Kronieken Urcker
Jaargang 2019 | nr. 3
STICHTING
URKER UITGAVEN www.urker u i tgaven.nl
Afbeelding 1. Urk in 1955 vanaf de dijk (Foto Siebe Jan Bouma, archief Zuiderzeemuseum).
Het Urk van de vijftiger en zestiger jaren van de vorige eeuw
Mijn jeugd als ‘vreemde’ “Van wie bin jie er iene?”, vroegen ze me vaak op Urk. “Van Haagsma!”, antwoordde ik dan. “Aasma?”. “Ja, van Haagsma & Leystra”, lichtte ik dan toe. Voor de meesten was dat voldoende, maar soms werd er nog doorgevraagd: “Die mit brille of die angere?”. “Die angere”, antwoordde ik dan tenslotte. Deze woordenwisseling, heel gewoon op Urk – “van wie ben je er eentje” - laat heel duidelijk zien dat het in mijn geval niet veel zin heeft alleen over mezelf te schrijven of zelfs ook maar over de familie Haagsma. Ik moet Leystra er ook hier en daar bij betrekken en nog meer het accountantskantoor ‘Haagsma & Leystra’ dat mijn vader Rein Haagsma met zijn compagnon Leystra op Urk hebben opgebouwd. Ook is het nodig om hier en daar enkele aspecten van Urk eruit te lichten zoals ik die waarnam, als poging mijn ervaringen een plaats te geven. Urk is niet alleen van de Urkers. Ook ‘vreemden’ kunnen door hun leven op Urk ‘de bult’ als hun thuis gaan voelen.
Door Sjoerd Haagsma shaagsma@xs4all.nl
Het eiland werd in 1939 aan het vasteland vastgemaakt, maar de bevolking van Urk heeft altijd zijn verbindingen overzee gehad en velen kwamen van buiten en werden door de generaties heen ook Urkers. Dat wil niet zeggen dat in de jaren vijftig Urk in gedachten en gewoonten geen eiland meer was. Nee, alle volwassenen hadden Urk nog als eiland gekend. En wie in die tijd op Urk als ‘vreemde’ kwam te wonen, voelde dat geaccepteerd worden als lid van deze gemeenschap niet vanzelf ging. Kinderen laten vaak zien wat bij hun ouders speelt. Daarom in deze kroniek mijn verhaal en mijn ervaringen als oudste kind van de familie Haagsma, vaak meer bekend van het accountantskantoor Haagsma & Leystra dat in 1950 op Urk gevestigd werd (afb. 1 en 2). Op weg naar Urk Het was in de zomer van 1951 dat mijn vader mij en mijn moeder in een kleine Volkswagen Kever meenam naar Urk. Het laatste gedeelte in de polder voerde ons over de smalle en hier en daar nog onverharde wegen. Bij Urk waren de bosschages in aanplant al te zien die de grens moesten gaan aangeven tussen de polder en het voormalige eiland. Ons huis bleek midden op de bult van het oude dorp te liggen, een opvallend groot pand in Wijk 5-13b, waarvan de voorkant ons huis zou worden en de achterkant accountantskantoor. Ik was toen acht maanden oud. De auto werd gestald in de garage van Hoekman aan het begin van het dorp. Mijn vader was een Leeuwarder jongen, zoon van Sjoerd Haagsma die als zoon van een binnenvaartschipper in het ruim was gevallen, voortaan mank liep en mede daardoor geen opleiding had genoten, maar die zich via bankwerker had opgewerkt tot chef van de Phoenix-rijwielfabriek in Leeuwarden. Mijn vader kreeg als enige in hun gezin de kans om naar de HBS te gaan, moest daarna onderduiken, maar kreeg na de oorlog zijn eerste baan als assistent-boekhouder bij accountantskantoor Frankena & Woudstra in Leeuwarden. Hij had mijn moeder, Wilhelmina (Mini) Jorna, dochter van Jan Jorna, chef bij Koopmans Meelfabrieken in die tijd, leren kennen in 1944. Ze trouwden in 1949, waarna ik als eerste kind in 1950 geboren werd. Mijn vader was een beminnelijke, se-
Afbeelding 2. Sjoerd Haagsma.
rieuze man wiens wijsheid altijd wat verborgen bleef onder zijn bescheidenheid. Je kon altijd bij hem te rade gaan als je een beredeneerde mening nodig had en hij stond altijd klaar om je verder te ondersteunen. Mijn moeder was een moderne, zelfbewuste vrouw die zich liet leiden door haar intuïtie en daarmee altijd, als het juist voelde, open stond voor nieuwe en soms revolutionaire ideeën. Beiden kwamen ze uit degelijke gereformeerde gezinnen, waarbij mijn vader wat leerstellig en mijn moeder wat moralistisch was. Ongeveer een halfjaar voor onze aan-
2 | Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk
komst op Urk had mijn vader met zijn onderduikersvriend en collega Rinse Leystra gesolliciteerd op de baan van accountant in het pas gevestigde kantoor van Frankena & Woudstra op Urk. Tot die tijd hadden alle accountantskantoren alleen maar op bepaalde dagen van de week zitting gehouden op Urk; Frankena & Woudstra in Wijk 3-54 dat gehuurd werd van Geertje Brouwer, de dochter van Lucas Brouwer. Maar in augustus 1950 kondigden Frankena & Woudstra trots aan in Het Urkerland: “Thans heeft URK een EIGEN ACCOUNTANTSKANTOOR” (afb. 3). Aanvankelijk was iemand anders als eerste accountant in het kantoor benoemd. Deze leek niet te bevallen, zodat Haagsma en Leystra het mochten gaan proberen. Zij arriveerden in 1950, begonnen hun werk op het kantoor en gingen in de kost bij Neeltje Brouwer in Wijk 4-11, de vrouw van meester Van Urk, die ook Het Urkerland begonnen was. De kennismaking met Urk werd voor hen beiden heel sterk een kennismaking met deze familie Brouwer. Hun kantoor werd gevestigd in Wijk 5-13b, een pand dat in 1916 werd gebouwd door Piet Brouwer, de vader van Neeltje (afb. 4 en 5). De eerste huishoudelijke hulp bij de familie Haagsma werd Alie Korf, dochter van Dirk Korf de slager en Lies Brouwer, nicht van Neeltje1. Lies en Neeltje werden door ons zelfs tante genoemd. De eerste assistent op het kantoor werd Dirk Bakker, zoon van Andries Bakker en Nellie Brouwer,
Afbeelding 3. De advertentie in Het Urkerland.
STICHTING URKER UITGAVEN
Afbeelding 4.Wijk 5-13. Rechts met later witgepleisterde gevel.
zus van Lies Brouwer. Hun melkboer werd Lub Korf, zoon van Dirk Korf en Aaltje Brouwer, zus van Lies en Nellie, zoals ze ook klant werden bij de bakker- en kruidenierszaak van Frits Bode, getrouwd met Geertje Brouwer, zus van Neeltje. Geen wonder dat ik bevriend raakte met onze buren, de kinderen van Albert Piet Brouwer en Antje Metz. Het Urk waar ik met mijn ouders terechtkwam was een bult, volgebouwd met een wirwar aan dicht opeengepakte kleine huisjes2 en 3. Zoveel mogelijk naar het zuiden gericht en met een eigen uffien, maar waarvan niet weinige met het bordje ‘onbewoonbaar verklaard’. De huizen die blijkbaar wel bewoonbaar werden geacht, waren overvol met grote gezinnen. Het was er binnen vaak warm en muf en de sanitaire omstandigheden waren twijfelachtig. Regelmatig brak er dan ook een tbc-epidemie uit (zie kader). In de haven was het een mengeling van kleine gemotoriseerde IJsselmeerbotters en de grotere Noordzeebotters en -kotters, want de visserij was het hoofdbedrijf op Urk. Daarnaast waren er een enkele ijs- en nettenfabriek, vele kleine winkeltjes, de meeste met een heel divers aanbod, en een tiental boerenschuren waarvan je de eigenaren nauwelijks boer kon noemen, omdat ze primair op het dorp gericht waren maar aldus een korte aanvoerlijn hadden van hun producten. Urk was een kerkelijk dorp, in die tijd vooral Gereformeerd synodaal. De vuur-
STICHTING URKER UITGAVEN
toren (de visserij) en de haan van het Kerkje aan de Zee (de kerk) reikten tot bijna gelijke hoogte als het ging om de ziel van Urk. Het netwerk van de familie Brouwer waardoor mijn vader en Leystra kennis kregen van Urk, was heel kenmerkend voor de economie van Urk. Gezinnen werkten primair aan het eigen levenson-
derhoud, maar veelal in familieverband, waardoor succes en welvaart optimaal werden gedeeld. Belangrijker dan maximale winst was economische zekerheid en onafhankelijkheid, een “eigen schip, een eigen bedrijf en eigen huisje”4 om zo weerbaar te zijn tegen ongewenste invloeden van buitenaf. Dit principe kwam met name naar voren bij de visserij: per
Afbeelding 5. Het gezin Haagsma voor Wijk 5-13.
Urk was een bult, volgebouwd met een wirwar aan kleine huisjes Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk | 3
Behuizing op Urk in de jaren 50 en 60 De zeer snelle groei van de bevolking na de afsluiting van de Zuiderzee en de daaropvolgende inpoldering van Urk zorgde voor een schrijnend tekort aan woningruimte op het voormalige eiland. Trouwlustige stelletjes moesten hun huwelijk soms jaren uitstellen. Introuwen bij ouders of bekenden in een al overvol huis was schering en inslag. Door gebrek aan bouwgrond werden er wat noodwoningen onder aan de bult en slikhoogte neergezet maar die vormden de spreekwoordelijke druppel op een gloeiende plaat. Een nog groter probleem was de staat van het merendeel van de huizen. Eeuwen van armoede en de nasleep van de Tweede Wereldoorlog hadden geresulteerd in geen of veel te weinig onderhoud van de woningen die het Urk van toen telde. Feitelijk was er sprake van grootschalige verkrotting. Enkelsteensmuren, lekkende daken, waterputten, toiletten zonder water – of vaak zelfs maar een emmer in de keuken als toilet etc. maakten het verblijf van gezinnen van soms meer dan tien volwassenen en kinderen in die veel te kleine huisjes eigenlijk onmogelijk. Ziektes en ongedierte waren het gevolg. In 1957 werden meer dan 70 huizen (10 % van het totaal aantal woningen op Urk!) onbewoonbaar verklaard. Het daartoe opgestelde rapport ging vergezeld van de bijgevoegde voor zichzelf sprekende inleiding van burgemeester Schippers.
4 | Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk
STICHTING URKER UITGAVEN
schip waren het veelal familieleden die samen de visvangst deden en via de besomming ieder een percentage van de directe opbrengst kregen (zie kader). Het was deze ‘familiaire economie’ waar Urk op dreef en die begrijpelijkerwijs in botsing kwam met de moderne economie van de polder5. Want daar ging het om bedrijven met één eigenaar van de productiemiddelen, gericht op maximale winst, waartoe door hem arbeiders in dienst werden genomen die met een vast loon werden uitbetaald. Urkers voelden helemaal niets voor dit soort arbeidsverhoudingen en wilden hun economisch familiaire en egalitaire maatschappij in stand houden. Het verschil met de polder kon daarom niet groter zijn. Toen wij op Urk arriveerden was het slechts drie jaar daarvoor, in 1948, door begaanbare wegen verbonden met het vasteland. Een belangrijke natuurlijke barrière tegen invloeden vanuit de vaste wal was daarmee weggevallen. Bijna alle volwassenen hadden Urk nog als eiland meegemaakt. Maar cultureel waren de jongste veranderingen al veel eerder begonnen dan in 1948. In 1918 had Nederland de Zuiderzeewet aangenomen die de Zuiderzee definitief zou afsluiten van de Noordzee en waarbij belangrijke delen van de binnenzee zouden worden ingepolderd voor modern-kapitalistische voedselproductie. De overheid had, met de toenmalige nog koloniale mentaliteit, achter haar bureaus haar eigen plannen gesmeed om de nieuwe wingebieden in cultuur te brengen. Urk zoals het was, een eiland van vissers die hun beroep op meer traditioneel-economische wijze beoefenden, paste daar niet in. Het werd in feite behandeld zoals Nederland dat ook gewend was in haar koloniën in Indië: de inheemse bevolking moest zich laten omvormen voor arbeid in de moderne voedselproductie of anders dreigde, op passieve of actieve manier, verhuizing van de overtollige bevolking naar elders6. Urk reageerde net als de bevolking in de koloniën met steeds breder verzet en met een steeds sterker beroep op de eigen ambities, ideeën en cultuur om gehoord en gerespecteerd te worden. De eerste tekenen dat Urk ook leerde van de nieuwe kapitalistische geest waren in 1950 al zichtbaar door
STICHTING URKER UITGAVEN
Maatschap en Urker vissers Urker vissers varen sinds mensenheugenis niet als baas en knecht maar als maten die gezamenlijk een schip bemannen en exploiteren. In vroeger eeuwen gebaseerd op onderlinge afspraken en sinds het midden van de vorige eeuw onder een jaarlijks gezamenlijk te tekenen maatschapscontract. Een contract waarbinnen ieder als zelfstandige opereert waarbij de eigenaar het schip, licenties en quota inbrengt (en daarnaast vaak ook als schipper aan de maatschap meedoet) en de anderen hun diploma’s, kennis en inzet (zie voorbeeld/aanzet contract 2019). De overeenkomst loopt altijd van kerst tot kerst en de opzegtermijn voor beide partijen is een jaar. Bruto besommingen worden volgens een in het contract vastgestelde sleutel verdeeld. De netto besomming wordt door aftrek van een aantal van tevoren vastgestelde kosten (gasolie, voedsel etc.) bepaald, waarna de eigenaar 60-40% van de netto besomming ontvangt en de overige procenten onder de andere maten worden verdeeld. Alles afhankelijk van schip, beschikbare quota, type visserij en benodigde bemanning. Een en ander betekent dat bij onderhoud de maten zonder vergoeding hun diensten in brengen en dat er bij storm en calamiteiten ook niet uitbetaald wordt. De hier summier beschreven maatschapsverbanden bestaan al eeuwen op Urk bestaan en vormen een deel van de Urker cultuur en tradities. Heel kort door de bocht lijkt het er op dat Urkers beter functioneren als ze een deel van de risico’s en dus ook van de winst van een onderneming kunnen beïnvloeden. Misschien heeft daarom het eeuwenlang maatschappelijk samenwerken binnen de visserij er voor gezorgd dat in het dagelijkse Urker dialect de aanspreektitel ‘u’ niet voorkomt. U wordt alleen gebezigd als de koning of God wordt aangesproken.
het feit dat het een vloot opbouwde die de moderne Noordzeevisserij mogelijk zou maken.7 Aan de polderkant waren het echter maar twee Urker boeren die uiteindelijk een moderne boerderij in de polder kregen, Wouter Kramer en Meindert Hakvoort (bij wie ik later nog veel tijd op de boerderij zou doorbrengen). De toren van Emmeloord, hoger dan elke kerktoren, symbool van de overwinning van de seculiere mens over de zee, moest toen nog gebouwd worden. De moderne economie lag echter niet alleen ten grondslag aan de inrichting en productie van de nieuwe polders, ze was ook de grondslag voor de sociale wet- en regelgeving van de Nederlandse staat! Geen wonder dat deze die vervolgens ook wilde toepassen op Urk en de Urker bedrijvigheid, met name dus de visserij. De geschiedenis van dit incorporatieproces van de Urker economie in de Nederlandse, modern-kapitalistische economie en de Urker weerstand daartegen,
laat zich goed lezen in de geschiedenis van de Nederlandse Vissersbond, waar mijn vader als secretaris van 1954 tot 1968 direct bij betrokken was, voor het grootste deel onder voorzitterschap van Riekelt Brands8. Zo schrijft Brands al in 1947: “En waarom verzet zich de kustvisser tegen deze op zichzelf zo mooie bepalingen (van sociale en algemene verzekeringen)? 9 Dit verzet moet men niet zien als revolutie, maar als voortvloeiende uit de verhoudingen welke in het kustvisserijbedrijf altijd geldende zijn geweest, en nog zijn, en welke wij ook graag willen handhaven... Gaat men nu op het kustvissersbedrijf dingen toepassen waarop het niet is ingesteld, dan moeten veranderingen worden aangebracht, en zo ook wanneer men de sociale verzekeringen wil toepassen, dan gaat het mooie, dat er altijd geweest is, verdwijnen. Allereerst het onderling gemoedelijke, want men komt dan als werkgevers en werknemers tegenover elkaar te staan,
Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk | 5
Urenlang tellen uit het hoofd zodat je er tranen van in de ogen kreeg Afbeelding 6. Leystra en Haagsma in het kantoor in wijk 5-13b.
doordat de verdeling percentsgewijs wegvalt en er voor in de plaats komt een vastgesteld loon(…) Daarom hoop ik dat men de kustvisserij vrij laat in zijn doen(…) Men mag wel op ons toezien, daar is niets tegen, maar bindt ons niet, wij hebben ons altijd vrij gevoeld, maar worden wij aan banden gelegd, dan zullen die gaan knellen, dat wij er uiteindelijk aan kapot zullen gaan.” 10 Deze druk en ontwikkelingen van buitenaf, nu zonder de natuurlijke barrière van een eiland, moeten hun invloed hebben gehad op de cultuur van Urk en met name hoe er naar niet-Urkers gekeken werd! Nu was Urk nooit een gesloten gemeenschap geweest. Velen, uit Schokland, uit Kampen en dorpen rond de Zuiderzee hadden zich definitief op Urk gevestigd en waren in de bevolking opgegaan. Vele Urkers vertrokken naar elders, tijdelijk als dienstmeisje naar Amsterdam of permanent op zoek naar werk, bijvoorbeeld naar de Zaanstreek. Omgekeerd werden sleutelfuncties op Urk vaak waargenomen door ‘vreemden’, zoals de burgermeester, de dominees, dokters, onderwijzers en andere. Zij kenden Urk goed en werden vaak een goede spreekbuis van Urker belangen. Maar de ervaringen die Urk sinds de inpoldering met vreemden en hun ideeën had opgedaan, zullen toch op z’n minst niet hebben meegeholpen om van Urk, nu verbonden met het vasteland, een meer open samenleving te maken. Het bleef een dorp van vissers die via de kerkenraad de identiteit en cultuur van Urk zou
blijven bepalen, met de zondagsrust als belangrijk en zichtbaar kenmerk. Het waren dit soort achtergronden waarvan ik mij als klein jongetje natuurlijk niet bewust was, maar wel aan den lijve zou gaan ervaren. De eerste jaren van Haagsma & Leystra Het kantoor aan de achterkant van ons huis ontwikkelde zich snel, eerst nog onder de naam van Frankena & Woudstra, maar vanaf 1955 onder de naam Haagsma & Leystra (afb. 6). Eerst werd een typiste aangetrokken in de persoon van Jannie de Vries, twee jaar later werd Dirk Bakker in dienst genomen. Dirk kwam net als Jannie van de MULO en wat voor hem gold, gold later voor alle andere medewerkers: hun opleiding tot assistent-accountant kregen ze al werkend op dit kantoor, al was dat toen nog met eenvoudige middelen: “Mijn eerste werk op kantoor was het tellen van een tabellarisch kasboek van een wat groter bedrijf. Urenlang tellen uit het hoofd zodat je er tranen van in de ogen kreeg. Later kregen we dan een telmachine met handbediening”, vertelt Dirk. Al snel volgden Evert Bakker en andere medewerkers, die uitbreiding van het kantoor noodzakelijk maakten: de alkoof werd er bij getrokken, er werd een gat gezaagd in het plafond en een vlieringtrap leidde naar de nieuwe ruimte. Plek voor gesprekken met klanten was er niet. Dat gebeurde op de gang of in onze keuken. Dirk vertelt over deze begintijd: “Veel van de vissers van toen – en dan denk ik
6 | Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk
aan het IJsselmeer, moesten in de winter op de bak of in de DUW.11 Ook werd er meegewerkt aan de ontginning van het gebied rond Giethoorn. Bij meerderen was het in die tijd armoe troef. Toch kreeg men natuurlijk wel te maken met belastingen en allerlei formulieren. Soms kon men met problemen terecht bij de commies van de belastingdienst die toen op Urk woonde, die was gratis. Haagsma & Leystra was een andere mogelijkheid maar daar moest betaald worden. Toch wilde men liever van onze diensten gebruik maken. Er werd toen met meerdere binnenvissers een afspraak gemaakt: wij verzorgen alle papierwerk en in het seizoen betalen jullie ons wekelijks een gering tarief. Zo moest ik tijdens het kuilseizoen wekelijks bij een aantal klanten langs om het afgesproken bedragje te innen. Op die manier werd ook een band gekweekt met de families en was je daarnaast vaak als eerste op de hoogte van nieuwe activiteiten. Een goede kans voor uitbreiding van de klantenkring was ook de benadering van de Noordzeevissers over de omzetbelasting. Van alle spullen die op de Noordzee werden gebruikt kon de btw worden teruggevraagd. Toen dit meer bekendheid kreeg vonden veel schippers de weg naar ons kantoor. Voor mij een nieuwe taak. Voor veel bedrijven haalde ik de stukken op van vijf voorbije jaren, want de aanvraag om teruggaaf mocht over die jaren worden ingediend. Dit bleek natuurlijk wel een pre voor ons kantoor. Vooral bij
STICHTING URKER UITGAVEN
de visserijbedrijven was er toen nauwelijks sprake van een administratie. Bij velen stond er niets op papier en dus gaven we de klanten een kasboek waarin ze de ontvangsten en uitgaven moesten noteren. Van één klant kregen we dit na drie maanden terug met als inkomsten: ‘visafslag IJmuiden of Amsterdam’,als uitgaven: ‘aandeel bemanning’ en als rest van de uitgaven: ‘moeder de vrouw’. Ik zal de naam niet noemen want dan wordt er nog gegist. Is dat allemaal in het gezin opgegaan?, vroeg ik. Wellinnik, kreeg ik als antwoord, maar de vrouwe krigt de iele buit in zorgt vor de rest. Doar bemuui ik m’n niet mie.” Naast klanten op Urk kreeg het kantoor ook veel klanten in de polder en Friesland. Regelmatig moesten deze worden opgezocht met de Volkswagen Kever. Dirk herinnert zich: “Met Haagsma en Leystra gingen we op een zeker moment de polder in naar een paar klanten. Het laatste bezoek van die dag was bij een boerderij aan een buitenweg. Plotseling kwamen we echter terecht in een geweldige sneeuwbui. We vonden in de sneeuwjacht nog wel het goede adres,
maar de terugrit naar Urk was minder prettig. De weg was niet zichtbaar, de akkers waren nog niet afgezet met afrastering en ook de sloten waren volgesneeuwd. Eén grote witte vlakte dus. Om de beurt liepen we voor de auto uit om zo niet in een sloot te geraken. We zagen zo kans om op een wat drukker gebruikte weg te komen, waarna we opgelucht Urk bereikten.” In het begin van ons verblijf in Wijk 5-13b had Leystra een kamer op zolder en was hij bij ons in de kost. In september 1951 echter meldde Het Urkerland een nieuwe juffrouw voor de Rehobothschool, mej. Buwalda die in de kost zou gaan bij Jacob Kale de aannemer. Rinse Leystra en Greetje Buwalda leerden elkaar op een verjaardagspartij kennen en traden in 1954 met elkaar in het huwelijk. Ze gingen wonen in Wijk 4-73a, waar nog datzelfde jaar hun dochter Marian geboren werd. Alie Korf werd gevraagd om bij te springen, want zo zei mevrouw Leystra: “Wat weet een juffrouw nou van een kind af?” (afb. 7). De kamer op onze zolder bleef in gebruik, want als een dominee op Urk
kwam preken bracht die soms bij ons het weekend door. Als die op de motor kwam, stond zijn motor in de garage van Hoekman. In die tijd kreeg ik er een zus bij, Elske (in 1953) en broertje Jan in 1954. Daar kwam ’s zomers nog een jongen uit een gezinsvervangend tehuis bij, Andries, om hem een vakantie te bieden. Zo was het in die jaren een drukke tijd voor mijn moeder om, gelukkig met hulp van Alie, het huishouden gaande te houden: haar eigen kinderen, koffie voor kantoor en klanten en niet te vergeten het huis goed schoonhouden, bang als ze was om tbc in ons gezin te krijgen. En toen was het nog gewoon, herinner ik me, dat ’s morgens vroeg bij ons de muizen uit de keukenkastjes sprongen. Later, in 1963, kreeg Alie tbc en moest ze anderhalf jaar in het sanatorium bij Harderwijk verblijven om te herstellen. Mijn eerste herinneringen gaan terug naar eind 1953. Ik kreeg goede speelkameraadjes aan de kinderen van Albert Piet Brouwer, die naast en later tegenover ons woonden, en met name aan Klaas als leeftijdgenoot. In de strenge winter van 1955/56 lag er een dik pak
Afbeelding 7. Dameskoor van Frits Bode, Greetje Leystra zit vooraan op de grond, tweede links.
STICHTING URKER UITGAVEN
Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk | 7
De lange preken waren voor ons saai, maar de zang op hele noten maakte een diepe indruk sneeuw. Alle sleetjes werden bovenaan de hoogte bij het huis van Sijmen Woord aan elkaar gebonden en Kees, Graddus en Piet, de oudste kinderen van Brouwer, stuurden met klierestokken al slingerend de sleetjes naar beneden de oogies af. Beneden achter hun huis werd van grote sneeuwballen een waar huis van sneeuw gemaakt, waarin vervolgens met een petroleumstel door Nellie en Gerrie onvergetelijke pannenkoeken werden gebakken. Al vroeg zat het zwerven er bij me in. Mijn moeder maakte zich nogal zorgen om mij, omdat ik regelmatig, alleen of met Klaas, van huis wegliep en met al die de ginkies was ik dan ook gauw verdwenen. Naar Derk de Slager langs Ouwe Bèbe (Louwe Pol) of achterom langs Jate en Andries de Boer naar het slachthuis van Derk als daar weer een koe geslacht werd. Of naar de koeienstal van Jan van Fukkien (Jan Post) bij de Slikhoogte, die daar wat koeien in de wei had lopen. Of ik bracht wekelijks ‘ouwe skellen’ naar de winkel van Jan, extra voer voor de koeien waar je een stuiver voor een vol emmertje kreeg. Vaak werd ik om een boodschap gestuurd, naar Bode voor een pond suiker, naar Leendertje
Brouwer voor een liter petroleum, of een pakje Old Mac voor mijn vader bij Hiltjen van Fokke. Graag ging ik mee met Lub Korf, de melkboer die een paar keer in de week langskwam met z’n fietskar en mocht ik soms mee op de verdere route richting de schuur van Geert van Ide (Koffeman) met kippen en kuikens onder warme lampen en verder naar ‘de keten’, de noodwoningen beneden aan de dijk. Of ik liep naar Hendrik Visser verderop in de straat, die daar als schoenmaker werkte en waar ik graag een poosje meekeek hoe Hendrik bezig was de oudste schoenen weer mooi op te lappen. Soms liep ik door naar de Slikhoogte die toen zijn naam nog eer aan deed: mensen gooiden hier hun huisvuil neer en staken het in brand. Toch merkte ik toen ook dat er andere kinderen waren. Kinderen die alleen maar toekeken en waarbij soms mijn speelgoed verdwenen bleek (ik begreep toen nog niet dat die niks hadden om mee thuis te spelen!) Of de kinderen die ’s avonds nog buiten onder het licht van de lantaarnpaal speelden als ik allang in mijn bed lag. Maar dat de vissers het langzamerhand beter kregen merkte ik ook: met moeite had ik 6½ cent ge-
Afbeelding 8. Sjoerd, Els en Jan Haagsma.
8 | Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk
spaard, toen ik zomaar van een dankbare klant een papieren rijksdaalder kreeg! Eenmaal per jaar nodigden mijn ouders een fotograaf uit om foto’s te maken van ons gezin. Ik herinner me nog hoeveel tijd en moeite het kostte om ons in de Urker klederdracht te krijgen voor de bijgaande foto (afb. 8). En zo klein als we waren begon toen ook de wekelijkse gang naar de Bethelkerk. Mannen en vrouwen zaten nog gescheiden. De hulletjes vanachter gezien waren voor ons een mooi gezicht om je mee bezig te houden tijdens de kerkdienst. Mijn zus Els, amper twee jaar, ging dan Bibeltjes verzamelen en deed daarna net of ze er diep in zat te lezen. Ook het schip dat in de kerk hing bood een welkome afleiding om bij weg te dromen.12 De lange preken waren voor ons saai, maar de zang op hele noten maakte een diepe indruk. In deze kerk waren ook mijn zus en broertje gedoopt op de eerstvolgende zondag na hun geboorte, wat mijn moeder destijds betreurde omdat ze er niet bij kon zijn. Ze heeft lange tijd gedacht (en meende te horen) dat een op Urk nog verplichte ‘vroegdoop’ hieraan ten grondslag lag (zie kader).13 Maar in de Gereformeerde kerk op Urk speelde dat toen al lang niet meer dus er moeten andere oorzaken geweest zijn. Een nieuw huis en kantoor In 1950 had een belangrijke doorbraak plaatsgevonden voor Urk. Voor het eerst was Zuiderzeewerken bereid geweest polderland aan Urk af te staan, zij het slechts 90 hectare, zodat Urk eindelijk kon gaan werken aan nieuwe woningbouw om de woonsituatie op het oude eiland structureel te verbeteren. Weliswaar waren na de oorlog al ‘de Flatten’ gebouwd, maar dit moest binnen de grenzen van het oude eiland. De Urker bevolking was van bijna 3.000 in 1918 tot bijna 5.000 in 1950 gegroeid, terwijl het aantal woningen nauwelijks was toegenomen. De 90 hectare polderland lag ten noorden van het vroegere eiland en werd daarom ‘Plan Noord’ genoemd. Het vond zijn natuurlijke grenzen door de dijk, de reeds aanwezige singels en het van 1953 tot 1959 geplante Urkerbos dat de scheiding met de polder aangaf. Het duurde evenwel tot 1957 voor de
STICHTING URKER UITGAVEN
Afbeelding 9. Links het kantoor op de Burgemeester van Suchtelenlaan 2-4.
eerste huizen opgeleverd konden worden: de pastorie voor ds. W. de Boer van de Vrijgemaakte kerk en daarnaast het nieuwe kantoor van Haagsma & Leystra, met aan weerszijden een woonhuis voor beide families. Het adres werd Burgemeester van Suchtelenlaan 2-4 (afb. 9). De nieuwe huizen waren voor die tijd ruim en modern en zelfs voorzien van een badkamer. Voor de kinderen was er voor elk een slaapkamer, totdat bij ons nog twee kinderen, Rein en Klaas-Auke, werden geboren. Bij de familie Leystra zag zoon Harmen het levenslicht. Als kinderen van deze drie huizen vonden we in elkaar meteen vrienden, maar speelde ik meestentijds toch met andere Urker jongens. Het duurde wel even voordat Plan Noord helemaal uitgevoerd was. Handicap was onder andere dat het polderland te drassig was om met vrachtauto’s de bouwmaterialen op de bouwplaats te krijgen. Daarom werd een rails met lorries aangelegd, die begon bij de Slikhoogte en doorliep tot bijna het begin van het Urker bos. Je kunt je voorstellen dat deze lorries – eerst naar boven trekken, er met elkaar op zitten en dan naar beneden laten rollen – voor de kinderen een prachtig (verboden) speelobject waren. Kobus Post sr. moest erop toezien dat dit niet gebeurde, maar hij had er zijn handen vol aan. Met Plan Noord kwam er ook meer ruimte vrij voor andere sociale behoeften, waar zowel mijn moeder als Greetje Leystra actief bij betrokken raakten. Beiden zaten ze in de commissie die de
STICHTING URKER UITGAVEN
eerste echte Urker speeltuin opende bij de dijk achter Fokke Gnodde (ter vervanging van een klein speeltuintje dat in het weiland was geweest waar nu ons huis stond). Ook zat mijn moeder in het bestuur van de nieuwe huishoudschool. Het gerucht gaat in de familie dat ze voor beide de naam bedacht zou hebben, iets waar ze in ieder geval een
talent voor had: voor het huisje bij de ingang van de speeltuin ‘Affer de Poalen’ en voor de huishoudschool ‘Aan de Top’. Het was in die tijd nog niet gewoon op Urk om ’s zomers op vakantie te gaan, wat voor de jeugd, vond zij, maar een saaie tijd was dan. Daarom begon ze in de zomervakantie optochten te organiseren (afb. 10). Later zou ze nog één van de
Vroegdoop Bij de vroegdoop moet een baby de eerste zondag na zijn geboorte in de kerk gedoopt worden. Dit voorschrift had tot gevolg dat moeders (door medische complicaties) bij de doop vaak niet aanwezig waren. De reden voor een vroegdoop was niet, zoals binnen de Rooms-Katholieke kerk, de wegwassing van de erfzonde omdat baby’tjes die ongedoopt stierven niet in de hemel konden komen, maar vooral dat ouders de Drie-Enige God niet lieten wachten om Zijn teken en zegel op het voorhoofd van het kind te zetten. Immers als de HEERE zulke prachtige beloften aan je kind wil geven, dan mag je Hem geen twee weken of zelfs anderhalve maand laten wachten. Tot het begin van de 19e eeuw kende men ook binnen de Urker kerken de vroegdoop, tot begin 20e eeuw kende men daarbij ook het zogenaamde doopmaal. Na de vrijmaking midden twintigste eeuw kwam dit gebruik bij de Vrijgemaakte kerk weer in zwang. Dientengevolge werd in de vijftiger en zestiger jaren van de vorige eeuw op Urk alleen in de Vrijgemaakte kerk de vroegdoop voorgeschreven. Behalve dat de vroegdoop een oude christelijke praktijk weergeeft, duidt dit mogelijk ook op voorchristelijke gebruiken achter deze gewoonte. In de Lex Frisionum (het Friese gewoonterecht, vastgelegd in 790 in opdracht van Karel de Grote) wordt vermeld dat kinderen pas als mens werden beschouwd nadat ze wat gedronken of gegeten hadden, daarvóór mocht een kind door de moeder gedood worden, zonder dat dit als moord werd beschouwd. Ook kende men vroeger het ritueel waarbij de vader het geboren kind op de knie zette en het onder besprenkeling met water een naam gaf. Elke tijd heeft z’n gedachten en rituelen gehad wanneer nieuw leven tot de menselijke gemeenschap toetrad. Tegenwoordig komen die vragen terug in de dilemma’s rond abortus.
Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk | 9
initiatiefnemers worden voor de bouw van een zwembad op Urk, hoog nodig, vond ze, om vissers in ieder geval te leren zwemmen. Ook Greetje Leystra was naast haar werk als juffrouw op de lagere school, sociaal actief. Samen met haar man was ze betrokken bij het werk van het Groene Kruis en dat zijn ze bijna hun hele leven gebleven. Beide vrouwen waren tot op redelijk hoge leeftijd actief bij het damesvolleybal.
Afbeelding 10. Optocht met rechts Jan Haagsma en Martha Groenevelt.
Scholing op Urk De drooglegging van de polder ontsloot nieuwe mogelijkheden voor Urker studenten en maakte het daarnaast voor schoolbesturen wat makkelijker om leerkrachten op Urker scholen te werven. Voor de inpoldering was alle scholing op Urk tot het basisschoolniveau beperkt en vormde het aantrekken van leerkrachten een doorlopende uitdaging voor schoolbestuur en plaatselijke overheid (voor meer informatie zie Canon van Urk – onderwijs). Alleen uitzonderlijk begaafde studenten die een sponsor kregen konden aan de wal studeren. Voorbeelden zijn Ds. Jacobus Albertus Romkes (1793-1831) wiens studie door zijn oom en burgemeester Hendrik de Haan werd betaald (en 8000 gulden zou hebben gekost - zie Urcker Kronieken 2019-3) en bijvoorbeeld – op een heel ander vlak - de organist Meindert Kramer die in de jaren 50 van de vorige eeuw als jongetje regelmatig met de boot naar Enkhuizen moest om in de Westerkerk les te krijgen van musici van naam. Al op 11-jarige leeftijd werd hij aangesteld als vaste organist in de Bethelkerk. Na de inpoldering werd het mogelijk om de Ambachtsschool in Kampen te bezoeken en werden er op Urk huishoudcursussen gegeven. In 1939 werd op Urk een ‘Ulo-club’ opgericht, maar een klein aantal wist dit door te zetten tot het behalen van een diploma waarvoor in Zwolle examen afgelegd moest worden. In 1947 werd voor het voortgezet onderwijs op Urk een MULO-school in gebruik genomen. In Emmeloord gingen in september 1955 de Christelijke H.B.S. en het openbaar Prof. Ter Veen Lyceum van start. Urkers die verder wilden leren konden daar terecht. Uiteraard verkozen Urkers de H.B.S. en in 1962 werd Marije Oost-De Boer (de latere wethouder Oost-de Boer) de eerste Urker vrouw die een diploma in ontvangst mocht nemen. Die eerste lichtingen leveren ook de Urkers die de kweekscholen gingen volgen (en veelal als leraar op Urk terug kwamen) of die voor een universitaire studie kozen. Ondertussen werd het een aantal vooruitziende Urker vissers en notabelen duidelijk dat ook visserij zonder scholing geen toekomst had. Met vereende krachten werd in 1955 de visserijschool geopend (in de voormalige barak van de arbeiders van Zuiderzeewerken) met als eerste directeur de Urker oud-visser en oud-zeevaartschooldocent Fokke Post.
10 | Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk
De lagere school Van de kinderen van beide families was ik het die als eerste naar de lagere school zou gaan. Samen met Marius van ds. De Boer waren we de eerste ‘vreemden’ op de Rehobothschool (afb. 11).14 Ik herinner me de eerste schooldag nog goed. We werden door onze moeders naar school gebracht en toevertrouwd aan de lieve juffrouw Marinus. We hadden nauwelijks de eerste woordjes met een a geleerd of ze werd ziek en vervangen door meester Heetebrij. Hetzelfde gebeurde in de tweede klas met juffrouw Cadzand, die tijdens het schooljaar vertrok, waarop onze klas tijdelijk met de zesde klas werd samengevoegd. We kregen dan om de beurt les en kregen zo veel tijd voor ‘vrij lezen’. In de derde klas leerde meester Punt ons hoe we meester Verhoeff van de vierde klas moesten bespringen, zodat deze languit tussen de banken kwam te liggen. Van meester Walma kregen we gymnastiek (de meisjes kregen dan naailes – wat in ieder geval mijn zus volstrekt oneerlijk vond). Meester Walma was dol op kegelvoetbal waarmee hij graag onze gymlessen vulde tot hij er mee op moest houden, omdat één van de leerlingen een kegel voor z’n hoofd had gekregen. Mijn ouders vroegen zich af of ik op deze manier later naar de HBS kon gaan en lieten me daarom bijles geven in de vierde klas om zo de vijfde klas over te kunnen slaan, zodat ik een extra ‘zevende klas’ kon doen voordat ik naar de HBS ging. Ik herinner me nog goed dat in de zesde klas meester Kuipers vroeg naar welke school we zouden gaan: de meeste jongens gingen naar de Visserijschool, veel meisjes naar de Huishoudschool, een paar naar de MULO, en ik als enige naar de HBS (zie kader).
STICHTING URKER UITGAVEN
Afbeelding 11. Rehobothschool.
De stok werd ruimhartig gehanteerd op de Rehobothschool. In de tweede klas was ik er voor het eerst getuige van dat iemand met de stok werd gestraft. Het was Teun Woord (Rooie Teun). Maar na een flink pak slaag bleef Teun glimlachen. Later vroegen we waarom? Hij zei: ”Ze sloeg op de knip in mijn broek!” Maar ook meesters konden in dit opzicht niet zomaar hun gang gaan. Als kinderen fysiek gestraft werden – met de stok, met de plak, met de sleutelbos, dan konden ze dreigen dat hun vader die zaterdag op school zou komen – en je zag de meester
dan bibberen als die op de gang stond! Naar verluidt werd dit meester Brand zelfs noodlottig: toen hij een leerling met de stok wilde slaan, pakte die deze van hem af en gaf hem een pak slaag. De maat was vol, kort daarna is meester Brand van Urk vertrokken. Een ‘vreemde’ blijf je Als ‘vreemdesnuut’ werd ik er regelmatig op school aan herinnerd dat ik er niet helemaal bij hoorde. Ik speelde met veel jongens, verschillende werden mijn vrienden en er was veel te doen: naar
de haven met Riekelt Brands of Hessel Kramer, zangvogeltjes vangen op het Top met Jan Weerstand, vliegeren op de dijk, eieren zoeken op de Witte Zandvlakte of gewoon poeren in de singel met de jongens uit de buurt, en niet te vergeten overal ruimte voor een partijtje voetbal (afb. 12). Maar hoewel ik bij dat laatste tot de betere jongens van de klas behoorde, werd ik bijna altijd als laatste gekozen. Overigens gold dat soort uitsluiting net als elders ook wel op kerkelijke gronden: als ik met Marius bij de vrijgemaakte bakker kwam, kreeg hij heerlijke warme stukken mislukte koek en ik niet, want ik was Gereformeerd synodaal. Eén jongen uit mijn klas propageerde het beroep van mijn vader als iemand die met een kistje rondloopt om geld van de vissers af te troggelen en ruide de klas tegen mij op. Ik probeerde de beschuldiging te weerleggen, maar wie wist toen wat een accountant was? Wat hem dreef bleef me een raadsel. Was het jaloezie? Iets wat hij thuis hoorde? In de derde klas wilde hij me met een stok te lijf gaan. Ik pakte die af en heb hem toen goed ‘op z’n ziel’ gegeven. ’s Avonds kwam zijn vader aan de deur
Afbeelding 12. Het schoolvoetbalteam met staand v.l.n.r. meester Rien Buys, Hessel Kramer, Sjoerd Haagsma, Hendrik van Urk, Gerrit Eertink, Jan Ras en Jos Ras. Zittend v.l.n.r. Nico Kroon, Albert van Urk, Jelle Kaptijn, Klaas Post, Albert Hoekstra en Klaas Meun.
STICHTING URKER UITGAVEN
Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk | 11
klagen, maar het was definitief over. Zo bleven mijn relaties met Urker vrienden altijd onberekenbaar. Later op school had ik twee goede vrienden met wie ik lang en bijna dagelijks omging. Op een dag zeiden ze plotseling dat ze niet meer met me om wilden gaan. Ik bleef vragen waarom, waarop ze zeiden dat mijn moeder iets gezegd had bij de slager. Wat ze gezegd zou hebben, daar ben ik nooit helemaal achter gekomen. Misschien heeft ze iets gezegd over het eten van bloedworst dat in verkeerde aarde was gevallen, zoals omgekeerd toen zij eens naar boekweit grutten vroeg en als antwoord kreeg: “Maar mevrouw, dat is varkensvoer!” Het kostte mij in ieder geval heel wat tijd om de ban weer ongedaan te maken. Zo werd ik me er in die tijd van bewust dat ik in twee werelden leefde. Ik werd daaraan herinnerd door de vrienden met wie ik omging, maar ook door thuis. Mijn moeder wilde absoluut dat we de normen en waarden bleven aanhangen waarmee zij en mijn vader waren opgegroeid. Daartegenover stond dat zij voor heel veel warmte en gezelligheid in ons gezin zorgde. Bekend waren bij onze importvrienden de leuke partijtjes en spelletjes als iemand jarig was, iets wat men op Urk toen niet kende: je trakteerde op school en daarmee was de kous af. Het is die warmte die ons in staat heeft gesteld om op een goede manier met die twee werelden om te gaan. Bij de volwassenen zag je iets dergelijks. Als import
Afbeelding 13. Haagsma & Leystra in het uitgebreide kantoor.
konden ze het zeer naar hun zin hebben op Urk wat betreft het werken en samenwerken met de geboren Urkers, maar persoonlijke vrienden werd men blijkbaar bijna nooit. Er kon oprechte waardering zijn voor elkaar, maar van beide kanten werd de ander als ‘anders’ gevoeld. Op die manier werd de import – de leerkrachten, de dokters, de dominees en andere niet-Urkers – een soort familie, waar ook weer hun kinderen een vrouw uit deze kring niet aanspraken als mevrouw, maar als tante. Haagsma & Leystra groeit met Urk mee Was het kantoor in Noord een behoorlijke verbetering, het werd al spoedig ook weer te klein (afb. 13). Was het aanvankelijk alleen op de eerste verdieping, al gauw werd ook de begane grond in gebruik genomen en nog later werd een stuk naar achteren uitgebouwd. Ook het
Afbeelding 14. Dirk Bakker spreekt op een van de personeelsuitjes.
12 | Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk
aantal medewerkers groeide door de jaren heen navenant. Allemaal kregen ze hun opleiding op de werkplek en heel wat van hen vonden hun weg later naar andere bedrijven op Urk waar ze zeer gewild waren. De sfeer is altijd familiair geweest; nooit heb ik gehoord van conflicten of hevige meningsverschillen, niet tussen mijn vader en Leystra en niet tussen hen en de medewerkers. En zo was de relatie met de klanten, op de typisch Urker manier van familiair met elkaar omgaan; het sloot ook naadloos aan bij mijn vader en Leystra. De jaarlijkse personeelsuitjes leven nog steeds voort in de herinneringen van de voormalige medewerkers (afb. 14). De sfeer waarin gewerkt werd blijkt ook uit de volgende verhalen van Dirk Bakker: “Eén van mijn bijzondere klanten was Jan Kramer of te wel Jan de Boos. Een pracht van een vent. Maar deze vergde ook een speciale aanpak. Op een maandagmorgen ligt er een notitie ‘De bank wil graag deze week een financieringsopzet en begroting voor de bouw van een nieuwe Noordzeekotter voor visserijbedrijf J. Kramer. Dit moet uiterlijk a.s. zaterdag worden besproken.’ Ik was niet benaderd door Kramer zelf, maar mijn pappenheimers kennende ging ik toch aan de slag. Extra telefoontjes vanuit de bank legde ik naast me neer. Die vrijdagmiddag komt een boze Kramer bij ons binnen vallen. “Waarom heb je niks naar de bank gestuurd?”, was de kreet. De collega’s kregen helemaal de schrik toen ik deze boze klant ook nog bij zijn bijnaam noemde. “Ik ben niet van plan om zonder toestemming van Jan de Boos aan wie dan ook cijfers af
STICHTING URKER UITGAVEN
De gebroeders Roos zorgden dat elke klant zijn rechtmatige deel aan omzetbelasting terugkreeg te geven van de UK-121. Een kort briefje of telefoontje naar mij was het minste geweest.” Een verontschuldiging volgde en de rust keerde helemaal terug toen ik hem de benodigde stukken overhandigde met de mededeling: “Hier zijn de cijfers waar de bank morgen niet omheen kan”. Ja, achteraf moet ik zeggen dat ik natuurlijk nooit de bijnaam had mogen gebruiken, maar je schiet af en toe wel eens uit je slof.” En dan was er Lies Post. “Jarenlang had ik een zakelijke relatie met haar. En bijzondere vrouw. Na het overlijden van haar vader zette ze het bedrijf voort. Wel sloot ze de bakkerij en kruidenierszaak en ging verder met de handel in huishoudelijke artikelen, met name porselein. Voor een fraai servies en een voordelige Sola-cassette moest je bij Lies zijn. Ook woninginrichting en stoffering werd aangepakt. Haar huis was in zijn totaliteit verkoopruimte. Ja, stelde Lies: “Ik verkoop alles, behalve mijzelf”. Veel verkopen gebeurden op krediet. Er werden dan soepele afspraken gemaakt. Vaak over een veel te lange periode, maar dat deerde haar niet. Wel was het zo dat ieder zich strikt aan de afspraken moest houden. Zo niet, dan kon je niet meer bij haar terecht.” Nog een stel bijzondere mensen die indruk op Dirk maakten: “Naast restaurant De Boet lag vroeger de werf van de Gebroeders Roos. Beide broers hebben hier tot op hoge leeftijd hun arbeid verricht, altijd aan houten schepen. Jelle Roos op de werf, broer Jan was iets jonger en verzorgde ook de administratie. Via ons kantoor zagen we kans om met terugwerkende kracht over vijf jaren omzetbelasting terug te vorderen over het materiaal dat verwerkt was aan de botters (zie kader). Ik moest dat voor hen regelen. Toen na enige tijd de teruggaven kwamen werd ik weer aan het werk gezet. Ik moest uitrekenen welke klanten alsnog een teruggave kregen.
STICHTING URKER UITGAVEN
Dat de kantoornota daardoor bijkans hoger zou worden dan de teruggaaf deerde niet. Al ging het maar om een paar centen: eerlijk is eerlijk; de klant had er recht op.” En dan natuurlijk de vele gebeurtenissen in de klantenkring. “Zo was er verslagenheid in 1966 toen de UK-58 met volledige bemanning niet terug kwam van zee. Een zoekactie met meer dan honderd kotters leverde niets op. De onzekerheid bleef. Eerst vijf jaar later werd het naambord opgevist. Een spannende tijd was het ook toen in 1976 de UK-62 van schipper Willem Kramer in Het Kanaal vermist werd. Er waren noodseinen opgevangen maar op gang gezette zoekacties mislukten door de aanhoudende mist. Groot was de opluchting toen het bericht binnen kwam dat een Franse visser de bemanning had opgepikt. De familie Van den Berg, ook al die jaren vaste klant, maakten heel wat mee. Het vergaan van de UK-63 met vijf opvarenden waaronder schipper Jurie met twee zonen. Een aantal jaren eerder was daar al het verdriet om schipper Jan van de Berg van de UK-60. Bij deze ramp bleven de overige bemanningsleden als door
een wonder gespaard”, vertelt Dirk. Eén van de medewerkers van het kantoor zei me jaren later: “Je vader heeft wel veel geld op Urk laten liggen!” Materieel is dat denk ik zo, maar het was zijn mentaliteit niet om wat dat betreft het onderste uit de kan te halen. Hij was sober en vroeg alleen wat hij nodig had. En dat was ook de sfeer op het kantoor. Hoe modern het ook kon zijn, er moest een familiesfeer blijven hangen, tussen alle medewerkers, tussen de medewerkers en de klanten, en zoals die ook op Urk in het algemeen bleef, een gemengde economie, modern kapitalistisch aan de ene kant, maar die van een gemeenschap aan de andere kant. Tekenend daarvoor is wat Dirk Bakker in dit verband vertelt: “Waar ik echt een hekel aan had, was de opkomst van zogenaamde adviesbureaus die bedrijven overhaalden om voor een gering bedrag een bedrijfsonderzoek te plegen. Het summiere verslag gaf dan aan dat men aanknopingspunten zag om de resultaten met vele procenten op te schroeven. Er hing dan wel een behoorlijk prijskaartje aan dit vervolgonderzoek en eenmaal in die ban raakte men de adviseur niet meer kwijt. Dan kwamen er adviezen als: die oudere werknemer functioneert niet en moet dus worden ontslagen. Dat was dan de bezuiniging.” Naar de HBS in Emmeloord Op de HBS in Emmeloord kwam ik in een geheel andere wereld terecht, allemaal leerlingen met verschillende achtergron-
Accountancy in de visserij De inkomstenbelasting werd eind 1914ingevoerd met een hoogste tarief van 5%. Om de hoge uitgaven in de crisisjaren op te vangen, werd in 1934 een omzetbelasting ingevoerd van 4%. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden de Duitse bezetters de tarieven aanzienlijk verhoogd en nieuwe belastingen ingevoerd als de loonbelasting en vennootschapsbelasting. Om het land weer op te bouwen, liet de Nederlandse overheid die belastingen bestaan. De Urker vissers hadden aanvankelijk weinig met administratie te maken, maar dit werd anders toen ze in aanmerking wilden komen voor de Zuiderzeesteunwet. Er werden administratieve bewijzen gevraagd. Toen de Urker vloot na de Tweede Wereldoorlog explosief groeide, werd een beroep gedaan op kredieten die door banken worden verstrekt. Dit dwong vissers ook om met een goed onderbouwd bedrijfsplan te komen. Zo groeide de rol van de accountant in het Urker bedrijfsleven.
Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk | 13
Kosmografie ging ik met een telescoop de sterrenhemel bekijken om o.a. de omlooptijd van de manen van Jupiter uit te rekenen. Steeds meer ging ik ons leven als een oneindig klein stipje in een oneindig heelal voelen. Daar kwam de evolutie nog bij, wij mensen als maar één loot van het leven. We bleken helemaal niet centraal te staan in het leven, in het heelal, als je gewoon van je eigen waarneming uitging. Voortaan toetste ik de waarheid van allerlei gedachten en opvattingen aan de concrete waarnemingen van de wetenschap.
Afbeelding 15. Rein Haagsma terugkerend na de keuring van de SVU-sportvelden als consul van de KNVB.
den en ik voelde me ineens één met de rest. Het was een totaal nieuwe ervaring om niet meer op te vallen, niet meer anders te zijn. Verschillende Urkers waren me toen al voorgegaan en na mij kwamen er steeds meer die voor de HBS kozen.15 Reyer Kale kwam later bij me in de klas; apart was dat we op school Urkers met elkaar spraken en op Urk Nederlands. De HBS betekende voor mij een nieuwe wereld die open ging en die ik met beide handen aangreep. Allereerst leerde ik veel van de vrije discussies die gevoerd werden over actuele onderwerpen. Het waren de jaren zestig: de Derde wereld kwam op, vragen over abortus, euthanasie, homofilie, evolutie, oorlog en vrede en of christelijke politiek een noodzaak was. Let wel, niet dat de leraren deze nieuwe gedachten allemaal wilden bevorderen, maar ze leerden ons wel over deze dingen vrij na te denken en te discussiëren. Zoals het ging toen we voor het eerst mochten dansen op de feestavonden van de school: de gymleraar sprak vooraf namens de school: ‘Jongens, houdt het fijn!’ We hadden geen idee, wat hij in gedachten had. Drie ervaringen daar werden bepalend voor mijn verdere leven. Door het vak
Ik had een brede interesse voor allerlei vakken en kon maar moeilijk kiezen wat ik daarna zou willen studeren. De kerk op Urk had me tot een zeer serieuze en vrome jongen gemaakt. Ik dacht veel na in de lange diensten in de Petrakerk, in de tijd dat ik ook de Gemeente Cahiers ging lezen die mijn vader van de Theologische Hogeschool in Kampen ontving en waar de geschiedenis van Bijbelteksten en dogmatiek aan de orde kwamen. En toen mijn godsdienstleraar ds. Van den Heuvel over de nieuwe God-is-doodtheologie begon, was ik verkocht: ik wilde theologie studeren. Niet om dominee te worden, maar om ermee naar ontwikkelingslanden gaan: wat betekent geloof in de praktijk. De derde ervaring was die van verkering. In die tijd kreeg ik belangstelling voor meisjes en zeker ook Urker meisjes. Maar bij Urker meisjes was er de schroom over en weer om de eerste stap te zetten, omdat er ook iets van een stap in een andere wereld bij kwam. En als een Urker meisje toch een stap naar mij zette, hield mijn moeder het wel af. Dus mijn eerste verkering was met een meisje uit Emmeloord. Op Urk kon ik met al deze nieuwe ervaringen en gedachten nergens heen. Het
antwoord op alle vragen begon op Urk met geloof en daarmee op gezag aannemen wat de dominee en de kerkenraad leerden. Je mocht er wel over nadenken, maar dan wel binnen de kaders van dat geloof en kerkelijk gezag. Feitelijke waarnemingen die daar strijdig mee waren werden genegeerd, ontkend (’t is ook maar een geloof) of onchristelijk verklaard. Mijn vader adviseerde me op de Jongelingvereniging te gaan, wat ik ook met plezier ging doen. De discussies daar waren goed, maar raakten lang niet aan de vrijheid en de thema’s die ik op de HBS had leren kennen. Wat ik vooral ook voelde bij de Urker deelnemers was een soort zelfcensuur om niet helemáál te zeggen wat ze soms werkelijk dachten. Dat voelde je. En mocht je daar aan twijfelen, dan wist je dat omdat er soms ouderlingen bij kwamen zitten om te horen waarover onze discussies gingen. Maar de tijden waren aan het veranderen, ook op Urk. Van een paar jongens op Urk bij wie ik op de lagere school in de klas had gezeten, hoorde ik dat zij in die tijd lang haar waren gaan dragen. Hun vader, voorlezer in de kerk, vond het maar niks en heeft op een keer toen ze sliepen hun haar gekortwiekt. De volgende zondag toen hij zich klaar wilde maken voor de dienst, bleek één van zijn broekspijpen gekortwiekt ...16 Het was ook in deze tijd dat mijn vader verschillende keren op nominatie stond om als diaken in de kerkenraad gekozen te worden. Hij is echter nooit gekozen, wél in de Commissie van Beheer. Mijn moeder zei: “Misschien vertrouwen ze meer op je financiële kennis dan op je geloof?” Kerkenraadslid, ouderling met name, was in die dagen een erefunctie. Zouden ‘vreemden’ daartoe kunnen behoren? Ja, sommige blijkbaar wel, maar alleen diegenen die bereid waren op te gaan in de Urker cultuur?
‘Misschien vertrouwen ze meer op je financiële kennis dan op je geloof?’
14 | Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk
STICHTING URKER UITGAVEN
Of was het misschien omdat hij te veel wist van het verschil tussen leer en praktijk bij sommigen? Op een keer kwam mijn vader bij dokter Rebel. In de gang trof hij naast dokter Rebel een Urker visserman, patiënt van dokter Rebel, en ds. Groenevelt. De dominee sprak toen op zijn bekende verheven toon tegen de Urker visserman, wijzend op dokter Rebel: “Deze man kent u lichamelijk en laten we aannemen dat ik u geestelijk ken”, en toen wijzend op mijn vader, “maar déze man kent u helemaal!” Ondanks deze anekdote denk ik niet dat het beroep van mijn vader een rol gespeeld heeft, omdat later wel andere leden van het kantoor kerkenraadslid werden. Of vertrouwden ze mijn vader wel, maar mijn moderne moeder niet? Als dat zo was, dan zei dat meer over de Urker cultuur, in de kerk en daarbuiten, namelijk dat de weg naar emancipatie van de Urker vrouw nog een lange weg te gaan had.17 Ja, de vrouw als ‘kapitein op het schip dat thuis heette’, maar dan wel in haar traditionele rol van het moederschap en de zorg voor de kinderen in de eerste plaats. Het waren dit soort reële verschillen in normen en waarden die ons het gevoel gaven inderdaad in twee werelden te leven. Vertrek van Urk Zo vertrok ik in 1968 naar Kampen voor mijn studie Theologie. Op de HBS bleek ik een aardig potje te kunnen basketballen. Op Urk had ik als speler geholpen Orca’s van de grond te krijgen. Gedwongen door mijn vertrek naar Kampen moest ik daar mee ophouden. Toen in Kampen bleek dat ik daar niet verder kon sporten, kwam ik op Urk nog eens kijken of ze me gebruiken konden. Maar het voelde niet meer zoals vroeger. Het was mijn afscheid van Urk. Zoals uit zijn nevenfuncties blijkt, wilde mijn vader niet zijn hele werkzame leven met alleen maar financiën bezig zijn (afb. 15). Het is dan ook niet toevallig dat hij in de 60-er jaren lid van het bestuur van Talma werd en zich ging beijveren om ook op Urk voor de bejaarden een goed tehuis te realiseren. Toen een nieuwe directeur voor Talma werd gevraagd, aarzelde hij niet om te solliciteren. Ons gezin verhuisde naar Veenwouden. Het
STICHTING URKER UITGAVEN
Urk heeft solidariteit behouden door handhaving van de eigen cultuur via de kerk accountantskantoor Haagsma & Leystra ging voortaan kantoor Leystra heten en kwam na diens dood in 1985 in handen van zijn zoon Harmen. Terugblik Veel van wat ik geschreven heb over de Urker cultuur en mijn jeugdindrukken daarvan is niet uniek voor Urk. Wat ik een traditionele cultuur of traditionele economie noemde kwam toen evenzeer ook elders in Nederland voor in boerengemeenschappen op het platteland of, zoals ik het later leerde kennen, in veel ontwikkelingslanden elders in de wereld. De aard van het verschil tussen wat traditioneel of modern heet, was in feite enerzijds nieuwe kennis vanaf de 16e eeuw die had geleid tot de moderne wetenschap en de Verlichting en anderzijds nieuwe technieken die leidden tot de Industriële Revolutie en kapitalisme. Het ene maakte de mens vrij om te denken wat hij wilde, niet meer bepaald door de Kerk. Het andere spleet de gemeenschap in rijkere (eigenaars van de productiemiddelen) en armere groepen (aangewezen op loon of zelfredzaamheid). Urk heeft zich als vele andere gemeenschappen met een traditionele economie altijd teweergesteld tegen elke bedreiging van haar onderlinge solidariteit door handhaving van de eigen cultuur via de kerk die ervoor moet waken dat de Urkers niet uit elkaar worden gespeeld. Daarbij kan wel gebruik gemaakt worden van nieuwe kennis en technieken (denk aan de visserij), maar moeten er ook mechanismen worden ingebouwd die ervoor zorgen dat het familiaire karakter van Urk, de onderlinge cohesie, bewaard blijft, zoals door het werken in maatschappen, door onderlinge verzekeringen en een gezamenlijke visafslag, waardoor welvaart (denk ook aan de visverwerking) en risico’s (denk aan werk-
loosheid) optimaal gedeeld worden. De inpoldering en de huidige wet- en regelgeving vanuit de overheid en Europa zijn dus alleen maar de laatste bedreigingen voor die eenheid van de Urker gemeenschap. Het zal derhalve afhangen van het succes van de eigen Urker instellingen in hoeverre Urk zich sociaaleconomisch sterk genoeg zal kunnen voelen om ook verandering op cultureel-religieus gebied een kans te geven, waarbij ieder vrijer zal zijn in z’n eigen denken, handel en wandel. Dus Urk is niet uniek in de uitdaging waarvoor het staat, het deelt deze met vele traditionele, nog homogene gemeenschappen elders in de wereld. Mijn verhaal begon met de dag dat mijn ouders me meenamen naar Urk om daar, bij de snel groeiende visserij, een accountantskantoor op te bouwen, een avontuur waarvoor zij weg moesten trekken van familie en geboortegrond. Later ben ik zelf op dat pad van avontuur verder gegaan: naar Indonesië waar we 6 jaar woonden en Israël waar we 5 jaar verbleven. In beide landen zijn er wel momenten geweest – in Indonesië rond ziekte, in Israël aan de vooravond van de Golfoorlog – waarin ik me afvroeg: hoe ver mag je gaan in je idealen wat je kinderen betreft? Jij hebt er immers voor gekozen, maar zij worden daarin meegenomen, en moeten daar opgroeien. De vraag of onze jeugd als ‘vreemden’ op Urk waardevol is geweest, hangt daarom samen met de vraag of het verblijf van onze ouders op Urk zinvol is geweest. De advertentie in het Urkerland ‘Thans heeft URK een EIGEN KANTOOR’ in 1950 had me aanmatigend geklonken. Hoe konden ze verzekeren dat de Urkers zo’n plaatselijk kantoor als een vertrouwd, betrouwbaar en zo als een behulpzaam kantoor zouden gaan voelen? Essentieel is in mijn ogen dat het kan-
Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk | 15
toor met uitsluitend Urker personeel is gaan werken. Zij werden als eersten opgeleid in het accountant vak. Veel van hen stroomden door naar andere bedrijven op Urk, waardoor hun kennis breder gedeeld werd. De kantoormedewerkers op hun beurt hebben de klanten op Urk wegwijs gemaakt in het labyrint van allerlei instituties, zoals belastingen, banken en verzekeringen die ze nodig hadden om hun (vissers-) bedrijf op moderne leest te schoeien. In de onbekendheid en de onzekerheid die al deze administratieve verplichtingen betekenden was het cruciaal om als klant te werken met mensen die je kende en vertrouwen kon. En juist daarin waren de medewerkers van het kantoor op hun plaats. Urkers die Urkers hielpen (afb. 16). Maar even essentieel is waarschijnlijk geweest dat dit kantoor door ‘vreemden’ geleid werd, mensen die objectief konden staan tegenover elke klant, bij wie kennis van het ene bedrijf niet op één of andere manier terecht kwam bij het andere bedrijf. ‘Vreemden’ bovendien die een brug konden vormen naar alle niet-Urker instanties waar ze mee te maken kregen. Niet in de laatste plaats zullen Haagsma & Leystra richtinggevend moeten zijn geweest om een sociaal, rechtvaardig en financieel verantwoord beleid neer te zetten, dat vissers moest behoeden voor onverantwoorde avonturen of voor al te creatieve oplossingen voor de fiscus. Hun gereformeerde inborst zal daar zeker bij geholpen hebben. Het was deze voorwaardenscheppende rol, in combinatie met de Urker medewerkers en in de familiaire sfeer die Urkers van huis uit zeer goed kenden, dat het kantoor tot een succes maakte. Dus misschien was ’t inderdaad het juiste kantoor in de juiste tijd voor Urk! Via mijn latere werk in het buitenland, na Indonesië en Israël, in zuidelijk Afri-
Afbeelding 16. Een bedrijfsuitje met diverse Urker kantoormedewerkers. Rechts de echtparen Piet en Willie Snoek en Dubbele en Heleen Ras.
ka, Midden-Oosten en opnieuw Zuidoost-Azië, kwam ik in de meeste landen daar tegen wat ze een ‘expat community’ noemen: een groep van buitenlanders die voor een bepaalde periode in dat land wonen voor een bepaald project of bepaalde functie die het land zelf nog niet kan vervullen. Achteraf gezien is ons verblijf op Urk, met andere vreemden, daar het beste mee te vergelijken. In al die situaties kun je als vreemden en lokale bevolking uiterst vruchtbaar met elkaar samenwerken, zonder dat dit in de meeste gevallen leidt tot heel persoonlijke relaties, omdat er altijd belangrijke cultuurverschillen zijn die de ander in belangrijke opzichten anders doet voelen of onbereikbaar maakt. Voor de kinderen is zo’n situatie nog weer anders dan voor de ouders: deze kinderen moeten zelf hun weg vinden in de wereld van de plaatselijke bevolking en de andere wereld van hun ouders en andere expats. Ik zag aan de kinderen van vreemden op Urk dat ze daar verschillende keuzes in maakten. Ik zelf had er voor gekozen geheel met de Urker
Misschien was het inderdaad het juiste kantoor in de juiste tijd voor Urk! 16 | Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk
kinderen om te gaan alsof ik er toe behoorde. Later heb ik dat ook gedaan: als student in Kampen ging ik om met de Kampenaren en bij mijn latere verblijf in het buitenland ben ik nooit opgetrokken met de expat community, maar als vanzelfsprekend met de lokale bevolking waar ik me – dankzij Urk – meer bij thuis voelde (afb. 17). Op Urk speelde echter nog een andere factor mee, die ik later ook in Israël tegenkwam en die het verblijf op Urk gecompliceerder maakte. Urk had naar mijn mening net als Israël de claim dat het niet een gewone staat of gewoon dorp was.18 De godsdienst maakte mee deel uit van de identiteit van staat en dorp, waarbij je steeds de vraag moest stellen: gaat het hier om de godsdienst zelf of gaat het hier om politiek19 gebruik van die godsdienst? Een onderscheid waar de bevolking zelf vaak nauwelijks het verschil voelt en ieder er ook anders in kan zitten. Want voor allen gold dat de godsdienst drager en beschermer was geworden van de Urker identiteit en daarmee de Urker meer weerbaar maakte om adequaat om te gaan met de vele veranderingen en uitdagingen die de verbinding met het vasteland voor Urk betekende: de inpoldering van zee, opbouw van een moderne kustvisserij en de steeds grotere invloed van de weten regelgeving van de overheid.20 Het dwong ons als vreemden na te denken hoe we deze bijzondere Urker identiteit
STICHTING URKER UITGAVEN
zagen en op basis daarvan onze eigen weg daarin te vinden21.
len als iemand die buiten de gemeenschap staat, als een vreemde.
Je kon – als volwassene of als kind – ervoor kiezen je wat afzijdig te houden van de kerk op Urk, maar daarmee maakte je dan wel je vreemd-zijn nog sterker en minder begrepen. Je kon – maar dat gold praktisch alleen volwassenen – er ook voor kiezen de positieve kanten van die kerk te waarderen en de eigen achtergrond te laten voor wat het was. Misschien dat een aantal die op Urk kwamen en daar gebleven zijn hiervoor hebben gekozen. Ikzelf was één van de kinderen die geprobeerd heeft in beide werelden te leven, de wereld van Urk en de wereld van mijn ouders, wat ook betekende in de kerk van Urk én in de kerk aan de vaste wal. Maar dat is me uiteindelijk niet gelukt: in de ene kerk (die van Urk) had ik het gevoel dat ik een ‘vreemde’ bleef, terwijl ik in de kerk aan de vaste wal me ‘vreemd’ bleef voelen omdat ik in zo’n kerk niet was opgegroeid. Zo ben ik sociaal en religieus, in dit geval niet geheel ontoepasselijk, tussen de wal en het schip terecht gekomen! Waar ook ter wereld ben ik mezelf altijd blijven voe-
Maar dat gezegd hebbende, moet ik nu ook de andere kant daarvan belichten! Urk is voor mij een zeer boeiende gemeenschap geweest die me veel te denken heeft gegeven en me daardoor zeer veel geleerd en gebracht heeft – een jeugd die ik niet had willen missen. Ik ben zo van jongs af gewend geraakt om zelfstandig na te denken over de omstandigheden waarin ik leef, over de verschillen in godsdienst en cultuur en ook de onderlinge overeenkomsten te herkennen tussen mensen en gemeenschappen waar ook ter wereld, ook al gebruiken ze een andere taal om dat onder woorden te brengen. Ik heb van Urk geleerd, dat juist als mensen uitgedaagd worden om te veranderen, ze een enkel punt nodig hebben om aan vast te houden. En dat is nodig, ook al wordt dat punt vroeg of laat weer ter discussie gesteld, omdat nu eenmaal alle levende dingen aan veranderingen onderhevig zijn. Op Urk werd iemand die veranderde in z’n geloofsopvattingen beschouwd als iemand met ‘een geloof op wieletjes’. Maar was dat vanaf het begin
niet juist de bedoeling als je naar de Ark des Verbonds kijkt? Zelfs toen die z’n definitieve plaats in de tempel vond, moest die mobiel blijven, de stokken in de ringen, klaar om van plaats te veranderen. En veranderd ben ik door mijn ontmoeting met veel meer mensen van andere culturen. Ik heb dankzij Urk geleerd hoe ik met hen het leven kan delen en hoe we samen aan gezamenlijke idealen kunnen werken. Ik heb geleerd dat juist samenwerking tussen verschillende culturen enorm vruchtbaar kan zijn en tot betere resultaten leidt dan als ieder het alleen met eigen mensen had gedaan. Zo bezien bestaat de hele wereld – ook Nederland, ook Urk – uit verschillende culturen, waar ieder zijn eigen waardevolle bijdrage kan leveren. Dus als je vraagt wat ik geleerd heb van Urk, dan is ‘t precies dat. En daarom is het Urk van mijn jeugd ook míjn Urk gebleven, naast dat van de andere Urkers.
Met dank aan Dirk Bakker, Rien Bogerd, Klaas Brouwer en Jurie Romkes (P.O. Urk) voor hun medewerking.
Afbeelding 17. Sjoerd Haagsma als expat te midden van de lokale bevolking.
STICHTING URKER UITGAVEN
Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk | 17
Eindnoten
1 Naast hulp in ons gezin, ging Alie ook jaarlijks met ons mee op vakantie naar Vlieland. Zij voelde als deel van ons gezin en haar moeder werd voor ons ‘tante Lies’. 2 Zie voor uitgebreider tijdsbeeld Urcker Kronieken, Geen plek voor Urk, Jaargang 2018 nr. 2 3 De wirwar was vooral in de oudste buurten van Urk: ieder huis als het even kon met de voorkant gericht naar de zon, eilandjes op zich, afgegrensd door een houten hek, vroeger met hier en daar een pomp of hut (voor 1924 toen de waterleiding ). Het gaf goed de Urker cultuur weer van streven naar zelfstandigheid en hechte samenwerking. Vergelijk deze met de Middeleeuwse terpen cultuur, zie Michael Pye, Aan de rand van de wereld, Hoe de Noordzee ons vormde, 2015, p. 42 e.v. 4 Uitspraak van Lub Kramer in Urcker Kronieken, Geen plek voor Urk, Jaargang 2018 nr. 2, p. 23. 5 Typering van mijzelf om de toenmalige Urker economie te karakteriseren, economisch werkend als familie en/of breder op familiaire wijze met andere leden van de gemeenschap. Deze familiaire economie (van samen sterk) was ontstaan in reactie op machtige invloeden van buitenaf in het verleden (voortkomend uit het feit dat Urk altijd tot anderen behoord heeft). Zie ook noot 6. 6 Vergelijk Urk met Nederlands-Indië: “Eindelijk zou Nederland zijn lang verwaarloosde, historische taak vervullen. NederlandsIndië zou tot een moderne maatschappij ontwikkeld worden, de bevolking zou naar een wereldpeil worden opgeheven, de slome Javaan zou door het westerse voorbeeld en de westerse leiding worden geprikkeld tot een krachtsinspanning, die hem in staat zou stellen, de eeuwenoude achterstand op den duur in te halen.”, W.F.Wertheim in Indonesië, van vorstenrijk tot neo-kolonie, 1978, p. 63 (zie ook p.68-74). Er zit een tegenstelling in dit ethische streven: als men de Javaan/Urker echt zou verheffen (door scholing etc), dan zou deze een concurrent worden van de Nederlandse ondernemingen/bedrijven in Nederlands-Indië of de polder die meer belang hadden aan goedkope arbeid! Daarom resulteerde deze politiek uiteindelijk in het ‘klein’ houden van deze mensen, maar ook tot hun groeiend verzet met gebruikmaking van moderne middelen! Zie ook Indonesië: kolonialisme onafhankelijkheid neo-kolonialisme, door J. Pluvier, 1978, p.18 – 22. Meer diepgaand, zie J.H.Boeke, Indische economie, 1940. 7 Het overnemen van de kapitalistische geest door Urker vissers hield ook een gevaar in: zij konden wel eens zo succesvol worden dat dit ten koste zou kunnen gaan van de minder succesvolle vissers en andere kleine nering op Urk. Dit werd voorkomen vanuit de sociaal-religieuze identiteit van Urk die de egalitaire gemeenschap moest bewaken via maatregelen die spreiding van risico’s en succes moesten garanderen. Zie pagina 15 en noot 8 hieronder voor dit soort processen. Zie ook J.H.Boeke, ad ibid. p.78 – 85. 8 Zie voor dit soort processen Joel S Migdal, Peasants, Politics and Revolution, 1974 9 Toelichting van de schrijver. 10 Zie De Nederlandse Vissersbond 1934-1994 “60 jaar zee- en kustvisserij”, 1994, p. 47-48. 11 De Dienst Uitvoering Werken (DUW) was een overheidsinstantie, die in 1944 de opvolger was van het Werkfonds (1934) en de Rijkdsdienst voor Werkverruiming (1939). Deze instanties waren opgericht om werklozen in te zetten voor onder meer ontginningswerkzaamheden, zoals rond Giethoorn. 12 Later vroeg ik me af waar, wanneer en hoe deze gewoonte om een schip in de kerk te plaatsen vandaan kwam. Eenzelfde gewoonte kenden vele Scandinavische kerken, waar het schip symbool staat voor de vroegere god Freyr, wier hulp men vroeg voor een behoudenvaart en goede visvangst. Zie Judith Schuyf: Heidense Heiligdommen, p. 116. 13 Zie Urk, de geschiedenis van een eiland, door André Geurts, 2005, p. 82-83. 14 Mijn vader werd in die tijd ook lid van het bestuur van de Rehoboth-school, zoals hij dat later ook zou doen met de HBS in Emmeloord. 15 De HBS in Emmeloord was in 1955 geopend en verschillende Urkers waren me daar voorgegaan. Namen die ik ken waren in ieder geval Piet van Albert Piet Brouwer, Marijtje de Boer, Eelco van ds. Groenevelt, Piet van meester Bos, Jan van Frans Brouwer, Gerrit Keuter en Andries Bakker. Boven mij zat ook nog Maarten Meun. 16 Voor de culturele veranderingen, zoals die met name in de kerkelijke ontwikkeling naar buiten kwamen, zie Urcker Kronieken, Kerkgeschiedenis van Urk en de polder, Rien Bogerd, 2019, en godsdienstwetenschapper Durk Hak, Kerksplitsingen en de verwerving van status in een maritieme cultuur, 1994. 17 Nota bene in de Bijbel zijn vrouwen de eerste aankondigers van verlossing: Sifra en Pua met de verlossing uit Egypte, Elisabeth en Maria met de verlossing in Christus (Lucas 1:5-38) Maria van Magdala en Maria bij de verlossing uit de dood (Lucas 23:55 – 24:11), terwijl de mannen dat nog zotteklap noemden. 18 Geworteld in eenzelfde gebruik van het Oude Testament zijn er opvallende paralellen waar te nemen tussen Urk en Israël als joodse staat, met name hoe godsdienst, gemeenschap en dorp/staat zich met elkaar verhouden. 19 ‘Politiek’ hier in de letterlijke betekenis als betrekking hebbend op de inrichting van de polis, in dit geval: van staat en dorp. 20 Dat de kerk drager bleef van de Urker identiteit zou men ook een uitvloeisel kunnen noemen van de falende ethische politiek,
18 | Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk
STICHTING URKER UITGAVEN
voorgestaan in de Zuiderzeewet van 1918. Men beoogde immers ook een opheffing van de Urker bevolking via grote scholingsen omscholingsprogramma’s (zie Urcker Kronieken, Geen plek voor Urk, p. 8 ), maar al spoedig bleek dat deze in dienst gesteld moesten worden van de economische bedrijvigheid in de polder (zie noot 5). Daardoor zijn sociaal-politieke veranderingen op Urk grotendeels achterwege gebleven en was de uitdaging van de moderne maatschappij vooral economisch gebleven. 21 Het veelvuldig gebruik van het Oude Testament en de centrale plaats voor de Psalmen in de kerkdienst heeft een Urker religieuze identiteit opgeroepen die sterke overeenkomst vertoont met de Joods-Israëlische, onderliggende reden waarom op Urk de verbondenheid met Israël als groot gevoeld wordt.
STICHTING URKER UITGAVEN
Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk | 19
Samenvatting. De schrijver verhaalt over zijn jeugd als ‘vreemde’ op het Urk van de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw. Het is het Urk dat iedere volwassene van toen nog als eiland gekend en beleefd heeft en dat zich snel aan moet passen aan de eisen en mogelijkheden van de nieuwe verbinding met het vasteland. Een samenleving waarin de uitdagingen en verleidingen van de nieuwe economie haar traditionele cultuur en mores danig op de proef stellen. Als zoon van een van de oprichters van het eerste Urker accountantskantoor worden zijn ervaringen gekleurd door het reilen en zeilen van dit kantoor en door de relatie die Urkers en ‘vreemden’ op het Urk van toen met elkaar hadden. Later verlaat hij Urk voor zijn studie en werkt tientallen jaren in ontwikkelingslanden. Vanuit die ervaringen probeert hij zijn jeugd, en de Urker gemeenschap van de jaren 50 en 60 in een breder verband te plaatsen.
Summary. The author recounts about his youth as a ‘stranger’ on Urk in the 1950s and 1960s. This is the Urk where every adult would have experienced and remembered the time when the village was still an island, and now had to adapt to the possibilities and demands of the new connection to the main land. A society in which the challenges and temptations of the new economy severely challenged its traditional culture and social conventions. As son of one of the founders of the first Urk accountancy firm, his experiences were coloured by the firm’s affairs and the interaction of the traditional Urk population with the ‘strangers’ during the period. He left Urk to study and worked for decades in developing countries. Based on these experiences, he has attempted to place his youth in Urk and the Urk community of the 1950s and 1960s in a wider context.
Colofon Urcker Kronieken is een digitaal magazine van de Stichting Urker Uitgaven waarin op diepgaande wijze onderwerpen over de geschiedenis van Urk worden belicht. Het magazine wordt gepubliceerd op de website: w w w.urker u itgave n . n l
Heeft u ook een bijdrage? We houden ons van harte aanbevolen voor uw bijdrage, ongeacht de lengte hiervan. Neem vrijblijvend contact met ons op om dit te bespreken. Ook reacties op het magazine zijn welkom. i nfo @urke r u i tgave n. nl
20 | Sjoerd Haagsma | Mijn jeugd als ‘vreemde’ op Urk
STICHTING
URKER UITGAVEN
STICHTING URKER UITGAVEN