Skip to main content

Stichting Urker Uitgaven - Het behoud van Urk

Page 1

Kronieken Urcker

Jaargang 2021 | nr. 3

STICHTING

URKER UITGAVEN www.urker u i tgaven.nl

Afbeelding 1. De vuurboet werd beschermd door een paalscherm met steenglooiing. Schilderij uit omstreeks 1830 van P.J.Schotel, 1808 - 1865.

Hoe een geldverslindende zeewering het eiland redde

Het behoud van Urk 30 september 1659: Den raet heeft burgemeesteren geauthoriseert het ylant Urck en Emmeloord, gelegen in de Zuyderzee, te coopen. Met dit besluit werd de stad Amsterdam een jaar later eigenaar van Urk. Niet zonder eigenbelang, want Urk was uiterst belangrijk voor de navigatie op de gevaarlijke Zuiderzee. (afb. 1) De koop betekende de redding van Urk. Jaar na jaar sloeg de zee stukken van het eiland af en het was nog een kwestie van tijd voordat Urk uiteindelijk in zee zou verdwijnen. De rijkdom en invloed van Amsterdam zorgden dat er serieus werk werd gemaakt van het behoud van het eiland door de aanleg van een zeewering. Een geldverslindende strijd tegen de verwoestende elementen van de natuur, die soms tevergeefs en wanhopig verloren leek, maar uiteindelijk werd gewonnen.

Door Lub Post Jzn. lubpost@gmail.com


In de eerste helft van de zeventiende eeuw beseften de kooplieden-regenten van Holland terdege dat hun belangen afhingen van een goede verbinding met zee. Zij spanden zich in om de scheepvaart zo goed mogelijk van dienst te zijn. Zij stelden eigen loodsdiensten in, zodat schepen met bekwame assistentie naar de havens en weer terug naar zee werden gebracht. De gunstige geografische ligging van het gebied rond de Zuiderzee had gezorgd voor een trefpunt van de goederenstromen vanuit de Baltische gebieden en Zuid-Europese landen. De Zuiderzee was de weg naar open zee, met daarnaast ook nog de monding van de Rijn die toegang bood tot grote steden. Er was echter één groot nadeel en dat was dat de vaarroute uiterst gevaarlijk was. In het zeiltijdperk, met overwegend westenwind, was er allereerst de door iedere zeeman gevreesde ‘lage wal’ van de Noordzee met verraderlijke zandbanken. Vervolgens waren er de Waddenzee en Zuiderzee, lastig vaarwater en moeizaam en tijdrovend te bezeilen door ondiepten die zich constant verplaatsten onder invloed van wind, zee- en getijstromen. De Amsterdamse landmeter Lucas Jansz Sinck kreeg in het begin van de zeventiende eeuw opdracht van de Staten van Holland om op de Zuiderzee dieptemetingen te verrichtten. Zijn in 1611 gepubliceerde kaart van de Zuiderzee toonde

Afbeelding 3. De vaarroute ging binnendoor over de Zuiderzee.

2 | Lub Post | Het behoud van Urk

066

Cultuur Historisch Jaarboek voor Flevoland 2016

Afbeelding 2. Detail uit de kaart van Lucas Jansz Sinck uit 1611 (Stadsarchief Amsterdam).

overduidelijk aan dat de enige veilige doorgang voor scheepvaartverkeer van Amsterdam (en Hoorn) naar de Noordzee (en dus ook naar de Oostzee en de koloniën) door de diepe geul vlak voor Urk liep. (afb. 2) Dat wist men al eerder, maar het belang van het ‘Val van Urck’ stond nu voor het eerst voor ieder zichtbaar op de kaart. Het hoog boven de zee uitrijzende eiland Urk, met haar prominent zichtbare kerk, werd plots het belangrijkste baken op een van de drukste vaarroutes van de zeventiende eeuw. De toekomst van het eiland, dat op dat moment door de zee dreigde te worden verzwolgen, werd zo veiliggesteld. Hanzesteden Eeuwenlang ging het vervoer van mensen, dieren en goederen voornamelijk over water. Wegen waren er amper en het waterrijke Holland was bij uitstek geschikt voor transport. Hierin was de Zuiderzee een belangrijke schakel in het net van waterwegen. (afb. 3) De belangrijkste handelsstromen van het Hanze-bondgenootschap van steden liepen vanaf Polen en Duitsland via de IJssel, Zuiderzee en Noordzee naar

België, Frankrijk, Engeland en de Scandinavische en Baltische Staten. Een stad als Kampen kon zich daardoor al in de 14de eeuw tot een van de meest welvarende steden van Europa ontwikkelen. Voor steden als Keulen was Kampen belangrijk als voorpost in het netwerk van de Hanze en de vaarroutes die vanaf de IJsselstad naar de Noordzee liepen vlak langs Urk. Gedurende de eeuwen die volgden, dreigde de route vanaf het achterliggende Duitse Rijngebied via de IJsselsteden echter steeds meer te verzandden. Die verzanding – ook rond het oude 'Urck' – diende te worden tegengehouden. Zelfs de Duitse keizer riep op tot het uitdiepen van de vaarroute langs Urk: ‘To gedencken, dat die Oeverlantssche steden als Coln ende andere, eertijz mede gecontribuert ende versocht hebben an den sanden tegens Urck te graven, ut patet ex missali (zoals blijkt uit het missaal) der kercke van Urck.’ (afb. 4) Maar ondanks alle inspanningen werd de doorvaart voor de koggen van de Hanze vloot steeds moeilijker. De Hollandse steden aan de westwal van de Zuiderzee, en met name Amsterdam, bouwden intussen steeds grotere zee-

STICHTING URKER UITGAVEN


Een tekening en twee kaarten Illustraties van de zeventiende-eeuwse LAT-relatie tussen Amsterdam en Urk Elisabeth Oost, Klaas Post en Klaas de Vries

gaande schepen en de eens zo machtige Hanze verloor haar concurrentiepositie. Amsterdam groeide daarentegen uit tot het maritieme centrum van de zestiende- en zeventiende-eeuwse wereld.

Navigatie De scheepvaart over de Zuiderzee was cruciaal voor de groei en bloei van de Hollandse Zuiderzeesteden. Afbeeldingen of kaarten van de vele ondiepten en grillige stromingen van de Zuiderzee bestonden toen nog niet en daarom begonnen deze steden als eerste met het betonnen van de routes van en naar hun havens (zie kader Baken- en vuurtorenbelasting). Voordat er gedrukte kaarten beschikbaar kwamen, maakte men gebruik van notities en tekeningen van schippers. Een van die oudst bekende (lees)kaarten dateert van 1539 en werd  Detail uit de kaart van gemaakt door de Engelse zeekapitein Lucas Jansz. Sinck uit 1611 (Stadsarchief Amsterdam). John Aborough. Omdat de Engelse koEen tekening en twee kaarten ning Hendrik VIII besloten had de DuitELISABETH OOST, KLAAS POST EN KLAAS DE VRIES 067 se Anna van Kleef te huwen, moest zijn vierde echtgenote veilig naar Engeland worden getransporteerd. Dus kregen de kapiteins John Aborough en Richard Couche de opdracht om een route van Afbeelding 4. Kaart van de belangrijke vaarroutes in de dertiende eeuw. Harderwijk via de Zuiderzee en het Marsdiep (nabij Texel) te verkennen. Zij aangegeven als ‘Hurcke’ en dient het die werd gemaakt door Herman I van maakten vervolgens een kaart van de Urker kerkje als belangrijk baken en/of Borculo, staan steden als Amersfoort, toegang tot, en de vaart over, de Zuider- herkenningsteken. (afb. 5) Op de eerste Deventer en Harderwijk wel aangegezee. Op hun kaart wordt het eiland Urk gedrukte kaart van Nederland uit 1557, ven maar de Zuiderzee-eilanden Mar-

 Leeskaart van John Aborough

Afbeelding 5. Leeskaart van John Aborough uit 1539 (Collectie British Library).

uit 1539 (Collectie British Library).

Lub Post | Het behoud van Urk | 3

STICHTING URKER UITGAVEN Een tekening en twee kaarten


Baken- en vuurtorenbelasting Pas in de twintigste eeuw, en met name tijdens de Tweede Wereldoorlog, werden nieuwe technologieën ontwikkeld voor de plaatsbepaling op zee. Tot die tijd was het maar behelpen en waren op de Zuiderzee de markante punten aan wal belangrijke hulpmiddelen. Ook aan de hand van de zeebodem werd de positie bepaald. De stad Amsterdam en de Staten van Holland hadden vanaf de zestiende eeuw belang bij een goede betonning van vaarroutes in de Zuiderzee. Ook werden bakens en vuurtorens rond de Zuiderzee geplaatst voor een zo veilig mogelijke vaart naar de Noordzee (en dus naar de koloniën en de afzetgebieden). De plaatsing van al die tonnen en bakens en de bouw, onderhoud, brandstof (voor het aanvankelijk open vuur) en bemensing (de wachter die het vuur brandend moest houden) van vuurtorens kostten veel geld. Omdat ook toen alleen de zon voor niets op ging, en werd al in de late Middelleeuwen bij vaart over de gevaarlijke Zuiderzee een vuurtoren- en/of bakenbelasting geheven. Een jaarlijks bedrag dat een schipper moest betalen om van de routes op de Zuiderzee gebruik te mogen maken. De betaling werd keurig geadministreerd en iedere schipper ontving een bewijs van betaling. Maar dat document werd aan boord van de kleine scheepjes vaak nat en raakte (al dan niet expres) onleesbaar of zoek. Was er wel of niet betaald, wie zou het zeggen? In het begin van de achttiende eeuw werd daarom het papieren bewijs vervangen door loden penningen die voorzien waren van een jaartal. Die moesten bewaard of aan de mast gespijkerd worden en dienden als bewijs van betaling in het betreffende jaar. De bakenloden toonden een jaartal en een wapen van de stad waarin het lood gekocht werd. De duurdere vuurtorenloden waren aan één kant voorzien van drie vuurtorens en het opschrift: ‘suyder.zeesevuur.bakens’, en aan de andere kant van de Hollandse leeuw met omschrift ‘west-v:lt in Hollt: en’ (West Vriesland en Holland) en een jaartal. Lit.: Wijsenbeek, A.Th., Baken-, tonnen- en vuurloodjes uit het Zuiderzeegebied, De Beeldenaar (1994).

ken, Schokland en het zo belangrijke scheepsbaken Urk ontbreken. De functie van ‘Hurcke’ als baken in zee zou echter zo belangrijk worden dat het machtige Amsterdam er niet meer zonder kon. Wereldmacht Het kleine Holland bevond zich in een bijzondere situatie in het begin van de zeventiende eeuw, met Amsterdam als middelpunt. Het bezat gedurende enkele decennia de hegemonie binnen de opkomende wereldeconomie. De handel van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de West-Indische Compagnie, de Groenlandse Compagnie en de Europese handel lieten het geld stromen. Het succes was in belangrijke mate te danken aan technologische superioriteit op het gebied van de 4 | Lub Post | Het behoud van Urk

scheepsbouw. Het in 1590 ontwikkelde scheepstype ‘fluit’ was revolutionair omdat het met tien man bezeild kon worden. Voor een soortgelijk schip was anders dertig man nodig en het was ook nog dubbel zo duur in aanschaf. Daarbij kwam dat Holland goede en goedkope bemanningen voorhanden had. In het midden van de zeventiende eeuw hadden de Hollanders ruim

zeventienhonderd schepen in de vaart, een vloot die groter was dan die van Engeland, Schotland en Frankrijk samen. Al die goederen kwamen aan in Amsterdam als stapelplaats en vonden vandaar hun weg naar de eindbestemming. En in die hele wereldhandel speelde het eiland Urk een cruciale rol. (afb. 6) Vanaf Amsterdam koersten de handelsschepen eerst aan op Urk, om vlak voor Urk de koers te verleggen in de richting van de Noordzee. Overdag werd de koers onder meer bepaald door markante punten als duintoppen, bomen en kerktorens. (afb. 7) Bij Urk gebruikten de schippers de houten kerktoren op het eiland als baken, evenals de zanderige inham in het Hoge Klif en een hoge boom die op het eiland stond. Als de schippers vanuit Amsterdam de boom boven de inham zagen wisten ze dat ze goed zaten. De koers door het diepe Val van Urk werd bepaald door de Urker kerktoren in de huizen te houden. (afb. 8) Juist toen Urk als navigatiepunt zo belangrijk was, was het in een cruciale fase aanbeland in de strijd tegen de zee. Die strijd was al eeuwen aan de gang en van de vroeger zo uitgestrekte Landen van Urck was niet veel meer over. Een steile hoge klif van keileem die bij zware stormen de golven moest opvan-

Van de vroeger zo uitgestrekte Landen van Urck was niet veel meer over STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 6. In de hele wereldhandel speelde Urk een cruciale rol vanwege het belang van de navigatie op de Zuiderzee.

gen die vanaf de Noordzee met geweld aan kwamen rollen. Een kansloze strijd tegen de ontembare natuur. Het leek nog een kwestie van tijd voordat Urk onbewoonbaar zou worden en uiteindelijk volledig door de zee zou worden weggespoeld. Afkalvend eiland Hoe anders was dat in het jaar 966, waarin voor het eerst melding wordt gemaakt van de naam Urck. Keizer Otto I schenkt de helft van het eiland Urck aan het klooster van St. Pantaleon te Keulen. Het eiland (of de eilanden) was toen een uitgebreid gebied waar meerdere dorpen op lagen. Voor een deel drassige veengronden, voor een deel weilanden, en met een paar hoger gelegen keileembulten (waaronder de keileembult van het huidige Urk). De oostelijke grens van het eiland (of schiereiland) lag nog dicht bij de noordwestkant van de Veluwe en mogelijk waren de landen van Urck in de Karolingische tijd zelfs nog met het vasteland verbonden. De beruchte Allerheiligenvloed (vloeden die plaatsvonden op of rond 1 novem-

STICHTING URKER UITGAVEN

Afbeelding 7. Een voorbeeld van de gebruikte contourkaarten voor de navigatie op zee.

Afbeelding 8. De contourkaart van Urk, getekend door Jacob Hooft in 1777.

Lub Post | Het behoud van Urk | 5


1570, Allerheiligenvloed De Allerheiligenvloedvloed van 1 november 1570 is de meest desastreuze stormvloed van de Nederlandse en Vlaamse kust geweest. Het totaal aantal doden (inclusief Oost-Friesland) moet boven de 20.000 hebben gelegen, waarvan minstens 3.000 in Friesland en Groningen. Tienduizenden mensen werden dakloos, veestapels werden verzwolgen en wintervoorraden vernietigd. Een langdurige storm zweepte het water tot ongekende hoogten op. In Dordrecht reikte de vloed drie à vier duim hoger dan de Allerheiligenvloed van 1421. Talloze dijken aan de Hollandse kusten begaven het, waardoor enorme overstromingen optraden die een reusachtige ravage aanrichtten. Ook op Marken, Schokland en Urk liep land onder. Het oude Urker kerkhof was al in de eerste helft van deze eeuw in de golven verdwenen. Het dorp Espel op de Landen van Urck viel in de tweede helft van de zestiende eeuw geheel ten prooi aan het oprukkende zeewater. Het stuk land waarop de kerk stond werd van de rest van het eiland gescheiden. De kerk stond toen op een eigen eilandje, maar hield desondanks daarna nog dertig jaar stand, tot ook de kerk zelf door de golven verzwolgen werd en een nieuwe kerk werd gebouwd op het resterende deel van de keileembult.

Urk met kerk op het afgeslagen eilandje. Kaart van Lucas Janszoon Waghenaer, 1583-1590.

ber, Allerheiligen) van 1170 vaagde grote delen van de laaggelegen veengronden van de landen van Urck weg. De St. Nicolaasvloed van 1196 deed het nog eens dunnetjes over. Die stormvloeden waren ook de aanzet tot een blijvende verbinding tussen het zoete Almere en de Noordzee. De verzilting nam een aanvang en de verbinding met open zee werd steeds groter. De zoute Zuiderzee was geboren en de dagelijkse eb- en vloedstromen, samen met stormen en 6 | Lub Post | Het behoud van Urk

springvloeden, kalfden steeds delen van de landen van Urck af. Uiteindelijk was het eens zo uitgebreide gebied rond 1600 verworden tot twee kleine eilanden: Urk en Schokland. De resterende keileembult van Urk was nog omringd door een een met zwerfstenen bezaaid ondiep rif, dat herinnerde aan het oorspronkelijk vele malen grotere pleistocene keileemgebied. (afb. 9 en kader De keileembult) En het verval ging door. Elke combinatie van zware

storm en springvloed betekende nog verdere afkalving van deze steil uit de Zuiderzee opstekende keileemkliffen. Tijdens de Allerheiligenvloed in 1570 (zie kader Allerheiligenvloed) verdween een groot deel van Urk in zee. Arent toe Boecop, in de tweede helft van de zestiende eeuw burgemeester van Kampen, schreef in zijn kroniek: ‘Dit eylant Urrick is seer kleyn, slaat rontsomme off van de zee en de eene syt is een moyen bergh, die ook al afslaat, en is van schoone moye cley. Die kark is in korte jaren ook afgeslagen.’ Hij voegde er nog aan toe dat de kerk nu geheel door de zee werd omringd. De resterende keileembult van Urk werd door de golven in tweeën gespleten en de kerk kwam op een klein eilandje te staan dat alleen per boot of wadend bereikbaar was. In 1598 waaide de kerktoren om en de eilandbewoners klopten voor de herbouw aan bij de Staten van Holland en West-Friesland, omdat de toren een belangrijk baken was voor de scheepvaart en ook in de nachtelijke uren werd gebruikt als vuurboet. Waar handelsschepen aanvankelijk vooral overdag de zee bevoeren, waren vissers vooral ’s nachts actief omdat dan de haringen naar het oppervlak zwemmen. Om de veilige terugkeer van hun echtgenoten te ondersteunen stookten de vissersvrouwen vuren op de kust, als nachtelijk oriëntatiepunt. Het vuur brandde zolang de mannen op zee waren. Ook op Urk was er lange tijd zo’n vissersvuur dat waarschijnlijk gestookt werd op de toren van de kerk. Urk bleek voor de Staten, de leenheer van het eiland, belangrijk genoeg om op hun kosten de toren te laten herbouwen, maar waarschijnlijk nu op het hoge deel van het eiland. Rond 1600 werd een nieuwe kerk gebouwd met opnieuw een toren als belangrijk navigatiepunt. In die tijd spoelde het afgeslagen stuk van het eiland aan de westzijde, waar

STICHTING URKER UITGAVEN


Ondiepte rond Urk.

Eiland Urk in 1832, 74 ha. Oorspronkelijk keileemgebied van 690 ha. Eiland Urk in 1668, 108 ha.

Afbeelding 9. Het oorspronkelijke keileemgebied (grijs). Het hoge deel van Urk was hiervan uiteindelijk nog overgebleven. Kaart Anne Post.

eerst de kerk op stond, volledig weg. De golven beukten nu zonder enige bescherming rechtstreeks op de nog overgebleven kwetsbare keileembult. Want in de zomer leek die geelachtige lemen berg best stevig en was ook keihard, maar na aanraking met water werd de keileem vloeibaar en spoelde makkelijk weg. Wat achterbleef waren de stenen, zodat rond Urk een gevaarlijk en ondiep gebied ontstond dat vol lag met stenen. De zee zorgde dat de keileembult steeds verder van onderaf werd uitgehold en daarna stortten delen van de kust vervolgens met bebouwing en al naar beneden. Vuurboet De natuurlijke landmerken en betonning waren voor een veilige vaart nog niet voldoende. Daarom waren er overal langs de kust en Waddeneilanden vuurboeten en kapen opgericht. In de zeventiende en achttiende eeuw kozen de handelsschepen steeds meer voor de nachtelijke vaart. Er kwam de behoefte aan een betrouwbaar stelsel van vuren op de kust om de scheepvaart

STICHTING URKER UITGAVEN

De keileembult De keileemheuvel heeft zich gevormd tijdens het geologische tijdvak Saalien. De voorlaatste ijstijd waarbij het Scandinavische landijs tot in Midden-Nederland kwam. De Urker keileembult is in de loop der eeuwen steeds kleiner geworden. Door de kracht van het water spoelde het keileem weg en werd elders afgezet in de vorm van zand. Het meeste zand werd rondom Urk afgezet. Ten oosten en zuiden van het eiland heeft het zand wel diktes van drie tot vier meter. Ook elders in de huidige polders is het geërodeerde keileem afgezet als zand, met soms hoge concentraties van plaatselijk anderhalve meter dik.. Het wegspoelen van de keileembult heeft voornamelijk plaatsgevonden tussen de 13e en 17e eeuw. Door de golfwerking werd het fijne materiaal weggespoeld en bleef het grove materiaal liggen. Rond het eiland Urk in westelijke en noordelijke richting liggen daardoor veel keien. Toen de Noordoostpolder droog kwam te liggen bleek ook bij onderzoek dat een groot deel rondom Urk (het ondiepe deel) tot de zeventiende eeuw nog boven water stak omdat hier geen sloefafzettingen werden gevonden.

te begeleiden. De Staten van Holland en West-Friesland besloten in 1615 om zelf zo’n stelsel te gaan onderhouden. Ze stelden ‘colleges van pilotage’ in, die verantwoordelijk waren voor het

toezicht op de vuren en de beloodsing van schepen. Het College van Pilotage benoorden de Maze (Maas) bestond uit vier leden: de burgemeesters van Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en MedemLub Post | Het behoud van Urk | 7


Commissie tot de Pilotage De Staten van Holland benoemden in 1615 de ‘Commissie tot de Pilotage benoorden de Maaze’. Deze commissie bestond uit vier leden, die de zeesteden Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en Medenblik vertegenwoordigden. De Pilotage regelde de loodsen, ging over de betonning en bebakening van de zeegaten en was belast met de heffing van de vuurgelden. Ook spraken ze recht in geschillen over de loodsgelden en geborgen goederen die afkomstig waren van schepen. De Pilotage zorgde ook voor het onderhoud van de vuurbakens. De bescherming van het vuurbaken op Urk was dan ook een taak van de Pilotage, en het ging daarbij om het afkalven van het Hoge Klif tegen te gaan. De bescherming bestond uit de aanleg van steenglooiingen in combinatie met paalschermen. Ook de kosten van de bemensing van de vuurboet en de brandstof waren voor rekening van de Pilotage. In 1795 werd het bewind van de pilotagecommissies opgeheven. De meeste taken werden ondergebracht bij het Departement voor de Marine.

blik. Een dergelijk college had men ook in het gebied van de Maas en het Goereese Gat. Het college bepaalde hoe en wanneer de vuren moesten branden. Om het onderhoud van de vuren te bekostigen werd ‘vuurgeld’ geheven van de schepen die profijt hadden van de vuurbakens. Een van de leden van het college werd ontvanger-generaal van het vuurgeld en kreeg de supervisie over de kustverlichting. Omdat het vissersvuur op Urk te onregelmatig brandde voor een veilige handelsvaart liet de Amsterdamse burgemeester Gerrit Jacob Witsen, op kosten van de Staten van Holland en West-Friesland, in 1617 een vuurbaak bouwen op Urk. (afb. 10) Jonkheer Johan van de Werve, eigenaar van het eiland, zou jaarlijks twee last rogge als pachtvergoeding krijgen. Later werd dit omgezet naar 25 gulden per jaar. De vuurtoren was een vierkante stenen toren met daarop een kolenvuur. Deze was gebouwd aan de rand van de keileembult. Op 1 september 1617 werd het vuur voor het eerst ontstoken. Op verzoek van kooplieden, reders en schippers werd het kolenvuur het hele jaar door gestookt, in tegenstelling tot de andere vuren aan de kust, die van 1 september tot 1 april brandden. Het lichtbaken op Urk was zo belangrijk dat schepen het dubbele vuurgeld betaalden. Het was niet alleen een oriëntatiepunt dat van verre zichtbaar was, maar waarschuwde ook voor de steenachtige 8 | Lub Post | Het behoud van Urk

ondiepte voor de kust van Urk waar menig schip bij nachtelijke storm ten onder is gegaan. Bij de betalingen door de Pilotage (zie kader Pilotage) aan de eigenaar van het eiland stond vermeld: ‘Dat zonder dat vuur de Zuyderzee ’s nagts niet bevaarbaar zou zijn.’ De Pilotage werd al snel geconfronteerd met de voortdurende afkalving van het eiland. De vuurbaak stond in 1649 nog 112 voeten van de zeekant, maar in 1661 slechts 30 voet van het water. In twaalf jaar tijd kalfde dus ongeveer 25 meter van het keileemklif af. Niet alleen

de vuurbaak kwam hierdoor in gevaar, maar ook het voortbestaan van het eiland dat bij stormen beschutting bood aan de scheepvaart en waarvan de inwoners ook bereid waren om hulp te verlenen aan schepen in nood. In Amsterdamse handen De toenmalige leenman van het eiland, jonkheer Johan van der Werve, besteedde geen geld aan bescherming van het eiland tegen de zee. Ook zijn voorgangers hadden hier niks aan gedaan. Volgens geschiedschrijver Jan van Renesse zou Urk veel meer hebben kunnen opbrengen als ‘Everd Soudenbalch het zoo niet had laten verargeren, overmits hij geen kadens gemaakt en hadde.’ Niet alleen de cijnsmannen of erfpachters, maar ook een landsheer was dijkplichtig voor de bezittingen. Maar het beleid van alle heren was, met het oog op de kosten-batenverhouding van het Urker boerenland, altijd geweest: wijken voor landafslag en het verder landinwaarts verleggen van cultuurgronden met nieuwe kaden of dijkjes. Van bescherming tegen de zee was geen sprake. De veenlaag was namelijk enorm dik

Afbeelding 10. De gedenksteen op de vuurtoren van Urk. Door last van Ed.Mo. heeren Staen heeft den burgemeester Gerrit Jacob Witsen van Amsterdam dit gebouw doen maken Anno 1617. Op den eersten september de eerste vuring gedaan.

STICHTING URKER UITGAVEN


Heer van Urk en Emmeloord en voor een duurzame beschermingen zouden zeer lange, uiterst dure paalschermen in de pleistocene ondergrond geheid moeten worden en stevige en hoge dijken aangelegd moeten worden. Van der Werve had hier het geld niet voor over en de stad Amsterdam sprak dan ook haar zorgen uit over het voortbestaan van het eiland. Actie was geboden en dat was de bestuurders van de stad Amsterdam wel toevertrouwd. De leerschool van het koopmanschap leverde de stad Amsterdam in de zeventiende eeuw een aantal briljante bestuurders op en de combinatie van koopman-regent bleek een goede te zijn. Op Amsterdams verzoek stelden de Staten van Holland en West-Friesland in 1659 een onderzoek in naar de inkomsten die Johan van der Werve van zijn Zuiderzeegebied genoot. Het totaal van de opbrengsten werd berekend op 359 gulden en 14 stuivers. Na aftrek van kosten zou Van der Werve er jaarlijks ongeveer honderd gulden aan overhouden. Reden ook dat hij geen geld uitgaf aan het ophogen van dijkjes. Vanwege de geringe opbrengst van het eiland dacht het Amsterdamse stadsbestuur dat Van der Werve de eilanden wel voor een ‘cleyne prijs’ zou willen verkopen, omdat het hem toch vooral om het geld te doen was. Hij werd hierover door een tussenpersoon benaderd, zonder te laten weten dat het om de stad Amsterdam ging, om te voorkomen dat de prijs daardoor opgedreven zou worden. Met resultaat, want op 4 oktober 1660 nam Amsterdam de heerlijkheid Urk en Emmeloord over voor een bedrag van 14.000 gulden. Johan van de Werve had wel bedongen dat hij tot zijn dood de titel van ‘heer van Urk en Emmeloord’ zou mogen gebruiken. (zie kader Heer van Urk en Emmeloord) De Stad Amsterdam werd als leenman eigenaar van het eiland Urk en een deel van Schokland en een van de Amsterdamse burgemeesters werd benoemd tot ‘hulder’ en werd ook de sterfheer

STICHTING URKER UITGAVEN

De graaf van Holland was sinds de dertiende eeuw de leenheer van de Hoge heerlijkheden Urk en Emmeloord. Het graafschap Holland was een graafschap binnen het Rooms-Duitse Rijk. In de zestiende eeuw verwierf Holland door het economisch overwicht een dominante positie in de noordelijke Nederlanden, die ook werd voortgezet toen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden eind zestiende eeuw een feit werd. In 1581 zwoeren de Staten-Generaal van de Nederlanden de toenmalige graaf Filips III (koning Filips II van Spanje) af en had Holland in de praktijk geen graaf meer. De grafelijke rechten berustten sinds die tijd bij de Staten van Holland en West-Friesland, waarmee ze ook leenheer van het eiland Urk werden. De leenheer verpachtte het bezit weer aan de leenman (ambachtsheer), die zich dan heer van Urk en Emmeloord mocht noemen. In de zestiende eeuw was dat de familie Zoudenbalch uit Utrecht. Na het overlijden van Gerrit Zoudenbalch in 1599 werd zijn weduwe Barbara van Essenstein vrouwe van Urk en Emmeloord. Toen Vrouwe Barbara stierf kwam de heerlijkheid Urk aan Walraven Zoudenbalch, de zuster van Gerrit Zoudenbalch. Zij werd met haar man failliet verklaard waarna in 1614 uit de failliete boedel de heerlijkheid Urk verkocht werd aan de Zuid-Hollandse jonkheer Johan van de Werve voor 10.000 gulden. De Staten van Holland en West-Friesland stemden in met deze belening. In oktober 1616 legde de nieuwe heer zijn inhuldigingseed af ten overstaan van Johan van Oldenbarnevelt, de toenmalige stadhouder van lenen in het gewest Holland.

Het graafschap Holland als onderdeel van het Rooms-Duitse Rijk. Kaart Willen Blaeu.

genoemd. Op zijn naam werd de Heerlijkheid verleid en bij zijn dood moesten de verschuldigde hofrechten en heergewaden opnieuw betaald worden aan de leenheer de Staten van het Gewest Holland als opvolger van de voormalige landsheren, de graven van Holland. De cijnsgelden aan de Abdij van Elten wer-

den door de Stad in 1661 voor de eerste maal betaald. De inkomsten van Urk over 1660 kwamen Amsterdam direct toe. Op inspectie Op zondagmorgen 21 augustus 1661 gingen de burgemeesters van Amsterdam Lub Post | Het behoud van Urk | 9


aan boord van het burgemeestersjacht om hun nieuwe bezit te bezichtigen. Bij het krieken van de dag ging het jacht voor anker op de rede van Urk. Volgens de oude feodale traditie hield men de ‘Blijde Incomste’ in de heerlijkheid. Rechten en costumen tussen heer en onderdaan werden nu opnieuw bevestigd. Aan boord van het staatsjacht waren de burgemeesters Schaep, heer van Kortenhoef, Cornelis Witsen, commissaris van de vuurboeten, en mr. Andries de Graeff, de nieuwe sterfheer van de Heerlijkheid Urk en Emmeloord. Verder waren aan boord de secretaris van de Stad Amsterdam, Cornelis de Vries, en de onderdirecteur van de Stadswerken, Gerrit Swanenburg samen met de landmeter Cornelis Danckertsz. De Urker schout en zijn vijf burgemeesters verwelkomden het hoge gezelschap aan boord van het staatsjacht. Als leenman had Amsterdam ook een stuk land op het eiland, de zogenaamde Heerenkamp, met op het eiland ook het herenhuis. De Amsterdamse heren werden door de schout van Urk ontvangen in het herenhuis op het eiland en hier werd door de bevolking van Urk de nieuwe leenman/ambachtsheer ingehuldigd. Vanaf die tijd gingen de Amsterdamse heren regelmatig op inspectiereis met het burgemeestersjacht naar de eilanden. Voor de burgemeesters en hun gezelschap waren dit meestal plezierreisjes in de zomerperiode. Het echte werk werd gedaan door de beambten van de Stad Amsterdam die jaarlijks het eiland bezochten. Op het gebied van bouw- en waterbouwkunde waren het de kopstukken van het land, die zich bezighielden met het behoud van het eiland. Ook de commissarissen van de Pilotage kwamen in het voorjaar en in het najaar na de stormen om de vuurbaak en de zeewering rond de vuurbaak op het eiland te inspecteren. Van het eerste bezoek in 1661 aan Urk werd een uitvoerig verslag gemaakt. Allereerst een inventarisatie van het ei10 | Lub Post | Het behoud van Urk

land zelf, waar toen nog maar vijftig woningen stonden. Verder lag de nadruk op de maatregelen die genomen moesten worden om het eiland te behouden, want tot die tijd werd jaarlijks van het hoge deel zo’n twee meter afgeslagen. Het gezelschap zag de deplorabele toestand van het eiland en kwam al snel tot de conclusie dat er heel wat moest gebeuren om het eiland te behouden. Allereerst moest het hoge klif van het eiland, daar waar de vuurboet stond, tegen verdere afkalving behoed worden. De Stad Amsterdam besloot meteen

om geen steen meer van het eiland te verkopen en deze te gebruiken ter bescherming van het eiland tegen het geweld van de zee. In het verslag lezen we: ‘'t Land van Urck is vol groote steenen, die bij den heer vercoft [verkocht] werden, als zij deur de zee van de aerde ontbloot zijn; off bij de schout, ten profijte van den heere; welcke schout een vierdepart [kwart] van het provenu [de opbrengst] derselver geniet.’ De stenen werden gebruikt voor de bouw en de aanleg van wegen. Jaarlijks werden schepen vol stenen van het ei-

De Stad Amsterdam besloot meteen om geen steen meer van het eiland te verkopen STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 11. De kaart van Cornelis Koel uit 1668, waarop al te zien is dat dijkjes zijn aangelegd rondom de Broek en aan de oostzijde bij de Staart van Urk (ter verduidelijking in rood geaccentueerd). Later werd dit de ‘oude dijk’ genoemd. (Stadsarchief Amsterdam)

land afgevoerd die rondom het eiland waren opgevist. De stenen moesten nu op Urk blijven en zo werd het eiland pionier als het ging om bescherming tegen de zee door stenen. Elders in het land werden toen alleen nog loodrecht uit zee stekende paalschermen gebruikt. Ook vanwege het feit dat het gebruik van stenen veel te kostbaar was, maar op Urk waren deze in ruime mate voorhanden. Er werd vanaf 1661 daadwerkelijk werk gemaakt van de bescherming van het eiland, omdat uit het inspectierapport bleek dat de vrees bestond dat de vuurboet ‘in weynig jaren in zee zal storten’. Bij storm bleek ‘dat de aarde van het hoge land om de boet onderuit kwam te kolken’ en helaas konden ook de stenen, die nu ter bescherming zouden worden neergelegd, dit proces niet tegengaan. Na goedkeuring van de Staten werd

STICHTING URKER UITGAVEN

daarom in 1662 de vuurboet in oostelijke richting verplaatst. De klus werd geklaard door de opzichter der stadsmodder- en straatwerken die met twintig arbeiders uit Amsterdam naar het eiland reisde. Ook enkele Urkers werden bij de verplaatsing ingeschakeld die al met al 1.817 gulden kostte. Amsterdam voerde de werken uit en de rekening werd ingediend bij de Pilotage, omdat de vuurboet en de bescherming hiervan onder de Pilotage vielen. De werken werden dan ook aangeduid als Pilotagewerken. Al een jaar later bleek bij de inspectie dat het gevaar niet was geweken, de afkalving ging door en er werd besloten om ‘de vuurboet zoveel mogelijk buiten gevaar te brengen door het hoge land daarbij glooiend en tot een strand te maken, waar de kracht van ’t water op mocht worden gebroken’.

Kort na de aankoop tekende Cornelis Koel, een beëdigd landmeter aan het Hof van Holland, op 20 november 1668 een gedetailleerde kaart van het eiland. (afb. 11) De aandacht van Koel ging uit naar huizen, boerderijen, waterputten, hooibergen en in het bijzonder naar de voor de scheepvaart zo belangrijke bakens: de vuurboet en de kerk. Op de kaart is te zien dat er door de Urkers al werk was gemaakt van de bescherming van het lage deel van het eiland. Er ligt ook al een zanddijk rondom het Broekland (=moerasveengebied) en bij de Staart van Urk. Houten paalscherm Om de glooiing van natuurkeien bij het hoge klif verder te versterken werd in 1668 een houten paalscherm rond de vuurbaak gelegd met een lengte van ruim honderd meter. Een dubbele rij die de stenen moest inklemmen. Een Lub Post | Het behoud van Urk | 11


wierdijk, een meters dikke laag wier die geoogst werd op de Waddenzee, werd aan de buitenzijde van het paalscherm als een buffer en ter versteviging aangebracht. (afb.12) In 1676 bleek dit paalscherm te kort te zijn. Het inspectierapport meldde: ‘Dat daardoor het water aan de eijnde van de schoeiing aan beide zijden inat, ende geschaapen stonde [op het punt stond], dat de gansche hoogte door de voorschreevene vuijrbaack opstaat, zoude wegspoelen.’ Er moest ‘een schoeijing om de gansche hoogte, met een wijerdijk daarachter, gemaakt worden.’ Er werd 6.000 gulden voor deze verdere versterking uitgetrokken, maar tijdens de uitbreiding van het paalscherm in 1677 werd al een deel weggeslagen. Naast de Pilotagewerken bij het hoge klif begon de stad Amsterdam aan de noordzijde van het eiland ook met de aanleg van een stuk paalscherm om de kracht van de golven te breken. (afb. 13) Die eerste paalschermen waren niet al te stevig en in de winter van 1682/1683 was een deel al door de golven weggeslagen en waren ook delen van de zanddijk weggespoeld. De Urker dominee Cantor schreef aan de bestuurders van de Stad Amsterdam dat het lage land te eb en te vloed lag en grotendeels door zand werd overspoeld. In juli 1683 woedde weer een storm waardoor vier gaten in het noordelijke paalscherm werden geslagen en het land onder water liep. De Urkers konden hun koeien niet weiden en opnieuw volgde een smeekbede van de predikant om hulp aan Amsterdam ‘…versoeken

Afbeeldng 13. Paalwerk aan de noord- en westzijde van Urk. Illustratie van Andries Schoemaker, vervaardigingsjaar 1710-1735. (Collectie Atlas Schoemaker)

derhalven zeer ootmoedelijk, dat het UE Edts goede geliefde zij, in desen vaderlijk (volgens UE. UEdst aangeborene clementie) voor ons te sorgen, ten eijnde soo het een als het andere, puur nootsakelijcke reparatie vereijschende, mach worden geremediert [hersteld].’ De smeekbede vond gehoor, want Amsterdam stelde ruim 8.000 gulden beschikbaar voor het dichtmaken van de zanddijk en het aanleggen van nieuw paalwerk en krabhoofden. De krabhoofden waren bedoeld om de stroming te breken, het wegspoelen van zand te voorkomen. Deze palen werden diep in de grond geslagen en de krabhoofden stonden loodrecht op de kust. Tussen de krabhoofden moest zich nieuw strand

Afbeelding 12. Metersdikke wierdijken werden ter bescherming voor de palen aangebracht.

12 | Lub Post | Het behoud van Urk

vormen dat hielp om de kracht van het water te breken. (afb. 14)) De bescherming van het eiland bleef maar geld kosten, en Amsterdam voelde de lasten drukken op de stadsbegroting. Het stadsbestuur klopte daarom aan bij de Staten van Holland en West-Friesland met het verzoek om die kosten te vergoeden, omdat immers het hele gewest belang had bij het behoud van Urk als navigatiepunt. Het verzoek werd kracht bijgezet met het dreigement dat de stad de eilanden ‘als een lastig domeyn weer aan den lande kwam te cedeeren’ oftewel dat ze het deze weer terug zouden geven aan de leenheer, de Staten van Holland en West-Friesland. Een adviescommissie van de Staten stelde uiteindelijk voor om tweederde van de kosten voor het behoud van het eiland te vergoeden aan Amsterdam. In 1690 was de schade zo groot dat er onmiddellijk dertig werklieden uit Amsterdam naar het eiland kwamen voor herstelwerkzaamheden. Een jaar later begrootte men de kosten van herstel van de dijken en adequate reparatie en uitbreiding van het paalscherm op 16.000 gulden. Het moest ook snel gebeuren, want anders zou het hele eiland onder water komen te staan. Om de noodzaak te benadrukken voegde de inspecteur er

STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 14. Krabhoofden werden haaks op het paalscherm aangelegd, waarbij de palen diep in de grond werden geslagen. Ze waren bedoeld om de stroming te breken en het wegspoelen van zand te voorkomen. Tussen de krabhoofden vormden zich nieuwe strandjes die de kracht van de golvven braken. Foto rechts geeft een beeld van de strandvorming aan de noordzijde van het eiland.

in zijn rapport nog aan toe dat ‘de vuurbaak daarop staande zou wegspoelen’. De zorgen over het voortbestaan van het eiland, maar vooral over dit belangrijke navigatiepunt, waren groot. Zo werden steeds weer reparaties, verbeteringen en uitbreidingen uitgevoerd, maar de Zuiderzee bleef knagen aan het eiland. De kosten hakten er behoorlijk in en richting de Staten van Holland en West-Friesland klaagde Amsterdam dat men het eiland allang weer had verlaten als het niet zo belangrijk zou zijn geweest voor de navigatie. Waarbij men opmerkte dat er vanuit de arme eilandbevolking ook al geen bijdrage was te verwachten. In 1699 was het eiland er niet best aan toe en de vuurbaak verkeerde opnieuw in slechte staat. De Staten van Holland en West-Friesland besloten om de heren Meerens en Buijs af te vaardigen naar Urk voor een onderzoek. In hun rapport werd melding gemaakt van een ‘zeer jammerlijken ende ellendigen staat’ van het eiland. Het oordeel was dat het eiland door de zee ‘vernield dreigde te worden’, hetgeen ‘gans ondienstig zoude zijn’. De Staten van Overijssel en de Staten van Friesland werden ook gevraagd of ze bereid waren bij te dragen

in de kosten van herstel en beveiliging van het eiland en de vuurbaak, maar die gaven geen gehoor. Amsterdam, de Staten van Holland en West-Friesland en de Pilotage draaiden op voor de kosten. In de zeventiende eeuw werd vooral het deel rond de vuurboet beschermd, maar desondanks kalfde toch nog een groot deel van het eiland af, waarbij naar schatting ook zeventien woningen in zee verdwenen. Tienduizenden guldens werden in die beginperiode van de zeewering aan de bescherming van Urk besteed. Daar tegenover stond dat de de eilandbewoners aan die zeewering niks bijdroegen. In tegendeel, want in 1692 hadden de leenheer, de Staten van Holland, aan niet betaalde belasting een bedrag openstaan van 203 carolus-guldens. De ambachtsheer, stad Amsterdam, had nog twee jaar tegoed aan boeten en zeevond, die nog niet door de eilanders waren betaald. Het lage deel In 1705 werd mr. Nicolaes Cornelisz. Witsen de sterfheer van Urk en Emmeloord. Hij was ook de vertegenwoordiger van Amsterdam in de Pilotage, en met dubbele pet behartigde hij opti-

De Urkers droegen zelf financieel niks bij aan de zeewering van het eiland STICHTING URKER UITGAVEN

maal de bescherming van Urk. Naast de werken voor de Pilotage, de westzijde van het eiland, ging de stad Amsterdam verder met de verbetering en uitbreiding van de zeewering aan de zuid- en noordzijde. Het was ook nodig, want in januari 1710 schreef Witsen dat hij ‘tot schreiens toe bewogen’ werd toen hij de schade aanschouwde van een hevige storm. De schade aan de houten en stenen waterkering was aanzienlijk en de zee was de kerk en de huizen bedenkelijk dicht genaderd. Ook aan de kerk zelf was veel schade aangericht. Er werd opnieuw meer beschoeiing aangebracht en ‘beneffens 34 krabbenhoofden langs de zuyder sijden van ’t strant of sant dyck’. Ook besloot Amsterdam tot de aanleg van een 40 roeden (150 meter) lange dam aan de zuidoostzijde van het eiland waarachter de schuiten beschutting konden vinden. Hier lagen de kleine vissersscheepjes nu redelijk beschut tussen de staart (aan de zuidzijde), de nieuwe dam (aan de westzijde) en een zanddijk. Die dijk had zich op natuurlijke wijze rondom het lage deel van het eiland gevormd door het weggespoelde keileem vanaf de hoge westzijde van het eiland. Die zanddijk was het hoogst op de locatie van de nieuwe ligplaats, het Hop, en werd daarom in Lub Post | Het behoud van Urk | 13


de volksmond ‘de Pyramide’ genoemd. In de wintertijd werden de scheepjes tegen de zanddijk opgesleept. De natuurlijke zanddijk, die het lage deel van het eiland omringde, varieerde in hoogte van 1 meter tot 2,20 meter bij de Pyramide. Het lage deel van het eiland lag maar net boven Normaal Amsterdams Peil. Een groot deel van dit lage land was moerassig en niet bruikbaar en de rest overstroomde regelmatig bij stormen. Bij stormen bood die zanddijk geen bescherming en het water steeg zo hoog dat het lage deel van het eiland geheel onder water stond. In het voorjaar stak men de zanddijk dan door om het water weer kwijt te raken. De stad Amsterdam besloot dan ook om rond het Broekland de zanddijk te versterken. Ook werden aan de oostzijde, bij het laagste deel, dijkjes gelegd om zo de instroom van water tegen te gaan. In de nieuwe zanddijk kwam een duiker om zo het overtollige water te lozen. (afb. 15) Op die manier werd het hooiland beter beschermd tegen het zoute water, waardoor het meer hooi opbracht om het vee op het eiland te voeden. Het vergde van de stad Amsterdam in 1710 een investering van 20.350 gulden en zij vroegen hiervoor subsidie uit ’s lands kas of toestemming om een loterij te houden. Het werd uiteindelijk een loterij die 40.000 gulden opbracht. Ruim voldoende om de werken op Urk en Emmeloord uit te voeren. Door de stadsarbeiders werd de klus uitgevoerd, maar ook de Urkers werkten hieraan mee en de Urker schout Willem Gerrits kreeg een toelage voor het algemeen opzicht, uitbetalen van de lonen en uitreiken van bier en haring aan de arbeiders. Aan de nieuwe zanddijk moest Urk zelf 300 gulden betalen, maar hier kwam niks van terecht. Amsterdam werd uiteindelijk gevraagd om ook dat bedrag maar uit de opbrengst van de loterij te betalen. Jaar na jaar volgden klachten over schade en ook over niet goed uitgevoerde herstelwerkzaamheden. In 1718 besloot Amsterdam om de niet-Urker Antoni van Dompselaar aan te stellen als schout. Hij kreeg daarmee het toezicht op de werkzaamheden aan de zeewe14 | Lub Post | Het behoud van Urk

Afbeelding 15. De rekening van het maken en repareren van de dijk in het jaar 1713 met de duiker om het water te lozen. De latere schout van Urk, Antoni van Dompselaar, was hier al bij betrokken.

ring. Dompselaar had verstand van waterbouwkunde en landmeetkunde, want hij was in 1713 al betrokken bij de aanleg van de dijk op het eiland en vervaardigde later ook een kaart waarop het eiland met zijn waterkeringen goed is aangegeven met het paalwerk en de steenglooiingen aan de westzijde en aan de noord- en zuidzijde de krabhoofden. (afb. 16)

Alle maatregelen aan de westzijde zorgden ervoor dat de vuurboet sinds 1662 niet meer verplaatst hoefde te worden, al werd het eiland nog wel steeds kleiner. De stad slaagde er nog niet in om het lage deel van het eiland goed te beschermen. (afb. 17) Delen van de zanddijk werden nog voortdurend weggespoeld. Door de voortgaande herstel- en uitbreidingswerkzaamhe-

STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 16. Detail van de kaart van Antoni van Dompselaar met het dubbele paalscherm voor de vuurboet en de krabhoofden. (Kaart Universitaire Bibliotheken Leiden)

STICHTING URKER UITGAVEN

Lub Post | Het behoud van Urk | 15


16 | Lub Post | Het behoud van Urk

STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 17. De Amsterdamse landmeter Maurits Walraven gaf in 1720 nauwkeurig aan hoe de zeewering van Urk er uitzag. De bescherming concentreerde zich nog vooral op de west- en zuidzijde van het eiland. Een groot deel van de noordzijde was nog onbeschermd. Bij de Staart was op het lage deel een dubbele zanddijk aangelegd met in de Broek ook een duiker om het water te lozen. (Kaart Rijksmuseum, Amsterdam)

STICHTING URKER UITGAVEN

Lub Post | Het behoud van Urk | 17


Paalworm

De paalschermen dienden om de aanrollende golven te breken. Erg effectief waren deze vrijwel rechtopstaande houten constructies niet. In koude winters werden de palen vaak gestolen en als brandhout opgestookt. Ook op Urk maakte men zich hier schuldig aan. En rond 1730 sloeg echter de paniek toe, want de paalschermen knapten zomaar af. De paalworm bleek de boosdoener te zijn. Hoewel dit diertje op een worm lijkt, is het in werkelijkheid een schelpdier (Teredo navalis). Het onschuldig ogende diertje verzwakt met zijn vraatzucht de houten palen door er gangen in te graven. (zie afbeelding) Waarschijnlijk is dit weekdier als verstekeling met VOC-schepen uit Indië meegelift naar Nederland, waar het zich snel verspreidde. Onze voorouders werden er wanhopig van. In vijandige buurlanden van de republiek werd hoopvol bericht dat de paalworm de ondergang van Nederland zou worden. Gelovigen zagen de paalworm als straf van God voor zondig gedrag. Even werd gehoopt het kwaad te kunnen bestrijden door wier en stenen rond de palen te leggen, zodat de paalworm het hout niet zou kunnen bereiken. Maar tevergeefs. Door spijkers in het hout te slaan werd gehoopt om het doorgraven van de paalworm tegen te houden, maar ook dit ging niet op. Ook verschillende houtsoorten en behandelingen bleken niet bestand tegen de paalworm. Later bleek pas dat met name het zoutgehalte bepalend was. De paalworm gedijde vooral in zout water en de schade deed zich op Urk vooral voor aan de zuid- en westzijde. Sinds 1858 kwam op Urk geen paalworm meer voor omdat het water rond Urk toen niet meer zout genoeg was door invloed van de rivieren. Heden ten dage worden palen bewerkt met chemische middelen om de paalworm te weren.

18 | Lub Post | Het behoud van Urk

Afbeelding 18. Jaarlijks werden herstelwerkzaamheden uitgevoerd en de zeewering verder uitgebreid en verstevigd. Hier de begroting voor de herstelwerkzaamheden in 1715. ((Stadsarchief Amsterdam)

den hadden Amsterdam en de Pilotage wel hun belangrijkste doel bereikt: bescherming van de vuurboet. (afb. 18) Totdat bleek dat de paalworm rond 1730 zijn verwoestende intrede deed in de Nederlandse wateren. Op Urk kwam daardoor de bescherming van het hoge deel in gevaar toen bleek dat ook daar de paalworm in de houten palen werd ontdekt. (zie kader Paalworm) De dikste

palen, ogenschijnlijk nog gaaf, knapten bij zware golfslag onder de waterlijn als lucifershoutjes af. Extra bescherming van het paalscherm met stenen en vervanging van door de wormen doorboorde palen zorgde voor nog meer kosten voor de Pilotage en de stad Amsterdam. Tienduizenden gulden stroomden naar het eiland en knap-

STICHTING URKER UITGAVEN


pe koppen op waterbouwkundig gebied, zoals Matthias den Berger, bemoeiden zich met de Urker zeewering. Hij zorgde voor het verder verhogen en verbreden van de dijk rondom het lage deel. De keien rond Urk waren niet afdoende en er moest extra steenmateriaal naar Urk worden vervoerd. De ruimte tussen de palen en de stenen glooiing werd opgevuld met briksteen en Grauwacke steen ter versteviging en het wegspoelen van grond tegen te gaan. (zie kader Gebruik van stenen) Doeltreffender Den Berger kreeg in 1749 de opdracht om na te gaan waarom het onderhoud aan Urk en Emmeloord zoveel geld kostte, zonder dat het voldoende effect had. Hij moest aangeven hoe het goedkoper en vooral doeltreffender zou kunnen. Op de eerste vraag gaf Den Berger aan dat de stad Amsterdam niet te lang moest wachten met het herstellen van de stormschade, omdat anders de schade alleen maar groter werd. Verder adviseerde hij om de ruimte tussen de paalschermen en de zanddijk op te vullen. Normaal gesproken zou puin hiervoor het meest geschikt zijn, maar op Urk was geen puin voorhanden. Den Berger stelde daarom voor om het vuilnis en de mest niet meer achter de huizen te dumpen, maar wat verderop te vervoeren naar het paalscherm om als versterking te dienen. Bovendien zou dit het aanzien van het dorp aanzienlijk verbeteren. Den Berger was ook degene die een plan maakte voor een echte haven bij Het Hop, maar dit plan werd nooit uitgevoerd. Hij zorgde ook voor het verhogen en verbreden van de zanddijk en sloeg meer dubbele rijen palen, die werden opgevuld met brik of gebakken steen, en maakte zo de zogenaamde kistdammen ter versteviging. (afb. 19) Het advies van Den Berger werd opgevolgd en vanaf die tijd stuurde Amsterdam ieder jaar een bouwkundige naar het eiland om de zeewering te inspecteren en rapport te maken van wat nodig was om deze te repareren of te versterken.

STICHTING URKER UITGAVEN

Gebruik van stenen Nadat de paalworm vanaf 1730 zijn verwoestende werking deed, werden stenen algemeen gebruikt ter bescherming van de kust. Veelal Noordse en Drentse balsteen die als flauwe steenglooiingen aan de buitenkant van paal- en kistwerken werden gelegd. Tot de kruin doorlopende buitenglooiing van alleen stenen was nog veel te kostbaar, omdat de stenen per schip moesten worden aangevoerd. Op Urk was het voordeel dat de stenen in de omgeving veelvuldig voorkwamen en werden deze al vanaf 1661 gebruikt voor de zeewering. Toch moesten er nog veel stenen van elders worden aangevoerd en in het begin van de negentiende eeuw had Urk al een steenglooiing die bij het hoge klif tot ver op de berg doorliep, waardoor verdere afslag van het keileem werd voorkomen. De steenglooiingen bij de vuurboet werden aangelegd tussen houten palen om deze goed in te klemmen en het wegspoelen te voorkomen. De steenglooiingen bij het paalscherm werden met name vanaf begin negentiende eeuw aangelegd. (zie afbeelding uit 1806). Pas met het gebruik van het vijf- en zeskantige blauwzwarte basalt aan het eind van de negentiende eeuw wist men steenglooiingen te maken die sluitend in het verband gelegd konden worden en daardoor veel beter bestand tegen de kracht van het water.

Afbeelding 19. De constructie van de kistdam, die als versteviging diende aan de landzijde van het paalscherm.

Lub Post | Het behoud van Urk | 19


ding (grondbelasting) die gold voor de 63 huizen die Urk toen telde. Nieuwe loterij In 1751 liet Urk opnieuw een noodkreet horen in Amsterdam over ‘de dagelijkse afneminge door de zee, soodanigh dat het te dugten is, indien daar tegens geen efficatieuse middelen in het werk werden gestelt en de noodige plaatsen met paalwerk voorsien, dat in korte tijd het Eijland geheel door de zee zal overmeesterd worden.’ Amsterdam verzocht de Staten van Holland en West-Friesland om geld beschikbaar te stellen of om vergunning om opnieuw een loterij te houden. De Staten hielden de hand op de knip en kozen voor een loterij, die uiteindelijk 46.196 gulden opbracht. Het bestuur van Amsterdam had weer even geld, maar binnen een paar jaar tijd was ook dit geld weer opgemaakt aan wier, paalwerk, ijzer, teer tegen de paalworm, puin ter versteviging van paalwerk, schepen om de materialen te vervoeren en arbeidsloon. Ondanks alle inspanningen ging de afkalving van het eiland gestaag door. Dominee Weerman schreef dat er in het begin van zijn aanstelling op Urk in 1730 nog uitgestrekt land in het noorden, richting Lemmer, lag. Dit was nog geen dertig jaar later helemaal verdwenen. Ook het Hoge Klif aan de westzijde kalfde voortdurend af. Het door Weerman genoemde uitgestrekte land betrof waarschijnlijk zandbanken die in de loop der jaren steeds verder verspoelden. Afbeelding 20. De Urkers schroomden niet om hulp te vragen. Hier de brief van schout Antoni van Dompselaar uit 1741 aan de burgemeester van de Stad Amsterdam. (Stadsarchief Amsterdam)

Naast de jaarlijkse inspectie waren het nog de Urkers zelf die niet schroomden om hulp te vragen. (afb. 20) Waar elders grondeigenaren dijkplichtig waren en via heemraden en waterschappen de kosten weer onder belanghebbenden werden verdeeld, was op Urk sprake van een bijzondere situatie. De Urkers waren geen eigenaar van het grasland en hadden hier alleen de hooirechten op. Zij hadden met die gebruiksconstructie wel de lusten, maar niet de 20 | Lub Post | Het behoud van Urk

lasten. De Staten voerden daarom in 1749 een extra belasting in om de Urkers toch mee te laten betalen aan de zeewering. Er werd bepaald dat Urk ieder jaar 1.000 gulden moest betalen, waarvan 300 gulden voor het onderhoud van de dijken. Tot die tijd hadden de Urkers niks bijgedragen aan het behoud van het eiland. Urk leverde tegen betaling alleen arbeid van zowel mannen als vrouwen. (afb. 21)) De extra belasting kwam bovenop de zogenaamde verpon-

Dat de inspecteurs zich niet alleen bezighielden met de zeewering bleek wel uit het rapport uit 1770 van Cornelis Rauws, directeur-generaal over Stadswerken. Hij trof op het eiland zeer vruchtbare grond aan en hij adviseerde om van jaar tot jaar langs de huizen bomen te planten, zodat deze beter tegen de wind beschermd zouden zijn. Ook bij brand zou het de wind breken, waardoor het overwaaien van vuur zou worden voorkomen. Temeer daar bluswater niet snel voor handen was, omdat de huizen redelijk ver van de zee gebouwd waren. Het breken van de wind zou misschien

STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 21. Op deze afbeelding uit 1621 geeft Adriaen van de Venne aan hoe het heien van een paalscherm eraan toeging in die tijd.

ook zorgen voor minder schade aan de zeewering. Volgens Rauws zou het leven op het eiland ook veraangenaamd worden, de bomen zouden voor verfraaiing zorgen en ze konden later misschien wel gebruikt worden voor versterking van de zeewering. Zijn opvolger, Johan Samuel Creutz, adviseerde ook meer begroeiing, maar

dan om het wegspoelen en afvriezen van het keileem tegen te gaan. De hoge bult moest met gras worden ingezaaid en schuiner worden afgestoken om de kracht van de golven meer te breken. Dit omdat sinds 1773 de afbrokkeling van het Hoge Klif benoorden de vuurtoren heviger toenam en de grond voor de vuurboet bijna geheel wegspoelde. In 1776 werden zelfs nog twee huizen aan

de noordwestzijde van het eiland weggeslagen. Creutz noemde dit de gevaarlijkste hoek van het eiland en wilde hier nog twee krabhoofden maken om meer land ter bescherming aan te winnen. Voor de zanddijken, die voortdurend doorbraken, adviseerde Creutz om ze met keileem te bedekken en brede stroken in te zaaien met bladriet om deze te verstevigen. (afb. 22)

Afbeelding 22. De door Creutz aangegeven stro- en rietbeplantingen op de zanddijk bij de rede en verlenging van het wierhoofd.

STICHTING URKER UITGAVEN

Lub Post | Het behoud van Urk | 21


Afbeelding 23. De door J. van 't Houweningen voorgestelde maatregelen voor een betere bescherming van het hoge klif. (Noord-Hollands Archief)

Paalworm De vernietigende werking van de paalworm was in die tijd een grote zorg. In een jaar tijd werden hele stukken paalscherm, en ook het hoofd kapot gevreten. Ook J. van ’t Houweningen, die namens de Pilotage naar Urk kwam voor inspectie, sprak zijn verbazing uit over de schade die de paalworm in korte tijd had veroorzaakt. Van het dubbele, met puin en krijtsteen opgevulde paalwerk dat bij de vuurboet was aangelegd, was het buitenste deel al helemaal doorknaagd of aangetast. Bij een storm zou het buitenste deel bezwijken, waarbij alles in zee zou storten. Van ’t Houweningen stelde voor om de palen onderling met elkaar te verbinden met dikke balken en stevige nagels in elke paal, om zo telkens een verband te maken van 20 tot 25 palen. (afb. 23) Het paalwerk zou zo nog enige tijd mee kunnen gaan. Hij diende daarnaast een plan in om het Hoge Klif beter te beschermen. Het paalscherm werd zoveel 22 | Lub Post | Het behoud van Urk

mogelijk bedekt met materialen om de paalworm tegen te gaan en hij gaf de aanzet tot een bredere stenen glooiing die de berg beter tegen afkalving moest beschermen. Om het keileem tegen het water af te schermen werden eerst zogenaamde zinkstukken aangebracht. Deze zinkstukken bestonden uit gevlochten wilgentakken of lagen bladriet die met paaltjes op de keileem werden vastgezet. Daar overheen kwam een laag van baksteen en kleine gebroken steen. De toplaag bestond dan uit de zware stenen die zo dicht mogelijk tegen elkaar aangelegd waren. Die steenglooiing werd in de daaropvolgende jaren steeds verder verhoogd. Ook werd nieuw Amsterdams keisteen aangevoerd om samen met grote puinbonken uit Amsterdam de zeewering verder te versterken, nu het paalscherm door de paalworm kwetsbaar bleek. Voor de stad maakte Creutz in die jaren in zijn inspectierapporten ook steeds melding van grote schade. Uit zijn rapport

uit 1780: ‘Het nieuw gemaakte hoofd ter dekking van de Rheede is sterk door den worm beschadigd. Een eiken schoor van 12-14 duims dik aan de kop van dit hoofd is zodanig van de worm aangetast dat hij loshing. Tenminste 100 voeten is door de worm zodanig reddeloos gemaakt dat het bij de minste storm of ijsgang omvergerukt zou worden, waardoor de Rheede van dit eiland voor altoos zoude bedorven en onbruikbaar gemaakt zijn, doordien door het wegslaan van dit hoofd de puin en bonken waarmee hetzelve aangevuld is overal op de Rheede verspoelen zou.’ Tot zijn verwondering en leedwezen zag hij bij een latere inspectie dat het gehele hoofd tot aan het strand was vernield door de worm. Ter versterking werd een wierriem aan weerszijden van het hoofd aangelegd. ‘Het oude hoofd aan de zuidzijde is een voet boven de grond door de worm als afgezaagd en loopt gevaar met de eerste watervloed omver gestoten te worden, waardoor het daarachterlig-

STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 24. De door Creutz getekende wierriem die ter bescherming werd aangelegd bij het turfhoofd. Op de tekening een afgemeerd vissersschip en waarschijnlijk het taanhuisje dat vlak bij dit palenhoofd stond. (Stadsarchief Amsterdam)

gende zand, den ouden dijk genaamd, waarschijnlijk door de zee zal worden verslonden en deze misschien gelegenheid krijgen zich met het verdronken land te verenigen. Het turfhoofd dat dit jaar nog met 60 voet is verlengd, is door de worm mishandeld. (afb. 24) Waar veel zand lag aan de zuidzijde, valt de schade aan het houtwerk nog mee, maar de rest van het paalwerk naar de pilotagewerken is dusdanig vernield dat het bij een volle zee met zuidwesterstorm omver geslagen zal worden. Aan de noordzijde van het eiland was weinig schade, waardoor in totaal 1000 voeten vernieuwd zou moeten worden. Schade met name dus aan de zuidkant, dit terwijl die toch een groot deel van de zomer droog had gestaan.’ De kosten werden geraamd op 18.467 gulden. (zie kader Materialen) Het leidde bij de bestuurders van de stad tot verdere bezinning op hun Zuiderzeebezittingen.

Materialen Dat voor de zeewering het beste materiaal werd gebruikt blijkt wel uit de aanbestedingen die directeur Creutz deed nadat goedkeuring was gegeven door de bestuurders voor herstel van de zeewering. Creutz bestelde Koperwijks grenen palen, 48 voet lang, 9 tot 10 duims onder en de top iets smaller. Vierkant gehakt en recht, zonder slingers of enig ander defect. Ze moesten, afhankelijk van het weer en in overleg, gelost worden bij het grote wierhoofd of aan de zuidwestzijde van ’t Klif. De leverancier moest zelf zorgen voor materialen, gereedschappen en mensen voor het lossen. Ze mochten wel een stadsvaartuig lenen om het hout van het schip naar het eiland te brengen. Het hout werd ter plekke gekeurd. In die jaren werd het hout geleverd in drie termijnen: half april, half mei en half juni.

Een bijzondere band beëindigd In de loop van de achttiende eeuw verloor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden de hegemonie op zee aan de Engelsen. Toen dit land in 1780 de Republiek ook nog de oorlog verklaarde, werd de economische schade enorm. Na

STICHTING URKER UITGAVEN

Lub Post | Het behoud van Urk | 23


vier jaar werd de vrede getekend, maar de helft van de koopvaardijvloot was in handen gevallen van de Engelsen en waardevolle ladingen, koloniën en alleenrechten op de handel waren verloren gegaan. Aan de positie van Amsterdam als centrum van de wereldhandel kwam een einde, maar het grote geld was daar inmiddels al verdiend. Rentenier was het meest voorkomende beroep onder de Amsterdamse belastingbetalende bovenlaag. De Amsterdamse zuinigheid bleef en onverantwoord met geld smijten was absoluut ‘not done’. Er moest bezuinigd worden en de Amsterdamse bestuurders overlegden of ze de lasten van de heerlijkheid Urk en Emmeloord niet geheel af moesten wentelen op de Staten van Holland en West-Friesland. Alleen al de laatste tien jaar was aan de eilanden gemiddeld voor het leggen van dijken en stellen van paalwerk jaarlijks 30.000 gulden uitgegeven en de verwachtingen waren niet dat dit de komende jaren minder zou worden. Terwijl Amsterdam aangaf dat ‘de eilanden op zig zelfs voor de stad van geen de minste waarde’ waren, terwijl het gehele Hollandse gewest profiteerde van de scheepvaart. Zij vonden het dan ook niet billijk dat alleen Amsterdam aan die kosten bijdroeg en vonden juist dat die vanwege het algemene nut uit ’s Lands Kas betaald moesten worden. Er werd een commissie in het leven geroepen om dit verder te onderbouwen. Inspecteur Creutz kreeg allereerst de opdracht om vast te stellen wat de eilanden op dat moment nodig hadden. Hij constateerde dat de aanplantingen van stro en helmgras een goed effect hadden en er veel nieuw strand bij gekomen was. Die aanplantingen moesten dus doorgaan en er moesten nog vijf schepen met puin komen om de ruimte tussen het oude en nieuwe paalwerk op te vullen. Voor de zeeweringen was in totaal 13.600 gulden nodig en Urk moest ook dringend een nieuwe kerk hebben. Voor Emmeloord waren de kosten nog veel hoger en was op z’n minst 80.000 gulden nodig. De commissie overlegde vervolgens over de vraag of het behoud van die eilanden het wel waard was om zo’n bedrag aan uit te geven. De conclusie was 24 | Lub Post | Het behoud van Urk

Afbeelding 25. Zeekaart van Nicolaas Witsen uit 1712 van de route via Texel en Vlieland naar de Noordzee (in blauw geaccentueerd).

dat Urk voor de grote scheepvaart van het allergrootste belang was. Emmeloord was vooral van belang voor de binnenvaart op de Zuiderzee en bood een veilige rede bij storm. De commissie gaf het geen kans van slagen om de al gemaakte kosten terug te vragen van de Staten. Die hadden in het verleden wel bijgedragen in de kosten, maar niet van harte. De commissie adviseerde daarom de Staten te vragen om de kosten van het onderhoud van Urk en Emmeloord voor de toekomst in zijn geheel over te nemen. Amsterdam diende het verzoek hiertoe in op 27 juli 1784 en bij de behandeling in de Statenvergadering werd het door

de heren uit Amsterdam verdedigd met de stelling dat het eiland Urk voor de grote schepen, van zowel de Admiraliteit, de Oost-Indische Compagnie en anderen, voor de route van en naar Texel en het Vlie onontbeerlijk was. (afb. 25) Het vuur bij nacht en de kerktoren en kolenloods bij dag waren en bleven noodzakelijke navigatiepunten. Zonder die herkenningspunten zou de kans groot zijn dat ze op de ondiepte van het Enkhuizerzand vast zouden lopen. En als schepen toch vast geraakten, waren de Urkers de enigen die te hulp konden schieten, omdat nergens anders dan op het eiland Urk de noodseinen gehoord konden worden.

STICHTING URKER UITGAVEN


noordwestkant in zee gevonden.’ Creutz gaf ook aan dat eerder advies was opgevolgd en dat sinds 1784 bomen geplant werden. ‘Groente en vruchten worden op het eiland niet geteeld. Het eiland telt 40 melkkoeien. De brandspuit en de zeewerken worden onderhouden door de stad Amsterdam. Het dagelijks verschil tussen eb en vloed is ongeveer een voet. Deze heeft geen invloed op het toe- of afnemen van het eiland, dit gebeurt door storm en hoge vloeden. Het aangelegde hoofd ligt 3,5 voet boven water. De palen zijn circa 6,5 voet boven dagelijks water. Langs het paalwerk is enige puin gestort, maar door gebrek aan puin niet hoger als 2 voeten boven dagelijks water aangevuld en dagelijks wordt alle vuilnis daarachter geworpen en is op enige plaatsen meerder, op andere plaatsen minder aangevuld, overal is een tussenruimte tussen de palen en het klif.’

De Staten schoven de besluitvorming op de lange termijn en legden de vraag voor aan hun eigen commissie, de Gecommitteerde Raden. Wel namen de Staten in 1785 al de kosten van de nieuwe kerk voor hun rekening die ontworpen was door Creutz. Bij de bouw van de kerk bleek wel hoe belangrijk Urk was voor de navigatie. De Pilotage stelde de voorwaarde dat de noord- en zuidmuur op dezelfde plaats moesten komen. Ook de positie van de toren mocht niet veranderen en tijdens de bouw moest er een noodkaap worden opgericht die dienst moest doen voor de scheepvaart. Het puin moest op het eiland blijven om te worden gebruikt ter versteviging van de zeewering. Tot besluitvorming in de Staten kwam het niet en in 1786 werd de opdracht

STICHTING URKER UITGAVEN

aan Creutz en L. den Berger gegeven om beide eilanden opnieuw te inspecteren en te bepalen wat de kosten zouden zijn om ze voldoende te beschermen tegen de zee. Creutz geeft in zijn rapport de situatie van het eiland op dat moment weer. ‘Urk telt 90 huizen en 520 inwoners en heeft 12 putten. Ze houden zich bezig met visvangst en hebben 52 schuiten en 2 koffen voor het aanbrengen van goederen. Aan de oostzijde is tot dekking van de Rheede een kapitaal wierhoofd aangelegd in 1780 ter lengte van 300 voeten. Het afnemen van de oeveren wordt voorkomen door een menigte palen, krabhoofden, planken schermhoofden, riet- en helmplantingen. De grote keien die worden verwerkt in de steenglooiing bij de vuurtoren, worden op een afstand van een halve mijl aan de

Wat de situatie op het eiland betreft rapporteerden beiden aan de Gecommitteerde Raden dat de situatie er op het eiland Urk redelijk goed uitzag. ‘Met het uiterste genoegen bevinden wij dat alle de werken op het Eijland Urk aangelegd het gewenschte effect hebben van niet alleen het strand te bewaren, maar zelfs overal voor de palen door behulp van krab- en schermhoofden den strand doen aanwinnen. Welke aanwinning van strand zo sterk is, dat op verscheidene plaatsen het paalwerk en zelfs de krabhoofden als onder het zand bedolven leggen.’ Wel moest er wat paalwerk vernieuwd en nieuwe krabhoofden aangelegd worden. De kosten werden geraamd op een bedrag van 16.000 gulden. De situatie op Emmeloord zag er minder rooskleurig uit. Een groot deel van het eiland Schokland ‘lag vooralsnog van alle zeewerken ontbloot en dus nog geheel en al aan de woede der zee overgegeven.’ Op Schokland moest naar hun inschatting maar liefst 750.000 gulden geïnvesteerd worden. Ten opzichte van Schokland lag de zeewering er op Urk volgens de inspecteurs dus goed bij. En als de werkzaamheden waren uitgevoerd, dan zou het het onderhoud in de daaropvolgende jaren jaarlijks 8.000 gulden kosten, zo werd Lub Post | Het behoud van Urk | 25


door Creutz en Den Berger geraamd. Met dit rapport in de hand adviseerden de Gecommitteerden aan de Staten om twee derde van de kosten van de zeewering te vergoeden. Het ging dan om de bescherming van het lage deel van het eiland, omdat de bescherming van de vuurboet volledig door de Pilotage werd betaald. De Staten namen echter nog steeds geen besluit, tot Amsterdam weer vijf jaar later, in het voorjaar van 1791, nog een uiterste poging deed om ze tot actie te bewegen. Ze lieten de schout en burgemeesters van Urk nu rechtstreeks een verzoek aan de Staten indienen om iets te doen aan de zorgelijke toestand van het eiland. Het verzoek maakte indruk, want vele leden van de Staten drongen er nu op aan dat Amsterdam beide eilanden opnieuw zou laten inspecteren en hierover rapport uit te laten brengen. Barend Goudriaan, directeur van de Stadswerken van Amsterdam, en Klaas Pietersz. Brands, schout van Urk, stelden samen het rapport op. Ze begonnen in april 1791 vanaf het pilotagewerk bij de vuurtoren en maakten de hele rondgang om het eiland. Toen nog geen drie kwartier gaans, terwijl dat in 1661 nog een uur lopen was. Zoveel land was er dus intussen al afgekalfd, vooral aan de noordwestelijke kant. (afb. 26) Op de nauwkeurig getekende kaart van Johannes Schilling, stadslandmeter van Amsterdam, is de hele zeewering aangegeven met daarop de 52 krabhoofden genummerd. Schilling nummerde echter vanaf de zuidkant, terwijl Brands en Goudriaan hun rondje vanan de noordkant begonnen. Met die kaart in de hand werd de staat van ieder stukje zeewering nauwkeurig beschreven en aangegeven wat er aan gebeuren moest. (afb. 27) De heren constateerden dat tientallen meters van de houten zeewering waren aangetast door de paalworm of beschadigd door de stormen. Veel palen en krabhoofden moesten vervangen worden. Bij diverse stukken paalscherm werd geadviseerd om er een nieuw paalscherm voor te slaan, het oude en nieuwe scherm met elkaar te verbinden en de tussenruimte op te vullen met steen. Hierdoor zouden sterke klifdammen gemaakt worden. De wa26 | Lub Post | Het behoud van Urk

Amsterdamse heren van Urk en Emmeloord De ambachtsheren van Urk in de periode dat Urk eigendom was van de Stad Amsterdam. Veel van deze burgemeesters bezaten het zgn. magnificat en bepaalden dus het beleid in de stad. Andries de Graeff Coenraad van Beuningen Johan Huydecoper Jacob Jacobsz. Hinlopen Nicolaes Witsen Gerbrand Pancras Michielsz. Jan van de Pol Willem Munter Willem Gideon Deutz Daniël de Dieu Jonas Witsen Francois de Wit Hendrik Hooft Danielsz. Jan Elias Huydecoper van Maarsseveen

1660-1672 1672-1679 1679-1693 1694-1705 1705-1717 1718-1721 1721-1746 1746-1749 1749-1757 1757-1766 1766-1767 1768-1775 1775-1789 1789-1792

Bron: De Vroedschap van Amsterdam, door J.E. Elias

terstaatkundige ontwikkeling is te zien aan het feit dat al werd afgestapt van het gebruik van wieren voor de hoofden en paalschermen om de kracht van de golven op te vangen. Stenen glooiingen bleken veel beter in staat te zijn om de kracht van de golven te breken. Goudriaan gaf aan dat sommige dammen opgehoogd moesten worden met briksteen en zware Noorse steen. Dijkjes moesten opgehoogd worden en het grote wierhoofd bij de rede was door de storm volledig geruïneerd en moest vervangen worden met ook hier het advies om hier een stenen dam van te maken. Om hout, ijzer en steen vanuit de schepen naar de wal te brengen waren twee vletschuiten nodig van elk 200 gulden. En als ook het huis van de predikant eindelijk zou worden gerepareerd, zou de totale kostenpost 38.114 gulden bedragen. Die zomer wilde de stad al het meest noodzakelijke werk aanpakken om in ieder geval de winter in te kunnen en rampen te voorkomen. De kosten van die eerste aanzet werden geraamd op 19.000 gulden.

Het lijvige rapport van de deskundigen werd door Amsterdam in mei 1791 gepresenteerd aan de Staten en daarbij werd de hoop uitgesproken dat de leden door medelijden zouden worden bevangen over ‘de toestand der ongelukkige bewoners van beide eilanden’ en tot de overtuiging zouden komen dat Amsterdam niet verplicht, noch in staat was, om die buitengewone kosten te dragen. Daarbij werd nog even fijntjes opgemerkt dat deze zaak al vanaf 1786 speelde. De Gecommitteerde Raden onderzochten het rapport van Goudriaan en Brands en concludeerden dat het een goed rapport was en dat de noodzakelijkheid van de voorgestelde werkzaamheden er niet minder op was geworden. Op Urk kon het werk daarom ook uitgevoerd worden, maar van Emmeloord had men nog niet genoeg gegevens en hierover wilden de Gecommitteerde Raden nog geen beslissing nemen. Tot volledige vergoeding van de kosten wilde men echter niet overgaan. Net als eerder stelden ze voor om twee derde

STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 26. De afkalving van het eiland in de achttiende eeuw weergegeven. In kleur de kaart van Koel uit 1668 en daarop de kaart van Schilling uit 1791. Het eiland was in die periode van een oppervlakte van 108 hectare naar 74 hectare gegaan. Illustratie Anne Post.

van de kosten voor hun rekening te nemen. Uit ’s Lands Kas werd voor 1791 een bedrag beschikbaar gesteld van 12.600 gulden. Ook voor 1792 wilde men twee derde betalen van de resterende kosten van 19.114 gulden. Voor Ambachtsheer Amsterdam was dit een grote teleurstelling en voor de bestuurders was de maat vol. In het voorjaar van 1792 besloten ze om de Hoge Heerlijkheid Urk en Emmeloord aan de leenheer, de Staten van Holland, terug te geven. Een bijzondere en unieke actie en de Staten van Holland waren niet blij. Hun financiële situatie liet het eigenlijk niet toe, want de Staten bestuurden een land met een enorme staatsschuld die in 1795 al was opgelopen tot 455 miljoen gulden. Een staatschuld die werd gefinancierd door rijke Amsterdammers, die zich zorgen maakten om hun leningen vanwege de politieke onlusten. Het onderhoud van de eilanden betekende voor de Staten een extra zorg en last. Op belastinginkomsten van de eilanden hadden de Staten ook niet te rekenen, want in 1778 hadden ze van Urk nog een gigantische belastingschuld van bijna 41.000 gulden kwijtgescholden, die al sinds 1632 opgebouwd was. Urk zou te armlastig zijn en voor het innen van de verplichte jaarlijkse bijdrage van Urk aan de re-

STICHTING URKER UITGAVEN

paratie van de dijk, die 350 gulden bedroeg, moesten de Staten ook de grootste moeite doen. Met de nodige tegenzin werd het leen weer aanvaard en werd besloten om het niet weer opnieuw te koop aan te bieden, maar toe te voegen aan de domeinen van de Staten van Holland. De Amsterdamse burgemeester Huydecoper, de laatste ambachtsheer van Urk (zie kader Amsterdamse heren van Urk), schreef een afscheidsbrief aan de ‘eerzame, vrome schout en burgemeesters van Urk’ waarin hij hen op de hoogte stelde van de beëindiging van de verbintenis. Hij wenste van harte ‘dat het ulieden en alle opgezeetenen van uw eiland, onder deeze nieuwe bestiering niet minder wel mag gaan dan onder de vorige, en dat gij onder de zorg en bescherming van een zoo veel mag-

tiger heer, ook alle nodige assistentie tot onderhoudt en beveyliging van Ul. Eylandt steeds moogt ontfangen, welke het vermogen van deeze stadt niet meer toeliet ulieden bij continiatie verder te verleenen.’ Huydecoper sloot af met ‘eerzaame, vroome, ulieder dienstwillige en goede vriendt’, en hieruit bleek weer de warme band tussen Urk en Amsterdam. Er werd met weemoed teruggekeken op de 132 jaar waarin de stad Amsterdam met genegenheid voor het eiland had gezorgd. Gerekend in hedendaagse koopkracht had het vele tientallen miljoenen euro’s gekost, maar de handelsroute over de Zuiderzee had de kooplieden een veelvoud opgeleverd. Eigendom van de Staten Amsterdam had het eiland niet zomaar aan zijn lot overgelaten. In het laatste jaar had men voor eigen rekening al

Er werd met weemoed teruggekeken op de 132 jaar waarin Amsterdam met genegenheid voor Urk had gezorgd Lub Post | Het behoud van Urk | 27


28 | Lub Post | Het behoud van Urk

STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 27. De kaart van Schilling met enkele details uitgelicht en een selectie van het inspectierapport en begroting van Goudriaan en Brands. Het eiland heeft een omtrek van 1141 roeden (ruim 4 km), hiervan is 747 roeden beschermd. Naast het deel van de Pilotage is het overige deel van het eiland beschermd met een enkele rij paalwerk met haaks daarop 52 palenhoofden (krabhoofden) om de stroom en ijsaang van het eiland af te houden en zand aan te winnen. Omdat beide mannen noordwaarts liepen is de nummering andersom. 1 is dus 52.

De hoofden 1 (52) t/m 10 (43).

STICHTING URKER UITGAVEN

Lub Post | Het behoud van Urk | 29


het nodige onderhoud gepleegd aan de zeewering. Het was nu aan de Gecommitteerde Raden in Hoorn om de klus af te maken. Schout Brands voerde opnieuw inspectie uit en gaf bij de heren aan dat hiervoor nog 10.250 gulden nodig was. De voorraad materialen die nog op het eiland lag werd door de Gecommiteerden overgenomen voor 1.681 gulden. Om de nodige controle te houden werd Adriaan Goudriaan, de zoon van Barend, aangesteld als uitvoerder van de zeewerken op Urk. In september 1792 brachten afgevaardigden van de Gecommitteerde Raden als de nieuwe eigenaren een bezoek aan Urk. Het was een minder feestelijke ontvangst dan de Stad Amsterdam in 1661 had gehad. Twee maanden eerder waren de onderhoudswerkzaamheden om de waterkeringen te verbeteren al aangevangen. Als werkvolk werden Urkers aangenomen, die vooral bezig waren met het heien van de houten palen. De schout van Urk hield bij de werken het algemeen toezicht en deed de betalingen. De mannen verdienden 15 tot 20 stuivers en de vrouwen 10 tot 14 stuivers per dag. De ‘kindertjes van de hei’ kregen 4 tot 6 stuivers per dag voor de jongens en 2 tot 4 stuivers voor de meisjes. Voor de Urkers was het werk aan de zeewering een serieuze broodwinning. Het werk begon meestal in april en duurde tot eind oktober, begin november. Op de loonlijsten van 1792 tot 1794 staan dagelijks van de 40 tot 50 vrouwen. De meeste mannen visten in de periode, maar toch werkten er een flink aantal, 25 tot 35 mannen, aan de zeewering. Urk telde in die tijd 540 zielen, ongeveer 100 huishoudens. De vloot telde zestig schepen, en dit aantal gaf wel aan dat bijna alle mannen zich bezighielden met de visserij. Schout Klaas Pietersz. Brands benoemde in 1793 zijn neef Grubbelt Brands tot opzichter van de zeewerken, omdat hij zelf wat te zwaar werd en het lopen hem steeds moeilijker af ging. De schout had zelf geen kinderen en zag Grubbelt als zijn beoogd opvolger. De periode tussen 1783 en 1799 was politiek gezien een woelige periode voor de Republiek der Zeven Verenigde Ne30 | Lub Post | Het behoud van Urk

Afbeelding 28. De Pilotagewerken aan het eind van de achttiende eeuw. Rondom de vuurboet is een gedeelte van 52 roeden (ca. 190 meter) met kist- en vakwerk verstevigd en met puin gevuld met aan de buitenzijde de glooiing met zware stenen versterkt. Voor de vuurboet nog de extra bekisting ter versterking.

derlanden. Patriotten keerden zich in toenemende mate tegen de invloed van stadhouder Willem V op het landsbestuur. Hij werd gezien als de beschermer van de corruptie en vriendjespolitiek en kreeg de schuld van het militaire onvermogen van de Republiek. Een groot deel van de samenleving, met name de patriotten, wilde op politiek gebied drastische veranderingen zien. Toen in 1795 de Republiek werd bezet door het Franse leger, vluchtte Willem V naar Engeland en werd de Bataafse revolutie uitgeroepen. Overal brak opstand uit, werden bestuurders afgezet en nieuwe volksvertegenwoordigers gekozen. De Bataafse Republiek was geboren en aan het leenheerschap van Urk door de Staten van Holland kwam daarmee een einde. Na de opheffing van de Commissies van Toezicht op de Pilotage op 5 maart 1795 kwamen hun werkzaamheden geheel onder toezicht van het Departement van Marine. Dit was noodzakelijk want het koopvaardijverkeer bestond nog nauwelijks en daardoor dreigde de Pilotage in verval te raken. Iets wat de Franse marine zich niet kon permitteren. Deze veranderingen waren veelal van organisatorische aard, technisch bleef alles bij het oude. (afb. 28)

Op Urk werden al die woelingen aangegrepen om de macht van de schout in te perken en er zelf financieel beter van te worden. In 1795 moesten schout Klaas Pietersz. Brands en adjunct-schout Grubbelt Brands het veld ruimen en werden ze vervangen door de visser Klaas Dubbels. Het had niets te maken met patriotisme, maar door deze opportunistische machtswisseling werden vissers niet meer gecontroleerd op aan land gebrachte goederen uit zee- en strandvond. Normaal gesproken kregen ze hier maar een deel van, maar nu konden ze die geheel voor zichzelf houden. De nieuwe bestuurders probeerden daarna om Grubbelt Brands ook weg te werken als opzichter van de zeewerken. Er kon genoeg misgaan bij de zorg over werkvolk, materialen en gereedschappen, uitbetaling van lonen, en het beheer van de kas waaruit leveranties werden betaald. Ze zochten naar redenen en er werden klachten ingediend. Met resultaat want Grubbelt werd, lopende het onderzoek, geschorst en Klaas Dubbels nam ook de opzichterstaak over. Steun en waardering van mensen buiten Urk pleitten echter in het voordeel van Grubbelt. Uiteindelijk viel het onderzoek verkeerd uit voor de groep van vissers die de macht had gegrepen. Na controle bleek uit het rapport dat ‘die

STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 29a en b. In de Franse tijd werd de steenglooiing verder verhoogd en meer glooiiend gemaakt. Boven de oude situatie en onder de nieuwe situatie. (Noord-Hollands Archief)

werken, welke onder de directie van de nieuw aangestelde Opziender Dubbels waaren gemaakt, geheel en al onvoldoende waaren, en zijn aantekeningen allenzints verward, zodanig dat uijt het een en anders ’s mans onkunde en slegte directie ten duijdelijkst doorstraalde.’ Op voorspraak van Henricus Duivensz, belast met de werkzaamheden van de Pilotage, werd Grubbelt Brands in januari 1796 weer benoemd als opzichter van de zeewerken. Voor Urk braken jaren aan van veel geruzie en machtswisselingen, waarin vooral persoonlijke belangen voorop stonden. Het was ook een tijd van grote armoede, omdat de visserij in die jaren grotendeels verboden was vanwege de oorlog met Engeland. Met voedselhulp en overheidssubsidies moest het overgrote deel van de Urkers zich in leven houden. Pilotagewerken Het onderhoud van de zeewering ging in die jaren toch gestaag door. In 1795 werd paalwerk vernieuwd en een zanddijk aangelegd op Urk. Samen met de

STICHTING URKER UITGAVEN

werken op Emmeloord kostte dit ruim 7.000 gulden. In 1796 werd weer ruim 5.500 gulden aan de Urker zeewering uitgegeven. De verantwoordelijkheid voor de zeewerken werd in die tijd steeds verder gecentraliseerd, wat in 1809 leidde tot een afzonderlijk ministerie van Waterstaat. De eerste stap werd al in 1798 gezet met de oprichting van een landelijke Bureau voor den Waterstaat met een aantal uitvoerende ingenieurs. Voor het noordelijk gedeelte, waar Urk onder viel, was dat Jan Peereboom Bz. (17671826). De verantwoordelijke ingenieurs kwamen met gedetailleerde plannen en tekeningen die aan de bestuurders

werden voorgelegd ter uitvoering en om daarvoor gelden beschikbaar te stellen. Peereboom adviseerde de Commissie der Pilotage in 1805 om ter bescherming van de vuurbaak de steenglooiing te verbeteren. Dat zou verdere landafslag tegengaan. De steenglooiing werd hoger, maar vooral minder steil gemaakt om de kracht van het water beter te breken. (afb. 29 a en b). Dit werd vooral een stenen zeewering, om zo ook het gevaar van de paalworm te bezweren. De Pilotagewerken werden in die tijd aanzienlijk verbeterd. Zo werden er ook een loods en een magazijn gebouwd voor de opslag van materialen voor Lub Post | Het behoud van Urk | 31


Het noodlot afgewend Het eiland Urk bestaat aan de westelijke zijde uit een keileembult, die ongeveer een vijfde van het eiland beslaat. Het westelijke deel wordt het Hoge Klif genaamd, en het hoogste punt ligt op 9,2 meter boven Normaal Amsterdams Peil (N.A.P. ). Vanaf het Kerkje aan de Zee tot het eind van de Raadhuisstraat, ruim 400 meter, is de hoogte al afgenomen tot 2 meter boven N.A.P. Vanaf dat punt loopt het eiland verder flauw af naar de oostzijde in de Staart van Urk op een hoogte van 10 tot 20 centimeter boven N.A.P. Pieter Harting maakte onderstaande profieltekeningen van het eiland. Tot aan de aanleg van de zeewering in 1661 sloeg jaarlijks gemiddeld twee meter van de keileembult af. Gerekend met die afname zou het onbeschermde eiland honderd jaar later (1761) al weer met de helft zijn afgenomen en de grootste hoogte van de bult nog maar 4 tot 5 meter zijn. Al in de achttiende eeuw zou Urk dan niet meer bewoonbaar zijn geweest. Door het wegspoelen van de keileembult werden aan beide zijden van het eiland natuurlijke zandruggen gevormd (fig. 2)die samenkwamen op de staart van Urk. Daar tussenin lag het lage (gras)land. In de loop der tijd werden de zandruggen steeds verder opgehoogd en versterkt tot een uiteindelijke hoogte van 1,40 meter. Pieter Harting (1812-1885) was arts en plantkundige, maar ook de dierkunde, natuurwetenschappen, geologie, etnologie en paleontologie werden tot zijn expertise gerekend. Harting bezocht Urk regelmatig en diende de regering van wetenschappelijk advies en zat in de onderzoekscommissie naar de verwoestende paalworm.

32 | Lub Post | Het behoud van Urk

Afbeelding 29. Zicht op Urk vanaf de vuurtoren met rechts de twee magazijnen voor de opslag van materialen. L. le Comte, ongeveer 1830.

de zeewering in de buurt van de aanlandsteiger. (afb. 29.) Het werk aan de zeewering van Urk noodzaakte tal van gedetailleerde tekeningen. Aan die tekeningen is te zien dat met al die voorzieningen het afkalven van het eiland een halt was toegeroepen. De kaart uit 1791 kon daarom steeds opnieuw worden gekopieerd om hierop de werkzaamheden aan te geven. In 1809 werd weer het nodige herstelwerk uitgevoerd aan het paalscherm. Voor huisvesting van de arbeiders werd het schoolgebouw gebruikt. (afb. 30) De functie van Urk als baken in zee werd in dat jaar verder verbeterd door het

STICHTING URKER UITGAVEN


Departement van Marine door de plaatsing van een olielamp in de vuurtoren. Deze gaf meer licht en was bovendien veel goedkoper in gebruik dan kolen. Onder de koning Nadat Napoleon in 1813 was verslagen uitte de Urker vissersbevolking haar vreugde op een bedenkelijke wijze. De chef van de Waterstaat, D. Mentz, schreef daarover op 21 december aan het bestuur dat ‘de inwoonders van dat eiland zich niet hebben ontzien om ’s Rijks magazijnen aldaar open te breken en ter viering der gelukkige omwenteling een aanmerkelijke hoeveelheid van ’s Rijks materialen en gereedschappen te verbranden; dat verder eenige Personen dagelijks voortgaan met de palen der zeeweringen te kappen en die tot brandhout te gebruiken. Ik acht mij verplicht HoogEd. Gestr. Heer hiervan te rapporteeren, dewijl door deze wanorders niet alleen veel nadeel aan ’s Rijks kas wordt toegebragt, maar bij het verder of kappen der paalwerken de physieke gesteldheid van dit Eiland, zoo noodzakelijk voor de zeevaart op de Zuiderzee wordt gecomprometteerd.’ Bestuurder Fannius Scholten droeg daarom de commissaris van het arrondissement Hoorn op om meteen in te grijpen en de baldadigheid desnoods met bewapende manschappen te beletten. Het voorval gaf wel aan dat de Urkers zelf niet zo zuinig waren op de zeewering die hun eiland moest beschermen. Toen Nederland onder de soeverein vorst Willem Frederik van Oranje naar een nieuwe staatsvorm zocht, kende de waterstaatsorganisatie een overgangsperiode. In januari 1814 ontstond een Centrale Directie van de Waterstaat. In 1817 veranderde het in het Corps Ingenieurs van de Waterstaat der Publieke Werken, waarbij Urk viel onder het district Noord-Holland en Utrecht. Het ministerie van Marine hield zich bezig met Urk als het ging om de vuurboet en betonning en bakens. In 1817 werd de kolenloods afgebroken, maar in het belang van de scheepvaart werd deze vervangen door een kaap. (afb. 31) Zes jaar later moest de kaap al gerepareerd worden omdat deze was omge-

STICHTING URKER UITGAVEN

Afbeelding 30. In 1809 werd voor huisvesting van arbeiders het schoolgebouw gebruikt.

Afbeelding 32. Renovatietekening van de vierkante vuurtoren van Urk voordat deze in 1844 opnieuw werd gebouwd en zijn ronde vorm kreeg.

waaid. Ook de vuurtoren werd in 1823 verhoogd en gerepareerd. (afb. 32) De werken aan de zeewering vielen onder Waterstaat en stonden elk jaar weer op het programma, daarnaast werd ook gedacht over de aanleg van een echte haven. In 1805 had waterbouwkundige Peereboom al geadviseerd om zuidelijk van het Hoge Klif een haven aan te leg-

gen, omdat dit ook een versterking van de zeewering zou betekenen. De Leydse Courant berichtte op 18 augustus 1817 over ‘Het besluit van Z.M. om aan het eiland Urk, op de Zuiderzee, een noodhaven in het aanstaande jaar 1818 aan te leggen, hetgeen, behalve de veiligheid van ruim 3.600 binnenschepen, welke gewoon zijn daar jaarlijks langs te stevenen, welvaart, en, door welvaart, zoo wij vertrouwen, zedelijkheid aan de bewoneren van dat eiland, waarvan men sommigen wel eens met den naam van Afrikanen der Zuiderzee betiteld heeft, zal aanbrengen.’ Urkers hadden kennelijk in 1817 al een bedenkelijke reputatie. In juni 1818 berichtte de Nederlandsche Staatscourant dat de aanleg van een nieuwe haven of legplaats voor vissers werd aanbesteed. Een jaar later werd de haven daadwerkelijk aangelegd. Het was een hoofddam die vanaf de wal de zee instak met haaks daarop een leidam die niet met de vaste wal was verbonden. De haven had hierdoor twee ingangen. Het bestaande opscheephoofd werd in de haven opgenomen. De schepen lagen nu veel veiliger en konden ook aan de wal worden afgemeerd, al was de havenkant in het begin alleen van rijshout. De haven bood ruimte aan vijftig vissersschepen. (afb. 33) Voor de zeewering rond het eiland betekende de aanleg van een haven een versterking. De stenen glooiing werd vanaf de vuurboot doorgetrokken naar

Afbeelding 31. Bericht in de Nederlandsche Staatscourant van 5 september 1817.

Lub Post | Het behoud van Urk | 33


Afbeelding 33. De tekening van de nieuwe haven die in 1819 werd aangelegd. (Noord-Hollands Archief)

de stenen dam van de haven. Voor het paalscherm betekende de aanleg van een haven dat nu het gehele eiland omsloten kon worden nu de Rede niet meer nodig was. Die uitbreiding werd niet meteen uitgevoerd. Beproefd De Urker zeewering werd tot het uiterste beproefd in de periode 1824/1825. In november 1824 teisterde een hevige storm de Nederlandse kusten, waarbij grote delen land onder water kwamen te staan. De orkaanstorm van februari het jaar daarop richtte ontzettende verwoestingen aan in Nederland, waarbij maar liefst driehonderdtachtig mensen omkwamen. Op Urk bereikte het water een hoogste stand van 2,83 meter boven gemiddeld peil, en dan had je nog de golfhoogte van rond de anderhalve meter. Het bleek de hoogste waterstand die ooit werd gemeten op Urk. Op het hoge deel na stond het eiland onder water en havenwerken, waterkeringen en gebouwen liepen grote schade op. In de haven werden vijf schuiten stukgeslagen. Omdat de hele vloot in die periode aan wal lag, waren onder de vissers geen doden te betreuren. Waar men op Urk slaagde om het eiland tegen verdere landafslag te bescher34 | Lub Post | Het behoud van Urk

men, bleek het op Schokland een vergeefse strijd te zijn. Bij de stormrampen van 1824 en 1825 ging veel land verloren en verdronken er ook mensen. In 1825 was het zo erg dat het hele eiland onder

water stond en de zeedijk over een afstand van twee kilometer werd vernield en grote delen van het paalwerk werden weggeslagen. De Urker zeewering had de beproe-

Afbeelding 34. De steenglooiing rond de vuurboet werd steeds verder verlengd.

STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 35a en b. De werkzaamheden worden nauwkeurig aangegeven op de kaart, met op de afbeelding onder de specificatie van de werkzaamheden aan de noordkant van het paalscherm. (Noord-Hollands Archief)

ving doorstaan, maar voortdurend onderhoud en verder versterken bleef noodzakelijk. Bij de vuurboet werd de steenglooiing verder doorgetrokken. (afb. 34) Aan het paalscherm vonden jaarlijks reparaties en verbeteringen uitgevoerd. Op de kaarten die gemaakt werden van de werkzaamheden aan de zeewering is dit met jaartallen goed te zien. In feite werd de zeewering in enkele tientallen jaren vrijwel in zijn geheel weer vernieuwd. (afb. 35a en b) J. van Asperen was als ‘ingenieur van den Waterstaat’ verantwoordelijk voor het werk op het eiland. Op Urk werd havenmeester D. van Wijngaarden van Rees aangesteld als verantwoordelijke voor de haven- en zeewerken. De haven werd in 1837 verder uitgebreid en het havenreglement gaf Van Wijngaarden de bevoegdheid om de havengelden te innen, maar ook de mogelijkheid om in geval van schade aan houtwerk en beschoeiingen boetes op te leggen en die in te vorderen. Ook het in de haven gooien van zand, vuilnis, steen of andere stoffen werd met 1 gulden beboet. Bezoekende schepen betaalden havengeld naar gelang de grootte van het schip en het havengeld varieerde van 15 tot 50 cent per vijf etmaal. De Urkers zelf betaalden een jaarbedrag dat varieerde van 1 gulden tot 6 gulden. De inkomsten van de haven wogen echter

STICHTING URKER UITGAVEN

Lub Post | Het behoud van Urk | 35


bij lange na niet op tegen de kosten die met de haven en het beheer hiervan gemoeid waren. Pas rond 1840 werd het paalscherm bij de voormalige Rede gedicht, maar men liet daar bij de aansluiting nog wel een opening in het paalscherm voor de ijsvlet en de zegenvisserij op haring. (afb. 36) In handen van de provincie De grondwetsherziening van 1848 bracht voor de waterstaat een nieuwe organisatie, die vanaf 1 april 1849 vorm kreeg. De op deze grondwet gebaseerde Provinciewet bepaalde dat de provincies zelf eigen waterstaatsdiensten konden oprichten en niet meer hoefden te leunen op de regionale districten. Alle provincies richtten tussen 1850 en 1880 geleidelijk aan hun eigen diensten op en er werd vanwege het onderscheid gesproken van Provinciale Waterstaten en ’s Rijks Waterstaat. Op Urk bleef het Rijk de zeeweringen en havenwerken onderhouden. Op de rijksbegrotingen komt Urk daarom jaarlijks voor met omschrijvingen zoals in 1850 ‘vernieuwing van slechte

Afbeelding 36. Het paalscherm werd vanaf 1843 ook aangelegd op de voormalige Rede, waardoor het hele eiland tegen de zee werd beschermd. (Noord-Hollands Archief)

vakken paalwerk en bezinken van een gedeelte strand bij de haven van Urk en in verzwaring der zeeweringen en

Afbeelding 37. Het rijksbudget voor 1854 aangaande de zeewering van Urk.

36 | Lub Post | Het behoud van Urk

steenglooiingen’. In de periode 1849 tot 1853 werd jaarlijks gemiddeld 9.000 gulden uitgegven. De begroting voor 1854 laat een bedrag zien van 8.828 gulen. (afb. 37) Het onderhoud aan de zeewering werd voor een periode van zes jaar aanbesteed. Bij de begroting werd opgemerkt dat de zeeweringen en havenwerken zich in een goede staat van onderhoud bevonden. Op het naburige eiland Schokland stelde de Commissaris des Konings in 1854 na een inspectie vast dat de situatie onhoudbaar was geworden. Het eiland was bovendien armlastig en moest met subsidie ondersteund worden. De minister van Binnenlandse Zaken gaf in 1858 bij de indiening tot een wetsontwerp tot ontruiming van het eiland aan dat de overheidsbijdrage ‘geenerlei nut’ opleverde en dat een deel van de bevolking een kommervol bestaan bleef leiden. Bij ‘minnelijke schikking’ werd het eiland ontruimd. De bewoners ontvingen een schadevergoeding. In de zomer van 1859 was de ontvolking grotendeels voltooid. Alleen enkele rijksambtenaren bleven met hun gezinnen achter, onder wie de lichtwachter. Zo behield het eiland zijn functie voor de navigatie.

STICHTING URKER UITGAVEN


Het plan was dat ook de haven zou verdwijnen, maar na de nodige protesten bleef deze behouden als vluchthaven voor de scheepvaart. Urk bleek nog wel een toekomst te hebben. De vloot telde toen 132 schepen en er werden plannen gemaakt voor de vergroting van de haven, die er in 1856 ook kwam. De ambities van Urk gingen echter veel verder en in 1859 werd vanuit het Urker raadhuis een schrijven gericht aan Z.M. de Koning waarin zij ‘eerbiedig verzoeken dat ook Urk in het spoorwegnet worde opgenomen.’ De Urker bestuurders waren van mening dat ‘slechts’ een dijk behoefde gelegd te worden van Urk tot aan het eiland Marken, met een verbinding van dat eiland naar de vaste wal, om vervolgens met een spoorweg van Amsterdam met Den Helder verbonden te worden. De kosten zouden volgens het Urker bestuur globaal berekend gelijk zijn aan de doorgraving van Holland op zijn smalst, waarmee men doelde op de plannen voor de aanleg van het Noordzeekanaal. Dat kanaal verbond later Amsterdam rechtstreeks met de Noordzee en maakte dat vrachtschepen niet meer over de Zuiderzee en de Waddenzee hoefden te varen om op de Noordzee te komen. De Urker suggestie haalde het niet, maar plannen over de afsluiting van de Zuiderzee en inpoldering kregen in die tijd wel steeds vastere vormen. Op Urk

Afbeelding 38. Het plan voor een gedeeltelijke drooglegging van de Zuiderzee.

stond men daar niet afwijzend tegenover. In 1867 schreven burgemeester en wethouders van Urk aan de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland dat het ontwerp van de inspecteur van Waterstaat, J.A. Beijerinck, ‘alle lof en toejuiging verdient, onverbeterlijk is.’ Beijerinck projecteerde een afsluitdam van Enkhuizen via Urk naar de vaste wal ten zuiden van de monding van de IJssel. Daarmee zou het zuidelijk deel van de Zuiderzee afgesloten worden en vervolgens kon het met stoommachines drooggelegd worden. Urk zou dan aan het zoute water blijven liggen. Het Plan-Beijerinck werd uiteindelijk afgekeurd omdat de Raad van Waterstaat tot de conclusie kwam dat dit project financieel niet haalbaar was. (afb. 38)

Schaarste aan grond Half in de negentiende eeuw doet de schaarste aan grond zich gelden op Urk. Lange tijd kon men volstaan met alleen woningen ten noorden en oosten van het Kerkje aan de Zee te bouwen. Het hoge deel van de bult was lang onbebouwd om de contouren van kerk, vuurtoren en kaap zo duidelijk mogelijk te houden. De bouw van de kerk voor de Afgescheidenen in 1851, op de plek van de huidige Bethelkerk, was het eerste bouwwerk op de toenmalige gemeenteweide. Al vrij snel daarna werd dit deel en het gebied rond de havens bebouwd. (afb. 39) Op het lage deel van het eiland werden al eerder pogingen ondernomen om de waterpoelen in de zomer droog te ma-

Afbeelding 39. Het eiland Urk in 1853. Illustratie uit Het Eiland Urk: Zijn Bodem, voortbrengselen en bewoners, Pieter Harting.

STICHTING URKER UITGAVEN

Lub Post | Het behoud van Urk | 37


ken en die te gebruiken als hooiland. In 1842 werd een kanaaltje gegraven naar de zuidoostelijke zeewering, met een spuisluis en een watermolen. Het molentje was nodig omdat het lage deel van het eiland zo laag lag dat de zeespiegel van de Zuiderzee bijna altijd hoger was en er dus geen sprake was

Afbeelding 41. De schuif in de duiker.

van natuurlijke afwatering. Deze Urker inpolderingsplannen slokten behoorlijk gemeentegeld op en er moesten leningen worden afgesloten om de werken te kunnen uitvoeren. Helaas waren die inpolderingswerken maar ten dele succesvol. (afb. 40) In 1864 werd de zandkade aan de oostzijde van het eiland bij wijze van proef over een lengte van 180 meter met keileem bekleed om de invloed van het water in te perken. Dit werk werd later voortgezet door R. de Boer van der Ley, die in 1877 de nieuwe rijkshavenmeester op Urk werd. Hij maakte een aanvang met het bestraten van en verder versterken van de omringkaden. Aan de zuidzijde is in 1897 begonnen met het bekleden van de kade met een klinkerstraat (beide hellingen en kruin) om de herhaalde doorbraken in dit gedeelte van de kade tegen te gaan. In totaal is daar een aaneengesloten vak van 1.070 meter lengte bestraat. Ook aan de noordzijde is 60 meter kade op die wijze, na dichting van een doorbraak, voorzien en tevens 90 meter waarvan alleen de buitenloop en de kruin zijn bestraat. De Boer van der Ley zorgde ook voor verbeteringen van de haven, waaronder de verbreding van het plankier en bestrating van havenkaden. In de kade aan de zuidzijde werd een

stenen duiker, die diende tot afwatering van de lage landen en die tevens diende tot waterinlaten bij hoge waterstand ter bescherming van de kade, voorzien van een wachtdeur en schuif. (afb. 41) Deze duiker werd in 1880 door het Rijk gebouwd, waardoor de functie van de vroegere watermolen kwam te verval-

Afbeelding 42. De Amerikaanse watermolen.

Afbeelding 40. Zicht op Urk vanaf het lage deel van het eiland, met links de duiker. Aquarel W.W. May, ca. 1885.

38 | Lub Post | Het behoud van Urk

STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 43. Een weergave van Fokke de Vries (2021) met daarop de bestrate omringdijk en het paalscherm.

len. Een paar jaar later waaide deze molen om, maar in 1904 werd alsnog een Amerikaanse watermolen geplaatst om de uitwatering te verbeteren. (afb. 42) Eind negentiende eeuw werden ook nieuwe sloten gegraven en werden delen opgehoogd. Door al die maatregelen werd het lage deel van het eiland steeds beter bruikbaar en dat was nodig om de groeiende veestapel te voeden. (afb. 43) Tegelijkertijd deed de schaarste aan grond zich op het hoge deel van het eiland steeds meer gelden. Eind negentiende eeuw had bebouwd Urk de grens van het hoge deel bereikt, die zich bevond in Wijk 6 en ook al bij hoog water gevaar liep. De rest van het eiland stond een paar keer per jaar onder water, dus hier kon zeker niet gebouwd worden. Elk droog plekje grond werd benut voor woningbouw en al vanaf eind negentiende eeuw was er op Urk sprake van woningschaarste. De steenglooiingen werden ter versterkingen van de zeewering ook steeds meer toegepast. Aan de noordzijde door de bestaande glooiing verder door te trekken, maar ook aan de zuidzijde waar een basalten glooiing werd aangelegd in 1892 en 1894 en in 1896 ook de hoofden met basalt werden bezet. (afb. 44) Het nut van de zeewering bewees zich

STICHTING URKER UITGAVEN

weer in 1897 en 1898 bij zware stormen. In 1897 was het water al hoog gerezen, maar toen de wind naar het Noordwesten liep, steeg het water nog sneller. In de landelijke krant stond te lezen: ‘Met woeste kracht beukten de golven het paalscherm aan de Noordkant, en hooge wolken stoven er overheen, zoodat het weideland reeds blank stond voor de dijk overstroomde. Door den hoogen vloed is het kleine eiland tot een vijfde,

het bewoonde gedeelte, gereduceerd.’ In februari 1898 kreeg het paalwerk aan de noordkant het opnieuw zwaar te verduren. Behalve enkele kleinere gedeelten van het paalscherm waren tussen paal 16 en 17 bijna honderd palen door de kracht van de golven verdwenen, terwijl de dijk op twee plaatsen, over een lengte van 50 meter, was weggeslagen. Een niet onbelangrijke oppervlakte van het weideland langs die dijk werd door

Afbeelding 44. In de loop der jaren werd de steenglooiing steeds meer toegepast.

Lub Post | Het behoud van Urk | 39


Afbeelding 45. Een kaart van het eiland Urk uit 1916 met daarop de zeewering aangegeven. In rood het bestrate deel van de omringkade.

de overstroming met een zandlaag overdekt. Bij de vuurtoren dreigde de steenglooiing het te begeven en was al sprake van enkele inzinkingen, maar gelukkig begon toen de storm te bedaren. Aan het begin van de twintigste eeuw werd er geëxperimenteerd met het plaatsen van betonnen platen van 1,80 meter hoog. Maar de stijve wanden van gewapend beton gaven niet mee en zorgden ervoor dat de golven hier tot geweldige hoogte tegenop spatten. Het was geen succes en al vrij snel werden ze 40 | Lub Post | Het behoud van Urk

weer vervangen door de meer flexibele houten palen. (afb. 45 en 47) Naast het feit dat de Urkers altijd als arbeiders meewerkten aan de zeewerken van Urk, waren er sinds het eind van de negentiende eeuw ook Urker bedrijven die de klussen aannamen en uitvoerden. (afb. 46) De werkzaamheden voor Rijkswaterstaat gingen het hele jaar door en soms kregen de aannemers het werk binnen een jaar niet eens af. Als er een groot stuk paalscherm werd weggeslagen, dan moest dat zo snel mogelijk her-

Afbeelding 46. De gunning aan J.ten Napel.

STICHTING URKER UITGAVEN


steld worden. Voor de aannemers was de stormschade een buitenkansje, omdat het meerwerk was. Er werd dan ook zo scherp mogelijk ingeschreven, in de hoop dat er nog wat stormschade bij kwam. Na een zware storm, met schade aan het paalscherm en veel zand over de palen, moest de aannemer met twee ploegen aan het werk. De ene ploeg om het paalscherm te herstellen en een andere ploeg van soms wel veertig man om het zand van het land af te halen en weer achter de palen te kruien. Jaarlijks moest het hele paalscherm ter

STICHTING URKER UITGAVEN

Afbeelding 47. De zeewering van Urk aan de noordzijde van het eiland.

Lub Post | Het behoud van Urk | 41


De zeewering van Urk in cijfers ‘De zeeweringen strekken zich rondom het eiland uit en vormen met de havenwerken een geheel; de totale lengte van de zeeweringen bedraagt 3.600 meter. Beginnend bij de Westhavenkom, bestaat de zeewering langs het hoge gedeelte van het eiland, Hoge Klif genaamd (bij de vuurtoren een hoogte van 7,60 meter en bij de Hervormde kerk 8,70 meter), uit 400 meter lengte steenglooiing rijzende over 50 meter lengte van 3,30 meter tot de hoogte van 4,00 meter, welke hoogte tot het einde behouden blijft; van daarover 351,50 meter lengte een steenglooiing, hoog 3,30 meter tot 0,85 meter met een paalscherm daarboven, afdalende van 4,10 meter tot 2,20 meter. Rechthoekig uit laatstgenoemde steenglooiing liggen 9 paalhoofden, lang 8 meter en hoog 0,75 meter tot 0,30 meter. Alle genoemde hoogten boven volzee. Van daar volgt de zeewering om het lage gedeelte, zich uitstrekkend langs de noordzijde tot de Staart van Urk en verder langs de oost- en zuidzijde tot de haven. De zeewering bestaat uit een doorgaand paalscherm en een daarbinnen gelegen omringkade, die aan beide zijden tegen de hoge gronden aansluit. De totale lengte van het paalscherm bedraagt 3.222 meter, waarvan 1.664 meter langs de noordzijde. Van dit paalscherm blijft de hoogte over 1.037,50 meter tot 2,20 meter en daalt van daar over 275 meter lengte tot 2,00 meter. Langs de zuid- en oostzijde is de hoogte van het paalwerk in het begin bij de Oosthavenkom 2,00 meter en daalt van daar over 132 meter lengte tot 1,60 meter, welke hoogte over een lengte van 1.401 meter behouden blijft, waarna met een stijging over de laatste 25 meter op de staart tot 2,00 meter waarmee de aansluiting met het noordelijk gedeelte verkregen wordt. Rechthoekig uit het paalwerk liggen 78 paalhoofdjes met een lengte van 9,00 met en een hoogte van 0,75 tot 0,20 meter. Voor het paalwerk aan de zuidzijde, nabij de haven, is een steenbestorting met een lengte van 500 meter aangebracht met een hoogte van 0,20 meter. De omringkade heeft een lengte van 2.100 meter en bestaat uit zand met een kleibekleding en heeft een hoogte van 1,40 meter, waarvan één gedeelte zich over 325 meter lengte bij de Staart, genaamd de Piramide, regelmatig verheft tot 2,80 meter.’ Bron: De zeeweringen en waterschappen van Noord-Holland

In 1863 is de steenglooiing van het Hoge Klif verhoogd van 2,80 naar 4,00 meter boven volzee. Waar het terrein aan de achterzijde lager was dan 4 meter werd een ‘basaltmuurtje’ gebouwd om op hoogte te komen.

42 | Lub Post | Het behoud van Urk

Afbeelding 48. Het lage land werd begrensd door de sloot. Rechts wijk 6, de uiterste bouwgrens van het eiland Urk.

bescherming in de creosoot (teerachtige laag) gezet werden en de kop kreeg een 30 centimeter brede witte lakverf. Ander jaarlijks onderhoud was het uitbaggeren van de haven. De gebroeders Ten Napel hadden 39 jaar lang dit onderhoudswerk. De uitgebaggerde vettige klei werd opgeslagen op het Rijksterrein en weer gebruikt voor herstel van de dijkjes rondom het lage land. (afb. 48) De Zuiderzeewerken De Zuiderzeevloed in de nacht van 13 op 14 januari 1916 zorgde voor een ramp in Nederland. De stormvloed viel samen met de verhoogde afvoer van rivierwater en de hoge waterstand in de Zuiderzee vanwege de aanhoudende noordwestenwind. Op sommige plekken kwam het water ruim drie meter boven het normale peil. Op veel plaatsen braken de dijken door en was de schade enorm. Het eiland Marken, met zijn lage dijken, liep onder water en betreurde 16 dodelijke slachtoffers. Op Urk legde de zelfregistrerende getijmeter een stand van 2,63 meter boven Normaal Amsterdams Peil vast. Het zilte water waaide over het dorp. De golven sloegen over de nieuwe Noorddijk en het water drong via het riool en de kelders de woningen binnen. De buitenste rij huizen tegen het lage deel van het eiland moest worden ontruimd en er stonden huizen rondom in het water. Van de dam onder aan de hoogte sloegen stukken af en het was voor de Ur-

STICHTING URKER UITGAVEN


kers een angstige nacht. Maar het bleef bij materiële schade en regenbakken die onbruikbaar waren geworden door het zoute water. Het water bleef nog dagen op het weiland staan. (zie kader De storm van 1916) De ramp, in combinatie met de voedselschaarste tijdens de Eerste Wereldoorlog, leidde tot de totstandkoming van de Zuiderzeewet. De soms verwoestende Zuiderzee zou worden afgesloten en deels ingepolderd worden voor nieuwe landbouwgrond. Ir. Lely diende in september 1916 zijn ontwerp in en twee jaar later was deze wet aangenomen door de Eerste en Tweede Kamer. Op Urk, en ook in veel andere vissersplaatsen, was er verzet tegen de plannen omdat de afsluiting een einde maakt aan de traditionele visserij op haring en ansjovis. De plannen voor een dijk die de jaarlijkse intrek van deze vissoorten zou belemmeren, maakte de toekomst onzeker. Maar naast veiligheid boden de Zuiderzeewerken voor Urk ook uitbreidingsmogelijkheden. Burgemeester Gravestein gaf aan dat de inpoldering de Urker bevolking ook met blijde hoop tegemoet kon zien als het ging om het ‘bouwgrondvraagstuk’ waar tot nu toe tevergeefs naar een oplossing werd gezocht. ‘Het hooge gedeelte is zoo goed als volgebouwd, zoodat er ter voorziening in den nijpenden woningnood geen ruimte meer overblijft. Het lage land, dat bij hooge vloeden onder water stroomt, zou alleen met groote kosten voor bouwgrond geschikt te maken zijn en dan bleef nog steeds het bezwaar bestaan, dat de weide, die nu reeds ontoereikend is voor de voeding van de veestapel, er door verkleinen zou.’ (afb. 49a en b)

De storm van 1916 ‘De golven kwamen over het moerasland en het weiland. Het was jaren geleden dat het water het dorp binnengekomen was. De redacteur van de Urker Courant beschreef de gevolgen. Bij de werf van Klaas Hakvoort waren de schepen volgelopen. In de werkschuur stond het water vier voet hoog. Uit een huis moesten de bewoners geëvacueerd worden met een boot, voortgetrokken door het gemeentepaard, dat tot zijn middel in het water stond. In het huis van Lubbert Romkes, waar de Belgische geïnterneerde commandant Maury woonde, stond het water zo hoog als de keukentafel. De volgende ochtend waren de gevolgen van de storm nog goed te zien. Het water sloeg zelfs nu nog over de rand van de basaltblokkendijk dicht bij de barak, het hoogstgelegen deel van het eiland. Het gevaar was inmiddels geweken, maar de schade was groot. De dijken waren grotendeels onzichtbaar; de omtrek van het eiland herkenden ze aan een schuimstrook en de manier waarop het water golfde. Ze zagen dat zandwegen weggespoeld waren, huizen onder water stonden, dat slib en zand achtergebleven waren in kamers, dat delen van de zeewering doorgebroken waren. De zouterij van Keuter, die nu in gebruik was als groentepakhuis, was volgelopen: de rode en witte kolen dobberden over het water. Bij de zouterij Spithorst had een kalf het niet overleefd en was een groot deel van het hooi doorweekt. De muur van de mestvaalt was helemaal weggeslagen en er waren zeker drie scheepsladingen mest weggespoeld; de taanderij stond blank, en de mandenmakerij en het gemeentepakhuis bleken ook niet gespaard.’ Bron: Duivelseiland, Mandy van Dijk, 2021, p. 202-203

Afbeelding 49a en b. Het paalscherm bij mooi weer boven en op de foto onder tijdens een storm op dezelfde locatie waarbij het land overstroomde.

Door de Zuiderzeewerken zou er eindelijk ruimte komen voor de uitbreiding van Urk. (afb. 50a en b) Het hoge deel van Urk was al zo volgebouwd dat de kaap zijn functie als zeebaken had verloren en in 1923 werd afgebroken. In november 1928 woedde er weer een hevige storm en werd ongeveer 3/5 gedeelte, het omkade weiland, overstroomd tot de weg benoorden het dorp. Met woeste kracht beuk-

STICHTING URKER UITGAVEN

Lub Post | Het behoud van Urk | 43


Afbeelding 50a en b. De bebouwde hoge bult van Urk met daarachter het lage land dat regelmatig overtroomde. Het lage deel (foto onder) was alleen te gebruiken als grasland.

ten de golven het paalscherm aan de Noord-Westelijke kant en grote wolken schuim stoven over de palen heen. Alleen het hoge deel van het eiland stak nog boven de golven uit. Het was de laatste keer dat het eiland door de zee werd aangevallen. (afb. 51) Einde van het gevaar De Afsluitdijk werd in 1932 gedicht en dat maakte definitief een einde aan de aanvallen die de zee steeds weer op het eiland had gedaan. Voor Urk betekende het ook dat het lage deel niet meer overstroomde. Een heel nieuw uitbreidingsgebied kwam nu beschikbaar en met de bouw van wijk 7 kon een aanvang worden gemaakt. Ook op het hooiland was het effect merkbaar en in 1933 was de hooioogst bijzonder hoog, omdat het land niet meer was overspoeld door zout water.

Afbeelding 51. Ook een jaar eerder, in februari 1927, werd door de storm een groot gat geslagen in de zeewering. (Nationaal Archief Elsevier)

44 | Lub Post | Het behoud van Urk

Nu de Afsluitdijk het hoge water tegenhield, was ook onderhoud van de zeewering, en met name het paalscherm, niet meer noodzakelijk. (afb. 52) Het magazijn van Rijkswaterstaat bij de havenmeesterswoning werd in 1936 afgebroken omdat het niet meer nodig was om een grote voorraad palen op te slaan.

STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 52. Het Urker paalscherm aan de noordzijde afgebeeld door de schilder Rudolf Hirth du Frénes in 1867.

De Ruilverkavelingswetgeving ging ook aan Urk niet voorbij en het versnipperde Urker hooiland moest op aandringen van de grootste landers in grotere kavels verdeeld worden. Rijkswaterstaat toonde dat ‘regeren vooruitzien is’ door zich nadrukkelijk te bemoeien met de ruilverkaveling van het ongeveer 32 hectare grote hooiland. Rijkswaterstaat claimde al het eigendom van de grond tussen de omringdijk en het paalscherm. De Urker boeren moesten nu verkavelen en wat grond afstaan voor de aanleg van wegen. De vreemde eigendomssituatie op Urk zorgde er echter voor dat de landers en de gemeente overhooplagen over de vraag of de hooirechten uit het verleden je ook landeigenaar maakten. Om grondbelasting en dijkplicht te voorkomen waren de landers immers nooit eigenaar geweest. Uiteindelijk ging het land bij de ruilverkaveling toch naar de landers en zij betaalden de gemeente een schadevergoeding voor gederfde hooirechten. Rijkswaterstaat legde het bezit van de zandkade rondom het lage deel, de zeewering en de zandbanken voor het paalscherm vast. Ze hadden hier per slot van rekening in de loop der eeuwen al heel veel geld in geïnvesteerd. Het ging in totaal om zo’n dertig hectare grond die Rijkswaterstaat claimde, waarvan 9,5 hectare op het eiland. Urk lag nog dwars, maar door te dreigen met uitsluiting van de Noordoostpolder, ging Urk door de knieën. Rijkswaterstaat nam als tegenprestatie

STICHTING URKER UITGAVEN

De vergroting van de haven in 1902.

De haven van Urk De Urker haven bleek al snel na de aanleg in 1819 te klein. In 1830 werd de haven vergroot en verder uitgediept. In 1837 werd het westerhavenhoofd verlengd. In 1856 werd de haven opnieuw vergroot en bestond toen uit de huidige Oost- en Westhaven met een diepte van twee meter. In de loop der jaren werd de haven steeds verder verbeterd door de aanleg van plankieren en aanlegsteigers. In 1902 kreeg Urk er een nieuwe havenkom bij met een diepte van 2,5 meter. Net als bij het paalscherm, werkten de Urkers ook mee aan realisering van de haven. Om het overspoelen van de dam en het overwaaien van zand in de haven tegen te gaan werd ook de haven bij het strand afgeschermd met een paalscherm.

de kosten van de ruilverkavelingswerken voor zijn rekening en legde de weg aan over de lengte van het eiland. Door het bezit van dit eigen terrein hoefde Rijkswaterstaat geen dure werkeilanden aan te leggen en de zandbanken dicht rond Urk zorgden voor voldoende

zand dat gebruikt kon worden voor wegen en boerderijbouw in de nieuw in te richten polder. (afb. 53) De Zuiderzeewerken maakten ook een einde aan de werkloosheid op Urk. Er was weer hoop op een betere toekomst in die nieuwe polder, maar het was des Lub Post | Het behoud van Urk | 45


Afbeelding 53. Het eiland Urk met de nieuw aangelegde weg en de eerste bouw in het lagere deel (Pieter Hoekmanstraat en Tuindorp).

Afbeelding 54. Urk nam afscheid als eiland en verbond zich met het Nieuwe Land.

te teleurstellender dat Urkers later alsnog werden buitengesloten. Ongeschikt bevonden voor dit nieuwe polderland. Inpoldering In 1939 werd Urk door de dijkverbindingen eiland af en kon een begin worden gemaakt met de inpoldering. (afb. 54) Het paalscherm verloor hierdoor helemaal zijn functie en tijdens de Tweede 46 | Lub Post | Het behoud van Urk

Wereldoorlog werd het houten paalscherm stukje bij beetje door de bevolking afgebroken om als brandstof voor de kachel te dienen. Eind 1944 werd aan deze illegale praktijken een einde gemaakt en werden, in opdracht van de Dienst Zuiderzeewerken, de nog resterende palen uit de grond getrokken en opgeslagen op het terrein van Rijkswaterstaat bij de haven.

Een monument Tussen 1974-1979 is een replica van het paalscherm gebouwd ter herinnering aan de belangrijke rol in de Urker historie. Bij de directeur van Gemeentewerken, Arie de Wit, leefde toen de wens om de contouren van het oude eiland in de nieuwe bebouwing zichtbaar te maken en om praktische redenen om zo ook de hoogteverschillen tussen het oude eiland en de uitbreiding van Urk te overbruggen. Zonder de gemeenteraad hierin te kennen bestelde de directeur een lading inlands eiken. Uiteindelijk vond de gemeenteraad het ook een goed idee en gaf toch nog formeel groen licht voor dit project. In 2021 werd het paalscherm gerenoveerd en werd het ‘Rondje Eiland Urk’ gerealiseerd. (afb. 55 a, b en c) Per fiets of lopend voert deze route langs de contouren van het oude eiland. Een rondje dat de inspecteurs van de zeewering in het verleden jaarlijks liepen om vol zorg weer aantekeningen te maken van wat nu weer vervangen of verbeterd moest worden. De Pilotage, de Stad Amsterdam en later het Rijk, zagen die rapportages met angst en beven tegemoet. De gemeente Urk ondervindt nu zelf aan

STICHTING URKER UITGAVEN


den lijve wat het onderhouden van een paalscherm kost. En dat zonder dat het geteisterd wordt door beukende golven of vraatzuchtige paalworm. Maar het is een belangrijk en levensecht monument ter herinnering aan een gewonnen strijd en het behoud van Urk. 

Met dank aan Klaas Post en Klaas de Vries, die beiden betrokken waren bij het opzetten van deze Urcker Kroniek en historische informatie aandroegen over met name de maritieme geschiedenis en de rol van de Stad Amsterdam.

Bronnen: LITERATUUR: • De Vries, C., Geschiedenis van het eiland Urk, Zalsman, 1962 • Geurts, A. Urk, de geschiedenis

Afbeelding 55. Het ‘Rondje Eiland Urk’ is een levensecht monument dat herinnert aan de redding van Urk. Hier het paalscherm op de Staart van Urk en foto onder de Staart toen Urk nog een eiland was. Onderste foto het originele paalscherm aan de zuidzijde van het eiland, gezien vanaf de Oosthaven.

van een eiland, Nieuw Land, Erfgoedcentrum, 2005. • Verslagen Rijkswaterstaat over de stormvloeden in diverse jaren. • Staatkundig en staathuishoudkundige jaarboeken, Amsterdam • Blok, Prof.Dr. P.J., Amsterdam in de zeventiende eeuw, Van Stockum, 1897 • Colijn, P.J., Zee- en rivierwerken, Uitgeversm. Amsterdam • De Vries, G., De Zeeweringen en Waterschappen van Noord-Holland, Joh. Enschedé en Zn., 1894 PERIODIEKEN: • Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, Amsterdam • Urker Volksleven, Vrienden van Urk • De Ingenieur, Den Haag • Tijdschrift voor zeegeschiedenis, Den Haag GERAADPLEEGDE ARCHIEVEN: • Nationaal Archief, Den Haag • Noord-Hollands Archief, Haarlem • Amsterdams Archief, Amsterdam • Koninklijke Bibliotheek, Delpher, Den Haag; kranten, periodieken, rijksbegrotingen, provinciale verslagen

STICHTING URKER UITGAVEN

Lub Post | Het behoud van Urk | 47


Samenvatting. Stormen en vloeden teisterden regelmatig het imposante en steil uit zee oprijzende eilandje Urk. Ogenschijnlijk een onaantastbare keileembult, maar in werkelijkheid een dorpje dat doorlopend terrein verloor aan de elementen. Met een gemiddelde landafslag van twee meter per jaar was het centraal in de Zuiderzee liggende eiland gedoemd om ten onder te gaan. Met Urk zou dan een uiterst belangrijk navigatiepunt voor de handelsroutes over de gevaarlijke Zuiderzee verloren gaan. Dat gegeven motiveerde de rijke Hollandse kooplieden om het eiland in 1660 te laten kopen door de Stad Amsterdam. Niet alleen om de veilige koers te bepalen, maar ook om als reddingstation hulp te bieden als schepen in gevaar kwamen. Het hoge eiland moest bewaard en bewoond blijven en voor de voedselvoorziening van de Urkers nam Amsterdam uiteindelijk ook de bescherming van het lage deel van het eiland voor zijn rekening. De strijd om het behoud van Urk was een langdurig, geldverslindend en uitdagend project, maar het slaagde. Zonder de Pilotage en de Stad Amsterdam, en later het Rijk, zou slechts de achternaam Van Urk nog herinneren aan een eilandje dat ooit verzwolgen werd door de Zuiderzee.

Summary. Storms and floodes regularly scourged the steep island of Urk, rising imposingly from the sea. Apparently an unassailable mass of boulder clay, in reality it was a village that constantly lost precious ground to the elements of nature. Losing approximately two metres per year, the island, located in the centre of the former Zuiderzee, was doomed to eventually vanish. This disappearance would also mean the loss of a highly important navigational beacon, vital for guiding trade vessels across the dangerous Zuiderzee. This was why the island was purchased by the city of Amsterdam in 1660, urged by its rich merchant burghers. Not just to enable ships a safe transit, but also to provide assistance as a rescue station if ships were endangered. The high part of the island had to be maintained and inhabited, but Amsterdam also protected the lower areas of the island, where food was grown to feed its villagers. The battle to preserve Urk was a lengthy and ongoing process, extremely costly and challenging, but it was successful. Without the Pilotage and the city of Amsterdam, and later the Dutch Government, only the name “Van Urk” would still survive of an island that was once swept away by the Zuiderzee.

Deze kroniek kwam tot stand dankzij een financiële bijdrage van de gemeente Urk.

Om het werk van de Stichting Urker Uitgaven te steunen en te kunnen doorgaan met het publiceren van de Urcker Kronieken, kunt u een gift overmaken op rekeningnummer

NL 32 ABNA 0436429853

(t.n.v. Stichting Urker Uitgaven). Een gift aan de Stichting Urker Uitgaven is aftrekbaar voor de belasting.

Colofon Urcker Kronieken is een digitaal magazine van de Stichting Urker Uitgaven waarin op diepgaande wijze onderwerpen over de geschiedenis van Urk worden belicht. Het magazine wordt gepubliceerd op de website: w w w.urker u itgave n . n l

Heeft u ook een bijdrage? We houden ons van harte aanbevolen voor uw bijdrage, ongeacht de lengte hiervan. Neem vrijblijvend contact met ons op om dit te bespreken. Ook reacties op het magazine zijn welkom. i nfo @urke r u i tgave n. nl

STICHTING

URKER UITGAVEN

Geprinte exemplaren van Urcker Kronieken zijn te koop in museum Het Oude Raadhuis, Urk.

48 | Lub Post | Het behoud van Urk

STICHTING URKER UITGAVEN


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Stichting Urker Uitgaven - Het behoud van Urk by GBU printmedia - Issuu