Skip to main content

Urkeruitgaven - Grote razzia in de polder

Page 1

Kronieken Urcker

Jaargang 2020 | nr. 2

STICHTING

URKER UITGAVEN www.urker u i tgaven.nl

Afbeelding 1. Een tekening van Henk Rotgans over de grote razzia van 17 november 1944 in de polder.

Oorlogservaringen van Gerrit Hoefnagel (1923-1996)

Grote razzia in de polder Op vrijdag 17 november 1944 vond in de Noordoostpolder een grote razzia plaats door de Duitsers (afb. 1). Eén van de velen die toen opgepakt waren, was een Urker jongeman van 21 jaar. Hij werd weggevoerd naar Duitsland om daar onder dwang arbeid te verrichten voor de Duitsers. De Urker jongeman die we in dit themanummer volgen is Gerrit Hoefnagel, mijn vader [afb. 2]. Zijn belevenissen tijdens en na de polderrazzia heeft hij deels opgeschreven en deels verteld aan zijn kinderen. Zijn zoon Jacob schreef in 1994 Veilig in gevaar, het boek over zijn vaders oorlogservaringen.

Door Jacob Hoefnagel polderrazzia75@gmail.com


Nadat op vrijdag 17 november 1944 een grote razzia plaatsvond in de polder, die toen nog maar enkele jaren drooggevallen was, vond een dag later ook op Urk een razzia plaats waarbij 80 mannen werden opgepakt. Hun belevenissen zijn door Sjoerd Snoek beschreven in zijn boek 'Na de razzia'. De Urkers die een dag eerder opgepakt werden in de polder zijn daarin echter niet of nauwelijks beschreven. Naast Gerrit noemen we ook Jan Baarssen, Frans Weerstand en Lub Hakvoort (kader Lotgenoten). Deze vier Urkers verkeerden in dezelfde omstandigheden in Duitsland en trokken veel met elkaar op. Wat in dit nummer geschreven is berust op herinneringen. Door de tijd heen kunnen herinneringen vervaagd zijn waardoor het in werkelijkheid toch iets anders gegaan kan zijn dan hier beschreven. Maar in grote lijnen komt het overeen met de werkelijkheid. In dit verslag is zeker niet alles gezegd wat Gerrit en de andere opgepakte jonge mannen hebben meegemaakt. Er werd ook veel verzwegen, vooral over de vernederingen en de mishandelingen, waarschijnlijk uit schaamte. Den Helder Gerrit was letterlijk een zondagskind, geboren op zondag 6 mei 1923 op Urk. Zijn ouders waren Klaas Hoefnagel en Femmetje (Fim) Wakker. Zij woonden toen in een bovenwoning in Wijk 6 in de zogenaamde regeringshuizen. Deze huizen werden zo genoemd omdat het huurhuizen waren. Vader Klaas was vis-

Afbeelding 2. Gerrit Hoefnagel.

serman maar de oudste zoon Gerrit zou niet in zijn voetsporen treden. Op jonge leeftijd ging Gerrit wel een week met zijn vader mee die toen op de Noordzeebotter UK 69 voer. Vader Klaas wilde zijn oudste zoon het vak van visserman leren, maar toen de ze die zaterdag aanlegden op Urk, stapte Gerrit van boord, ging in één streep naar huis en riep 'Dit nooit weer'. Die leerweek was geen succes; hij was zeeziek geweest en misschien was Gerrit bang voor water want op zevenjarige leeftijd was hij een

keer in een sloot gevallen. Via de Zuiderzeesteunwet die in 1925 in werking was getreden als onderdeel van de Zuiderzeewet 1918, kregen ouders subsidie om hun kinderen (zonen) een vak te laten leren. Gerrit ging toen hij 13 jaar was naar de Ambachtsschool in Den Helder, ook wel Nieuwe Diep genoemd. De overheid bepaalde op grond van de Zuiderzeesteunwet waar een kind naar school moest1. Omdat Urk tot 1950 bij de Provincie Noord-Holland hoorde, moesten de Urker jongens verplicht naar de Ambachtsschool in Den Helder. Gerrit zat daar in de klas met o.a. Teun Schenk, de bekende voormalige tenorsolist van het visserskoor Crescendo. Jan Baarssen met wie hij later opgepakt werd tijdens de Polderrazzia was zijn klasgenoot. Gerrit leerde voor timmerman en was in de kost bij ene weduwe Gerritsen die in de Jonkerstraat woonde [afb 3]. Na de Ambachtsschool kon hij aan de slag bij een timmerman. Hij was net 17 jaar toen de oorlog in 1940 uitbrak. Gelukkig was hij nog te jong om voor zijn nummer op te komen in militaire dienst. Noordoostpolder In 1942 was de drooglegging van de Noordoostpolder een feit. Er werden niet alleen arbeiders gevraagd om het

Enkele jongemannen trachtten te vluchten, maar werden door kogels tegengehouden

Afbeelding 3. Inschrijfkaart burgerlijke stand Den Helder.

2 | Jacob Hoefnagel | Grote razzia in de polder

STICHTING URKER UITGAVEN


land te bewerken, zoals aanleggen van sloten, bossen, wegen en akkers maar ook timmerlieden. Er moesten immers boerderijen en huizen voor de toekomstige bewoners gebouwd worden. Door een gebrek aan infrastructuur was de nieuwe polder nog niet goed toegankelijk, ook niet voor de Duitse bezetter dus. Dit was een reden voor veel jonge mannen om er als onderduiker heen te gaan, ook omdat er daar werk voor hen was (kader onderduikersparadijs). Gerrit ging in de polder werken en vond huisvesting in één van de vele werkkampen, in november 1944 was dat kamp Marknesse II [afb. 4]. Van het Duitse gezag had hij een Ausweis gekregen die hem vrijwaarde van de verplichting voor alle mannen tussen de 17 en 40 jaar voor de Duitsers te gaan werken. Op Gerrits Ausweis stond dat hij werkzaam was in de voedselvoorziening. Daaronder vielen de boerenbedrijven inclusief de bouw van boerderijen. Meestal ging Gerrit na een week werken in de polder terug naar Urk maar soms bleef hij wel drie of vier weken in de polder. In de vroege ochtend van 17 november, de dag voordat Gerrit na vier weken afwezigheid naar Urk terug zou keren, vond er volkomen onverwacht een razzia plaats door de Duitsers in samenwerking met de Hollandse SS. De Noordoostpolder werd afgesloten om alle kampen te overvallen. Er werden ruim 3.000 soldaten ingezet onder leiding van de hoogste SS-officier in Nederland, Hanns Rauter. De Duitsers wisten dat er veel onderduikers waren en konden dit niet langer negeren. Onder het mom dat er verborgen wapendepots in de polder waren werd de inval grondig voorbereid en nauwgezet uitgevoerd. Tijdens de inval was er veel geschreeuw van de Duitsers en ook van Hollandse SS'ers. Er klonk hondengeblaf en zelfs geweervuur. Enkele jongemannen trachtten te vluchten maar werden door kogels tegengehouden. De mannen werden bijeengedreven. De 21-jarige Gerrit maakte zich geen zorgen, hij had immers zijn Ausweis! Als ze hem en zijn collega-timmermannen zouden oppakken, zou dat een ernstige belemmering betekenen voor de afbouw van boerderijen en woonhuizen.

STICHTING URKER UITGAVEN

Lotgenoten Gerrit Hoefnagel (6-5-1923 / 26-1-1996), oudste zoon van Klaas en Femmetje Hoefnagel-Wakker. Geboren in 1923. In 1954 ging hij definitief als beroepsmilitair aan de slag bij de Luchtmacht. Op 55-jarige leeftijd ging hij met pensioen. Hij woonde met zijn gezin op Urk, Nijmegen, Elst en Arnhem. Na zijn pensionering ging hij samen met Tiny en jongste dochter Boukje weer op Urk wonen. Enkele jaren woonden ze aan de Lijkant en later op de Oslolaan. Enige jaren deed hij administratief werk voor het weekblad Stuurboord. Lubbertje Hakvoort (7-11-1917 / 25-2-2007), derde kind en tweede zoon van Tiemen Hakvoort en Adriaantje (Jane) Post. Jane was een 11 jaar oudere zus van Tiny's vader Louwe en dus een neef van Tiny. Gerrit vertelde dat hij tijdens de periode in Duitsland Lub meermalen moest tegenhouden omdat hij de Duitsers wilde aanvliegen. Hij was een man van de daad. Was er iets aan de hand dan greep hij in. Hij was getrouwd met Marijtje de Boer. Jan Baarssen (13-12-1924 / 24-01-2018), het jongste kind van Klaas Baarssen en Johanna Elizabeth Hoogeveen. Boven hem kwamen twee zussen: Jannetje Idje (Iedje) en Willemina (Mientje). Jan was rustig en bedachtzaam, maar was altijd bereid te helpen. Hij trouwde met Grietje de Wit. Hij vertelde nog vaak over die brug die instortte nadat ze het kamp verlaten hadden. Hierdoor kon een volgend groepje Urkers die brug niet meer over. Bij dat groepje zat Jan Bos, een vriend van hem waarmee hij samen op de ambachtsschool in Den Helder gezeten had. Toen hij op Urk aankwam, kwam de moeder van Jan Bos hem elke dag vragen om toch maar de waarheid te vertellen: dat haar zoon Jan dood was. Tot Jan Bos gelukkig negen dagen later ook op Urk aankwam. Frans Weerstand: (29-04-1908 / 29-05-1981), getrouwd met Trientje van Slooten en vader van drie dochters en de tweeling Klaas en Auke Weerstand. Frans was ouder dan zijn lotgenoten en had al een gezin met kinderen. Dat maakte de Duitsers niets uit, iedere man die jonger was dan 40 jaar en in staat was om te werken werd op transport gezet.

Jacob Hoefnagel | Grote razzia in de polder | 3


Onderduikersparadijs Midden in de Tweede Wereldoorlog was de drooglegging van de Noordoostpolder (NOP) een feit. Omdat de Duitsers niet actief waren in de nieuwe polder kwamen vele jonge mannen die niet voor de bezetter wilden werken naar de polder. Op het hoogtepunt waren er misschien wel 20.000 mannen aan het werk. Omdat er veel onderduikers werkten werd de afkorting NOP ook wel vertaald naar Nederlands Onderduikers Paradijs. Aan dat paradijs kwam in november 1944 een abrupt einde toen de Duitsers met ruim 3000 manschappen een razzia hielden.

Toen Gerrit zijn Ausweis toonde aan een Hollandse SS'er, stopte die het document al lachend in zijn zak en liep weg. Daar stond Gerrit, beroofd van zijn kostbaar document. Voor deze soldaten bleek dit document waardeloos.

Zoals gezegd waren er in de polder nog nauwelijks wegen en de grond was drassig. Laarzen waren onmisbaar. De Duitsers eisten de laarzen op van de mannen, ook die van Gerrit, en gingen met die laarzen aan de polder in op zoek naar

Afbeelding 4. Werkkampen in de Noordoostpolder

4 | Jacob Hoefnagel | Grote razzia in de polder

vluchtelingen. Na een paar uur keerden ze terug, maar Gerrit kreeg zijn laarzen niet terug! Schoenen had hij niet bij zich dus daar stond hij op zijn kousenvoeten op de drassige grond. Allen mochten hun bezittingen bij elkaar zoeken en meenemen. Gerrit had niet veel: wat kleren en wasgoed, maar ook een foto van zijn 'kalletjen' die hij zorgvuldig bewaarde. Sinds Pinksteren had hij verkering met Tiny Post uit Zaandam, op Urk zeggen ze Trientje. Zij was een Urker Zaanse of een Zaanse Urker met Urker ouders en grootouders die door economische omstandigheden naar de Zaan verhuisden omdat daar wel werk was. Haar vader was Louwe Post en haar in 1933 jong overleden moeder was Boukje Koffeman. Vollenhove De mannen werden door de schreeuwende soldaten in een colonne gedreven en daar gingen ze, alle 400 uit kamp Marknesse. Er viel inmiddels een druilerige regen wat het geheel nog somberder maakte. Daar liep Gerrit op kousenvoeten door de modder. Hij wist nog niet dat dit de pas de eerste etappe van een lange reis zou worden [afb. 5]. Ontsnappen was onmogelijk want voor, naast en achter hen liepen gewapende soldaten. Al snel werd duidelijk dat Vollenhove, een dorp 9 kilometer verder net buiten de polder, het doel was. Een hele tocht op een lege maag, in de regen en op je kousen. Vollenhove werd overstroomd door Duitsers en gevangenen. Er heerste chaos in het overvolle dorp waardoor het veel mannen lukte aan de aandacht van de Duitsers te ontsnappen en snel een huis of een steeg binnen te glippen. De Vollenhovenaren hielpen hen daarbij maar al te graag. De groep waarvan Gerrit deel uitmaakte werd gehuisvest in een school. Je kunt je de ellendige situatie voorstellen: met 80 man in een klaslokaal gepropt, nat, hongerig, moe, koud en zere voeten met gaten in de kousen zat Gerrit daar. Zouden ze dit wel kunnen volhouden? Achter de schermen waren de bewoners van Vollenhove druk bezig om voor eten te zorgen. In de avond werd warm eten gebracht. Het was meer dan welkom. Konden ze daarna slapen? Vergeet het

STICHTING URKER UITGAVEN


maar. Eerst appel! De Duitsers hielden graag alles bij. Eerst tellen, dan slapen. Natuurlijk klopte het aantal niet met het aantal opgepakte mannen. Er waren jongens ontsnapt. Er moest dus weer geteld worden, en weer opnieuw waardoor het appel wel drie uur duurde. Nat en koud konden ze eindelijk naar binnen. Slapen was het enige waaraan gedacht werd. Maar er waren geen matrassen of stro en hoe slaap je als er 80 mannen in één klaslokaal zijn? Zittend! Na een onrustige nacht en stijf van het zitten werd Gerrit wakker. De ramen van het klaslokaal waren beslagen, er hing een bedompte lucht en buiten regende het nog altijd. Het was zaterdag 18 november, de dag dat Gerrit teruggekeerd zou zijn naar zijn ouders op Urk. Nu zat hij hier, opgesloten, gevangen. Hij maakt zich zorgen om zijn ouders. Zouden die wel weten dat hij opgepakt was? Mannen die geen schoenen hadden kregen klompschoenen, wat dus betekende dat er weer een tocht zou volgen. Ja hoor, na het onvermijdelijke appel volgde de afmars. Het woord 'Schweinhund' lag de Duitsers voor in de mond, vaak gepaard met een flinke por of stoot van het wapen. De Vollenhovenaren stonden langs de kant van de weg en riepen de mannen bemoedigingen toe (kader Vollenhove). Wie dacht aan ontsnappen uit de

Leeuwarden

Groningen (9 april 1944) Winschoten (8 april 1945)

Leer (maart 1945)

Lemmer

Marknesse (17 nov. 1944) Urk

Vollenhove

Meppel (19 nov. 1944)

Biene (21 nov. 1944 & jan. 1945)

Legenda = route lopend = route per trein = route per vrachtwagen

Gronau (dec. 1944)

Afbeelding 5. De reis van de Urkers.

Vollenhove De relatieve vrijheid voor onderduikers in de polder kwam in de vroege ochtend van 17 november 1944 door een goed voorbereide verrassingsoverval door de Duitsers ten einde. Ruim 3.000 militairen sloten de polder hermetisch af en onder persoonlijke leiding van de hoogste SS-er in bezet Nederland, Hanns Rauter, werd het gebied, inclusief de plaatsen in de randgemeenten op het oude land, uitgekamd op arbeidsgeschikte mannen. Er werden er 5.100 gepakt. Ze werden afgevoerd naar Vollenhove en daar voor de nacht ondergebracht in het Nutsgebouw in de Bentstraat, de openbare school in de Bisschopstraat en de School met de Bijbel in de Kerkstraat. Deze gebouwen waren hier niet op berekend, zodat mensonterende toestanden ontstonden. Meerdere Vollenhovenaren verleenden hulp aan de gepakte mannen. Toen de lange rij gevangenen de polderbrug overkwam, in de chaos bij het inkwartieren en tijdens de aftocht naar Meppel de volgende dag kon een groot aantal mannen stiekem de rij verlaten. Ze werden opgevangen en verborgen gehouden voor de Duitsers. Zo is enkele tientallen mannen een langdurige en gevaarlijke periode van dwangarbeid in Duitsland bespaard gebleven. Als dank hiervoor ontvingen behulpzame en moedige Vollenhoofse burgers na de oorlog een eremedaille van de gemeente Noordoostpolder. Omtrent het midden van de vorige eeuw werd in het gemeentehuis van Vollenhove een marmeren plaquette onthuld. De ingegraveerde tekst verwoordt de dank van de inwoners van Urk aan de bevolking van Vollenhove voor de "trouwe zorg zijn gevangenen bewezen onder Duitsche tyrannie in november 1944"

STICHTING URKER UITGAVEN

Jacob Hoefnagel | Grote razzia in de polder | 5


rij: dat werd onmogelijk gemaakt door de Duitsers. Met regelmaat werd met scherp langs de rijen geschoten. Als je probeerde uit de rij te stappen liep je de kans doodgeschoten te worden. Het was angstaanjagend. Meppel Het was 7 uur in de avond toen de mannen Meppel binnenstrompelden. De sirenes loeiden toen ze de eerste woningen bereikten. Geen luchtalarm, maar bedoeld om de inwoners van Meppel binnen te houden. De Duitsers hadden hun les geleerd van Vollenhove en wilden die toestand niet in Meppel hebben. Weer werden de mannen in een school ondergebracht, de Vledderschool [afb. 6]. Ze kregen stro uitgereikt waarop ze konden slapen. De volgende dag was het zondag. Hoe onwerkelijk was dit allemaal! Normaal gesproken gingen ze naar de kerk, wat nu uiteraard was uitgesloten. De school was natuurlijk niet berekend op zoveel mensen. De weinige wc's stroomden over. Mensen deden op de gang hun behoefte. Er hing dus een akelige stank. De wreedheid van sommige Duitsers bleek maar al te zeer toen ze ontdekten dat er onder de gevangenen een jood was. Een kleine man die het mikpunt van hun sadistische pesterijen werd. Ze gooiden hem op de grond en sleepten hem aan de benen door de gang dwars door alle viezigheid van de overstroomde wc’s. Daarna spoten ze hem met koud water schoon, wat ook weer een kwelling was. Het eten werd ondertussen gebracht in grote gamellen van de gaarkeuken van Meppel. Daarna wilden de Duitsers weer hun spel spelen met die arme jood. Maar hij was verdwenen! Hoe ze ook zochten, de jood was er niet. Je kunt je voorstellen dat de Duitsers woest waren. Hoe kon iemand nu ontsnappen? De mannen uit hetzelfde lokaal waar de jood had gezeten werden ondervraagd maar iedereen hield de kaken stijf op elkaar. Zij werden door de boze Duitsers naar buiten gedreven. Weer werd door de commandant gevraagd waar die jood was. Niemand gaf antwoord. De commandant beval de soldaat die bij hem stond het vuur te openen op de gevangenen die rillend van de kou en van de regen op het schoolplein stonden.

Afbeelding 6. Vledderschool te Meppel.

Een salvo knalde door de avondstilte. Er vielen geen slachtoffers omdat over de hoofden geschoten was. Omdat nog steeds niemand iets had gezegd, kregen de mannen een schop en moesten gaten graven. Zou dat hun graf worden? Na nog een ondervraging zonder antwoord te krijgen gaf de commandant het echter op. De moed van de gevangenen had het gewonnen. Later werd bekend dat de betreffende jood, klein van stuk, in een lege etensgamel gekropen was en zo uit de school kon ontsnappen, geholpen door een Hollandse SS'er in Duitse dienst. Anderen zeggen dat hij tijdens het luchten kon ontsnappen omdat een bewaker een oogje dichtkneep. Deze jood was Abraham Vuijsje2. Dochter Willy had na de oorlog briefcontact met de Urker Sjoerd Snoek [afb.7]. Ze schreef na de oorlog onder andere dit: 'Van voorjaar 1944 tot de polderrazzia op 17 november 1944 woonden we als een gewoon gezinnetje in een woonwagen net buiten het stadje Blokzijl. Mijn vader ging gewoon naar zijn (poldercultuur) werk, mijn zus en ik gingen naar school, mijn moeder moest

6 | Jacob Hoefnagel | Grote razzia in de polder

zien de eindjes aan elkaar te knopen. Nadat mijn vader op 21 november uit de school in Meppel ontsnapte (met behulp van - ja, echt waar - een S.S.-bewaker die op een zeker moment een oogje dicht deed terwijl mijn vader zogenaamd een luchtje aan ’t scheppen was op de speelplaats van de school), zwierf hij een paar weken rond in het Overijsselse boerenland, werd door verschillende boeren aan een slaapplaats (voornamelijk in ’t hooi) en eten geholpen, maar kon geen echt veilige onderduikplaats vinden.' Abraham Vuijsje heeft gelukkig de oorlog overleefd. Een vaste Burcht In de namiddag van maandag 20 november moest iedereen zich gereed maken voor vertrek. Met hun schamele bezittingen bij zich stond iedereen klaar op het schoolplein. Het moest netjes in gelid alsof ze soldaat waren. Ze stonden er al een poosje. De avond viel en het werd stiller en stiller. Iedereen was verzonken in eigen gedachten. Waar zou de reis nu naar toe gaan? Hoe zou het zijn met vader, moeder, vrouw, verloofde, kinderen? Het was om moedeloos van

De mannen kregen een schop en moesten gaten graven. Zou dat hun graf worden? STICHTING URKER UITGAVEN


te worden. De Duitsers die rondom de mannen stonden werden zenuwachtig van de stilte van deze honderden mannen, waarvan voor hen een dreiging uitging. Ze fluisterden zenuwachtig met elkaar. Kennelijk kon één Duitser de stilte niet langer verdragen en schreeuwde: "Sing ein Lied! Sing ein Lied!” Verbazing alom. Wat moesten de gevangenen nu zingen in deze omstandigheden? Dat werd al snel duidelijk. Eén van de mannen zette het Lutherlied in en zong: Een vaste Burcht is onze God Een toevlucht voor de Zijnen! Al snel was er bijval. Wie kende dit lied nu niet uit het hoofd? En het was per slot van rekening pas drie weken na Hervormingsdag. Al drukt het leed al dreigt het lot Hij doet Zijn hulp verschijnen! Het lied galmde over het plein en door de stille straten van Meppel. De vijand rukt steeds aan Met opgestoken vaan; Hij draagt zijn rusting nog Van gruwel en bedrog Maar zal als kaf verdwijnen. Ramen en deuren van de huizen rond de school vlogen open. Nieuwsgierig geworden naar waar dat gezang vandaan kwam luisterden de Meppelaren naar de zingende gevangenen en lieten zich niet onbetuigd. Ze zongen uit volle borst mee toen ingezet werd:

Geen aardse macht begeren wij Die gaat alras verloren! Ons staat een sterke Held terzij Die God ons heeft beschoren. Vraagt gij Zijn Naam? Zo weet, Dat Hij de Christus heet, Gods eengeboren Zoon Verwinnaar van de troon. De zeeg' is ons beschoren! Met grote ontroering zong Gerrit dit lied mee. Later vertelde hij dat hij sindsdien dit lied nooit meer met droge ogen heeft kunnen zingen. Wat een kracht ging er van uit! De neerslachtigheid was verdwenen. Niet de Duitsers met het wapen in de hand waren de overwinnaars. Zij, de mannen op het schoolplein, hadden een veel machtiger Iemand aan hun zijde: De Held en Overwinnaar Christus Jezus. Wat zouden de Duitsers hiervan hebben gevonden? Velen van hen moesten het ook kennen in de Duitstalige versie. Zouden er onder hen soldaten geweest zijn die (inwendig) meegezongen hebben? Niemand die het weet. Biene Eindelijk klonk het commando voor vertrek en de groep werd afgemarcheerd naar het station van Meppel. Met veel geschreeuw, geduw en kolfslagen werden de mannen de gereedstaande veewagons ingeduwd. Met een klap viel de

Afbeelding 7. Kaart van de dochter van Abraham Vuijsje.

STICHTING URKER UITGAVEN

zware deur dicht en was het opeens donker. Gerrit vertelde later dat de treinreis van meer dan 24 uur een bezoeking was. De mannen steunden elkaar niet maar stalen zelfs de schamele bezittingen van een ander, vooral etenswaren. Er waren diverse onderbrekingen omdat er vanwege angst voor beschietingen door geallieerde vliegtuigen vooral in het donker gereisd moest worden. Bij Nieuweschans werd de grens gepasseerd naar de eindbestemming, het Duitse dorpje Lingen. De mannen werden afgemarcheerd naar Biene, een dorpje daar vlakbij. Hun onderkomen daar was een varkenshok! Ze werden als zwijnen behandeld door de Duitsers. Er was een tekort aan onderkomens voor zoveel dwangarbeiders3. Alles wat maar enigszins bruikbaar was voor huisvesting, hoe schamel ook, werd gebruikt. Daaronder vielen cafés, theaters, kegelbanen, scholen en zelfs een circustent. En dus ook varkenshokken. Als avondeten kregen de mannen een homp brood toegeworpen wat ook voor de volgende morgen bedoeld was. Ze kregen te horen dat ze graafwerk moesten verrichten: om de geallieerden de opmars te belemmeren moesten er grote tankwallen gegraven worden [afb. 8]. Het was zwaar werk. Vroeg opstaan, appel, mars van een half uur naar de plek waar ze moesten werken, om twaalf uur pauze met slappe soep en dan doorwerken tot vier uur waarna weer een mars volgde van een half uur. De mannen werden vies en voelden zich ook vuil en goor. Ze kregen last van luizen en vlooien. Eens in de drie weken werden ze ontluisd, wat geen pretje was. Alle kleren moesten dan uit. Zonder vervangende kleding stonden ze soms een uur naakt in de kou te wachten tot hun kleren ontluisd waren. Met de winter in aantocht werd het steeds kouder. Gerrit had gelukkig een dikke soldatenjas gekregen maar uiteindelijk leek de kou in de botten te zitten, ook vanwege hun onderkomen in het onverwarmde varkenshok. De gravers werden bewaakt door oudere SA-mannen. De jongere hadden ze aan het front nodig. De bewakers hadden een armband om

Jacob Hoefnagel | Grote razzia in de polder | 7


Het menselijk gegil houdt aan. Tot mijn verbazing heb ik mijn schop nog in de handen en krijg kramp van het stijf vastpakken. Voor de derde maal komt het jachtvliegtuig overgevlogen. Weer word ik bedekt met aarde. Links en rechts slaan de kogels in. Een fluitend geluid, een harde tik en mijn schop vliegt uit mijn handen. Deze tuimelt door de lucht en slaat meters verder tegen de grond. Met donderend geraas vliegt de jager over mij heen en gaat in steile vlucht de horizon tegemoet. En dan is het stil. Ook het gegil is opgehouden. Links en rechts staan de mannen op. Ik schud de aarde van af en loop naar mijn schop. De steel is gespleten. Een kogel is er dwars doorheen gegaan. Ik ben wonderlijk bewaard gebleven! Er zijn gewonden, er zijn doden. De Duitser die het kanon bediende op het vliegveld is dood." [afb. 11]

Afbeelding 8. Dwangarbeiders graven aan een tankwal.

met het gehate hakenkruis er op in de kleuren rood en zwart [afb. 9]. Bloed en roet noemde Gerrit het. Zelfs op latere leeftijd had hij een gruwelijke hekel aan de Duitse vlag in de kleuren zwart, rood en geel. Hij noemde het voortdurend roet, bloed en etter. Op zekere dag werd het Gerrit zwart voor de ogen terwijl hij bezig was met het graven en het loswoelen van de grond met een houweel. Voordat hij het wist sloeg hij tegen de grond. Toen hij weer bijkwam lag hij op de grond in een woning. Nadat Gerrit was flauwgevallen hadden ze hem naar de dichtstbijzijnde boerderij gebracht waar hij bijkwam en koffie kreeg. Daarvan knapte Gerrit zo op dat hij een uur later weer op de werkplek was: de Duitser kenden geen pardon. "Arbeiten" was het motto. Beschietingen Ze waren inmiddels in de buurt van het vliegveld bij Lingen werkzaam [afb. 10]. Plotseling loeiden de sirenes van het luchtalarm. Iedere dwangarbeider wilde vluchten, maar dat was ten strengste verboden. De Duitsers haastten zich naar een schuilplaats, de dwangarbeiders stonden machteloos en konden niets anders doen dan zich plat op de grond gooien. Gerrit vertelde: "Mijn enige mogelijkheid om te schuilen is in de gegraven geul of achter een hoop zand. Hoog in de lucht cirkelt een vliegtuig. Angstig kijken we rond. "Verspreiden," roept iemand. "Niet bij elkaar blijven!” De motor van het aanstormende vliegtuig is te horen. Het geluid wordt steeds luider. Daar is het

Afbeelding 9. Duitse vlag.

jachtvliegtuig. De boordwapens knetteren. De piloot van het geallieerde vliegtuig schiet op alles wat beweegt. Het luchtafweerkanon op het vliegveld doet zijn werk, maar mist het doel. Mijn gedachten staan stil. Ik hoor alleen het naderende vliegtuig en het knetteren van de wapens. Ingeslagen kogels maken stofwolken. In de verte gilt iemand. Ik graaf mijn gezicht bijna in de grond. Dan is het jachtvliegtuig weg. Ik durf niet te kijken en blijf trillend achter de zandheuvel liggen. Daar zwelt het motorgeluid weer aan. Het vliegtuig komt terug! Weer knetteren boordwapens. Een regen van aarde daalt op mij neer.

8 | Jacob Hoefnagel | Grote razzia in de polder

Gronau Na een paar weken gewerkt te hebben bij vliegveld Lingen met als verblijf het varkenshok in Biene wordt de groep verplaatst naar Gronau. Daar worden ze ondergebracht in een barak, een hele verbetering ten opzichte van het varkenshok. Gerrit had het geluk met nog een paar Urkers in dezelfde barak te huizen. Hij zat daar samen met Jan Baarssen, Frans Weerstand en Lub Hakvoort (kader lotgenoten). Die laatste bleek ook nog eens een neef te zijn van Gerrit z'n kalletje Tiny [afb. 12]. Jan Baarssen kende Gerrit ook al van de Ambachtsschool in Den Helder. Gronau ligt in de buurt van het militaire vliegveld Rheine. Het graven was nu afgelopen maar wat ze nu als werk moesten doen was levensgevaarlijk. Het vliegveld was door de geallieerden

Afbeelding 10. Vliegveld Lingen.

STICHTING URKER UITGAVEN


flink onder handen genomen. Er waren bomkraters maar ook blindgangers. De gaten moesten gedicht worden en de blindgangers moesten worden uitgegraven waarna ze door een bomexpert onschadelijk werden gemaakt. Een niet ontplofte bom stond nog op scherp en kon zomaar ontploffen. Als dat gebeurde terwijl je er mee bezig was, bleef er niets meer van je over. Een vliegveld is een vlak en open terrein. Als je beschoten zou worden kon je nergens heen. Vaak werd het vliegveld aangevallen door geallieerden terwijl de dwangarbeiders bezig waren. Gerrit heeft vele benauwde ogenblikken meegemaakt en ook maten zien en horen sterven. Gerrit zei later: "Het is zo onwezenlijk. Zo sta je nog met iemand te praten en twee minuten later is het een lijk!” Als we proberen in de huid van Gerrit te kruipen tijdens een aanval, dan beleefde hij het volgende: "Weer luchtalarm! Ik kan er maar niet aan wennen. Maar wie wel? We zijn midden op het vliegveld Rheine. Vluchten is onmogelijk. Dekking zoeken! Maar waar? Waar? Ik hoor de Spitfire al aankomen. Ik zoek dekking naast een net uitgegraven bom. Dat is mijn enige schuilmogelijkheid. Ik lig en ik wacht. Wacht op de aanval. Wacht op de granaat, op de kogel. Wacht tot het over is. Wacht tot ik weer leef. Een halve meter verder ligt de man met wie ik samen de bom uitgroef. Wat een lawaai maakt het jachtvliegtuig! Horen en zien vergaan me. Ik zie door de stofwolkjes de kogels op me afkomen. Het einde is nabij! Ik ga dood! Ik kan niet meer denken. Naast mij een korte gil, de jager vliegt over en dan is het stil. De man naast me verroert zich niet. Ik sta op, hij blijft liggen. Dood! Zojuist sprak ik nog met hem! Nu is het een dood lichaam en is zijn ziel de eeuwigheid in geslingerd. En ik leef..." Deze ervaring heeft Gerrit zijn verdere leven getekend. Dat bleek vooral toen hij weer thuis was en tijdens een wandeling samen met Tiny kort na zijn terugkeer, naar de grond dook toen er een vliegtuig over kwam. Met de drie andere Urkers sprak Gerrit over ontsnappen. Zou dat kunnen? Zomaar verdwijnen terwijl ze aan het werk zijn? En hoe moesten ze naar Nederland? Lopen was de enige optie. Hoe

STICHTING URKER UITGAVEN

Afbeelding 11. Luchtaanval (tekening Jan Jacob Hoefnagel).

ver ze in Duitsland zaten wisten ze niet precies. Maar als de kans zich zou voordoen, moesten ze dan hun leven wagen? Honger Met de Kerstdagen hadden ze vrij, zomaar twee dagen vrij! En ze kregen ook nog eens extra te eten. Een dubbel

broodrantsoen werd uitgedeeld en een leverworst die helaas bedorven bleek, een typische streek van de Duitsers. Met weemoed werd tijdens deze dagen aan thuis gedacht. Hoe knus en gezellig was het niet tijdens de Kerstdagen en op Oudejaarsdag. 's Avond langer opblijven en bij de mondharmonica 'Uren, dagen,

Afbeelding 12. Tiny (Trientje) Post in de schoolbanken van de MULO.

De man naast me verroert zich niet. Dood! Zojuist sprak ik nog met hem! Nu is het een dood lichaam. Jacob Hoefnagel | Grote razzia in de polder | 9


maanden jaren' zingen. Ja, het was verleden tijd! Net na het aanbreken van het nieuwe jaar gingen Gerrit en Jan Baarssen op bedeltocht voor brood. Ze waren weer teruggeplaatst naar Biene, maar deze keer in een barakkenkamp. Ze werden ingedeeld bij de houthakkersploeg. Voor de bunkerbouw hadden de Duitsers veel hout nodig. Bomen moesten gekapt worden, van takken ontdaan en op wagens geladen worden. Zwaar werk maar niet zo gevaarlijk als op het vliegveld. De honger knaagde voortdurend. De bejaarde bewakers letten tijdens het werk niet zo goed op. Die zaten bij de kachel in de houthakkershut. Gerrit en Jan waagden het er op. Met z'n tweeën klopten ze bij huizen en boerderijen aan voor brood. Bij de ene boer werden ze weggejaagd, bij de andere kregen ze de hond achter zich aan of werden ze voor landlopers aangezien. Soms kregen ze brood. Toen ze na een paar keer zonder buit terugkwamen trok Gerrit op een avond de stoute schoenen aan. Hij sloop de barak uit toen het goed donker was en liep op zijn hoede naar de bakkerij van het kamp. Het was verboden om in het donker buiten te zijn. Gerrit moest dus op zijn hoede zijn voor bewakers die in het kamp rondliepen. Hij had de looproute goed in zijn hoofd geprent en al snel had hij de bakkerij gevonden. Inbreken was voor hem een kleine moeite, hij was tenslotte timmerman en wist alles van deuren en ramen. In de bakkerij vond hij in het donker op de tast zijn weg en greep het eerste het beste brood dat hij voelde. Het lukte hem ongezien weer terug te keren. De vreugde bij hem en zijn Urker maten was groot toen bleek dat Gerrit een heel roggebrood had weten te stelen. Geallieerde vliegtuigen De dagen regen zich aaneen. Het leven als houthakker was zwaar maar ook saai. De winter was koud en Gerrit bleef loeren op een mogelijkheid tot ontsnappen. Dagelijks kwamen geallieerde bommenwerpers over. Dat deed de dwangarbeiders goed; de Duitsers werden verslagen en dan waren zij vrij! De lucht kleurde in het oosten soms oranje. Dan wisten ze dat daar branden woedden vanwege de bombardementen. Hoe het met het verloop van de oorlog

Afbeelding 13. Bellingwolde, hoofdweg 237 waar bakkerij Jansma was gevestigd.

verder was wist Gerrit natuurlijk niet. Nieuws drong niet door tot in de werkkampen. De enige nieuwsbron waren de geallieerde vliegtuigen die overkwamen. De dwangarbeiders wisten niets van de opmars van de geallieerden. Van het Ardennenoffensief en de hevige strijd om de Rijn over te komen en verder door te stoten naar Duitsland hoorden zij pas na de oorlog. Op één van hun bedeltochten liepen Jan en Gerrit langs de Ems toen zij opeens werden aangeroepen. Het bleek een Urker te zijn die te werk gesteld was op een aak! Hoe wonderlijk. Hij gooide hen een half brood toe. De naam van de matroos wist Gerrit zich 48 jaar later toen hij eindelijk zijn verhaal vertelde, niet goed meer te herinneren. Hij dacht dat het Hendrik Visser was, ook Hendrik van Riekeltjen genoemd. Op een dag bij terugkeer van de werkploeg naar het barakkenkamp, kreeg

10 | Jacob Hoefnagel | Grote razzia in de polder

Gerrit een grote teleurstelling te verwerken: hun barak bleek er niet meer te zijn - alleen nog wat smeulende resten. Ze hoorden dat een aangeschoten geallieerd vliegtuig zijn bommen moest lossen. Eén ervan kwam op hun barak terecht4. Gerrit was nu alles kwijt, ook de enige foto van zijn kalletje Tiny. Natuurlijk besefte Gerrit later dat hij toch ook nu weer wonderlijk gespaard was omdat ze niet in de barak waren toen de bom viel. Niet veel later verhuisden ze weer en werden ze noordelijker in het dorp Leer ondergebracht. De angst van de Urkers om verder naar het oosten gebracht te worden, werd gelukkig geen werkelijkheid. In het voor hen nieuwe dwangarbeiderskamp waren verschillende nationaliteiten ondergebracht: Russen, Fransen, Hollanders, Belgen en Duitse deserteurs. Vooral de Fransen zorgden voor veel overlast. Ze waren lawaaiig en ze zeurden de hele dag.

Op één van hun bedeltochten liepen Jan en Gerrit langs de Ems toen ze opeens door een Urker werden aangeroepen STICHTING URKER UITGAVEN


Hoe het met het geloofsleven van Gerrit in die periode gesteld was weten we niet echt. Toen het boek 'Veilig in gevaar' in 1994 uitkwam over zijn belevenissen tijdens de oorlogsjaren merkte Gerrit op dat hij zelf dat 'veilig' in de zin van geborgen in Gods hand toen niet zo ervaren heeft. Pas later kon hij werkelijk zeggen dat hij veilig in gevaar was geweest in de oorlogsjaren, dat God hem bewaard had in de oorlog. De bedoeling daarvan heeft hij pas later begrepen. Ontsnapt! De Paasdagen waren aanstaande. Van de Stille Week en Goede Vrijdag merkten de vier Urkers niets: de Duitsers deden daar niet aan. De maandag na Pasen, 2 april 1945, was er paniek in het kamp. Het was avond en de werkploeg was al terug van hun houtkap. Er was brand. Niet zo lang daarvoor waren de Fransen afgemarcheerd. Zij werden onder begeleiding van gehelmde en gewapende Duitse militairen afgevoerd naar het oosten. Zouden de geallieerden oprukken zodat de Duitsers gedwongen opschoven naar het oosten met medeneming van de dwangarbeiders? Het benauwde Gerrit. Maar zijn aandacht was nu voor de brand. De vier Urkers stonden naar de brandende barak te kijken. De Duitse bewakers renden rond als kippen zonder kop. Sirenes loeiden en er werd om 'Wasser' geroepen. De

Fransen hadden een cadeautje achtergelaten: vlak voor hun vertrek hadden ze een vuurtje gestookt in hun barak waardoor deze nu in de fik stond. Opeens zag Gerrit dat de poort openstond. Hij stootte zijn dorpsgenoten aan en wees naar de open poort. Ze hoefden niets meer te zeggen. Ze renden naar binnen, pakten hun spullen en onder bescherming van de invallende duisternis en dankzij de brand konden ze onopgemerkt de poort uitlopen. Ze waren vrij, dat wel - maar nog steeds in Duitsland. Het viertal ging in westelijke richting op weg, ze liepen de hele nacht door. Zo ging dat een paar nachten achtereen. Steeds bij de dageraad zochten ze onderdak in verlaten schuren. Nederland De vijfde dag, toen het al licht begon te worden en de Urkers na een klein kanaal overgestoken te hebben uitkeken naar een slaapplek, bleken ze ineens in Nederland te zijn. Zonder het in de gaten te hebben waren ze bij het Groningse dorp Bellingwolde de grens overgestoken. De vier vielen op in het dorp en werden daarom opgepikt door de ondergrondse. Gerrit en Jan werden ondergebracht op zolder bij de plaatselijke bakker Jansma aan de Hoofdweg [afb. 13]; Frans en Lub bij een ander gezin. De ondergrondse zou hen verder brengen als het goede moment daar was.

Afbeelding 14. Luchtaanval op de haven van Lemmer (tekening Jan Jacob Hoefnagel).

STICHTING URKER UITGAVEN

De volgende morgen, het was nog donker, sloeg bij Gerrit en Jan de schrik om het hart - ze hoorden Duits praten! De bakkersvrouw sprak iemand aan met 'Herr Offizier'. Wat had dat te betekenen? Waren ze verraden? Vluchten was onmogelijk! Pas een uur later stak de bakker voorzichtig zijn hoofd door het zoldergat. Het bleek dat de plaatselijke Duitse commandant bij hen was ingekwartierd. Tegenhouden kon het bakkersgezin dat niet maar het vormde meteen wel een dekmantel. De volgende nacht, of liever gezegd in de zeer vroege morgen werden de vier Urkers weer herenigd en werd hen de weg gewezen naar een boer in Winschoten. De keuterboer verborg hen op de hooizolder. Na twee dagen kwam een man bij hen die zich voorstelde als de stationschef en hen naar het station bracht. Om middernacht zou een trein vol met Duitse militairen vertrekken naar Groningen. Met die trein, vol met de vijand, konden ze stiekem meereizen. Op het seintje van de stationschef sprongen ze op het laatste moment in het remmershuisje achter op de trein. Het was krap voor vier man maar het was te doen. In Groningen verlieten ze de trein net voordat deze stilstond. Lemmer Het volgende doel was Leeuwarden. Daar brachten ze de nacht door in een verlaten schaapskooi. Na een lange tocht via het net bevrijde Sneek kwamen de Urkers aan in Lemmer op maandag 16 april. De dag was al gevorderd en nu moesten ze nog een slaapplaats zien te vinden. Bij een grote boerderij vroegen ze onderdak maar de boer joeg hen weg. Hij was bang voor de Duitsers die nog in Lemmer waren en voor het feit dat zijn vee verbeurd werd verklaard wanneer bekend zou worden dat hij ontsnapte dwangarbeiders herbergde. Deze houding had het viertal niet verwacht van de eigen bevolking en teleurgesteld liepen ze verder. Even later werden ze aangesproken door een man die vermoedde dat ze onderdak zochten. Het bleek een visserman te zijn die een bootje in de binnenhaven had liggen waarop ze de nacht mochten doorbrengen. Dankbaar maakten ze gebruik van dit vriendelijke aanbod. In dat bootje beleefden de vier

Jacob Hoefnagel | Grote razzia in de polder | 11


Urker jongemannen angstige momenten. Die nacht leek het alsof de hel was losgebarsten. Eerst merkten ze rumoer in de haven. Toen ze voorzichtig keken bleek de kade vol voor de Canadezen vluchtende Duitse soldaten te staan die zich probeerden in te schepen. Vervolgens barstte in de vroege ochtend een vreselijk bombardement los. De binnen- en buitenhaven werd door de Canadezen onder vuur genomen [afb. 14]. Bomscherven kletterden neer op hun bootje. Granaten sloegen in huizen of kwamen in het water terecht. Angstig schuilde het viertal zo diep mogelijk in het bootje. We laten Gerrit weer aan het woord: "Een enorme knal verbreekt de stilte. We duiken in elkaar van schrik. Deze knal wordt gevolgd door vele andere. Het is een oorverdovend lawaai. Projectielen belanden op de kade maar ook in het water waardoor onze boot hevig heen en weer schudt. Schel fluitend vliegen de granaten over ons heen. Meteen gevolgd door een hevige knal als de granaat ergens inslaat. Dof gerommel klinkt op het dek. Granaatscherven teisteren onze boot. De schoorsteen van een nabijgelegen huis wordt getroffen en stort op ons bootje. Het angstzweet breekt me uit. Een lichtflits verblindt ons, gevolgd door een enorme knal. De boot dreigt te kapseizen. Ik zit handenwringend op de grond. Met elke klap die komt kan zomaar mijn leven voorbij zijn. Dan sterf ik in het ruim van een

De boot is volledig doorzeefd, de mast geknapt en de omgeving verwoest. Een wonder dat we nog leven. schip. Waar zijn we veilig in dit gevaar? Zo dicht bij huis en dan toch de dood vinden? Had die boer ons maar onderdak verschaft, dan waren we beter af geweest dan hier op het water in een kwetsbaar bootje. We bidden handenwringend om bewaring. Dan is het stil. Onnatuurlijk stil. Als we uiteindelijk op de kade staan zien we de schade. De boot is volledig doorzeefd, de mast geknapt en de omgeving verwoest. Een wonder dat we nog leven. Diverse branden woeden rond de haven." 'Had die boer ons maar onderdak verschaft!' dacht Gerrit tijdens die beschietingen, maar later dacht hij daar anders over! Uit het schip en overleggend hoe nu verder kwamen ze langs een boerderij. Deze lag in puin. Kadavers van vee lagen in de vernielde stallen en... op het erf lag het ontzielde lichaam van een man. De boer? Dit was de boerderij van de man die hen weigerde onderdak te verlenen. Later bleek deze boer ene Taeke Huitema te zijn. Hij weigerde de mannen onderdak omdat in het huis naast het zijne Duitsers waren gehuis-

vest. De kans op ontdekking dat hij vluchtelingen hielp was zijns inziens groot. Hij was niet degene die dood op het erf lag. Waarschijnlijk was dat een gesneuvelde Duitser. Verward maar dankbaar gingen de mannen verder. Ze werden echter tegengehouden door een man in een blauw overall met een oranje band om de arm. Hij gaf de Urkers het advies naar het gemeentehuis te gaan om daar een vrijgeleide te vragen om Lemmer weer te mogen verlaten. Niet veel later stonden de mannen voor de commandant van Lemmer. Kort gezegd kwam het hierop neer: hij geloofde niet dat ze ontsnapte dwangarbeiders waren maar dat ze gedeserteerd waren uit het Duitse leger. Veel Hollandse jongens waren namelijk in Duitse dienst. De commandant wees hen op hun kleding en zei dat die Duits waren. Met een revolver in de rug werden ze naar de kelder geleid en in de cel gegooid. Daar zaten ze dan! Vlakbij huis en nu gevangen gezet. Rond de klok van één uur werden ze gelukkig vrijgelaten. De commandant had alles nog eens nagetrokken via de burgemeester

Afbeelding 15. Zicht op Urk vanaf de Lemsterdijk.

12 | Jacob Hoefnagel | Grote razzia in de polder

STICHTING URKER UITGAVEN


van Urk en geloofde hun verhaal. Ze kregen een vrijgeleide en hen werd de weg gewezen naar de Lemsterdijk die rechtstreeks naar Urk leidde. Ze werden gewaarschuwd het eerste gedeelte van de dijk over de basaltblokken te lopen omdat op de dijk zelf mijnen lagen. Het gevaar was dus nog niet voorbij. Urk! Eindelijk was Urk weer in zicht [afb. 15]. Natuurlijk waren de vier mannen er niet van op de hoogte dat een dag daarvoor gevluchte Duitsers dezelfde route hadden genomen in omgekeerde richting. Urk was weliswaar al verlost van de Duitsers maar de bevrijder had zich nog niet laten zien. Op Urk was men op dat moment in rep en roer. De roep ging over Urk dat de Canadezen in aantocht waren en over de Lemsterdijk naar Urk kwamen. De Urkers verzamelden zich aan het eind van Wijk 7 om de bevrijders te ontvangen. Onderweg op de dijk ontdeden de vier Urker zich van overtollige kleding die vol luizen of vlooien zaten. Het was half negen en de zon ging net onder toen ze Urk bereikten. Gerrit schreef in zijn dagboek de volgende slotzinnen: "Toen we dichter bij Urk kwamen stond het op de slikhoogte zwart van de mensen en we vroegen ons af wat dat nu weer te beduiden had. Toen we eindelijk onze voet weer mochten zetten op onze geboortegrond bleek de overgrote belangstelling te zijn ontstaan door het gerucht dat de Canadezen in Lemmer waren en dat er een patrouille op weg was naar Urk. De roep ging door het dorp: daar komen de Canadezen! Het bleken echter maar vier verpauperde Urkers te zijn. Nog nooit is iemand onder zoveel belangstelling thuisgekomen. Het was 17 april 1945, voor Urk de eerste Bevrijdingsdag (afb. 16)." Jan Baarssen, Frans Weerstand, Lub Hakvoort en Gerrit Hoefnagel waren de eersten die terugkeerden uit Duitsland van de 80 tijdens de polderrazzia opgepakte Urkers. Opmerkelijk genoeg was er in de plaatselijke pers geen aandacht voor dit bijzondere feit op 17 april. De volgende dag stond over de bevrijding dit korte en enigszins cryptische bericht in De

STICHTING URKER UITGAVEN

Jo H. Van Klaas G. Hoefnagel, van Tiemen L. Hakvoort (Lub) en van Jan Okke Weerstand. Dat was het. Meer niet [afb. 17].

Afbeelding 17. Uit De Oprechte Urker.

Oprechte Urker, de voorloper van Het Urkerland: 17 april. En vandaag Harlingen en vanmiddag 12 uur Lemmer vrij, volgens de vier jongelui die uit Duitschland vanavond plm. 08:30 via Lemsterdijk hier aangekomen zijn. 't Zijn zoons van Klaas J. Baarssen en

Gerrit en Tiny Gerrit was weer terug op Urk maar Tiny wist dat nog niet. Zij leefde in Zaandam nog in onzekerheid. Pas op 21 mei toen de postblokkade voorbij was, kon Gerrit haar schrijven dat hij weer veilig en gezond op Urk was [afb. 18]. Bijna vier jaar na de bevrijding, op 1 april 1949, trouwden Gerrit en Tiny. Eerst tekende Gerrit tijdens de vervulling van zijn dienstplicht voor Nederlands-Indië waar hij in 1947 als vrijwillig geniesoldaat bijna twee jaar diende. Gerrit was nu eenmaal avontuurlijk aangelegd. Het jonge stel ging na hun trouwen op Urk wonen, in ‘de flatten’. Ze kregen vijf kinderen waarvan vier op Urk zijn geboren. Gerrit was de eerste jaren nog timmerman maar ging in 1954 in militaire dienst als beroepsmilitair. Hij diende zijn verdere

Afbeelding 16. De Canadezen komen vrijdag 20 april aan op Urk.

Jacob Hoefnagel | Grote razzia in de polder | 13


Afbeelding 18. Eerste brief van Gerrit aan zijn vriendin Tiny na aankomst op Urk.

leven bij de luchtmacht en zwaaide op 55-jarige leeftijd af als adjudant. Pas in 1993, 48 jaar na de oorlog, vertelde Gerrit voor het eerst zijn verhaal en schreef zijn belevenissen op. Eerder had hij slechts sporadisch iets losgelaten. Op vrijdag 26 januari 1996 overleed hij. Tiny leeft nog, zij woont in Veenendaal en is nu 92 jaar. Geen van de vier jongemannen die de bevrijding van Urk onder het Duitse juk

inleidden, leeft nog. Als laatste overleed Jan Baarssen, op 24 januari 2018. In de rubriek 'Wij gedenken' in Het Urkerland noemt de familie het feit dat hij bij de polderrazzia werd opgepakt en hout moest hakken en tankwallen graven. Niets wordt gezegd over de ellendige omstandigheden waarin ze als dwangarbeiders in Duitsland verkeerden. Wellicht vertelde Jan ook nauwelijks iets aan zijn familie? In genoemde

rubriek staat verder: "Tegen het einde van de oorlog ontsnapte hij met drie vrienden en liep naar Urk terug. Bijna ging het nog mis, toen ze de laatste nacht voor thuiskomst in Lemmer in een bootje overnachtten. De Canadezen beschoten de haven om de Duitsers te verdrijven. De bovenkant van de boot was doorzeefd, de jongens in het ruim werden gespaard." En even verderop:

De haven van Urk in 1940. Foto Hustinx.

14 | Jacob Hoefnagel | Grote razzia in de polder

STICHTING URKER UITGAVEN


"De laatste jaren in Het Dok kwamen de herinneringen aan de oorlog, de beschietingen en bombardementen, weer boven." Zo verging het Gerrit ook. Op oudere leeftijd kreeg hij last van nachtmerries. Alle angstige belevenissen van de laatste oorlogsmaanden kwamen in zijn dromen terug. Is met dit verhaal alles gezegd? Ik denk het niet. Er is verteld wat deze vier wilden vertellen. Er zijn ook zaken verzwegen. De mannen hebben sommige ervaringen meegenomen in hun graf. Daarin staan ze niet alleen. Ze vonden zichzelf niet moedig, dapper, trots of heldhaftig. Misschien vonden ze zichzelf op sommige momenten zelfs laf. En als een maat het leven liet, voelden sommigen zich schuldig omdat zíj́ nog leefden. Wij gedenken hen met eerbied en dankbaarheid. Opdat het allemaal niet vergeten wordt. 

Geraadpleegde literatuur - Hoefnagel, J. 1993. Veilig in Gevaar, uitgeverij De Banier, Utrecht. ISBN 90 336-1381-6. - Snoek, S. 1984. Na de razzia. Dagboek van Sjoerd Snoek. Stichting Urker Uitgaven, VII.

Eindnoten 1. Wikipedia: Zuiderzeewet met de daarbij behorende bronvermeldingen. 2. www.spanvis.com/lemsterland. Hoofdstuk Arbeidsdienst in Duitsland. Vertellingen o.a. van de dochter van Abraham Vuijsje. 3. Oudheidkundige Vereniging Gendringen. Zo’n 3500 mensen werden in de dakpannenfabriek ondergebracht; de droogloodsen (met half open wanden) werden hun slaap- en verblijfplaats, op de vochtige kleibodem met enig stro; eten was er nauwelijks; de arbeiders werden geslagen, soms tot de dood toe. Toen de droogloodsen overvol raakten, werd er een soort circustent op het terrein geplaatst als onderdak. En in het nabijgelegen dorpje Biene werden nog eens een 400 mannen en jongens ondergebracht in twee zalen die werden gevorderd; dat onderdak leek iets beter, maar de behandeling was er net zo onmenselijk. 4. De Urker Louwe Gnodde die op 17 november 1944 in kamp Zwartemeer werd opgepakt, bevestigt dit verhaal in een interview op 28 augustus 2012 waarin hij onder meer zei: 'Toen we terugkwamen van het werk was de barak weg. Door drie bommen werd onze barak getroffen'.

Jacob Hoefnagel

Het verhaal dat hier beschreven is, is als podcast in de vorm van een weekverslag te beluisteren via de site www.polderrazzia.nl. Je hoort dan als het ware Gerrit vertellen wat hij meegemaakt heeft en hoe hij het beleefd heeft. De vertellingen worden ondersteund door geluidsfragmenten en muziek. Op de site staan ook filmfragmenten.

STICHTING URKER UITGAVEN

Jacob Hoefnagel (1952), de samensteller van dit nummer van de Urcker Kronieken, werd geboren op Urk en is derde zoon van Gerrit Hoefnagel. Hij heeft 38 jaar bij de Postbank/ING gewerkt en na zijn VUT is hij aan de slag gegaan bij de SBOH, de stichting die de beroepsopleiding faciliteert voor artsen in opleiding. Eind 2020 hoopt hij definitief te stoppen met zijn werkzame leven. Hij ontdekte op het eindexamen Nederlands van de middelbare school dat hij wel heel makkelijk kan schrijven. Voor zijn opstel kreeg hij het hoogste cijfer van de eindexamenklas plus een compliment van de docent. Maar het duurde nog enkele jaren voordat hij wat meer bekendheid kreeg. Dat was op aandringen van de bekende Veenendaalse schrijver Rik Valkenburg. In één van zijn Kerstbundels werd een verhaal van Jacob opgenomen. Daarna kwamen enkele boeken uit: Drugs per parachute (Groen en zoon, 1989), Kostbare lading (De Banier, 1993), Veilig in gevaar (De Banier, 1993), Het geheim van de KLE-XC-84 (De Banier, 1994), en Onder de blauwe baret (De Banier 2001). 12 jaar was hij columnist bij het classisblad Om Sions Wil. Vele kerstverhalen van zijn hand werden in diverse bladen gepubliceerd.

Jacob Hoefnagel | Grote razzia in de polder | 15


Samenvatting. Op 17 november 1944 vielen de Duitsers met groot machtsvertoon de werkkampen in de Noordoostpolder binnen. In die kampen werkten duizenden mannen aan de ontginning van de net drooggevallen polder. Veel onderduikers, maar ook mannen met een gezin die probeerden de kost te verdienen. Alle mannen tot 40 jaar werden gearresteerd en naar Duitsland afgevoerd om dwangarbeid te verrichten. Gerrit Hoefnagel was een van hen. Samen met drie Urker lotgenoten groef hij tankwallen, werkte hij op vliegvelden en moest hij blindgangers opruimen. Na veel ontberingen ontsnappen ze en komen ze op 17 april 1945 lopend via de net aangelegde dijk vanaf Lemmer op Urk aan.

Summary. Using much display of power, Nazi occupying forces marched into work camps in the Noordoostpolder on the 17th November 1944. Thousands of men worked in these camps, developing the land of the polder, which until recently had been sea. Many of the workmen were hiding from the Nazis, while others were simply trying to make ends meet and sustain their families. All men up till the age of 40 were arrested and sent to Germany to work in labour camps. Geriit Hoefnagel was one of them. Together with three other workers from the village of Urk he was made to dig anti-tank walls, worked at airports and cleared undetonated explosives. After having suffered incredible hardships, they finally escaped and returned to Urk on 17th April 1945 via the recently constructed dike from Lemmer.

Colofon Urcker Kronieken is een digitaal magazine van de Stichting Urker Uitgaven waarin op diepgaande wijze onderwerpen over de geschiedenis van Urk worden belicht. Het magazine wordt gepubliceerd op de website: w w w.urker u itgave n . n l

Heeft u ook een bijdrage? We houden ons van harte aanbevolen voor uw bijdrage, ongeacht de lengte hiervan. Neem vrijblijvend contact met ons op om dit te bespreken. Ook reacties op het magazine zijn welkom. i nfo @urke r u i tgave n. nl

STICHTING

URKER UITGAVEN

Geprinte exemplaren van Urcker Kronieken zijn te koop in museum Het Oude Raadhuis, Urk.

16 | Jacob Hoefnagel | Grote razzia in de polder

STICHTING URKER UITGAVEN


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Urkeruitgaven - Grote razzia in de polder by GBU printmedia - Issuu