Skip to main content

Een calvinistisch bolwerk

Page 1

Kronieken Urcker

Jaargang 2019 | nr. 4

STICHTING

URKER UITGAVEN www.urker u i tgaven.nl

Afbeelding 1. Uitsnede van Biddende Vissers, een schilderij van Ernst Leyden die van 1919 tot 1921 een atelier op Urk had. Op de achterkant van dit schilderij schreef hij: ‘Urk, Calvinisme, l’esprit se bat et ordonne les elements durs du nord’ (Urk, calvinisme, de geest vecht en ordent de harde elementen van het noorden).

Pier Johannes Schaap

Een calvinistisch bolwerk Urk staat heden ten dage bekend als calvinistisch. Een wat afgelegen uitloper van de Biblebelt die zich kenmerkt door het relatief groot aantal bevindelijk-gereformeerden. Bijzonder, omdat Urk zich aanvankelijk maar met moeite van het rooms-katholieke geloof los kon maken en daarom ook vrij laat de ‘nije leere’ beleed. Maar calvinistisch kon het toen zeker nog niet genoemd worden. De Afscheiding en de komst van Pier Johannes Schaap speelden een belangrijke rol in een proces waarin Urk uitgroeide tot een calvinistisch bolwerk (afb. 1).

Door Dr. Henk Florijn hflorijn@hetnet.nl


De Afscheiding De Bataafse Revolutie in 1795 had ook gevolgen voor de kerken in Nederland. Het maakte een eind aan de bevoorrechting van de Gereformeerde Kerk door alle kerkgenootschappen voor de wet gelijk te stellen. Van de zijde van de remonstranten werd een poging ondernomen tot een ‘algemeene broederlijke vereeniging’ van alle protestantse kerken, maar dit mislukte. De Synode van wat later, vanaf 1816, de Nederlandsche Hervormde Kerk genoemd zou worden, besloot verder om het bevestigingsformulier voor dominees te laten vervallen dat zich uitsprak tegen sociniaanse, arminiaanse en ariaanse dwalingen. In de kerk kwam in toenemende mate een liberaal en tolerant klimaat waarin verschillend gedacht kon worden over leerstukken zoals de Goddelijke Drie-eenheid en Christus’ plaatsbekledend lijden en sterven als betaling voor de menselijke schuld. Velen beschouwden de mens niet langer van nature geestelijk dood, maar meenden dat op grond van goed gedrag de zaligheid door Christus verleend werd. Om te komen tot een brede en aanvaardbare volkskerk, waar iedereen persoonlijke vrijheid van denken had, behoefde geen leertucht meer uitgeoefend worden. Een contrabeweging in de Nederlandsche Hervormde Kerk wilde zich juist houden aan de drie Formulieren van Eenheid en aan de handhaving van de tucht. Zij stond de bevindelijk-gereformeerde leer voor, die beleed dat de werken van de mens niets aan zijn heil kunnen toedoen. Zij stelde dat God in Zijn uitverkiezing bepaalt wie in de hemel komen en dat slechts weinigen hiertoe zijn uitverkoren. Wie tot bekering werd gebracht, vaak op krachtdadige wijze, moest die gebeurtenis wel kunnen vertellen. Het gevolg was dat mensen thuisbleven en gezelschappen vormden, waar mensen uitgenodigd werden om te komen oefenen, dat wil zeggen de Schrift verklaren, zonder de sacramenten te bedienen. Ook op Urk werden oefenaars uitgenodigd. Het blijkt uit een brief van professor J. Heringa van 19 augustus 1829. Hij schreef dat dominee J.A. Romkes uit Urk op bezoek was geweest en zijn nood had geklaagd. ‘Vroeger was er eendracht in de gemeente geweest, maar daar was een dweepachtige en geestdrijvende Friesche schipper gekomen, die den predikant voor een geesteloozen en onbekeerden leeraar had uitgemaakt en hem bij velen verdacht had trachten te maken.’ Het verzet vanuit de behoudende hoek leidde in 1834 tot de afzetting van Hendrik de Cock, die predikant was in Ulrum. Deze gemeente scheidde zich vervolgens af van de landelijk Nederlandsche Hervormde Kerk om terug te keren naar de oude Gereformeerde Kerk. Vandaar dat er sprake is van de Acte van Afscheiding en Wederkeer. Op diverse plekken in ons land werden vervolgens nieuwe gemeenten gesticht, waaronder één op Urk. Voorganger wordt Pier Schaap. De beweging die ontstaan was, wordt de Afscheiding genoemd.

Pier Johannes Schaap was een afgescheiden oefenaar van het eerste uur die later als predikant bevestigd werd. Zijn enige standplaats is Urk geweest. Een brochure, enige preken en natuurlijk officiële archiefstukken maken het mogelijk om meer over hem te zeggen. Pier Johannes Schaap werd op 10 juni 1810 in Workum geboren. Zijn vader was Johannes Piers Schaap, zijn moeder Trijntje Gerrits van der Ploeg. De ouders waren arm, wel hebben zij hun zoon in staat gesteld om het onderwijs te volgen. De jongen moet intelligent geweest zijn en in later jaren zou blijken dat hij zich zowel mondeling als schriftelijk goed kon uitdrukken. Wat zijn karakter betreft krijgen we de indruk dat hij zich aan weinig gelegen liet liggen: hij was onrustig, hartstochtelijk, stellig in zijn manier van doen en ging – zo lijkt het – zijn eigen gang. Pier kwam in contact met de acht jaar oudere Lijsbeth Rienks Bloter (geboren 20 september 1802) en met haar trad hij op 30 mei 1830 te Workum in het huwelijk. Dat hij al op zijn negentiende trouwde hield verband met de zwangerschap van Lijsbeth; hun eerste kind werd op 20 oktober 1830 in Workum geboren. Heeft het de jonge vader een sterker verantwoordelijkheidsgevoel gegeven? Hij werkte als lederbereider ijverig voor de kost voor vrouw en kind. Tegelijk krijgen we de indruk dat hij ernstiger geworden was. Hij ging in de omgeving van Workum kerken en kwam onder het gehoor van de orthodox-gereformeerde ds. Cornelis Witteveen, die vanaf 1825 in Oosthem stond. Jaren later zou Pier aan hem schrijven: ‘Ik heb van u, weleerwaarde heer, veel gehouden, om uws werks wille, betrekkelijk de predikdienst, waaronder ik vermeende veel zegen voor mijne ziel genoten te hebben, toen Gij nog in de gemeente van Oosthem stond.’ Het was ‘een betrekking’, die ook later ‘nog niet verbroken’ zou zijn. Zegen Waaruit heeft die ‘zegen voor mijne ziel’ bestaan? Pier Schaap heeft geen bekeringsgeschiedenis nagelaten. Wel heeft hij in zijn preek De genadige regtvaar-

2 | Henk Florijn | Een calvinistisch bolwerk

STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 2. Een tekening van ds. H. de Cock die enkele jaren na zijn dood is gemaakt. Beeldbank Groningen.

digmaking des zondaars voor God, die na zijn overlijden in 1862 in Kampen werd uitgegeven, gesproken over het geloof dat noodzakelijk gekend moet worden en waardoor de ziel Christus aanneemt en Hem omhelst, zodat hij ‘deel krijgt aan de gerechtigheid van de Borg en Zijn genoegdoening’. Zoals Pier later schreef: ‘In Hem gerekend zijnde’, wordt hij rechtvaardig. Oefenaar Het waren de jaren van kort voor de Afscheiding. Pier Johannes, stoere Fries, radicaal als hij was, hield niet van halfslachtigheden en voelde zich sterk aangetrokken tot deze kerkelijke beweging. Zonder aarzeling koos hij de kant van ds. Hendrik de Cock (afb. 2) en de zijnen en eenmaal gekozen, is hij nooit teruggekomen op zijn besluit. Hij begon ook, evenals De Cock had gedaan, de ‘oude schrijvers’ te onderzoeken en mede dankzij een helder verstand, raakte hij er goed in thuis. Pier kon verder gedreven en bezielend spreken. De geestverwanten onderkenden bij hem een zeker charisma en zagen in hem een voorganger voor de gezelschappen. Of hij ook wilde oefe-

STICHTING URKER UITGAVEN

nen, dus voorgaan in de bijeenkomsten zonder de sacramenten te bedienen, vroegen ze hem. Hij stemde toe, dit tot woede echter van de niet-orthodoxe dominee van Koudum, J. Folkertsma, die begin juni 1835 schreef dat’ de ‘oefeninghouder’ in zijn dorp ‘een inwoner van Workum’ was en ‘geen lidmaat der Hervormde Kerk’. Verder dat er ‘meestentijds tusschen de 150 tot 200 menschen zamenkomen’ die ‘zoowel tot andere gemeenten als tot de gemeente van Koudum behooren’. Er was in de samenkomsten weinig ceremonieel, aldus Folkertsma: Pier Schaap stond voor een tafel terwijl hij zijn ‘godsdienstige redevoering’ hield. Het bleef niet bij Koudum alleen, ook Sneek kwam aan de beurt. De burgemeester van die stad werd ervan op de hoogte gesteld en op 28 juni 1835 schreef hij aan de gouverneur van Friesland: ‘Ik heb reden om te geloven, dat hier, vooral op zondagavonden, wel meer dergelijke bijeenkomsten worden gehouden, waar dan door iemand van buiten, zoals door zekere Pier Schaap van Workum … of door anderen het woord wordt gevoerd.’ Het zal duidelijk zijn: Pier Johannes Schaap behoorde tot de afgescheiden oefenaars van het eerste uur en zijn oefeningen trokken volk. Vermaning Het is opvallend dat Pier beter dan vele andere tijdgenoten kon aangeven waarom hij afgescheiden was. Het blijkt een soort van open brief, geschreven aan de eerdergenoemde ds. C. Witteveen onder de titel Vermaning tot getrouwheid. (Workum 1836)(afb. 3). Dit schrijven kan helaas niet tot de aantrekkelijkste pennenvruchten van de oefenaar gerekend worden. Want hoewel Schaap benadrukte dat de band met Witteveen niet was verbroken, geeft een van zijn opmerkingen wel te denken. Zo schreef Schaap dat ‘wijze mannen, man-

nen van name in onze dagen (tot wie hij Witteveen rekende), zo blind kunnen zijn voor de waarheid, of anders, dat zij door hun dwaasheid en vleselijke inzichten hun geweten zo kunnen tot zwijgen brengen, en zich door de Satan, die begoochelaar van de zinnen van de mensen in deze eeuw, zo veel valse grond en een daaruit geschepte troost in de handen konden laten stoppen en daarop voortgaan en zich openlijk als vijanden van de werken Gods verklaren’. Dat had Witteveen toch eigenlijk niet aan hem verdiend. Want Witteveen was een orthodox-bevindelijke voorganger, zij het dat hij tegen iedere vorm van Afscheiding was. Heeft het kerkelijk standpunt Pier Schaap destijds dan zo verblind? Een andere oefenaar, een zekere J.C. Bredzee meende van wel en hij schreef een Antwoord op eenen brief van Pier Schaap. (1836).

Afbeelding 3. Pier Schaap ondertekende zelf de voorrede van de Vermaning tot getrouwheid (Workum 1836).

Hoerenliederen, zo noemde Schaap de Evangelische Gezangen Henk Florijn | Een calvinistisch bolwerk | 3


Oorzaken van afscheiding Toch is het goed om op de open brief van Schaap in te gaan en alleen de punten zo zakelijk mogelijk weer te geven. Wat waren dan zijn bezwaren tegen de Hervormde Kerk van zijn dagen? Hij noemde er twee: Allereerst werden in het door hem verlaten kerkverband ‘die hoerenliederen’ (de Evangelische Gezangen) gehuldigd ‘in het huis des Heeren’. Volgens Schaap – en hij stemde hiermee in met Hendrik de Cock – krenken deze gezangen ‘de deugd van Gods rechtvaardigheid en vrijmacht’; zij beroofden verder Christus van Zijn eer als Zaligmaker en dreven de vrije wil van de mensen. Daarbij, het waren zuiver menselijke geschriften. In de tweede plaats werden in het Hervormde Genootschap de sacramenten niet bediend overeenkomstig de kerkelijke formulieren en werd de tucht niet beoefend over degenen die een hoogst ergerlijk leven leidden. Dit waren de hoofdzaken die Pier Schaap aanstipte. Opvallend blijft wel dat hij niet schreef over de liberale prediking die bij veel predikanten te horen was. De reden daarvan is zeer waarschijnlijk dat de brochure tegen Witteveen zelf gericht was en dat hij op diens rechtzinnige prediking niet wilde ingaan. Wel op zijn eigen begeerte tot het predikambt trouwens, want hij schreef: ‘Ik wil voor geen tien werelden, dat ik op een dergelijke wijze predikant moest zijn … terwijl er anders, onder getrouw makende genade, voor mij geen vermakelijker werk zou zijn, dan de predikdienst. Dat zou het leven van mijn leven zijn…’ Afscheiding op Urk 1836 werd voor Pier Schaap een heel belangrijk jaar. Toen maakte hij kennis met het eiland waar hij de rest van zijn leven zou wonen: Urk. Je kunt wel zeggen dat Urk in meerdere opzichten afgescheiden was. Niet alleen van het vaste land in die zin dat het eiland was, maar ook wat betreft kerkelijke ligging. En daar was het een en ander aan vooraf gegaan, zoals blijkt uit de woorden van de Hervormde predikant van Urk, P.J. ter Plegt, en die van de hogere kerkelijke instanties (afb. 4). Het was namelijk op 13 juli 1836 dat twee ouderlingen van de Hervormde ge4 | Henk Florijn | Een calvinistisch bolwerk

Afbeelding 4. Ds. P.J. ter Plegt.

meente zich bij hun predikant Ter Plegt hadden vervoegd. Ze vertelden hem dat Hendrik de Cock diezelfde dag op het eiland was gearriveerd en vroegen of hij in het kerkgebouw bij de zee ‘ten tien ure tot het houden eener predikatie zoude mogen optreden’. Dat mocht dus niet. Gevolg was dat De Cock wel voorging, maar in het huis van ‘zekere weduwe Albert Bakker’, waar hij ‘in het middaguur eene leerrede heeft gehouden naar aanleiding van Hebr. 11:

23-26’(afb. 5). Dat was zeker een toepasselijke tekst voor deze eerste afgescheiden dienst op Urk: ‘Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijn ouders verborgen, overmits zij zagen dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des konings niet. Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao’s dochter genaamd te worden; verkiezende liever met het volk Gods kwalijk behandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben; achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons.’ De dienst werd drukbezocht en onder de hoorders waren zelfs de burgemeester en een aantal leden van het gemeentebestuur aanwezig. Hier niet – zoals in veel andere plaatsen het geval was – om boetes uit te schrijven, maar om het Woord van God te horen. De Cock was niet alleen gekomen, met hem had de Zwolse luitenant van de schutterij Wolter Wagter Smitt gereisd en hij was er mede getuige van dat na afloop van de dienst een afgescheiden gemeente op Urk kon worden geïnstitueerd, ‘die zich den naam geeft van de Gereformeerde Kerk in Nederland onder het kruis’. Deze naam is belangrijk. Allereerst duidt het woord ‘kruis’ alleen op het kruis van de vervolging waaronder de

Afbeelding 5. De woning waarin de afgescheidenen hun eerste diensten hielden.

STICHTING URKER UITGAVEN


afgescheidenen toen zuchtten. Daarnaast handhaafde men nadrukkelijk de term ‘gereformeerd’ in plaats van ‘hervormd’, en wel om aan te geven dat men in de gereformeerde traditie van de vaderlandse kerk van de Reformatie wenste te blijven. Tijdens de dienst doopte De Cock ook nog drie kinderen en bevestigde hij ambtsdragers. Dezelfde avond oefende luitenant Smitt ‘voor een aantal van meer dan honderd personen’, waarna De Cock ‘in het late avonduur’ het Heilig Avondmaal bediende in het huis van een pas bevestigde ouderling. Beroep Nog geen dag later werd aan ds. Ter Plegt een Acte van Afscheiding overhandigd. Meer dan dertig namen kwamen erop voor. Beide voorgangers De Cock en luitenant Smitt vertrokken weer op 14 juli naar de ‘wal’. Tien dagen later, op zondag 24 juli, werd er weer in het huis van weduwe Bakker geoefend, nu, volgens Ter Plegt ‘door een zeker jongmensch, uit Vriesland gehaald en genaamd Pier’. Dat was dus niemand anders dan Pier Schaap. Nog veertien nieuwe leden hadden zich bij de gemeente aangesloten, al was een en ander volgens Ter Plegt letterlijk niet zonder slag of stoot gegaan, want – zo schreef hij – het is ‘maar al te waar, dat hier in meer dan een huisgezin zondag en later reeds onrust geheerscht heeft, ja zelfs kloppartijen tusschen man en vrouw of betrekkingen, alle voortkomende uit de zaak der afscheiding van onze Kerk. Ook wierd er verhaalt, dat genoemde Pier op Urk beroepen zoude zijn tot vasten oefenaar voor zes gulden per week. Hij is nu vertrokken en zoude er zich op bedenken.’ ‘Zwarte ondankbaarheid’ Kloppartijen nog wel. Het wekt de indruk dat op Urk een ruig volkje leefde. En dat was ook de mening van het Hervormd classicaal bestuur. Zij waren er vast van overtuigd dat henzelf en ook ds. Ter Plegt, in geen enkel opzicht iets te verwijten viel wat de Afscheiding betreft, en ze wasten hun handen in onschuld met de uitroep: ‘Er is toch geen heugenis, dat men in eene eeuw zoodanig een regtschapen predikant op

STICHTING URKER UITGAVEN

Vervolging om eenheid te bewaren Na de Franse overheersing kwam het Huis van Oranje in 1813 weer in Nederland terug. In 1815 werd Willem I uitgeroepen tot koning van het Verenigd Koninkrijk van Nederland en België. Zijn godsdienstpolitiek was erop gericht om de eenheid van alle christenen na te streven en zo een krachtige basis te creëren voor de nationale eenheidsstaat. Artikel 139 van de Grondwet van 1814 erkende ‘onverminderd het regt en de gehoudenis van den Souvereinen Vorst, om zoodanig toezigt over alle de godsdienstige gezindheden uit te oefenen, als voor de belangen van den Staat dienstig zal bevonden worden’. Op 7 januari 1816 werd het Algemeen Reglement voor het bestuur der Nederlandsche Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden, bij Koninklijk Besluit goedgekeurd. Hierbij kreeg de kerk Portret van Willem I koning der Nederlanden, de officiële naam Nederlandsche Joseph Paelinck 1819 (Rijksmuseum). Hervormde Kerk. Omdat er veel kerkleden waren die zich juist tegen de tolerantie keerden, kwamen er felle protesten. Onder hen waren groepen die zich afzonderden. Koning Willem I deed er alles aan om die verdeeldheid tegen te gaan met handhaving van een wet uit de tijd van de Franse overheersing, die huiselijke bijeenkomsten van meer dan negentien personen verbood en die alleen godsdienstoefeningen in de kerken toestond. Het leidde tot talloze rechtszaken, boetes en zelfs gevangenisstraffen, waarbij het grootste verwijt was dat er onrust en verdeeldheid werd gezaaid. Ook Urker overtreders moesten in Hoorn voor het gerecht verschijnen en kregen geldboetes opgelegd. De vervolgingen duurden niet heel lang. In 1839 werd de eerste Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk erkend. In 1840 nam de synode de kerkorde van Dordrecht opnieuw aan en er werd een theologische school opgericht. Met de grondwet van 1848 vond een nadrukkelijke scheiding van kerk en staat plaats. De vrijheid van kerkgenootschappen werd geregeld in 1853 met de Wet op de Kerkgenootschappen.

Henk Florijn | Een calvinistisch bolwerk | 5


Een zondag op Urk in 1834 Hunne zwarte ondankbaarheid ten opzichte van het vak van onderwijs Advertentie uit de Opregte Haarlemsche Courant, 4 oktober 1834.

Met meer dan zeventig belangstellenden vertrok ook de heer A.J. van der Aa zondagmorgen 5 oktober 1834 vanuit Amsterdam met de Harlinger stoomboot. Het was heerlijk weer en het was genieten voor het gezelschap dat rond een uur of halftwee bij het eiland aankwam. In de Vriend des Vaderlands deed Van der Aa verslag van de reis: ‘We gingen hier voor anker en moesten met visscherspinken afgehaald worden, om ons aan wal te begeven, aangezien de eerst kortelings aangelegde haven slechts voor visschersschuiten ingerigt en voor de stoomboot niet diep genoeg was. De gansche bevolking van Urk was, tot onze ontvangst uitgekomen, meestal bestaande uit vrouwen en kinderen, hetwelk een niet onaardig aanzigt opleverde, althans daar zij in hun zondagspak uitgedost, er allen gezond en welgedaan uitzagen. Aan wal gestapt vonden wij eene plaats, waar eenige huizen en hutten zoo door elkander stonden, dat een onzer togtgenooten uitriep: het is of de huizen hier nedergeregend zijn. En waarlijk men kan zich, zonder het gezien te hebben, geen denkbeeld vormen van de onregelmatigheid die er in deze plaatsing der woningen van deze eilanders heerscht… Toen wij aan wal waren gestapt, was de eerste aanleg van velen onzer de herberg, die tevens tot regthuis diende, en er, behalve de pastorij, het beste van allen uitzag; hier was de bediening vrij goed, zindelijk en niet duur. Velen deden een aanval op de bakkerij, waar het brood en de beschuit van tamelijk goede hoedanigheid gevonden werden. Anderen weder voorzagen zich van springlevende tarbot, teneinde deze op de terugreis te gebruiken. Ongeveer om half drie werden de passagiers gewaarschuwd, dat het tijd was naar boord terug te keeren, werwaarts wij dan ook ieder als des morgens met visschersschuiten werden overgebragt… Te negen uren kwamen we aan voor Nederlands groote koopstad, na den dag onder Gods liefelijken hemel, in de vrije natuur, bij de reinste genoegens, in ongedwongen vrolijkheid te hebben doorgebragt.’ Tot zover het verslag van het bezoek aan Urk, waar het gezelschap met open armen werd verwelkomd, de nering ook op zondag werd bedreven en men zonder gewetensbezwaar met de vissersschepen de gasten vervoerde.

6 | Henk Florijn | Een calvinistisch bolwerk

Urk gehad heeft’ als Ter Plegt! En zekere ds. Jaques Dozy voegde eraan toe: ‘Maar ondankbaarheid is de hoofdzonde van de Urkers. Door ‘s Konings milde gunst genieten zij in het burgerlijke, kerkelijke en voor de opvoeding hunner kinderen groote en inderdaad voor andere arme gemeenten benijdenswaardige voorregten. Hunne zwarte ondankbaarheid ten opzigte van het vak van onderwijs is mij sedert 1805 bekend.’ Volgens die dominee was onderwijs geven aan Urkers trouwens een hopeloze bezigheid. Hij stelde het – onbewust van het feit dat Urk destijds eigenlijk een rots was – gelijk aan als ‘op rotsen ploegen’. De moed en de ijver van de ‘tegenwoordige onderwijzer’ waren er ‘vruchteloos’, aangezien ‘men liever dan de kinderen aan zijn verstandig onderwijs te vertrouwen, dezelve aan een onkundig dweeper (= Pier Schaap) overgeeft’. Aldus het classicale bericht van 29 november 1836. ‘Gevangenzetting’ verhinderd Pier Schaap nam het beroep naar de kruisgemeente in augustus 1836 aan; de meeste eilanders voegden zich bij de gemeente. Men kwam bijeen in een ‘daartoe gehuurd huis met opene deuren en publieke toegang’. Uit een andere brief van ds. Ter Plegt aan de minister van Eredienst blijkt dat Hendrik de Cock ook later weer op Urk is geweest, dat was op 2 juni 1837. ‘Andermaal’ had hij er gepreekt en zes

STICHTING URKER UITGAVEN


kinderen gedoopt. Het getal van de afgescheidenen bleek verder ‘tot honderden’ toegenomen, zo stelde Ter Plegt vast, terwijl ‘vele kinders door ouders en voogden gezonden worden, of meer volwassenen vrijwillig bij genoemden P. Schaap zich begeven, om onderwijs in de godsdienst te ontvangen, dat naar hun zeggen zuiver Gereformeerd is’. Op Pinksterdag 3 juni 1838 deed ds. De Cock Urk opnieuw aan; bij deze gelegenheid had hij ‘bij herhaling gepreekt, twee ouderlingen en een diaken aangesteld en bevestigd, twaalf kinderen gedoopt en het H. Avondmaal met 27 persoonen gehouden’. Al met al werd het volgens sommigen wel hoog tijd dat de gouverneur van Noord-Holland eindelijk eens ingreep. En hij deed het ook. Burgemeester Nentjes, die, nota bene, zelf trouw de oefeningen van Pier Schaap bijwoonde, werd op het matje geroepen en gesommeerd om op te treden tegen al dat afgescheiden kwaad en ‘Piet Schaap, die de voorname drijver’ was, werd tot een boete van tweehonderd gulden veroordeeld. De gouverneur was zelfs van plan om tot ‘gijzeling’ van Schaap over te gaan en dat als middel om de afgescheiden af te schrikken, echter, toen bleek dat die zogenaamd ondankbare Urkers dwepers hem voor waren geweest en de boetes al hadden betaald, ‘waardoor – zo voegde de gouverneur er spijtig aan toe – nu ook de indruk, welke eene gevangenzetting ongetwijfeld zou hebben te weeg gebragt, is verloren gegaan; gelijk dan ook de gezegde Schaap op den ouden voet voortgaat en zich aan geene aanmaning of teregtwijzing stoort’. Ook de gouverneur werd er moedeloos van en hij schreef aan de minister van Eredienst: ‘Ik ontveins het Uwe Excellentie niet, dat ik in dezen staat van zaken met betrekking tot het eiland Urk ten einde raad ben, en bij de afgelegenheid en moeijelijke toegang der plaats geen middel weet voor te slaan om op eene genoegzame krachtdadige wijze en met hoop op een goed en blijvend resultaat het bestaande kwaad tegen te werken.’ Hij zag dus ook geen mogelijkheid om militairen naar Urk te verschepen en die daar te laten inkwartieren bij de eilanders, zoals in andere plaatsen

STICHTING URKER UITGAVEN

wel was gedaan. Daarbij, de gedwongen verkoop van de armzalige huizen en goederen zou op Urk waarschijnlijk ook slecht aflopen. Niemand zou erop bieden, of ze zouden voor een heel laag geldbedrag overgaan, waarna de spullen weer aan de eigenaar teruggegeven zouden worden. En zo trok de overheid aan het kortste eind en de ‘dwepers’ aan het langste: de Urker gemeente bleef kruisgezind en ‘gezegde Schaap’ bleef door- en voorgaan. Lijsbeths overlijden Het persoonlijke leed bleef de oefenaar op het eiland niet bespaard. In 1840 overleed zijn vrouw Lijsbeth. Zij was volgens een brief van Pier Schaap in april 1839 bedlegerig geworden en verzwakte daarna steeds meer. Op 28 mei 1840, haar sterfdag, stond hij bij haar bed en zag dat het afliep. Ze zei: ‘Nu lief, het is mijn tijd, ik zal sterven.’ Hij schreef: ‘Ogenblikkelijk zette de dood zijn merkteken op haar aangezicht en alles werd dodelijk. Ik vroeg haar of zij nog vrees had. Ze zei: “Nee, maar verlangen.” Ik vroeg of zij zulks ook ver-

trouwde. Ze zei: “O ja, zou ik niet, want de Heere heeft mij beloofd dat Hij mij niet begeven noch verlaten zal en dat Hij niet zal laten varen de werken Zijner handen, maar dat Hij trouw zal houden tot in eeuwigheid”.’ Hij voegde eraan toe dat hij zelf niet lang daarna haar zou volgen. Zij antwoordde: ‘Ja, dat zult gij.’ Daarna ontsliep zij. Lijsbeth werd begraven op het kerkhof bij het Kerkje aan de zee. Schaap heeft zijn weergave van het gebeurde vervolgd met de woorden: ‘Op zaterdag 30 mei toen wij het lijk ter aarde bestelden, was het precies tien jaar geleden dat wij waren gehuwd. Dit was voor mij een wonderlijke dag. Ik kon van droefheid geen tranen laten, maar wel van blijdschap… “O,” zei ik, “nu hebben ik en mijn vrouw een andere bruiloft als tien jaar geleden. Zij volmaakt en ik in hope”.’ Op de Synode Pier Schaap gevoelde roeping tot het predikambt. Op de Synode van de afgescheidenen, die van 17 november tot 3 december 1840 gehouden werd,

Beïnvloed door Calvijn Dominee Hendrik de Cock voelde zich aanvankelijk thuis in de Nederlandsche Hervormde Kerk. De ommekeer kwam toen hij in aanraking kwam met de (verkorte) Nederlandstalige editie van de Institutie van Johannes Calvijn. Het zorgde voor een heroriëntatie op het christelijke geloof. In plaats van de verlichte visie op geloofszaken greep hij terug op de gereformeerde theologie en belijdenisgeschriften van ruim tweehonderd jaar eerder. De Cock zorgde zelf voor een heruitgave van het verkorte standaardwerk van Calvijn. Ook gaf hij Besluiten van de Dordtsche Synode, gehouden in den jare 1618 en 1619 opnieuw uit en onder meer Kort begrip der Christelijke Religie voor hen die zich willen begeven tot des Heeren heilig Avondmaal. Ds. De Cock stelde ook pastorale artikelen voor de huisgezinnen en de levensstijl van de gelovigen op: de kerkleden werden door de ambtsdragers opgeroepen om ‘christelijke huisoefeningen’ te houden, waar men het Woord van God onderzocht, waar men samen bad en zong; men moest niet terugdeinzen voor het uitoefenen van censuur tegen hen die vloekten, die de sabbat schonden, die toneel speelden, die zich bedronken, die dobbelden; men moest het zich kleden op een wereldse en weelderige manier terugdringen; ook moest men erop toezien dat de kinderen der armen ‘om niet’ onderwezen werden in de rechte leer. De Afscheiding was niet alleen voor de handhaving van de drie Formulieren van Eenheid, maar ook voor het herstel van de oude ‘Liturgie der Gereformeerde Kerk’, zoals die was vastgelegd in de bundel liturgische formulieren. De Cock voegde hier ook de calvinistische levenswijze aan toe van ingetogenheid en soberheid.

Henk Florijn | Een calvinistisch bolwerk | 7


Het voluit theocratische standpunt werd door zowel door de gemeente als de voorganger beleden de stemmen. Hij verklaarde zelf dat hij dan liever wilde dat zijn toelating werd uitgesteld. Dat is gebeurd, tot genoegen van opnieuw de arrogante Scholte. Pier Schaap was ‘gedropen’ (voor het examen gezakt) schreef hij sarcastisch, maar onterecht (afb. 9).

Afbeelding 6. Ds. H.P. Scholte.

meldde hij zich. Voordat het onderzoek naar de roeping voor het ambt plaatsvond, kreeg hij eerst een andere taak: hij moest een concept schrijven over het kerkelijke standpunt van de afgescheidenen. Dat deed hij en hij heeft daarbij het volledige artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis gehandhaafd, waarin aan niemand ‘heersende macht of gezag in de kerk’ wordt toegekend, aangezien ‘de Heere Richter, Wetgever en Koning’ is. Dit is een voluit theocratisch standpunt en het werd in Urk ook beleden, zowel door de voorganger als door de gemeente zelf. Want de gemeente van Urk heeft nooit vrijheid van Godsdienst aan de overheid gevraagd, dit in tegenstelling tot bijna alle andere afgescheiden gemeenten. In dat opzicht bleef Urk kruisgezind, hoewel aangesloten bij de afgescheidenen. Dat zou leiden tot verontwaardiging van ds. H.P. Scholte, de man die met zijn vrijheidsaanvraag aan de overheid als eerste door de knieën was gegaan (afb. 6). Pier Schaap werd ook geëxamineerd, maar de meningen over toelating waren verdeeld en na een gebed staakten 8 | Henk Florijn | Een calvinistisch bolwerk

Predikant Pier Schaap werd evenwel later toch tot herder en leraar bevestigd en heeft de gemeente tot zijn dood, ja zelfs daarna, gediend. Ook daarna, want er zijn vier door hem gehouden preken uitgegeven en die verschenen, zoals hij in de derde, onder de titel Aanmaning tot gebruik van het Woord des Heeren. (1843) had geschreven, ‘even zoo eenvoudig en onopgesmukt’ als dezelve van den predikstoel zijn uitgesproken’ (afb. 7 en 8). Overigens zijn dit de eerste op Urk geschreven preken die ook gepubliceerd zijn, zodat Schaap ook als publicist bovenaan staat. Wat de voorbereiding voor de preken betrof, Schaap schreef dat hij ‘veel tijd (had) mogen doorbrengen’ met ‘een oog op den grooten Leermeester, om onmiddelijk door Zijnen Geest geleerd en

Afbeelding 7. Titelpagina van een van geschriften van P.J. Schaap.

onderwezen te worden, uit kracht van dien zegen aan mij te verleenen, onder het gebruik der middelen’. Inderdaad laten de leerredenen zien dat hij ijverig studeerde en hij, zoals al gezegd, goed thuis was in de ‘oude schrijvers’; illuminatie door de Heilige Geest stelde hij terecht boven alles.

Afbeelding 8.De uitgaven van Pier Schaap werden gesteund door de kerkenraad.

STICHTING URKER UITGAVEN


Zijn streven was verder om in ‘eenvoudigheid’ onder ogen te brengen, wat er ‘zoo noodzakelijk voor de eeuwigheid moet worden gekend; ik meen, dat zegen en vloek, leven en dood, ja de waarheid, zoo als die in Christus is, u daarin wordt voorgehouden.’ Het was geen hoogmoed geweest die hem tot de uitgave had gebracht, hij vervolgde: ‘Ik ben mij zelf, zowel van mezelf als mijn werkzaamheden bewust dat het alleszins gebrekkig is in alles, en dat ik niet waardig ben eenigen naam te hebben onder de godzalige mannen, welke hunnen arbeid als gedachtenissen des rechtveerdigen hebben nagelaten, en nog onder velen in zegening zijn, noch mijn werk dat het aan de zijde van en nevens hunnen arbeid zoude geplaatst worden. Nogtans weet ik dat indien het de Heere verkiest, en Hij er lust in heeft, om het te gebruiken, dan zal het gebrek en de geringheid van het genoemde voor Hem geen beletsel zijn tot de zegening van het werk onder Zijne hand.’ Schaap motiveerde duidelijk zijn geschriften: ‘Houdt in gedachten dat deze leerrede even zoo eenvoudig en onopgesmukt verschijnt, als hij van de predikstoel is uitgesproken. Zelfs heb ik zorg gedragen dat er niets aan gedaan werd, om een eenvoudige waarheid zo naakt als dezelve is, te bekleden, met het onnut schuim van menselijke geleerdheid of welsprekendheid en alzo op te pronken. Dit is doorgaans niet anders dan een hemels medicijn met aarde van menselijk

Afbeelding 9. Uit het verslag van de Synode der Afgescheiden Gereformeerde Gemeente in Nederland, 17 november 1841.

Vaccinatie Het was een revolutie in de medische wereld toen bekend werd dat door inenting met koepokken immuniteit tegen pokken verkregen kon worden. Tot die tijd was het een epidemie waaraan miljoenen mensen stierven. In het begin van de negentiende eeuw was het op Urk Leendert Hoefnagel die zich als chirurgijn inzette om de Urkers te vaccineren tegen pokken. Het verzet tegen de revolutiegeest zorgde er ook voor dat de vaccinatie werd veroordeeld door invloedrijke mensen als Bilderdijk, Da Costa en Capadose. Ook op Urk ontstonden principiële bezwaren en met name de afgescheidenen lieten hun kinderen niet meer vaccineren. Toen in 1844 de pokken op Urk uitbraken bleek dat van de 206 kinderen onder de acht jaar van de afgescheidenen er slechts 15 waren gevaccineerd, 1 op 14. Van de 135 kinderen onder de acht jaar bij de hervormden waren er 35 gevaccineerd, 1 op 4. In absolute en in relatieve zin was het sterftecijfer groter bij de afgescheidenen dan bij de hervormden. Van de 494 gevaccineeerden kregen er 28 de pokken en 105 waterpokken en stierf er één. Van de 481 ongevaccineerden werden 420 aangetast, waarvan er 58 overleden. Hieronder ook twee jonge kleinkinderen van de toen al overleden Leendert Hoefnagel. Door hulp van de hervormde predikant werden vervolgens vele Urkers alsnog gevaccineerd, maar bij de afgescheidenen bleef weerstand tegen vaccinatie.

STICHTING URKER UITGAVEN

Henk Florijn | Een calvinistisch bolwerk | 9


Kermis In het Algemeen Woordenboek van Kunsten en Wetenschappen (1841) wordt de Urker omschreven als een ingetogen burger, maar niet op de jaarlijkse kermis die twee dagen duurt. ‘Bij gelegenheid echter van hunne kermis, die op Pinksteren invalt, wanneer er koek- en speelgoedkramen, door lieden, die uit Noordholland of Overijssel komen, opgeslagen worden, zijn zij, volgens het getuigenis van een inwoner zelven, als uitgelaten en dan gebeurt het niet zelden, dat de een of ander zich in den drank te buiten gaat.’ Het Nederlands Magazijn (1834) maakt nog melding van een andere belevenis: ‘Zoo zien zij met verlangen den tijd tegemoet, wanneer het gras gemaaid en gehooid moet worden. De grasmaaijers worden vrachtvrij afgehaald aan de kust van Overijssel en bij hunne aankomst door eene groote menigte ingeleid. Zoo lang zij vertoeven, hetwelk meestal acht dagen duurt, wordt er van des morgens vroeg tot ’s avonds laat feest gehouden; ieder beijvert zich om toch deze menschen van eten en drinken te voorzien, opdat zij niet over eenig gebrek behoeven te klagen; een ruim berekend dagloon is daarenboven het loon voor hunnen arbeid. Het zal alzoo niemand verwonderen dat het grasmaaijen op Urk eene begeerlijke zaak is voor deze bovenlanders, gelijk men hen op Urk zelf noemt, en dat zij er zoo op gesteld zijn, dat het regt om die reis mede te mogen doen, bij erfenis van den vader op den zoon overgaat.’ De leer van de afgescheidenen had ook invloed op de leefstijl van de Urkers. Het mocht niet meer zo uitbundig.

Publicatie in de Staatscourant , 22 mei 1841.

vernuft te bedekken, waardoor dezelve minder verstaanbaar gemaakt wordt voor de bekrompen vatbaarheden van de mensen. Met kracht verklaar ik mij daarvan een vijand te zijn. Let ook op, dat dit geen leerreden is van iemand met een professorale wijsheid en geleerdheid, die verkregen wordt door middel van studie en onderwijs; het is van iemand, die van zijn ambacht zonder studie is geroepen tot het werk dezer bediening; echter niet zo, alsof door mij nimmer bemoeienis gemaakt zou zijn van onderzoek, en deze zaak zonder middelen zou zijn gegeven. O neen, het tegengestelde is waar: veel tijd heb ik mogen doorbrengen in hetzelve, met een oog op de grote Leermeester, om onmiddellijk door Zijn Geest geleerd en onderwezen te worden, uit kracht van die zegen aan mij te verlenen onder het gebruik der middelen. Ik zeg dit niet om daardoor een indruk te geven aan u, dat u mij zou verschonen in het slechte en ongeleerde, nee, maar opdat gij de geringe, ja, de zeer geringe gave zou zien en daarmee inkeren tot de Heere, Die dezelve geeft, opdat gij Hem de eer zou geven. Houdt ook in het oog, dat deze leerreden niet dient om uw verstanden te kittelen; daartoe is geen aanleg in dezelve; maar ik meen dat dezelve daaromtrent geschikt zijn om u in eenvoudigheid onder het oog te brengen wat er zo noodzakelijk voor de eeuwigheid moet worden gekend. Ik meen dat zegen en vloek, leven en dood, ja de waarheid, zoals die in Christus is, u daarin wordt voorgehouden. En indien u met die

Groei van de afgescheidenen De Afscheiding verdeelde de Urker bevolking aanvankelijk in tweeën, maar al snel kregen de afgescheidenen de meerderheid. Op de Algemene Christelijke Synode van de Hervormde Kerk in 1841 werd Urk nog speciaal genoemd bij het onderwerp over de godsdienstige staat van de gemeenten: ‘De Commissie bevindt zich in de onaangename noodzakelijkheid, melding te moeten maken van den treurigen toestand, waarin zich de Hervormde gemeente van Urk bevindt. Het staat te vreezen, dat die Hervormde gemeente als zoodanig zal ophouden te bestaan, daar het separatisme bijna de geheele gemeente heeft besmet.’ In 1850 telde de gemeente Urk 500 Hervormden en 600 afgescheidenen. In 1860 behoorde driekwart van Urk tot de afgescheidenen. Bij de viering van het vijftigjarig bestaan in 1886 telde de Christelijke Afgescheidene Kerk al bijna 2.000 leden en een nieuwe Bethelkerk die plaats bood aan 1.400 mensen.

10 | Henk Florijn | Een calvinistisch bolwerk

STICHTING URKER UITGAVEN


De gegoeden van Urk Het meest vermogende deel van de Urker bevolking, inclusief het Urker bestuur, sloot zich aan bij de Afscheiding. Dit speelde een belangrijk rol, want de overheid verleende geen enkele financiële steun, terwijl de Hervormde Kerk wel overheidssteun kreeg. Alle kosten van de afgescheidenen waren voor eigen rekening. Voor Pier Schaap werd op Urk zelfs een niet geringe som geld bijeen verzameld om zijn vroeger gemaakte schulden te betalen. Als reactie hierop stuurde het Classikaal Bestuur van Hoorn een brief aan de Minister van Staat waarin ze aangaf dat dit toch wel in schril contrast staat tot ’de heftigste klagte over armoede’. Koning Willem I had nog duizenden guldens geschonken om een nieuwe school te bouwen en de pastorie op te knappen. ‘Onverschonelijk en dwaas is de handelwijze dier eilanders en derzelver bestuurders, daar die plaats overladen wordt met weldaden door Z.M. vaderlijke zorge en in derzelver bekrompenheid (beperktheid van middelen, armoede) telkens nieuwe weldaden van het gouvernement ontvangt,’ zo staat in die brief te lezen. Het kapitaal en de politieke macht kwamen daarna weer goed van pas toen er een nieuwe kerk gebouwd ging worden. Ondanks protesten werd de kerk het eerste bouwwerk op de gemeenteweide.

Urk vanaf de vuurtoren. Een tekening uit 1855 met links het Kerkje aan de Zee en het gebouw midden is de Afgescheiden kerk. Op die plek verrees later de huidige Bethelkerk. (Bijzondere collecties Leiden)

zucht dat dit gering talent daartoe mag dienen aan uw eigen zielen, mag lezen, och, als het dan de Heere wil, dan kan Hij de begeerte van uw harten door dat middel ook nog vervullen; de wens en bede van mij volgt daartoe deze poging.’ Preken Wat de inhoud van de preken zelf betreft, het valt op dat de onderwerpen die Schaap besprak het Woord van God en de sacramenten (die hij als oefenaar niet had mogen bedienen) betroffen. Hier preekte hij op bevindelijke wijze over. Hij legde sterk de nadruk op de gangen die God hield met de zondaar en op de noodzaak van de vereniging

STICHTING URKER UITGAVEN

van de ziel met de Heere Jezus Christus als de enige Borg en Zaligmaker. Het slot van een Avondmaalspreek spreekt voor zich: ‘Eindelijk dan, geliefden, daar is een tijd voorhanden, wanneer de Heere ons van dat alles zal ontdoen, hetgeen hier

oorzaak van vermoeidheid en belasting is, en daarvan heeft ons de Heere Jezus, de dierbare zegeltekenen van de sacramenten nagelaten, tot welker gebruik wij geroepen worden, opdat ons geloof en hope gesterkt worden in die beloften, die daarvan aan ons uit het Verbond der

Dominee Pier Schaap preekte op een bevindelijke wijze

Henk Florijn | Een calvinistisch bolwerk | 11


Gezangen Tot in de tweede helft van de achttiende eeuw zong men in de Gereformeerde Kerken de berijming van Datheen van de psalmen. In 1762 werd voorgesteld om deze psalmberijming te vervangen, maar dit werd niet uitgevoerd omdat men het onderling niet eens kon worden. Uiteindelijk kwam de vertaling er pas in 1773 na bemoeienis van de overheid, ook voorzien van dertien gezangen. De nieuwe psalmenvertaling stuitte echter op hevige tegenstand. Bij het opgeven van een nieuwe psalm werd soms luid de afkeuring kenbaar gemaakt. Menig man hield onder het zingen het hoofd uit protest bedekt. Voorgangers weigerden om in te zetten. Velen keerden de officiële kerk de rug toe en vormden gezelschappen waar alleen de berijming van Datheen werd gezongen. In 1805 werden de 192 Evangelische Gezangen ingevoerd. Ook dit leverde weer weerstand op, maar die kwam pas in alle hevigheid openbaar ten tijde van de Afscheiding. In een brief aan de koning gaf men aan: ‘nalatende en werende uit de openbare vergaderingen der gemeente de menschelijke gezangen, welke niet in den Bijbel gevonden worden, opdat het werk van menschen niet worde gelijkgesteld met het werk van mannen, die gesproken hebben, gedreven door den Heilige Geest.’ Bijna een eeuw lang hebben de afgescheidenen (later de Gereformeerde Kerk) zich hieraan gehouden.

Afbeelding 10. Het overlijdensbericht in de Opregte Haarlemsche Courant, 4 mei 1843.

Genade gegeven zijn. Daardoor worden wij hoe langer hoe meer met Jezus als ons Hoofd verenigd en onze zielen verkleefd aan Hem. Door Hem ontvangen wij dan krachten om in alle gevallen op Hem te zien en bemoedigd het Lam te volgen in de verloochening van ons zelf, waar het ook heen gaat. Nu de Heere Zelf bereide dan daartoe onze harten, opdat wij met vrucht Zijn dood gedenken mogen en Hij ons tot dat einde daaronder bijkomen en zegenen mocht. Amen’. Kort geformuleerd kunnen we de prediking van Pier Schaap typeren met de kernwoorden orthodox, Schriftuurlijk, bevindelijk, en dit alles toch gericht op zijn toehoorders, doorgaans Urkers. Wie de preken leest, komt dan ook

12 | Henk Florijn | Een calvinistisch bolwerk

soms beeldgebruik tegen dat hij ontleend heeft aan de visserij. Zo sprak hij eens over voorbijgaande emoties van de kerkgangers tijdens de diensten. Het kon volgens hem namelijk wel zo zijn dat hoorders ‘een vloed van tranen’ schreiden als zij een ernstige preek hoorden waarin aangedrongen werd op dood en eeuwigheid, maar als het alleen bij die aandoening bleef, en als die weer weg was als de tranen opgedroogd waren, en zij op hun oude ‘vredegrond’ weer vastraakten, dan waren zij ‘als de lieden die op zee komen, en met zeeziekte geplaagd zijn. Zo lang zij de beweging, door zee en wind veroorzaakt, onderworpen zijn, zijn zij ziek, maar zodra zij aan land geraken, is de ziekte weer weg, en zij zijn gezond als tevoren.’

Doodsoorzaak De doodsoorzaak van Pier Schaap is niet bekend. Wel werd het eiland in die jaren geplaagd door verschillende epidemieën, waaronder de cholera. Soms werden meer dan honderd personen aangetast. In augustus 1849 overleden er maar liefst dertig Urkers aan de cholera. Sommigen overleden al binnen een dag na de eerste verschijnselen. Heelmeester Geerling deed er alles aan om verdere uitbraak te voorkomen. ‘Dewijl velen er tegen waren, werden de berookingen slechts in sommige huizen gedaan (uitroken van de huizen – red.), de lijken werden spoedig gekist en de meesten 24, sommigen 36, uren na den dood begraven,’ zo luidt zijn verslag in de Geneeskundige Courant van zondag 7 oktober 1849. Dokters en dominees liepen door hun bezoek aan zieken en sterfhuizen een groot risico om besmet te raken. Veel van hen stierven op Urk al op jonge leeftijd.

STICHTING URKER UITGAVEN


Religieuze opleving De Afscheiding zorgde op Urk voor een algehele religieuze opleving. Als tegenreactie werden ook de hervormden strenger in de leer en gingen ze onder dominee Ter Plegt over tot de aanschaf van Kort begrip der Christelijke Religie, ten klaarste en allerkortste opengelegd ten dienste van mingeoefenden en nogtans heilbegeerige zielen, die zich willen begeven tot des Heeren H. Avondmaal. Hiermee deden ze niet onder voor de afgescheidenen. Het was een aanschaf waarmee men ook wilde laten zien dat de afscheiding op Urk onnodig was geweest. In 1847, vlak voor zijn vertrek, deed dominee Ter Plegt namens de kerkenraad nog het voorstel om zich met de gehele gemeente met de afgescheidenen te verenigen. Het voorstel werd in overweging genomen, maar na enig uitstel ging het uiteindelijk niet door.

Afbeelding 11. De onlangs vernietigde oudste zerk op het kerkhof bij het Kerkje aan de Zee van Pier Schaap en zijn vrouw.

Hij besloot: ‘En zo is het met uw onstuimige consciëntie.’ Overlijden Op haar sterfbed had zijn vrouw Lysbeth gezegd dat hij ‘haast’, dus spoedig, de eeuwige zaligheid met haar genieten zou. Haar woorden zijn uitgekomen: op 27, anderen zeggen 26 april 1843 overleed Pier Schaap in zijn woonplaats Urk (afb. 10). Hij vond zijn graf naast het Kerkje aan de zee, bij het stoffelijk overschot van zijn vrouw. Meer dan honderdvijftig jaar lang heeft de zerk daar gestaan (afb. 11). Nu – 2019 – is die er helaas(!) niet meer: hij is afgevoerd door gemeentewerken en stuk geslagen. Waarom? Geen idee. Iets, wat lijkt op een gedenksteentje,

STICHTING URKER UITGAVEN

geeft tegenwoordig de plaats aan waar hij gestaan heeft met de afkorting H.L.B.: ‘Hier lag begraven.’ (Een onwaarheid trouwens, maar dat terzijde.) Heel triest, want de zerk was verreweg de oudste op dit Urker kerkhof, het was een monument! Moge daarom deze bijdrage voor Urker Uitgaven Pier Schaap opnieuw in herinnering brengen. 

Met dank aan K. Kramer, Genealogiewerkgroep Urk, en L. Post voor het verstrekken van historische gegevens over Urk.

Onder dominee Jacob Nentjes, de opvolger van Pier Schaap, ging de religieuze opleving op Urk door. De biddag en de dankdag werden ingesteld, die zeker niet minder gehouden werden dan de zondagen. De Afgescheidene kerk trad ook met kracht op tegen het achterhouden en voor eigen rekening verkopen van strandvond en goederen uit gestrande schepen. Eeuwenlang was dit gezien als een recht, maar in het midden van de negentiende eeuw werd het ook in de media afgeschilderd als middeleeuwse zeeroof. In 1850 werden in de Afgescheiden kerk tuchtmaatregelen tegen een ouderling en een diaken genomen vanwege het zondigen tegen het achtste gebod. Zes jaar later volgde een kanselboodschap toen 33 leden van de gemeente bij ’t Vlie hadden meegedaan aan het ‘bergen’ van de lading van een gestrand roggeschip. Het kwaad was hardnekkig, maar uiteindelijk komen dergelijke vergrijpen niet meer voor in de kerkenraadsnotulen. Al speelt ook mee dat de Zuiderzee toen niet meer de route was voor de wereldhandel. In de Urker klederdracht is het opvallend dat deze minder kleurrijk werd en de twee rijen zilveren knopen bij de mannen, een teken van rijkdom, verdwenen.

Henk Florijn | Een calvinistisch bolwerk | 13


Een zondag op Urk in 1880 Nog geen halve eeuw later werd er op Urk heel anders gedacht over de zondagsrust en - heiliging. Zo blijkt uit het hiernaast afgebeelde verslag over een bezoek aan Urk in het Algemeen Handelsblad van zaterdag 24 juli 1880. Toen op zondag 22 september 1884 een stoomboot aanlegde met aan boord 250 leden van de Duitse Arbeiter Bildungsverein, werd hun door de burgemeester verboden om hun programma in het hooiland af te werken. Met lichte dwang werden ze van het eiland afgestuurd. De landelijk pers viel over het voorval heen, maar een Urker reageerde hierop met een ingezonden schrijven in De Standaard van 7 oktober 1884: ‘Ons Urkervolk (en ik ben er trotsch op dit in het openbaar te mogen vermelden) is ‘Calvinistisch tot in de nieren’. Het onvervalst Calvinisme nu, mijne heeren, huldigt niet de leer van ‘Gods water over Gods akker te laten loopen’. Integendeel, het doet in heilige geestdrift ontvlammen voor wat heilig is en goed. En meen u dan in gemoede, mijne heeren, dat een volk, dat zijne Zondagen afzondert tot den dienst van den Heere Christus, het lijdelijk kan aanzien, dat een ruwe bende ‘vreemdelingen’ de stille sabbathrust komt storen?’ Nadat de bootverbindingen eind negentiende eeuw tot stand kwamen, kreeg Urk steeds meer bezoekers te verwerken. Vanuit Urk werd er echter op aangedrongen om het eiland niet op zondag te bezoeken. Na de inpoldering werd Urk ook over de weg bereikbaar en kwamen er borden bij de ingang van Urk, die hier tot het eind van de twintigste eeuw hebben gestaan, met het verzoek om het dorp op zondag niet in te rijden.

Afbeelding 14. Dirk Bakker spreekt op een van de personeelsuitjes.

14 | Henk Florijn | Een calvinistisch bolwerk

STICHTING URKER UITGAVEN


Literatuur - P.J. Schaap, Vermaning tot getrouwheid, vervat in eenen brief aan den Wel Eerwaarden Heer C. Witteveen,

leeraar in de Hervormde gemeente te Harderwijk . (1836). - P.J. Schaap, De troostvolle noodiging van alle vermoeide en belaste zielen tot Christus, aangedrongen met

deszelfs gepaste belofte: voorgesteld in eene leerrede ter voorbereiding van des Heeren H. Avondmaal over Mattheus XI: 28. (1842). - P.J. Schaap, De koninklijke heerlijkheid van Christus, vertoond en toegezegd aan zijn volk, alsmede de zaligheid,

aan hetzelfde beloofd: voorgesteld in eene leerrede ter nabetrachting van des Heeren H. Avondmaal, over Jesaias XXXIII: 16. (1842). - P.J. Schaap, Aanmaning tot gebruik van het Woord des Heeren in deszelf verlichtende natuur en uitwerking:

verklaard en aangedrongen in eene leerrede over 2 Petri I: 19 . (1843). - P.J. Schaap, De genadige regtvaardigmaking des zondaars voor God: leerrede over Rom. III: 24 . (1862). - J.C. Bredzee, Antwoord op eenen brief van Pier Schaap gerigt tegen ... C. Wittenveen, predikant te Harderwijk . (1836). - H.P. Scholte, Aanmerkingen betreffende een geschrift, getiteld: “Verslag van de Synode der Afgescheidene

Gereformeerde Gemeente in Nederland, gehouden van den 17en November tot den 3en December 1840, te Amsterdam, uitgegeven ter inlichting der onderscheidene Christelijk Afgescheidene Gemeenten in Nederland ”. (1841). - Handelingen en verslagen van de Algemene Synoden van de Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk

(1836-1869): met stukken betreffende de synode van 1843, bijlagen en registers. (1984). - H. de Cock, Hendrik de Cock, eerste afgescheiden predikant in Nederland, beschouwd in leven en werkzaam-

heid: eene bijdrage tot regt verstand van de kerkelijke afscheiding . (1860-1864). - C. de Vries, Geschiedenis van het eiland Urk . (1962). - H. de Cock, S. van Velzen, Kort overzicht van de geschiedenis der Christelijk Afgescheidene Gereformeerde

Kerk . (1867). - F.L. Bos, Archiefstukken betreffende de Afscheiding van 1834 . (1939-1946). - H. Veldman, Hendrik de Cock (1801-1842) (…). (2009). - H. Florijn, ‘Bij een oude grafsteen’, in Oude Paden , 1 juni 1996. - J.A. Wormser, E.J. Bosch, Een schat in aarden vaten, Het leven van Hendrik de Cock , (1915) - R. Kramer, De vaccinatiedwang. (1922).

De familie Schaap op Urk Pier Johannes Schaap vestigde zich met zijn vrouw Lijsbeth Rienks Blooter en hun kinderen Aukjen (6 jaar), Grietje (4 jaar), Trijntje (2 jaar) en de pasgeboren Rienks Pier gedurende de tweede helft van 1836 op Urk. Eerst woonden ze ergens aan de haven, maar later verhuisden ze naar een pastorie in de bovenbuurt. Pier’s jongere broer Gerrit en zijn zuster Grietje vestigden zich ook op Urk. Samen met het feit dat ds. Schaap tijdens zijn periode op Urk bedankte voor een beroep uit Bunschoten (dat 550 gulden per jaar en vrije woning bood) mag dit aangeven dat de familie Schaap zich op Urk thuis voelde. In 1840, na vier Urker jaren, overleed Lijsbeth; slechts 37 jaar oud. Kort daarna – in 1843 – overleed ook vader Schaap en werden de nog jonge wezen bij familie in Workum (Friesland) geplaatst. De kerkenraad uit Urk ondersteunde financieel. De kinderen groeiden op in Friesland, trouwden daar en keerden geen van allen terug naar Urk. Broer Gerrit en zuster Grietje bleven wel op Urk. Gerrit verhuisde later naar Medemblik, trouwde daar tweemaal maar van de zeven kinderen gingen er vier terug naar Urk en huwden daar. Gerrit werd op Urk begraven. Zus Grietje woonde in Wijk 3-20 en trouwde in 1850 met de weduwnaar Willem Weerstand. Hoewel ze beiden al wat ouder waren, werden er vier kinderen geboren (Jeltjen, Pier, Trijntje en Johannes). De schuit van Willem Weerstand verging in 1863 in de buurt van Terschelling. Willem en zijn bemanning (zoon Jan - uit zijn eerste huwelijk - en Riekelt de Boer) kwamen om. Toen de Urker afgescheiden dominee Nentjes in De Bazuin (het tijdschrift van de afgescheidenen) om liefdegaven voor weduwe van deze ramp vroeg, schroomde hij niet om de verwantschap met ds. Pier Schaap te noemen. Grietje werd in 1881 bij het kerkje aan de zee begraven. De naam van Ds. Pier Schaap bleef dus nog lang op Urk naklinken. Misschien herinneren oudere Urkers zich nog de bewoonster in de woning Wijk 2-84 (recht tegenover het museum) die in de volksmond als ‘Griet van Pier’ geduid werd? Ze was inderdaad een verre nazaat van Pier Schaap!

STICHTING URKER UITGAVEN

Henk Florijn | Een calvinistisch bolwerk | 15


Samenvatting. De in Workum geboren Fries Pier Johannes Schaap (18101843) koos in de tijd na 1834 radicaal de kant van de ‘vader van de Afscheiding’ ds. Hendrik de Cock. Ook Schaap was ervan overtuigd dat in de Nederlandsche Hervormde Kerk van zijn dagen sommige kenmerken, die in de Nederlandse Geloofsbelijdenis werden genoemd, niet meer te vinden waren. Nadat Hendrik de Cock op 13 juli 1836 Urk bezocht had, daar met Wolter Wagter Smitt was voorgegaan en er een afgescheiden gemeente had geïnstitueerd onder de naam Gereformeerde Kerk in Nederland onder het kruis, werd Pier Schaap er nog hetzelfde jaar beroepen als oefenaar. Schaap werd later bevestigd als dominee, een ambt dat hij tot aan zijn overlijden op jonge leeftijd bij de Afgescheidenen op het eiland heeft bediend. Hij gaf leiding aan een proces waarin Urk uiteindelijk uitgroeide tot een calvinistisch bolwerk. Pier Schaap is ook de eerste bewoner van het eiland Urk is geweest van wie meerdere publicaties (leerredenen) zijn uitgegeven. Ook in dit opzicht is hij letterlijk een voorganger geweest.

Summary. In the period after 1834, the Frisian Pier Johannes Schaap (18101843), born in Workum, chose the side of the ‘father’ of the Dutch separatists (‘Afscheiding’), the reverend Hendrik de Cock. Schaap was likewise convinced that the Dutch Reformed Church had lost some of the characteristics that were an integral part of the church’s doctrine. After Hendrik de Cock had visited Urk on 13 July 1836, had preached there with Wolter Wagter Smitt, and had founded a new and separate congregation named ‘Dutch Reformed Church in The Netherlands under the Cross’, Pier Schaap was called as ‘oefenaar’, an unofficial preacher or lecturer. Later on he became the reverend of the ‘afgescheiden’ congregation of Urk, an office he held until his early death. Thereby leading a process which eventually saw Urk growing into a Calvinist stronghold. Pier Schaap was also the first inhabitant of the island of Urk whose sermons were published. In this respect, too, he was a predecessor of published sermons and lectures from reverends from the island.

Colofon Urcker Kronieken is een digitaal magazine van de Stichting Urker Uitgaven waarin op diepgaande wijze onderwerpen over de geschiedenis van Urk worden belicht. Het magazine wordt gepubliceerd op de website: w w w.urker u itgave n . n l

Heeft u ook een bijdrage? We houden ons van harte aanbevolen voor uw bijdrage, ongeacht de lengte hiervan. Neem vrijblijvend contact met ons op om dit te bespreken. Ook reacties op het magazine zijn welkom. i nfo @urke r u i tgave n. nl

STICHTING

URKER UITGAVEN

Geprinte exemplaren van Urcker Kronieken zijn te koop in museum Het Oude Raadhuis, Urk.

16 | Henk Florijn | Een calvinistisch bolwerk

STICHTING URKER UITGAVEN


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Een calvinistisch bolwerk by GBU printmedia - Issuu