Skip to main content

Stichting Urker Uitgaven - 1001 dienstmeisjes

Page 1

Kronieken Urcker

Jaargang 2020 | nr. 5

STICHTING

URKER UITGAVEN www.urker u i tgaven.nl

Lubbetje van Urk (zittend) en haar 'dienende' nichten poseren rond 1920 tussen de bedrijven door in een protestants kinderkoloniehuis in Egmond aan Zee. De foto komt uit het album van Lubbetje van Urk.

1001 dienstmeisjes Het is niet meer voor te stellen dat meisjes van 13, 14 jaar met een rieten koffertje of koffieblik op de boot worden gezet om in Amsterdam of een andere plek in Noord-Holland als dienstmeisje aan de slag te gaan. Meisjes die soms bij het zien van het deftige werkhuis het gevoel hadden ‘van God en mensen’ verlaten te zijn. Die vervolgens zo’n tien jaar lang ‘in dienst’ waren, op verschillende adressen, niet zelden in verschillende delen van het land. De overleveringen van ‘dienende’ (over)grootmoeders inspireerden tot een diepgaander onderzoek.

Door Lucia de Vries & Arjan Baarssen luciadevries@gmail.com ajbaarssen@gmail.com


Bijna alle Urkers hebben wel een voormoeder die als dienstmeisje ‘an de walle’ aan de slag ging. Al in de achttiende eeuw lieten meisjes zich met een boot naar Enkhuizen brengen om daar vandaan door te reizen naar ‘diensies’ op het platteland of in de steden. Vanaf eind negentiende eeuw is het populair om bij Joodse families in Amsterdam te werken. Als begin twintigste eeuw Urker jongens zich aanmonsteren op haringloggers in Vlaardingen en Scheveningen worden ook de havenplekken populair. Het dienen ontwikkelt zich als van de meest constante factoren binnen de Urker gemeenschap. Terwijl nieuwe vissersschepen, -technieken en -gebieden worden geïntroduceerd, het Zuiderzeeproject wordt aangekondigd en uitgevoerd, twee wereldoorlogen plaatsvinden en Nederland ingrijpend verandert, blijven Urker meisjes hun koffertjes pakken. Hun financiële bijdrage hield gezinnen en bedrijven overeind en gaf vrouwen de mogelijkheid om als jonggehuwde een nieuwe start te maken. Ook onze voormoeders werkten als dienstmeisje. Lucia kwam een veertigtal dienstbodes in haar stamboom tegen, beginnend bij Johanna de Vries (1809) tot Trijntje de Vries (1919). Haar bessien Pietertje de Groot ging in 1914 op 15-jarige leeftijd aan de slag bij een tuindersgezin in Andijk en zou tot haar trouwen in 1924 als dienstmeisje werken. Naast een kindertehuis in Egmond aan Zee werkte ze bij twee Joodse families en in het Emma Kinderziekenhuis in Amsterdam. In 1920 begon Arjans overgrootmoeder Lummetje Bos op 14-jarige leeftijd als dienstmeisje bij de Joodse familie Neeter in Amsterdam. Met een korte onderbreking werkte ze van 1920 tot 1930 in Amsterdam bij drie Joodse gezinnen. Bij het laatste gezin, dat van kleermaker Schiffman, paste Lumme op twee jongetjes, Aron en Isaac. Op de enige foto uit haar Amsterdamse tijd is Lumme samen met Aron vastgelegd.

door Lucia de Vries Dienstmeisjes in Nederland “Dan begon oenze zwurvende leven wier: ier d’rs eten, in daor d’rs, in ’s aves pas laot in eagen eus. In oe dat is zo min vor een keend, as z’n mimme altees de duur eur is.” – Marretje de Jonge1. Terwijl dienstbode een omvangrijk en in sommige kringen ook gewild beroep was besteedt de geschiedschrijving er nauwelijks aandacht aan. In 1899 werkte 44% van de Nederlandse vrouwen met een beroep als dienstbode of werkvrouw. Het ging om bijna 190.000 vrouwen. In de twintigste eeuw liep het percentage omlaag maar de aantallen niet: in 1930 werkten 234.446 vrouwen als dienstmeisje, toen nog maar 30.7% omdat meer vrouwen in de verpleging en het onderwijs aan de slag gingen. In het verleden was het beroep van dienstbode of kindermeisje het enige dat openstond voor vrouwen die in hun eigen levensonderhoud moesten voorzien. Meisjes uit weeshuizen werden ertoe opgeleid. Een bekend voorbeeld is romanschrijfster Aagje Deken, die opgroeide in een weeshuis. Ze probeerde drie betrekkingen als dienstbode, met weinig succes want ze vond het een slavenbestaan. Haar ervaringen zijn deels terug te vinden in Sara Burgerhart. Het hebben van een dienstbode was voor de gegoede klasse een statussymbool; voor middenstanders en boeren was zij essentieel als relatief goedkope werkkracht2. Toch was de beeldvorming niet bepaald positief. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een gedichtje uit een scheurkalender van 1895:

't Is een gruwel met de ‘booien’! ’t Is er niet meer mee te rooien! Een pot nat schier al te maal: Lui en lekker en brutaal! De lage waardering en status van de dienstmeisjes heeft volgens onderzoekers3 te maken met het feit dat huishoudelijk werk niet als ‘echt werk’ werd beschouwd. Betaalde banen buitenshuis stonden tegenover het vaak laag betaalde en gekwalificeerd ‘huiswerk’ verricht door meisjes uit de laagste sociale groepen van de maatschappij. Dienstbode-zijn staat symbool voor dubbele dienstbaarheid, die van ondergeschikte sociale klasse en ondergeschikte vrouwen. Terwijl de rechten van fabrieksarbeiders in toenemende mate wettelijk werden vastgelegd, bleven dienstmeisjes rechteloos. Zij vielen onder de ‘maritale’ macht van de ‘huisvader’ van het gezin waar ze werkten, die in 1838 was vastgelegd in het eerste Burgerlijk Wetboek, en waarin werd gesteld dat ‘Zijn kinderen, echtgenote en dienstboden ... aan hem ondergeschikt [zijn].”4 ‘Huiselijke arbeid’ viel bovendien niet onder de arbeidswetten die in de vorige eeuwen van kracht gingen. De Kinderwet-Van Houten (1874) verbood kinderarbeid onder de twaalf jaar in fabrieken en werkplaatsen (ruim tien jaar later opgerekt tot zestien jaar). De Arbeidswet van 1919 voerde de 8-uren werkdag en de 45-urige werkweek in. Deze wetten golden niet voor het dienstmeisje. Dit verklaart waarom ook nog in de jaren twintig Urker meisjes van 13-15 jaar oud zich ongestoord konden laten inschrijven in de dienstboderegisters van gemeenten in Noord-Holland. Het verklaart ook

De overleveringen van hun ‘dienende’ (over)grootmoeders inspireerden Arjan en Lucia tot een diepgaander onderzoek waarbij ze zichzelf verschillende vragen stelden. De enige foto van de boot met vertrekkende Urker meisjes die bij ons bekend is. (Vrienden van Urk)

2 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

STICHTING URKER UITGAVEN


Dienstmeisjes vielen niet onder de wetgeving van minimale leeftijd en arbeidstijden waarom de meisjes veel langere dagen/ weken maakten dan ‘fabrieksmeisjes’. Rond 1870 begon de ‘dienstbodenquaestie’ een rol te spelen. Een geschatte 85.000 gezinnen5, oftewel 10% van de huishoudens, beschikten over een hulp maar er was een groeiend tekort. De werkgeefsters klaagden intussen steen en been over de inzet van hun dienstbodes. Een vakopleiding werd als de beste oplossing voor beide problemen gezien. Rond de eeuwwisseling initieerden de grote steden vervolgopleidingen voor meisjes. De opleiding tot dienstbode was niet populair: het woord dienstbode werd als vernederend beschouwd en er was weinig perspectief op een loopbaan. Intussen veranderde de arbeidsmarkt; banen in fabrieken, kantoren en warenhuizen werden populair. Na 1950 nam door de komst van huishoudelijk apparatuur en de sterk stijgende lonen en belastingen de vraag naar dienstbodes af. Het beroep dienstbode is nu in Nederland vrijwel uitgestorven, en vervangen door (niet inwonende) nannies en huishoudelijke hulpen. Welke meisjes gingen dienen en waarom? Op het eiland Urk was het doorgaans geen vetpot. Tot diep in de twintigste eeuw behoorde Urk tot de armste gemeenten van Nederland. Hoewel Urk tevens een boerengemeenschap was, was de welvaart op het eiland sterk afhankelijk van de visvangsten. Waren die goed dan leefde het dorp op, waren ze slecht dan was er krapte.

Advertentie in De Harderwijker, mei 1901.

STICHTING URKER UITGAVEN

Wat opvalt is dat Urk de enige Zuiderzeegemeenschap is waarin meisjes als dienstmeisje aan de slag gingen. Uit plekken als Blokzijl, Elburg, Huizen en Lemmer komen we een enkel meisje in de dienstboderegisters tegen, maar Urk was in het Zuiderzeegebied duidelijk de grote ‘leverancier’. Dit zal te maken hebben met het ontbreken van een achterland, waar meisjes aan de slag kunnen als huishoudster of ventster, en industrie.6 In de landelijke kranten verschijnen regelmatig oproepen aan ‘edelmoedige landgenooten’ om, bijvoorbeeld na een storm, de Urkers financieel te steunen. Vooral weduwvrouwen hebben het moeilijk; de armenzorg is beperkt. Het zijn dan ook allereerst meisjes uit deze of nieuw samengestelde gezinnen die uit werken moeten. Op het eiland zelf zijn de kansen beperkt. Er zijn wel ‘diensies’ maar deze zijn laag betaald. Ook het werk in de visverwerking brengt niet meer dan twee gulden per week op. Bovendien is dit werk zonder kost en inwoning. Femmetje Visser vertelt: “Je kon [op Urk] wat verdienen met ansjoopkoppen en mossel- en garnalenpellen maar dat was seizoensgebonden. Daarom ging je verderop om wat te verdienen.” Marretje van Urk herinnert zich hoe zwaar de kinderarbeid was: “…dat inleggen [van haring en ansjovis] was ’s morgens om vijf uur op… om een uur of acht, half negen werd je afgewassen en dan naar school toe en ’s middags om vier uur weer kaken of koppen”. Geen wonder dat ze op 13-jarige leeftijd een werkadres in Amsterdam zocht: ‘ik wil[de] wel weg uit die negorij’. De gezinnen zijn vaak groot en door de hoge sterfte van mannen (verdrinking, besmettelijke ziekten) en vrouwen (zwangerschapssterfte en besmettelijke ziekten) ook samengesteld7; ook meisjes voor wie eenvoudigweg geen plek is moeten vertrekken.8

Werving van Urker meisjes in De Urker Courant.

Toch zijn het niet alleen de allerarmste meisjes die op de boot stappen. De meisjes staken elkaar ook aan. Ze schreven elkaar brieven waarin ze vertelden hoe goed ze te eten kregen.9 Anekdotisch bewijs is er ook voor meisjes die door problemen thuis vertrokken. Het gaat dan om familieconflicten, ongewenste zwangerschap en onbeantwoorde liefdes.

Een Urker dienstbode omstreeks 1910 op de boerderij van de familie Butter in Hauwert. (Historisch Genootschap Hauwert)

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 3


Wellicht was er ook sprake van een ‘rite of passage’, een toegangsritueel, waarin meisjes hun ‘diensttijd’ als een stap naar volwassenheid beschouwden, waarmee ze aan de armoede en kleinschaligheid van het eiland konden ontsnappen, nieuwe vaardigheden leerden, (relatief) zelfstandig konden opereren en een hogere status verkregen.10 Wanneer beginnen Urker meisjes te dienen? “Elf jaor was ik dat ik van skoel of ging. ’t Leven sting vor m’n eupen. Ik breide eerst een paor fene warkieskoesen vor de buren … toe krieg ik ok al gaaw m’n eerste diensien vor zuven steuvers of achte in de week. ’s Ochtes mos ik eerst de kiengeren anklien, die braaf nat in mit een euliebroek an van bedde of kwammen … Om alf elleven [’s avonds] worde ik dan nor eus ebrocht.” – Marretje de Jonge Al in de achttiende eeuw vertrekken Urker meisjes naar het vasteland, op zoek naar werk. Terwijl de ooit zo machtige Republiek haar invloed verloor blijken Urker meisjes in de blekerijen in Bloemendaal te werken11. Van de vijftien ‘blekersmeijden van Urk’ trouwen er dertien op het eiland, twee blijven ‘an de walle’ wonen. In Herberg De Zeven Provinciën van Durgerdam werkten in 1787 Albertje Pieters van Dokkum (17) en Stijntje Bakker (20) als dienstmeisjes.12 Een van de eerste Urker vrouwen die we in de dienstboderegisters tegenkomen is Grietje Roelofs Börger (later Burger genoemd), die zich op 1 november 1827 als 26-jarige in de gemeente Twisk als dienstbode laat inschrijven. Haar kwartierstaat toont de moeilijke omstandigheden waarin veel Urker meisjes opgroeien. Vader Roelof heeft dertien kinderen bij drie verschillende vrouwen, waarvan Lijsje Jans Zoet van Schokland de eerste is. Grietje is het vijfde kind uit zijn huwelijk met de Urkse Grietje Teunis Romkes. Aangenomen wordt dat moeder Grietje tijdens of vlak na de geboorte van dochter Grietje overlijdt. Haar vader trouwt in 1804 met naaister Leentje Jans Nieuweboer uit Medemblik en verhuist. Dochter Grietje wordt ‘arbeidster en dienstbode’ in het nabijgelegen Twisk. Zij trouwt met Sijmon, ‘kaarsenmaker, boerenknecht en arbeider’. Ze krijgen vijf

kinderen maar ook Grietje sterft jong, twee jaar na de geboorte van haar vijfde kind. De literatuur gaat ervan uit dat de dienstmeisjes in eerste instantie op het platteland van Noord-Holland (bijgenaamd ‘De Striek’) aan de slag gingen. De meisjes stonden dan ook bekend als ‘boerenmeiden’. Later zouden steden als Enkhuizen, Hoorn en Medemblik populairder zijn. Dit wordt door de registers niet bevestigd; al vanaf 1853 is Hoorn een populaire bestemming, gevolgd door Enkhuizen. Hoorn blijft in de periode 1853-1906 de populairste bestemming voor Urker dienstmeisjes totdat deze door Amsterdam wordt overgenomen. In totaal laten

4 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

165 meisjes zich in Hoorn inschrijven. Helaas zijn de registers van na 1906 nog niet openbaar. Aaltje Geerts Lemstra (31) is de eerste die zich in 1853 in Hoorn laat registreren en een jaar later Luutje Alberts Kroon (24). In het decennium erna stijgt het aantal snel, tot 70 nieuwe registraties. Het aantal daalt in de 80-er jaren tot 16 nieuwe aanmeldingen en stijgt rond de eeuwwisseling tot 54. De meisjes zijn opvallend jong als ze zich in Hoorn laten inschrijven. 14% van de meisjes is slechts 14-16 jaar oud. 35% van hen is 17-19 en 38% 20-22 jaar oud. De meisjes werkten behalve bij boeren-, tuinders en burgergezinnen ook in winkels en tehuizen. De protestantse kinder-

STICHTING URKER UITGAVEN


koloniehuizen in Egmond aan Zee waren een populaire bestemming, maar ook het Zeehuis in Bergen, eigendom van het Amsterdamse Burgerweeshuis en het Joodse oude mannen- en vrouwenhuis in Amsterdam. Urker meisjes doken ook op in bejaardentehuizen, armenhofjes en in ziekenhuizen, zoals de Ziekenverzorging in Scheveningen13 en het Emma Kinderziekenhuis in Amsterdam. Wie waren de jongsten? De jongste meisjes die we in de registers tegenkomen zijn twaalf en dertien jaar oud. De jongste is Trijntje Hakvoort (1918-2011), twaalf toen ze in Baarn aan de slag ging. Trijntje kwam uit een gezin van elf, waarvan acht kinderen jong kwamen te overlijden. Ze zou ook in Bergen dienen. Trijntje trouwde met een Urker visser en zou acht kinderen ter wereld brengen. Een ander jong meisje was Antje Post (1898-?). Zij was dertien toen zij verhuisde naar Lonneker, Enschede, waar haar familie in de textielfabriek aan de slag ging. Ze kwam uit een gezin van twaalf en haar moeder, Lummetje van Urk, werkte in haar jonge jaren als dienstmeisje in Opperdoes. Antje verhuisde op haar veertiende naar Amsterdam, waar ze anderhalf jaar diende. Ze moet in Lonneker verliefd zijn geworden want in 1923 trouwde ze in Enschede met Johannes van ’t Slijper, metaalslijper.

Vooral voor de jonge dienstmeisjes zal het dienen niet altijd makkelijk zijn geweest In toe ik vijftien was, gien dag erover, toe zou ik dan dienen in een plaosien after Keuzen.” – Marretje de Jonge De Verlichting zorgde in de achttiende eeuw voor verandering in de ideeën over de inrichting van de maatschappij en de rol van de vrouw. Toch was Nederland in

de negentiende eeuw een echte standenmaatschappij, die bestond uit ‘het volk’ of ‘de armen’ en ‘de gegoeden’. Meisjes hadden toegang tot het basisonderwijs maar vervolgopleidingen waren alleen voor jongens opengesteld. Terwijl gegoede ‘dames’ zelden buitenshuis werk-

Vooral voor de jonge dienstmeisjes zal het dienen niet altijd gemakkelijk zijn geweest. Ze hadden een stoof nodig om zich te laten inschrijven en om de afwas te doen. Marretje van Urk was dertien toen ze naar Amsterdam vertrok. Zij beschrijft hoe ze op een dag in paniek bij haar vriendin op bezoek komt: ze bloedde en wilde naar het ziekenhuis. “Dan ben je een grote meid geworden”, zei de vriendin en legde haar het een en ander uit. “Voorlichting kreeg je vroeger niet maar we zijn er toch gekomen”, concludeert Marretje. Hoe werden de meisjes voorbereid? “Ik was een jaor of viertien. Ik ad al garren epeld, ansopies eklaord, mossels epeld in aring ekaakt, dat ik liep mit de kloven in snien in m’n anen in vingers… et begon m’n toch dikke te vervelen, ik wou nor de walle.

STICHTING URKER UITGAVEN

De oudste foto van een dienstmeisje dat bij ons bekend is Aaltje Willemszoon (1876-1936) geportretteerd in een studio in Hoorn met een meisje waar ze op paste. (Privécollectie)

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 5


Friedrich Kalmorgen, Holländisches Mädchen von der Insel Urk, 1907, olieverf op doek, verblijfplaats onbekend.

Josef Israëls, Dienstmeiden, ca. 1894, tekening, verblijfplaats onbekend.

Dienstmeisjes als schildersmodel Urker dienstmeisjes liepen in dracht en waren daardoor duidelijk herkenbaar in het straatbeeld. Geen wonder dat enkele bekende kunstenaars de meisjes hebben vastgelegd. Jozef Israëls, die graag op straat schilderde, schilderde in 1894 een opvallend jong Urker dienstmeisje in Amsterdam. Ze zit met een hand in de zij, met op de achtergrond water (het IJ?). Ze straalt een ‘ik laat niet met me kisten’-houding uit. In een houtskoolschets van Israëls zien we twee meisjes op een brug; een van hen draagt een Joods jongetje met een hoed. Ook dit zijn fiere vrouwen, die de kunstenaar recht in de ogen aankijken. Wilhelmina van Peere maakte in 1908 een portret van een Urker dienstmeisje in zondagse dracht. Voor haar staat een hondje op wielen, populair Wilhelmina van Peere, Urker meisje speelgoed in die tijd (we komen het ook tegen in de foto van Bessien Lumme met het Joodse jonin zondagse dracht, 1908, olieverf getje Aron). Van Peere lijkt aangevoeld te hebben op doek, collectie Museum Het Oude hoe belangrijke brieven voor de dienstmeisjes Raadhuis. waren. Een bijzonder portret is dat van een Urker meisje op het platteland van de Duitse schilder Friedrich Kalmorgen. Hij was een bekende in Hotel Spaanders in Volendam en trok regelmatig het land in om inspiratie op te doen. Portretteerde hij een ‘boerenmeid’ op het West-Friese platteland? Marretje en Grietje Wakker trokken in Scheveningen de aandacht van een Haagse kunstenaar. Hij kreeg toestemming om de meisjes in zijn atelier te ‘boetseren’, waarna ze enkele malen poseerden. Om er te komen moesten de meisjes door nogal bedenkelijke straten lopen, en werden door straatslijpers nageroepen: ‘Zullen we een kindje maken?’ Als aandenken kregen ze een afgietsel van het hoofd van Grietje in gips. Deze stond later in de gang van hun ouderlijk huis.* *

Josef Israëls, Urks meisje, 1894, aquarel, particuliere collectie.

Dit is ons verteld door de zoon van Marretje, Klaas Johannes Romkes. Hij weet niet wie de kunstenaar was.

6 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

STICHTING URKER UITGAVEN


ten konden ‘arme’ vrouwen het zich niet veroorloven om thuis te zitten. Hierdoor waren de man-vrouw verhoudingen in gemeenschappen als Urk minder strak. In principe werden jongens klaargestoomd voor de visserij en meisjes voor huishoudelijke en zorgende taken. Maar in de praktijk deden Urker vrouwen ook ‘mannenwerk’. Ze werkten als kind in de vishandel, sjouwden met zand en drinkwater en maakten netten en botters schoon. Omdat veel gezinnen ook boerden hielpen meisjes bij de verzorging van de koeien, het melken en het hooien. Het venten met bakkerswaar was een typische meisjesklus, waardoor de ‘bollenmeisjes’ sociale vaardigheden en ondernemerschap leerden. Ook waren er gezamenlijke taken, zoals garnalen en mosselen pellen, haring kaken en ansjovis koppen en netten klaren. Ook zijn er voorbeelden bekend van vrouwen die op de scheepshelling of in de bouw werkten.14 Opvallend veel Urker vrouwen waren ondernemers; ze openden een winkel en beheerden de financiën van het boerenen vissersbedrijf. Dat was de reden waarom wel gesproken werd over het ‘Urker matriarchaat’.15 Toch lag in de opvoeding de nadruk op zorgende taken. Vrijwel ieder meisje leerde wassen, schoonmaken en breien, zoals de meeste jongens leerden netten boeten en vissen. Door deze opvoeding werd een meisje in grote mate voorbereid op het werken als dienstmeisje. Hoewel veel meisjes en vrouwen in de vishandel werkten, door in het seizoen haring en ansjovis te verwerken, of thuis mosselen of garnalen schoon te maken, was dienstbode in principe de enige fulltime betaalde baan die voor hen openstond. Meisjes uit beter gesitueerde gezinnen konden leren voor naaister, verpleegster of onderwijzer, maar dit waren uitzonderingen.16

Zo reisden de dienstmeisjes Betje Koffeman (links) en Jannetje de Vries voor een bezoek aan familie. (Nationaal Archief)

“M’m mimme gaf m’n goeie raod miej. ’t Worde m’n allemaol op m’n arte edrokt wat ik doen in loaten mos. Van m’n bessien ad ik ok al een iele preek mit vermonigen miej ekriegen. Ik krieg nog een peperussien mir garrebalders ok miej; die mos ik ouwen vor in de kark. In toe begon m’n avontuur.” – Marretje de Jonge Hoe werden de meisjes verder voorbereid op hun leven ver van huis, voor het eerst alleen, zonder beschermende familie en gemeenschap? Er bestond immers geen opleiding17 en lectuur als de Almanak voor Dienstboden18 werd, voor zover bekend, niet op Urk gelezen. Sommige meisjes hadden moeders die zelf hadden gediend; zij zullen zinvolle informatie en instructies hebben ontvangen. Bovendien had vrijwel elk meisje een oma, buurvrouw, tante of nicht die ervaringsdeskundige was. Marretjes oma drukte haar voor haar overlijden op het hart om ‘een volwaar-

‘Verwacht niks in Amsterdam keend. ’t Binnen gien Urkers maar vreemden die over je aarsen.’ STICHTING URKER UITGAVEN

dig mens voor kerk en maatschappij te zijn’. Maar vaak waren de instructies praktischer: lees ’s avonds in je bijbeltje en ga ’s zondags naar de kerk, schrijf wekelijks een kaartje, hou je deur op slot voor ongewenst (mannelijk) bezoek en vrij niet met een ‘vreemde’. Een wereldwijze moeder zei: ‘Verwacht niks in Amsterdam keend. ’t Binnen gien Urkers maar vreemden die over je aarsen.”19 Het afscheid was voor een half jaar. Veel konden de familieleden op afstand niet betekenen voor hun dochters, behalve brieven schrijven en voor hen bidden. Dirkje Romkes, die naar Enkhuizen vertrok, herinnert zich: “Toen ik voor het eerst van Urk ging zei m’n mimme ‘ik zal voor je bidden’. En dat werd dan ook gedaan. En zo kwam je altijd goed terecht.” Hoe vonden ze werk? “Je schreef dan aan meisjes die er al zaten om voor je uit te kijken. Die plozen dan het kerkblad na. Als ze wat geschikts hadden dan schreven ze dat terug.” – Dirkje Romkes Vóór de oprichting van De Urker Courant, waarin werkgevers advertenties plaatsten, werden ‘diensies’ vooral informeel geregeld. Urkers die ‘an de walle’ woonden regelden werkplekken. Moeders schreven hun oude werkgevers aan en vriendinnen tipten elkaar middels brieven.

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 7


Dienstmeisjes schillen aardappelen in het koloniehuis te Egmond aan Zee. (Nationaal Archief)

De advertenties voor een ‘flink meisje’ in De Urker Courant van 1912 zijn afkomstig uit zeer verschillende plekken (Alkmaar, Amsterdam, Enkhuizen, Haarlem, Purmerend, IJmuiden). In 1920 zien we ook Deventer, Hoofddorp, Hoorn, Scheveningen en Zaandam verschijnen. Vanaf 1924 wordt soms extra wasgeld aangeboden of vermeld dat de was buitenshuis wordt gedaan, en ‘goede kost en behandeling verzekerd’. In Amsterdam vonden veel meisjes een adresje via bemiddelaarster Griet Post. Soms werden meisjes op de boot gezet met de opmerking: “Vraag in Amsterdam maar naar Griet, die weet vast een dienstje voor je.” Toen de 13-jarige Jannetje Schraal in de hoofdstad aankwam kreeg ze te horen dat haar plek al was voorzien. “Men besloot [met mij] ‘de markt op te gaan’, naar de Joden. Ik vond het verschrikkelijk. Want het was een loven en bieden. Voor zes gulden werd de zaak tenslotte beslist.” De Urker meisjes stonden aangeschreven als hardwerkende, betrouwbare dienstmeisjes. Volgens Marretje wilde ‘iedereen een Urker meid want die wilden wel werken’. Oale van Veen concludeert dat er spra-

ke was van wederzijds vertrouwen: “Ze vertrouwden ons. We kregen een sleutel van het huis. En de kasten en zo werden niet afgesloten. [Later] waren er genoeg Duitse meisjes die zich [voor minder] wilden verhuren. Maar die hadden een slechte naam, die stalen… Dan werden ze weggestuurd.” Wat namen ze mee? Ier is je komfertjen, oenze Merijtjen, Ik eaw er een nijt krepleppien in edoon, In een mooi boezeltjen vor nor de lare, In een ulletjen om nor de kark te goon. Ei je dat portretjen nou niet vergeten In t psalmboekien van de zuundeskoel, in, oenze Merijtjen, lot je niet linken oor, dink an Jannetjen van Naatjen van Roel. In dink eromme, bring Urk niet in skaande, In ouw je spek op je tafelbord, In skreef je mimme maar gauw een briefien As er in dat diensien soms wat an skort. Uit dit gedicht van Mariap van Urk, zelf dienstbode, blijkt dat in het koffertje in elk geval een psalmboekje en kleding ging. Vrijwel alle meisjes liepen in Urker dracht, dus een extra kraplap, boezel en

8 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

zondags hulletje waren essentieel. Daarnaast het liefst ook een paar hemden en onderbroeken. Overigens hadden niet alle meisjes de beschikking over een rieten koffertje, sommigen kregen een doos of thee- of koffieblik mee dat als koffertje diende. Veel ging er dus niet in. Uit de overleveringen van de 14-jarige Lubbetje van Urk weten we dat ondergoed een probleem kon zijn: ze werd uitgelachen door de kinderen in het koloniehuis waar ze werkte omdat ze maar een onderbroek had, gemaakt van een gestreept stofje, die ze op het prikkeldraad te drogen hing. De meisjes kregen vaak ook wat lekkers mee, een busje met huisgemaakte ‘steken’ (stroopsnoep) of een puntzak met pepermuntjes in het geval van Marretje. In het koffertje zullen ook wat persoonlijke dingen hebben gezeten; Mariap noemt een portretje. Dit zal een foto van de ouders of van het gezin zijn geweest. Misschien namen de meisjes nog wat briefpapier mee, om de familie op de hoogte te brengen. Veel meer zal er in hun koffertjes niet gezeten hebben. Hoewel alle meisjes bij vertrek in klederdracht liepen, duurde het bij een enkeling niet lang voor ze de voordelen

STICHTING URKER UITGAVEN


van burgerkleding ontdekten. Tiemetje Romkes (1922-1990) poseerde in Scheveningen nog in de Urker en in de lokale dracht maar kocht al snel een ‘deftige’ lange rok, blouse, jas, panty’s en schoenen. Als ze naar Urk ging trok ze haar Urker goed aan; ze wist dat haar moeder niet van ‘vreemd goed’ gediend was. Sommige dienstmeisjes zullen tot hun dood toe in het Urker lopen. Na de Tweede Wereldoorlog verruilen de meeste vrouwen hun dracht ergens na hun trouwen voor burgerkleding. Hadden ze een eigen kamertje? “Welnee! … Die man en vrouw sliepen in de ene kamer, in een soort alkoof. Het jongetje sliep in een bedstee, ik sliep in de achterkamer op zo’n opklapbed.” – Oale van Veen In boerengezinnen op het platteland van Noord-Holland hadden de Urker meisjes doorgaans een eigen (zolder)kamertje. De 15-jarige Marretje de Jonge bijvoorbeeld: “In m’n kamertjen was een bedsteedjen mit een vierkaant rimpien, in as ik we dan in lag kon ik net et moontjen zien in dan voelde ik m’n mit een emelse glaans bskienen. Ik wist dat de Here Jezus daor ok was. In dan docht ik ok: Dat moontjen beskint nou ok m’n mimme in m’n bessien, in dan vul ik welgemoed in slaap, as ik edoon adde wat m’n bij ebrocht was.” Mariap van Urk schrijft dat ze in Scheveningen erg blij was met een ‘erg mooi kamertje, en een groot sprei over mijn bed’. Over het algemeen zullen de meisjes weinig moeite met hun slaapgelegenheid hebben gehad. Op Urk heerste grote woningnood. Gezinnen die in één bedstee of op de grond sliepen, jongens die in de haven op botters of meisjes die bij hun ‘bessien’ sliepen waren geen uitzondering. Was het werk zwaar? “’t Oches mos ik vroeg op, in dat was nou net niks vor mij. Dan mos ik de luiers wassen, maar die mozzen eerst op et stoepien van de sloot espoeld worren. Ik mos dan een gat in et ees kappen in ze daor iene vor iene in eutspoelen.” – Marretje de Jonge “Ze hadden 14 koeien en nog wat vee, en ook daar was het hard werken voor een gering loon… Het verdiende geld was bloedgeld, alles moest in huis en stal blinken als de zon. Je moest het zand uit de sloten wel drie keer wassen om het wit te krijgen voor de dwars-

STICHTING URKER UITGAVEN

straten.” – Brechje Bakker Het werk van de meisjes verschilde per plek en per werkgever. De ‘boerenmeiden’ die op het platteland van Noord-Holland werkten, werkten niet alleen in de huishouding maar hielpen ook bij het spoelen van de melkemmers, koeienmelken en boter- en kaastobben en het bereiden van kaas. De boeren van West-Friesland hadden tot de vorige eeuwwisseling doorgaans een boerenknecht en een of twee dienstmeisjes in dienst. Uit de brief van Mariap van Urk krijgen we een indruk hoe de week van een Urker dienstmeisje eruit zag. “’s Maandags 6 uur sta ik al te wasschen, en dan moet het diezelfde dag in de bleekpoeier, opgespoeld, alles stuk voor stuk uitgeklopt, opgevouwen, en dan gaat het in

een groote vierkante bak naar de zolder, waar hij dan ’s Maandagsavonds om tien uur hangt. Nu begrijpt je wel dat ik dan een reuzedrukke dag heb, want de wasch komt geen mensch aan.” Op dinsdag heeft Mariap vóór 9.00 uur de kamer schoongemaakt, aardappels geschild en het ontbijt klaargezet. Daarna maakt ze de winkel schoon, drinkt om 11.00 uur een kopje koffie, doet de slaapkamers en gang, en verzorgt na de lunch de afwas. Op woensdag maakt ze ’s ochtends het huis schoon en staat vervolgens tot 9.00 uur ’s avonds te strijken. Donderdags werkt ze tot 15.00 uur en vrijdags en zaterdags de hele dag. Het werk bij Joodse families zag er weer anders uit. Daar hielpen sommige meisjes alleen bij het schillen van aardappels en schoonmaken van de groente, maar

Albertje Post (1914-2008) wast haar handen onder de pomp in de tuin van het weeshuis van Hoorn, waar ze acht jaar lang zal werken. Foto uit Oud Hoorn, 12e jrg. nr. 2.

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 9


Protesterende dienstmeisjes

Grietje de Vries.

Aaltje Hakvoort-Post.

Toen vanaf 2015 het Flevolands Archief in het kader van Metamorfoze werd gedigitaliseerd bleek een opvallend groot aantal dossiers tot Urker vrouwen te behoren. In een honderdtal dossiers zijn de protestbrieven van Urker vissersvrouwen, garnalenpellers en weduwen te vinden. Een aantal van hen werkte eerder als dienstmeisje. Uit de literatuur en interviews weten we dat Urker dienstmeisjes zich vaak de kaas niet van het brood lieten eten. Als hen iets niet beviel pakten ze hun boeltje en zochten een nieuwe betrekking. De meisjes wisten de weg in Amsterdam en de rest van Noord-Holland. Ze spraken de Nederlandse taal en hadden ervaring in het omgaan met ‘de elite’. Wellicht droegen deze ervaringen bij tot het massale Urker vrouwenprotest tegen de uitvoering van de Zuiderzeesteunwet. De Zuiderzeesteunwet was in 1925 in het leven geroepen om ‘belanghebbenden’ (vissers maar ook anderen die van de Zuiderzee moesten leven) te ondersteunen. De aanvragen kwamen binnen op het kantoor van de betreffende Rijksdienst, aan het ‘Rokin 149’. Mariap van Urk schreef: “Er waren er vele, die het Dossiernummer van het Rokin beter uit hun hoofd kenden dan den aanslag der belasting, óók midden in den nacht. (…) De gewone uitkeering aan visschers, de volle ‘norm’ dus, was 12 gulden voor man en vrouw en 1 gulden voor ieder kind. Man, vrouw en 5 kind’ren dus 17 gulden. Daar deze wet vele hiaten had en zéér grillig was van uitvoering, was zij op Urk (en ik zelf denk ook in andere steden) gehaat.” In 1932 marcheerde een honderdtal Urker vrouwen van de Amsterdamse Ruyterkade (waar de schepen afmeerden) naar Rokin 147, om daar een petitie aan te bieden. Ze eisten als visverwerkers gelijk behandeld te worden als vissers en aanverwante beroepsgroepen. Onder hen bevonden zich dienstmeisjes die op dat moment in Amsterdam werkten, en voormalige dienstbodes.* Velen van hen hadden zonder succes de Rijksdienst bestookt met protestbrieven of om een onderhoud met de Directeur gevraagd. Aaltje Hakvoort-Post (1885-1960) bijvoorbeeld, tot haar huwelijk dienstbode in Nibbixwoud. Haar man was belanghebbende maar kreeg in 1937 ineens minder steun. Aaltje klom in de pen, zonder resultaat. Na het overlijden van haar man werd ze – in tegenstelling tot andere weduwen – niet als belanghebbende beschouwd. Ze begrijpt niet waarom de vrouw van een vissersknecht wordt buitengesloten: “Dat kan toch de zin der wet niet zijn?” Er rustte een hypotheek op het huisje van Aaltje, en daarom was het belangrijk om, al ‘was het voorloopig alleen maar de wintermaanden, enkele guldens per week’ te krijgen. “Mijn geval is zeer dringend. Och, voldoet U toch aan mijn beleefd verzoek?”, vroeg Aaltje, maar het was tevergeefs.** Een andere protesterende dienstbode (uit Enkhuizen) was Cornelia Bos-Romkes (1878-1945). Zij zou vijftien jaar lang brieven aan Rokin 147 schrijven. Als belanghebbende weduwe vroeg ze om steun voor haar werkloze zoons. Dat gebeurde niet; in plaats daarvan werd de steun in 1929 stopgezet, omdat Cornelia zich moest zien te redden met de inkomsten van haar winkeltje en kostgeld van haar zoons.*** Grietje Kramer-de Vries (1874-1946) werkte als dienstbode in Hoorn en protesteerde als vissersvrouw en moeder van tien kinderen bij het Rokin. Ooit verdiende het gezin een extraatje in de vishandel, maar dat is er nu niet meer bij. “Het is in mijn gezin treurig gesteld wegens het garnalen pellen haring speeten, ansjovis inleggen. Alles heb ik met mijn kinderen verricht om nooit iemand lastig te vallen. Het werk is tegenwoordig voor ons moeders afgelopen. Wij kunnen niets meer verdienen.” Ook Grietje viste achter het net. Drie van haar vier dochters werkten inmiddels ook als dienstmeisje. Uiteindelijk hebben de brieven, verzoekschriften en bezoeken aan Amsterdam door Urker vrouwen weinig opgeleverd. Wel besloot de overheid na vragen in het Parlement voormalige garnalenpelsters te steunen, mits zij hun inkomsten uit de ‘zoute’ tijd konden aantonen. Een enkeling lukte dit. Anderen vochten tot hun dood voor compensatie. Hoewel de protesten weinig succes boekten vormden zij een inspiratiebron voor de Urker gemeenschap als geheel. Na de mars van de garnalenpelsters in 1932 organiseerden twee jaar later ook de vissers een demonstratie. Door de jaren heen protesteerde de Urker bevolking veelvuldig tegen zaken als quotering, lage visprijzen, de bouw van een windturbinepark en het verbod op pulsvisserij. Wellicht het gevolg van de strijdbare Urker vrouwen die als dienstmeisje leerden om voor zichzelf op te komen? *

Brief van weduwe Bakker-Kramer.

Zie De Mars van de Garnalenpelsters, https://vrouwenbrieven.home.blog/2020/04/09/de-mars-van-de-garnalenpelsters/ ** Zie ook https://vrouwenbrieven.home.blog/protestbrieven/aaltje-hakvoort-post-2/ *** Zie https://vrouwenbrieven.home.blog/protestbrieven/cornelia-bos-romkes/

10 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

STICHTING URKER UITGAVEN


niet bij het koken, omdat zij niet kosher waren. Ook kwam het bij orthodoxe Joden nogal precies welke pannen voor wat werden gebruikt. De meeste meisjes werden naast het huishoudelijk werk geacht bij de verzorging van de kinderen te helpen. Oale van Veen had ’s middags vrij maar moest wel het zoontje meenemen. “Waar ik ook heen ging, het jongetje moest mee, al was het in een botter. Ik kreeg dan twee kwartjes extra. Daar kon ik een kopje koffie voor halen met iets erbij.” Opvallend genoeg doen veel meisjes ’s avonds in de keuken nog wat verstelwerk voor ‘mevrouw’. Als we nu lezen dat meisjes van ’s ochtends zes tot ’s avonds tien moesten werken, zijn we geschokt. Toch beschouwden de meeste meisjes dit niet als bijzonder. Thuis waren ze vaak als kind al verantwoordelijk voor het huishouden, de was en de jongere kinderen en werkten daarnaast soms nog als ventster of visverwerkster. ’s Avonds stilzitten was er vaak niet bij: er was lang een partijtje garnalen dat gepeld of een kous die gebreid moest worden. Wat verdienden ze en waar ging het geld naar toe? “Soms kreeg ik een briefje van m’n mimme, Of ik even een rijksdaalder wilde sturen anders zou ze de week niet kunnen doorkomen. En dan stuurde ik een rijksdaalder in een envelop en dan bleek dat die er door de postbode was uitgehaald.” – Jannetje Schraal Het goede loon was de belangrijkste motivatie om te dienen. Jannetje Schraal verdiende op haar 13de zes gulden per week, het dubbele wat ze maximaal op Urk zou kunnen verdienen. Plus eten en onderdak. De verdiensten liepen op tot 30 gulden per maand. Bovendien kregen sommige meisjes extra wasgeld. Als we de inkomsten van de dienstmeisjes met die van hun mannelijke leeftijdsgenoten vergelijken, zien we dat het inkomen van de meisjes veel stabieler was. Het loon van jonge opvarenden wisselde sterk, aangezien zij een percentage van de besomming kregen uitbetaald. Sommige haringloggers keerden een vast loon uit: ‘jongsten’ verdienden fl 6 per week, matrozen fl 9. Dit werk was echter seizoensgebonden. De inkomsten van

STICHTING URKER UITGAVEN

Marijtje Wezelman heeft duidelijk plezier als ze met haar werkgevers het strand in Scheveningen bezoekt. (Privécollectie)

de dienstmeisjes vormden een stabiele aanvulling op het gezinsinkomen, dat doorgaans sterk afhankelijk was van wisselvallige visvangsten. De meeste inkomsten gingen naar het thuisfront maar wat overbleef investeerden de meisjes in nieuwe kleding (‘stadse’ schoenen, een zilveren oorijzer, een gouden slotje) en spulletjes voor hun uitzet (linnengoed en meubeltjes). De moeder van Trien Romkes bracht haar dochter naar een gezin in Wassenaar en kreeg zeven weken loon uitbetaald. Ook kreeg ze reisgeld, totaal bijna 50 gulden, genoeg voor de hele voorraad winteraardappels. Femmetje van de Berg-Korf werkte in een gezin maar kreeg te horen dat je in een kindertehuis in Egmond rijk kon worden.

In het ‘zomeradres voor rijkeluiskinderen’ kreeg ze fooi en ging met 150 gulden schoon naar huis. “Dat was een klein vermogen. Maar eenmaal thuis bleef er niet veel van over. Bij mijn aankomst zei mijn vader: ‘Dat komt goed uit, Fem, dat je wat extra hebt verdiend. Mijn bottertje moet op de ‘ellige’, geef mij gauw de helft.” De meisjes baalden er weleens van dat hun salaris verdween in de bodemloze huishoudgeldput. “Ik ben weleens kwaad geworden dat ik altijd dingen van huis moest betalen… maar dat… geld [was] nu eenmaal nodig”, aldus Trien Romkes. Dirkje Korf-Romkes mocht haar salaris zelf houden. “Daar kocht je dan wat grotere spullen voor zoals een kesse en een naaimachine”, vertelt ze. De meisjes leefden zuinig. Bekend zijn de verhalen van meisjes die urenlang

Urker dienstmeisjes op de veemarkt van Hoorn (Vereniging Oud Hoorn).

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 11


Schrijvende dienstmeisjes Een ding waar de dienstmeisjes niet omheen konden was schrijven. Brieven en kaarten waren de enige manier om contact te houden met het thuisfront en met de ‘verkering’. De telefonie stond rond de eeuwwisseling nog in de kinderschoenen en bovendien stelde niet iedere werkgever het gebruik van de telefoon op prijs. Het schrijven had een positieve uitkomst: ze zorgden voor tastbare herinneringen aan de ‘diensttijd’ en de vrouwen zouden later hun schrijftalent gebruiken om te protesteren of zelfs dichter of auteur te worden.

Literaire dienstmeisjes Ten minste twee vrouwen ontwikkelden tijdens het dienen hun schrijftalent. Ze gebruikten hun ervaringen ‘an de walle’ in hun gedichten en romans. Helaas lijken veel brieven en kaarten van dienstmeisjes verloren te zijn gegaan, waardoor er weinig zicht is op hun literaire ontwikkeling. Van Mariap van Urk zijn gelukkig brieven bewaard gebleven.*

Mariap van Urk (1898-1966) Het meest bekende gedicht van de ‘dichteres van de drooglegging’ Marretje van Urk-Koffeman (Mariap) is ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’. Minstens zo geliefd op Urk is haar liedje over het dienen en haar gedicht ‘Merijtje wort duur d’r mimme nor de boat ebrocht’. Mariap wordt in 1898 als het vijfde kind geboren in het gezin van Iede Koffeman en Jacobje Kramer. Haar moeder overlijdt als ze acht jaar oud is. Vader Iede blijft alleen met acht kinderen achter. Hij hertrouwt twee jaar later met weduwe Jannetje Korf, met wie hij nog vier kinderen krijgt. Mariap vertrekt op jonge leeftijd als dienstmeisje naar Scheveningen. Ze doet dit in navolging van haar oudere zus Marretje, die in Den Haag dient. Mariap gaat aan de slag in een gezin met drie eigen kinderen en een ‘weeschmeisje’. Mariap heeft er een ‘erg mooi kamertje, en een groot sprei over mijn bed’ maar lijdt aan ‘koortsen’ (“… en dan ziek onder een ander, als je half sleepende je werk doet, dat valt niks mee hoor!”). Haar ‘juffrouw’ wordt na verloop van tijd vriendelijker (“Ze zijn nu vriendelijker als in ’t eerste, toen was ik ook halfgebakken, en dat is voor zulke menschen ook niet plezierig.”) Waarschijnlijk heeft ze in deze periode, waarin ze samen met andere dienstmeisjes tweemaal per jaar naar Urk reisde, al zingend in de trein en op de boot, haar lied op de wijs van een lied uit toneelstuk De Jantjes geschreven:

AIs je aankomt in Enkhuizen en de boot ligt even stil, en de kapitein komt vragen of je de trein nog halen wil, dan zie je al nader komen weer het dienen in ’t verschiet Refrein: en dán voel je pas, hoeveel je op je Urkien achter liet. Maar als wij ’t weer beleven en kerstmis nadert weer, mijn hand erop wil ‘t geven geen dienstje snapt mij meer: want meisjes, ik ga trouwen, Refrein Een huisje met twee kamers Achter ’t Urker prikkeldraad de voeten op de kachel lach ‘k om elk die dienen gaat. Mariap heeft in Scheveningen al verkering met Klaas van Urk, visser en nachtwaker, met wie ze in 1924 zal trouwen. Ze bezoekt hem regelmatig als hij afgemeerd ligt in de haven van Scheveningen. Mariap en Klaas krijgen zeven kinderen, onder wie dorpshistoricus Albert van Urk. Terug op Urk begint Mariap serieus te dichten, niet alleen voor haar plezier maar ook om wat extra te verdienen. In 1932 vergaat namelijk het schip van haar man, waarna hij afhankelijk wordt van de zuinige Zuiderzeesteunwet. De Urker Courant publiceert in 1933 Mariaps grappige gedicht ‘De huisvrouw’. Als in 1935 Mariaps oom Klaas L. Koffeman de Oprechte Urker opricht, wordt Mariap de dichtende medewerker. Zo verschijnt ook haar gedicht over ‘Merijtjen’ die door haar moeder naar de boot wordt gebracht (“droog je tronen, in beet op je tanen, ’t is gien Urker meid, die ’t doar niet rooit.”) en ‘De Urker vrouw – door een Urker man’ (“Zonder haar raad ga ik de haven niet uit”). Voor het Nieuwsblad van Friesland verzorgt ze ‘Briefjes uit Urk’, bestaande uit gedichten en een verhaal over de Ommelebommelestien. Mariap verwerft gedurende de inpoldering landelijke bekendheid als ‘dichteres van de drooglegging’. Ze vormt het aanspreekpunt voor de talloze journalisten en schrijvers die Urk bezoeken en wordt uitgebreid geïnterviewd, gefotografeerd en ook afgebeeld op schilderijen.** Als ‘spreekbuis van een verdwijnende Zuiderzeecul-

tuur’ zal Mariap wel eens het gevoel gehad hebben net als in Scheveningen tussen wal en schip te verkeren. In haar eigen woorden: “Ik heb somtijds een gevoel van … eenzaamheid. Nee, dat niet, dat vooral niet. Daar is Urk veel te gezellig voor. Wél een gevoel van alléén-staan wat dit werk betreft.” Van Mariaps hand verschijnen drie boekjes: Vaarwel mijn Zuiderzee (1947), Urker ambachten en bedrijven (1955), en Urk is zó mooi (1988).

Aaltje Olofsen-Korf (1900-1963) Drie romans schreef ze, dit Urker dienstmeisje. Het werk van Aaltje Olofsen-Korf geeft een uniek inkijkje in het leven op het eiland in het begin van de twintigste eeuw, gezien door de ogen van een opgroeiend meisje. Aaltje Korf is een van de vijf dochters van Jan Korf en Harmpje Snoek. Ze heeft een halfzuster uit het eerste huwelijk van haar vader. Haar moeder runt een winkel met klompen, gezouten bonen en andijvie, zuurkool, melk en petroleum. Ook heeft ze enkele dieren, waaronder koeien en kippen. Aaltjes vader moet op een gegeven moment een operatie ondergaan waarna hij ‘nooit meer goed bij zijn verstand geweest’ is.*** Aaltje werkt als jong meisje als dienstbode en trouwt een politieman uit Amsterdam****. Nadat ze na haar huwelijk naar de hoofdstad verhuist schrijft ze romans. De eerste, Snibbetje, wordt in het jaar dat haar man omkomt in een Duits concentratiekamp, 1944, in Amsterdam uitgegeven. Aaltjes twee andere romans worden na haar dood door Tromp de Vries bewerkt en door de Stichting Urker Uitgaven uitgebracht. Hoewel ‘vrijen met een vreemde’ en ongewenst zwanger worden belangrijk thema’s zijn in Snibbetje, is het dienen met name een thema in Aaltjes laatste romans. In De stem van het hart gaat Marijtje na een onbeantwoorde liefde aan het werk bij een familielid in ‘het veen’, en later in ‘de nette buitenwijken van Den Haag’. Als dienstmeisje worstelt Marijtje met de ‘dwaze dikdoenerij’ van mensen die zich hechten aan ‘overdadige weelde’ terwijl ze hun werkmeisje op rantsoen zetten. Het ontbijt wordt door een kier van de keukendeur naar haar toegeschoven. “Het kan toch niet zo zijn, dat dit haar leven is, dag in dag uit alleen in een halfdonkere keuken te zitten”, overdenkt ze. Net als Snibbetje lijdt Marijtje onder een onmogelijke liefde en trouwt (net als de auteur) met een politieman. Ze krijgt twee kinderen maar blijft ongelukkig en verdrinkt als jonge moeder in de Zuiderzee, terwijl de nieuwe dijk aan de horizon verschijnt.

* Twee brieven van Mariap doken tot onze verrassing op in een verzameling brieven van Dirkje van Urk-Snijder in Museum Het Oude Raadhuis ** Een van onze bronnen is de interessante blog van Mariap’s achterkleinzoon Bas Visscher ‘De Strijd van Mariap van Urk’, https://blog.basvisscher.com/de-strijd-van-mariap-van-urk/ *** Aldus het genologisch overzicht van de familie Korf van de Werkgroep Geneologie **** Hendrik Olofsen was een van de 25 Amsterdamse politiemensen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in de strijd tegen de bezetter zijn omgekomen. Hij overleed in kamp Aurich-Engerhafe op 21 november 1944.

12 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

STICHTING URKER UITGAVEN


door de stad liepen, om geld voor de tram uit te sparen. Alhoewel ze zich dan niet realiseerden, in de woorden van Jannetje Schraal, ‘dat de zolen van m’n schoenen dubbel zo hard sleten’.

Mariaps brief aan haar vriendin Dirkje Snijder.

Mariap van Urk. (Vrienden van Urk)

STICHTING URKER UITGAVEN

Aaltje Korf met vriendin. (G. Wakker)

Hoe werden de meisjes behandeld? Hoe je als dienstmeisje behandeld werd, was sterk afhankelijk van de werkgever. De meisjes waren immers rechteloos; zij vielen onder de ‘maritale’ macht van de ‘huisvader’ van het gezin waar ze werkte. ‘Huiselijke arbeid’ viel bovendien niet onder de arbeidswetten die vanaf 1874 één voor één werden ingevoerd. Sommige meisjes waren onderdeel van het gezin, anderen leefden in de keuken en op hun kamertje, en werden niet geacht zich met de familie in te laten. Uiteraard gaven de Urker meisjes de voorkeur aan het eerste; ze misten hun eigen familie en waren van huis uit niet gewend aan grote standsverschillen.20 Een doorslaggevend verschil was of het meisje meeat met het gezin of alleen in de keuken. Marretje de Jonge verdiende fl 2,50 in ‘een stadje in Noord-Holland’ en ze bracht er veel tijd in de keuken door, met de hond van de familie aan haar zijde. Het was er zó koud dat ze haar voeten in de oven stak om ze om te warmen. Marretjes ‘mevrouw’ vroeg of ze na het eten in de kamer wilde komen voor het bijbellezen, maar daar voelde Marretje niets voor. “Ze wazzen bij een angere kark in ze tilden er ok niet zo zwaor an, al was meneer wel iene van de notalen”, aldus Marretje. In het nieuwe huis van haar diensien zat een luikje in de keuken. Hier werden stukken brood plus de overgebleven kliekjes van de kinderen door naar binnen geschoven. Op een dag vond Marretje de graten van paling op het aanrecht, iets waar ze dol op was maar waar ze niets van had gekregen. Hoewel Marretje in de keuken moet blijven was ze wel goed genoeg om tijdens de oorlog als smokkelaar op te treden, met een kinderwagen waar ‘iets anders’ dan een kind in lag. Bovendien maakte ‘mevrouw’ haar brieven open en las dat er veel ziekte en dood op Urk was. Ze verbood het dienstmeisje om nog brieven te ontvangen, vanwege besmettingsgevaar. “[D]an kunt u mij net zo goed … op straat zetten… daar leef ik voor, voor die brieLucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 13


cobs niet uit in vriendelijkheid ten aanzien van haar personeel. Terwijl andere Urker meisjes vrij kregen om naar de kerk en de catechisatie te gaan was dat er bij Jacobs niet bij. ”Geloven doe je maar in je vrije tijd” placht ze te zeggen… Een enkel meisje kreeg zelfs een andere naam; ‘Inte’ werd bijvoorbeeld door haar ‘mevrouw’ Ietje genoemd, omdat ze de naam Inte te onbekend en lastig vond. Veel meisjes werden in het begin ‘getoetst’. Trien Romkes vond op haar nieuwe werkadres dagelijks een rijksdaalder onder het vloerkleed. Na het geld een paar keer teruggegeven te hebben had ze er genoeg van: “Als ik er nu nog een vind stop ik -em in mijn zak”, liet ze haar werkgever weten. Dienstmeisjes bezoeken een Urker botter in hun werkplek. (Nederlands Openluchtmuseum)

ven”, antwoordde Marretje. Er werd een compromis gesloten: de brieven moesten na het lezen verbrand worden. Het is een wrang voorbeeld van hoe scheef de verhoudingen waren in die tijd: het dienstmeisje mocht zich niet met de zaken van de werkgevende familie inlaten maar andersom wel. Ook de maaltijden zelf waren een belangrijke graadmeter van de behande-

Marij Wezelman en Klaasje Hakvoort bezoeken een park tijdens hun diensttijd in Scheveningen. (Privécollectie)

ling. Mariap krijgt bij haar ‘juffrouw’ in Scheveningen ‘alle dagen vleesch en pudding’ en het ontbijt bestaat uit ‘schrik niet, 4 kadetjes, 2 plakken witte brood, 2 sneetjes roggebrood en 1 krente bolletje voor 4 cent’. Ze is bang op een dag ‘te knappen’. Dat staat in schrille tegenstelling tot het ontbijt van Marijtje uit Aaltjes roman De Stem van het hart, dat uit een kopje slappe thee en drie witte boterhammen bestaat. De meeste meisjes zullen er wat betreft het eten op vooruit gegaan zijn. Als Brechtje Bakker enkele maanden bij een boerengezin werkt en terugkeert ‘wilde niemand geloven dat ik het zelf was, zo dik was ik in die paar maanden geworden’. Het feit dat ‘mevrouw’ zelf geëmancipeerd was, was niet altijd een garantie voor een betere behandeling. Het ‘tweede meisje’ van Aletta Jacobs, de eerste vrouwelijke arts van Nederland, was Lammertje Kramer (1898-1976) . Volgens haar zoon T.C. Wielsma blonk dokter Ja-

Uit de interviews blijkt dat de meisjes zich het meeste thuis voelden bij de orthodoxe Joden. Dit had te maken met wederzijds respect tussen strenggelovige Joden en Protestanten maar ook met de vrijheid die de meisjes in de gezinnen van markthandelaren en diamantslijpers, waarvan de ouders overdag vaak de deur uit waren, en het feit dat de meisjes hier niet zo op hun woorden hoefden te letten. “Het was zo machtig mooi om bij die mensen te dienen. Ze mochten op zaterdag niks doen – ik moest zelfs de lichten aansteken… Op zondag mocht ik geen hand uitsteken. Dan was het voor mij sabbat en dan mocht ik van hen niets doen… De vroomste Joden, dat waren de allerfijnste mensen om bij te dienen”, aldus Marie Koffeman. Wat opvalt in de verhalen is dat de meisjes vaak ‘hun mannetje stonden’. Als Dirkje Romkes bij een arrogante apotheker in Scheveningen terechtkomt leert ze een belangrijke les: “Je mozzen optreen tugen dat volk, angers liepen ze over je ene!” Dirkje was niet de enige die haar werkgever de les weet te leren. Toen Marretje werd uitgescholden omdat ze

Een belangrijke les: ‘Je mozzen optreen tugen dat volk, angers liepen ze over je ene.’

14 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

STICHTING URKER UITGAVEN


op zondag laat thuiskwam, pakte ze haar boeltje en sprak de historische woorden: “Is dit mijn dank voor twee jaar trouwe dienst?” Wat hierbij geholpen heeft waren de losse maatschappelijke verhoudingen binnen de Urker samenleving, met haar basis in de maatschapsvisserij21. De meisjes werden niet grootgebracht met een verlammend opkijken naar ‘notabelen’. Ze zullen elkaar gestimuleerd hebben om te protesteren: “Zeg ze waor et op stot”. Veranderden ze vaak van werkadres? “In de eerste brieven had ze het altijd over ‘de lieve mevrouw’ en ‘ze zijn hier zo goed voor me’. Na een paar maanden veranderde de toon, dan had ze het over ‘dat kreng’. En dan wisten we: binnenkort zoekt ze weer een nieuw diensien.” – Pietertje Romkes over haar zus Tiemetje Sociograaf Plomp noemde de Urker meisjes al ‘het meest beweeglijke element’22. Dat waren ze zeker, want ze verlieten niet alleen in grote getale het eiland, maar wisselden ook regelmatig van adres. Dit zien we al in de lijst van ruim duizend dienstmeisje die als onderdeel van dit onderzoek is opgesteld; een toekomstige, completere lijst zal dit nog meer zichtbaar maken. De verhuizingen hadden deels met seizoenswerk te maken: in de tehuizen in Egmond en Bergen kon men in de zomer goed verdienen. Het feit dat eind twintigste eeuw Amsterdam een populaire bestemming werd speelt ook een rol, alsook ontwikkelingen in de visserij, waardoor bepaalde havens aantrekkelijk werden om Urker vissers te kunnen ontmoeten. Aaltje Kramer (1884-1908) bijvoorbeeld begon als 16-jarige in Amsterdam en wisselde daar drie keer van werkgever. Als 17-jarige verhuisde ze naar West-Friesland en diende achtereenvolgens in Sijbekarspel, Twisk, Hensbroek en Andijk. Als 23-jarige emigreerde ze naar Amerika. Aaltje verhuisde wel erg vaak; meer typerend is de loopvaan van Pietertje de Groot (1898-1987). Zij begon in West-Friesland (Andijk), verhuisde negen jaar later naar Amsterdam, waar ze op drie verschillende plekken werkte, en diende tussendoor in de kindertehuizen aan de Noordzeekust.

STICHTING URKER UITGAVEN

Meisjes met paard en wagen in 1915 op weg naar de haven van Enkhuizen, waar de boot naar Urk lag afgemeerd. (Weekblad Buiten)

Werden de meisjes lastiggevallen? Dienstboden waren min of meer wetteloos; dit werkte uitbuiting en misbruik in de hand. De Zeeuwse dienstbode Neeltje Lokerse wist hier alles van: een van haar Haagse werkgevers, S.J. Burghout, verwekte een kind bij haar, dat in 1901 geboren werd. Hij wilde dit kind echter niet erkennen, laat staan met haar trouwen. Onderzoek naar vaderschap was in die tijd verboden. Neeltje was zo verontwaardigd dat ze op Burghouts werkplek een revolver afschoot. Niet om haar werkgever te doden, maar om aandacht te vestigen op de positie van vele dienstbodes. Die aandacht kwam er. Lokerse werd gearresteerd, kreeg een rechtszaak en haalde daarmee de landelijke pers.

Ze werd vrijgesproken en eenmaal vrij schreef ze boek en hield ze lezingen. Haar verzet leidde in 1909 tot de wet Loeff, die onderzoek naar het vaderschap toestond. In de tweede helft van de negentiende nam het aantal onwettige kinderen onevenredig toe (in Europa varieerde het van 5-10%). Dit speelde vooral in gebieden waar de economische verschillen groot waren, met losse arbeidsverbanden, zoals Noord-Holland. Hier waren de kansen op een huwelijk voor iemand uit een lagere klasse klein, waardoor het kind uit de relatie onwettig werd.23 Ook van Urker dienstmeisjes is bekend dat zij met verliefde of grijpgrage werkgevers te maken kregen. Een oppervlak-

Dienstmeisjes tijdens een uitje naar het Noordzeestrand. (Gerrit Wakker)

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 15


kige kijk in de Urker stambomen levert een tiental dienstmeisjes met kinderen ‘van onbekende man’ op. Ook als het ’liefdeskinderen’ waren gaat het om schrijnende verhalen, omdat de vrijer zijn kind niet erkende. De vrouwen trouwden later met een Urker of ‘vreemde’. In de meeste gevallen werden de kinderen niet door de latere echtgenoot erkend, behielden hun moeders achternaam en groeiden op bij familieleden. In de Amsterdamse Courant van 31 mei 1866 vinden we het volgende bericht: “Op 5 junij e.k. zal voor het provinciaal geregtshof in Noord-Holland te regt staan M[arrijtje] W[akker], oud 20 jaren, geboren te Urk en wonende te Hoorn, dienstbode, ter zake van poging tot kindermoord, voor de eerste maal door de ongehuwde moeder gepleegd. Uit de akte van beschuldiging blijkt dat een pasgeboren levend kind in een sekreet is gevonden met het hoofd beneden liggende, hetwelk als het niet door tijdige hulp daaruit was gehaald, door gebrek, koude en niet aanwenden van voorzorgen, zeer zeker den dood zou gevonden hebben. De beschuldigde, die dienstbode was in huis waar het kind gevonden is, heeft bekend te zijn bevallen, maar op de plaats zelve waar men het kind gevonden heeft. De onjuistheid dier bewering schijnt uit een door deskundigen opgemaakt visum repertum te blijken. Hoe het meisje tot haar daad is gekomen, hebben wij niet kunnen vinden maar het ligt voor de hand dat ze toen ze in verwachting raakte, doodsbang is geweest om het te vertellen, omdat ze wellicht de vader niet kende. En we kunnen er vanuit gaan, dat dat iets dergelijks haar wel tot haar wanhoopsdaad heeft gedreven.”24 Overigens overleefde de baby, Eiltje, de ‘wanhoopsdaad’, en werd gedoopt in het huis van bewaring van Hoorn. Marrijtje keerde na haar gevangenisstraf terug naar Urk, waar ze op 31-jarige leeftijd met een twintig jaar oudere weduwnaar trouwde, met wie ze nog twee kinderen kreeg. De journalist suggereert dat Marrijtje de vader niet kende. Het ligt echter voor de hand dat ze dat wel degelijk wist en dat de vader het kind niet wilde erkennen. Over de vader wordt in de processtukken niet gesproken. Ook Marretje de Boer (1858-?) raakte als

Jannetje Kramer werkte in een chique huis in Nijmegen. (Privécollectie)

dienstmeisje in Hoorn zwanger van de zoon van haar werkgever. Hij werd naar Nederlands-Indië gestuurd, zij bracht het kind in Hoorn ter wereld. Vervolgens nam ze de boot naar Urk en liet het meisje, Maria, achter bij haar bessien. Waarschijnlijk schaamde ze zich, want ze liet zich daarna niet meer zien op het eiland. Pas toen Maria wilde trouwen werd haar moeder gevonden, inmiddels getrouwd.25 De ongewenste avances en valse beloften moeten deze meisjes veel verdriet hebben berokkend. Ze hadden slechts één wapen: ze konden hun boeltje pakken en een andere werkplek zoeken. Dat gebeurde regelmatig. Toch was ook dat een ingrijpende beslissing. De meisjes waren jong en zullen zich kwetsbaar hebben gevoeld. Het kon zo een paar weken of maanden duren voordat ze een betere plek hadden gevonden. Misschien was dit mede een reden waarom de meerderheid een Urker vrijer verkoos? Ook op Urk werd seks voor het huwelijk afgekeurd, maar er was altijd nog ‘huwe-

16 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

lijk op doktersrecept’. Overigens zijn ook voorbeelden bekend voor ‘voorkinderen’ verwekt door Urker vrijers die weigerden hun kind te erkennen.26 Ook dit waren pijnlijke situaties, waarin het meisje aan reputatieverlies leed en de ‘voorkinderen’ werden gestigmatiseerd. 27 De positie van dienstmeisjes verbeterde enigszins met de komst van de Wet-Loeff en de introductie van anticonceptiemiddelen.28 Wat deden de meisjes in hun vrije tijd? Hoewel de meisjes hard moesten werken hadden ze ook vrije tijd, sowieso op zondag, en ook ’s avonds en op zaterdagmiddag. De meesten kwamen hierdoor voor het eerst in aanraking met het idee ‘vrije tijd’; thuis moesten ze ook in het weekend meehelpen in de huishouding, op broertjes en zusjes passen, garnalenpellen, breien, et cetera. Hoe vulden ze hun vrije tijd in? De doordeweekse avonden werden besteed aan verstelwerk, meisjesvereniging en/of brieven schrijven. Volgens Dirkje Rom-

STICHTING URKER UITGAVEN


'Belijdenisfoto' van Jenne Hakvoort, dienstmeisje in Den Haag. (Vrienden van Urk)

Aafjen Jansdr. Kramer (1874-1948) kleedde zich modieus als dienstmeisje in Amsterdam en West-Friesland. (Privécollectie)

Aaltje Kramer, dienstmeisje in Baarn. (Privécollectie)

kes wisten de meisjes die niet van lezen hielden zich soms geen raad met hun vrije tijd. Zelf leende ze ‘prachtige boeken’ in de bibliotheek. In het weekend zochten ze vaak de ‘Urker enclave’ op. De meisjes gingen samen uit, bezochten de kerk en speurden naar Urker botters om ‘volk van eagen laand’ te ontmoeten. Het schrijven van brieven nam een belangrijke plaats in het leven van de dienstmeisjes. Dirkje: “[O]p zondagavond schreef je brieven. Een aan je ouders en een aan je vrijer. In de week kreeg je dan ook weer twee brieven, van je ouders en je vrijer. Ik kreeg ook elke week Het Urkerland toegestuurd. Je bleef dus evengoed een beetje op de hoogte wat er zoal gebeurde.” Bij de keuze van het ‘diensien’ speelde de nabijheid van andere Urkers en een haven een rol. Dirkje Korf-Romkes werkte bij kunstschilder Oscar Leyden in Wassenaar, maar vond het maar ‘een dode negorij’. Het hoogtepunt was als ze ’s zondags met twee vriendinnen naar de kerk ging en dan door de haven van Scheveningen. “Daar lagen altijd wel een paar Urker botters. Daar dronken we dan koffie en kregen we roggebrood met gebakken vis.” Ook werd er gezongen: “’s Avonds gingen we moe van het zingen met de tram naar huis.” Muziek maken speelde een belangrijke rol. Als de meisjes elkaar ontmoeten, werd er gezongen. In Den Haag pakten de meisjes de tram, ‘als een koppel gaan-

zen’, muziek makend met behulp van een vloeitje over een kam. Waar mogelijk bezochten de meisjes op zondagavond het Leger des Heils, om heilliederen te zingen. Marretje noteerde dat dit ‘een versterking van je gemoed’ was. “Als je door de week in de keuken zat dan zong het nog in je na.” Een favoriet lied onder Urker dienstmeisjes was ‘Ginds in een Steeg vol Ellende en Nood’, een lied dat weinig meisjes met droge ogen kunnen uitzingen. Ook bezochten de dienstmeisjes fotostudio’s om alleen of samen op de foto te gaan. Hierdoor is een unieke verzameling

van studioportretten van de dienstmeisjes bewaard gebleven. De meisjes lieten zich vaak vlak na aankomst fotograferen, wat onwennig in een bij elkaar geraapt Urker setje. Bij het belijdenis doen werd opnieuw een fotostudio opgezocht; dit keer liep het meisje in zondagse dracht, met wollen handwarmers en een wit kanten doekje over de kraplap. Ook lieten ze zich fotograferen met hun ‘vrijer’, zus of vriendinnen. De foto’s tonen de ontwikkeling van de dienstmeisjes van onwennige ‘dorpsmeisjes’ in zelfbewuste, wereldwijze vrouwen. Het samenzijn met andere Urkers werd

STICHTING URKER UITGAVEN

Tiemetje Romkes poseert in Urker en Scheveningse dracht in een studio in Scheveningen.

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 17


zo lang mogelijk gerekt. Verschillende meisjes vertellen dat ze pas in de nacht terugkwamen op hun werkadres. Marie Koffeman: “Ja, dan moet je wel rekenen dat we als jonge meisjes midden in de nacht door Amsterdam kuierden. Ik zou het nu voor geen miljoen gulden meer durven.” Uit de interviews blijkt dat de meisjes elkaar een hart onder de riem staken. Marretje trooste een jonger meisje dat terug wil naar Urk. Ze gaf haar vriendin een kopje koffie, vroeg haar om een liedje te zingen, en beloofde haar het stadje [Edam] te laten zien. “Om zo ging dat doar. Dan d’rs eutgezakt in dan wie es eutgedost kropten we ’t toch wel wier mit ‘nkanger in telden de dagen of.” De vriendschappen die tijdens het dienen tot stand komen bleken vaak vriendschappen voor het leven. Hoe vervulden de meisjes hun ‘godsdienstige plichten’? “Die zuundag mos ik drùkkies Oalen in een winkel. Ik zeg: ’t Is zondag, ik doe het niet. Maar of ik oge of leage sprong, ik mos et doen.” 29– Marretje de Jong Urker meisjes beschouwden bidden voor het eten en kerkbezoek als essentiële uitingen van hun geloof. Mocht dat niet, of werd er gevloekt of gewerkt op zondag, dan waren ze doorgaans snel vertrokken. Het zal niet altijd meegevallen zijn om op hun principiële strepen te staan. Marretje beschrijft hoe als ze dropjes op zondag heeft gekocht de familie reageert ‘of ze een overwinning op de Fransen hadden behaald’. Jannetje van Urk was dertien toen ze in het gezin van een Joodse marktkoopman terecht kwam. Er werd gevloekt en ze moest op zondag brood halen; ze vertrok twee maanden later. Toen Marretje gedwongen werd op zondag met de koets naar de kerk te gaan en werd uitgescholden omdat ze te laat thuis kwam, pakte ze haar boeltje en vertrok. Een anoniem dienstmeisje die op zondag geen schoenen wilde poetsen kreeg te horen dat ze niet bij moeder thuis was en zich naar de regels van het huis moest schikken. Toch bleef ze omdat het gezin toch wel rekening hield met haar ‘godsdienstige gevoelens’.30 Door het tekort aan dienstboden zullen werkgevers geneigd zijn geweest in

Urker meisjes op de meisjesvereniging van Krommenie. (Vrienden van Urk)

te stemmen met de voorwaarden van de Urker meisjes: tijd voor catechisatie, meisjesvereniging en kerkgang en twee maal per jaar tien dagen naar Urk. Wat bijzonder is dat de jonge meisjes zelfstandig lid van de kerken waren in de plek waar ze woonden. Ze regelden zelf het lidmaatschap van de meisjesvereniging, de ‘lidlare’ of catechisatie en het belijdenis doen, zonder de steun en aanwezigheid van de familie. De meisjesvereniging was een unieke kans om niet-Urker leeftijdsgenoten te leren kennen. In groepsfoto’s van de verenigingen zien we één of twee meisjes in Urker dracht ontspannen tussen de ‘burgermeisjes’ zitten. Mariap van Urk ging ’s zondagavonds naar de meisjesvereniging in Scheveningen: “[We] zitten … soms met 18 of 20 Urker meiden, dat is erg gezellig. We lezen in den bijbel, zingen, en af en toe wordt er voorgelezen of voorgedragen, en wij krijgen allemaal een kopje thee met koekjes, beter kunnen wij het niet begeren.” Volgens Mariap kennen alle meisjes haar al, en noemen haar bij haar naam. Als ze haar vriend Klaas meeneemt vinden de ‘vreemde meisjes’ zijn wijde broek ‘erg grappig’. De meisjes deden vaak niet moeilijk over de keuze voor de kerk: hervormd of gereformeerd maakte hen weinig uit, zolang er maar een ‘goede’, lees niet vrijzinnige, en sympathieke dominee op de kansel stond en er andere Urker meisjes te vinden waren. Oale van Veen deed belijdenis bij de ge-

18 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

reformeerde predikant Taeke Ferwarda in Amsterdam. Ze had het helemaal zelf geregeld. Haar moeder was voor de gelegenheid overgekomen. “’t Ging … net als op Urk. Een wit doekien omme, wintjes an in een borstrok. Zeventien was ik toen. Je was toen eerder volwassen dan nu.” Verschillende meisjes lieten zich voor of na hun belijdenis in een studio fotograferen in speciale dracht (met wollen handwarmers en een wit doekje), soms met een bijbel in de hand. Hoe zag het verlof eruit? Tweemaal per jaar, met Kerst en Pinksteren, gingen de meisjes naar Urk. Van heinde en ver reisden ze naar Enkhuizen of Kampen, om daar met de boot naar hun eiland af te reizen. Soms reisden ze samen met hun mannelijke leeftijdsgenoten die op de botter of logger voeren. “Je wist precies wie er op welk station instapte”, vertelt Dirkje Romkes. Op het laatst bedroeg de Urker ‘kolonie’ ettelijke treincoupes. Dan werd er gezongen en gelachen en ervaringen uitgewisseld.” Als ‘s winters de Zuiderzee dicht vroor bewogen de meisjes soms hemel en aarde om toch naar Urk te reizen. Als de boot vast lag in Enkhuizen reisden ze naar Kampen om van daaruit de oversteek te wagen. Een groepje meisjes in Amsterdam bezocht zelfs het KLM kantoor om een vliegtuig te huren, maar schrokken van de prijs. Toen in de winter van 1921 De Geusau de oversteek vanuit Enkhuizen aandurfde, strandde het schip in het ijs. De dienstmeisjes brachten gedwon-

STICHTING URKER UITGAVEN


gen de kerstnacht aan boord door en bereikten op Eerste Kerstdag het eiland.31 Bij aankomst op Urk was de hele bevolking uitgelopen om de ‘verloren dochters en zoons’ te ontvangen. “De boot lag dan helemaal scheef want iedereen stond aan één kant. Dat daar nooit ongelukken gebeurd zijn is me nog een wonder.” Volgens Marretje de Jonge werden de meisjes afgehaald ‘alsof ze een Oost-Indische reis hadden gemaakt’: “Dan konnen we pronken mit een mooi krepleppien, een nije boezel in skoenen mit oog’ ekkies.”32 Met Pinksteren was het dorp aan kant gemaakt en de huisjes zoveel mogelijk opgeknapt. In de gezinnen was iedereen benieuwd wat de meisjes hadden meegenomen. Vaak (afgedankt) speelgoed voor de kinderen en wat lekkers voor de ouders. Op deze manier is ook de hullenplooier, een machine die het plooien van hulletjes gemakkelijk maakte, vanuit Noord-Holland op Urk terecht gekomen. Tijdens het verlof veranderde Urk in een huwelijksbazaar, want het was de gewoonte om in die periode op zoek te gaan naar een vrijer. “Je had maar twee keer tien dagen om verkering te krijgen. Verder schreef je elkaar brieven,” vertolkt Dirkje Romkes. De jongens zwermden ‘as moggen roend de sjuurp’ om de dienstmeisjes. En vaak niet zonder succes. Femmetje Visser deed tijdens het Pinksterverlof een rondje met Toon Meun door de Torenstraat en ‘de verkering was een feit’. Soms werd de verkering meteen bekrachtigd met een ring die bij Van Kalken in Enkhuizen werd gekocht. Overigens waren niet alle verlofervaringen positief. Femmetje Visser moest er erg aan wennen dat ze zich ineens weer onder het ouderlijke gezag bevond: “Als je thuis was had je niets te vertellen. Je werd geleefd. Zelfs een paar schoenen kopen werd je niet toevertrouwd.” Tien dagen later moest er weer afscheid worden genomen. Het was dan erg stil op de boot en in de trein. “Heb je al verkering?” vroegen de meisjes aan elkaar, maar daar bleef het bij. “Bij de trein vul et ofskeid zwaor in de lippe ong op de kraplappe. Je mozzen wier teren op een briefien of een kaortjen.” Bij het ‘diensien’ werden de meisjes met open armen ontvangen. ‘De borden op ’t aanrecht stingen tot an de zolder op je te wachten’. De meisjes waren de eerste dagen niet te genieten,

STICHTING URKER UITGAVEN

Drukte op de haven van Urk in 1929 bij de aankomst van de boot. (Vrienden van Urk)

aldus Marretje: “[Z]e mozzen oens … dan wel mit rust loaten.” Na het beuren van het eerste loon begon het aftellen tot het volgende verlof weer. Het contact met collega’s hield de dienstmeisjes op de been tot het volgende verlof, volgens Oale van Veen: ”Anders was het niet meegevallen, hoor.” Het viel nog niet mee voor de meisjes om contact met hun nieuwbakken vriend te houden. Als ze gelukkig hadden woonden ze in de buurt van een haven waar hij regelmatig afmeerde. Daarnaast waren brieven de enige manier om contact te houden. De meisjes konden hun brieven

Urker dienstmeisje buiten aan het werk.

soms richten aan de Zeemanshuizen, die in de havens van IJmuiden en Vlaardingen te vinden waren. “[E]erlijkheid gebiedt te zeggen dat je toch wel een beetje vreemd voor elkaar bleef,” bekent Dirkje. Als de verkering aan bleef en de stelletjes trouwen enkele jaren later, moesten ze elkaar in feite nog leren kennen. Dit kon leiden tot problemen, vooral als de meisjes trouwden om met het dienen te kunnen stoppen. “Van twee kanten weet ik dat ze toen maar getrouwd zijn om in elk geval van het dienen af te zijn. Dan is het natuurlijk niet zo verwonderlijk als zich in zo’n huwelijk veel spanningen en moeilijkheden voordoen”, concludeert Dirkje Romkes. Trouwden alle meisjes met een Urker visserman? “Ze ontmoette in Scheveningen haar toekomstige man, de Zeeuw Joos Johannes de Ridder. Inkien verruilde de Urker klederdracht voor burgerkleding en trouwde met hem op 3 juli 1935 in Scheveningen. Haar ouders waren er niet bij aanwezig, want Joost was een ‘vreemde’.” – Uit het in memoriam van Hendrikje Nentjes (Inkien) Veel ouders raadden hun dochter af om te ‘vrijen met vreemden’. Er is wel gesuggereerd dat vrijwel geen dienstmeisjes trouwden met een niet-Urker. De kerstbijlage van Het Urkerland van 1981 stelt dat ‘vreemden angstvallig op afstand [werden] gehouden’ en citeert een anoniem meisje: “Je moet wel goed begrijpen dat we vol waarschuwingen naar de stad werden gestuurd. Een van de waarschuwingen was: geen verkering met

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 19


Urker dienstmeisjes op weg naar Urk in 1915. Hier schepen ze zich in op de boot in Enkhuizen. (Weekblad Buiten)

vreemde jongens want je weet het nooit met dat volk. Dat was ons gewoon zo ingepeperd dat we d’r niet over piekerden om met een Amsterdamse jongen op stap te gaan.” Toch blijkt deze veronderstelling niet te kloppen. Onderzoeker Plomp concludeerde in 1940 dat 55 procent van vrouwelijke emigranten buiten Urk trouwde.33 Uit de stamboom van de Urker familie De Vries blijkt dat van de 24 meisjes die tussen 1862 en 1927 dienden, niet minder dan 12 buiten Urk trouwden. Twee meisjes bleven ongetrouwd. Dit betekent dat bijna de helft de voorkeur gaf aan een ‘vreemde vrijer’. Van de 18 dienstmeisjes uit de Urker familie Koffeman trouwden vijf met niet-Urkers en een bleef ongetrouwd. In de familie Baarssen is de verhouding 21:5. Het werkelijke percentage Urker dienstmeisjes met een niet-Urker echtgenoot zal rond de 35% hebben gelegen. Wat opvalt is dat de meisjes ‘an de walle’ met name met timmermannen en ‘veldarbeiders’ trouwden. Enkele meisjes zijn later gescheiden; een uitzondering in die tijd, en iets wat in hun geboortedorp niet werd geaccepteerd. Wat opvalt is dat ook de huwelijken met een ‘vreemde’ doorgaans op Urk worden voltrokken. Het was rond de eeuwwisseling de gewoonte dat het huwelijk in de woonplaats van de bruid plaatsvond. De meeste families accepteerden het feit dat hun dochter of zus met een niet-Urker trouwde. Dit zal mede te danken zijn geweest aan het feit dat de moeders zelf

ook dienstmeisje waren geweest. Het meest bijzondere huwelijk is dat van Tiemetje Romkes met de Utrechtenaar Bertus Jerusalem in 1946. Het huwelijk vindt plaats in het huis van haar werkgever, de familie Schaap van de bekende Utrechtse juwelierswinkel, na de oorlog teruggekeerd van een onderduikadres. De familie regelt alles, inclusief Tiemetje’s jurk en Bertus’ jacket, het menu en de ontvangst van een ‘bootvol’ Urker familieleden. Tiemetje blijft na haar trouwen bij de familie werken en zal tot haar dood toe contact houden met de drie dochters. Hoewel het sommige meisjes moet hebben aangetrokken om aan de vaste wal te wonen met betere voorzieningen, hadden Urker jongens een zeker voor-

20 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

deel: ze waren vaak lange periodes van huis. De meisjes leerden zelfstandig op te treden en zagen uit naar het besturen van hun eigen huishouden, zonder op de vingers te worden gekeken. Aaltje Korf laat haar romankarakter Snibbetje het volgende zeggen: “Als ze [een Urker visserman] trouwde hoefde ze aan al die deftigheid niet mee te doen. Hier had je elke dag zo’n man om je benen. Die zag alles en bemoeide [zich] overal mee.” Ten minste twee derde van de meisjes nam bij het trouwen met een Urker visser het alleen-zijn op de koop toe. Hoe keek de Urker samenleving tegen de dienstmeisjes aan? De Urker samenleving voelde zich nauw betrokken bij het lot van de dienstmeis-

STICHTING URKER UITGAVEN


jes. De Urker Courant vertolkte de zorgen over het geestelijk welzijn van de dienstmeisjes. Bleven zij wel trouw aan hun geloof? Die bezorgdheid werd te pas en te onpas geuit, iets wat niet door alle meisjes op prijs werd gesteld. Veel dienstmeisjes waren geabonneerd op De Urker Courant. De abonnementen en de talloze advertenties (‘Dienstbode gezocht’) vormden een belangrijke inkomstenbron voor de krant. De Urker Courant publiceerde ‘Brieven aan dienstmeisjes’ en riep de meisjes regelmatig op de krant financieel te ondersteunen. Ook klaagde de redacteur als de giften tegenvielen. Om die reden zullen veel dienstmeisjes opgelucht zijn geweest toen in 1935 de Oprechte Urker werd opgericht, vol ‘leuke nieuwtjes’, zonder het bevoogdende toontje. Het begon zo mooi in 1912, het jaar waarin De Urker Courant werd opgericht. De ‘Urker meisjes uit Haarlem’ stuurden de redactie een enthousiast gedicht: “Wij dachten, dat het niet zou gelukken, om van en over Urk een krant te drukken. Maar die gedachte die verdween, toen zij op 6 jan. 1912 verscheen.” De ‘dienstmeisjes te Andijk’ reageren op een brief van de ‘meisjes uit Scheveningen’: “Wij hopen, oprichters van De Urker Courant, dat de Heere u lust, kracht en bekwaamheid zal schenken, om met dit werk voort te gaan.” Een dienstmeisje dat zich achter de naam ‘Urka’ verschuilt schreef: “Onze Urker Courant geeft je zo’n aangenaam gevoel. Als hoogmoed niet zo’n ongewild woord was, zou ik het hoogmoed noemen, want werkelijk, zoiets voelde ik bij me opkomen…” De Urker Courant begint al snel met het plaatsen van ‘Open Brieven aan Urker Dienstmeisjes’ van ‘Piet’. Zijn doel is ‘opwekken tot het goede en het verkeerde tegengaan’. Hij steekt zijn 25034 ‘Geachte vriendinnen’ in eerste instantie een hart onder de riem. Als ze na Pinksteren afscheid hebben genomen en weer alleen op hun werkplek zijn aangekomen zijn, schrijft Piet: “Ik hoop dat ge U niet al te neerslachtig gevoeld, de weg voor U is zoo en niet anders, komen en gaan, zoo gaat het steeds op aarde.” Maar snel verandert Piets toon. Hij maakt zich ernstig zorgen over meisjes die niet naar de kerk (kunnen) gaan, zonder ‘be-

STICHTING URKER UITGAVEN

hoorlijk voedsel voor het leven der ziel’ en wier doop niet in ere wordt gehouden. “Gij hebt van nature een boos hart, gij zijt nog zoo jong, de verleiding om u heen is vaak groot”, schrijft Piet. In juli heeft hij van de meisjes uit Krabbendam gehoord dat ze twee keer naar de kerk gaan, alsook naar de catechisatie en meisjesvereniging. “Als dat van alle dienstmeisjes gezegd kon worden, dan zou P. zich nog veel meer verblijden.” In 1920 doet een zekere ‘Z’ zijn intrede. Hij zal Piet vervangen. ‘Z’ lijkt een eigen agenda te hebben want hij roept de meisjes regelmatig op De Urker Courant in leven te houden en zamelt geld in voor een steen op het graf van zijn geliefde dominee Gilpsen. Z’s brieven bestaan uit

Bijbelstudies en waarschuwingen tegen het ‘hellend vlak’, beginnend bij dansen en kermis- en bioscoopbezoek. Z. begint gefrustreerd te worden: ‘Of ge met die briefjes accoord gaat weet ik niet, daar ik nooit eenig taal of teken van u verneem.’ Hij noemt een concreet voorbeeld van ongepast gedrag; Urker meisjes zouden op 6 nov in de Jodenbreestraat [in Amsterdam] ‘luidruchtig hossende’ met ‘vier zoogenaamde Heren’ zijn aangetroffen. Eind december 1920 neemt W. enigszins verbitterd afscheid en laat weten wie hij is: Willem de Vries, broer van eindredacteur Cornelis de Vries. In 1924 maakt een aantal inzenders zich zorgen over het feit dat Urker meisjes bij ‘ongelovige Joden’ werken. Iemand

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 21


schrijft als ‘Jannetje’ in een brief aan haar moeder dat er bij haar Joodse familie niet wordt ‘gebeden of gedankt en Gods woord niet gebruikt’. De ouders lachen als zij voor het eten bidt en de kinderen vloeken. Jannetje kan er ’s nachts nauwelijks van slapen. Haar moeder verbood haar om een christendienst aan te nemen, omdat ze daar minder verdiende. Het is een wat vreemde brief, die door de dienstmeisjes, die doorgaans juist zo graag bij Joodse families werkten35, niet gewaardeerd zal zijn. De inhoud van De Urker Courant werd bepaald door Urkers die ‘an de walle’ woonden; bij de Oprechte Urker was dit niet het geval. De Urker Courant zag de positie van de dienstmeisjes duidelijk somberder in en miste wellicht ook voeling met de Urker gemeenschap, die een positiever en meer realistisch beeld van het welzijn van de meisjes had. Ook vanuit de kerken was er zorg over de meisjes. In het archief van de Gereformeerde Kerk te Urk is een noodkreet van een gereformeerde predikant uit Amsterdam uit 1923 te vinden die Urker meisjes op catechisatie heeft. De meisjes ‘springen volledig uit de band’ en ‘vallen in handen van de Joden’.36 Het is niet duidelijk hoe de kerkenraad reageerde maar wellicht had de Amsterdamse predikant een eigen agenda, zoals zendeling ds.

Een noodkreet: ‘De meisjes springen volledig uit de band en vallen in handen van de Joden.’ W.J.J. Velders die Urker meisjes wilde inzetten om Joden te bekeren.37 Dit soort incidenten werd doorgaans snel rechtgezet, door de meisjes zelf of door omstanders die de meisjes juist bewonderden.38 Binnen de Urker bevolking leefde de nodige zorg over het geestelijk welzijn van de meisjes in de ‘goddeloze’ omgeving maar leefde ook de overtuiging dat de meisjes het er goed van afbrachten. Dat blijkt ook uit een citaat van Evert de Boer, die tijdens Amsterdams 700-jarig bestaan in 1976 een bezoek van zestig voormalige dienstmeisjes aan de hoofdstad coördineerde. Volgens hem is de christelijke identiteit van Urk met name aan de dienstmeisjes te danken. “Je moet goed begrijpen dat de meisjes achter Enkhuizen in het goddeloze boerenland terecht kwamen of in de stad met al zijn verleidingen, midden tussen de Joden. En dan blijkt dat er geen principiëler dames zijn dan de Urker dames. Schaamden zich niet om ‘mevrouw’ goed te waarheid te

zeggen als deze vloekte. Ze namen geen blad voor de mond.” Hoe keek men buiten Urk tegen de meisjes aan? “Ja, je werd helemaal geaccepteerd in Amsterdam. Last, dat je werd nageschreeuwd of zo, nee, dat had je niet. Omdat er zoveel dienden in Amsterdam toen, wel 88.” – Oale van Veen Dankzij de auteur ‘WFG’ weten we hoe sommigen tegen de meisjes aankeken als ze op zaterdag in de Jodenbuurt een ommetje maakten. “Daar slenteren ze in de zonneschijn en stof, temidden van de Sabbath-vierende Israëlieten. Ze babbelen met elkaar en trekken aan iedere hand een kind voort of dragen er een in de armen. Hun kleding trekt de aandacht niet meer; men is er aan gewoon. Maar toch is het vreemd, die gekleurde borstlappen en witte mutsjes, blote armen en korte rokken, hier onder de stadse wandelaar in stijve feestkleding…

Urker meisje temidden van andere dienstmeisjes aan het werk in het kinderkoloniehuis te Egmond.

22 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

STICHTING URKER UITGAVEN


Het oog volgt ze, maar men voelt toch: dat hoort hier niet thuis… men beseft in hen een gemis dat ze niet uiten. Zo is er voor mij iets weemoedigs in die Urker figuurtjes.”39 WFG bezoekt Urk in 1901 en betreurt de veranderingen op het eiland. De oorzaak ligt volgens hem bij de dienstmeisjes. Hoewel ze na het dienen terugkeren ‘maar natuurlijk zijn ze … zeer veranderd: ze hebben veel gehoord en gezien; ze zijn gewoon geworden aan te voren ongekende gemakken en genoegens; veel goeds en misschien ook wel veel kwaads leerden ze kennen, dat op ’t eiland nog niet binnengedrongen was…Ze zijn niet meer wat hun moeders…zijn gebleven.” WFG is duidelijk beïnvloed door de stroming die geloofde dat op het ‘geïsoleerde’ Urk de meest authentieke vorm van de Nederlandse cultuur bewaard was gebleven. Hij realiseert zich niet dat ook de generatie van de moeders en oma’s van de meisjes dienden en dat migratie en ‘verre’ visserij ook Urk meenam in de vaart der volkeren. Wanneer en waarom kwam er een einde aan het dienen? Na 1935 schreven steeds minder Urker meisjes zich als dienstbode in. Dit had te maken met verschillende push en pull factoren: de meisjes kregen concurrentie van buitenlandse dienstbodes, met name uit Duitsland, die voor minder geld aan de slag wilden.40 Bovendien waren op het eiland de verwachtingen hooggespannen: er zou na de inpoldering meer ruimte en werkgelegenheid op het nieuwe land beschikbaar komen. In de jaren 30 werd Urk bevolkt door medewerkers van de Zuiderzeewerken. Hierdoor nam de werkgelegenheid voor meisjes toe, zowel als hulp in de gezinnen maar ook in winkels. Nadat het droogvallen en in cultuur brengen van de Noordoostpolder gaan Urker meisjes bij boerengezinnen en in winkels en kantoren in Emmeloord aan de slag. Zij zijn de nieuwe generatie dienstmeisjes. Een boerendochter merkte onlangs op: “Wij hadden net als andere boerengezinnen ook een Alie uit Urk.” Het ‘Wonder van Urk’ van de jaren 60 en 70 leidde tot snel toenemende welvaart en arbeidsmogelijkheden. Meisjes

STICHTING URKER UITGAVEN

Dienstmeisjes in de literatuur Er is in de literatuur slechts mondjesmaat aandacht geweest voor de geschiedenis van Urker dienstmeisjes. Cornelis de Vries (1962) heeft in De geschiedenis van het Eiland Urk, het eerste standaardwerk over de geschiedenis van Urk, nauwelijks aandacht voor het dienen. Plomp (1940) plaatst in zijn Sociografie van een Eilandbevolking een opmerking over de opmerkelijk bewegelijke migratie van Urker vrouwen, en verbindt dit aan dienstmeisjes, met name in Noord-Holland. Geurts (2005) citeert Plomp in zijn standaardwerk over de geschiedenis van Urk. Hij stelt dat Urker meisjes op hun 12e of 13e aan de wal gingen dienen om de karige gezinsinkomens aan te vullen. Eerst waren meisjes vooral actief op het platteland van Noord-Holland. Vanaf 1900 vond de trek naar grotere steden als Haarlem, Amsterdam en Den Haag plaats. Uit ons onderzoek blijkt dat dit voor Amsterdam al eerder het geval was. Na de Eerste Wereldoorlog dienden volgens Geurts (2005) veel Urker meisjes in het milieu van Amsterdamse marktkooplieden en diamantslijpers. In deze ‘minder nette’ diensten behoefden de Urker meisjes minder op hun woorden te letten. Geurts citeert (in navolging van Plomp 1940) de Urker Courant uit 1924, waarin bezorgdheid werd uitgesproken over dienstbodes die ‘in de achterbuurten van Amsterdam bij Joden’ werkten. Wij maken duidelijk dat dit deels het geval is, maar dat ook een belangrijk deel van de meisjes bij een christelijke werkgever diende en de Gereformeerde Kerk van Amsterdam veel in de meisjes investeerde. Ook de constatering dat ouders ‘vaak geen idee hadden waar hun uithuizige dochters terecht kwamen’ behoeft nuancering en aanvulling. Veel meisjes werden door vader of moeder naar het eerste dienstje gebracht en er was op verschillende manieren contact met het thuisfront. Een niet onbelangrijk gegeven is dat de inhoud van de Urker Courant bepaald werd door Urkers ‘an de walle’, die wellicht minder voeling met het onderwerp hadden.* Tromp de Vries (1982) ruimt in Vrouwen van Urk wél ruimte in voor Urker dienstmeisjes. “Zonder hun geloof uit het hart en hun geboorteplaats uit hun gedachten verloren te hebben keerden ze vroeg of laat weer naar het eiland terug, en dan duurde het niet lang of ze brachten zelf weer hun dochtertjes naar de boot”, schrijf hij. In hun levensverhalen gaan Brechtje Bakker en Marretje de Jonge in op hun ervaringen als dienstmeisjes. Sijmen Baarssen geeft in zijn in eigen beheer uitgegeven Ook dat was Urk de herinneringen van verschillende dienstmeisjes geanonimiseerd weer. De lokale krant het Urkerland interviewde in de Kerstbijlage van 1981 verschillende voormalige dienstbodes en gaf zo een plek aan hun verhaal binnen de Urker samenleving. In het lokale geschiedenismagazine het Urker Volksleven kwam het dienen in verschillende levensbeschrijvingen terug. In ‘Urk in de Twintigste Eeuw’ (2011, samengesteld door Rien Bogerd) komen de dienstmeisjes kort aan de orde in het hoofdstuk ‘Het Wonder van Urk’. “Zo werkten ook zij mee om de Urker economie in stand te houden”, menen auteurs W. de Jong en J. Grandia. Lucia de Vries concludeert in haar blog ‘De Onzichtbare Urker Vrouw’** dat vrouwen nauwelijks een rol spelen in de Urker geschiedschrijving en dat er sprake is van een stereotype beeldvorming.*** Overigens is de Urker literatuur hierin geen uitzondering. Er is in Nederland in het algemeen weinig over dienstbodes geschreven. Uitzonderingen hierop zijn Jannie Poelstra, Barbara Henkes en Hanneke Oosterhof. Henkes concludeert dat “onderzoek naar het verleden zich tot voor kort vrijwel geheel tot het openbare leven [beperkte]’, terwijl dienstmeisjes ‘zich voornamelijk binnenshuis bewogen, in de ‘verborgen’ privé-sfeer van het gezin.”**** Cornelis de Vries, auteur van De geschiedenis van het eiland Urk, als hoofdmeester woonachtig in Leerdam, is sinds 1912 redacteur en na 1923 eindredacteur van De Urker Courant. ** https://vrouwenbrieven.home.blog/2020/02/21/de-onzichtbare-urker-vrouw/ *** https://vrouwenbrieven.home.blog/blog-feed/ **** Henkes, Barbara en Oosterhof, Hanneke (1985) , Kaatje, ben je boven?, Nijmegen: SUN *

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 23


Wethouder Han Lammers temidden van de voormalige dienstmeisjes. (Anefo)

Terug naar Amsterdam Op 10 juni 1975 waren zestig voormalige dienstmeisjes opnieuw in Amsterdam te vinden. Ter gelegenheid van het 700-jarig bestaan van de hoofdstad overhandigden ze als dank voor ‘dierbare herinneringen’ een speciaal cadeau aan de stad Amsterdam. Trots staan ze op de foto: de zestig voormalige dienstmeisjes in Urker dracht een halve cirkel rondom wethouder Han Lammer. Sommigen hadden voor de gelegenheid hun Urker setje uit de kast gehaald. De vrouwen waren zelf met het idee gekomen om Amsterdam op een bijzondere manier te bedanken. Met behulp van Buurtwerk regelden ze een bus en lieten een herinneringsbord maken, met daarop een gedicht van Jan van Flerik:

Met het grote Amsterdam Dat nu zevenhonderd jaren Als grote stad een plaats innam. Het bord werd overhandigd door Sijtje Woord-Westerneng; de vrouwen ontvingen van Lammers een herinneringsspeldje. Na de plechtigheid maakte ze een rondvaart door de grachten en een bustocht door de Joodse buurt. De dag

was veel te kort, zeiden ze na afloop, ‘zoveel verhalen waren er te vertellen’. Ook al was de stad de Urker dienstmeisjes in 1975 allang vergeten en waren verreweg de meeste Joodse werkgevers en hun gezinnen in de oorlog omgekomen, de vrouwen voelden zich nog altijd sterk verbonden met hun oude werkplek. Elk is blij dat zij nog even, Toch weer eens groot Mokum zag!

Zo’n veertig, vijftig jaar geleden, Dienden w’in de grote stad Veertien, vijftien, zestien jaren, Zo jong al moesten wij op stap… U begrijpt, zo’n Urker meisje Viel al op door klederdracht Zij was een fleurige verschijning, Langs de singel, langs de gracht… …nog voelen w’ons verbonden

Het bord dat werd aangeboden aan de stad Amsterdam. (Amsterdams Museum)

24 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

STICHTING URKER UITGAVEN


konden nu doorleren alhoewel ze toch vaak kozen voor werk en economische zelfstandigheid. Door de welvaart nam de noodzaak onder getrouwde vrouwen om te werken af. In 2008 meldde het CBS dat een opvallend laag percentage Urker vrouwen een baan had (40% versus 61% landelijk).41 Anno 2020 blijkt dat de Urker vrouwen een enorme inhaalslag hebben gemaakt: 70,9% heeft nu een baan (versus 63.2% landelijk). Dit betekent dat Urk het op een na hoogste percentage werkende vrouwen van alle Nederlandse gemeenten telt.42 Het was voor velen een verrassende uitslag. En toch: door buitenshuis te werken treden Urker vrouwen in de voetsporen van hun voormoeders, die met een koffieblik of rieten koffertje de wijde wereld binnenstapten. Het ‘dienen’ gaat in zekere zin, in een andere vorm, gewoon door. Welke rol speelde ruimtegebrek op Urk? “Hoe geheel anders keken de kleine huizen en straatjes mij aan toen ik aan wal stapte. Hoe miserabel en haast primitief leek mij alles en hoe klein.” – Anoniem dienstmeisje43 Hoeveel ze er ook naar verlangden, het zal de meisjes niet altijd meegevallen hebben om terug te keren naar Urk. Huwelijken in die tijd werden uitgesteld, vanwege armoede en omdat op het eiland er eenvoudigweg geen woningen voor jonge stellen beschikbaar waren. Degenen die toch in het huwelijksbootje stapten moesten vaak inwonen bij (schoon)ouders. Dirkje de Boer bijvoorbeeld woonde op de zolder van haar schoonouders. “[D]an durfde je natuurlijk geen kik te geven! Schoonmoeder had astma, en die had het soms vreselijk benauwd. ’s Nachts sliep je niet lekker want je luisterde … of er van beneden geroepen werd.” Het woningtekort zou nog lang voortduren en voor de nodige spanning onder de jonge stellen zorgen.44 Het huwelijk werd vaak als dé uitvlucht gezien voor het dienen. Dat gold niet alleen voor dienstmeisjes, maar voor alle meisjes als zij na 1860 door de industrialisatie steeds verder worden teruggedrongen uit het arbeidsproces. In de eerste decennia van de 20ste eeuw steeg de gemiddelde trouwleeftijd van 26,6 naar 27,2 jaar voor mannen, terwijl

STICHTING URKER UITGAVEN

‘Huwelijken in die tijd werden uitgesteld vanwege armoede en omdat er eenvoudigweg geen huizen waren.’ die van vrouwen 23,9 jaar bedroeg. Als na de Tweede Wereldoorlog de gemiddelde trouwleeftijd daalt naar 24,7 jaar voor mannen en 22,7 jaar voor vrouwen, betekent dat een breuk met een lange traditie.45 Nu Urk deel van het vaste land is geworden is er minder werkloosheid en hebben meer jongeren een vast inkomen. Het ruimtegebrek speelde echter nog lang een pijnlijke rol, omdat Urk niet mag uitbreiden richting Noordoostpolder. Dat jonge stellen toch meer vertrouwen in de toekomst hebben blijkt uit het feit dat ze eerder in het huwelijksbootje stappen. Wat was de invloed van het dienen? In zekere zin bereidde het dienen de meisjes voor op het leven van een zelfstandige vissersvrouw. Met hun man wekenlang van huis zijn vissersvrouwen grotendeels verantwoordelijk voor de opvoeding, de financiën en het maken van belangrijke beslissingen. Omdat ze gewend waren zichzelf vanaf jonge leeftijd te redden, waren ze goed voorbereid op het ‘eenzame’ vissersvrouwbestaan. De economische gelijkwaardigheid tussen man en vrouw ‒ dienstmeisjes verdienden doorgaans minstens zo goed als hun vissende leeftijdsgenoten ‒ zal een positieve invloed gehad hebben op de machtsverhouding binnen het huwelijk. Welke ervaringen namen de dienstbodes mee? Naast het vermogen om een huishouden volgens ‘moderne’ en hygiënische principes te runnen en de voorkeur voor ‘moderne’ meubels en kleding, namen ze vooral hun nieuwverworven zelfstandigheid mee. Ze hadden geleerd zich uit te spreken, om zich te redden in een onbekende omgeving, zelfstandig beslissingen te nemen en om met geld om te gaan. Ze waren vroeg wijs geworden. “Toen ik op m’n 23ste trouwde had ik er al een leven opzitten”, concludeert Dirkje Romkes. Makkelijk zullen de huwelijken niet al-

tijd geweest zijn. Sommige stellen kende elkaar vooral uit brieven en korte ontmoetingen. Sommige vrouwen concluderen dat het dienen hun geholpen heeft bij het opvoeden van hun kinderen. Jannetje Koffeman bijvoorbeeld diende eerst in Scheveningen, en vervolgens bij twee predikanten op Urk, waardoor ze als opvoeder gevormd werd. Volgens haar familie benadrukte ze hoe belangrijk de bijdrage van ieder kind was en ‘het garnalenpellen werd hiervoor pedagogisch benut’. Volgens amateurhistoricus Sijmen Baarssen heeft ‘dit dienstbetoon onze eigen geschiedenis verrijkt … Het geschiede niet allen uit bittere noodzaak, het was ook een hele belevenis… het heeft tevens... het specifieke volkskarakter van de eilandbewoners positief [beïnvloed].’ Uit de interviews blijkt dat de vrouwen geen spijt van hun ‘diensttijd’ hebben gehad. Ze deden er talloze nieuwe ervaringen op en leerden mensen buiten hun gemeenschap kennen. Sommigen hielden nog lang contact met ‘hun gezinnen’. De holocaust maakte op de vrouwen diepe indruk. Jannetje Schraal verliet na zeven jaar de Amsterdamse familie Van Kollum om te kunnen trouwen. Ze kreeg tijdens de oorlog nog een briefje: “De Duitse overvalwagen staat voor de deur”. Daarna vernam ze niets meer van de Van Kollums. Hoewel ze positief terugkijken op het dienen geven opvallend veel vrouwen aan liever doorgeleerd te hebben46. Die mogelijkheid kwam er voor Urker meisjes pas na de opening van de weg naar Emmeloord, in 1948. De voormalige dienstmeisjes zullen wel eens met enige jaloezie naar hun kleinkinderen hebben gekeken, die dankzij de nieuwe wegverbindingen ‘an de walle’ konden studeren en werken.

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 25


Uit het album van een dienstmeisje Lubbetje van Urk liet een prachtige fotoverzameling na over haar ‘dienstperiode’ van 1919-1930. Studiofoto’s tonen haar ontwikkeling van verlegen meisje tot zelfbewuste vrouw. Ook zien we Lubbetje op 14-jarige leeftijd als surrogaatmoeder en als verliefde jonge vrouw tijdens het Pinksterverlof. Lubbetje (1905-1996) werd als oudste geboren in het gezin van visserman Frederik van Urk en Jeltje Kramer. Ze moest al snel de handen ‘laten wapperen’ en pelde als kind zoveel garnalen dat ze later nooit meer een ‘garre’ aan zou raken. Lubbetje was nog maar net van school toen ze als 14-jarig meisje op de boot naar Enkhuizen werd gezet. Ze kwam terecht in het gezin van een boer, die net weduwnaar was geworden. Het jongste jongetje was maar een paar maanden oud. Er is een mooie foto van Lubbetje met de baby op schoot en Gerrit, het oudste jongetje, naast haar. Gerrit beschouwde haar als zijn moeder. Hoewel Lubbetje gek was op de kinderen is ze na verloop van tijd toch vertrokken. De boer kreeg wat teveel belangstelling voor haar. Het contact met Gerrit is echter nooit verbroken. Toen hij later werk in de Noordoostpolder kreeg kwam hij onderweg naar huis vaak even bij Lubbetje langs. “Ze was de moeder die hij nooit had gehad”, aldus Grietje. Lubbetje bleef niet lang werkloos. Samen met haar nichtjes ging ze aan de slag een kinderkoloniehuis in Egmond aan Zee. Hier zorgde ze voor bleekneusjes uit de stad, die aan moesten sterken. Zelf bezat ze nauwelijks kleding; de kinderen lachten haar uit omdat ze haar enige onderbroek, gemaakt van een gestreept stofje, op het prikkeldraad te drogen hing. Het was tijd voor een nieuw adres. Dat vond ze bij dominee Carel ter Linden, de vader van Nico ter Linden, die op Urk had gestaan, en nu naar Amsterdam was verhuisd. Haar zus Aole zou haar later op dit adres opvolgen. In de periode 1919-1930 liet Lubbetje zich achtereenvolgens inschrijven in Andijk, Egmond, Amsterdam, Broek op Langedijk, Opperdoes en Haarlem. Zoveel verschillende werkplekken was niet uitzonderlijk voor een Urker dienstmeisje. Lubbetje’s leven als dienstmeisje kwam ten einde toen ze op haar 25-ste met visserman Cornelis Bakker (Kies van Jan Zuut) trouwde. Het stel kreeg negen kinderen, waaronder Grietje. Hoewel Lubbetje nu een eigen gezin had, op Wijk 6-1 ging het ‘dienen’ gewoon door. Iedereen kon een beroep op haar doen. “Ze had wel verpleegster kunnen worden”, vertelt Grietje. “Het liefst zorgde ze voor kinderen. Als ouders overspannen of ziek waren konden hun kinderen altijd bij haar terecht.“ Toen Lubbetje in 1930 terugkeerde op haar vertrouwde eiland wilde ze er nooit meer weg. Grietje: Ze zei vaak, ‘Van mij mogen ze de haven dichtgooien’. Zo anwinnig is ze geweest.”

26 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

Lubbetje's dochter Grietje de Boer-Bakker laat het album zien.

Een studiofoto van een verlegen Lubbetje.

Lubbetje van Urk zorgt voor de jonge kinderen van een weduwnaar in Enkhuizen.

STICHTING URKER UITGAVEN


Lubbetje (tweede van rechts) met haar nichten en andere opvallend jonge dienstmeisjes in het koloniehuis te Egmond aan Zee.

Een latere studiofoto waarop Lubbetje zelfbewust in de lens kijkt.

Even ontspannen in de duinen van Egmond.

Lubbetje nam afgedankte poppen van haar diensies' mee voor haar zusjes.

Lubbetje (rechts) met haar vrijer, tijdens het Pinksterverlof ontspannen op Het Top samen met zus Aole met vriend en broer Klaas en zus Willempje.

STICHTING URKER UITGAVEN

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 27


Dienen, migratie en de Urker economie De welvaart op het eiland in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw werd sterk bepaald door ansjovis- en haringvangsten.* Vielen die tegen dan dreigde schrijnende armoede en lag er druk op de gezinnen om te migreren, of om de meisjes uit werken te sturen en/of de jongens aan te monsteren op een botter of logger. De visserijopbrengsten lieten grote schommelingen zien. 1890 was bijvoorbeeld een topjaar maar de jaren ervoor en erna waren magere jaren. De Urker migratie bereikte een hoogtepunt in de periode rond 1920 toen tijdens en na de Eerste Wereldoorlog veel loggervissers werkloos werden. Veel Urkers trokken toen naar de Zaan. Plomp (1940) bracht voor de periode 1900-1934 de migratie van Urker vrouwen in kaart. Hij vond dat vrouwen veel vaker migreerden van en naar het eiland Urk, vooral in de leeftijdscategorie 15 tot 19 jaar en iets mindere mate in de leeftijdscategorie 0-14 en 20-25 jaar. Een vanzelfsprekende verklaring is de mobiliteit van de Urker dienstmeisjes, die vanaf hun 13e of 14e jaar aan de wal dienden tot hun huwelijk op gemiddeld 24-jarige leeftijd. Plomp noemt de dienstmeisjes niet voor niets ‘het meest beweeglijke element’ van de bevolking.

De Urker bevolking loopt uit als met Pinksteren de boot aankomt.

Dienstmeisjes Annigje Romkes en Jansje de Vries op de Urker boot.

AANTAL INSCHRIJVINGEN AMSTERDAM

AANTAL INSCHRIJVINGEN HOORN

41 61 74 45 45 37 19 88 42 18 470

8 10 34 36 19**

EMIGRATIECIJFER VROUWEN (PER 1000 INWONERS)

IMMIGRATIECIJFER VROUWEN (PER 1000 INWONERS)

50,2 55,6 44,8 47,8 54,9 43 31,4

11,5 33,8 29,7 47,1 27,9 29,9 28,7

Een vergelijking van het aantal dienstmeisjes in Amsterdam met de migratiecijfers van Plomp levert drie conclusies op. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) neemt het aantal migranten in de periode 1915-1919 af. Dit valt samen met een opvallend laag aantal dienstmeisjes in Amsterdam. Vanaf 1920 gaan juist veel meer vrouwen naar de wal, terwijl er veel minder naar Urk terugkeren. Met name in 1920 en 1921 vertoont het aantal inschrijvingen van Urker dienstmeisjes in Amsterdam ook een enorme piek. Tot slot neemt vanaf 1930 het aantal dienstmeisjes weer flink af, wat samenvalt met een veel lagere migratie van vrouwen. In grote lijnen komt het migratiepatroon van Urker vrouwen dus overeen met het aantal dienstmeisjes in Amsterdam.

Aantal eerste inschrijvingen van Urker dienstmeisjes (geboren tussen 1860 en 1917) in het bevolkingsregister van Amsterdam en Hoorn.

*

** Van Hoorn zijn slechts cijfers van 1905-1906 bekend.

Bij de beroepstelling van 1930 blijkt dat vrijwel de gehele bevolking direct of indirect bij de visserij betrokken zijn (Plomp)

1885-1889 1890-1894 1895-1899 1900-1904 1905-1909 1910-1914 1915-1919 1920-1924 1925-1929 1930-1934 TOTAAL

28 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

STICHTING URKER UITGAVEN


Door Arjan Baarssen

1.

Eerste Urker meisjes in Amsterdam

Op 18 mei 1886 schreef Geertje de Vries zich in als dienstbode bij een koffiehuishouder in Amsterdam. Ze was daarmee de eerste van honderden Urker meisjes die ging dienen in de hoofdstad. Amsterdam rond 1890 De eerste Urker dienstmeisjes vestigden zich vanaf 1886 in Amsterdam: tussen 1886 en 1889 ging het om veertig dienstmeisjes. [zie kader migratie] Ze kwamen terecht in een stad waarin de handel bloeide, de bevolking snel groeide en veel nieuwe gebouwen verrezen. Na de opening van het Noordzeekanaal in 1876 groeide Amsterdam flink. De handel trok aan, stoomschepen vanuit Nederlands-Indië meerden aan in de Amsterdamse haven. Binnen drie jaar groeide het aantal schepen dat Amsterdam aandeed met veertig procent. De inhoud van de schepen verdubbelde ruim, wat betekent dat ook steeds grotere schepen Amsterdam konden bereiken.47 In 1879 startte een regelmatige veertiendaagse afvaart naar Batavia. In 1883 opende een rechtstreekse stoomvaartverbinding met Suriname, in 1885 een geregelde verbinding met het Verenigd Koninkrijk. Ook het binnenlandse stoombootverkeer van en naar Amsterdam groeide, vooral over de Zuiderzee richting Friesland, Overijssel en hun achterland.48 Het inwoneraantal van de hoofdstad nam toe van 317.000 in 1879 naar 408.000 in 1889. In tien jaar tijd kwamen er 90.000 Amsterdammers bij, waarvan de helft naar de stad was verhuisd.49 De groeiende stad veranderde snel. In 1885 opende het Rijksmuseum haar deuren, in 1888 het Concertgebouw. In 1883 werd nog een deel van het Damrak gedempt, wat ooit de waterverbinding tussen de Dam en het IJ was. Aan het IJ verscheen in de jaren 1880 het Centraal Station, dat in 1889 officieel werd geopend. Café’s en restaurants, vaak nog koffiehuizen genoemd, schoten als paddenstoelen uit de grond. Een snel rijker wordende middenklasse en veel toeristen zorgden voor

STICHTING URKER UITGAVEN

De Nieuwe Amstelstraat waar Lumme Anker diende. (Stadarchief Amsterdam)

klandizie. Amsterdam was in het laatste kwart van de negentiende eeuw de stad waar alles met sprongen vooruit ging. Bevolkingsgroei op Urk Urk kende in de tweede helft van de negentiende eeuw een grote bevolkingsgroei. Tussen 1869 en 1879 groeide de bevolking met 31,1%, in de periode 18791889 was dit 21,1%. Landelijk lag de groei in deze periode tussen de 12,0 en 12,5%. Urk had een hoger geboortecijfer en een lager sterftecijfer dan gemiddeld. Dit waren de belangrijkste oorzaken van de bevolkingsgroei, er vestigden zich nauwelijks mensen van buiten Urk op het eiland.50 Op het kleine eiland waren buiten de visserij nauwelijks mogelijkheden om geld te verdienen. Door de toegenomen bevolkingsomvang verhuisden veel Urkers om zich elders van een inkomen te voorzien. Vanaf 1886 is het migratiesaldo negatief: er vertrokken meer mensen van Urk dan er naar toe verhuisden. Dit zou tot 1935 zo blijven.51 Juist in 1886 trokken de eerste Urker meisjes naar Amsterdam. Het dienen van Urker meisjes in Amsterdam viel dus precies samen met een toenemende migratie vanaf Urk. Voorbeeld: Geertje de Vries Het eerste Urker dienstmeisje in Amsterdam was Geertje de Vries (1871-1900). Ze was de oudste in het gezin van visserman Pieter de Vries (1844-1914) en Dirkje Bouwman (1848-1937). Geertje kreeg uiteindelijk vier zusjes en drie broertjes, van wie de oudste na een maand overleed.

Ook werd er een kind levenloos geboren. Als oudste van een groot gezin ging ze op 15-jarige leeftijd dienen in Amsterdam.52 Schuin tegenover het in aanbouw zijnde Centraal Station liep Geertje in mei 1886 de Nieuwebrugsteeg binnen. Ze klopte aan bij het koffiehuis op nummer vier en werd de dienstbode van de rooms-katholieke Johannes Bakker en Riejanna Kramer. Het echtpaar, dat een van hun vorige dienstbodes had aangeklaagd voor diefstal, zag hun dienstbodes komen en gaan. In elf jaar tijd werkten er dertien meisjes. In het logement kwam Geertje in aanraking met mensen van allerlei slag. Er verbleven vooral Duitsers, onder wie een Pruisische bediende, een leerling-tandarts uit Bonn en verschillende kelners. Ook de Amsterdamse haven zorgde voor klandizie: een Oost-Indiëganger, een zeeman en een machinist.53 Vanuit het groeiende Amsterdam werd in 1883 al een poging gedaan om Urker meisjes vanuit Hoorn naar Amsterdam te krijgen. W. Potharst, eigenaar van een logement en café op de Reguliersgracht 39, zocht in een advertentie in de Hoornsche Courant expliciet naar een ‘net fatsoenlijk Urker dienstmeisje’. 54 Dit kwam er nooit van, er heeft zich nooit een Urker meisje ingeschreven op de Reguliersgracht.55 De advertentie maakt wel duidelijk dat er lijntjes liepen tussen Hoorn en Amsterdam. Vanaf 1885 was het mogelijk om per trein vanaf Enkhuizen via Hoorn naar Amsterdam te reizen. Mogelijk speelde dit ook een rol in de trek van Urker meisjes naar Amsterdam. Urker meisjes dienden

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 29


voor 1886 al in Enkhuizen en Hoorn. De bereikbaarheid van de hoofdstad was door de nieuwe treinverbinding vanaf Enkhuizen voor Urker meisjes veel groter geworden. Geertje kan dus met de trein naar Amsterdam gereisd zijn. Er was voor Geertje in ieder geval geen directe bootverbinding tussen Urk en Amsterdam. Sowieso zou het nog tot 1890 duren voor er een geregelde dagelijkse bootverbinding van Kampen via Urk naar Enkhuizen zou komen. Beurtschippers voeren voor die tijd wel onregelmatig op Enkhuizen.56 Verschillende Urker schippers waren ook in Amsterdam aan de afslag.57 Er waren dus wel verschillende mogelijkheden om per boot van het eiland naar de vaste wal te reizen. 2.

Dienen bij de Joden

Op 24 mei 1886 schreef Heijltje de Vries zich in als dienstbode bij de Joodse familie Reindorp in Amsterdam. Amsterdam vormde tot de Tweede Wereldoorlog het centrum van de Joodse gemeenschap in Nederland. Een steekproef onder twintig Urker meisjes die dienden tussen 1886 en 1890, maakt duidelijk dat ongeveer 80% van de dienstjes in Joodse gezinnen was.58 Van meet af aan dienden de Urker meisjes dus in Joodse gezinnen. Joden in Amsterdam rond 1890 Iets meer dan de helft van de Nederlandse Joden woonde bij de volkstelling van 1889 in Amsterdam. Er werden 97.234 leden van het Portugees en Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap geregistreerd, waarvan ongeveer 55.000 personen in Amsterdam.59 De meeste Joden woonden in en rond de Jodenbuurt, ten oosten van het oude centrum van Amsterdam. Eind negentiende eeuw trokken ook veel Joden van het platteland naar Amsterdam. De oude Jodenbuurt kon de toestroom van deze migranten niet aan, waardoor Joden genoodzaakt waren zich ook in andere wijken te vestigen. De woonomstandigheden in de overvolle Jodenbuurt waren vaak slecht. Begin twintigste eeuw werden veel van deze woningen al gesaneerd.60 In het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt sprongen de Portugees-Israëlitische synagoge en het Hoogduitse synagogecomplex in het oog. Van oudsher

Geertje de Vries diende in de Nieuwebrugsteeg - midden op de foto. (Stadsarchief Amsterdam)

Godsdienst van de hoofdbewoner van gezinnen waar Urker meisjes geboren 1860-1867 dienden 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

NI

PI

RC

CG

EL

NH

Voordeze deze steekproef steekproef zijn Urker meisjes genomen die geboren zijn tussen en 1860 en 18 Voor zijntwintig twintig Urker meisjes genomen die geboren zijn1860 tussen 1867. Ze dienden rondin 1890 in Amsterdam in 42 verschillendegezinnen. gezinnen. Een meerderdienden rond 1890 Amsterdam in 42 verschillende Eenruime ruime meerderheid van d heid van deze was Joods: 74% Nederlands Israëlitisch 7% Portugees Israëlitisch. gezinnen wasgezinnen Joods: 74% Nederlands Israëlitisch en 7% en Portugees Israëlitisch. Nog geen 10% Nog geen 10% was Nederlands Hervormd (NH). Dienstjes in Evangelisch Lutherse (EL), Nederlands Hervormd (NH). Dienstjes in Evangelisch Lutherse (EL), Rooms-Katholieke (RC) en Rooms-Katholieke (RC)(CG) en Christelijk (CG) gezinnen Christelijk Gereformeerde gezinnenGereformeerde kwam incidenteel voor. kwamen

30 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

incidenteel voor.

STICHTING URKER UITGAVEN


was er een tweedeling tussen de van oorsprong Portugese sefardische Joden en de andere asjkenazische Joden. In de negentiende eeuw werden deze ingedeeld in respectievelijk het Portugees Israëlitisch kerkgenootschap (5070 leden in 1889) en het Nederlands-Israëlitisch kerkgenootschap (92.524). Veel Amsterdamse Joden waren werkzaam in de diamantindustrie. Ze richtten de Algemene Nederlandse Diamantwerkers Bond op, een vakbond die opkwam voor de rechten van de vaak Joodse diamantbewerkers. Rond 1900 werd een belangrijk deel van de socialistische beweging in Amsterdam dan ook gevormd door Joden. Lang niet elke Amsterdamse Jood was dus een orthodoxe synagogebezoeker.61 Joden op Urk in de negentiende eeuw Urk kende in de negentiende eeuw enkele Joodse bewoners. Bij de volkstelling van 1859 registreerde men één lid van het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap, de van oorsprong Amsterdamse koopman Joseph Pais. Hij trouwde in juli 1859 in Amsterdam met een gescheiden Jodin, Marritje Buitenkant. In november van hetzelfde jaar werd hun dochter Keetje op Urk geboren. Drie weken later overleed moeder Marritje. Dochter Keetje groeide voorspoedig op en verhuisde in 1866 met haar vader naar Enkhuizen. De banden van koopman Pais met Urk bleven. In 1897 was hij op zevenzeventigjarige leeftijd getuige bij het huwelijk van Saartje Slager, een van oorsprong Kamper Jodin die samen met haar moeder Carolina Cohen en haar broer Benjamin Slager op Urk woonde. Vader Noach Slager was in 1867 in Kampen overleden, waarna de Slagers zich op Urk hadden gevestigd. Zo werden bij de volkstelling van 1869 op Urk een Joodse man en twee Joodse vrouwen geteld. Saartje werkte vanaf 1883 als dienstbode bij een, eveneens Joodse, tante in Amsterdam aan de Zeedijk. Haar huwelijk vond in 1897 wel op Urk plaats, maar in de veertien jaar voorafgaand aan de echtverbintenis had ze voornamelijk in Amsterdam gewoond. Met haar kersverse echtgenote Levi Denneboom vestigde ze zich ook onmiddellijk weer in Amsterdam. De aanwezigheid van de

STICHTING URKER UITGAVEN

De Portugese Synagoge rond 1900. (Stadsarchief Amsterdam, H.S. Speelman)

Urker-Joodse Saartje in Amsterdam hielp Urker meisjes mogelijk een plek te vinden in de Amsterdamse Jodenhoek. Haar broer Benjamin, koopman van beroep, trouwde in 1896 zelfs met een Urker meisje, Jannetje Ruiten.62 Het huwelijk was een ‘moetje’ en hun oudste kind Carolina werd op Urk geboren. Het echtpaar Slager-Ruiten verhuisde rond de eeuwwisseling naar Velsen. Moeder Carolina Cohen trok met hen mee en daarmee stond de teller van Israëlieten op Urk in 1899 weer op nul. Het ongeveer dertig jaar durende verblijf van de Joodse familie Slager op Urk verklaart mogelijk de benaming Jodenhoek voor een pleintje in Wijk 5. Relatie Urkers en Joden in de negentiende eeuw Andere berichten over banden tussen Urk en Joden in de negentiende eeuw zijn spaarzaam. In 1882 werd op Urk wel een collecte voor hulpbehoevende Russische Joden gehouden, waarbij ook een commissie werd opgericht om geld binnen te halen. Op zichzelf was dit niet uitzonderlijk. Veel liefdadigheid verliep eind negentiende eeuw via commissies die door krantenadvertenties probeerden geld in te zamelen. In 1883 was dat op Urk ook het geval, na een grote storm waarbij verschillende Urker vissersschepen waren vergaan. Onder leiding van burgemeester H. Kagei werd een commissie opgericht die adverteerde om geld in te zamelen voor de ze-

ventien achtergebleven weduwen en 56 wezen. De aanhef ‘medechristenen’ in de advertentie schoot een Jood dusdanig in het verkeerde keelgat dat hij in augustus in de pen klom om de commissie te vragen ‘of ze ook giften aanneemt van Israëlieten’. Kagei haastte zich hem te verzekeren dat het woord medechristen ‘zonder eenige nevenbedoeling uit de pen gevloeid’ was. De achting voor Israëlieten, zoals Joden in de negentiende eeuw vaak genoemd werden, bleek volgens Kagei uit de collecte die een jaar eerder voor behoeftige Israëlieten in Rusland op Urk was gehouden.63 Eerder dat jaar, in maart 1883, had ‘een Israëliet’ zijn gift van 25 gulden zonder discussie overgemaakt.64 Een andere Jood had eveneens in maart wel tien gulden voor de Urker weduwen over, maar liet dat vergezeld gaan van de spreuk: ‘Niet van een mede-christen, maar van een medelijdend Israëliet’.65 In april volgde nog 2 gulden van ‘een Israëliet’.66 De meeste giften werden onder vermelding van initialen gedaan. De keuze voor het vermelden van de Israëlitische afkomst maakt duidelijk dat de gevers graag wilden dat de Urkers wisten dat zij als Joden de Urker weduwen en wezen wilden steunen. Joden en gereformeerden De meeste Urker meisjes behoorden tot de afgescheiden gemeente, vanaf de jaren 1890 de Gereformeerde Kerken in Nederland. Binnen deze kerken ontstond rond de Joden een spanning tussen

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 31


enerzijds het gedachtengoed van de Afscheiding en de latere visie van Abraham Kuyper. In de kringen van de Afscheiding, maar ook van het Reveil, verwachtte men het herstel van het Joodse volk. Er was gebed voor de bekering van Israël. Een deel van de afgescheidenen identificeerde zich met de Joden omdat ze net als de Joden een kleine religieuze minderheid vormden.67 Kuyper koos de lijn van de antithese, de tegenstelling. Joden hadden de Messias niet geaccepteerd en moesten zich daarvan bekeren en toetreden tot de christelijke kerk. Het zendingswerk onder Joden kreeg onder invloed van Kuyper een scherper karakter. Het benadrukken van overeenkomsten tussen Joden en christenen verdween naar de achtergrond: het ging om de keuze voor of tegen Jezus. Ook vond Kuyper dat de kleine Joodse gemeenschap relatief te veel invloed had in verschillende beroepskringen. Zijn eigen gereformeerde volgelingen moesten door studie en ontwikkeling ook zich gaan bewegen op de beurs, binnen de universiteit en de advocatuur.68 De Urkers stonden rond 1890 meer in de lijn van de Afscheiding. Urkers vormden zelf een arm volk, en ook als eilanders een buitenbeentje in de Nederlandse samenleving. Kuypers drang naar ontwikkeling van het gereformeerde volksdeel was aan de Urker vissers nog niet besteed. De eerste dienstjes bij Joden dateerden al van voor 1892, het jaar waarin de christelijke gereformeerde kerken fuseerden met Kuypers dolerende kerken. Na deze vereniging is geen afname van het aantal Urker dienstmeisjes bij Amsterdamse Joden te bemerken. De invloed van Kuypers denkbeelden op de Urkers zal rond 1890 beperkt zijn geweest. Een op Urk bekend verhaal over een Urker dienstmeisje in een Joods gezin illustreert mogelijk het best de Urker houding tegenover Joden. Het meisje, Diena Bakker, diende rond 1900 in een Joods gezin in Amsterdam. Op een goede dag kwam haar vader Jan Bakker op bezoek. Hij nam kennis van de omstandigheden van het Joodse gezin en vernam dat er ernstige zorgen waren rond een van de zoontjes. Zijn gezichtsvermogen dreigde dusdanig aangetast te worden dat hij blind zou worden. Hierop sprak Jan Bakker de Joden aan op de gemeenschappe-

Urkers vormden zelf een arm volk, en ook als eilanders een buitenbeentje in de Nederlandse samenleving. lijke erfenis van Joden en christenen: de Joden moesten hun hulp van de Heere verwachten. Die had immers zelf in het Bijbelboek Exodus gezegd: ‘Ik ben de Heere, uw heelmeester.’69 Bakker vroeg of hij met het gezin mocht bidden, en samen met de ouders en het kind knielde hij voor de God van Israël. De houding van de Urker visser past bij een eenvoudige en directe vroomheid, waarbij Joden direct aangesproken worden op het vertrouwen in hun eigen Heere. 70 Voorbeeld: Heijltje de Vries Heijltje de Vries, het tweede Urker dienstmeisje in Amsterdam, was een dochter van visserman Klaas de Vries (1831-1907) en Dirkje Bakker (1832-1919). Heijltje was de vijfde in een gezin met vijf meisjes en drie jongens. Twee zusjes overleden in de leeftijd van acht en bijna twee jaar. Heijltje diende eerder al in Hoorn, voor ze naar Amsterdam vertrok. In Hoorn dienden sommige Urker meisjes al bij Joden. Aaltje Pasterkamp dien-

de vanaf 1880 bij D.J. Polak, Antje Molenaar vanaf 1885 bij V. Polak. In mei 1886 meldde Heijltje zich in de Amsterdamse Jodenbuurt. Ze ging dienen in het gezin van Benedictus Reindorp en Betje Frank. Benedictus kwam uit Leeuwarden en Betje uit Meppel. Het echtpaar Reindorp was dus afkomstig uit de Mediene, zoals Joodse gemeenschappen buiten Amsterdam werden aangeduid. Hun verhuizing naar Mokum paste in de grote trek van Joden naar Amsterdam aan het einde van de negentiende eeuw. Reindorp was bode aan de Israëlitische school in Amsterdam. Betje was bij aankomst van Heijltje hoogzwanger van hun achtste en laatste kind. Het huis van het Nederlands-Israëlitische echtpaar aan het Markenplein 2 stond op een steenworp afstand van de beide Joodse synagogen. Na Heijltje zouden veel Urker meisjes in Amsterdam bij Joodse gezinnen dienen. Vooral orthodox-Joodse gezinnen

Heijltje de Vries diende bij de familie Reindorp aan het Markenplein 2 (links). (Stadsarchief Amsterdam)

32 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

STICHTING URKER UITGAVEN


hadden een voorkeur voor protestantse dienstmeisjes. Deze konden op sabbat bijvoorbeeld het licht aandoen of de kachel stoken. Alle Urker meisjes waren protestants, wat ze bij orthodoxe Joden dus een streepje voor gaf. Jannetje Post diende bijvoorbeeld vanaf 1888 bij Eljakim Vega, een voorzanger van de Portugese synagoge. In een advertentie voor een dienstmeisje vermeldde hij expliciet op zoek te zijn naar een dienstmeisje dat dat protestants gezind was.71 3.

Lumme in Amsterdam

Lummetje Anker-Bos (1906-1998) diende met een korte onderbreking van 1920 tot 1930 in Amsterdam bij Joodse gezinnen. Ze was een van de vele Urker meisjes die in aanloop naar hun huwelijk buiten Urk de kost verdienden met dienen.

Urker meisjes en vrouwen in de visverwerking begin 20e eeuw. (Vrienden van Urk)

Een piek begin jaren 1920 Lumme was een van de vele meisjes die vlak na de Eerste Wereldoorlog afreisden naar Amsterdam. Gemiddeld trokken er zo’n tien dienstmeisjes per jaar naar Amsterdam. In 1920 en 1921 waren dat er respectievelijk dertig en vijfentwintig. In de herinnering van verschillende dienstmeisjes waren er in deze jaren wel vijftig tot tachtig Urker meisjes tegelijk in Amsterdam. De jaren twintig vormden zo het hoogtepunt van het dienen van Urker meisjes in Amsterdam.

ke ervaringen.73 Ze herinnerde zich ook een verdienste van twintig cent per pond gepelde garnalen. De verdiensten werden bij moeder ingeleverd, die er eerste levensbehoeften als melk en roggebrood voor kocht. Marie werkte ’s middags na schooltijd in de haringteelt en soms ook ’s ochtends voor school in de verwerking van ansjovis.74 Urker kinderen als Lumme en Marie werden dus van jongs af ingezet om het gezinsinkomen aan te vullen met werk in de visverwerking. Het dienen was een logische vervolgstap.

Waarom dienen? Lumme was de tweede van het gezin van Jan Bos en Ester Koffeman, die uiteindelijk elf kinderen zouden krijgen. Tot haar elfde jaar ging ze naar school. Al tijdens haar schooltijd vulde ze met haar zussen het gezinsinkomen aan door het pellen van garnalen. Hiervoor kreeg ze twaalf tot twintig cent per pond, een emmer van 5 pond leverde een gulden op. Later verwerkte ze ook ansjovis. De inkomsten waren voor moeder. Met een beetje geluk wist vader bij moeder een stuk ‘brok’ van de bakker te regelen als beloning voor de inspanningen van de kinderen. Toen Lumme op haar elfde van school ging, kon ze bij verschillende gezinnen op Urk aan de slag als schoonmaakster. Met plezier bonjourde ze alle potten en pannen naar buiten en schrobde alles schoon.72 Marie van Fim van Abram had soortgelij-

Dienen in Amsterdam Op haar dertiende werd Lumme door haar moeder naar Amsterdam gebracht. Ze was nog niet in de groei en te klein om gewone huishoudelijke klusjes te kunnen doen. Maar met behulp van een stoof voor het aanrecht lukte het allemaal net. De verdiensten, aanvankelijk vier gulden per week, stuurde ze per postwissel naar Urk. Toen er geld nodig was om thuis de opgelegde turf te betalen, haastte Lumme zich na haar werkzaamheden naar het postkantoor om het geld op te sturen. Helaas bleek het kantoor juist te sluiten, maar de jonge Lumme overtuigde de postbeamte het geld toch nog te verzenden.75 Vaders en moeders hadden vaak een rol in het wegbrengen van hun dochter voor hun eerste dienstje. De dienstjes zelf werden ook vaak ter plekke geregeld

STICHTING URKER UITGAVEN

door Urker meisjes die in hun netwerk altijd nog wel een postje wisten. Marie van Trui76 organiseerde bijvoorbeeld een dienstje voor Jannetje Schraal, die in 1921 door haar moeder naar Amsterdam werd gebracht.77 De dienst bleek echter al verzegd en ten langen leste ging Jannetje met haar moeder en Marie de markt op om een dienstje te vinden. De onderhandelingen in haar bijzijn vond Jannetje vreselijk, maar uiteindelijk werd een dienstje gevonden voor 6 gulden per week.78 Marie van Fim van Abram ging ook met haar moeder naar Amsterdam. Ze reisden met het schip ‘De Koophandel.’ Vriendin Piete van Frans van Pietertje had al een dienstje voor Marie gezocht. Hemden, broeken en schorten werden door moeder op de pof aangeschaft. Dat moest later terugverdiend worden. Marie verdiende aanvankelijk 3 gulden per week, maar kreeg er later twee kwartjes bij om de was te doen.79 Grietje Post80, bekend onder de naam Griet van de ouwe Schipper, had een bijzondere rol in het netwerk van Urker dienstmeisjes. Ze was begin jaren 1920 al een ervaren dienstmeisje, de enige die gedurende de gehele Eerste Wereldoorlog in Amsterdam was blijven dienen. Ze was voor de Urker meiden aanspreekpunt voor een dienstje, maar troostte ook moederlijk de jonge dienstmeisjes met heimwee naar Urk.81 Ook bij finan-

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 33


ciële problemen sprong Griet in de bres. Volgens een van de dienstmeisjes kan Griet dan ook niet veel overgehouden hebben aan haar Amsterdamse dienstjaren: ‘Ik denk dat zij toen geen dubbeltje overgehouden heeft, want Griet gaf altijd alles weg.’82 De Joodse gezinnen van Lumme Lumme diende eerst een jaar bij de familie Neeter aan de Koningstraat 44. Meneer Neeter was zoals veel Amsterdamse Joden diamantslijper, maar kreeg ontslag en begon met zijn vrouw een marktkraam op het Waterlooplein. Intussen paste Lumme thuis op Esther en Eliazer. Als Eliazer borstvoeding moest hebben, bracht Lumme het jongetje naar de markt. Moeder Neeter ging met de baby naar huis en Lumme nam de plaats achter de kraam in. Vrolijk prees ze de koopwaar aan: ‘Sokken en kousen, alle maten!’ ‘Dat vond ik wel lollig’, zei ze later. De betrekking bij de familie Neeter werd overgenomen door de Urker Annigje Romkes.8384

Van de Kars. Haar laatste jaren diende ze bij de familie Schiffmann op de Nieuwe Prinsengracht 37. David Schiffmann was een Joodse vluchteling uit Kiev en was in Amsterdam kleermaker geworden. Hij trouwde met Alida Schuitevoerder. Toen Lumme er diende hadden ze twee jongetjes, Aron en Isaac. Lumme paste op hen en ging met hen uit wandelen. Aron was echt Lummes jongetje. Op de enige foto uit haar Amsterdamse tijd is ze dan ook samen met Aron vastgelegd.88 Lummetje Anker-Bos diende dus in drie Joodse gezinnen, zoals ook veel andere Urker meisjes bij Joden dienden. 4.

Gereformeerd in Amsterdam

Jannetje Schraal.

een vriendin van Lumme. Ze scheelden slechts vier jaar en Lumme mocht haar ‘Chelly’ noemen.87 Bijna zeven jaar diende Lumme bij de

Over de invloed van een leven bij Joden was op het gereformeerde Urk soms zorg, en niet minder over de verschillende mogelijkheden tot vertier in de grote stad Amsterdam.

Lumme ging na een jaar dienen bij Eliazer van de Kar en Eva Drukker in de Nieuwe Amstelstraat 31. Deze familie had een voorkeur voor Urker dienstmeisjes. Voor Lumme hadden Griet van de Ouwe Skipper en Willempje Post er gediend.85 Griet ging na haar lange elfjarige dienstperiode bij de Van de Kars mee met dochter Marianne van de Kar die in het huwelijk trad met Mourits van Buuren.86 Lumme woonde nu in het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt. Op de hoek van de Nieuwe Amstelstraat stond de Hoogduitse synagoge. Als de synagoge uitging stonden de Joodse kinderen te dringen voor de deur: er werd snoep uitgedeeld. Vlak voor het Joodse Pesach stookten de Joden overal op straat vuurtjes om het brood uit de huizen te verbranden. Meneer Van de Kar was ook diamantslijper geweest, maar had nu ook een marktkraam. Lumme diende jaren bij de familie en was ook regelmatig achter de kraam op de Nieuwmarkt terug te vinden. De Joden noemden haar daarom Leentje van de Kar. Het echtpaar Van de Kar was al op leeftijd. Hun jongste dochter, Rachel, woonde nog thuis en werd

De zussen Elisabeth en Marretje Koffeman, beter bekend als Beth en Marie van Trui. (Collectie Iede Hoorn)

34 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

STICHTING URKER UITGAVEN


Op het Jonas Daniël Meijerplein wordt gedesemd brood verbrand in voorbereiding op Pesach (1928). (Stadsarchief Amsterdam)

Joodse gewoonten Een belangrijk deel van de Urker meisjes diende bij Joden. Lang niet alle Joden hielden zich echter aan (alle) orthodoxe voorschriften. Jannetje Schraal nam bijvoorbeeld afscheid van haar eerste Joodse gezin omdat er stevig gevloekt werd en ze op zondag brood moest kopen.89 Een belangrijk deel van de Amsterdamse Joden had een socialistische achtergrond en praktiseerde minder of weinig Joodse gewoonten. Lumme diende wel bij ‘vrome’ Joden, zoals orthodoxe Joden ook wel werden aangeduid. Verschillende andere meisjes dienden ook in orthodoxe gezinnen, waarbij met name de voorbereidingen op het Pesach (het Joodse Paasfeest) herinnerd worden. Een grote schoonmaak was nodig om het huis te reinigen met het oog op het naderende feest, er mocht geen broodkruimel meer te vinden zijn. Acht dagen werden er matses gegeten, speciaal door aangewezen Joodse bakkers gebakken.90 Lumme hield tot op hoge leeftijd de gewoonte vol om voor Pasen haar hele huis van top tot teen te reinigen, een erfenis uit haar Amsterdamse diensttijd. Marie van Trui herinnerde zich dat de

De Nieuwmarkt rond 1915. (Foto van A.J. Nuss Stadsarchief Amsterdam, Collectie Atlas Kok)

Joden op zaterdag niets mochten doen, zelfs niet de lichten aansteken. Dat was werk voor Marie, want als protestants meisje mocht zij dat wel. Andersom gaven deze Joden haar alle ruimte op zondag. Dat was haar sabbat en dan mocht ze niet werken. Volgens Marie waren de vrome Joden dan ook de allerfijnste mensen om bij te dienen. Ook Lumme hield aan haar diensttijd bij de Joden een diep respect voor het ‘oude volk’ over. Wel of niet bij Joden Voor Lumme was het dienen bij Joden vanzelfsprekend. Marie van Fim van Abram bijvoorbeeld werd echter door haar zus Bet voortdurend aangemoedigd om niet langer bij Joden te dienen. Ook vanaf Urk waren er zorgen over het dienen bij Joden. Ouders hadden bij de doop beloofd hun kinderen als christen op te voeden. ‘Enkele uitzonderingen daargelaten, dan zitten onze dienstmeisjes van 12 tot 16 jaar in de achterbuurten van Amsterdam bij Joden’, stelde De Urker Courant in 1924 echter bezorgd vast. Er waren verschillende redenen om wel bij Joden te dienen. De meiden kregen veel vrijheid, vooral als ze dienden bij marktkooplieden die heel de dag met

De Gereformeerde Kerk deed er veel aan om de geloofsopvoeding van de Urker meisjes vorm te geven. STICHTING URKER UITGAVEN

hun vrouw op de markt stonden. Ook maakte men bij Joden meer deel uit van het gezin en kreeg men goed te eten.91 Marie van Fim van Abram stelt onomwonden dat het de armoede was die de dienstmeisjes naar Amsterdam dreef.92 Er moest nu eenmaal geld verdiend worden, en sinds 1886 hadden de Urker dienstmeisjes een netwerk opgebouwd onder Joodse families. Door de ontwikkeling van de gereformeerde zuil waren er voor de gereformeerde Urker meisjes overigens meer kansen om in een gereformeerde dienst terecht te komen. Ongeveer een kwart van de meisjes diende tussen 1920 en 1930 in het Oude Mannen- en Vrouwenhuis, het bejaardenhuis van de Gereformeerde Kerk aan de Nieuwe Heerengracht 143.93 Daarnaast deed de Gereformeerde Kerk er veel aan om de geloofsopvoeding van de Urker meisjes vorm te geven. Gereformeerd in Amsterdam Lumme was net als de meeste Urker dienstbodes lid van de Gereformeerde Kerk. Hun godsdienstige vorming moest echter in Amsterdam plaats vinden. De Gereformeerde Kerk in Amsterdam nam hierin zijn verantwoordelijkheid en betrok de Urker meisjes bij de kerkdienst, de catechese, het verenigingsleven en huisbezoek. Veelal kregen de Urker meiden van hun ‘meneer en mevrouw’ op zondag vrijaf om de kerkdienst te kunnen bezoeken. De middagdienst in de Boomslootkerk was een vast moment waarop vele Urker meisjes in dracht ter kerke gingen.94 Het

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 35


interieur van de Boomslootkerk deed met de galerij rondom ook denken aan het interieur van de Bethelkerk op Urk. De Urker meiden namen volgens Jannetje Schraal plaats op de galerij.95 In de catechese was midden de jaren 1920 een belangrijke rol weggelegd voor ds. W.G. Harrenstein. Hij organiseerde een speciaal catechisatie-uur voor Urker meisjes op maandagavond. Eerder waren er klachten over de geringe aanwezigheid van de Urker dienstbodes bij de catechisatie. Ds. Harrenstein kreeg van de kerkenraad de opdracht een speciaal moment voor de Urker dienstbodes te organiseren, zoals ook voor op kamers wonende studenten gedaan werd.96 Door het relatief late tijdstip van 21.00 uur konden de dienstmeisjes eerst hun huishoudelijke taken afronden. De aanwezigheid was naar tevredenheid van ds. Harrenstein en hij sloot de Urker meisjes in het hart. De Urker meiden legden soms ook in Amsterdam openbare geloofsbelijdenis af. Lumme deed dat op 8 mei 1924 bij ds. Harrenstein. Op die datum werden ook de Urkse Henderika Kramer en Klaasje Weerstand in het Avondmaalsboek van de Gereformeerde Kerk te Amsterdam ingeschreven.97 De meisjesvereniging Op zondagavond was er meisjesvereniging voor de Urker dienstbodes, nadat

Het gebouw in de Barndesteeg waar de meisjesvereniging samenkwam. (Stadsarchief Amsterdam)

Ds. W.G. Harrenstein. (Stadsarchief Amsterdam)

ze gezamenlijk de middagdienst hadden bezocht. Deze stond onder leiding van de ongetrouwde mejuffrouw De Heer Kloots. De Gereformeerde Kerk organiseerde eerder al Bijbelkringen speciaal voor dienstbodes.98 Vanwege het grote aantal Urkers werd net als bij de catechisatie een uitzonderingspositie gecreëerd.99 De bijeenkomsten werden gehouden in een gebouw van Tot Heil des Volks in de Barndesteeg, een zijsteeg van de Nieuwmarkt.100 Er werd door de Urker meiden veel gezongen uit de bundel van Johannes de Heer. Het lied ‘Ginds in de steeg’ was bijzonder populair. De meiden konden in ‘hun’ steeg zich helemaal verplaatsen in de tekst van dit lied. Er is wel op gewezen dat de populariteit van de liederen van Johannes de Heer op Urk mede een erfenis is van het dienen in Amsterdam.101 De zorg voor elkaar oversteeg ook kerkelijke verschillen. Jante Schraal was hervormd en bezocht ’s morgens dan ook een hervormde kerkdienst.102 Als meer ervaren dienstbode voelde ze zich echter ook verantwoordelijk voor de jongere Urker meisjes. Daarom bezocht ze ’s middags de gereformeerde kerkdienst in de Boomslootkerk. Haar zorg was om de ongeveer vijftig meisjes weer veilig van de ‘kraak’ (galerij) naar de meisjesvereniging en vervolgens naar huis te krijgen.103 De speciale kring voor Urker meisjes heeft in de herinnering van verschillende dienstmeisjes een belangrijke plek. Daarmee functioneerde ze beter dan een eerdere kring in 1901. Toen werd binnen

36 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

Aankondiging van de catechisatie voor Urker meisjes door ds. W.G. Harrenstein Amsterdamsche Kerkbode 21-10-1923

Interieur van de inmiddels gesloopte Boomslootkerk. (Stadsarchief Amsterdam)

de kerkenraad van de Gereformeerde Kerk op Urk het probleem besproken dat de 25 dienstmeisjes in Amsterdam liever de bioscoop bezochten dan de jongedochterskrans Bezaleël.104 Huisbezoek en Jodenzending Zo mogelijk kregen de Urker meiden huisbezoek van ouderlingen van de Gereformeerde Kerk. Lumme kon zich de huisbezoeken van de ouderlingen nog herinneren. In het overwegend Joodse milieu waar de meiden dienden werd

STICHTING URKER UITGAVEN


Ds. W.G. Harrenstein met een catechesegroep. (Privécollectie)

daar verschillend mee omgegaan. Bij een deel was huisbezoek geen probleem. In andere gevallen werd het gezien als een verkapte poging om de Joden te bekeren tot het christendom. Jodenzending was in de jaren 1920 een belangrijke thema voor de Gereformeerde Kerk in Amsterdam. In de persoon van ds. Velders was er zelfs een speciale predikant voor aangesteld. Joodse media spraken wel spottend over de Urker dienstmeiden als de luistervinken van Velders. Velders probeerde ook zeker de Urker dienstmeiden als ingang te gebruiken om in contact te komen met Joodse gezinnen. Hij stelde voor om bij de Joodse gezinnen te informeren of de Urker dienstbodes hun werkzaamheden naar tevredenheid verrichten. Uit deze contacten bleek dat de meeste dames over hun dienstboden tevreden waren en dat sommige meisjes ook thuis voor hun christelijke overtuiging uitkwamen. Het leidde volgens Velders in sommige gevallen tot interessante gesprekken. In een geval mocht hij zelfs een groep van twaalf Joodse mannen en vrouwen toespreken.105 Slechts weinig Joden gingen door het werk van Velders over tot het christendom. Bij zijn afscheid werden twee Joden gedoopt: Israël Batavier en

STICHTING URKER UITGAVEN

Jante Schraal. (Vrienden van Urk)

Henriëtte Moffie. Bij hen dienden geen Urker meisjes.106 Urker blijven De zorgen over het leven in de ‘goddeloze’ grote stad waren vaak groot. Ouders gaven hun dochters ook vermaningen mee. ‘Wacht je voor de eerste stap’, herinnert een dienstmeisje zich het onder-

richt van haar vader.107 Na een eerste zonde als bioscoop- of cafébezoek zou de morele lat steeds lagere komen te liggen. Ondanks de vele mogelijkheden om niet-gereformeerde activiteiten te ondernemen in Amsterdam, zijn vooral herinneringen aan het naleven van de duidelijke boodschappen van thuis overgebleven. De vrijheid die dienstbodes kregen verschilde van werkgever tot werkgever. Lumme kreeg veel avonden vrij en ging dan bij vriendinnen op bezoek. Later kwam haar oudste zuster Aole ook in Amsterdam wonen, die inmiddels getrouwd was met Albert Baantjer. Lumme kon zo regelmatig op bezoek bij haar eerste tantezeggertje, de latere detectiveschrijver Appie Baantjer. Daar moest ze dan wel een uur voor lopen, want een dubbeltje voor de tram kon er niet vanaf.108 Marie van Fim van Abram herinnerde zich dat de Urker meiden ook wel aan de tram gingen hangen, om zich kosteloos toch wat sneller te kunnen verplaatsen.109 Het sociale verkeer vond dus voor een belangrijk deel onder Urkers onderling plaats. Ook was er weinig geld om in allerlei uitjes te steken. Naast contacten met Urker vriendinnen, was er in de haven contact met Urker

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 37


mannen. Veel Urker botters bleven in het weekend in Amsterdam liggen. Jonge jongens pasten op de botters. Op vrijdagavond verzamelden de botters zich achter het Centraal Station aan de De Ruijterkade en gingen de Urker dienstmeisjes ‘naar de buitenkant’. Er was even contact met vader, broer of vriend.110 Dit gebeurde ook als de botter voor de Kromhoutfabriek lag in de Amsterdamse haven. Een belangrijk deel van de Urker botters werd door deze fabriek na de Eerste Wereldoorlog gemotoriseerd. Lumme sprak ook op andere momenten wel af met haar vader, waarbij ze de Dam als ontmoetingsplek hadden.111 Verleidingen en onwetendheid De bioscoop was begin jaren twintig dé plek waar een gereformeerd meisje zich niet diende te vertonen. Hetzelfde gold bijvoorbeeld voor cafébezoek.112 Een Urker dienstmeisje mocht als beloning voor haar goede diensten met haar Joodse werkgever mee naar ‘Tip-top’. Ze vertelde hierover in geuren en kleuren over dit blijde vooruitzicht aan andere Urker dienstmeisjes, tot haar geschrokken vriendinnen duidelijk maakten dat dit een bioscoop betrof. Het feest in ‘Tip-top’ ging vervolgens niet door. 113 Ook kregen de Urker meisjes van het gemeentebestuur van Amsterdam eens vrijkaartjes voor een toneelstuk, getiteld ‘Pechie mijn kind.’ Verschillende Urker dienstmeisjes, onder wie ook Lumme, besloten de voorstelling te bezoeken. Eenmaal binnen begon het echter flink te onweren. De meisjes begonnen zich af te vragen of ze op deze locatie wel Jezus konden ontmoeten en besloten de voorstelling te verlaten. Eenmaal buiten scheen de zon, maar voldoende gewaarschuwd besloten de meiden de dag verder in te vullen met winkelen.114 Er waren ook zorgen over de eerbaarheid van de jonge meiden. Een predikant uit Amsterdam schreef de Urker kerkenraad dat de Urker meisjes ‘volledig uit de band’ sprongen en ‘in de handen van Joden vielen’.115 In op schrift vastgelegde herinneringen beperkt dit zich tot één voorbeeld: een van de Urker meisjes kreeg te maken met onkiese opmerkingen en oneerbare voorstellen van een schoonzoon van de Joodse familie bij wie ze diende.116 Mogelijk werd door de

Urker botter bij de Vismarkt aan de Ruijterkade 1930. (Stadsarchief Amsterdam - Vereenigde Fotobureaux)

predikant ook gedoeld op een bepaalde onwetendheid op het gebied van seksualiteit. Volgens Marie van Fim schortte het een en ander aan de voorlichting van de Urker meisjes. Zelf was ze getuige van de bevalling van haar ‘mevrouw’ en kwam er zo achter dat de kinderen niet uit de Ommelebommelestien komen. Marie’s moeder was minder blij met deze ervaring en stuurde Marie’s werkgeefster een gepeperde brief. Ook kwam het voor dat Urker meisjes zich grote zorgen maakten over hun gezondheid na hun eerste menstruatie. Behulpzame oudere vriendinnen namen dit stukje voorlichting dan voor hun rekening.117 5.

Het dienen en de Holocaust

De Tweede Wereldoorlog maakte een einde aan het Joodse leven in Amsterdam. In 1941 woonden er ongeveer 77.000 Joden in Amsterdam: nog geen 19.000 Amsterdamse Joden overleefden de oorlog. Uit een steekproef blijkt dat

38 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

onder de Joodse werkgevers van Urker dienstmeisjes nauwelijks overlevenden waren. Van de Joden bij wie Lummetje Anker-Bos diende overleefde niemand de oorlog. Het lot van Lummes gezinnen Lumme trouwde in 1930 met Klaas Anker. Ze vertrok uit Amsterdam, maar kwam tot in de Tweede Wereldoorlog nog wel eens op bezoek bij de gezinnen bij wie ze gediend had. De Duitse bezetting veranderde alles. Het Waterlooplein, waar Lumme vrolijk sokken en kousen had aangeprezen, werd een van de ingangen van de Amsterdamse Jodenwijk. Alleen Joden werden nog tot de markt toegelaten. De Nieuwmarkt, waar Lumme als Leentje van de Kar jaren had gewerkt, werd met prikkeldraad afgezet. Joden mochten er helemaal niet meer komen. Intussen begon ook de deportatie van de Joden. De familie Neeter had na Lummes dienst nog een jongetje gekregen: Maurits. Vader en moeder Neeter maakten

STICHTING URKER UITGAVEN


Meeste Joodse werkgevers vermoord tijdens de oorlog Voor 43 JoodseJoodse echtparen waar Urker meisjes dienden is in een steekproef de plaats overMeeste werkgevers vermoord tijdens de van oorlog lijden vastgesteld. Van de mannen overleefde niemand de Tweede Wereldoorlog. Ongeveer

Voor 43 Joodse echtparen waar Urker meisjesRuim dienden is in eenvan steekproef de plaats overlijden een derde was al voor de oorlog gestorven. 60 procent de mannen werd van vermoord vastgesteld. Van de mannen overleefde niemand de Tweede Wereldoorlog. Ongeveer een derde was in een concentratiekamp. Niemand van de 43 mannen was na de oorlog nog in leven. al voor de oorlog gestorven. Ruim 60 procent van de mannen werd vermoord in een Bij de vrouwen werd bijna 80 procent in Auschwitz of de Sobibor Zo’n vijftien procent concentratiekamp. Niemand van de 43 mannen was na oorlogvermoord. nog in leven.

was al voor de oorlog overleden. Van de 43 vrouwelijke werkgevers overleefden er drie de

Bij de vrouwen werd bijna 80 procent in Auschwitz of Sobibor vermoord. Zo’n vijftien procent was al oorlog. Er werden 86 Urker dienstmeisjes onderzocht. voor de oorlog overleden. Van de 43 vrouwelijke werkgevers overleefden er drie de oorlog.

Plaats van overlijden Joodse werkgevers van Urker dienstmeisjes, n=86 20 18

Eva van de Kar-Drukker waar Willempje Post, Grietje Post en Lummetje Bos dienden. (Stadsarchief Amsterdam)

16 14 12 10 8 6 4 2 0 Voor de oorlog

Amsterdam

Auschwitz Mannen

Rijntje Neeter-Goudsmit waar Lummetje Bos en Annigje Romkes dienden. (Stadsarchief Amsterdam)

met Maurits deel uit van de zogenoemde kindertransporten naar Sobibor. Meer dan duizend Joodse kinderen onder de zestien werden in juni 1943 samen met hun ouders vergast. Esther en Eliazer, op wie Lumme vroeger paste, waren eerder al vermoord in Auschwitz en Mauthausen.118 Meneer Van de Kar was voor de oorlog al gestorven. Mevrouw Van de Kar was

Lummetje Anker-Bos en haar man Klaas Anker. (Privécollectie)

STICHTING URKER UITGAVEN

Sobibor

Mechtal

Overlevenden

Vrouwen

inmiddels tachtig en woonde in het verzorgingstehuis de ‘Joodsche Invalide’.119 In maart 1943 werd het tehuis ontruimd. De Duitsers gooiden de bejaarden van de trappen, blinden werden naar buiten geslagen.120 De ouden van dagen werden op transport gezet naar Sobibor.121 Drie verpleegsters die het transport overleefden vertelden later hoe de bejaarden waren vermoord. Omdat ze te oud waren om naar de gaskamers te lopen, werden ze in wagentjes geladen en naar een kuil gereden. Het geluid van een machinegeweer was het laatste wat ze hoorden.122 Mevrouw Van de Kar is dus waarschijnlijk op tachtigjarige leeftijd in een kuil in Sobibor doodgeschoten. Chelly van de Kar, de vriendin van Lumme, werd enkele maanden later met haar man en drie kinderen in Sobibor vergast.123 Aron Ook de familie Schiffmann kreeg na de dienst van Lumme nog een kind, een meisje dat ze Frieda noemden. Frieda en Isaac zaten met vader David Schiffmann in hetzelfde kindertransport als de fami-

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 39


lie Neeter. Ze werden in juni 1943 vergast in Sobibor, moeder Alida was al in mei in Sobibor vermoord.124 Eind 1943 leefde van de mensen voor wie Lumme had gewerkt en hun kinderen alleen Aron nog, het jongetje van de foto. Aron was zeventien toen de kindertransporten vanuit Vught naar Sobibor vertrokken. De leeftijdsgrens was zestien en Aron werd daarom niet weggevoerd, maar tewerkgesteld. Hij moest tankvallen graven op de Moerdijk. Uiteindelijk kwam Aron toch in Westerbork terecht en werd hij met de 84e trein uit Westerbork in januari 1944 naar Auschwitz gedeporteerd. Daar werkte hij nog enkele maanden, tot hij onder onbekende omstandigheden overleed. Na de oorlog is zijn overlijdensdatum vastgesteld op 31 mei 1944.125 Lumme bleef tot op hoge leeftijd verdrietig om het lot van Aron.126 Andere Urker herinneringen aan de Holocaust Na 1930 nam het dienen in Amsterdam sterk af.127 Op verschillende manieren bleven er contacten met de Joodse gezinnen in Amsterdam bestaan. Lumme bezocht bijvoorbeeld zelf nog tijdens de oorlog de Joodse gezinnen waar ze gediend had. Jannetje Schraal hield contact met de familie Van Kollum. Haar zuster Hille was na Jannetje bij deze familie dienstbode geworden. Jannetje bleef zelf ook schrijven met mevrouw Van Kollem. De laatste brief was een afscheidsbrief: ‘De Duitse overvalwagen staat voor de deur’. Levie van Kollem en zijn vrouw Jetje Duijts werden op 16 juli 1943 vermoord in Sobibor.128 Jante Schraal ontmoette haar voormalige ‘mevrouw’ nog eenmaal na de oorlog.129 Judith van Dal (1881-1948) was getrouwd geweest met Mozes Goudsmit (18811929) toen Jante er rond 1920 diende. Na het overlijden van Mozes was ze in het huwelijk getreden met Abraham Rijxman, een bekende Joodse antiquair. Haar tweede man Abraham stief in december 1944 of januari 1945 in Sachsenhausen, nadat hij eerder naar Bergen-Belsen was gedeporteerd.130 Judith werd via Westerbork wel weggevoerd naar Duitsland.131 Waarschijnlijk hoorde ze bij de ongeveer 2.000 Joden die de deportatie naar Bergen-Belsen hebben overleefd.132 Marie van Fim van Abram dacht in de oor-

Aron Schiffmann en Lummetje Anker-Bos rond 1927. (Vrienden van Urk)

Persoonskaart Aron Schiffmann. (Stadsarchief Amsterdam)

log vaak aan de familie Bartels, de eerste familie bij wie ze diende. Haar voormalige werkgevers Joseph Bartels en Judith Bartels-Witteboom werden tijdens de oorlog in Auschwitz vermoord.133 Na de oorlog deed Marie navraag naar mogelijke overlevenden uit deze familie en achterhaalde dat dochter Stella de oorlog had overleefd en een stoffenwinkel dreef op de Zeedijk in Amsterdam. Marie zocht haar op in Amsterdam. Van verder contact is het niet meer gekomen.134 ■

40 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

Levi en Jetje van Kollem- Duijts waar Jannetje Schraal bij diende.

STICHTING URKER UITGAVEN


Kinderen krijgen snoep uitgedeeld na de dienst in de synagoge. Stadsarchief Amsterdam.

Een foto gemaakt in oktober 1910 in Amsterdam van de Joodse familie Zak met de dienstbode Aaltje uit Urk. Jacob Zak was diamantslijper en sigarenhandelaar. Van het gezin overleefden alleen twee kinderen de Tweede Wereldoorlog. (www.joodsmonument.nl)

STICHTING URKER UITGAVEN

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 41


Hoe het onderzoek tot stand kwam Het idee voor een systematisch onderzoek naar Urker dienstmeisjes kwam tot stand na de lezing van Arjan Baarssen over ‘Bessien Lumme bij de Joden’ op de Dag van de Urker Geschiedenis in 2019. De lezing en de website die Arjan bijhield* leidden tot veel positieve reacties. Samen met Lucia de Vries zette Arjan het onderzoek voort, waarbij hij zich richtte op Amsterdam en Lucia op andere plekken in Noord- en Zuid-Holland. Binnen de Urker samenleving is veel interesse voor de dienstmeisjes, getuige de vele reacties op Arjans artikel in Het Urkerland van 27 april 2020. Ongeveer dertig Urkers deden een aanvraag naar een onderzoek naar hun (over-)grootmoeder die diende in Amsterdam. Ook ontvingen we tips en herinneringen via urkerdienstmeisjes@ gmail.com. Ook van deze gegevens hebben we dankbaar gebruik gemaakt. Het onderzoek naar Urker dienstmeisjes is naast overleveringen, stambomen en interviews gebaseerd op bevolkingsregisters die Nederlandse gemeenten sinds 1850 bijhouden. Sommige gemeenten hielden ook een speciaal Dienstboderegister bij. Rond 1920 gingen de gemeenten over op een losbladig systeem, de gezinskaarten, die ook vaak online te vinden zijn. Na aanscherping van de AVG-wetgeving hebben de archieven hun registers van personen die korter dan 100 jaar geleden geboren zijn gesloten. Hierdoor zijn de dossiers, verschillend per archief, van na 1909, 1915 of 1919 niet langer openbaar. De enige uitzondering hierop vormt het Haags gemeentearchief, waar nieuwe inschrijvingen tot de jaren veertig wél zichtbaar zijn. Uit het grote aantal Urker meisjes dat we hier tegenkomen concluderen we dat vervolgonderzoek belangrijk is, met name als in 2021 of 2022 de nu gesloten registers openbaar worden. Gegevens van enkele belangrijke bestemmingen voor Urker meisjes ontbreken nu vrijwel volledig, waaronder die van Baarn, Bloemendaal, Edam, Egmond aan Zee, Krommenie, Leiden, Nijmegen, Scheveningen, Utrecht, Vlaardingen, Wijk aan Zee en IJmuiden. Tot nu toe zijn ruim 1000 dienstmeisjes in de archieven teruggevonden. De lijst zal in *

de toekomst worden geüpdatet en uitgebreid met aanvullend en openbaar gemaakt archiefmateriaal en informatie van nazaten. De titel ‘1001 dienstmeisjes’ refereert aan het project van historica Els Kloek, waarin ze vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis voor het voetlicht plaatst.

Meisjes in Noord-Holland In Museum Het Oude Raadhuis ligt een handgeschreven dossier met de namen van Urker dienstmeisjes in West-Friesland. Het is onbekend wie dit heeft samengesteld, maar de gegevens worden door de Werkgroep Genealogie van Vrienden van Urk verwerkt bij het maken van stambomen. De lijsten zijn gedigitaliseerd door Klaas Kramer (Heerenveen), die met nieuwe gegevens van Lucia zorgde voor een meer complete lijst van Urker dienstmeisjes. We traceerden Urker dienstmeisjes in het Regionaal Archief Alkmaar, het Westfries Archief en het Haags Gemeentearchief. Om een completer beeld te krijgen is onderzoek in andere archieven cruciaal. Ook is het belangrijk te melden dat niet alle meisjes zich lieten inschrijven en dat de werkelijke aantallen dus veel hoger liggen. Gedeeltelijk geïnventariseerde (toenmalige) gemeenten zijn Andijk, Avenhorn, Blokker, Berkhout, Bovenkarspel, Enkhuizen, Grootebroek, Hensbroek, Hoogkarspel, Hoogwoud, Hoorn, Medemblik, Obdam, Opmeer, Oudendijk, Scharwoude, Spanbroek, Sijbekarspel, Midwoud, Nibbixwoud, Oostwoud, Spanbroek, Twisk, Venhuizen, Wervershoof, Westwoud, Wognum, Wijdenes en Zwaag.

Meisjes in Amsterdam Ook Arjan maakte dankbaar gebruik van een schriftje: Auke Weerstand ploos de Urker migratieregisters door en stelde een lijst op van 150 namen. Arjan baseert zijn onderzoek verder op de Amsterdamse bevolkingsregisters, een lastige klus omdat de gezinskaarten tijdens de oorlog in brand zijn gestoken en enkel vage foto’s overgebleven zijn. Voor dit deelonderzoek zijn vier registers van het Amsterdams Stadsarchief onderzocht: het bevolkingsregister 1874-1893, de overgenomen delen, de gezinskaarten en de bijzondere registers. Het bevolkingsregister 1874-1893 omvat,

zoals de naam aangeeft, alle inschrijvingen in deze periode. De overgenomen delen voorzien in de gegevens van de Urker meisjes die tussen 1892 en 1920 in Amsterdam gediend hebben. In de bijzondere registers zijn de inschrijvingen van dienstmeisjes in verschillende tehuizen terug te vinden, waaronder het Oude Mannen- en Vrouwenhuis van de Gereformeerde Kerk Amsterdam. De zoektocht leverde ongeveer 475 Urker dienstmeisjes in Amsterdam op. Naast de registers maken we gebruik van interviews met voormalige dienstmeisjes uit de kerstbijlage van Het Urkerland uit 1981. Hierin kwamen Dirkje Romkes, Femmetje Visser, Trien Romkes, Jannetje Schraal en Jante Baarssen aan het woord. Ook citeren we Oale van Veen uit in een interview in het Urker Volksleven nummer 33 (1977), Marretje van Urk uit een ingezonden brief in het Urker Volksleven nummer 39 (1978) en een anonieme vrouw, geïnterviewd door Sijmen Baarssen in Ook dat was Urk. Ten slotte citeren we uit de levensverhalen van Brechtje Bakker en Marretje de Jonge in Tromp de Vries’ Vrouwen van Urk. In het artikel in Het Urkerland riep Arjan lezers op om de namen van omgekomen Joodse werkgevers van hun voormoeders te sponsoren op het Holocaust Namenmonument (holocaustnamenmonument.nl). Dit monument wordt momenteel aan de Weesperstraat in Amsterdam gebouwd; nazaten kunnen dit belangrijke initiatief nog altijd steunen. Voor opmerkingen of vragen kunt de auteurs bereiken via urkerdienstmeisjes@gmail.com. Vervolgonderzoek en de lijst met dienstmeisjes is te vinden op urkerdienstmeisjes.nl en urkeruitgaven.nl.

Dank We willen Klaas Kramer (Heerenveen) bedanken voor zijn engelengeduld bij het maken van de lijst van Urker dienstmeisjes. Klaas Johannes Romkes ging op zoek naar mooie verhalen uit het Urker Volksleven. Klaas Koffeman hielp ons met specifieke informatie. Het archief van Vrienden van Urk in Museum Het Oude Raadhuis bleek opnieuw een goudmijntje – hartelijk dank aan alle betrokkenen.

bessienlumme.wordpress.com

42 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

STICHTING URKER UITGAVEN


Pagina uit Dienstboderegister van Den Helder met vermelding van drie Urker meisjes.

Kaart van Hendrikje Koffeman uit het Haags Gemeentearchief met haar vier verschillende werkadressen.

Opname van de handgeschreven lijst van dienstmeisjes uit Westfries Archief uit Museum Het Oude Raadhuis, gedigitaliseerd door Klaas Kramer.

STICHTING URKER UITGAVEN

Kaart van Pietertje de Groot uit Andijkregister.

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 43


Eindnoten 1

Marretje de Jonge verliest op 2-jarige leeftijd haar vader, waarna haar moeder uit werken gaat.

2

Overigens werden mannen die bij gezinnen met bedrijf aan huis aan de slag gingen ook onder de noemer dienstbode geschaard.

3

Jannie Poelstra, Luiden van een andere beweging: huishoudelijke arbeid in Nederland, 1840-1920, Amsterdam: 1996.

4

We vergeten vaak hoe lang Nederlandse vrouwen juridisch gezien ondergeschikt zijn gebleven: tot 1957 was de getrouwde vrouw handelingsonbekwaam en had evenveel zeggenschap als een onmondige of geesteszieke. Een vrouw mocht sinds begin 1900 wel een arbeidscontract tekenen, maar alleen met instemming van haar man. Haar loon moest ze bij hem inleveren.

5

Poelstra, pagina 139.

6

Er zijn diverse pogingen gedaan om fabrieken op Urk te vestigen, waaronder de vismeel-, sigaren en nettenfabriek. Geen enkele fabriek wist te overleven, mede door bezuinigingen en staatsonthouding (Johan van Slooten, 1990).

7

Uit de beschikbare interviews valt het op dat veel meisjes uit samengestelde gezinnen kwamen. Verder onderzoek is nodig om deze veronderstelling te onderbouwen.

8

Dit blijkt bijvoorbeeld uit het interview met Dirkje Korf-Romkes in Het Urkerland (1981): “Ik hoefde niet te dienen vanwege de armoede maar vanwege plaatsgebrek bij ons thuis. We hadden een groot gezin en m’n moeder moest bovendien voor haar broer en m’n grootvader zorgen.”

9

Oale van Veen-Bakker ontving als meisje een brief van twee vriendinnen die in Amsterdam werkten met de opmerking: “We krijgen hier elke dag vlees en verdienen vijf gulden”.

10

Meer onderzoek is nodig om dit te kunnen bevestigen. Migratie als een ‘rite of passage’ is onderzocht onder Afghaanse en Malinese jongeren. Slovaakse meisjes kiezen ervoor au pair te worden om aan huiselijke problemen te ontsnappen en zelfstandig te worden.

11

Dit blijkt uit het kerklidmatenboek van Bloemendaal, geciteerd door Lub Post in de Urker Canon, www.urkeruitgaven.nl.

12

Tromp de Vries, Vrouwen van Urk, Urk: 1982, pagina 26.

13

Een Wijkgebouw waar de ‘stadsdokter’ spreekuur hield voor armlastige, niet fonds-verzekerde patiënten.

14

Tromp de Vries, pagina 28.

15

Tromp de Vries, pagina 5.

16

De Zuiderzeesteunwet bood de mogelijkheid aan de kinderen van belanghebbenden om geschoold of omgeschoold te worden, maar opvallend weinig Urker jongens en meisjes maakten hier gebruik van (Plomp).

17

In 1935 werd in het Buurthuis een kookcursus voor meisjes georganiseerd. Pas in 1947 kwam er een Landbouwhuishoudschool, ook weer in het Buurthuis. Nadat in 1958 een nieuw school werd geopend, nam het aantal vrouwelijke leerlingen toe. Het dienen was toen echter al op zijn retour.

18

De vraag is of Urker meisjes hier iets aan gehad zouden hebben want de lectuur bestond voornamelijk uit moralistische verhalen en gedichten die gericht waren op ijver en gehoorzaamheid (Poelstra).

19

Interview met Oale van Veen in Urker Volksleven.

20

Chr. Plomp, Sociografie van een eilandbevolking, pagina 100.

21

De Urkers vissen historisch niet als ‘baas’ en ‘knecht’ maar als collega’s die samen het vissersbedrijf uitoefenen. Deze ‘maatschap’ is zo geregeld dat besommingen volgens afspraken worden verdeeld. Zowel de risico’s als de winsten worden dus gedeeld.

22

Plomp, pagina 26.

23

Jan Kok en Jilles Koster, ‘“In onegt geteeld”. Ontwikkeling en regionale verscheidenheid van onwettige geboorten op het platteland en in de kleine steden van Noord-Holland, 1812-1850’, Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 13 (1987) 272-308.

24

Uit het Urker Volksleven, juli 1987.

25

Marretje trouwde met N.N. Smeets, voorouder van sportjournalist Mart Smeets.

26

Dit was niet altijd onwil; families konden grote druk op het jonge stel uitoefenen als ze uit verschillende kerken kwamen.

27

Een voorbeeld is Jan Pasterkamp, voorkind van Marretje Pasterkamp (1882-1968), dienstbode in Hoorn en Hoogkarspel. Jan werd niet geaccepteerd door vader Hein Bakker en ook niet door Marretjes latere echtgenoot, Hendrik de Vries. Jan leidde hierdoor ‘een leven vol afwijzing en niet welkom zijn’, aldus zoon Gerrit Pasterkamp.

28

Een interessante samenloop van omstandigheden dat Nederlandse eerste vrouwelijke dokter, Alette Jabobs, in 1881 het vrouwenpessarium propageerde als voorbehoedsmiddel. Zij was de werkgeefster van het Urker dienstmeisje Aaltje Kramer-Kramer, beter bekend als Oale van Geertjen (1858-1944).

29

Marretje lost het probleem op door de winkelier te vertellen dat het op Urk niet de gewoonte was om op zondag te kopen. Hij begrijpt het en laat haar ’s maandags voor de dropjes betalen.

30

Opgetekend door Sijmen Baarssen in ‘Ook dat was Urk’.

31

Het Urkerland, 1981.

32

Visserman Lubbertje Kramer schrijft: “…Pinkster op Urk [was] van uitzonderlijke betekenis omdat dan de Urker meisjes die aan de wal hun werkkring hadden, voor een week naar huis kwamen. Reeds op hun reis met de boot naar het eiland brachten zij een zekere vrolijkheid en fleur … mee. Voor degenen die dit niet hebben meegemaakt is het moeilijk te begrijpen omdat het behoort tot een schoonheid van het verleden…” In Lubbertje Kramer, Zee op! Uit het leven van een Urker visser, Bussum: 1976, pagina 70.

33

Plomp, pagina 107.

34

In 1912 schat Piet het aantal Urker dienstmeisjes op 250.

44 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

STICHTING URKER UITGAVEN


35

In de woorden van Marie Meun-Koffeman: ‘de vroomste Joden dat waren de allerfijnste mensen om bij te dienen’.

36

Bron: Jelle van Slooten

37

Hilariteit werd in joods Amsterdam veroorzaakt door een in de Amsterdamsche Kerkbode gepubliceerde opmerking van Velders dat gereformeerde dienstmeisjes van het eiland Urk in de hoofdstad werkten voor joodse families, en dat die families wellicht via deze dienstmeisjes benaderbaar zouden zijn. Na aanvankelijke schrik kwam het thema van de eendrachtige samenwerking van de gereformeerde dominee en de Urker schonen al gauw in de cabareteske sfeer terecht. Het Weekblad voor Israëlitische Huisgezinnen merkt bij Velders’ afscheid op dat het ‘Joodsche volk … een hardnekkig, een koppig volk [is], dat zich niet zoo gemakkelijk laat bekeeren, al bezigt men ook nog zoo sluwe middelen als het uitzetten van wacht- en luisterposten in de gedaante van Urker dienstboden’. Bron: Jelle van Slooten in email aan auteur.

38

Dit gold overigens niet alleen voor meisjes, maar ook voor jongens die loggerschepen werkten. Lubbertje Kramer beschrijft in Zee op hoe hij bij de kerkenraad wordt geroepen om zich te verantwoorden voor het feit dat hij op een Duitse logger vaart waar ook ’s zondags de netten worden uitgezet (pagina 65).

39

WFG, Urk, in Woord en Beeld. Jaargang 6, 1901.

40

Tussen 1920 en 1940 kwamen er bijna 200.000 buitenlandse vrouwen naar Nederland om hier als dienstbode te werken. De meesten bleven maar kort en er was een groot verloop, maar op het hoogtepunt begin jaren ’30 verbleven er wel 30.000. De grote meerderheid kwam uit Duitsland, een klein deel uit Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije en Joegoslavië. Bron: vijfeeuwenmigratie.nl.

41

https://www.omroepflevoland.nl/nieuws/54657/minder-werkende-vrouwen.

42

https://www.ad.nl/ad-werkt/cbs-meer-nederlandse-vrouwen-zijn-aan-het-werk~a1fba833e/.

43

Geciteerd door Sijmen Baarsen in Ook dat was Urk.

44

De autoriteiten zetten in op migratie van de Urkers naar andere delen van Nederland en staken een stokje voor Urks aanvragen voor land voor industrie of woningbouw. De bevolkingsdichtheid liep op tot 350 personen per hectare. Tot op de dag van vandaag kampt Urk met ruimtegebrek en is gedwongen fors te betalen voor kavels polderland. Bron: Zoutzoet.

45

Plomp, pagina 18

46

Dit wordt opvallend vaak genoemd in de ‘in memoriams’ in Het Urkerland. Bijvoorbeeld in die van Alie Romkes, die ongetrouwd in Baarn bleef wonen: “Zij heeft het altijd als een gemis ervaren, dat ze geen mogelijkheid had gehad om te kunnen studeren. Haar werk had ze gevonden in dienen aan de wal. Als werkster en als huishoudster. Zij hechtte aan de titel mejuffrouw. Nooit was zij getrouwd en daarom geen mevrouw, maar mejuffrouw!”

47

Roeland Giliamse e.a., De haven van Amsterdam (Bussum 2009).

48

H. Brugmans, Geschiedenis van Amsterdam deel 6 Opgaand Tij (Utrecht 1973) 126-130

49

http://amsterdamhistorie.nl/bestanden/migratie/bevolking_1849_1930_geboorteplaats.jpg [09-07-2020]

50

Chr. Plomp, Sociografie van een eilandbevolking (facsimile Lelystad 1989) 14,15 en 24.

51

Plomp, Sociografie, 24-25.

52

Kwartierstaat Geertje de Vries, genealogiegroep Urk.

53

Stadarchief Amsterdan, Bevolkingsregister 1873-1893, Nieuwebrugsteeg 4.

54

Hoornsche Courant, 7-10-1883.

55

Stadarchief Amsterdan, Bevolkingsregister 1873-1893, Reguliersgracht 39.

56

A.J. Geurts, Urk de geschiedenis van een eiland (Lelystad 2005) 166.

57

S. Baarssen, Ook dat was Urk (Urk, zonder jaar) 316.

58

Zie kader: ‘Meeste Urker meisjes dienden rond 1890 bij Joden’

59

Hans Blom e.a., Geschiedenis van de Joden in Nederland (Amsterdam 2017) 278 en 284.

60

Jan Stoutenbeek en Paul Vigeveno, Joods Amsterdam (Amsterdam 2017) 28.

61

Stoutenbeek en Vigeveno, Joods Amsterdam, 28.

62

Zie ook: Jelle van Slooten, Een ver-Urkte Israeliet (Urk 1995), 11.

63

De Standaard, 26-03-1883.

64

Het nieuws van den dag, 20-03-1883

65

Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage, 19-03-1883.

66

Arnhemsche courant, 19-04-1883

67

G.J. van Klinken, Opvattingen in de Gereformeerde Kerken in Nederland over het Jodendom 1896-1970 (Kampen 1996). 613.

68

Van Klinken, Opvattingen in de Gereformeerde Kerken, 613-615.

69

Exodus 15:26.

70

Voor een weergave, zie: Rien Bogerd, ‘Urker dienstmeisje en een wonder in een Joods gezin in Amsterdam’, in: Urker Volksleven, 47e jaargang, nummer 3, juli 2020.

71

De Gooi- en Eemlander, 03-01-1880

72

Interview bessien Lumme, filmopname berustend bij de Vrienden van Urk.

73

Marretje van Urk (1906-1996) presenteerde zichzelf in een artikelenserie in Het Urkerland in 1987 als Marie van Fim van Abram. In deze serie verwoordde ze haar herinneringen aan haar tijd als dienstmeisje.

74

‘Belevenissen van en twaalf-jarig Urker dienstmeisje in Amsterdam’, Het Urkerland, 15-05-1987.

STICHTING URKER UITGAVEN

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 45


75

A. Weerstand, ‘De Baakster: Lumme Anker’, Urker Volksleven, 28e jaargang, nr. 3 (2001).

76

Marretje Koffeman (1904-1993) werd in het Kerst- en Nieuwjaarsnummer van 1981 geïntroduceerd onder de naam Marie van Trui.

77

Het gaat om Jannetje Schraal, geboren 1908.

78

‘Kerst- en Nieuwjaarsnummer 1981’, Het Urkerland, 39.

79

‘Belevenissen van en twaalf-jarig Urker dienstmeisje in Amsterdam’, Het Urkerland, 15-05-1987.

80

Het gaat om Grietje Post, geboren 1893.

81

‘Kerst- en Nieuwjaarsnummer 1981’, Het Urkerland, 39.

82

‘Kerst- en Nieuwjaarsnummer 1981’, Het Urkerland, 38.

83

Het gaat om Annigje Romkes (1909-1982).

84

Annigje Romkes, geboren 26-08-1908.

85

Willempje Post (1894-1986), ook bekend als Wip van Fökkien. Willempje staat niet ingeschreven in het Bevolkingsregister van Amsterdam. De familie van Willempje heeft een (besloten) biografie over haar uitgebracht.

86

Gezinskaart Griet Post en Mourits van Buuren.

87

A. Weerstand, ‘De Baakster: Lumme Anker’, Urker Volksleven, 28e jaargang, nr. 3 (2001) 4-5.

88

Idem.

89

‘Kerst- en Nieuwjaarsnummer 1981’, Het Urkerland, 39.

90

Baarssen, Ook dat was Urk, 299.

91

Plomp, Sociografie, 106.

92

‘Hoe het Marie van Fim van Abram verder verging in de hoofdstad’, Het Urkerland, 24-07-1987.

93

De bijzondere registers voor Nieuwe Heerengracht 143 vermelden 33 Urker dienstbodes. Tussen 1920 en 1930 dienden 130 Urker meisjes in Amsterdam.

94

Amsterdamsche Kerkbode, 10-12-1922.

95

‘Kerst- en Nieuwjaarsnummer 1981’, Het Urkerland, 39.

96

De Urker Courant, 14-11-1923, 11.

97

Stadsarchief Amsterdam, toegang 743, Archief van de Gereformeerde Kerk te Amsterdam-Centrum, inv. nr. 288, ‘Avondmaalboek’ register waarin aantekening wordt gehouden van de lidmaten die op grond van attestatie of belijdenis zijn toegelaten tot het eiland avondmaal’ 1922-1933.

98

Amsterdamsche kerkbode, 30-06-1912.

99

Amsterdamsche kerkbode, 16-07-1921

100 ‘Kerst- en Nieuwjaarsnummer 1981’, Het Urkerland, 39. 101 A. Weerstand, ‘Ginds in een steeg’, Urker Volksleven, 47e jaargang, nr. 2. (mei 2020). 102 Jantje Baarsen-Schraal (1900-1998), later op Urk ook bekend als aanzegster. 103 ‘Kerst- en Nieuwjaarsnummer 1981’, Het Urkerland, 43. 104 Tromp de Vries, Gereformeerde Kerk Urk in de twintigste eeuw (Urk 2011) 9. 105 Amsterdamsche kerkbode, 28-02-1926. 106 Amsterdamsche kerkbode, 20-06-1926 Geraadpleegd op Delpher op 21-07-2020, http://resolver.kb.nl/resolve?urn= MMUBVU06:001943025:00001. 107 Baarssen, Ook dat was Urk, 307. 108 Interview bessien Lumme. 109 ‘Hoe het Marie van Fim van Abram verder verging in de hoofdstad’, Het Urkerland, 24-07-1987. 110 Interview bessien Lumme. 111 ‘Iel Kaampen zit vol met Urkers’, Het Urkerland, 23-12-1986, 29. 112 Baarssen, Ook dat was Urk, 304. 113 Ibidem, 302-303. 114 ‘Belevenissen van en twaalf-jarig Urker dienstmeisje in Amsterdam’, Het Urkerland, 15-05-1987. 115 Van Slooten, Een ver-Urkte Israeliet, 12. 116 Baarssen, Ook dat was Urk, 301. 117 ‘Belevenissen van en twaalf-jarig Urker dienstmeisje in Amsterdam’, Het Urkerland, 15-05-1987. 118 https://www.joodsmonument.nl/nl/page/177571/rijntje-neeter-goudsmit [22-07-2020]. 119 https://www.joodsmonument.nl/nl/page/30824/eva-van-de-kar-drukker [22-07-2020]. 120 Marja Vuisje, Ons kamp: een min of meer Joodse geschiedenis (Amsterdam 2018). De vader van Marja Vuisje was ooggetuige van de ontruiming. 121 Het gaat om het transport van 10 maart 1943, zie: https://www.sobibor.org/nl/de-negentien-transporten/ [22-07-2020]. 122 Dit is gebaseerd op de herinneringen van de jonge verpleegster Mirjam Blits. Zie: http://www.sobibor.org/wp-content/uploads/2016/05/ Mirjam-Blits.pdf [22-07-2020]. 123 https://www.joodsmonument.nl/nl/page/160478/rachel-goudsmit-van-de-kar [22-07-2020].

46 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

STICHTING URKER UITGAVEN


124 https://www.joodsmonument.nl/nl/page/173735/david-schiffmann [22-07-2020]. 125 https://www.joodsmonument.nl/nl/page/173732/aron-schiffmann [22-07-2020] Deze reconstructie is tot stand gekomen met hulp van Annemiek Gringold, conservator bij het Joods Historisch Museum in Amsterdam. 126 A. Weerstand, ‘De Baakster: Lumme Anker’, Urker Volksleven, 28e jaargang, nr. 3 (2001). 127 Zie kader bij ‘Waarom gingen Urker meisjes in Amsterdam dienen?’ 128 https://www.joodsmonument.nl/nl/page/208549/levie-van-kollem [22-07-2020]. 129 Jantje Baarsen-Schraal (1900-1998), later op Urk ook bekend als aanzegster. 130 https://oorlogsgravenstichting.nl/persoon/132313/abraham-rijxman [20-07-2020]. 131 Archiefkaart Judith van Dal (06-02-1881), inventaris 169. 132 https://kampwesterbork.nl/museum/17-jodenvervolging [20-07-2020] In 1944 zijn 3.751 Joden vanuit Westerbork gedeporteerd naar BergenBelsen. Ongeveer 2000 daarvan overleefden de oorlog. 133 https://www.joodsmonument.nl/nl/page/175999/judith-bartels-witteboon en https://www.joodsmonument.nl/nl/page/176000/simon-bartels [22-07-1920]. 134 ‘Van een arm vissersmeisje dat ondanks alles rijk was in God’, Het Urkerland, 1987.

STICHTING URKER UITGAVEN

Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes | 47


Samenvatting. Het is niet meer voor te stellen dat meisjes van 13, 14 jaar met een rieten koffertje of koffieblik op de boot worden gezet om in Amsterdam of een andere plek in Noord-Holland als dienstmeisje aan de slag te gaan. Toch hebben alle Urkers een voormoeder die als dienstmeisje ‘an de walle’ aan de slag ging. Al in de 18de eeuw stapten meisjes op de boot naar Enkhuizen om daar vandaan door te reizen naar ‘diensies’ op het platteland of in de steden. Vanaf eind 19de eeuw is het populair om bij Joodse families in Amsterdam te werken. Als begin 20ste eeuw Urker jongens zich aanmonsteren op haringloggers in Vlaardingen en Scheveningen worden ook de havenplekken populair. In dit eerste systematische onderzoek naar Urker dienstmeisjes zijn ruim 1000 meisjes geïnventariseerd. Het werkelijke aantal ligt veel hoger. De meisjes vertrokken soms al op 13-jarige leeftijd en dienden doorgaans tot hun trouwen. Het dienen ontwikkelde zich als van de meest constante factoren binnen de Urker gemeenschap. Terwijl Nederland ingrijpend veranderde, bleven Urker meisjes hun koffertjes pakken. Hun financiële bijdrage hield gezinnen en bedrijven overeind en gaf vrouwen de mogelijkheid om als jonggehuwde een nieuwe start te maken.

Summary. It is unimaginable today that girls of a tender age of 13 or 14 were sent off with nothing but a small wicker suitcase or coffee can to seek employment as maids in households in Amsterdam and elsewhere in North Holland. Nevertheless, all current inhabitants of Urk have such girls among their ancestors, who served ‘an de walle’, on the shore. As early as the 18th century Urk girls would sail to Enkhuizen, and from there to ‘diensies’, jobs, in either town or country. From the late 19th century it became popular to work for Jewish families in Amsterdam. When young Urk fishermen started working on herring loggers in Vlaardingen and Scheveningen around the beginning of the 20th century, girls entered into service in other harbour towns as well. This first systematic research project into this subject has inventoried over 1000 Urk girls who worked away from home in this manner. Their true number is however much larger and many must remain anonymous. The girls would be sent off as young as 13 and were generally in service until marriage. This custom developed into one of Urk’s most consistent and long-lasting practices. While the rest of the country was changing rapidly, girls from Urk kept packing their suitcases. Their financial contribution kept families afloat and after several years of hard work enabled them to commence a new life upon entering marriage.

Om het werk van de Stichting Urker Uitgaven te steunen en te kunnen doorgaan met het publiceren van de Urcker Kronieken, kunt u een gift overmaken op rekeningnummer

NL 32 ABNA 0436429853

(t.n.v. Stichting Urker Uitgaven). Een gift aan de Stichting Urker Uitgaven is aftrekbaar voor de belasting.

Colofon Urcker Kronieken is een digitaal magazine van de Stichting Urker Uitgaven waarin op diepgaande wijze onderwerpen over de geschiedenis van Urk worden belicht. Het magazine wordt gepubliceerd op de website: w w w.urker u itgave n . n l

Heeft u ook een bijdrage? We houden ons van harte aanbevolen voor uw bijdrage, ongeacht de lengte hiervan. Neem vrijblijvend contact met ons op om dit te bespreken. Ook reacties op het magazine zijn welkom. i nfo @urke r u i tgave n. nl

STICHTING

URKER UITGAVEN

Geprinte exemplaren van Urcker Kronieken zijn te koop in museum Het Oude Raadhuis, Urk.

48 | Lucia de Vries & Arjan Baarssen | 1001 dienstmeisjes

STICHTING URKER UITGAVEN


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook