Skip to main content

Stichting Urker Uitgaven - Nozems op Urk

Page 1

Kronieken Urcker

Jaargang 2021 | nr. 1

STICHTING

URKER UITGAVEN www.urker u i tgaven.nl

Afbeelding 1. Nozems op een bromfiets. (Nationaal Archief)

De rellen van 1958/1959

Nozems op Urk In de periode 1958/1959 deden zich op Urk regelmatig jeugdrellen voor. Dit gedrag moet bezien worden vanuit het perspectief van een zich toentertijd algemeen aandienende nieuwe jeugdcultuur, nl. dat van “het nozemdom”. Met name het optreden van de zgn. Carlsenploeg werd destijds als plaatselijke exponent van dit jeugdfenomeen beschouwd. Een incident op het Urker strand in augustus 1959 vormde een climax van een lange reeks baldadigheden. Dat incident haalde de landelijke en internationale pers (o.a. The Times) en dwong het gemeentebestuur en de plaatselijke kerkbestuurders tot maatregelen.

Door Douwe Pereboom douwepereboom@live.com


Wie is “Carlsen” en waar staat die naam voor? Zoals overal eind jaren vijftig, had je ook op Urk verschillende vaste jeugdgroepen. Zij droegen, ter onderscheiding van elkaar, veelal de naam van hun leider of die van een opmerkelijke figuur binnen de groep. Daarnaast kon de groepsnaam ook simpelweg afgeleid zijn van een willekeurig groepslid, wiens bijnaam toevallig lekker in het gehoor lag. Zo was er destijds o.a. de bekende “Carlsenploeg”. Volgens de persberichten die over het hierna beschreven incident verschenen zou die naam “Carlsen” in dit verband verwijzen naar een bijnaam van één van de groepsleden. Het betreffende lid zou vernoemd zijn naar de Deense kapitein Kurt Carlsen. Deze zeeman genoot destijds bekendheid vanwege zijn optreden bij het vergaan in 1952 van het vrachtschip “The Flying Enterprise” (Afb. 2). In de verslagen over het Urker incident werd automatisch aangenomen dat de plaats van de Urker Carlsen in zijn groep wel vergelijkbaar zou zijn met die van kapitein Kurt ten opzichte van diens bemanning. Of dit laatste nu ook daadwerkelijk zo was, zal wel altijd een vraag blijven. Maar daargelaten dat, waren er wel degelijk overeenkomsten tussen de echte Carlsen en zijn Urker evenknie. Hiervoor moeten we eerst even wat verder terugblikken naar de omstandigheden waaronder “The Flying Enterprise” destijds zijn noodlottig einde vond. Op tweede kerstdag 1951 komt het vrachtschip in een zeer zware storm op de Atlantische Oceaan in de problemen. Ten gevolge van een scheur in de romp begint hij water te maken. Door schuivende lading raakt hij ook steeds verder onder slagzij. Omliggende schepen lukt het om de bemanning van boord te halen. Kapitein Kurt weigert echter zijn schip te verlaten. Hij blijft als laatst overgebleven bemanningslid achter in de hoop zijn schip door inschakeling van hulpdiensten alsnog te kunnen behouden. Tot 10 januari 1952, de dag waarop het schip uiteindelijk door de golven verzwolgen wordt, kan Kurt het volhouden, waarbij hij de laatste paar dagen overigens gezelschap had gekregen. Het was de stuurman (Kenneth Dancy) van 2 | Douwe Pereboom | Nozems op Urk

“Met het gebruik van de naam “Carlsen” in het hierna volgende, wordt uitsluitend en alleen een nadere duiding bedoeld van de betreffende groep jongeren”.

Afbeelding 2. MS Flying Enterprise.

de sleepboot “Turmoil” namelijk gelukt om, met het oog op het maken van een sleepverbinding, op de Flying Enterprise over te springen. Beide mannen weten slechts op het laatste moment, nadat ook de sleepverbinding het in het slechte weer begeven had, het vege lijf te redden door vanaf de schoorsteen van de Flying Enterprise in het oceaanwater te springen. Zij konden hierna nog maar net door de bemanning van de sleepboot uit het water gevist worden. Bovenstaande lotgevallen stonden tussen 28 december 1951 en 10 januari 1952 centraal in het wereldnieuws1. Volgens plaatselijk welingelichte kringen zou de bijnaam voor de Urker “Carlsen” een soort eretitel van de drager ervan zijn. Deze zou hem indertijd terecht zijn toegekend voor het betonen van zijn moed. Evenals zijn Deense naamgever wist hij namelijk het gevaar van zinken, ja zelfs van het eventueel verdrinken daarbij, onverschrokken tegemoet te treden. Bij het “skowu” (wuppen van ijsschots naar ijsschots), had hij dit bewezen door het langst op een al zinkende ijsschots te durven blijven staan. Om ten overvloede ieder mogelijk misverstand uit te sluiten, lijkt het tenslotte goed het volgende nog eens duidelijk te stellen:

De Carlsenploeg tegen de achtergrond van zijn tijdsbeeld In de beschreven naoorlogse opbouwperiode deed zich een revolutionaire ontwikkeling voor binnen de jeugdcultuur. De intrede van vooral rock-’n-roll in de muziek – met hits van Bill Haley, Elvis Presley en Buddy Holly- gaf hiertoe de eerste aanzet. De jeugd viel als een blok voor deze nieuwe muziekstijl. Deze onderling gevoelde nieuwe voorkeur, versterkte als vanzelf het besef van een eigen groepsidentiteit. En ook een film als “Rebel Without a Cause” met de hierdoor legendarisch geworden jonge James Dean in de hoofdrol, maakte diepe indruk. De in die film naar zichzelf zoekende knaap was voor de jeugd heel herkenbaar. De vervolgstap naar kopiëring van ook diens tegendraads gedrag als gewenste uitdrukking van de eigen identiteit, lag hierna voor de hand. Ten slotte moesten nog uiterlijke kentekenen de nieuw ontdekte groepsidentiteit onderstrepen. Hun toevoeging werd vooral in de manier van kleding (leren jasjes, puntschoenen en smalle broekspijpen) en in haardracht (vetkuiven) gevonden. In dit verband speelde ook nog iets anders een evidente rol. Doordat de werkenden onder hen wat meer geld omhanden kregen, werd de jeugd voor het eerst ook in economisch opzicht een geheel zelfstandige categorie van consumenten. In dit licht vonden vooral jonge mannen het belangrijk dat zij zich de aanschaf van een brommer konden veroorloven-

Nozems Het begrip “nozem” werd geïntroduceerd door Jan Vrijman. In drie uitgaven van Vrij Nederland (20 augustus, 27 augustus en drie september 1955) was van hem, onder de naam “De nozems van de Nieuwendijk”, een bijdrage verschenen waarin hij een beeld schetste van de instelling en het gedrag van zich aldaar groeperende jongeren. De term “nozem” zou een verbastering zijn van het oud-Hollandse woord “nootsum”. Dit “nootsum” betekende dan zoveel als: “onwetende snotneus”. Ook wordt wel, waarschijnlijk in de ludieke sfeer, geopperd dat het begrip een acroniem zou uitdrukken van de zin: “Nederlandse onderdaan zonder enig moraal, of Nederlandse onderdaan zonder enige manieren.”

STICHTING URKER UITGAVEN


als het ultieme symbool om hun nieuw veroverde zelfstandigheid te etaleren. Maar misschien nog belangrijker was, dat zij met hun brommer meer indruk op de jonge meiden dachten te maken. Het was een landelijke trend waarop Urk geen uitzondering vormde. Echter met name in Amsterdam hadden de brommergroepen nog een ander indrukmakend element aan hun optreden toegevoegd. Toegerust of getooid met de voor hen kenmerkende “vetkuiven”, etaleerden zij daar baldadigheid en daagden daarbij ook bewust het politiegezag uit. Vanwege deze activiteiten in Amsterdam werden zij in de pers “nozems” genoemd (zie kader)2. De bij de term destijds verondersteld behorende vetkuif werd binnen de Carlsenploeg echter zeker niet ook als algemeen wenselijk nagestreefd. Nee, daarvoor in de plaats werd eerder het dragen van het gebreide Urker vissersmutsje als kenmerkend element voor de groepsidentificatie omarmd. Werd elders in het land voor het onderstrepen van het zgn. nozemdom daarnaast vooral ook nog het berijden van Puch- en Kreidlerbrommers als typerend gezien, op Urk lagen ook wat dat betreft de zaken wat anders. Hier werd daarvoor de voorkeur gegeven aan het merk “Flandria” (waarvan de plaatselijke rijwielhandelaar Willem Bakker verkoopvertegenwoordiger was). Afgezien van deze belangrijke afwijkingen, presenteerde de Carlsenploeg zich verder op vergelijkbare wijze als de Amsterdamse nozems. De Carlsenploeg als middelpunt van ongeregeldheden De kern van de ploeg bestond misschien uit een twintig- tot dertigtal leden. Al brommerend kon deze groep zich gaandeweg echter via aansluitende bijrijders nog aardig uitbreiden. De jongelui plachten achter elkaar rijdend vooral vaak de Raadhuisstraat (de zogenaamde Torenstraat) te doorkruisen. In die zin vormde dit rijgedrag op zichzelf al een flinke vorm van overlast. Echter daarnaast veroorzaakte de ploeg ook nog veel andere overlast, waarbij ook overmatig drankgebruik steeds een rol speelde. Op eerste kerstdag 1958 was het in de Torenstraat zodanig uit de hand gelopen dat de politie, om de orde te herstellen,

STICHTING URKER UITGAVEN

de wapenstok had moeten gebruiken, ja zelfs een waarschuwingsschot had moeten lossen. Zij had die avond een stomdronken jongeman naar huis willen brengen, maar werd daarbij en masse door omstanders belaagd (Afb. 3). In het verloop van 1959 zette de overlast, die voornamelijk in het weekend en dan met name in de Torenstraat plaatsvond, zich gewoon door (Afb. 5). Uiteindelijk culmineerde het één en ander in een incident, dat zich op het Urker strand zou afspelen. Die zomer kampeerde een groep Duitse jongens op het Urker strand. Zij hadden hiervoor een aantal tenten opgezet op het grasveldje dat de begrenzing vormde tussen het zgn. grote strand en het kleine strandje. Tussen de Carlsenploeg en die kampeerders boterde het duidelijk niet. Dit escaleerde uiteindelijk in een wraakactie van de Carlsenploeg. Bij die actie, uitgevoerd ten tijde van afwezigheid van de Duitse jongens op een zaterdagavond, werden hun tenten afgebroken en inclusief alle toebehoren, in de havenmond gegooid. De volgende (zondag)morgen kwam het tot handtastelijkheden tussen de beide groepen en werd er zelfs met messen gezwaaid. Ook nadien deden zich elders op Urk nog enkele onderlinge conflicten voor. Rechterlijke vonnissen Het incident, dat plaatsgevonden had op 8 augustus 1959, diende later die maand, om precies te zijn op 26 augustus 1959, bij de politierechter te Zwolle. Vijf leden van de Carlsenploeg, door de rechter zelf inmiddels tot Carlsenbende omgedoopt, stonden die dag voor hun aandeel in het incident terecht. Binnen zijn strafeis had de officier van justitie begripvol rekening willen houden met het algemeen van jongemannen te verwachten “haantjesgedrag”. De advocaat van de jongens had bij het voeren van zijn verdediging ook zwaar ingezet op het benadrukken van dit aspect. Daarnaast had hij, evenals de officier ook al had gedaan, nog de volgende verzachtende omstandigheden aangevoerd: dat het hier uiteindelijk om jonge vissermannen ging die gedurende de week een spannend - ja zelfs veelal een levensbedreigend- beroep uitoefenden; en dat die

jongens, vanwege de strikte opvattingen over de naleving van de zondagsrust op Urk, in de weekenden daar voldoende mogelijkheden ontbeerden om op wat meer gereglementeerde wijze hun agressie kwijt te kunnen; enz. enz. Tot slot had de officier er in zijn requisitoir ook nog op gewezen dat de jongens in hun gedrag te weinig vanuit het ouderlijk gezag correcties meekregen. Volgens hem bestond er vanuit die hoek zelfs een zekere neiging het jongerengedrag te vergoelijken. De rechter bleek uiteindelijk niet onder de indruk van al die aangevoerde verzachtende omstandigheden. Hij vonniste zelfs hoger dan de officier in eerste instantie geëist had: onvoorwaardelijke gevangenisstraffen voor de vijf groepsc.q. bendeleden. Variërend kwamen die uit op minimaal drie tot maximaal zeven weken. (Zie kader Straf) Reactie gemeentebestuur (vervroeging sluitingsuur horeca) De reactie vanuit het gemeentebestuur op al dat jeugdgeweld was uitsluitend van repressieve aard. Volgens het bestuur waren de ordeproblemen vooral een gevolg van overmatig drankgebruik. Dit gebruik moest daarom aan banden gelegd worden. In januari 1959, dus al ruim voor de vonnissen van augustus 1959, had de gemeenteraad besloten om de openingstijden voor de horeca te beperken. Daargelaten de zondagen, waarop de horeca sowieso gesloten moest blijven, zou het sluitingsuur niet meer 23.00 uur zijn, maar 22.00 uur worden (Afb. 6). Grote animator van vervroeging van het sluitingsuur was wethouder L.J. Kramer. Deze, beter als Lub van Jan van Bubbe bekend zijnde plaatselijke prominente ARP-voorman, had persoonlijk trouwens nog wel wat verder willen gaan in het beperken van de drankverstrekking ter plaatse. Tezamen met raadslid L. Hakvoort had hij namelijk een voorstel ingediend om het sluitingsuur voor de zaterdagen zelfs naar 20.00 uur te brengen. Dit voorstel bleek de meerderheid van de Raad echter toch wat te gortig. Volgens een interview met Lub, zoals dat verscheen in Het Parool van 21 januari 1959, was hij er zich trouwens van bewust dat het vervroegen van het sluitingsuur op zich geen praktisch Douwe Pereboom | Nozems op Urk | 3


4 | Douwe Pereboom | Nozems op Urk

STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 3. Het Parool, 21 januari 1959.

Straf In het strafproces valt op dat ook de Officier van Justitie mede kiest voor de invalshoek dat de jeugd op Urk onvoldoende ontspanningsmogelijkheden zou hebben. Ging hij hierbij, daartoe wellicht aangezet door de persberichten, misschien mee met de waan van de dag? Gelet op zijn rol in het betreffende proces, lag dit toch wat genuanceerder. Hij benoemde, positief en dus hoopvol gestemd, de betreffende omstandigheden alleen maar om de gedaagden wat uit de wind te houden en wilde kennelijk niet een te hoge strafeis formuleren. Zijn opsomming van verzachtende omstandigheden moest hieraan draagkracht verlenen. De rechter ging hierin echter niet mee. Zijn vonnissen moeten dan vooral weer gelezen worden als motivatie waarom hij in dit geval niet langer op lagere vonnissen kon uitkomen. Volgens hem waren er al te veel herhalingen geweest van soortgelijke overtredingen. Daarmee stond nu ook duidelijk vast dat eerdere vonnissen van Urkers kennelijk effect misten en dus te licht waren geweest. Aan zijn uitspraak voegde hij bovendien letterlijk, nog de volgende woorden toe: ”Met de terreur op Urk valt niet te spotten. Er komen massa’s vernielingen voor, maar een dader is er nooit. Op de vele goedwillenden op Urk wordt wraak genomen. Men is onbeschoft tegen de politie. Ik zit hier al twaalf jaar en het is altijd al zo geweest. Van alles werd er geprobeerd, meestal voorwaardelijke straffen met een geldboete en het resultaat is: het wordt erger in plaats van beter. Zolang de bevolking tegenwerkt, heeft het geen zin te zeggen: nog eenmaal een kans geven”. De straffen zijn, zeker naar huidige maatstaven, zeer fors te noemen. Te meer nog als we bedenken dat de twee weken voorarrest niet op de straffen in mindering konden worden gebracht. De strafhoogte en de snelheid waarmee de rechtspraak optrad geven aan hoe zeer het gezag de situatie op Urk zat was. (Afb. 4)

STICHTING URKER UITGAVEN

Douwe Pereboom | Nozems op Urk | 5


Afbeelding 4. Trouw, 27 augustus 1959.

effect zou sorteren. Hem in het interview verder volgend, zouden de echte raddraaiers bij de politie met naam en toenaam bekend zijn. Ook zouden deze inmiddels op een zgn. zwarte lijst geplaatst zijn, waardoor er aan hen sowieso al geen alcoholische drank meer verstrekt mocht worden. Zij zouden nu langs clandestiene weg in hun behoefte voorzien, of trokken hiervoor naar omringende plaatsen. De meerwaarde van de vervroeging van het sluitingsuur bestond volgens Lub daarom alleen in de signaalfunctie die er hopelijk voor de nog jongere jeugd van mocht uitgaan. In zijn streven vond Lub overigens in de persoon van burgemeester Schipper een geduchte opponent. Deze verklaarde in dezelfde krant ervan overtuigd te 6 | Douwe Pereboom | Nozems op Urk

zijn dat de ingevoerde vervroeging van het sluitingsuur juist contraproductief zou uitwerken. Hij voorzag dat die vervroeging tot inname van eenzelfde hoeveelheid alcohol binnen een korter tijdsbestek zou leiden. Volgens Schipper werd daarmee tegelijkertijd de kans op een eerder begin van eventuele ongeregeldheden vergroot. (zie kader barren) Vervolgactie gemeentebestuur (instelling zgn. samenscholings- en slenterverbod) Omdat, zoals verwacht, de vervroeging van het sluitingsuur inderdaad niet tot gedragswijziging onder de jeugd leidde, had de gemeenteraad zich in juli 1959 op nog verdere maatregelen bezonnen. Volgens persberichten uit die periode

gingen de jonge mannen zich in die periode, vooral na het sluitingsuur van de cafés, te buiten aan schreeuwen en tieren, onderling vechten, het aanrichten van vernielingen en het lastigvallen van de meisjes. Het epicentrum van al die baldadigheden vormde de zgn. Torenstraat. Geconfronteerd met al die overlast zag de gemeenteraad, mede daartoe aangezet door de bewoners van die straat, zich genoodzaakt maatregelen te treffen. Op 10 juli 1959 besloot de raad daarom een zgn. samenscholing– en slenterverbod in de Algemene Politieverordening op te nemen. Daarbij realiseerde de gemeenteraad zich evenwel tegelijkertijd dat de praktische handhaving van de verboden op zichzelf weer een risico tot verdere escalatie vormde (Afb. 7).

STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 5. Het Parool, 20 juli 1959.

Inwerkingtreding zgn. slenterverbod Het zgn. slenterbod, zoals dat als een aanvulling in de Algemene Plaatselijke Politieverordening was opgenomen, luidde officieel als volgt: “Het is verboden op voor het publiek toegankelijke wegen en in portieken te blijven rondhangen, te slenteren, samen te scholen, te zitten of te liggen, op de zondag, de zaterdag, de nieuwjaarsdag, de oudejaarsdag, de Hemelvaartsdag, de plaatselijke biddag, de tweede Paas-en Pinksterdagen, op de beide Kerstdagen en op de verjaardag der Koningin, van 19.00 uur tot 05.00 uur.” De omgeving rond de muziektent, binnen een straal van vijftien meter te rekenen vanaf de rand van die tent, was van het verbod uitgesloten voor zolang in de tent een uitvoering van zang of muziek zou plaatshebben. Op overtreding van de verboden had de raad een geldboete van maximaal driehonderd gulden of hechtenis van ten hoogste twee maan-

STICHTING URKER UITGAVEN

Barren In de betreffende interviews is voor het eerst sprake van het onderkennen van een plaatselijk “ondergronds” circuit voor alcoholverkrijging door de jeugd. Het begin van een ontwikkeling, zoals zich die later in “jeugdbarren” en in boxen op de industrieterreinen zou voortzetten? Hebben de vervroeging van het sluitingsuur en vooral het opstellen van die zgn. zwarte lijst, dan wellicht mede de aanzet tot deze ontwikkeling gegeven? Uiteindelijk doet het fenomeen van jeugdbarren (elders veelal onder de naam “zuipketen” bekend) zich nu overal, met name buiten-stedelijk, in het land voor. Vervulde Urk in dit verband een pioniersrol? Onwillekeurig dringt zich hier de cynische vraag op of de maatregelen die destijds een beperktere drankverkrijging beoogden, uiteindelijk juist eerder het tegenovergestelde bewerkstelligd hebben.

Douwe Pereboom | Nozems op Urk | 7


8 | Douwe Pereboom | Nozems op Urk

STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 7. De Tijd De Maasbode, 25 juli 1959.

Afbeelding 6. Raadsbesluit sluitingsuur.

STICHTING URKER UITGAVEN

Douwe Pereboom | Nozems op Urk | 9


Zelfs relschoppende Urker jongemannen keren na hun trouwdag terug op gewezen en onderwezen paden den gesteld. De verboden zouden een dag na die van hun afkondiging in werking treden. De verboden waren zoals eerder weergegeven, al op 10 juli 1959 door de Raad vastgesteld. Toch traden zij pas de dag na hun afkondiging op 29 september, op 30 september 1959 in werking (Afb. 8). Uit de stukken blijkt bijvoorbeeld dat Gedeputeerde Staten, die een instemmende rol vervullen bij het in werking stellen van gemeentelijke strafverordeningen, in dit geval pas op 15 september 1959 hun fiat aan het plan van de gemeenteraad hadden gegeven. Die akkoordverklaring was vervolgens op 22 september 1959 bij het Urker gemeentebestuur binnengekomen. Overeenkomstig de in dit verband door de raad op 10 juli 1959 geformuleerde wens, benaderden burgemeester en wethouders, voorafgaand aan de afkondiging van de inwerkingtreding van het slenterverbod, eerst alle kerkenraden ter plaatse. Bij brief van 24 september 1959 werden deze verzocht om via hun predikanten hun gemeenteleden nog eens nadrukkelijk het belang van een nette straatorde voor te houden, zodat de praktische handhaving van het van kracht wordende slenterverbod niet echt nodig zou blijken (Afb. 9). Vanuit de persberichten zijn er geen aanwijzingen gevonden dat de politie het slenterverbod daadwerkelijk heeft moeten handhaven. Ook van eventuele rechterlijke vonnissen, uitgespoken op basis van dat verbod, vallen geen mededelingen te achterhalen. Een aantal verklaringen hiervoor dienen zich aan: misschien was van de verboden, ondersteund door de kanselboodschappen, inderdaad genoeg preventieve werking uitgegaan; of misschien hadden de zeer forse rechterlijke veroordelingen van een aantal leden van 10 | Douwe Pereboom | Nozems op Urk

de Carlsenploeg de hiermee beoogde indruk op de jeugd gemaakt. Behalve deze twee mogelijke verklaringen zou het ook nog kunnen zijn dat de handhavende instanties het uiteindelijk niet hebben aangedurfd om via vervolgingsacties de juridische houdbaarheid van de ingevoerde verboden aan een rechterlijke beoordeling voor te leggen. (zie kader Slenterverbod) Urk en de pers Voorafgaand aan het strandincident besteedde de pers al regelmatig de nodige aandacht aan de jeugdrellen op Urk. Zacht uitgedrukt, viel dit niet goed bij de bevolking (Afb. 10)3. Zij meende dat de pers de zaken onterecht opblies. In alle interviews, of die nu afgenomen werden van gemeentebestuurders, kerkelijke leiders of van welke willekeurige burger dan ook, viel bij de bevraagden daarom steevast een verdedigende houding te onderkennen. Standaard werd dan bijvoorbeeld gewezen op ook in andere plaatsen voorkomende soortgelijke ongeregeldheden bij de jeugd ofwel dat het aantal raddraaiers niet noemenswaardig hoog was. Daarnaast werd soms ingezet op het vragen van begrip voor de jeugd. Deze zou avontuurlijk van aard zijn en in de weekenden ter plaatse niet helemaal haar draai kunnen vinden. Tenslotte werd nooit nagelaten te wijzen op de ontspanningsfaciliteiten, zoals die ter plaatse al in het jeugdgebouw verleend werden of op de wekelijkse filmvoorstellingen die tijdens de winterperiode al meer dan twee jaar in gebouw Irene plaatsvonden4. (zie kader Sensatiepers?) Reacties vanuit gereformeerdkerkelijke hoek In de pers werden zowel van ds. Groenevelt als van ds. Wolven reacties opgetekend.

Bij een objectieve verslaglegging over problemen in de sfeer van de straatorde, ligt een interview met kerkelijke leiders niet onmiddellijk voor de hand. De oorzaak van het “nozemgedrag” op Urk werd destijds echter door iedereen benaderd vanuit de vraag of er ter plaatse in het weekend wel voldoende ontspanningsmogelijkheden aan de jeugd geboden werden. Welnu, die mogelijkheden werden nu eenmaal in die tijd vooral vanuit kerkelijke instituties verzorgd ofwel door hen ondersteund. Die specifieke Urker situatie maakte die interviews met die dominees op zich daarom weer niet zo vreemd. Dat daarachter ook nog een wens tot het maken van een smeuïg verhaal vermoed zou mogen worden, maakt dit niet anders. Afzonderlijke vermelding verdient misschien dat de beide dominees daarbij ook nog benadrukten dat het hier meer dan waarschijnlijk om tijdelijke gedragsontsporingen zou gaan. Volgens hen keerden namelijk ook zelfs relschoppende Urker jongemannen na hun trouwdag zeker terug op de paden zoals die hun door hun vaderen gewezen en onderwezen waren. In het interview dat plaatsvond bij de opening van “Jeugdhaven” (zie hierna) stelde ds. Wolven daarnaast nog het van alle tijden zijnde algemene haantjesgedrag van jonge mannen centraal. Voornamelijk dit aspect zou, volgens hem, in de gegeven omstandigheden hier verklarend zijn. Zijn volgende citaat was in dit verband dan ook veelzeggend: “Denkt u dat ik mijn vrouw met een postpakketje thuisgekregen heb?”. Verder verklaarde Wolven zich op dat moment een fel tegenstander van het door de gemeenteraad inmiddels gewenste zgn. slenterverbod. “Waanzinnig, niet te handhaven”. Beter achtte hij het zelfs om voor de jeugd een groot stuk vrij terrein te reserveren waar zij zich zouden kunnen uitleven. Reactie vanuit hervormdkerkelijke hoek Zoals al weergegeven, had de pers de jeugdrellen, en het strandincident als onderdeel daarvan, onmiddellijk in één hoofdverband geplaatst. Alles zou een direct gevolg zijn van in het weekeinde op Urk onvoldoende aanwezig zijnde ontspanningsmogelijkheden voor de

STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 8. Raadsbesluit slenterverbod.

Slenterverbod Het zgn. slenterverbod was, zo blijkt ook uit het voorstel van burgemeester en wethouders aan de Raad, vooral ingegeven door klachten van de bewoners van de Raadhuisstraat. Die zgn. Torenstraat vormde, zoals al eerder geschreven, steeds het epicentrum van de ongeregeldheden. Het slenterverbod was echter, met uitzondering van een stukje rond de muziektent wanneer daar uitvoeringen plaatsvonden, op het gehele gebied van de gemeente van toepassing. Strikt genomen was het daarom eigenlijk ook verboden om bijvoorbeeld de plaatselijke “Klapskoelen” te gebruiken. Immers ook “zitten langs de openbare weg” was, zonder enige uitzondering, verboden. Volgens de wet mag een gemeenteraad alleen strafverordeningen maken, die in het belang van de openbare orde noodzakelijk zijn. Bij een eventuele rechtsvervolging op grond van een gemeentelijke strafverordening, bekijkt de rechter ook of die verordening wel aan dat zgn. noodzakelijkheidscriterium voldoet. Als blijkt dat dit niet het geval is, zal hij het betreffend voorschrift onverbindend verklaren wegens strijd met de wet ( i.c. de gemeentewet). In dit geval mocht betwijfeld worden of die verboden, waaronder dus zelfs de Klapskoelen vielen, wel in alle delen van de gemeente noodzakelijk waren. Nu zou de gedachte kunnen postvatten dat de gelding van die verboden dan

STICHTING URKER UITGAVEN

misschien voor bepaalde gebieden betwijfeld mocht worden, maar dat die verboden dan toch zeker wel van toepassing bleven op de zgn. Torenstraat. Zo’n conclusie mag een rechter evenwel nooit trekken. Hij zou op zo’n moment dan namelijk een politiek bestuurdersoordeel geven. In de literatuur heet dit : “de leer van onspitsbaarheid van bestuurlijke wilsverklaringen”. Slechts bij uitzondering zou een rechter een verbod deels niet en deels wel verbindend kunnen achten. In de tekst van zo’n verbod zelf, moeten dan daarvoor duidelijke aanknopingspunten staan. Afgezien van een, ten tijde van uitvoeringen daarin, rond de muziektent aangewezen gebiedje, kende het zgn. slenterverbod geen objectieve aanknopingspunten om ook andere gebieden van de gemeente van zijn gelding uit te zonderen. Tot slot deed zich bij de praktische handhaving van de verboden nog een moeilijkheid voor. Hoe leg je bijvoorbeeld in een proces-verbaal uit dat iemand “slentert” en niet gewoon een langzame tred heeft? De verordening zelf gaf op dit punt ook geen verdere definities. Was al het bovenstaande misschien ook de reden waarom Gedeputeerde Staten zolang aarzelden bij hun bewilliging aan dat slenterverbod? Zouden ze niet gewoon gedacht hebben: baat het niet het schaadt waarschijnlijk ook niet? En misschien gaat er een preventieve werking vanuit zodat de politie het bij haar praktische handhavingstaak, toch als steuntje in de rug kan blijven gebruiken?

Douwe Pereboom | Nozems op Urk | 11


Afbeelding 9. Raadsbericht kanselboodschap.

12 | Douwe Pereboom | Nozems op Urk

STICHTING URKER UITGAVEN


jeugd. De hervormde kerk voelde zich door deze benadering aangesproken. In die kring werden toevallig al geruime tijd, o.a. via het houden van bazaars en giftenacties, fondsen bijeengebracht om een nieuw ontmoetingsgebouw te stichten5. Dat nieuwe gebouw was dringend noodzakelijk omdat het bestaande daarvoor bestemde kerkelijk vereningsgebouwtje te klein geworden was. Voor het ontwerpen van de plannen en de daarvoor bijeen te brengen gelden was onder de naam “Het Bouwfonds” een aparte beheersstructuur opgezet. Een commissie, waarvan J. Pereboom de voorzitter was, vormde vervolgens het feitelijk uitvoeringsorgaan en aanspreekpunt van dat fonds. In de voortdurende jeugdrellen nu zagen de mensen achter dat eerdergenoemde fonds een dringende aanleiding om, vooruitlopend op hun bouwvoornemens, nu alvast meer ontspanningsmogelijkheden voor de jeugd te creëren. De hieruit eventueel voortvloeiende revenuen zouden dan trouwens tegelijkertijd aan de financiering van hun definitieve plannen ten goede gebracht kunnen worden. Kortom, met het oog hierop besloot de beheercommissie van “Het Bouwfonds” om zichzelf voortaan ook als zgn. “culturele commissie” te gaan presenteren. Die commissie zou dus zorg gaan dragen voor de voorgenomen uitbreiding van ontspanningsmogelijkheden. Met het oog hierop verzocht zij het gemeentebestuur om gebruik te mogen maken van het toenmalig GSW-gebouw (Gemeentelijke Sociale Werkplaats, later de voormalige brandweerkazerne). Het plan was om op de vrijdagavonden in het gebouw films te gaan vertonen en of toneelvoorstellingen te gaan organiseren (Afb. 11). Samen met films en evenementen die al op zaterdag in gebouw Irene plaatsvonden werd het weekend dan volledig ingevuld. De zondag telde niet mee. Los van het feit dat plaatselijke autoriteiten (kerk en gemeente) activiteiten op deze dag nooit toe zouden staan, was (en is) daar het feit dat op zondag op Urk vrijwel nooit jeugdincidenten plaatsvonden (en -vinden)! Afbeelding 10. Fragment Trouw, 26 oktober 1959.

STICHTING URKER UITGAVEN

Douwe Pereboom | Nozems op Urk | 13


Afbeelding 11. Het Parool, 24 oktober 1959.

14 | Douwe Pereboom | Nozems op Urk

STICHTING URKER UITGAVEN


Ingebruikgeving GSW-gebouw door gemeente Het verzoek van de culturele commissie had bij het gemeentebestuur nogal wat voeten in de aarde. De beraadslaging hierover in de raadsvergadering van 16 oktober 1959 concentreerde zich vooral op de vraag of het draaien van de voorgenomen films wel verantwoord zou zijn. Niet alleen de tegenstemmers (drie) zagen hier grote zedelijke gevaren opduiken, ook de uiteindelijke voorstemmers (acht) gaven aanvankelijk van eenzelfde bevangenheid blijk. Burgemeester en wethouders hadden er in hun voorstel evenwel met klem op gewezen dat zij het zedelijkheidsgehalte van de films ook zelf nauwlettend in de gaten zouden houden. Uit de verslaglegging valt op te maken dat vooral aan deze laatste toezegging, de voorstemmers ten slotte voldoende gemoedsrust ontleenden om het verzoek van de culturele commissie in te willigen. (zie kader filmkeuring) Het verzoek van de culturele commissie had één raadslid in het bijzonder in hoge gewetensnood weten te brengen. Het betrof het SGP-raadslid de heer P. Hakvoort. Diens optreden was geschiedkundig gezien zo indrukwekkend, dat daaraan nu niet zomaar voorbijgegaan mag worden. Blijkens de raadsnotulen voelde Hakvoort zich door het voornemen van de culturele commissie zelfs gedwongen de rol van een ware onheilsprofeet op zich te nemen. Als hij niet, zoals hij zei, uitdrukkelijk tegen het draaien van films zou waarschuwen, dan vreesde hij dat hij hiermee de straf van God over zichzelf zou afroepen. Vervolgens zou van die toorn Gods natuurlijk ook nog verder blijken als de raad dat GSW- gebouw toch voor het draaien van films beschikbaar zou stellen. In dat geval voorzag hij zelfs dat er iemand thuisgebracht zou worden met een afgesneden keel. Kortom, moord en doodslag zou ervan komen. Toen deze voorspellingen aan wethouder Bode kennelijk een glimlach ontlokten, kon Hakvoort dit natuurlijk moeilijk anders uitleggen dan als teken van respectloosheid voor de inhoud van het door hem aangekondigd onheil. Dit noodzaakte hem toen zijn boodschap indringender en vooral ook persoonlijker te maken: “Ja, laat Bode erom lachen.

STICHTING URKER UITGAVEN

Sensatiepers? Terechte boosheid? Vanwaar toch al die verontwaardiging destijds over die verslagen van de incidenten in de pers? Wordt de Urker misschien niet graag de spiegel voorgehouden? En is het kijken hierin des te pijnlijker wanneer deze hem ook nog eens vanaf “de walle” wordt aangereikt? Misschien. Maar dat neemt allemaal niet weg, dat hier wel degelijk ook nog iets heel anders speelde. Alom bekend is dat de bevolking er zeer serieuze opvattingen op nahoudt over hoe men zich, vanuit vooral christelijk normbesef, zou moeten gedragen. De buitenwereld ontleent hier logischerwijs ook de verwachting aan dat dit ter plaatse dan, zeg maar meer dan gemiddeld, ook gebeurt. Met andere woorden, gedrag dat niet binnen die verwachting te plaatsen is, komt als het ware als vanzelf onder een “vergrootglas”. Ondanks dat zal de pers zich echter moeten blijven realiseren dat niets menselijks ook de Urker vreemd is. Dat betekent dat alleen wanneer gedrag vanuit typisch voor Urk toepasselijke achtergronden te verklaren zou zijn of daaruit direct zou voortvloeien, het van journalistiek belang kan zijn om ook die achtergronden te schetsen. In alle andere gevallen doet het beschrijven van ook steeds maar die bijzondere achtergronden, geforceerd aan. Kortom het wordt dan sensatiepers. Met andere woorden, al die achtergrondverhaaltjes over het typische van dat Urker nozemdom deden er niet meer toe vanaf het moment dat zich ook elders exact dezelfde soort jeugdrellen voordeden of voorgedaan hadden. Geen wonder dat de Urker bevolking toentertijd hier tegenin ging.

Ik geef er niets om, Bode. Misschien dat het één van Uw zaad zelf wel wordt. Daar kan ik dan ook niets aan doen, maar ik moet waarschuwen met klem”. Films in Jeugdhaven De bezoekers moesten het nodige over hebben voor hun plezier. Zo stonden hun alleen uitklapbare houten stoeltjes van minimale kwaliteit ten dienste. Verder ontbeerde het gebouw, vanwege aanmerkelijke tocht, de nodige warmte om er zonder aangepaste kleding aangenaam te verpozen. Maar op vrijdag 23 oktober 1959 was het dan zover. Voorafgaand aan de eerste filmvertoning op die avond hield de commissie een officiële persconferentie. Voor de gelegenheid waren ook nog wat plaatselijke

hoogwaardigheidsbekleders uitgenodigd. In die persconferentie werd door de heer J. Korten, namens de commissie, nog eens afstand genomen van de manier waarop de pers verslag had gedaan van de jeugdrellen. Daarnaast werd door ds. Wolven, als woordvoeder voor met name het Gereformeerd Jeugdwerk, uitvoerig stilgestaan bij het al bestaande aanbod van ontspanningsmogelijkheden ter plaatse. Volgens hem moesten, tegen die achtergrond, die jeugdrellen als incidentele ontsporingen beschouwd worden. Zij zouden vooral deel uitmaken van gedragspatronen die kenmerkend zijn voor een bepaalde leeftijdsfase. Ten geleide van de feitelijke filmpremière, sprak vervolgens de voorzitter van de commissie, de heer J.

Hakvoort voelde zich genoodzaakt om te waarschuwen, omdat hij anders Gods straf over zichzelf zou uitroepen Douwe Pereboom | Nozems op Urk | 15


Filmkeuring Het inhoudelijke toezicht op de films kon de gemeente in dit geval naar zich toetrekken door als eigenaresse van het GSW-gebouw dit als voorwaarde aan de ingebruikneming te verbinden. Om dezelfde reden werd het gebouw alleen tegen de zuivere gebruikskosten (zoals water, licht, verwarming etc.) ter beschikking gesteld. Op basis van deze constructie zou de gemeente dan, anders dan bijvoorbeeld bij een echt huurcontract (met opzegtermijnen), haar toestemming tot gebruik ook weer onmiddellijk kunnen intrekken. Volgens de Bioscoopwet van 1926 werden alle publiekelijk te vertonen films onderworpen aan een beoordeling door de centrale commissie voor de filmkeuring. Deze commissie, waarvan haar zestig leden een afspiegeling vormden van de landelijke godsdienstige en levensbeschouwelijke zuilen, bezag of de inhoud van een film niet in strijd kwam met de openbare orde of de goede zeden. Tot 1977 is deze keuring min of meer op deze wijze overeind gebleven. Daarnaast kende de Bioscoopwet ook nog de mogelijkheid van nakeuringen. De christelijke zuilen hadden in dit verband hun eigen nakeuringsinstituut onder de noemer “CEFA” (christelijke filmactie). Op Urk werden bijvoorbeeld in gebouw “Irene” uitsluitend door de CEFA goedgekeurde films vertoond. Gezien het feit dat de culturele commissie onder auspiciën van de Hervormde Kerk opereerde, zullen de in “Jeugdhaven” vertoonde films, ongetwijfeld eveneens vanuit bedoeld instituut betrokken zijn geweest. Bovendien hield de kerkenraad ook zelf, in de persoon van ouderling Roelof Tiede Oost, Zeehondenstraat 33, nog een oogje in het zeil op die filmvertoningen in “Jeugdhaven”. Al met al gingen de films van de culturele commissie in feite dus door een viervoudig toezichtfilter. Hiermee lijkt het praktisch uitgesloten, dat de Urker jeugd zich destijds elders aan nog maagdelijker films had kunnen laven of verlustigen dan die welke in Jeugdhaven en Irene vertoond werden.

Pereboom, een openingswoord (Afb. 12). Hierin benadrukte hij dat de benaming “Jeugdhaven” vooral wilde uitdrukken dat de jeugd hier een plaats van rust en bezinning zou mogen vinden. De opvolgende film zelf droeg de zeer toepasselijke naam: “Als mannen kerels zijn”. In deze film spelen de gebeurtenissen zich af in maritieme sferen. De bemanning van een viskotter pikt, in een voor haar vreemde haven, een passagier op die vervolgens op open zee een zeer besmettelijke ziekte met zich mee blijkt te dragen. Zonder toediening van een adequaat serum hiertegen, dreigt de gehele bemanning uiteraard besmet te raken. Men staat voor de morele afweging of het in deze noodsituatie niet gerechtvaardigd zou zijn om de man, gelijk Jona, overboord te zetten. De kotter kan in de gegeven omstandigheden natuurlijk ook geen haven aandoen. Uiteindelijk wordt een SOS uitgezonden waarop radioamateurs weten te bewerkstelligen dat via een helikopter alsnog 16 | Douwe Pereboom | Nozems op Urk

beschreven. Ook de relatie tussen de veilige terugkeer van de kotter in een haven en “Jeugdhaven” zelf, springt hier duidelijk in het oog. Toneelvoorstellingen in Jeugdhaven De toneelvoorstellingen mochten zich, meer nog dan de filmvoorstellingen, verheugen in een zeer grote belangstelling. Dit hing samen met de omstandigheid dat een groter deel van de plaatselijke bevolking toneeluitvoeringen als een onschuldiger vorm van vermaak zag dan filmvertoningen. Films werden namelijk gemakkelijk in relatie gebracht met het begrip “bioscoop”. Dat instituut had toen voor velen nog een zeer negatieve klank. De voorstellingen waren te verdelen in blijspelen en treurspelen. Bij het eerste ging het veelal om een overspelsituatie, belicht vanuit de destijds traditionele rolpatronen. De overspeligen werden dan, uiteraard ten huize van de vrouw, bijna op heterdaad betrapt door de onverwachte binnenkomst van de wettige echtgenoot. Bij de treurspelen ging het veelal om een ongetrouwde moeder die vanwege plotselinge verdwijning van haar vrijer alleen voor de verdere problemen kwam te staan. Die problemen waren in die tijd vooral van sociale en religieuze aard en waren zeker niet gering. De moeder zocht en vond dan vervolgens steun en vertrouwen in haar geloof, hetwelk daarop gelukkig ook beloond werd. Zij wist tenslotte namelijk toch een rechtschapener nieuwe aspirant-echtgenoot aan de haak te slaan. Eind goed, al goed. Dit was ook zo’n beetje de strekking van het allereerste toneelstuk in Jeugdhaven, genaamd “Klokken luiden voor Annie”. Het werd opgevoerd door een amateurgroep uit Nagele. Het spel van de acteurs bracht ook grote ontroering teweeg onder vooral het vrouwelijk deel van het publiek. Veelvuldig werden zij genoodzaakt hun zakdoek te trekken.

Afbeelding 12. Jan Pereboom.

het vereiste serum aan boord gedropt wordt. Na het injecteren van de patiënt kan het schip dan uiteindelijk veilig en wel naar een haven terugkeren. Al met al een soort maritiem epos dat zich een beetje laat vergelijken met de lotgevallen rond Kurt Carlsen, zoals eerder

Zo’n beetje alle voorstellingen in Jeugdhaven werden verzorgd door amateurgroepen vanuit de omliggende dorpen uit de Noordoostpolder. Tegen de achtergrond van het volgende, was hun succes eigenlijk best wel opmerkelijk. Aan het begin van de jaren zestig bestond er allerwegen nog een zekere

STICHTING URKER UITGAVEN


Afbeelding 13. Twee hoofdrolspelers in het toneelstuk: Leentje Brands en Wouter de melkboer.

animositeit tussen Urk en al hetgeen uit de Noordoostpolder kwam. De sociale naschokken van de inpoldering, zeg maar. Het eten van uit die polder afkomstige aardappelen, en vooral die welke in de schil nog rood geweest waren, stond bijna gelijk aan het zich willen vergiftigen. Een zichzelf respecterende kok zette zijn gasten in ieder geval geen “polderaardappelen” voor. Maar ook in kerkelijk verband speelden hier werende gevoelens. Als er, en dat gold met name tijdens een vacante ambtsperiode in bijvoorbeeld de hervormde kerk, een dienst door een dorpsdominee uit de Noordoostpolder verzorgd werd, dan werd zijn preek, nog meer dan gebruikelijk, zeer kritisch gevolgd. In de voor deze voorgangers gebruikte vaste noemer “polderdominee”, lag al een zekere vooringenomenheid opgesloten. Veel gemeenteleden hadden namelijk zo hun twijfels over de juiste diepgang van de bediening des Woords door die poldervoorgangers. Eenzelfde soort twijfel bestond ook ten aanzien van de tijdsduur van hun preken. Zoveel leek in ieder geval wel zeker, dat voor een goede inbedding van het Woord de tijdsduur van die preken zeker aan de korte kant waren6. Het succes van de poldertoneelgroepen wist de culturele commissie te enthousiasmeren een eigen Urker toneelgroep op te richten. En zo geschiedde. Een aantal aangezochte amateurs vormde de betreffende toneelgroep. In “Jeugdhaven” voerden zij het toneelstuk “De zoon van de Berkenhof” op. Hoofdrollen werden

STICHTING URKER UITGAVEN

gespeeld door: Wouter van Urk (Wouter de melkboer) als de herenboer van de Berkenhof; Jan Post (zoon van Sijmen Post en Aaltje de Boer, Wijk 6 no. 12) als de zoon van de genoemde herenboer en Leentje Woort-Brands (dochter van Jan Brands en Gaartje Ruiten, Wijk 5-63) als de dochter van een arme boerenknecht (Afb. 13). Het succes van de opvoering door de Urker toneelgroep was overweldigend. Na een enkele voorstelling in Jeugdhaven bleek deze locatie hiervoor veel te klein. Uitgeweken werd daarom naar de veel grotere zaal van het gebouw Irene. Een aantal elkaar opvolgende uitvoeringen werd hier gegeven. Zonder uitzondering waren die ook steeds tot de laatste plaats uitverkocht. Opvallend was hoe de uitvoerders het publiek tot intense beleving wisten te brengen. Dit kwam bijvoorbeeld extreem naar voren toen herenboer Wouter de melkboer zijn Berkenhof in brand wilde steken. “Skiet doad die vint” werd toen, vanuit de zaal richting het toneel geschreeuwd. De toneelgroep heeft hierna nog geprobeerd haar plaatselijk succes ook ”an de walle” voort te zetten. Dit lukte haar evenwel niet. Het was inmiddels de tijd dat de televisie steeds meer haar intrede

in de Nederlands huiskamers maakte. Toen in een zaaltje van de Buitenwacht te Kampen geen enkel publiek meer op kwam dagen, vormde dit gelijk de doodsteek voor het voortbestaan van de toneelgroep van de culturele commissie. Ook de belangstelling voor de filmvoorstellingen in “Jeugdhaven” bloedde dood. Een poging tot een meer comfortabele voortzetting van die voorstellingen in een bijzaaltje van hotel “Het Wapen van Urk” (tegenwoordig “Het Haventje van Urk”) bleek het tij in dit verband ook niet meer te kunnen keren. Het nieuwtje was er, zogezegd, vanaf. Urk en jeugdculturen, samenvatting en conclusies De Carlsenploeg werd, gezien het vaak wetteloos gedrag van zijn leden, door de pers voor het eerst als een groep “nozems” betiteld. Of die benaming correct was is maar de vraag. Globaal was de groep alleen qua rebellerend gedrag te vergelijken met het zich toentertijd als jeugdcultuur aandienend nozemdom. Het gedrag van de groep zou daarom vanuit zichzelf ook gewoon authentiek kunnen zijn. Grensoverschrijdend straatgedrag van de Urker jeugd was namelijk

De acteurs van de toneelgroep uit Nagele zorgden ervoor dat veelvuldig de zakdoek getrokken werd Douwe Pereboom | Nozems op Urk | 17


niet nieuw. Er zijn talloze voorbeelden daarvan, zo waren er de problemen met de beruchte ‘Gouwen Ploeg’ in de jaren dertig en werd er in 1951 al een avondklok door het gemeentebestuur afgekondigd (Afb. 14). Ook de jaren daarna, vanaf de shoarmatent-rel, de Kat-in’t-Bakkie-ploeg, tot de onlusten van 2020, heeft de Urker jeugd altijd van een sterke hang naar (soms extreme) baldadigheid blijk gegeven. Tegen deze achtergrond dringt zich natuurlijk automatisch de vraag op of er wellicht in de samenleving zelf structuren of prikkels aanwezig zijn, die die hang zouden kunnen verklaren. Of is hier wellicht gewoon sprake van baldadigheid die behoort tot het algemeen grensonderzoekend gedrag van jongeren? Antwoorden op deze terechte vragen vallen buiten het kader van deze beschouwing. Hiervoor kunnen beter specifieke en gezaghebbende bronnen geraadpleegd worden7. Voor wat de kerkelijke reacties betreft is het duidelijk dat de berustende houding van de gereformeerde kerk een betere inschatting van de problemen was dan de meer actieve houding van de hervormde kerk. Meer film en meer toneelvoorstellingen bleken geen aantrekkingskracht op nozemgroepen en andere rebellerende jongeren uit te oefenen (zie ook de foto bij Afbeelding 11). Anders gezegd: het gebodene veroorzaakte geen verandering of aanpassing van het gedrag van de doelgroep. Voor wat betreft de maatregelen van het gemeentebestuur (vervroeging van het sluitingsuur voor de horeca en slenterverbod) is het duidelijk dat het eerder “de ondergrondse” drankver-

Afbeelding 14. Avondklok 1951.

18 | Douwe Pereboom | Nozems op Urk

kwamen; kortom: verkering kregen en/of een gezin stichtten. Ten slotte moet in dit verband niet over het hoofd worden gezien dat het beruchte merk “Flandria” (Afb. 15) van de brommers van de Carlsenploeg, ook niet bepaald garant stond voor een langdurig gebruik van dat product. 

Afbeelding 15. Brommer van het merk Flandria.

strekking stimuleerde dan afremde. Een verbetering van de straatorde kon hiervan verder ook niet verwacht worden. Mogelijk hebben de maatregelen zelfs het ontstaan van de eerste illegale barren gestimuleerd. Dit blijkt misschien ook uit het feit dat de Torenstraat vanaf toen langzamerhand haar functie als centrale jeugdontmoetingsplaats is gaan verliezen. De vervulling van de behoefte aan beleving van saamhorigheid en het ondergaan van de spanning van het contactzoeken met de andere sekse geschiedt tegenwoordig niet meer op straat en meer in beslotenheid. Voor zover dit eventueel gepaard gaat met overmatig drankgebruik, gebeurt dit dus buiten het zicht. Daar staat echter tegenover, dat waar vroeger de jongeman die zich qua gedrag wenste te onderscheiden en hiervoor veelal het verstoren van de straatorde te baat moest nemen, hierin tegenwoordig waarschijnlijk verdere belemmeringen zal ondervinden vanuit de sociale controle-codes binnen zijn “eigen” bargroep8. Na 1960 heeft de Carlsenploeg zich niet meer zodanig gemanifesteerd dat de pers er aandacht aan moest besteden. Het is niet uitgesloten dat de leden van de ploeg, misschien toch onder de indruk gekomen zijnde van de rechterlijke vonnissen van augustus 1959, zich nadien ingetogener zijn gaan gedragen. Maar het is ook zeer wel mogelijk dat enkele prominenten binnen de Carlsenploeg in een andere fase van hun leven

Over de auteur Douwe Pereboom werd op 5 februari 1946 op Urk geboren. Hij is de jongste uit het gezin van Jan en Riek Pereboom, destijds wonend op Wijk 6 no. 22. Na zijn MULO-periode in 1962, nam hij onmiddellijk deel aan het arbeidsproces. De periode tussen 1962 tot en met 1966 doet zich in dat verband kenmerken als aftastingsfase van de arbeidsmarkt voor het vinden van een juiste afstemming van zijn potenties op de eventuele vraag hiernaar (o.a. via dekhand op de zeesleepvaart en de binnensleepvaart naar productiemedewerker op de plaatselijke limonadefabriek van de fa. Brouwer). Uiteindelijk vond hij begin 1967 zijn draai als ambtelijk medewerker op de gemeentesecretarie van Urk. In 1982 vervolgde hij zijn ambtelijke loopbaan in Dokkum, in welke plaats hij zich toen met zijn gezin vestigde. Vanaf dat jaar tot mei 2007 was hij daar werkzaam op de secretarie van eerst de gelijknamige gemeente en in een latere fase, na een gemeentelijke herindeling, op de secretarie van de gemeente Dongeradeel. Als hobbyschrijver verschenen van hem zo nu en dan reisverhalen in de personeelskrant “De Wandelgangen” van laatstgenoemde gemeente en in het clubblad van de Watersportvereniging Dokkum. Dokkum, oktober 2020

STICHTING URKER UITGAVEN


Bronnen:

Dankbetuiging:

Periodieken: Urker Volksleven.

-

Dossiers van Flevolands Archief: 0735 onder 7 en 8 Notulen van de vergaderingen van de gemeenteraad 1954- 1960; Idem onder 22 Notulen en agenda’s van de vergaderingen van burgemeester en wethouders 1951-1960; 0736 onder 626 Wijzigingen Algemene Politieverordening gemeente Urk 1954-1964.

-

-

Interviews: Jaap Nentjes, Munnikplaat 47 te Urk en Klaas Woord, Ankerplaats 29 te Urk. Kranten: Het Parool van 21 januari 1959, 20 juli 1959 en 24 oktober 1959; Het Vrije Volk van 24 oktober 1959 en 5 november 1959; De Tijd de Maasbode van 25 juli 1959; Algemeen Handelsblad van 29 augustus 1959; Friese koerier van 27 augustus 1959; Trouw van 27 augustus 1959, 5 september 1959 en 26 oktober 1959; Arnhemsche Courant van 27 augustus 1959.

-

-

Geraadpleegde archieven: Gemeente-archief Urk, Archief GBU, Het Politie-archief en Het Flevolands Archief.

Eindnoten 1

zie www. “Andere tijden” van 16 juli 2002 aflevering: “Kapitein Carlsen en de Flying Enterprise”.

2

zie www. “Historiek.net”, Enne Koops “Nozems- uitdagende jeugdcultuur

-

uit de jaren 1950-1960. 3

zie ook “Trouw” van 5 september 1959, L.Kaiser en P.J.Meertens : “Urk terecht in het nieuws?” en Eva Vriend: “Eens ging de zee hier te keer”, hfd. 33 “Coke bij de vis”.

4

-

Gertjan van Dijk : “Het geloof der vaderen” Hfd.12: “De wet en het vermaak”; Urker Volksleven november 2005 no. 5 ( 32e jaargang).

5

Freek Pereboom: “Obadja’s gangen over Urk”, gepubliceerd door de IJsselakademie te Kampen in samenwerking met Stichting Urker Uitgaven.

6

-

Rien Bogerd: Urcker Kronieken: “Kerkgeschiedenis van Urk en de polder”; en v.w.b de wederkerigheid van de animositeit tussen Urk en de polder zie Lub en Klaas Post: Urcker Kronieken: “Geen plek voor Urk in de polder” en Eva Vriend: “Eens ging de zee hier te keer” hfd. 8 en 19, respectievelijk, “Geen aanhangsel” en “Spanning aan de rand”.

7

Eva Vriend: “Eens ging de zee hier te keer” hfd. 33 “Coke bij de vis”.

8

Almar Wallenburg: “De cultuur van Urk en de Urker jongeren”, Masterscip-

-

Albert Brouwer voor het beschikbaarstellen van dienstig archief-materiaal uit het gemeentearchief; Henk Kapitein, scriba Ned. Herv. Kerk te Urk, voor zijn natrekkingen met betrekking tot het kerkarchief; Jaap Nentjes en Klaas Woord voor het delen met mij van hun herinneringen aan een gebeurtenis op het strand voorafgaand aan hetwelk tot strafvervolging van enkele leden van de Carlsenploeg leidde, respectievelijk aan die van de plaats van de culturele commisie binnen de organisatie van de hervormde kerk; Jan Marten ten Napel uit Gouda voor het leveren van foto’s en het mij met raad en daad bijstaan; Monique van Dokkum en Jacqueline van der Lee voor hun zoektocht naar het eventueel bestaan van een gebruikscontract tussen eigenaar de heer Scheffer en de culturele commissie van de hervormde kerk, ter zake van het gebruik van een bijzaal van hotel “Het Wapen van Urk” als filmzaal; Klaas Kramer, Grote Fok 41 voor het beschikbaarstellen van een foto van zijn schoonzus Leentje Woort Brands; Lub Post, secretaris van de Stichting Urker Uitgaven voor het ter hand stellen van het manuscript: “De cultuur van Urk en de Urker jongeren”; Lummetje de Boer-Kramer voor haar niet-aflatende zoektocht naar bijpassende foto’s en relevante raadsnotulen; Marjolein Zeilstra, medewerkster studiezaal van Flevolands Archief, voor het correct klaarleggen van aangevraagde dossiers en het desgevraagd leveren van kopieën hieruit; Rob Vogel en Lub van den Berg voor hun onderzoek in de politiearchieven.

tie Vakgroep Sociologie van de Universiteit Groningen; Martina Althoff, essay: “Het beeld van de jeugd als criminaliteits- en veiligheidsprobleem” blz. 270 t/m 276.

STICHTING URKER UITGAVEN

Douwe Pereboom | Nozems op Urk | 19


Samenvatting. Brommers, vetkuiven en leren jassen zijn eind jaren vijftig van de vorige eeuw het uithangbord van rebelse jongeren. Ze worden ‘nozems’ genoemd. Ook Urk heeft een groep ‘nozems’ die voor problemen zorgt en de Torenstraat wordt een epicentrum van onrust en ongeregeldheden. De landelijke pers springt erbovenop en doet in geuren en kleuren verslag. Uiteindelijk is de rechterlijke macht de rebelse Urker jongeren zat en straft met harde hand. Intussen probeert het gemeentebestuur Urk de jeugd onder controle te houden middels alcohol- en slenterverboden en dreigt met avondklokken. Ook de kerkelijk instanties nemen de handschoen op en zien de oplossing in het verbreden van het aanbod van films en toneelvoorstellingen. Deze kroniek verhaalt het “Carlsen”-incident van 1958/1959 en plaatst dat in een breder verband. Ze leert dat er ook qua jeugdproblematiek anno 2021 weinig nieuws onder de Urker zon is.

Summary. Mopeds, Rockabilly hairstyles and leather jackets were the insignia of rebellious youths around the end of the 1950s, known as 'nozems' in Dutch. Urk too possessed a group of 'nozems', which created problems, particularly around the Torenstaat, which became the epicentre of their unruly activities. This even attracted the attention of the national press, which provided extensive coverage of the phenomenon. The authorities became fed up with the rebellious youngsters and pursued them relentlessly. Local government likewise attempted to suppress the illegal behaviour with alcohol and street bans, and threatened to impose a curfew. The religious authorities conducted their own strategies and offered film viewings and theatrical performances to divert the young. This 'Kroniek' tells the story of the "Carlsen" incident of 1958/59 and places it in wider context - it shows that little has changed after more than half a century, with similar youth problems occurring in Urk anno 2021.

Om het werk van de Stichting Urker Uitgaven te steunen en te kunnen doorgaan met het publiceren van de Urcker Kronieken, kunt u een gift overmaken op rekeningnummer

NL 32 ABNA 0436429853

(t.n.v. Stichting Urker Uitgaven). Een gift aan de Stichting Urker Uitgaven is aftrekbaar voor de belasting.

Colofon Urcker Kronieken is een digitaal magazine van de Stichting Urker Uitgaven waarin op diepgaande wijze onderwerpen over de geschiedenis van Urk worden belicht. Het magazine wordt gepubliceerd op de website: w w w.urker u itgave n . n l

Heeft u ook een bijdrage? We houden ons van harte aanbevolen voor uw bijdrage, ongeacht de lengte hiervan. Neem vrijblijvend contact met ons op om dit te bespreken. Ook reacties op het magazine zijn welkom. i nfo @urke r u i tgave n. nl

STICHTING

URKER UITGAVEN

Geprinte exemplaren van Urcker Kronieken zijn te koop in museum Het Oude Raadhuis, Urk.

20 | Douwe Pereboom | Nozems op Urk

STICHTING URKER UITGAVEN


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Stichting Urker Uitgaven - Nozems op Urk by GBU printmedia - Issuu