

SILHOUETTEN VAN DE GROOTE OORLOG
Deerlijk in de Eerste Wereldoorlog – 1914-1918
Naar aanleiding van de herdenking van 100 jaar einde Groote Oorlog.
INHOUDSTAFEL
INVAL VAN DE DUITSERS
1 Eerste schermutseling
2 Tweede schermutseling
3 Duitse vergeldingsacties
4 Aankomst en inkwartiering van de Duitsers 9 AAN HET FRONT
5 Deerlijkse soldaten in de vuurlijn 11 IN BEZET GEBIED
6 De bezetter richt zich in 14
7 Veroordeeld wegens wapenbezit 17
8 Opeisingen door de bezetter 19 FIETS/WANDELKAART
9 De munitie- en pionierparken 25
10 Identiteitscontroles en censuur door de bezetter 27
11 De civielarbeiders (Zivilarbeiter of ZAB) 29
12 Kunst in de oorlog 31
13 Duitse vliegeniers storten neer 32 DE BEVRIJDING
14 Burgers sterven tijdens de bevrijding
15 De laatste Duitsers in Deerlijk
16 Gevechten bij de bevrijding
DE NASLEEP
17 Burgers en geallieerde militairen eertijds hier begraven
18 Resten van Schotse militairen gevonden in Sint-Lodewijk

INTRO
2018 is de apotheose van de herdenking 100 jaar Groote Oorlog. Exact honderd jaar geleden loopt die oorlog op zijn laatste benen, niet zonder nog onnoemelijk leed te brengen aan het front maar ook in het bezette achterland. Deerlijk ligt in het zogenaamde Etappengebied, achter de frontzone, maar waar de levensomstandigheden desondanks hard zijn. Met de bevrijding in oktober 1918 is onze gemeente weliswaar verlost van de Duitsers, maar tegen een bijzonder hoge prijs. Het venijn zit in de staart.
Vier jaar eerder bij de inval van de Duitsers is Deerlijk ontsnapt aan een nog groter drama.
In de tussenliggende jaren volgt dan een relatieve rust. Deze periode van onderdrukking heeft zijn sporen nagelaten op menselijk vlak, qua infrastructuur en in het landschap. Tot op vandaag zijn deze sporen nog zichtbaar.
Wij proberen de Groote Oorlog in Deerlijk te vatten in 18 punten, verdeeld over 5 thema’s. Achter elk punt schuilen verhalen die in deze brochure en via fiets- en wandelroutes ontdekt kunnen worden. De locaties bij deze punten zijn herkenbaar aangeduid door silhouetten of figuren kaderend in de context van de Eerste Wereldoorlog.
INVAL VAN DE DUITSERS
1 Eerste schermutseling
Hoeve Taelman (Hof van Brabant)
Desselgemstraat 141
Vier augustus 1914. Net zoals elders in het land hebben de inwoners van Deerlijk gemengde gevoelens bij het uitbreken van de oorlog. Op een algemene verslagenheid volgt een algemene geestdrift. ‘Tegen Kerstmis zal alles wel voorbij zijn!’ De eerste weken verandert er niet zoveel; pas op 22 augustus passeert een eerste Duitse ruiterpatrouille - een negental uhlanen - door de gemeente. Bijna iedereen blijft bevreesd binnenshuis. De Duitse gruwelen elders zijn immers al uitgebreid verschenen in de kranten. Na een schermutseling met Franse troepen in Kortrijk rijdt een vluchtende Duitse ruiter door de velden. In Deerlijk verliest hij zijn helm. In het gemeentehuis gaat die van hand tot hand ter bezichtiging.
Op 30 augustus 1914 rijdt een Duitse patrouille van een 16-tal verkenners (huzaren) door Sint-Lodewijk. Ze lijken zeer achterdochtig. Kinderen lopen en fietsen de militairen achterna totdat een geweerschot allen op de vlucht jaagt.
Dan blijft het weer rustig. Een eerste ‘echt’ gevecht of confrontatie zou pas plaatsgrijpen op 8 september. De dag ervoor zijn om 18u00 een 25-tal huzaren via Vichte aanbeland op de omwalde hoeve van Odiel Taelman (Hof van Brabant) in de Desselgemstraat. De soldaten, met officier, nemen er hun intrek. Na een eetmaal en wasbeurt gaan ze slapen. Twee van hen vertrekken naar Berchem om orders. Kortrijk wordt verwittigd van het nieuws van de derde aanwezigheid van vijandelijke soldaten in de gemeente. Reeds na enkele uren verschijnen een 100-tal Belgische soldaten-vrijwilligers, vergezeld van rijkswachters, om de vijand te omsingelen en gevangen te nemen. Ze stellen zich verdekt op en wachten af op de omliggende boerderijen. Een verkenner van de burgerwacht van Kortrijk komt om middernacht op de hoeve Taelman. De Duitsers koesteren geen argwaan.

‘s Anderendaags maken de Duitsers aanstalten om te vertrekken. Nauwelijks zijn ze op weg of ze worden beschoten. De Belgen kunnen op de Kalsijde op Desselgem één Duitser doden, de huzaar Carl Trunk, één wordt gekwetst en een ander wordt gevangen genomen. De rest kan vluchten. Ook de twee soldaten die net op dat moment vanuit Berchem terugkeren, worden beschoten. Zij worden getroffen en vluchten in de richting van Waregem. De dode en gewonde Duitsers worden op de hoeve van Aloïs Verschuere gebracht. Zeven dokters behandelen de gewonde. Al gauw troepen tientallen mensen van Deerlijk en omliggende hier samen om een glimp op te vangen van de vijandelijke soldaten. De dode wordt in de late namiddag begraven op het kerkhof (toen nog rond de Sint-Columbakerk) en de gewonde meegenomen door het Rode Kruis. De overwinnaars prijken trots met hun souvenirs: een helm, een lans, … Op een foto genomen kort na het incident en op de Plaats van Deerlijk zijn enkelen van hen te zien; een soldaat heeft een Duitse laars op zijn geweerloop gezet.
De omsingeling is echter een mislukking. Deerlijk heeft met vuur gespeeld en men verwacht een Duitse wraakactie zoals in Leuven en Dinant. Merkwaardig genoeg blijft deze uit.
De hoeve Taelman of Hof van Brabant in het jaar 1979.

Zegevierende Belgische soldaten en burgers op de Plaats van Deerlijk na de confrontatie met de Duitsers op 8 september 1914.
2
Tweede schermutseling
Aan garage Vanwynsberghe, Harelbekestraat 146
10 september 1914. Grote opschudding in Sint-Lodewijk. Die dag wordt de pastoor opgepakt door Duitse verkenners omdat hij op hun kaart de weg niet kan aanduiden naar ‘Vareghim’ (Waereghem). Na een half uur komt hij terug thuis, tot grote vreugde van de parochianen.
Dezelfde dag, twee dagen na het vuurgevecht aan de hoeve Taelman, arriveren om 10u00 vanuit Vichte negen uhlanen in Deerlijk. Ook deze Duitse patrouille wordt beschoten, ditmaal door tien jonge Belgische vrijwilligers en één gendarm, gelegen in het sparrenbos links van de Kalsijde op Harelbeke (huidige Harelbekestraat, aan de overkant van deze locatie, ongeveer ter hoogte van de toenmalige hoeve Vandeputte, later Demunster, nu Vanwynsberghe). Sinds 06u00 liggen ze er op vinkenslag, voor de derde ochtend op rij. Het merendeel van deze soldaten zijn Walen. Ze hadden eerder al aan boer Vandeputte gezegd dat ze vandaag graag eens wilden schieten.
De schutters doden een paard en verwonden een uhlaan. Daarna vluchten ze naar de hoeve Vandeputte en verschuilen er zich op de hooizolder. De gekwetste uhlaan verschuilt zich in een bietenveld van deze hoeve; de andere Duitsers vluchten tot aan de herberg ‘Belle Vue’. Omdat ze geen soldaten vinden, vuren ze op wegvluchtende landlieden die ze verdenken van de aanval. Eén Harelbeekse jongen is aardappelen aan het rapen en krijgt een schot in het hoofd; later bezwijkt hij aan zijn verwondingen.

Kersvers pastoor van Sint-Lodewijk Lodewijk Rommel.
Een andere Harelbekenaar is met zijn paarden het land aan het beploegen en krijgt een kogel in de schouder.
De hoeve Vandeputte wordt ongemoeid gelaten; de Duitsers hebben de schutters niet zien vluchten en weten dus niet dat het om soldaten gaat.
Drie hoeven – één op Harelbeeks grondgebied –en enkele schelven worden in brand gestoken.
Wéér is er in Deerlijk een aanslag geweest op Duitse militairen. Stijn Streuvels schrijft in zijn dagboek (geciteerd door Leon Defraeye): Onze boeren zijn niet te fel gediend met de “hulp” door onzen goeverneur gezonden. Alle weldenkend mensch hier op de streek vindt het eene ongehoorde dwaasheid om jonge, onervaren vrijwilligers te gebruiken die duitsche verkenners moeten aanvallen Iedereen weet dat deze onbezonnen daden niet zonder gevolgen zouden blijven en er wordt gevreesd voor het ergste.

Het Goed te Buusvelt en te Winghene of de hoeve Vandeputte (heden Vanwijnsberghe) in 1991
3 Duitse vergeldingsacties
Het Verbrand Hof Kortrijkse Heerweg 199
De wraaklustige Duitsers komen de hoeve Callens (toenmalige Harelbekestraat 95) opgereden. Ze steken het woonhuis, de schuur en zes schelven in brand. De brandende strobundel op tafel gaat vanzelf uit en hierdoor wordt het woonhuis gespaard. In paniek loopt Jules Callens naar de hoeve Ostyn, waarvan de bewoners ook gevlucht zijn. Hij verstopt zich tot aan de hals in de openliggende beerput.
Op Harelbeeks grondgebied steken de Duitsers de boerderij van Karel Vandenberghe in de fik. Alles gaat verloren, uitgezonderd de koeienstal en het ovenbuur. Het is de bedoeling om wat verderop ook het huis van Désiré Depoortere te brandschatten. Om onbekende reden zien de Duitsers van dit plan af. Alzo ontsnappen een tiental personen, die zich schuilhouden in de kelder, aan een groot gevaar. De volgende aan de beurt is de hoeve Ostyn. Woonhuis, paardenstal en schuur worden in brand gestoken. Brandende brokstukken belanden in de beerput waar Jules Callens verdoken zit; hij loopt brandwonden op en verstikt bijna in de rook. Hij kan vluchten richting station en wordt er verzorgd door een dokter. Dan heeft de zoon des
huizes minder geluk. De nog altijd niet bekoelde Duitsers gaan verder op zoek naar de daders van de schietpartij. Achter de hoeve Ostyn zit, in het lis verscholen, zoon Gustaaf Ostyn (23). Helaas hebben de Duitsers hem zien vluchten en hij wordt met een lans omgebracht, voor de ogen van zijn zus Prudence, wat verderop verborgen. Met Gustaaf Ostyn sterft de eerste Deerlijkse burger in de oorlog, de eerste van een lange rij die nog zou volgen (zie ook punt 14).
Na het verlaten van de hoeve Ostyn rijden de uhlanen naar die van Adolf Degezelle (Het Goed te Gaver in de toenmalige Heirweg naar Kortrijk 47).
Daar nemen zij de er toevallig aanwezige Theofiel Decock gevangen. Daarna steken ze vier schelven in brand. ‘s Namiddags onderscheppen de Duitsers in de Gavers Camiel Vandeghinste die er zijn koeien gaat melken.
Verscheidene personen verklaren aan de Duitsers dat zij door Belgische soldaten werden aangevallen. Het Duitse hoofdkwartier gelooft de Belgische verklaringen niet en in de late namiddag trekt een vergeldingsmacht van zo’n 1300 soldaten met kanonnen op naar Deerlijk. Om 22u30 lopen er Duitse soldaten door de straten. Net op tijd wordt de gewonde uhlaan gevonden op het bietenveld. Zijn laarzen staan vol bloed, want hij is in de benen geschoten.

Het Goed te Frans, na de oorlog in de volksmond ‘het verbrand hof’ geheten. Opname uit 1991.
Hij verklaart dat hij vanuit het bos beschoten werd door Belgische soldaten die nadien gevlucht zijn. De troepen keren terug naar Berchem met Theofiel Decock en Camiel Vandeghinste als gijzelaars. Zij worden later vrijgelaten. Deerlijk is op de valreep gered.
Dat de Duitsers dergelijke voorvallen niet lichtzinnig opvatten, bewijzen de reeds eerder vermelde gruwelen te Leuven, Dinant en elders.
Gustaaf Ostyn wordt begraven naast de huzaar Carl Trunk, gesneuveld op 8 september.
Als de Duitsers het jaar erop een zerk plaatsen voor de huzaar, bemerken zij op het grafkruis van Gustaaf Ostyn de woorden “laffelijk vermoord”.
Grafdelver Gentiel Vandenbroucke heeft heel wat uit te leggen en de Duitsers laten de woorden zwart verven.
Voorlopig keert een gespannen rust terug in Deerlijk.
Het blijft echter gonzen van geruchten, niet in het minst door verhalen van voorbijtrekkende vluchtelingen.
De heropgebouwde hoeve Ostyn gaat na de oorlog door het leven als ‘het verbrand hof’.

4
Aankomst en inkwartiering van de Duitsers
Het Gaverkasteel
Vercruysse de Solartstraat 22
Enkele weken later komen de gevechten aan het front in een stroomversnelling. Als op 10 oktober 1914 de vesting Antwerpen valt, trekt het grootste deel van het Belgische leger zich terug op de IJzer. Daar graven ze zich in. De Duitsers gaan in de achtervolging en ook zij graven zich in op de andere oever. Meer naar het zuiden gebeurt hetzelfde met de Fransen en de Britten rond de streek van Ieper. De bewegingsoorlog gaat over in een loopgravenoorlog.
Achterliggende Duitse troepen bezetten stelselmatig elke gemeente en stad die ze passeren. Op 17 oktober zijn Deerlijk en Sint-Lodewijk aan de beurt. Er strijkt een eerste groep bezetters neer. In de dagen nadien volgt het gros van de troepen. Leon Defraeye schrijft hierover: Den 24 Oktober 1914, een Zaterdag om 4 uren kwam hier uit de richting Vichte een groot frisch uitgedost leger aangerukt. Rond den middag had de voorpost
de aankomst der legerbende aangemeld bij het gemeentebestuur. Deze troepen werden ondergebracht in fabrieken, scholen, herbergen en zalen. Zij kwamen per spoor uit Dresden (Saksen), waren gereden over Namen tot Ath en waren over Audenaarde tot hier gemarcheerd.
De gemeente scheen plots een kamp geworden te zijn, er was een heen- en weer gedoe van soldaten, paardenwagens, kanonnen. Hooi en strooi werden bij de landbouwers gehaald, de soldaten gingen de huizen binnen en namen wat hun lustte, het was “Krieg”, zegden ze en verstonden daardoor dat alles toegelaten was. De soldaten zegden dat ze naar Kales (Calais) en naar Parijs gingen… de menschen antwoordden Kales en Parijs zijn wijd (ver) van hier.
Den Zondag 25 Oktober kwamen er nog troepen voorbij. In den namiddag om 3 uur zweefde laag een duitsch vliegtuig, het bracht bericht van verder op te rukken. Vier dagen lang duurde die optocht van het saksisch leger, de getalsterkte werd geraamd op 12.000 tot 15.000 man.
Ze zongen dat het helmde in de straten, de bevolking keek belangstellend naar die troepenbeweging.

Het Gaverkasteel onder Duitse bezetting.

De landbouwers hadden het druk om koeien en zwijnen te leveren en hooi en strooi. Dit veldleger behelsde de volgende regimenten voetvolk: 240-241-51-53-71
Gedurende de vier oorlogsjaren kwartierden hier geregeld duitsche troepen, de officieren in de rijkemanshuizen, de onderofficieren bij de burgers, de soldaten lagen in scholen, herbergen, fabrieken of zalen. Het kompagniebureel of “Schreibstube” was ook in de gelagzalen. In de poorten der afspanningen stonden de veldkeukens, op de pachthoeven stonden de batterijen
Duitse officieren eisen onder meer het Gaverkasteel op. Ze laten veel kostbaar meubilair overbrengen naar Duitsland.
Deerlijk wordt ingedeeld bij het Etappengebied. In West-Vlaanderen is dat het door de Duitsers bezette deel waar niet gevochten wordt en dat op geruime afstand van de frontlijn ligt. Onze gemeente wordt zo gespaard van groter onheil. Toch blijft er een angst, want des avonds keken de menschen naar het Westen, waar het zoo vaak rood was, van de losbrandingen der kanons en waar een duivelsch trommelvuur heerschte Zij vrezen het ergste voor hun jongens aan het front.

Duitse troepen in Sint-Lodewijk.
AAN HET FRONT
5 Deerlijkse soldaten in de vuurlijn
Kapelstraat 4,
Sint-Lodewijk (oorlogsmonument)
Reeds jaren voor het uitbreken van de Groote
Oorlog voelt iedereen die een beetje vertrouwd is met de Europese politiek, nattigheid. Ondanks de beperkte nieuwsmedia – vooral kranten en volkszangers zoals Bettens en Villers - hebben de mensen al een tijdje in de gaten dat er iets groots op til is. Het oproepen van heel wat soldaten in de gemeente sterkt hun bange vermoedens. De soldaten proberen zich kranig te houden. Na de oorlog beschrijft burgemeester Theofiel
Renier treffend deze situatie: Het is juist zes jaren geleden dat wij den Ommegang [26 juli 1914] vierden, maar van dien dag was er reeds een voorgevoel dat er iets moest gebeuren, het wierd aanstonds gekend: ... 3 dagen daarna, te middernacht; kwam een automobiel in alle haast, met helsch gedruisch-ketels-buizenalle tuigen die den noodkreet aankondigde: aanstonds aan ‘t werk-den ganschen nacht rond de gemeente onze mannen opgeroepen om met den eersten trein te vertrekken. Waar naartoe?
Ten strijde! Zonder te weten waar noch waarvoor! Allen waren met vlijt en dapperheid te been om te gaan naar den oorlog. Schrikkelijke nacht voor ouders, vrouwen en kinderen! Velen vatten dan het gedacht op dat het ging zijn voor zes maanden, dat dit niet lang kon duren met alle nieuwe uitvindingen van moordtuigen, met alles wat er op de wereld tot wreedheid uitgezocht was om dorpen, steden, lucht en zee te overmeesteren en menschen uit te moorden!1
Pas heel laat ziet de legerleiding de dreiging van een nakende oorlog in. Toch houdt men krampachtig vast aan het neutraliteitsbeginsel en uit voorzorg worden op 27 juli 1914 alleen de militairen van de lichting 1913, met klein verlof gestuurd enkele weken daarvoor, teruggeroepen. De volgende dagen gaat men de ernst van de situatie inzien en op 1 augustus (geen moment te vroeg, want diezelfde dag nog vallen de Duitsers Luxemburg binnen) mobiliseert men 15 militieklassen, waaronder 11 van de loting, 3 van de persoonlijke dienstplicht en 1 van de opgevoerde persoonlijke dienstplicht.
Onder Leopold II was de loting en de plaatsvervanging reeds in 1902 gedeeltelijk afgeschaft; het tekort aan effectieven kon met vrijwilligers aangevuld worden. Op zijn sterfbed in december 1909 tekende de koning een nieuwe militiewet waardoor de loting definitief verdween. In de plaats kwam de persoonlijke dienstplicht van één zoon per gezin.
De nieuwe militiewet voorziet een jaarlijkse lichting van 33.000 man en een diensttijd van 15 tot 24 maanden (afhankelijk van het legeronderdeel).
De acht jongste klassen (1906-1913) vormen het veldleger. De zeven oudere klassen (18991905), vormen de garnizoenen van de forten, het vestingleger. Eigenlijk komt het Belgische leger zo op versterkte vredesvoet, want het is eigenlijk neutraal.
Al op 6 augustus sneuvelt de eerste Deerlijkse soldaat - Julien Voet – in de Slag om Luik. Velen zullen nog volgen. Op het oorlogsmonument in het centrum staan alle namen van de gesneuvelde soldaten; het monument in Sint-Lodewijk geeft enkel de namen weer van de gestorven soldaten van deze parochie.
Ingedeeld per jaar van overlijden zijn dit: in 1914: 10. Zij sterven nog in de bewegingsoorlog. in 1915: 1. in 1916: 1. in 1917: 1.
Einde 1914-begin 1915 zijn de loopgraven grotendeels ingericht. Koning Albert weigert zijn troepen in te zetten voor offensieve acties. Dit verklaart het relatief klein aantal overlijdens in de periode 1915-1918. in 1918: 7. In 1918 wordt er weer meer gevochten in de Belgische sector, waardoor er meer gesneuvelden zijn. totaal = 20 man.
1 Fragment uit toespraak, hoogstwaarschijnlijk geschreven en uitgesproken door toenmalig burgemeester Theofiel Renier op Deerlijk-Ommegang of op Wapenstilstandsdag 1920.

De jongste is Jules Vercouter, 18 jaar en oorlogsvrijwilliger. Hij overlijdt op 6 november 1914 in een hospitaal te Veurne. De oudste is Aloïs Vanhonnacker, 29 jaar. Hij sterft in een hospitaal in Calais (F). Vanhonnacker is trouwens de enige soldaat die in Deerlijk begraven wordt. Dat gebeurt in 1922 op het oude kerkhof rond de Sint-Columbakerk. Om ongekende reden wordt het graf later niet overgebracht naar het nieuwe kerkhof in de Hoogstraat. Er ligt nu geen enkele gesneuvelde militair van de Eerste Wereldoorlog meer in Deerlijk. De anderen liggen allemaal op Belgische militaire begraafplaatsen of zijn vermist gebleven.
Bovenstaande compositie is wellicht gemaakt kort na de oorlog. Drie soldaten staan er niet op afgebeeld:
Robert Secember. Zijn overlijden raakt pas later bekend. In 1971 wordt een naambordje bevestigd op het monument. – Maurice Verhaeghe. Wellicht is er verwarring rond zijn domicilie, want hij staat ook op het monument van Harelbeke, vanwaar hij afkomstig is. Door werkomstandigheden is hij in Deerlijk komen wonen. Pas in 1926 vermeldt men zijn overlijden in het gemeentearchief.
– Aloïs Vanhonnacker. Hier was misschien onduidelijkheid omtrent zijn overlijden. Al in 1922 moet dit opgelost zijn, getuige zijn bijzetting op het Deerlijkse kerkhof.
In 1919 wordt een eerste oorlogsmonument opgericht aan de Sint-Columbakerk. Het valt niet in de smaak, want in de volksmond wordt het beeld algauw ‘De dikke Bertha’ genoemd. De 17 gesneuvelden zijn hier op vermeld, met ongetwijfeld wat later de toevoeging van Verhaeghe en Vanhonnacker. Pas veel later komt Secember dus op het monument, maar dat is inmiddels in 1952 vervangen door ‘Het Heilig Hart’, het huidige monument. Er zijn ook Deerlijkse soldaten krijgsgevangen genomen. Op 24 augustus 1915 zitten er 20 man
in diverse kampen in Duitsland. Prosper Opsomer is voorzitter van het komiteit voor hulp aan de Krijgsgevangenen te Deerlijk dat hen voorziet van pakjes. Anderen zitten in het neutrale Nederland in interneringskampen voor militairen.
De soldaat Hector Ovaere loopt bij Kumtich lichte verwondingen op en gaat huiswaarts. Bij de intocht van de Duitsers in Deerlijk verstopt hij zich op een boerderij en na genezing van zijn wonden weet hij te voet over Nederland en Engeland zijn eenheid te bereiken achter de IJzer.

Soldaat Aloïs Vanhonnacker.
IN BEZET GEBIED
6 De bezetter richt zich in Harelbekestraat 27
(ingang gemeentehuis)
Na de inname en bezetting van Deerlijk zetten de Duitsers een hele infrastructuur op. Zoals eerder gezegd wordt Deerlijk ingedeeld bij het Etappengebied. De gemeente valt onder de Etappenkommandantur te Kortrijk, waar een Etappenkommandant zetelt. Die geeft zijn bevelen aan de burgemeesters en secretarissen van de streek die geregeld op het stadhuis van Kortrijk ontboden worden. In Deerlijk komt er bij Jan Defraeye in de Harelbekestraat 1 een Ortskommandantur met een Ortskommandant, een plaatselijke militaire bevelhebber. Jan moet met zijn gezin (onder wie zoon Leon) andere oorden opzoeken en vindt onderdak in het gesticht Heilige Familie in de toenmalige Leegstraat (nu het rustoord in de René De Clercqstraat).
Kapitein Bergmann is de Ortskommandant, zijn assistent is feldwebel Hartwig. De gevangenis is in de ververij van Ovelacq, de gendarmerie of militärpolizei (M.P. of markepakkers zoals de onderdrukte bevolking ze pleegt te noemen) in de Hoogstraat bij Jules Ottevaere, daarna in de Schoolstraat bij Achiel Deleersnyder. De Ortswache of Feldpolizei huist in de Leegstraat (nu René De Clercqstraat). De lokale veldwachters staan de Duitsers gedwongen bij in
hun werk. De twee hulpveldwachters onder hen worden door de mensen stroogarde genoemd omdat ze voor de Duitsers het stro moeten opeisen. De veldbakkerij is in de fabriek Vandenberghe & Degezelle in de omgeving van de Stationsstraat. Een soldaat van die veldbakkerij schiet op 31 augustus 1917 Julien Dedonder, een weggevluchte zivielarbeider, neer.
In het vroegere ‘Vleeshuis’ in de Harelbekestraat is het bureel voor de landbouwaangelegenheden gevestigd, het Landwirtschaftsbüro
Ook aan ontspanning is gedacht. Zo marcheren soms muziekkorpsen door de straten. Zij geven concerten aan het huis van brouwer-fabrikant Gentiel Descheemaeker in de Hoogstraat dat ingericht is als officierscasino.
In de Harelbekestraat, waar later de weverij Descheemaeker komt, is in een grote tuin een kantine neergepoot, het Soldatenheim. Net als in alle cafés hangt hier een Duits waarschuwingsbordje:
Achtung! Feind hört mit, waarbij de soldaten opgeroepen worden voorzichtig te zijn in gesprekken over militaire zaken – de vijand luistert altijd mee! In 1916 worden trouwens heel wat cafés gesloten op last van de bezetter.
In de jongelingenpatronage komt er een cinema. In datzelfde lokaal waren er in september 1914

Het huis in de Harelbekestraat waar de Ortskommandantur gevestigd was.

nog vluchtelingen opgevangen uit de streek van Tienen.
Duitse dokters onderzoeken de vrouwen die betrekking hebben met de soldaten. In geval van besmettelijke ziekten bij mensen of dieren moet er op Duits bevel een waarschuwingsbordje hangen. Op Kerstmis vieren de Duitsers rond de kerstboom het Weihnachtsfest met gezangen en braspartijen. Op oudejaarsavond zijn er geweerschoten te horen; de schildwachten wensen elkaar een gelukkig nieuwjaar. Op 27 januari is het de verjaardag van keizer Wilhelm II, een uitgelezen gelegenheid voor de soldaten om uitbundig te feesten en te slempen. In het begin van 1918 is er in de pastorij van Sint-Lodewijk een Kasino des Regiments ingericht. Een 25-tal officieren vermaken zich ’s avonds en ’s nachts met drinken, dansen, zingen, muziek maken en spelen om geld tot ergernis van de parochianen.
Ook aan geestelijke zorg is geen gebrek. In de kerk doen Duitse aalmoezeniers missen voor de katholieken en de protestanten doen er ook hun eredienst. In rang en aangevoerd door hun officieren trekken de troepen er naartoe. Toch is er nog ruimte voor de bewoners, die dagelijks in de kerk een gebed voor de vrede aanhoren, opgesteld door de paus. In de oorlogsjaren weerklinken er weemoedige liederen door meester René Vandekerckhove. De klokken mogen niet luiden en hangen werkeloos in de toren. Die klokken luiden voor het laatst op 17 oktober 1914 voor de overleden Aloïs Engelbeen. De aankomende Duitsers kijken verwonderd naar het strooien kruis dat in de Marquettestraat ligt.
De Ortskommandant van Vichte die Deerlijk dan onder zijn bevoegdheid heeft, richt hier een brandweerkorps op. Op 29 mei 1915, een zaterdag, is er ’s namiddags om 16u00 een oefening. De brandklok luidt en de aangeduide mannen moeten zich begeven naar het hof Vandeputte in de Harelbekestraat.
Diefstal begint mettertijd een echte plaag te worden. In 1915 gaan nachtwakers rond in de gemeente om het stelen te beletten. Zij dragen een groene armband die afgeleverd wordt door de Kommandantur. Op een nacht in 1918 worden zelfs de paarden van de Duitse gendarmen ontvreemd, maar snel teruggevonden.
In de Kommandantur liggen voor iedere bewoner groene kaarten klaar (ontruimingsbevelen). Het is de bedoeling om deze uit te delen bij een evacuatie. Iedere bewoner mag niet meer dan 30 kg aan bagage meenemen. De kaarten worden nooit gebruikt omdat de Duitsers in 1918 zelf op de vlucht gaan.
Smokkel viert hoogtij. Velen worden aangehouden door de Duitse politiediensten. Het gebeurt ook dat deze de aangeslagen goederen inpikken en er zelf een handeltje mee opzetten. Ook woekeraars profiteren van de situatie. Ze schamen zich niet om, ondanks de hongersnood, hoge geldsommen te vragen voor voedsel. Gelukkig springt het Nationaal Hulp- en Voedingscomité (NHVC) bij en de grootste nood wordt gelenigd. Voedsel wordt door dit private komiteit aangekocht via de Commission for Relief in Belgium (CRB), het grootschalige Amerikaanse hulpprogramma, geleverd via het neutrale Nederland en verdeeld over België. Vanaf februari 1915 heeft het NHVC voor onze gemeente een afdeling in het gemeentehuis, met als voorzitter onderpastoor Clarebout. Het levert onder meer koffie, suiker, zout, vlees, rijst, maïs, meel, zeep en kleren. Het comité werkt ook samen in diverse lokale projecten; zo deelt men in de patronage soep uit aan de bevolking en aan de schoolgaande jeugd. Als privé-organisatie is het NHVC relatief goed beschermd tegen Duitse inmenging. Toch wil de bezetter nog zeggenschap hebben over de voedselbedeling. Zo staat bijv. in Deerlijk de melkerij Sint-Colomba onder Duits toezicht. Dagelijks staan hier lange rijen wachtenden van Deerlijk en Harelbeke om karnemelk te kopen of kwark, die de boter vervangt. Gedurende de oorlog bakt bijna ieder zijn eigen brood.
7 Veroordeeld wegens wapenbezit
Paanderstraat 108
(de verdwenen hoeve Siongoed)
Bij het begin van de oorlog moeten de wapens op bevel van de Belgische overheid ingeleverd worden. Op 18 oktober 1914 worden de wapens in opdracht van de Duitsers vernietigd; die van Sint-Lodewijk worden overgemaakt aan de Duitse overheid te Zwevegem.
Er is een grote variatie aan wapens bij: over geweren, revolvers, pistolen, sabels, bajonetten tot bogen en pijlen.
Blijkbaar is niet iedereen even zorgvuldig bij het inleveren van zijn of haar wapens. Op 19 april 1917 worden zes mannen uit twee families aangehouden omwille van wapenbezit:
de gebroeders Taelman uit de Waregemstraat en de gebroeders Allegaert van het goed Paanders (hoeve Siongoed) uit de Paanderstraat. We laten even Leon Defraeye het verhaal doen:
Den 12 april, een donderdag, kwam een duitsch markepakker, vergezeld van hulpveldwachter Gustaaf Vancrayenest, naar de hoeve van Petrus Taelman, Waregemstraat, om er naar verborgen levensmiddelen te zoeken.
Na twee uren zoeken vond hij onder het afdak van een aardappelkelder twee geweren, een van ten tijde van Napoleon en een carabijn, aangekocht door den zoon Cyriel in het begin van den oorlog en waarmede hij dienst deed bij de burgerwacht te Deerlijk.
Acht dagen daarna, den 19 april, werden de zonen Cyriel en Gentil om 6.30 uur in den morgen

Uitsnede van de lijst met inbeslaggenomen wapens.
aangehouden. De vader Petrus moest eene borgsom van 1250 fr. storten. Aan de Hazewinddreef ontmoetten zij hunne moeder die reeds van de vroegmis terugkwam en vroegen om haar een kruisje tot afscheid te mogen geven, hetgeen toegestaan werd. Met verscheurd gemoed ging de moeder daarna in een nabijstaand huis waar zij in bezwijming viel. De duitsche soldaat ging met de gebroeders Taelman naar de hofstede, geheeten “Het goed Paanders”, in de Paanderstraat, om de vier zonen Allegaert die ook aangehouden werden om reden van wapenbezit. Allen werden in het gevang van Kortrijk opgesloten.
Den 20 mei 1917 werd het proces der gebroeders Taelman afgewezen: Cyriel kreeg twee jaren gevang, Gentil één jaar. Des anderendaags kwam er afslag: Cyriel kreeg één jaar en Gentil zes maanden.
Na eerst eenigen tijd in het gevang te Gent verbleven te hebben, vertrokken zij den 14 juni 1917 naar Sedan. Na twee maanden, den 15 augustus 1917 kwam Gentil wegens ziekte terug naar Kortrijk en was den 21 oktober 1917 vrij. Cyriel werd insgelijks wegens ziekte vrij den 21 mei 1918.
In Sedan waren zij ingedeeld in het strafpeloton en moesten wegen leggen en allerhandig oorlogswerk verrichten.
De gebroeders Allegaert Camiel, Cyriel, Gaston en Jan van de Paanderstraat Deerlijk, werden den 19 april 1917 aangehouden door de duitsche veldpolitie die op de hoeve huiszoeking deed, immers in de beek, palende aan hunne landpartij en die de grens maakt tusschen Deerlijk en Beveren vonden de M. P. (markepakkers), twee geweren en twee handbogen. De gebroeders werden beschuldigd eigenaars dezer wapens te zijn, alhoewel deze hen niet toebehoorden. Camiel, Cyriel en Gaston werden veroordeeld tot vier maanden straf in Sedan. Jan mocht na enkele dagen gevang in Kortrijk naar huis komen om het werk op de boerderij te doen. De drie andere broeders verbleven in Sedan van den 23 mei tot 23 september.
Op 16 mei 1916 was al Coussement Philomena (74) van Sint-Lodewijk door het Veldgerecht van de Etappenkommandantur veroordeeld voor het niet inleveren van een revolver tot zes maanden gevangenisstraf en naar Duitsland overgebracht. Zij sterft aan hartzwakheid op 23 juni 1916 in de gevangenis van Siegburg-Brückberg.
8 Opeisingen door de bezetter
Harelbekehout/Banhout
Kaalslag in de periode oktober-november 1914. Wegens een groot gebrek aan kolen hakt de bevolking in Deerlijk het sparrenbos om. In Sint-Lodewijk verdwijnt het Harelbekehout volledig. Pastoor Rommel schrijft hierover: Groote schaarschheid van kolen. Van verre en bij komt men hout kappen in het bosch genaamd “Harelbeke-hout” 9 ha. groot. Daarmee verdwijnt het laatste woud der parochie. Immers het wordt uitgeroden en in bouwland omgewerkt. Het was gelegen omtrent een kilometer oostwaarts van de kerk. Ook het Banhout deelt in de brokken: het wordt voor een groot deel leeggekapt door de bezetter.
Moeten er ook aan geloven: leegstaande en verlaten huizen en fabrieken. Deuren en raamkozijnen worden uitgebroken en opgestookt.
De Duitsers hebben veel hout nodig als brandstof voor de verwarming, voor de veldkeukens en vooral voor het verstevigen van hun loopgraven aan het front. Door gevechten in de frontstreek was al veel groen verdwenen (Ieper bijv. was voor de Groote oorlog een bosrijk gebied); het benodigde hout eisen de Duitsers dan maar op in de bezette gebieden. Vandaag is West-Vlaanderen trouwens nog altijd de bosarmste provincie van Vlaanderen.
Gesproken van het Banhout: niemand minder dan keizer Wilhelm II is er op 20 oktober 1916 te gast. Op die dag rijdt hij door Sint-Lodewijk. Pastoor Rommel is een scherp observator en schrijft in het Liber Memorialis: Den donderdag 19 october 1916 loopt het gerucht dat er ’s anderendaags groote wapenschouwing zal plaats hebben door een duitsche generaal of prins.

’s Vrijdags 20 october groote beweging bij de duitsche troepenafdeelingen; allen trekken op in de richting van het “Banhout”. Om negen uur en half komt de keizerlijke automobile van Willem II uit de richting van Vichte aangereden. Hij zelf kwam hier eene troepemacht in oogenschouw nemen, langs de wegen bij en rond het “banhout”. Iets dat iedereen slaat, is dat alle wegen en kruispunten bezet zijn met talrijke wachten, dat alle verkeer van menschen en dieren en gerij gestremd is, en dat de vensterluiken hier op de plaats moeten dicht gesloten blijven tot na het heen varen van den “Kaiser”. Naast hout zijn de opvorderingen voor het leger en voor Duitsland buitengewoon talrijk. Een onvolledige opsomming: fietsen, landbouwwagens, rijtuigen, rekgom, matrassen, tabak, vlas, riemen, notenbomen, de goederen in magazijnen, de grondstoffen en werktuigen in de fabrieken, boter, melk, eieren, wijn, aardappelen, graanoogsten, vee, veevoeder, duiven, koper, staal, brons (kerkklokken), leder, wol, huizen, landen en weiden.
Een duif kan briefjes overbrengen. De vrees voor spionage brengt de Duitsers er begin december 1914 toe om alle duiven op te sluiten in een gemeenschappelijk hok te Kortrijk. Op 4 mei 1915 geeft de bezetter het bevel om de duiven te doden. Een ramp voor de lokale duivensport. Jan Benoit en Alberic Degezelle overtreden dit bevel en verstoppen hun beste duiven. De twee mannen worden verklikt en aangehouden. Ze brengen elk een half jaar door in diverse Duitse gevangenissen.
In juli 1917 is er een strikte toepassing van de opvordering van koper. Deurklinken, pompen, kachels, decoratie van deuren en trappen tot brouwketels toe verwisselen van eigenaar.
Op 20 mei 1915 moeten alle paarden die ouder zijn dan drie jaar naar Kortrijk gebracht worden. De Duitsers kiezen er hun voorraad uit.

Desselgemstr.

odiuG naalellezeG

Paanderst. SintAmandusstr.
SintRochusweg
Vichtesteenweg
Desselgemstr.
rtsmegeraW .
rtsmegeraW .
rtsmegeraW .
Olmenlaan iD e dneplea e S i l h o u e t t e n v a n d e G r o o t e O o r l o g
T h e o N u ty t e n sl aa n Boshoek
Olmenlaan iD e dneplea e S i l h o u e t t e n v r l o g

Desselgemstr. Vichtesteenweg
Desselgemstr. Vichtesteenweg
Paanderst. SintAmandusstr.

Heza iw dn ts r .
Paanderst.
Heza iw dn ts r .
SintRochusweg
Vichtesteenweg
Gaversstr. Dirkselkon naa
odiuG naalellezeG
Amandusstr.
SintAmandusstr.
Heza iw dn ts r .
Schoolstr.
SintRochusweg
SintRochusweg
V e r c r u y s s
Ha re l be kes tr.
Ha re l be kes tr.
. Ringlaan N 36 Pontstr. .rtssnoitatS
Ha re l be kes tr.
K o r t ir kj es h ree ew g
Olmenlaan
K o r t ir kj es h ree ew g
c e n t r a l e v e r t r e k p u n t e n m e t p a r k i n g ( t . h . v . n u m m e r s 5 e n 1 0 )
L e g e n d e !
t r a j e c t D e e r l i j k c e n t r u m r i c h t i n g M o l e n h o e kw a n d e l l u s 7 k m
G a v e r sw a n d e l l u s 6 k m
t r a j e c t D e e r l i j k c e n t r u m r i c h t i n g
t r a j e c t S i n tL o d e w i j kw a n d e l l u s 3 k m
: 2
v e r b i n d i n g s t r a j e c t3 k m e n k e l> t o t a a l t r a j e c t = f i e t s t o c h t 2 2 k m
rtskreK .
Otegemstr. Heestertstr. Oude Pastoriestr.
1 8
! ! ! 5 8
Pladijsstr.
1 : 2 5 . 0 0 0
n

GPS-coordinaten

1. 50.864299, 3.369267 2. 50.853468, 3.338589
3. 50.849248, 3.335219
4. 50.846513, 3.353117 5. 50.821334, 3.377227
6. 50.852406, 3.353009
7. 50.861976, 3.358765
8. 50.825795, 3.381995
9. 50.843729, 3.343973
10. 50.853051, 3.356584
11. 50.853557, 3.354653
12. 50.852078, 3.355094
13. 50.852232, 3.361771
14. 50.847655, 3.360904
15. 50.854544, 3.357421
16. 50.861417, 3.383463
17. 50.853596, 3.355046
18. 50.825197, 3.380945
k p
L e g e n d e ! c e n
e t p a r k i n g ( t . h . v . n u m m e r s 5 e n 1 0 ) t r a j e c t
e e r l i j k c e n t r u m r i c h t i n g M o l e n h o e kw a n d e l l u s 7 k m
L e g e n d e ! c e n t r a l e v e r t r e k p u n t e n m e t p a r k i n g ( t . h . v . n u m m e r s 5 e n 1 0 ) t r a j e c t D e e r l i j k c e n t r u m r i c h t i n g M o l e n h o e kw a
t r a j e c t D e e r l i j k c e n t r u m r i c h t i n g G a v e r sw a n d e l l u s 6 k m
Legende centrale vertrekpunten met parking (t.h.v. nummers 5 en 10) traject Deerlijk centrum richting Molenhoekwandellus 7 km traject Deerlijk centrum richting Gaverswandellus 6 km traject Sint-Lodewijkwandellus 3 km verbindingstraject3 km enkel → totaal traject = fietstocht 22 km
t r a j e c t S i n tL o d e w i j kw a n d e l l u s 3 k m
L e g e n d e ! c e n t r a l e v e r t r e k p u n t e n m e t p a r k i n g ( t . h . v . n u m m e r s 5 e n 1 0 ) t r a j e c t D e e r l i j k c e n t r u m r i c h t i n g M o l e n h o e kw a n d e l l u s 7 k m t r a j e c t D e e r l i j k c e n t r u m r i c h t i n g G a v e r sw a n d e l l u s 6 k m
v e r b i n d i n g s t r a j e c t3 k m e n k e l> t o t a a l t r a j e c t = f i e t s t o c h t 2 2 k m
j e c t S i n tL o d e w i j kw a n d e l l u s 3 k m v e r b i n d i n g s t r a j e c t3 k m e n k e l> t o t a a l
t r a j e c t S i n tL o d e w i j kw a n d e l l u s 3 k m
r

9 De munitie- en pionierparken
Manege ’t Gavergoed, Gaversstraat 50
Waar nu de manege ’t Gavergoed staat, is in de toenmalige Marquettestraat een munitiedepot met diverse barakken en in de huizen en hoeven van een zevental families in de buurt ligt munitie (kogels en granaten) gestockeerd. Deze mensen worden uit hun woningen gezet en moeten elders onderdak zoeken.
Aan de fabriek Vandenberghe in de buurt van de Stationsstraat is een pionierpark. Hier worden allerlei grondstoffen opgeslagen zoals aarde, zand, cement, betonstenen, prikkeldraad, enz.
De materialen en munitie dienen om het front te bevoorraden. Voor aan- en afvoer zijn beide parken met mekaar verbonden via een aftakking van de spoorlijn Kortrijk-Oudenaarde en via smalsporen. Een smalspoor loopt door tot in de Harelbekestraat waar het aansluit op de tramlijn Deerlijk-Kortrijk.
Tegen 1917 verrijst er een enorm aantal bunkers aan het front; een gigantische hoeveelheid bouwmaterialen is hiervoor nodig. Deerlijk draagt hier letterlijk zijn steentje toe bij. Ook in het munitiepark zelf komen er verscheidene sterke bunkers; één daarvan is bewaard gebleven.
De geallieerden laten natuurlijk niet zomaar begaan. Regelmatig gooien Engelse vliegtuigen bommen op de munitieparken van Deerlijk en omliggende. Duitse luchtafweerkanonnen dienen hen van antwoord.
In de munitie- en pionierparken werken veel mannen van Deerlijk en omstreken, al dan niet gedwongen. Ze arbeiden er in ploegen en verdienen goed hun boterham, een luxe in deze barre tijden. Het werk is echter verre van ongevaarlijk. Bij de inslag van een Engelse voltreffer vliegt een barak met handgrana-
ten de lucht in en bij een arbeidsongeval op 23 augustus 1918 sterven twee mannen en raken er twee gewond. Van deze laatsten blijft er één invalide. Toch zijn deze mannen beter af dan de civielarbeiders (of Zivilarbeiter, ZAB) die opgeëist worden door de Duitsers en aan het front te Sedan of in achterliggende gebieden tewerkgesteld worden (zie punt 11).
Na de oorlog worden de parken ontmanteld. De bouwmaterialen worden gebruikt om beschadigde huizen in de gemeente te herstellen. De munitie wordt deels weggehaald door de Engelsen en de Belgen en deels in de grond gestopt. Door deze geputte munitie heeft er in maart 1921 een ontploffing plaats. In 1931 stuit men in de Gavers langs de Keibeek op niet minder dan 200 obuskoppen.
Om na de oorlog vlug van munitie af te raken, is dumpen overal een gangbare praktijk. Daardoor worden we nog altijd met deze erfenis geconfronteerd. Bij het bouwen van woningen in de buurt van het oude munitiedepot in de huidige Gaversstraat zijn enkele jaren geleden nog granaten gevonden. In mei 2015 worden op de grens van Zwevegem en Sint-Lodewijk onder een veld niet minder dan 1240 springtuigen opgegraven van Duitse en Engelse makelij; klaarblijkelijk een grote dumpplaats van na de oorlog. In 2000 graaft men bij de afbraak van een pand op de hoek van de Commandant Edmond Ameyestraat en de Harelbekestraat een bom op. In de verkoopakte staat zelfs vermeld dat er op die plaats bommen onder de grond steken!
Ook in gebouwen en op de oude slagvelden is er nogal wat munitie te vinden. In 1931 bijv. liggen in het klooster in de Hoogstraat twee handgranaten en bij de weduwe Samijn langs de Kalsijde naar Ooteghem een granaat in het zwingelkot. In 1991 rept DOVO1 zich naar de Belgiek. Bij het vernieuwen van het kruispunt aldaar vindt men onder meer drie Engelse handgranaten uit de Eerste Wereldoorlog.
1 DOVO is de Dienst voor Opruiming en Vernietiging van Ontploffingstuigen en maakt deel uit van het Belgische Leger.
Bunker aan manege ’t Gavergoed in de Marquettestraat (nu Gaversstraat).

Uitsnede van een Engelse stafkaart van oktober 1918. Ten noorden van de spoorlijn Kortrijk-Oudenaarde zijn aftakkingen te zien: de kortere spoorlijnen (links en rechts) bedienen het pionierpark en de langere (midden) het munitiepark. Er loopt ook een netwerk van smalspoorverbindingen.
10 Identiteitscontroles en censuur door de bezetter
Fotograaf Jamin Deknudt
Schoolstraat 28
Voorheen had de Belgische overheid het nooit verplicht, de Duitse bezetter in 1914 wél. Al in de eerste maanden van de bezetting voeren de Duitsers namelijk een verplichte eenzelvigheidskaart (identiteitskaart) met foto in vanaf de leeftijd van 15 jaar. Resultaat is het aanhoudend aanschuiven van mensen bij fotograaf Aloïs Deknudt. Er worden regelmatig identiteitscontroles gehouden door gendarmen en markepakkers. In ieder huis is er op bevel van de Duitsers een huisbewonerslijst aanwezig die door de gendarmen en markepakkers goed nagezien wordt bij huiszoekingen of klopjachten naar weggelopen zivielarbeiders
(zie punt 11). Woningnummers worden op manshoogte herschilderd om het doorzoeken van huizen ’s nachts te vergemakkelijken.
De gemeentegrenzen zijn bij de meeste mensen de horizon in de oorlog. Er zijn speciale passen nodig om te reizen tussen localiteiten en deze blijken gegeerd. Leon Defraeye: Om zijne gemeente te verlaten moest men zich een pasport aanschaffen…, wat werd er al niet gedaan aan platheden, laagheden, gekonkelfoesd en geld gegeven om aan pasporten te geraken.
Mensen met dergelijke paspoorten kunnen zich wat vrijer bewegen. Ideaal om te spioneren en inlichtingen over te brengen. Sommigen worden hier dan ook voor aangezocht. Enkele personen, onder wie Jan Degezelle en Alfons Verschuere, worden koeriers in een spionagenetwerk in en om Deerlijk. Een bijzonder riskante bezigheid...

Grondige controles van burgers door de bezetter komen veelvuldig voor.
Beiden worden dan ook gearresteerd en veroordeeld. Degezelle krijgt een gevangenisstraf in Duitsland; Verschuere bekoopt het met zijn leven. Hij wordt in 1917 door de Duitsers gefusilleerd te Gent. Zijn lichaam wordt in 1919 overgebracht naar Deerlijk en er onder massale belangstelling opnieuw begraven. Het graf is nog te vinden op de begraafplaats Deerlijk-centrum. Aanplakbrieven leggen geboden en verboden op en informeren met een waarschuwing. Zo wordt bijv. de veroordeling en het fusilleren van spionnen bekendgemaakt. Op de meeste treinen en trams rijden Duitse controleurs mee. Bepaalde lijnen worden ingekort, andere lijnen vallen volledig weg.
Zo zijn de lijnen Kortrijk-Ieper en Kortrijk-Brugge verboden voor burgers; enkel militair vervoer is op deze lijnen nog toegestaan.
De post wordt aan banden gelegd (brieven worden gelezen). Belgische kranten verschijnen onder Duitse censuur; Franse en Engelse exemplaren worden binnengesmokkeld.

Graf van Alfons Verschuere op Open Monumentendag 2017.
11 De civielarbeiders (Zivilarbeiter of ZAB)
Overzijde Kerkplein 17 (aan boom links naast monument van Pieter-Jan Renier)
In oktober 1916 gaan de Duitsers over tot het opeisen van mannen uit de bezette gebieden, de civielarbeiders (zivielarbeiders of Zivilarbeiter, ZAB). Ook in Deerlijk en Sint-Lodewijk is dat het lot van velen. Ze moeten achter het front harde arbeid verrichten zoals wagens laden met bomen en helpen in de landbouw. Julien Bossuyt is één van hen. Hij vertelt zijn wedervaren in een dagboekje (aangehaald door Leon Defraeye). De hierna volgende tekst is gebaseerd op zijn verhaal.
Op 18 oktober 1916 is er in het gemeentehuis controle van de ‘weerbare mannen’, ongehuwde en werkloze mannen geschikt voor de arbeid. 250 van hen worden aangeduid1 en krijgen het bevel om zich op 22 oktober2 om 14u00 aan te bieden in de kazerne van Kortrijk. Wie het bevel niet opvolgt, riskeert de kogel.
Die zondag 22 oktober 1916 vertrekken de mannen vanuit de Hoogstraat waar een wagen hun bagage oppikt. In groepjes gaan ze naar Kortrijk waar de Duitsers hen opvangen in de kazerne. Met andere opgeëisten erbij zijn daar zo’n 1200 man verzameld.
Na drie dagen selectie en nummering blijven er een 1000-tal over. Op de avond van 25 oktober vertrekken zij met de trein in beestenwagons vanuit Kortrijk met bestemming Brussel. Bij de doortocht van Deerlijk worden hun kreten gehoord door de ontroerde bevolking. Vanuit Brussel dat geheel verduisterd is, gaat het over Namen naar Dinant en Givet in de Franse Ardennen.
Uiteindelijk komt Julien in de nacht van 26 op 27 oktober met een groep van 50 man terecht in de gemeente Marby op een tiental kilometer van Charleville-Mézières. Onderweg zijn ze gesplitst in diverse groepen. Ze hebben een razende honger en dorst. Op 1 en 2 november moeten zij onder kolfslagen aan het werk. De mannen spreken onder elkaar af om het werk traag en zo slecht mogelijk te doen. Daarmee trachten ze de Duitsers zoveel mogelijk schade te berokkenen. De daarop volgende weken verlopen volgens hetzelfde stramien: zware arbeid –honger – verveling - stelen van voedsel. De zivielarbeiders hebben een gele band om de arm met de vermelding Z.A.B. 3. De gestraften wegens wapenbezit, zoals de gebroeders Taelman en Allegaert, dragen een rode armband (zie punt 7).
Na een maand mochten enkele ZAB naar huis. De mensen in het dorp schrikken; de jongens zien er ellendig uit. De dorpelingen willen helpen en pakjes

1 De Duitse overheid vraagt hiervoor de lijst op met de werklozen van de gemeente, maar dat wordt geweigerd door burgemeester Theofiel Renier.
2 In Sint-Lodewijk is het vertrek voorzien op 29 oktober 1916. Er vertrekken een 50-tal jongeren (informatie via pastoor L. Rommel van Sint-Lodewijk in het Liber Memorialis, oktober 1916).
sturen naar de overblijvers. Dit wordt echter niet toegestaan. Pas later mag het wel en de mannen in het vreemde zijn natuurlijk heel blij. Zo ontvangt Julien op 23 januari 1917 een pakje met tabak en etenswaren. Een aanvulling op het karige voedsel dat de arbeiders krijgen van de Duitsers: dagelijks raapkool- en bietensoep. Maar een Duitse korporaal steelt het beste uit de pakjes en verkoopt ze aan grof geld aan de eigenaars. In mei 1918 kan Theodule Vanassche het niet meer aanzien en geeft de korporaal aan bij de Kommandantur. Dit valt niet in goede aarde bij de Duitsers; gendarmen overladen Theodule met kolfslagen en brengen hem naar een strafkamp. De Duitse wachten hadden opdracht gekregen van hogerhand om de opgeëisten streng te behandelen. Ook weglopers krijgen gendarmen of veldpolitie achter zich aan. Eens gepakt worden ze voor twee weken opgesloten in een strafkamp. Duitse soldaten krijgen zelfs extra soldij als ze een wegloper kunnen neerschieten. Jongens die graan hebben gestolen, vliegen voor drie dagen op water en brood in de cel. Vrijwillig werken willen de arbeiders niet; ze willen hun ‘broeders’ aan de IJzer niet in de rug schieten. De jongens houden de moed erin. Ze zingen en componeren liedjes en schrijven gedichten.
Op 19 maart 1917 moet Julien een opdracht vervullen in een groot kamp in Sedan. Daar komt hij een Deerlijkenaar tegen, Adolf Bossuyt1, bijna onherkenbaar. Die is op het einde van zijn krachten. Hij is niet de enige. Vele zivielarbeiders keren ziek terug naar huis.

Op 9 juni 1918 mogen Julien en zijn makkers onverwachts naar huis terug. Een 700-tal man vertrekt vanuit Charleville. Op 15 juni rond middernacht staat Julien in Deerlijk. Zijn familie is dol van vreugde. Toch is de ellende voor Julien nog niet achter de rug. Hij moet voor de Duitsers werken in het station van Houthem en te Neerwaasten (het huidige BasWarneton): spoorwegen herstellen, munitie laden, zelfs Duitse gesneuvelden begraven… Niet zonder risico: geallieerde vliegtuigen bombarderen regelmatig. Velen weigeren te werken voor den Duits. Zij verstoppen zich in kelders, in hooimijten, op strozolders, zelfs in aalputten, want Duitse gendarmen openen de jacht op hen.
Twee Deerlijkse zivielarbeiders zullen de oorlog niet overleven. Zij staan vermeld op het monument aan de Sint-Columbakerk als ‘doodgefolterde civielarbeiders’. Het betreft Joseph Faveere en Aloïs Peirs. Joseph is één van de drie broers Faveere die zivielarbeider zijn, een vierde broer bevindt zich aan de IJzer. Na 15 maanden kan Joseph ontsnappen uit Sedan en voor drie maanden onderduiken. Hij wordt opgepakt en teruggestuurd naar Sedan waar hij terechtkomt in een ‘straflager’. In juli 1918 raakt Joseph zwaargewond bij het lossen van bomen in het station. Hij raakt geplet onder een boom en overlijdt enkele dagen later in een Duits militair hospitaal. Ook Aloïs Peirs verblijft te Sedan en heeft twee broers die zivielarbeider zijn: Gentiel en Georges. Begin juni 1917 komt Aloïs ziek naar huis en sterft bijna dag op dag een jaar later aan de gevolgen van deze ziekte.

Medaille van de ZAB.
Vlag van de Deerlijkse afdeling van de ZAB. 1 Adolf Bossuyt zal uiteindelijk de oorlog niet overleven, echter niet als zivielarbeider maar als burgerslachtoffer. Hij raakt bij de bevrijding - op 24 oktober 1918 – zwaargewond in de Tapuitstraat bij de inslag van een granaat, samen met zijn broer Cyriel. Zij worden nog afgevoerd naar een (Engels) hospitaal in Proven, maar overlijden er beiden nog dezelfde dag. Een Engelse soldaat wordt bij de explosie op slag gedood.
12 Kunst in de oorlog
René De Clercqstraat 13
(huis eigendom Armand Deknudt)
In een oorlog is het niet altijd kommer en kwel. Zo vinden de mensen een uitlaatklep voor hun miserie in de beleving van kunst. Ze spelen toneel en dansen. Zivielarbeiders schrijven liedjes en gedichten en zingen. Frontsoldaten tekenen en maken van granaathulzen en kogels kunstwerken: de loopgraafkunst.
De bezetter doet hetzelfde. Duitse militairen zingen (al dan niet onder invloed van geestrijke dranken) en spelen muziek. Officieren – onder wie Rudolf Lange - maken tekeningen en aquarellen. In café “De Sterre” in de Leegstraat (de latere René De Clercqstraat) brengt een onbekende kunstenaar een muurschilderij aan. Het stelt op ware grootte een Duitse verpleegster voor. Na de oorlog blijft het schilderij wonderlijk bewaard en bij de afbraak van het café in 1995 wordt het door toedoen van Armand Deknudt en enkele enthousiastelingen gered voor het nageslacht. In de loop der jaren was het werk wat afgetakeld. Stukken van de bepleistering waren losgekomen en afgevallen. Om verdere beschadigingen te vermijden moet het in drie delen uitgezaagd en getransporteerd worden. De muurschildering wordt overgebracht naar een huis aan de overkant van de straat, ooit een deel van de oude Renierschool en Armands eigendom, en er aangebracht in de traphal.

Ondertussen is het werk bekeken door Piet Chielens van het In Flanders Fields Museum en authentiek bevonden. Bij bepaalde gelegenheden zoals op Deerlijk-kermis kan je het aanschouwen op een unieke wijze. Eens op zijn nieuwe bestemming opteerde men om het schilderij niet te restaureren en een deur te plaatsen voor het kunstwerk. Op die deur werd een digitaal bewerkte foto aangebracht van Ursula, met dezelfde afmetingen. Zo zie je op de deur hoe het schilderij er moet uitgezien hebben in 1914-1918, met achter de deur het ongerestaureerde origineel.
Ursula van Eerneghem. Dit is de naam die de waardin van “De Sterre” toegedicht had aan de mysterieuze vrouw. Naast Der Barbar in het fort Napoleon in Oostende is Ursula misschien wel de enige overgebleven muurschilderij van Duitse origine uit de Eerste Wereldoorlog in WestVlaanderen.
Met dat verschil dat in Oostende de Duitse schilder bij naam gekend is. “Onze” kunstenaar is onbekend. Misschien is het wel geschilderd door een lokale artiest in Duitse opdracht?

Voorbeeld van een bewerkte granaathuls.
De originele afbeelding van Ursula van Eerneghem.
13 Duitse vliegeniers storten neer
Vichtesteenweg 46
(parking Aldi)
Ongeveer ter hoogte van de parking van het warenhuis Aldi: in 1917 crashen hier twee Duitse vliegeniers, een piloot met zijn waarnemer. Zij overleven het niet. Leon Defraeye: Een Zondagnamiddag, in Juli 1917, verongelukten met hun vliegtuig twee duitsche vliegers van het vliegplein Harelbeke, op de landpartij van Duyck, kalsijde naar Vichte. De piloot is Unteroffizier Peter Chalte, geboren op 13 september 1891 te Ebenweiler (D), de observator (Beobachter) Karl Nisch, Leutnant der Reserve, geboren op 1 maart 1894 te Herrenhausen-Hannover (D). Laatstgenoemde is drager van het IJzeren Kruis 2. Klasse en de dapperheidsmedaille. Beiden worden eerst begraven aan de Sint-Salvatorkerk te Harelbeke en later opnieuw begraven op Menen Wald, de Duitse militaire begraafplaats te Menen, respectievelijk in de graven nr. I/3491 en I/3492. De omstandigheden van de crash zijn niet duidelijk.
Omdat Leon Defraeye het woord ‘verongelukken’ gebruikt, kan uitgegaan worden van een ongeval. Ook andere bronnen hebben het over een ongeluk. Toch gaat Johannes Fischer, een andere piloot met wie Nisch vloog, in zijn boek Zwischen Wolken und Granaten uit 1932, uit van een noodlottig verlopen luchtgevecht. De kogelinslagen in het wrak vormen volgens hem het bewijs voor deze stelling.
Misschien waren deze inslagen het gevolg van een eerder luchtgevecht dat plaatshad op 11 juli 1917 boven Comines (niet geweten of het gaat om de Belgische of de Franse gemeente)?
Fischer was toen de piloot, zijn observator Karl Nisch. Zij werden aangevallen door vier Engelse vliegtuigen die versterking kregen van nog drie vliegtuigen. Tijdens het gevecht dat ongewoon lang duurde (20 minuten) werd Nisch verwond aan zijn hand toen zijn machinegeweer werd getroffen en onbruikbaar werd. Het lichaam van Nisch wordt te Deerlijk aangetroffen met omzwachtelde hand door deze verwonding.
Chalte en Nisch komen van het vliegplein Harelbeke. Dit is het eerste van drie

Oorspronkelijke graven van Karl Nisch en Peter Chalte aan de Sint-Salvatorkerk te Harelbeke. Typisch voor vliegergraven is het gebruik van een vliegtuigpropeller als kruis.
vliegvelden die in Harelbeke (eigenlijk Bavikhove) aangelegd worden. Begin maart 1917 starten de werkzaamheden op gronden van het Hof ter Coutere, boerderij van landbouwer Debrabandere in de Drieshoek. Op 31 mei wordt het vliegveld in gebruik genomen door Flieger-Abteilung 8, een verkennerseenheid, en gebruikt tot 15 september 1917. De geallieerden geven het vliegplein de naam Abeelhoek, naar de nabijgelegen wijk van Kuurne. De Duitsers hebben het zowel over Flugplatz Bavikhove als Flugplatz Harelbeke
Tot begin jaren 1990 was nog een schietbunker van dit vliegveld te zien aan het Goed ter Coutere Er valt op te merken dat er ook in Deerlijk waarschijnlijk een Duits vliegveld is geweest. Op een Engelse stafkaart van oktober 1918 is immers een locatie getekend op de westelijke hoek van het kruispunt Kortrijkse Heerweg-Marquettestraat met de vermelding ‘Deerlyck Aerodrome vacated’ (zie de kaart bij verhaal nr. 9). Het terrein is verbonden met smalsporen. Of dit vliegveld effectief in bedrijf is geweest, is onduidelijk.

Karl Nisch en Peter Chalte bij hun vliegtuig.
DE BEVRIJDING
14 Burgers sterven tijdens de bevrijding
Schragenstraat 12
De bevrijding van onze gemeente verloopt niet zonder slag of stoot. De Duitsers laten zich niet zo gemakkelijk verdrijven en bijten van zich af, vooral met artilleriebeschietingen. Er vallen dan ook veel burgerslachtoffers.
De nachten van 18, 19 en 20 oktober 1918 zijn heel beangstigend. Vooral de 20ste kan gesproken worden van een zwarte zondag en zonder meer de donkerste bladzijde uit de geschiedenis van Deerlijk en Sint-Lodewijk. Die dag beschieten de Duitsers vanuit de Scheldevallei Deerlijk en de omliggende dorpen met gas- en gewone granaten. Overal in de gemeente slaan projectielen in; er vallen 24 burgers onder de bommenregen. De jongsten zijn nog geen jaar; het oudste slachtoffer is 80 jaar.

Albert en Norbert Adams, amper enkele weken oud, raken bevangen door het gas in de kelder van de boerderij, Schragenstraat 12. Ze sterven een tiental dagen later, met een verschil van elf uren. Ze staan niet op het oorlogsmonument vernoemd; het is niet meteen duidelijk waarom.
Julie Struyve is het oudste slachtoffer. De 80-jarige vrouw was op weg van het rustoord Heilige Familie naar de Kapel-ter-Ruste toen ze getroffen werd door een obusstuk.
Het valt op dat er veel kinderen en adolescenten onder de slachtoffers zijn tijdens de bevrijding. Als we de leeftijd van twintig jaar als bovengrens nemen, zijn dat niet minder dan negentien personen… Acht jongeren sterven onmiddellijk op die beruchte 20ste oktober, elf jongeren (van wie zeven ‘gepakt’ door het gas) in de dagen en weken erna.
De meeste mensen schuilen bij bombardementen in kelders. Veiliger dan bovengronds, maar uiteraard niet bestand tegen een voltreffer. Op 20 oktober valt dan ook een groot aantal slachtoffers in dergelijke omstandigheden. Heel tragisch is de dood van moeder Elisa Vanwonterghem (51) en vier van haar kinderen Odilon (28), Marina (22), Maria (20) en Martha (16) Degrande in de kelder van Raymond Berton op de hoek van de toenmalige Pont- (nu Ververij-) en de Harelbekestraat. Zij hadden er hun toevlucht gezocht.
Een ander drama is dat van de zusjes Claeys. Rachel (17) en Julia (10) zitten verdoken in de aardappelkelder van de hoeve Callens (Goed ten Driesschen) in de Paanderstraat (nu Goed Scaecx ter Plancken in de Driesknoklaan). Een granaat slaat in en doodt Rachel. Julia wordt zwaargewond weggevoerd en bezwijkt negen dagen later aan haar verwondingen bij een tante in Marke.
Te Sint-Lodewijk sterft Maria Paulina Vantieghem als op haar huis – waar ze Engelse soldaten en één Duitser verzorgt – een granaat valt.
Andere personen worden geveld door kogels. Adèle Vandecasteele waagt zich tijdens de gevechten op straat en wordt getroffen door een kogel in het hart. Een dag later krijgt Bertha Vandenbroucke in Sint-Lodewijk een kogel in de buik.

kinderen.
Vier personen uit andere gemeenten komen om bij de beschieting van Deerlijk. Zo bijvoorbeeld Omer Ghesquière (17) uit Bissegem die het zesde slachtoffer is van de voltreffer op de kelder waar Elisa Vanwonterghem en haar kinderen zitten.

Elisa Vanwonterghem en haar vier
15
De laatste Duitsers in Deerlijk
Parking aan kerkhof in Hoogstraat rechtover apotheek nr. 43
Tijdens de bevrijdingsgevechten sterft een aantal Duitse soldaten1 in onze gemeente.
Na het vertrek van de Kommandantur wordt het huis in de Harelbekestraat 1 ingericht als Duitse verbandpost. Vele gewonden worden er verzorgd. In de nacht van 19 op 20 oktober nemen de Duitsers de vlucht. Eén gewonde kanonnier van het Feld-Artillerie-Regiment nr. 32 blijft achter in de kelder. ’s Morgens vallen de Engelsen de verbandpost binnen en een beschonken onderofficier wil de stervende Duitser doodschieten. Het wordt hem belet. Gefreiter (soldaat 1e klas) Paul2 Haupt sterft nog dezelfde dag omstreeks 11 uur. Hij is gehuwd, vader van drie kinderen en geboren in Chemnitz, Saksen. Hij krijgt een laatste rustplaats op het gemeentekerkhof rond de Sint-Columbakerk. In totaal zijn daar eind 1918 een tiental Duitse soldaten begraven, voornamelijk mannen gestorven in dezelfde periode als Haupt (zie ook punt 17). Ook op het kerkhof van Sint-Lodewijk worden er twee Duitsers begraven. In de kloosterschool3 (nu: de Berk) in de Hoogstraat is er ook een Duits lazaret ingericht. Bij werkzaamheden vonden gemeentearbeiders enkele jaren geleden onder de koer nog een verroeste Duitse helm. Dit veldhospitaal is waarschijnlijk al veel langer in gebruik. Op het nabijgelegen Duitse kerkhof, ongeveer waar zich nu het lokaal van het Rode Kruis bevindt (Hoogstraat 46 B),
zijn immers alleen personen begraven, gestorven in de eerste helft van oktober, toen er nog in de streek van Ieper gevochten werd. In het eerste graf ligt een vrouw, Hedwig Kirchner. Zij was een Rote-Kreuz-Schwester, verbonden aan de Bayerische Kriegslazarett-Abteilung 64. Wellicht is zij van de frontstreek overgebracht naar Deerlijk in het Duitse hinterland, waar ze overlijdt op 2 oktober 1918. Het is duidelijk dat er chaos heerst bij de Duitsers, want vanaf de tweede helft van oktober 1918 worden er geen gesneuvelden meer bijgezet op het militaire kerkhof. Die worden - zoals hoger vermeld - begraven op de gemeentekerkhoven door mensen aangeduid door de gemeente.
Na de oorlog blijft het Duitse kerkhof in de Hoogstraat nog een tijdje bestaan. Meer nog: in 1921 wordt het verder ingericht door de Belgische overheid. Omstreeks 1930 volgt de ontruiming en de overbrenging van de lichamen naar het Duitse militaire kerkhof van Heule. Dit laatste kerkhof verdwijnt op zijn beurt midden jaren 1950 en de “Deerlijkse” Duitsers rusten nu bijna allemaal op Menen Wald.
Op het militaire kerkhof van Deerlijk lagen ook vier Engelse gesneuvelden (zie punt 17), er begraven door de Duitsers.

Opgegraven Duitse helm in de school de Berk.
1 Opmerkelijk is dat de Duitse gesneuvelden in oktober 1918 niet vermeld worden in het Boek van Overlijdens in het Gemeentearchief van Deerlijk, dit in tegenstelling tot bijv. de in 1914 gesneuvelde huzaar Carl Trunk (zie punt 1).
2 ‘Georg’ volgens Leon Defraeye in zijn tweede Oorlogsboekje.
3 In de jongensschool in de Harelbekestraat is er tevens een Duitse Rode Kruispost.
16 Gevechten bij de bevrijding
Geeststraat
(hoek Waregemstraat 478)
Op 20 oktober 1918 staan de Schotten aan de grenzen van Deerlijk. Die ochtend lanceren zij een zware aanval op de gemeente, die verdedigd wordt door het Saksische Infanterie-Regiment 134. De Duitsers nemen stelling aan de weg Deerlijk-Beveren en aan de weg Deerlijk-Harelbeke, terwijl een afdeling in reserve wordt gehouden aan de oostzijde van Deerlijk.
De verdedigers krijgen in het grensgebied Deerlijk-Harelbeke-Beveren rake klappen van het aandringende 2nd Bn. Royal Scots Fusiliers. Hevig machinegeweervuur en de hervatte artilleriebeschietingen doen de Duitsers wankelen. Ze geven hun verdedigingslijn aan de Harelbekestraat op en trekken achteruit naar Deerlijk-centrum. Van daaruit marcheren ze af naar Otegem. Enkele uren daarna is Deerlijk bevrijd.
Highlanders, die Vichte naderen via de Pontstraat en verlengde, veroveren vier stukken veldgeschut en stellen een andere bemanning die wil vluchten, buiten gevecht. Uiteindelijk nemen ze posities in op de weg Sint-Lodewijk-Vichte. Toch gaat het voor de aanvallers niet overal zo gemakkelijk. Op de hoofdweg naar Vichte komen ze kort onder Duits machinegeweervuur te liggen en verderop, op grondgebied Vichte, wordt aan de hoeve Decraene (nu Schaliënhof) zwaar gevochten.
Bij de opmars naar Sint-Lodewijk en het overschrijden van de Gaverbeek worden troepen van het 5th Bn. Cameron Highlanders (zie punt 18) en het 7th Bn. Seaforth Highlanders beschoten door veldkanonnen en machinegeweren, opgesteld op de Olieberg. Ze moeten reservetroepen optrommelen om hun objectief – de weg Sint-Lodewijk-Vichte –te bereiken. In de namiddag is ook Sint-Lodewijk veroverd en stevig in Schotse handen.
Op de Molenhoek bereiken de bevrijders om 09u00 de weg Deerlijk-Waregem. Aan de molen-Declercq zijn er even moeilijkheden, maar die raken vlug opgelost door tussenkomst van Ierse troepen van het 1 Bn. Royal Irish Rifles. Lance Corporal Stanley H. Peaty nadert met zijn peloton de
molen, maar wordt beschoten door Duitse machinegeweren. De Ieren kunnen de omheining bereiken, waar ze relatief veilig zijn omdat de Duitsers hun schootsveld niet kunnen verkorten. Ze bestormen de binnenkoer, maar moeten echter wijken voor geweervuur uit de molen.
Met de bajonet en ‘trenchpicks’ maken ze aan de zijgevel van het gebouw een gat in de muur, groot genoeg om naar binnen te sluipen. Langs deze weg volgt een tweede bestorming en de verovering van de molen. Molenaar Abdon Declercq maakt van dichtbij de gevechten mee. Hij zit verscholen in de kelder van het bijhorende woonhuis. Bij de gevechten rond de molen valt een onbekend aantal slachtoffers bij de Duitsers en de Ieren. Het gat dat de Ieren maakten in de buitenmuur van de bijgebouwen van de molen-Declercq wordt na de oorlog hersteld, maar de sporen ervan zijn tot op vandaag nog zichtbaar. De molen zelf loopt zware schade op door de gevechten, maar is na herstellingswerken in 1919 opnieuw maalvaardig.

DE NASLEEP
17 Burgers en geallieerde militairen eertijds hier begraven
Kerkplein
(zuidkant van de Sint-Columbakerk, aan het ‘klein deurke’)
Na de wapenstilstand op 11 november 1918 liggen te Deerlijk en Sint-Lodewijk heel wat burgers en buitenlandse soldaten begraven, bijna allemaal omgekomen tijdens de hevige beschietingen en gevechten bij de bevrijding.
In die tijd ligt het kerkhof nog rond de Sint-Columbakerk. De slachtoffers van de beschietingen in oktober 1918 worden begraven in een gemeenschappelijk graf aan het ‘klein deurke’. Op dit graf komt een houten monumentje in de vorm van een grafzerk, met daarop kruisjes met de namen van de slachtoffers. Later worden op de hoeken van het monumentje vier grote kruisen geplaatst met de namen van de vier personen uit andere gemeenten die hier de dood vonden.

Bij de ontruiming van het oude kerkhof begin jaren 1930 verhuist het monumentje niet mee naar het nieuwe kerkhof in de Hoogstraat en verdwijnt. Het oude kerkhof wordt een straat. In 1933 is er nog protest van de plaatselijke afdeling van de Bond Vlaamse Oudstrijders (B.V.O.S.) omdat de stoffelijke resten in het massagraf nog niet geruimd zijn en er reeds verkeer boven passeert.
Bij de onthulling van het eerste oorlogsmonument in 1919 aan de Sint-Columbakerk staan 42 namen van burgers. In latere jaren worden er op aangeven van Leon Defraeye 14 namen toegevoegd, velen van hen omgekomen tijdens de verschrikkelijke laatste dagen van de oorlog.
Op het huidige monument aan de Sint-Columbakerk zijn nu dus 56 namen te vinden van burgerlijke slachtoffers. Het oorlogsmonument in Sint-Lodewijk - geplaatst in 1920 - geeft enkel de namen weer van de gestorven burgers van deze parochie. Deze namen zijn ook vervat in de 56 namen op het monument in het centrum.
Nog één graf is overgebleven van de burgerslachtoffers van de Eerste Wereldoorlog in Deerlijk. Het gaat om Hector Ostyn die rust in een familiegraf op het kerkhof in het centrum. Hector raakt aangetast door het gas bij de beschietingen van Deerlijk en sterft op 15 november 1918 in een hospitaal te Kortrijk. Zijn lichaam wordt bijgezet in een afzonderlijk graf, naast het massagraf van de andere burgerslachtoffers. In juli 1930 brengt men hem over naar het nieuwe kerkhof in de Hoogstraat.
Op het einde van de oorlog liggen aan de Sint-Columbakerk naast Duitse (zie punt 15) ook twintig Engelse militairen en één Fransman. De Engelsen worden rond 1925 overgebracht naar militaire kerkhoven in de omgeving van Ieper, net zoals hun landgenoten begraven op het Duitse militaire kerkhof (zie punt 15). De Franse soldaat is wellicht bijgezet op een Franse militaire begraafplaats of gerepatrieerd naar zijn land van herkomst.
De Engelse bevrijders blijven nog een tijdje ter plaatse, toch zeker enkele weken. Op een document van 10 november 1918 is er immers sprake van een town major (plaatscommandant) Phillips.
Het monument voor de omgekomen burgers op het oude kerkhof aan de Sint-Columbakerk.


18 Resten van Schotse militairen gevonden in Sint-Lodewijk
Locatie: Kerkstraat, tussen de huisnummers 114 en 128
Bij graafwerken voor het plaatsen van een elektriciteitspaal aan de Kerkstraat 120, vinden arbeiders op 24 september 1981 menselijke resten. De rijkswacht, de Bijzondere Opsporingsbrigade (BOB) en het parket komen ter plaatse. Gemeentewerklieden worden ingezet om de opgravingen verder te zetten.
Al snel blijkt het om drie Schotse soldaten uit de Eerste Wereldoorlog te gaan. Een regimentsembleem (Regimental badge) en een schouderembleem (shoulder title) vermelden de naam “Cameron”. Sint-Lodewijk lag in de sector van het 5th Bn. Cameron Highlanders. Dit Battalion maakte deel uit van de troepen die op 20 oktober 1918 Sint-Lodewijk bevrijdden (zie punt 16).
Deze Camerons sneuvelden vermoedelijk tijdens de gevechten op dat moment.
De skeletten zitten gehurkt in een gracht en hebben een kogelgat in hun schedel. Ze hebben geen wapens bij zich noch identificatieplaatjes. Wel zijn veel uitrustingsstukken en persoonlijke bezittingen gevonden: (…) kilts (stevige wollen rokken met overwegend bruine en groene ruiten), kakikleurige zware pulls, lederen vesten zonder mouwen (jerkins), lederen bottines waarvan de zolen benageld zijn met ronde kopnagels, bruine kousen (nog in de schoenen) met versterkt zoolstuk uit fijn leder. Eén jerkin toonde nog duidelijk de kogelgaten, in het leder stak zelfs nog een kogel en in de voering vond men een tweede. Verder nog: twee platte helmen, twee veldflessen, drie bruine opgevouwen kapotjassen, twee eetketeltjes, stukken van lederen koppels, geweermunitie, houten steeltjes van een soort infanterieschopje (entrenching tool), een glazen ampul met daarin een bruinkleurig vocht (…).
Daarbij enkele persoonlijke bezittingen: twee eetlepeltjes, drie pijpen, twee scheerkwasten en een spiegeltje, een geldbeugel en een brieventas met verschillende koperen geoxydeerde muntstukken, een stuk van een sigarettenetui, een zeepbakje en




een scheermes (…) [citaat via Jef Bogaert].
Door onoordeelkundig behandelen (het door elkaar halen) van de overblijfselen is de identificatie van deze Schotse militairen onmogelijk geworden.
Op elke eetlepel staat immers het stamnummer van de eigenaar…
De stoffelijke resten worden verzameld en meegenomen. Ze worden later als onbekenden (Known unto God) herbegraven in een gemeenschappelijk graf op een Engels militair kerkhof in Langemark.

Groep Schotse militairen.
COLOFON
Teksten: Laurent Tack
Redactie: Luc Adams - Leen Lefebre - Laurent Tack
Coördinatie: Wouter Mortier
Druk en Lay-out: Squair Media
Uitgave: Gemeentebestuur Deerlijk, Werkgroep
Herdenking Groote Oorlog
Website: https://www.deerlijk.be/grooteoorlog
Geraadpleegde archieven
Archief Leon Defraeye, Deerlijk
Bisschoppelijk Archief, Brugge
Gemeentearchief, Deerlijk
Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis - Cdoc, Brussel
Provinciaal Archief West-Vlaanderen, Sint-Andries (Brugge)
Geraadpleegde uitgegeven bronnen
Boeken
Bogaert Jef, Tussen Leie en Schelde in 1918 – In het spoor van de Negende (Schotse) Divisie, Vichte, 1993.
Chielens Piet, Deknudt Armand, Jahr Christoph en Vandenbilcke Annick, Rudolf Lange 1874-1918Oorlogsgetuige, Brugge, 2004
Defraeye Leon, Geschiedenis van Deerlijk, Deerlijk in Oorlogstijd (1914-1918), Deerlijk, 1931.
Defraeye Leon, Geschiedenis van Deerlijk, Mijn 2de Oorlogsboek, Deerlijk, 1932.
Deneckere Bernard, Luchtoorlog boven West-Vlaanderen 1914-1918, Kortrijk, 1998.
Vancoillie Jan, De Duitse militaire begraafplaats Menen Wald – Geschiedenis van de Duitse militaire graven van de Eerste Wereldoorlog in Zuid-West-Vlaanderen, Wevelgem, 2013.
Artikels
Bruggeman Albert, Oorlogsdagboek 1914-1918 van Albert Deryckere, Derlike XXV, 2 (2002), pp. 52-64.
Degezelle Antoon en Vandenbroucke Martijn, Verspieders voor het vaderland – Spionage tijdens de Eerste Wereldoorlog in Deerlijk, Derlike XXX, 4 (2008), pp. 118-127.
Deknudt Armand, De redding van Ursula van Eerneghem, Derlike XXXV, 2 (2012) pp. 62-64.
Tack Laurent, De Deerlijkse gesneuvelde soldaten, burgers en zivielarbeiders in de Eerste Wereldoorlog (deel I), Derlike XXVI, 4 (2004), pp. 99-110.
Tack Laurent, De Deerlijkse gesneuvelde soldaten, burgers en zivielarbeiders in de Eerste Wereldoorlog (deel II), Derlike XXVII, 1 (2004), pp. 3-14.
Tack Laurent, De Deerlijkse gesneuvelde soldaten in de Eerste Wereldoorlog, Derlike XXVII, 2 (2004), pp. 38-52.
Tack Laurent, De Deerlijkse gesneuvelde burgers in
de Eerste Wereldoorlog, Derlike XXVII, 3 (2005), pp. 84-94.
Tack Laurent en Luc Adams, De Deerlijkse gesneuvelde soldaten in de Eerste Wereldoorlog – Aanvullende gegevens en correcties, Derlike XXXI, 4 (2009), pp. 102-115.
Geraadpleegde onuitgegeven officiële documenten
E.H. Aimé-Dieudonné Desmedt, pastoor, Verslag Deerlijk [in 1914-1918] als antwoord op een Vragenlijst en stofindeeling in opdracht van G.J., Bisschop van Brugge d.d. 15 mei 1919 in het boek: Aanteekeningen dienstig voor het opmaken der Kerkgeschiedenis in België gedurende den grooten oorlog (1914-18), Brugge, pp. 119-126. E.H. Lodewijk Rommel, pastoor, Liber Memorialis van Sint-Lodewijk (uittreksels rond WO I).
Gräberliste Militärfriedhof Deerlyck Nr. 187 (1927)
Gräberliste Friedhof Deerlyck St. Louis (1927)
Gräberliste Ehrenfriedhof Deerlyck (1929) Militielijsten lichtingen 1899-1914 gemeente Deerlijk
Geraadpleegde websites
https://www.boterbijdeviswo1.be/verhalen/maatschappij/het-nationaal-hulp-en-voedingscomite-redt-de-bevolking/ [rond het NHVC]
https://www.hln.be/regio/zwevegem/jagers-ontdekken-bommendepot~a4561127/ [munitie in de ondergrond] http://www.theaerodrome.com/forum/ showthread.php?t=66722&page=4 [neerstorten Duitse vliegeniers]
Herkomst illustraties
Archief Leon Defraeye (fotonummers 2-3, 4-5, 6, 8-10, 11-12, 13-14, 15, 16-17, 19, 20 [Ian Westwell – De Eerste Wereldoorlog van dag tot dag, pag. 19], 22, 24, 26, 30, 32, 34, 35, 41, 42)
Luc Adams (fotonummers 7, 23, 25, 29, 31, 36)
Jef Bogaert (33)
Gil Bossuyt – frontaal! (1, 18)
Laurent Tack (21)
Jan Vancoillie (27-28)
Rik Vandercruyssen (37-40)
Met dank aan de volgende personen voor hun medewerking
Luc Adams, Jef Bogaert, Gil Bossuyt, Lisa Lamblin, Jo Lambrecht, Leen Lefebre, Leo Loosveld (hulp-archivaris Bisschoppelijk archief Brugge), Walter Lynneel, Wouter Mortier, Kurt Priem (archivaris Bisschoppelijk Archief Brugge), Jan Vancoillie, Rik Vandercruyssen.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen of openbaar gemaakt worden, op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


