnyö. Bram van Velde, Normandië, 1959. © Eva Besnyö/MAI. Citaten afkomstig uit: Charles Juliet. Rencontres avec Bram van Velde. Montpellier, Fata Morgana, 1978; Paris, P.O.L., 1998. Vert. Florette Dijkstra Een selectie verscheen in: Charles Juliet. Gesprekken met Bram van Velde. Amsterdam, Sauternes, 1993. Vert. Dick Willems

Plattèl Hjir bin ik Hjir bin ik. Tekst, compositie en zang © Plattèl. Piano: Bart Wolvekamp www.plattelmusic.com

Paul Frankhuijzen Componist van de natuurlijke beweging Muziek © Paul Frankhuijzen. Tekst © Florette Dijkstra Nieuwe projecten: Nieuw Bach project: Partita’s voor strijkkwartet, sopraan en saxofoon; compositieopdracht voor piano; Mouvement, i.s.m. Parijse ensemble Axone, Martijne van Dijk, met als thema de verandering in de stad; Voorbereidingen kameropera. www.paulfrankhuijzen.com

Colofon Redactie: Florette Dijkstra Medewerkers: Lon Robbé, Loek Grootjans Vormgeving: Berry van Gerwen Druk: Gianotten, Tilburg Copyright: Uitgeverij De Kleine Kapaciteit, ’s-Hertogenbosch, 2012

Femke Dekkers Secretly built with paper Afb. © Femke Dekkers: Lilac walls forever, inkjetprint on dibond, 101 x 70 cm, 2010, Secretly built with paper, inkjetprint on dibond, 130 x 104 cm, 2011, Corner, Check, inkjetprint on dibond, 119 x 80 cm, 2011 Tentoonstellingen: Brabants talent. Krabbedans, Eindhoven, t/m 25 maart 2012 ONGEKEND. Young Masters @ auction. Raw Art Fair, Rotterdam 8 t/m 12 februari 2012 Van Gogh Huis, Zundert, 30 maart t/m 1 april 2012 Femke Dekkers. Moira, Utrecht, 20 mei t/m 10 juni 2012 www.femkedekkers.nl Margriet Kemper Gedichten Gedichten © Margriet Kemper, 2011 Gravure afkomstig uit Conrad Gesner Historiae Animalium (1551-1558) Voorjaar 2012 (afhankelijk van bloei magnoliaboom): uitvoering van ‘Ik zag cecilia komen’, werk voor vrouwenstemmen door componist Fred Momotenko, in opdracht van Margriet Kemper. Vindt plaats i.v.m. een kunstopdracht van de Gemeente Veghel voor Huize Cecilia (voormalig klooster van de zusters Franciscanessen), Zijtaart (NB). www.margrietkemper.nl Jan van den Langenberg Tien jaar cultuurbijlagen Tekst en afb. © Jan van den Langenberg www.janvandenlangenberg.nl

Efrouw Monnaie Levens en werken (1): Dibutade Tekst en foto © Efrouw Monnaie

KUNSTWORDTTERUGKUNST Redactie en abonnementen Arnoud van Gelderstraat 23 5212 TK ’s-Hertogenbosch NL Tel.0031-(0)73-6140771 of: 0031-(0)631693371 info@kunstwordtterugkunst.nl www.kunstwordtterugkunst.nl BTW-nummer: 1463 12 867 Kamer van Koophandel: 17248814 KUNSTWORDTTERUGKUNST verschijnt vier keer per jaar Losse verkoopprijs: € 10,Abonnementen: € 35,- (4 nummers, incl. verzendkosten) Bestellingen en nabestellingen kunnen worden gedaan via de website of e-mail. Op buitenlandse abonnementen worden portokosten in rekening gebracht. Het volgende nummer verschijnt in mei 2012. Oplage: 700 KUNSTWORDTTERUGKUNST nummer 1 wordt op 11 februari 2012 gepresenteerd in De Ketelfactory, Schiedam. www.deketelfactory.nl Niets uit deze uitgave mag worden overgenomen of verveelvoudigd zonder schriftelijke toestemming van de betrokken auteurs en kunstenaars. De uitgever heeft geprobeerd alle rechthebbenden te traceren. Mocht onverhoopt iemand aanspraak maken op rechten, dan wordt hij of zij verzocht contact op te nemen met de uitgeverij. ISBN/EAN 978-90-802226-0-1


www.kunstwordtterugkunst.nl

kunstwordtterugkunst  

schrift voor nieuwe kunst

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you