Skip to main content

FIRM 22.2

Page 1

FIRM Fiscaal studentenblad

Jaargang 22 • Nummer 2 • februari 2015

Lucratief ondernemen In Box 2 Ondernemen In Nederland Dutch business climate

Ondernemen in belastingland


Heb jij het lef? Ondernemers succesvol laten ondernemen. Dat is wat wij elke dag samen doen. We zijn nieuwsgierig naar alles wat met ondernemen te maken heeft. Niet alleen naar de cijfers, maar ook naar de dromen en mensen erachter. We verrassen onze klanten door steeds nieuwe wegen te benadelen. Durf jij het ook?

OPEN

VOORUITSTREVEND

SAMENWERKEN

ANDERS


FIRM Jaargang 22 • Nummer 2 • februari 2015

6

27 23 14

10 30

Colofon FIRM is het gratis magazine

4 — Voorwoord FIRM-commissie 5 — Voorwoord bestuur 5 — Agenda 6 — Houthoff Buruma 8 — Tussen juridische fictie en economische realiteit 10 — Meijburg & Co Business course Zuid-Afrika 2014 12 — De (fiscale) toekomst van de zzp’er 14 — Kabinet hakt met botte bijl in op zzp’ers 15 — Activiteitenpagina najaar 2014 16 — Lucratief ondernemen in box 2 18 — Pathofinder 19 — Scheers Groep, supporters van ambitie 20 — Discussiepagina 21 — Hoe ontkomt burgerman Jos aan de erfbelasting? 22 — Eerstejaarsactiviteit 23 — Gebakken lucht in plaats van een echte interne markt... International Section 24 — Foreword president FIRST Maastricht 24 — Calendar 24 — EU impact on Dutch business climate 27 — VAT consequences: the start and ending of an economic activity 29 — Interview alumni LL.M. International and European Tax Law 30 — EY Luxembourg Trip

Redactie

Oplage

Verspreiding

Gentjana Pura, Jos Ruijters

600 stuks

Studenten en medewerkers

Niets uit deze uitgave mag

van de FoL en de SBE van

op welke wijze dan ook

Ontwerp

Maastricht University, fiscale

worden verveelvoudigd en/of

Stefan Roex, www.stefanroex.nl

reünisten en vaste relaties van

worden overgenomen zonder

FIRST Maastricht.

voorafgaande (schriftelijke)

Martijn Vonk, Michèle Rooijmans

van FIRST Maastricht, de fiscale studievereniging en

Adresgegevens

verschijnt vier keer per jaar.

Postbus 64 6200 AB Maastricht

Druk

Hoofd- en eindredactie

043 – 388 35 88

Perfectbook

Jasper de Winter &

firm@firstmaastricht.nl

Specialist in studentendrukwerk

Bastiaan Didden

www.firstmaastricht.nl

www.perfectbook.nl

FIRM FEBRUARI 2015

toestemming van de redactie.

3


Vereniging

Voorwoord FIRM-commissie Waarde lezer, Voor u ligt alweer, de tweede FIRM van deze jaargang. Een FIRM die als titel ‘Ondernemen in belastingland’ heeft meegekregen. Zowel het thema ‘Ondernemen’ alsook het thema ‘Nederland, belastingland’ staan momenteel volop in ‘the picture’. Denk hierbij aan de huidige discussie over zzp’ers: in hoeverre moeten zij bijv. recht hebben op de fiscale (ondernemings)faciliteiten? Gezien de titel van deze FIRM zal hier door middel van een kritische beschouwing dan ook aandacht aan worden besteed. Voorts zal aan de hand van enkele interviews inzichtelijk worden gemaakt wat ondernemen in Nederland concreet inhoudt. In dit kader is een interview opgenomen met dhr. Simons, directeur van Pathofinder, een zeer innovatieve onderneming: wat is zijn visie ten aanzien van het ondernemen in Nederland en Limburg in het bijzonder? Daarnaast is ook een interview opgenomen met twee partners van het Limburgse advies- en accountantskantoor Scheers Groep: wat komt om de ‘hoek kijken’ bij het ‘runnen’ van een accountants- en advieskantoor? Naast deze interviews en de column van dhr. van Mierlo over de interne markt in de EU, kent deze FIRM ook een aantal andere bijdragen, waaronder een bijdrage van 4

dhr. Korving, waarin het fiscale vestigingsklimaat van Nederland wordt besproken, immers de BV Nederland onderneemt ook! Tevens wordt aandacht besteed aan de vraag welke ondernemingsvorm in Nederland het gunstigste fiscale regime ten deel valt. Dhr. Kooiman, verbonden aan het Wetenschappelijk Bureau van Deloitte zal deze vraag beantwoorden. Voorts zal door Jasper de Winter worden ingegaan op de problematiek rondom de erfbelasting. Wat kunnen particulieren en ondernemers doen om deze belasting zoveel mogelijk te drukken? En als er een verschil is in mogelijkheden tussen beide groepen, is dan het gelijkheidsbeginsel in het geding? Naast bovenstaande bijdragen die een ‘direct tax’-karakter hebben, zal vanuit ‘een indirect tax’-bril door Jos Ruijters worden bezien welke btw-aspecten te onderkennen zijn bij het starten en beëindigen van een onderneming. Naast de bovengenoemde fiscale kijk op ondernemerschap, wordt er ook aandacht besteed aan de ondernemingsrechtelijke aspecten. Zo gaat Philippe Hezer in op de vorming en toekomstige ontwikkeling van het ondernemingsrecht. Een succesvol ondernemer wordt gekenmerkt door het nemen van risico en het tonen van durf en lef. Het huidige FIRSTbestuur kan dit niet ontzegd worden, FEBRUARI 2015 FIRM

getuige het feit dat voor de eerste keer een eerstejaarsactiviteit is georganiseerd. Voorts staat er ook nog een alumni activiteit op de agenda. Aan beide activiteiten zal aandacht worden besteed, waarbij hier alvast opgemerkt dat de alumni activiteit zal plaatsvinden op vrijdag 20 maart a.s. te Amsterdam. Een zeer mooie mogelijkheid om oud-studiegenoten weer te ontmoeten en bij te praten! Vanzelfsprekend zal ook worden ingegaan op de diverse activiteiten die hebben plaatsgevonden, denk hierbij aan de EY Luxemburg Trip en de presentatie van het Belastingplan 2015 in samenwerking met Deloitte. In navolging van de eerste FIRM van deze jaargang, zal op de discussiepagina ook een nieuwe stelling worden geïntroduceerd. Uw reacties zien wij graag tegemoet! Namens de FIRM-commissie wensen we u veel leesplezier en een fijne carnaval (hierbij voor de goede verstaander opgemerkt dat de FIRM, 2 x 11 jaar bestaat!).

Jasper de Winter Hoofdredacteur FIRM 2014-2015

Bastiaan Didden Eindredacteur FIRM 2014-2015


Voorwoord bestuur

De BV Nederland. Een onderwerp uit duizenden. Maar wat zien wij als fiscalisten in spé nu echt van deze BV? We gaan een paar keer per jaar naar de Zuidas en naar andere mooie glazen kantoren. Maar het MKB, de maakindustrie, de maak-BV, die zien we nauwelijks. Enige tijd geleden heb ik kennis mogen maken met een maak-BV. Ik werd uitgenodigd voor een bezoek bij een bloemenkwekerij. Hier kweekt men tulpen die uiteindelijk bij ons in de vaas belanden. Van bol tot tulp hoe moeilijk kan het zijn? Je stopt een bol in de grond, beetje water en zon en je hebt een tulp, althans dat dacht ik. In de werkelijkheid bleek dit toch

een stuk complexer te zijn. Een bol komt binnen via de bollenteler en gaat dan direct de koelcel in met een flinke dosis ozon. Op microscopisch niveau ontwikkelt de bol hier van binnenuit een stamper en de eerste bladeren. Ter controle wordt dit steekproefsgewijs onder de microscoop van binnen gecheckt. Daarna wordt er in koelcellen een winter nagebootst en worden de bollen gefopt met een speciaal ontworpen tijdschema van vriezen en dooien. Na dit proces doorlopen te hebben, worden ze op een prikkertje in een kratje geplaatst. Dit kratje gaat dan de kas in en wordt volgegoten met water waarin opgeloste voedingstoffen zitten. Daarna gaat in die kas het licht aan en

groeit er in een paar weken een mooie tulp. Deze wordt dan door een machine met een waarde van enkele honderden duizenden euro’s van zijn bol ontdaan, waarna een serie handelingen, met daarbij zelfs röntgenstraling, ervoor zorgt dat een eindproduct ontstaat met tien samengevoegde tulpen van dezelfde kwaliteit en lengte. Zonder ook maar een beetje modder of iets te hebben gezien, staat het tulpje nu bij de Albert Heijn in de bonus. Hoe zoiets eenvoudigs, de Hollandse tulp, toch zo complex blijkt te zijn. Wat fijn is het dan dat wij de kans krijgen om iets schijnbaar complex als belastingen eenvoudig te maken. Een heerlijk vooruitzicht!

Max Robeerst Voorzitter FIRST Maastricht 2014-2015

Veel leesplezier!

Agenda 3 februari

26 februari

Halfjaarlijkse ALV met aansluitend fiscale wettenbundelborrel i.s.m. Loyens & Loeff

Interstedelijk Fiscaal Debat Tilburg

6 februari

Save the date!

10 maart Open feest

International Job Fair

11 februari

20 maart

Vrijdag 20 maart a.s. vindt de eerste alumni activiteit plaats, een borrel in Amsterdam.

Kantoorbezoek Loyens & Loeff

FIRST Fiscale Bedrijvendag

24 februari

20 maart 2015

Alumni activiteit vrijdag

20 maart

Check t.z.t. de FIRST-website voor meer informatie.

Alumni-borrel

Kantoorbezoek Belastingdienst

Alumnicommissie

FIRM FEBRUARI 2015

5


Interview

Houthoff Buruma Houthoff Buruma is één van de grootste kantoren van advocaten, notarissen en belastingadviseurs in Nederland. Het is een onafhankelijk Nederlands kantoor met een internationale oriëntatie. Houthoff Buruma is een full-service kantoor met één focus: de cliënt. Ze hebben vestigingen in Rotterdam, Amsterdam, Brussel, Londen en New York. Circa driehonderd specialisten leveren maatwerk aan ondernemingen en organisaties die streven naar excellente prestaties. Houthoff Buruma richt zich op het topsegment binnen het bedrijfsleven en de publieke sector. Voor deze doelgroep vormen ze een full-service kantoor, met specialisten die thuis zijn binnen vrijwel alle bedrijfsmatige vraagstukken. Het team van fiscalisten bij Houthoff Buruma maakt deel uit van de sectie Financial Markets Group en is gevestigd op hun kantoor in Amsterdam. De fiscalisten richten zich met name op de internationale adviespraktijk. Als belastingadviseur-stagiaire word je nauw betrokken bij fiscale advieswerkzaamheden op het terrein van 6

onder meer investeringsfondsen, private equity, internationaal belastingrecht en taxplanning. De fiscalisten treden op als zelfstandig adviseur voor ‘eigen’ cliënten, maar werken binnen kantoor ook nauw samen in multidisciplinaire teams van advocaten en notarissen. Als belastingadviseur adviseer je binnen deze teams bijvoorbeeld over de fiscaaljuridische aspecten bij fusies en overnames. De belastingadviseurs hebben veelvuldig te maken met internationale cliënten. Dit betekent dat je in deze functie niet alleen oplossingen moet kunnen aandragen vanuit een Nederlands perspectief, maar je ook moet verdiepen in de consequenties van deze oplossingen in de verschillende landen waar onze cliënten opereren. Er wordt veel samengewerkt met buitenlandse kantoren.

FEBRUARI 2015 FIRM

Interview met Tax Lawyer Naam: Pieternel van den Brink Leeftijd: 26 Studie: Fiscaal Recht met civiel effect Kantoor: Houthoff Buruma Kun je jezelf voorstellen? Ik ben Pieternel, heb in Groningen gestudeerd en werk sinds 1 mei 2012 bij Houthoff Buruma in Amsterdam. Hoe heb je het studentenleven ervaren? Mijn studentenleven heb ik ervaren als een tijd waarin ik alles kon doen wat ik wilde. Er was zoveel tijd en er waren zoveel mogelijkheden, je hoefde maar heel soms een (lastige) keuze te maken. Zo heb ik naast het studeren verschillende commissies gedaan (o.a. bij AIESEC, REMIND, JFV), was ik lid van een studentenvereniging, heb ik


Interview

op de RUG als student-assistent gewerkt, maar daarnaast ook veel vrije tijd gehad. Ik kijk op mijn studententijd terug als een tijd met veel zin en onzin. Hoe heb je de overgang van studeren naar werken ervaren? Ik had na 5,5 jaar studie en 3 maanden reizen en werken in Chili veel zin om bij Houthoff Buruma te beginnen. De eerste maanden was het vooral zoeken, al vond ik het werk en mijn collega’s meteen erg leuk. Wat ik lastig vond is het gebrek aan flexibiliteit dat een fulltime baan bij een advocatenkantoor met zich meebrengt. Even doordeweeks een kopje koffie met een vriendinnetje, sporten voor de lunch, een middagdutje, iets ophalen in de stad, dat kon niet meer. De hoeveelheid borrels en activiteiten die worden georganiseerd door Houthoff Buruma, de JOB, de Jonge Balie etc. maken echter dat de beginperiode soms ook voelt als een verlengstuk van je studententijd. Hoe ben je terecht gekomen bij Houthoff Buruma? (Wat voor carrièrepad heb je tot nu toe bewandeld?) Hoe bevalt het bij Houthoff Buruma? Ik heb in 2010 twee maanden stage gelopen bij Houthoff Buruma en dat was heel goed bevallen. Voor mij moest een stage bewijzen of ik het fiscale recht ook in de praktijk interessant vond en dat bleek gelukkig het geval. Over een plan B had ik namelijk nog niet nagedacht. Na mijn stage heb ik nog twee business courses bij twee andere grote advocatenkantoren gedaan, maar Houthoff Buruma bleef mijn favoriet. Ik kon bij Houthoff Buruma ook de opleiding tot advocaat volgen, iets wat mij erg aansprak. Ik heb toen vlak voordat ik afstudeerde gesolliciteerd en kon toen na mijn reis meteen aan de slag. Het bevalt nog steeds erg goed! Op welke afdeling ben je werkzaam? Afdeling Tax, onderdeel van de Financial Markets Group bij Houthoff Buruma.

Maak je lange dagen? Het verschilt van dag tot dag, maar ik ben regelmatig ‘s avonds en in het weekend (even) aan het werk. Reden hiervoor is de grote hoeveelheid aan mooie zaken die voorbij komen en de reactiesnelheid die een internationale fiscale praktijk van je vraagt. Hoe ziet een werkweek er voor jou uit? Ik stel mijzelf deze vraag ook wel eens, maar het antwoord is moeilijk te geven. Je overzichtelijke to do-lijst waarmee je de week of dag begint, wordt algauw in de war geschopt door tussentijdse telefoontjes van cliënten, zaken met een hogere prioriteit, korte vragen van collega’s etc. Daarnaast passeren veel verschillende soorten zaken de revue. Het ene moment kan ik bezig zijn met een mark-up van een SPA, het volgende moment maak ik een BTW-analyse van medische producten, daarna bekijk ik fondsvoorwaarden voor een FGR en tot slot schrijf ik een advies over de herstructurering van een multinational. Aangezien je intensief met collega’s van andere afdelingen werkt, ben je nauw betrokken bij het gehele proces. Het feit FIRM FEBRUARI 2015

dat Houthoff Buruma een jong fiscaal team heeft, betekent dat wij snel verantwoordelijkheid krijgen in dossiers en direct met cliënten communiceren. Naast het weken is het ‘s avonds ook vaak tijd voor bedrijfshockey / voetbal / schaatsen, een lezing of (vrijdagmiddag) borrel. Wat vind je het leukste aan je werk? De diversiteit en complexiteit van ons werk en mijn collega’s. Hoe zie je je toekomst voor je? Ik hoop nog lang veel bij Houthoff Buruma te mogen leren! Kun je een tip of advies meegeven aan studenten? Ga vooral stage lopen om uit te vinden of je het fiscale vak leuk genoeg vindt om dag in dag uit mee bezig te zijn. Als je twee stages loopt, doe dat dan bij twee verschillende soort kantoren (groot/klein kantoor, belastingadvies-/advocatenkantoor bijv.), dit voegt meer toe dan bijv. 4 stages bij 4 grote advocatenkantoren. Uiteindelijk adviseer ik goed te kijken of de sfeer van een kantoor en het team bij jou past. Tot slot, de belangrijkste tip: wees jezelf! 7


Inhoudelijk

Tussen juridische fictie en economische realiteit Het ondernemingsrecht is de laatste jaren sterk in beweging. Een aantal tendensen kan worden onderscheiden die, mijns inziens, een belangrijke rol zullen spelen in de vorming van het ondernemingsrecht van de toekomst. Door: Mr. Philippe L. Hezer

Drie van deze tendensen – de verschuiving van structuur- naar gedragsnormen, het toenemend belang van de ‘economische werkelijkheid’ en de flexibiliseringsoperaties van ondernemingsrechtelijke wetgeving – worden kort besproken om vervolgens hun gezamenlijke uitwerking op het vennootschapsrecht te schetsen. Deze bijdrage dient geenszins als een alomvattend werk, maar meer als food for thought; ondernemingsrecht, quo vadis?

Tendensen in het ondernemingsrecht Ondernemingsgewijze productie heeft zich wereldwijd ontwikkeld tot het dominante economische model1. Ondernemingen spelen als motor voor efficiënte welvaartsvoorziening een centrale rol in onze maatschappij. Het stimuleren van ondernemerschap is aldus een belangrijke voorwaarde voor welzijn en welvaart binnen een samenleving. De rol van het ondernemingsrecht hierin is evident. Het ondernemingsrecht is een belangrijke factor bij het begrenzen van de ruimte die wordt geboden voor ondernemerschap en vormt zo een van de fundamenten van ons kapitalistisch model2. Hiervoor dient het ondernemingsrecht waardecreatie te bevorderen en waardevernietiging tegen te gaan. Van belang is dat een ondernemingsrechtelijk stelsel ruimte biedt om economische bedrijvigheid te ontplooien en zo tot efficiënt ondernemerschap te komen, maar tegelijkertijd ook het gedrag van de betrokken actoren normeert en stuurt, wat de bewegingsvrijheid van deze actoren beperkt. Op die manier tracht het ondernemingsrecht ruimte te bieden, maar beperkt het deze ruimte ook. Hierin zit het dilemma van de wetgever3. Assink spreekt in dit kader van het schizofrene karakter van het ondernemingsrecht4. Stimuleren 8

impliceert faciliteren; de ondernemer alle vrijheid en mogelijkheden bieden om zich optimaal te kunnen ontwikkelen. Absolute vrijheid kan echter leiden tot ongewenste situaties en waardevernietiging, waardoor enige beperking van deze vrijheid op zijn plek is. Het ondernemingsrecht biedt aldus de juridische schil, de juridische fictie of abstractie, waarbinnen een ondernemer in de tastbare wereld opereert5. Een onderscheid kan in deze context worden gemaakt tussen enerzijds structuurnormen, welke zien op de wettelijke en statutaire inrichting van een onderneming en de positie van actoren daarbinnen, en anderzijds gedragsnormen, welke het handelen van deze actoren trachten te sturen. De laatste jaren is binnen het ondernemingsrecht een duidelijke verschuiving waar te nemen van structuurnormen naar gedragsnormen;7 de aandacht wordt verlegd van het ‘instituut’ van de vennootschap naar de personen daarachter. Hierin is een zekere verpersoonlijking van het recht te herkennen.8 Verder kan worden bepleit dat de economische realiteit, en daarmee de ‘echte’ wereld, een toenemende rol speelt in het ondernemingsrecht, in het bijzonder in het enquêterecht.9 De rechter kijkt in bepaalde gevallen door juridische figuren heen naar de feitelijke verhoudingen, de economische realiteit, achter die constructies. Dit leidt ertoe dat het ondernemingsrecht meer open wordt en meer op de realiteit is gericht.10 Hieruit vloeit ook een lichter ondernemingsrecht voort; eentje dat meer contextbepaald is en daardoor beter aansluit op de gevarieerde en complexe maatschappelijke en economische realiteit. Bulten trekt deze lijn door en spreekt in dit kader zelfs van een ‘geconstrueerde werkelijkheid’ van de vennootschap, waarin de bedoeling die partijen hadden bij de keuze voor een bepaalde rechtsvorm FEBRUARI 2015 FIRM

het uitgangspunt vormt voor de juridische beoordeling van hun verhouding.11 De wil, keuzes en het handelen van de betrokken actoren spelen zo door in de vennootschapsrechtelijke verhouding. Bulten stelt dat hiermee de partijautonomie en contractsvrijheid ruimte krijgt in het ondernemingsrecht.12 Tenslotte wijs ik op de flexibiliseringsoperaties welke, met name op Europees vlak, plaatsvinden op het gebied van ondernemingsrechtelijke wetgeving. Deze flexibiliseringsoperaties zijn het gevolg van maatschappelijke prikkels en ontwikkelingen rondom corporate mobility13 en de daarmee gepaard concurrentie tussen rechtsstelsels. In deze flexibiliseringsoperaties komt de nadruk vaak meer te liggen op lastenverlichting voor de ondernemer. De van origine vaak starre ondernemingsrechtelijke wetgeving wordt op die manier lichter en flexibeler. Ook hiermee wordt beter aangesloten op maatschappelijke behoeften en een veranderend en internationaliserend ondernemingsklimaat.

Instrument of instituut? Wat is de betekenis van deze ontwikkelingen voor de vennootschapspraktijk? Ik zie met name grote gevolgen voor nauwe samenwerkingsverbanden, zoals familiebedrijven, DGA-situaties of vennootschappen in concernverband. Deze worden gekenmerkt door een kleine groep van betrokkenen welke bovendien veelal dezelfde belangen dienen. Met in de MKB-sector, is een meer persoonlijke aanpak sterk op zijn plaats. Het ondernemingsrecht biedt hen niet meer dan een noodzakelijke juridische abstractie waarmee zij hun risico beperken en toch (relatief ) vrij kunnen ondernemen. De ondernemer belichaamt de vennootschap en vice versa. Waar dergelijke juridische abstracties bij het toerekenen van


Inhoudelijk handelingen al werden doorbroken via leerstukken als vereenzelviging of feitelijk beleidsbepaler in de zin van artikel 2:11 of 2:138/248 lid 7 BW, lijkt dit inmiddels in breder te worden gedragen door de opkomst van meer persoonsgerichte normen en de opkomst van de economische werkelijkheid waarmee het recht in een wenselijke richting kan worden gebogen. In meer algemene zin wordt dit verder gestimuleerd door meer flexibele ondernemingsrechtelijke wetgeving, waardoor juridische constructies beter passen bij de feitelijke situatie. Wanneer dan ook de nadruk komt te liggen bij gedragsnormen, is de verpersoonlijking van het vennootschapsrecht compleet. Bepleit kan worden dat hiermee een grotere belang toekomt aan de instrumentele benadering van de vennootschap in plaats van de heersende institutionele benadering. Waar in een institutionele benadering de vennootschap wordt gezien als een op zichzelf staand instituut die met een zekere zelfstandigheid in het rechtsverkeer deelneemt14, wordt deze in een instrumentele benadering gezien als een organisatie, waarin mensen participeren, en welke als instrument ten dienste staat van diens economisch streven, dan wel

1.

van de degenen die het eigenaarsbelang vertegenwoordigen (i.e. de aandeelhouders).15 De vennootschap is dan feitelijk een winstinstrument welke het belang van haar eigenaars dient; de nadruk ligt op de ondernemers/aandeelhouders en niet op de entiteit als zodanig. Deze tendens is al merkbaar. In zijn recente Cancun-arrest oordeelde Hoge Raad dat de aard en samenstelling van een samenwerkingsverband van invloed is op de inkleuring van het vennootschappelijk belang.16 In het Cancun-arrest, waarbij sprake was van een joint venture en daardoor een nauw, contractueel ingekleed samenwerkingsverband, leidde dit tot een zeker belangenparallelisme tussen de vennootschap en de actoren daarachter. Deze mogelijkheid wordt voorts uitdrukkelijk erkend in de parlementaire geschiedenis bij de flex-BV, waarin wordt gesteld dat “het vennootschappelijk belang met name bij kleinere vennootschappen met een beperkt aantal aandeelhouders dichter [kan] liggen bij het belang van de aandeelhouders dan bij een grote vennootschap met veel aandeelhouders, werknemers en belangen.”17 De instrumentele BV lijkt dan ook steeds dichterbij te komen.

Zie A.J.A.J. Eijsbouts, B. Kemp, “Over maatschappelijk verantwoord ondernemin-

11.

gen, waardecreatie, ondernemingsrecht en vennootschappelijk belang”, TvOB 2012/5, pp. 122-125. 2.

4. 5.

12. 13.

9. 10.

Dat wil zeggen, de vestigingsvrijheid en bewegingsvrijheid van ondernemingen.

pp. 4-5.

HvJ EG 5 november 2002, zaak C-208/00, Jur. 2002 (Überseering); HvJ EG 30

Zie B.F. Assink, “De januskop van het ondernemingsrecht – Over faciliëring en

september 2003, zaak C-167/01, Jur. 2003 (Inspire Art); HvJ EG 18 december

regulering van ondernemerschap (oratie Rotterdam)”, OR 2010/50, nr. 6.

2008, zaak C-210/06, Jur. 2008 (Cartesio); en HvJ EG 12/07/2012, zaak C-378/10,

Ik maak voor de strekking van dit artikel geen onderscheid tussen de begrippen

Jur. 2012 (Vale). 14.

Zie hierover ook P. van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, Deventer: Kluwer 2013, p. 21.

NV, Deventer: Kluwer 2013, p. 23.

15.

Zie over dit onderscheid en de uitwerking daarvan in jurisprudentie ook L. Tim-

16.

merman, “Structuur en gedragsnormen in de ondernemingsrechtspraak van de

8.

C.D.J. Bulten, “De vennootschap en de geconstrueerde werkelijkheid (oratie

Zie in dit verband HvJ EG 9 maart 1999, zaak C-212/97, Jur. 1999 (Centros);

pen ‘vennootschap’ en ‘onderneming’ ook P. van Schilfgaarde, Van de BV en de

7.

C.D.J. Bulten, “De vennootschap en de geconstrueerde werkelijkheid (oratie

Nijmegen)”, OR 2014/94, §4 en §5.

Zie B.F. Assink, Compendium van het ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2013,

‘onderneming’ en ‘vennootschap’. Zie over deze convergentie tussen de begrip-

6.

De grenzen tussen juridische fictie en de economische realiteit lijken in deze tendensen te vervagen. Het ondernemingsrecht wordt lichter, flexibeler en richt zich steeds meer op de personen achter de rechtspersonen. Hiermee wordt aansluiting gezocht op de complexe en snelle veranderingen die onze maatschappij en het ondernemingsklimaat doormaken. Met Timmerman verwacht ik dat deze verschuiving in de toekomst zal worden doorgezet.18 Het resultaat zal zijn een flexibel en intuïtief ondernemingsrecht dat beter is toegespitst op nauwe samenwerkingsverbanden, maar tegelijkertijd ruimte biedt voor grote ondernemingen met een breed scala aan aandeelhouders en betrokken belangen. De soms ietwat gekunstelde constructies van vandaag zullen beter ingebed zijn in het vennootschapsrecht. Door pragmatisch en minder onbuigzaam met juridische constructies om te gaan, zullen de abstracte instrumenten die het recht biedt beter congrueren met de uiteenlopende situaties waar de praktijk zich mee geconfronteerd zal zien. Zou het ondernemingsrecht dan toch nog echt mensenwerk worden?

Nijmegen)”, OR 2014/94, met name §4.

Zie B.F. Assink, “De januskop van het ondernemingsrecht – Over faciliëring en regulering van ondernemerschap”, OR 2010/50, nr. 5.

3.

Tussen juridische fictie en economische werkelijkheid

Zie P. van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, Deventer: Kluwer 2013, p. 21. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, 799 en 808. Zie ook C.D.J. Bulten, “De vennootschap en de geconstrueerde werkelijkheid”, OR 2014/94, §1: “Tegen-

Hoge Raad”, WPNR 2013(6969).

woordig kent het vennootschappelijk belang een wat andere invulling. Het wordt

Deze ontwikkeling wordt duidelijk geschetst in Raaijmakers 2006, §1 en §2.

gezien als een resultante van belangen van hen die bij de vennootschappelijke

Zie L. Timmerman, “Gedragsrecht, belangenpluralisme en vereenvoudiging

werkzaamheden zijn betrokken.6 Ook in deze visie zijn er andere elementen dan

van het vennootschapsrecht (oratie Leiden)”, OR 2005/02, §2 onder d, waarin

de enkel institutionele die van invloed zijn op de vennootschap en haar belang.

hij deze tendens treffend omschrijft: “Er vindt een verschuiving plaats van de

De aard van de activiteiten en de mate van scheiding tussen zeggenschap en

hardware van de dogmatiek naar de software van het gedragsrecht.”

bestuur zijn van gewicht.7 Een BV met een joint venture karakter waarbij de

Zie hierover B.F. Assink, Compendium van het ondernemingsrecht, Deventer:

twee aandeelhouders tevens het bestuur vormen, kent geen scheiding van zeg-

Kluwer 2013, pp. 2829-2830.

genschap en bestuur. De wijze van inrichting van de samenwerking door de joint

Volgens Timmerman is een belangrijk deel van de toekomst van het onderne-

venture-partners bepaalt dan mede de aard van de BV en van haar rechtsper-

mingsrecht gelegen in deze economische benadering, zie ook L. Timmerman, “The happy lawyer en de toekomst van het ondernemingsrecht”, OR 2014/5. Zie ook de beschouwing van Assink, waarin hij de potentiële invloed van dit leerstuk bespreekt, B.F. Assink, “De ‘economische werkelijkheid’ in het Nederlandse

soonlijkheid.” 17. 18.

Zie Kamerstukken II 2008-2009, 31 058, nr. 6, p. 12-12, zie ook p. 52. Zie ook L. Timmerman, “The happy lawyer en de toekomst van het ondernemingsrecht”, OR 2014/5, §8 en §9.

ondernemingsrecht”, WPNR 2014(7037). De ontwikkeling van dit leerstuk wordt besproken door Koster in H. Koster, “Bespiegelingen over de economische werkelijkheid in het ondernemingsrecht”, WPNR 2014(7036). FIRM FEBRUARI 2015

9


Verslag

Meijburg & Co Business course Zuid-Afrika 2014 Door: Josanne Jessen

Als student Fiscaal Recht werk je hard om je studiepunten binnen te halen, maar uiteindelijk wil je ook graag weten waar je het nu allemaal voor hebt gedaan. Dit was een van de redenen waarom ik mij afgelopen zomer heb opgegeven voor de Meijburg & Co Business course naar Zuid-Afrika. Want laten we eerlijk zijn, is er een betere manier om een kantoor te leren kennen dan 8 dagen lang met 30 mensen naar de andere kant van de wereld te reizen? Je moet er natuurlijk wel iets voor over hebben. Van de ongeveer 120 aanmeldingen worden er uiteindelijk 15 studenten uitgekozen. Toen ik dan ook te horen kreeg dat ik was uitgenodigd om in Amstelveen op gesprek te komen, nam de spanning toe. Na twee gesprekken en een casus was het wederom een aantal weken wachten op het verlossende telefoontje. Ik mocht mee naar Zuid-Afrika! Met een hoop verwachtingen en spanning vertrokken wij 1 november vanuit Schiphol naar Kaapstad. Met een Meijburg syllabus op zak en een vlucht van 12 uur probeerde ik me voor te bereiden op hetgeen ons in Zuid-Afrika te wachten stond. Vanaf aankomst tot aan vertrek vanuit Johannesburg heb ik een super tijd beleefd met mijn medestudenten en de Meijburgers. Meijburg had iedere dag een nieuwe activiteit of casus op de planning staan op de meest mooie locaties van Zuid-Afrika. Van wijnproeverijen tot aan mountainbiken langs Kaap de Goede Hoop, van casus naar safari, aan variatie 10

geen gebrek. Na een lange vermoeiende dag was er altijd nog een beetje energie over voor de gin tonic(s) bij de bar. Wanneer we dan ’s nachts maar eens richting onze kamer gingen, kon ik weer niet wachten op het avontuur van de volgende dag (ook al begon dit soms wel erg vroeg...). Tijdens deze Business course ben ik veel te weten gekomen over Meijburg. Dankzij alle medewerkers van verschillende kantoren en verschillende afdelingen heb ik een goed beeld kunnen krijgen van hoe het er aan toe gaat binnen Meijburg. Wanneer je een week lang met elkaar op reis bent, leer je mensen goed kennen. Niet alleen als de ‘medewerker bij Meijburg’, maar ook de persoon er achter. Meijburg is een grote familie waarbij je je vanaf dag 1 thuis voelt. Ik heb bewondering voor de partners die iedere dag net zo leuk mee deden aan de activiteiten als de studenten en de medewerkers die zelfs na de Business course nog betrokken willen zijn bij de studenten. Ik raad iedereen aan om op deze manier een kantoor te leren kennen. Wanneer je straks fulltime aan het werk bent, en misschien zelfs meer op het werk bent dan thuis, is het belangrijk dat je ergens zit waar je je prettig voelt en waar je jezelf goed kunt laten zien. Na deze Business course weet ik dat er een klik is en dat ik absoluut verder wil bij Meijburg & Co!

FEBRUARI 2015 FIRM


Inhoudelijk

De (fiscale) toekomst van de zzp’er De zzp’er, een fenomeen dat de laatste jaren aan een behoorlijke opmars bezig is. Zo wordt in de media zelfs gesproken van een “wildgroei aan zzp’ers”.1 Door: Bastiaan Didden

Uit de al eerder gebezigde term ‘wildgroei’ valt op te maken dat de opmars van de zzp’ers onwenselijk is, althans volgens het huidige kabinet.2 Alvorens vanuit fiscaal perspectief nader in te gaan op deze opmars en de positie van de eenpitter, zal eerst ter achtergrond enkele ‘weetjes’ worden besproken met betrekking tot de zelfstandige zonder personeel. Onderhavige bijdrage kan dan ook worden gezien als een korte bespreking van enkele ‘higlights’ met betrekking tot het thema ‘zzp’ers’. Jasper de Winter zal in zijn bijdrage vervolgens betogen wat het gewenste fiscale beleid moet zijn ten aanzien van de eenpitter.

eenpitters met name werkzaam zijn in de specialistische zakelijke dienstverlening (denk hierbij aan onderzoekers) en bouwnijverheid.5 Het minste aantal zzp’ers zijn werkzaam in de sector ‘openbaar bestuur en overheidsdiensten’.6 Voor wat betreft de groei van het aantal zzp’ers kan worden opgemerkt dat het aantal zzp’ers in de periode 2009 t/m 2014 met bijna 170.000 personen is gestegen, van 632.000 personen naar 800.000 personen.7 De verwachting is dat als het huidige (fiscale) beleid van het kabinet wordt gecontinueerd, in 2020 de grens van één miljoen zzp’ers wordt bereikt.8 Van een opmars lijkt dan ook sprake.

De zzp’er gekenschetst Wellicht overbodig, is onderstaand (volledigheidshalve) de definitie die door het CBS wordt gehanteerd om een zelfstandigen zonder personeel te duiden, opgenomen.3 Deze definitie zal als startpunt dienen voor onderhavige beschouwing en dan met name voor de paragraaf waarin wordt ingegaan op de (huidige) fiscale positie van de zzp’er. De door het CBS gehanteerde definitie voor zzp’ers: “Het gaat hier om ondernemers die geen personeel in dienst hebben. Het kan ook slaan op een freelancer. De zzp’er is zelfstandig in die zin dat hij/zij geen arbeidsovereenkomst heeft, maar wel diensten en/of goederen levert aan klanten of opdrachtgevers. Er is geen sprake van een gezagsverhouding, waardoor hij/zij geen werknemer is en niet onder de wettelijke bepalingen voor werknemer valt”.4 Uit recente CBS-gegevens blijkt dat 12

“Duidelijk is geworden dat de zzp’er de komende jaren onderwerp van discussie blijft” De vraag die naar aanleiding van voorgaande kan worden gesteld, is of enkel de fiscale faciliteiten die beschikbaar zijn voor zzp’ers ten grondslag liggen aan deze opmars of ook andere oorzaken kunnen worden aangewezen zoals een verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt.9 Voor wat betreft de fiscale faciliteiten/’prikkels’ moet met name de rol van de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling FEBRUARI 2015 FIRM

niet onderschat worden, aldus het CPB in een recente notitie.10 Beide faciliteiten hebben een “aanzuigende werking op de zzp-status”.11 Andere (niet-fiscale) oorzaken die de groei van het aantal zzp’ers verklaren, zijn de ouder wordende beroepsbevolking (aangezien met name ouderen vaker als eenpitter aan de slag gaan) maar ook de persoonlijke keuze om vanwege ‘de vrijheid’ als zelfstandig ondernemer aan de slag te gaan.12

De fiscale positie van de zzp’er Van een duidelijk onderscheid tussen een werknemer in loondienst en een zzp’er zoals naar voren komt in de definitie van het CBS, blijkt in de praktijk niet altijd sprake.13 Om duidelijkheid en zekerheid te verschaffen, zowel voor de opdrachtgever alsook voor de zzp’er, bestaat er de mogelijkheid om een VAR (verklaring arbeidsrelatie) aan te vragen bij de Belastingdienst. Indien de Belastingdienst van oordeel is dat sprake is van ondernemerschap voor de Wet IB 2001, na toetsing aan ondere andere het criterium of er ondernemersrisico wordt gelopen, wordt er een VAR-wuo afgegeven. De zzp’er kwalificeert dan als ondernemer voor de Wet IB 2001, bijgevolg komt de eenpitter hiermee in aanmerking voor de al eerder genoemde fiscale ondernemersfaciliteiten.14 De fiscus kan echter ook tot een ander oordeel komen, namelijk dat er bijv. sprake is van loon uit dienstbetrekking. Bijgevolg wordt dan een VAR-loon afgegeven. De VAR-wuo verklaringen die zijn aangevraagd in (met name) de zorgsector, genieten niet alleen de aandacht van


Inhoudelijk de media maar ook van de politiek. Het gaat hierbij om de zgn. ‘schijnzelfstandigheid’(en de hierbijhorende fiscale voordelen).15 Jasper de Winter zal hier in de navolgende bijdrage nader op ingaan. Momenteel ligt bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel ‘Beschikking geen loonheffingen (BGL)’.16 Deze BGL moet de bovengenoemde VAR gaan vervangen. Ten aanzien van het vervangen van de VAR door de BGL geeft staatssecretaris Wiebes aan dat: “Met de voorgestelde wijziging van de VAR-systematiek wordt getracht de verantwoordelijkheden tussen opdrachtnemer en opdrachtgever beter in balans te brengen en de handhaving te verbeteren”.17 De Raad van State als ‘wetgevingsadviseur’ zet vraagtekens bij nut en noodzaak van het wetsvoorstel: welk probleem wordt getracht met dit wetsvoorstel te ‘tackelen’?18

1.

Toekomst Gezien de wens van het huidige kabinet om de ‘wildgroei’ aan zzp’ers in te dammen, blijkt dat de huidige fiscale wet- en regelgeving niet afdoende is. Dit is al enkele jaren geleden opgemerkt door Jansen die stelde dat “de fiscale regelgeving is nog te veel afgestemd op de traditionele indeling werknemer of ondernemer waardoor sprake is van een alles-of-nietsbenadering”.19 Zoals al eerder opgemerkt zet de Raad van State vraagtekens bij het wetsvoorstel ‘Beschikking geen loonheffingen’. Hierbij wordt onder andere aangegeven dat de “aanzuigende werking” van de ondernemersfaciliteiten blijft bestaan en de schijnzelfstandigheid met dit wetsvoorstel niet wordt aangepakt. Hoe nu verder? Een mogelijke oplossing zou zijn om de fiscale ondernemersfaciliteiten te versoberen/in te perken.20 Mol-Verver vraagt zich echter

com/publicaties/2014/juni/zzpers-tijdens-de-crisis/, laatst geraadpleegd op 24

FD 28 oktober 2014. Te raadplegen via: “http://fd.nl/economie-politiek/900279/

december 2014.

kabinet-zet-rem-op-wildgroei-aan-zzp-ers”http://fd.nl/economie-poli-

13.

K. Broekhuizen, S. Jonker & J. Leupen, ‘Wildgroei aan zzp’ers wordt

14. 15.

steeds-groter-hoofdpijndossier”http://fd.nl/economie-politiek/900272/

var_verklaringen_voor_zzp_ers, laatst geraadpleegd op 24 december 2014.

Zie ook voor wat betreft de definiëring van het begrip ‘zzp’er’, J.J.M. Jansen,

16.

‘Zzp’ers zegen of bedreiging?’, WFR 2009/991, par. 3, geraadpleegd via databank

beschikking-geen-loonheffingen.html”http://www.rijksoverheid.nl/

“http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/methoden/toelichtingen/alfabet/z/zzp.

documenten-en-publicaties/kamerstukken/2014/09/22/wetsvoorstel-beschik-

htm”http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/methoden/toelichtingen/alfabet/z/zzp.htm, laatst geraadpleegd op 24 december 2014.

7.

king-geen-loonheffingen.html, laatst geraadpleegd op 24 december 2014. 17.

“https://twitter.com/statistiekcbs/status/527053430356213760”https://twitter. com/statistiekcbs/status/527053430356213760, laatst geraadpleegd op 24

wijziging van enkele belastingwetten en enkele andere wetten ten behoeve van het vervangen van de Verklaring arbeidsrelatie door de Beschikking geen

“https://twitter.com/statistiekcbs/status/527053430356213760”https://twitter.

loonheffingen”, p. 1. Te raadplegen via: “http://www.rijksoverheid.nl/bestanden/

com/statistiekcbs/status/527053430356213760, laatst geraadpleegd op 24

documenten-en-publicaties/kamerstukken/2014/09/22/wetsvoorstel-be-

december 2014.

schikking-geen-loonheffingen/wetsvoorstel-beschikking-geen-loonheffingen.

K. Broekhuizen, S. Jonker & J. Leupen, ‘Kabinet zet rem op wildgroei aan zzp’ers’,

pdf”http://www.rijksoverheid.nl/bestanden/documenten-en-publicaties/

FD 28 oktober 2014. Te raadplegen via: “http://fd.nl/economie-politiek/900279/

kamerstukken/2014/09/22/wetsvoorstel-beschikking-geen-loonheffingen/

kabinet-zet-rem-op-wildgroei-aan-zzp-ers”http://fd.nl/economie-poli-

wetsvoorstel-beschikking-geen-loonheffingen.pdf, laatst geraadpleegd op 24

tiek/900279/kabinet-zet-rem-op-wildgroei-aan-zzp-ers. Relatief gezien was van

Advies Raad van State van 26 juni 2014 inzake “het voorstel van wet tot wijziging van enkele belastingwetten en enkele andere wetten ten behoeve

stige groei van het aandeel zzp’ers in de werkzame beroepsbevolking, Den Haag:

van het vervangen van de Verklaring arbeidsrelatie door de Beschikking geen

CPB Achtergronddocument 2012, p. 2.

loonheffingen”, No.W06.14.0184/III, p. 8. Te raadplegen via: “http://www.

K. Broekhuizen, S. Jonker & J. Leupen, ‘Kabinet zet rem op wildgroei aan zzp’ers’,

rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2014/09/22/advies-

FD 28 oktober 2014. Te raadplegen via: “http://fd.nl/economie-politiek/900279/

raad-van-state.html”http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/

kabinet-zet-rem-op-wildgroei-aan-zzp-ers”http://fd.nl/economie-poli-

kamerstukken/2014/09/22/advies-raad-van-state.html, laatst geraadpleegd op

tiek/900279/kabinet-zet-rem-op-wildgroei-aan-zzp-ers.

24 december 2014.

9.

J.J.M. Jansen, ‘Zzp’ers zegen of bedreiging?’, WFR 2009/991, par. 1. N. Bosch, M. de Graaf-Zijl & D. van Vuuren, Discussiebijdrage t.b.v. ‘IBO Zelfstan-

19.

digen zonder personeel’, Den Haag: CPB Notitie 2014, p. 7/8.

J.J.M. Jansen, ‘Zzp’ers zegen of bedreiging?’, WFR 2009/991, par. 7, geraadpleegd via databank Kluwer Navigator.

20.

N. Bosch, M. de Graaf-Zijl & D. van Vuuren, Discussiebijdrage t.b.v. ‘IBO Zelfstandigen zonder personeel’, Den Haag: CPB Notitie 2014, p. 8.

12.

december 2014. 18.

2010, N. Bosch, G. Roelofs, D. van Vuuren & M. Wilkens, De huidige en toekom-

10. 11.

Kamerbrief Wiebes van 22 september 2014 inzake wetsvoorstel ‘Beschikking geen loonheffingen’, betreft: “Nader rapport inzake het voorstel van wet tot

december 2014.

de Nederlandse werkzame beroepsbevolking een op de tien personen, zzp’er in

8.

Zie voor de onderhavige stukken: HYPERLINK “http://www.rijksoverheid. nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2014/09/22/wetsvoorstel-

Kluwer Navigator.

6.

“http://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/dossiers/var_verklaringen_voor_zzp_ers”http://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/dossiers/

wildgroei-aan-zzp-s-wordt-steeds-groter-hoofdpijndossier.

5.

Volledigheidshalve zij opgemerkt dat ook voldaan dient te worden aan de voorwaarden per faciliteit, zie bijv. art. 3.76 Wet IB 2001.

via: “http://fd.nl/economie-politiek/900272/wildgroei-aan-zzp-s-wordt-

4.

N. Bosch, M. de Graaf-Zijl & D. van Vuuren, Discussiebijdrage t.b.v. ‘IBO Zelfstandigen zonder personeel’, Den Haag: CPB Notitie 2014, p. 3.

steeds groter hoofdpijndossier’, FD 28 oktober 2014. Te raadplegen

3.

Conclusie Onderhavige beschouwing had ten doel een korte update te geven van hetgeen ‘speelt’ in ‘zzp-land’. Duidelijk is geworden dat de zzp’er de komende jaren onderwerp van discussie blijft. Onder andere navolgende vragen zullen hierbij centraal staan: in hoeverre wordt de zzp’er ingebed in box 1 van de Wet IB 2001? Vanaf wanneer treedt (een evt. aangepast) wetsvoorstel ‘Beschikking geen loonheffingen’ in werking? Een discussie die zeer zeker de moeite waard is om te blijven volgen en al wordt ‘aangezwengeld’ in de hiernavolgende bijdrage van Jasper de Winter.

K. Broekhuizen, S. Jonker & J. Leupen, ‘Kabinet zet rem op wildgroei aan zzp’ers’,

tiek/900279/kabinet-zet-rem-op-wildgroei-aan-zzp-ers. 2.

af of dit wel ‘zoden aan de dijk zet’. Zij is voorstander van het implementeren van een “afhankelijke zzp’er” in box 1 van de Wet IB 2001. Deze afhankelijke zzp’er kan worden gezien als een tussencategorie: tussen ondernemer en werknemer in.21

S.J. Mol-Verver, ‘De fiscale behandeling van de zzp’er: een zoektocht naar alternatieven’, NTFR 2014/2867, par. conclusie, geraadpleegd via databank NDFR.

21.

S.J. Mol-Verver, ‘De fiscale behandeling van de zzp’er: een zoektocht naar alter-

N. Bosch, G. Roelofs, D. van Vuuren & M. Wilkens, De huidige en toekomstige

natieven’, NTFR 2014/2867, par. Mogelijkheden voor alternatieve Nederlandse

groei van het aandeel zzp’ers in de werkzame beroepsbevolking, Den Haag:

behandeling, geraadpleegd via databank NDFR.

CPB Achtergrond 2012, p. 23 en HYPERLINK “https://economie.rabobank.com/ publicaties/2014/juni/zzpers-tijdens-de-crisis/”https://economie.rabobank. FIRM FEBRUARI 2015

13


Inhoudelijk

Kabinet hakt met botte bijl in op zzp’ers Het aantal zelfstandigen zonder personeel groeit hard. Waren er in 2009 nog 632.000 zzp’ers, nu is dat aantal gegroeid naar zo’n 800.000.1 Door: Jasper de Winter Doordat deze groep gretig gebruik kan maken van allerlei fiscale faciliteiten, dreigt de schatkist structureel veel geld mis te lopen. Vandaar dat het kabinet het zzpschap probeert te ontmoedigen door een aantal plannen te introduceren, waaronder het afschaffen van de startersaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Peter Kavelaars, bij menig fiscalist bekend, ziet wel wat in deze plannen: “Zelfstandigen worden te veel in de watten gelegd”.2 De groei van het aantal zelfstandigen heeft een kostenstijging teweeg gebracht van 810 miljoen euro naar 1.73 miljard euro, de bonnetjesstroom is niet te beheersen en dan is er nog de aanval op de verzorgingsstaat.3 Zowel werkgevers als werknemers dragen namelijk geen premies meer af voor werk dat in normale omstandigheden onder vaste contractvorm werd verricht. Ik zet er grote vraagtekens bij of het voorgaande van structurele aard is. Ik denk dat wij van een incidenteel fenomeen een reus proberen te maken. Het probleem is ontstaan tijdens de economische crisis. Een tijd waarin veel mensen werden ontslagen en vervolgens weer werden ingehuurd als zzp’er. Dit heeft voordelen voor de werkgever (lagere lasten) en de ‘werknemer’ (de ter discussie staande fiscale faciliteiten). Dit fenomeen hebben wij vooral gezien in het onderwijs en de gezondheidszorg en het is deze groep zogenoemde ‘schijnzelfstandigen’ die het Kabinet wil aanpakken. Ik voorspel dat het probleem zich vanzelf wel uitkristalliseert. Daarnaast wordt deze groep schijnzelfstandigen al aangepakt wanneer in 2015 de VAR-verklaring wordt afgeschaft en de Beschikking Geen Loonheffing (hierna BGL) wordt geïntroduceerd. Deze is gelukkig reeds uitgesteld,

1.

want ook dit plan is veel te bot. Kort gezegd houdt de BGL in dat werkgevers garant moeten staan voor de juistheid van de door zzp’ers aangeleverde gegevens. U raadt het al, dit betekent verhoogde risico’s en administratieve lasten voor werkgevers bij het inhuren van zzp’ers. Bovendien is er onder de BGL al veel eerder sprake van de zogenoemde ‘gezagsverhouding’ tussen werknemer en werkgever. Vooral in het onderwijs zullen de schijnzelfstandigen daardoor de deur worden uitgegooid. Doordat leerkrachten volgens vaste lesroosters werken, zullen zij niet meer kwalificeren. Vandaar dat een aantal hogescholen al honderden eenpitters naar huis heeft gestuurd. Waar zeuren we dan nog over, dan is er toch helemaal geen probleem meer? In ieder geval is het probleem niet de fiscale faciliteiten waar zzp’ers gebruik van kunnen maken. Een rigoureuze afbouw van de faciliteiten heeft drie gevolgen. Ten eerste, dergelijke maatregelen treffen niet alleen de schijnondernemer, maar ook de échte zzp’er. Deze kan met zijn zaakjes uitgroeien tot een BV of zaak met meerdere werknemers. Het verhogen van de kosten voor deze groep legt een bom onder de groei van de werkgelegenheid en het MKB. Ten tweede, je maakt het idee van de flexibele economie kapot, waar Nederland steeds meer voor is gaan pleiten en waar ik overigens een groot voorstander van ben. Ten derde, veel zzp’ers zijn schijnzelfstandigen geworden, omdat ze door de economische crisis geen baan konden vinden. Afbouw van fiscale faciliteiten perkt de wildgroei van zzp’ers wellicht in, maar deze groep mensen komt vervolgens niet aan een baan en glijdt af

naar de bijstand. Dan heb je een kostenpost van heb ik jou daar. U hoort mij enkel schieten, maar laat ik dan ook zeggen hoe het anders kan. De zzp’ers zijn het probleem niet. Zij voegen wat toe, zij voldoen in nieuwe behoeftes en verbeteren het aanpassingsvermogen en de veerkracht van de economie. Wat het probleem wel is zijn de hoge lasten op een vast contract. Contract-, beheers- en beëindigingskosten zijn in de laatste tien jaar exponentieel gestegen. Vaste werknemers zijn daardoor veel te duur geworden. Natuurlijk mijdt de werkgever deze te hoge kosten en huurt hij zzp’ers in als dit een voordeligere optie is. Door het verlagen van de kosten op vaste contracten maak je een vaste contract veel aantrekkelijker voor de werkgever. Deze zal dan weer switchen van het inhuren van een zzp’er naar het aanbieden van het vaste contract. Schijnzelfstandigen zullen dan vanzelf terugkeren. Einde probleem. Verder pleit ik ervoor om de inkomstenbelasting te verlagen. Banen creëer je namelijk niet door de lasten hoog te houden, zoals het Kabinet ook nu weer beoogd door het inperken van fiscale faciliteiten, maar door ze juist te verlagen. De extra werkgelegenheid die je dan creëert zal ook tot een inkrimping van het aantal schijnzelfstandigen leiden. Overigens zou dit idee ook een beter plan zijn voor veel ambtenaren daar in Den Haag. Wat zij misschien niet weten is dat heel veel journalisten gebruik maken van de startersaftrek. Veel ambtenaren zullen dus moeten vrezen voor een publicitaire nachtmerrie bij het lozen van deze aftrek. Lijkt me niet zo handig met de verkiezingen op komst!

K. Broekhuizen, S. Jonker & J. Leupen, ‘Kabinet zet rem op wildgroei aan zzp’ers’, FD 28 oktober 2014. Te raadplegen via: http://fd.nl/economie-politiek/900279/kabinet-zetrem-op-wildgroei-aan-zzp-ers.

2.

K. Broekhuizen, S. Jonker & J. Leupen, ‘Kabinet zet rem op wildgroei aan zzp’ers’, FD 28 oktober 2014. Te raadplegen via: http://fd.nl/economie-politiek/900279/kabinet-zetrem-op-wildgroei-aan-zzp-ers.

3.

K. Broekhuizen, S. Jonker & J. Leupen, ‘Kabinet zet rem op wildgroei aan zzp’ers’, FD 28 oktober 2014. Te raadplegen via: http://fd.nl/economie-politiek/900279/kabinet-zetrem-op-wildgroei-aan-zzp-ers.

14

FEBRUARI 2015 FIRM


Verslag

Activiteitenpagina najaar 2014 Tax Inhousedag EY Eind november vond de Tax Inhousedag van EY plaats. De Maastrichtse studenten waren (alweer) met de grootste delegatie aanwezig! Tijdens zes fantastische workshops is kennisgemaakt met de verschillende Tax-afdelingen: Human Capital, Indirect Tax, Business Tax Advisory, International Tax Services, Transaction Tax, Transfer Pricing en Financial Services.

Presentatie Belastingplan 2015 en borrel i.s.m. Deloitte In navolging van voorgaande jaren verzorgde Deloitte de presentatie van het Belastingplan 2015 waarbij de FIRSTstudenten werden bijgepraat over de relevante fiscale wijzigingen in 2015. Aansluitend op de meer dan geslaagde presentatie vond de ‘december-borrel’ plaats waarbij de gelegenheid was om nader kennis te maken met de medewerkers en recruiter van Deloitte.

Tentamentraining Kostprijsverhogende Belastingen i.s.m. BDO Ter voorbereiding op het tentamen Kostprijsverhogende Belastingen, werd door BDO een drukbezochte tentamentraining georganiseerd voor de derdejaarsstudenten.

Tentamentraining International and European Tax Law i.s.m. PwC Voor het tentamen International and European Tax Law werd in samenwerking met PwC een geslaagde tentamentraining georganiseerd.

FIRM FEBRUARI 2015

15


Inhoudelijk

Lucratief ondernemen in box 2 Een startende ondernemer kan kiezen hoe hij zijn activiteiten juridisch wil inkleden. Ook grote ondernemingen staan diverse ondernemingsvormen ter beschikking. Welke ondernemingsvorm valt in Nederland het gunstigste fiscale regime ten deel? Door: mr. W.R. Kooiman1

Nog niet zo lang geleden is het bv-recht ingrijpend gewijzigd.2 Hoewel deze wetswijziging flexibilisering van de civiele regels betrof, is duidelijk dat de aanpassingen ook fiscale implicaties hebben. Dit doet de vraag rijzen of ondernemen in de bv nu ook fiscaal aantrekkelijker is geworden en hoe de fiscale behandeling zich verhoudt tot andere Nederlandse ondernemingsvormen. Hierbij kan worden gedacht aan de nv, maatschap, en coöperatie. Eerst zal ik uiteenzetten op welke manieren ondernemingsvormen in Nederland worden belast. Vervolgens analyseer ik wat fiscaal lucratieve varianten zijn.

Transparant of non-transparant? Voor de heffing van winstbelasting zijn er twee manieren om ondernemingsvormen te behandelen: 1. De ondernemingsvorm wordt zelf als subject aangemerkt en voor haar winst belast (non-transparant). 2. De winst van de ondernemingsvorm wordt toegerekend aan de achterliggende gerechtigden (transparant). In het Nederlandse fiscale stelsel wordt iedere ondernemingsvorm volgens één van beide varianten in de heffing betrokken. Een dergelijke scheiding is overigens niet noodzakelijk. Zo bestaat in de Verenigde Staten onder omstandigheden de keuze om een vennootschap fiscaal als transparant te laten aanmerken (de zogenaamde check-the-box regels). In Nederland heeft de wetgever bij de invoering van de flexbv-wetgeving afwijzend gereageerd op de mogelijkheid dat een bv onder omstandigheden transparant zou kunnen zijn.3 Dit geldt ook als de aandeelhouders van de bv (extern) aansprakelijk zijn voor alle schulden van de vennootschap.4 Eerder is nog 16

voorgesteld om personenvennootschappen met en zonder rechtspersoonlijkheid in het leven te roepen, maar dat wetsvoorstel is ingetrokken.5 In Nederland geldt als hoofdregel dat ondernemingsvormen met rechtspersoonlijkheid als non-transparant worden aangemerkt. Het gaat dan om de nv, bv, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, stichting en vereniging. De juridische aspecten van deze rechtsvormen zijn ook geregeld in boek 2 BW over rechtspersonen en fiscaal worden ze genoemd in art. 2, eerste lid, Wet VpB 1969. De rechtsvormen maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap kennen geen rechtspersoonlijkheid en worden daarom in beginsel als transparante entiteiten in de heffing betrokken. Op deze tweedeling bestaan wel enkele uitzonderingen: • Ondanks dat een commanditaire vennootschap geen rechtspersoon is, wordt de vennootschap als non-transparante entiteit aangemerkt voor het deel van de winst dat toekomt aan de commanditaire vennoten.6 Het moet wel gaan om een open commanditaire vennootschap, inhoudende dat buiten het geval van vererving of legaat, toetreding of vervanging van commanditaire vennoten kan plaatshebben zonder toestemming van alle vennoten, beherende zowel als commanditaire (art. 2, eerste lid, onderdeel a, Wet VpB 1969 jo. art. 2, derde lid, onderdeel c, AWR). • Op grond van art. 2, eerste lid, onderdeel f, Wet VpB 1969 is een fonds voor gemene rekening ook belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Uit art. 2, tweede lid, Wet VpB 1969 FEBRUARI 2015 FIRM

blijkt dat een dergelijk fonds voordelen verkrijgt door het voor gemene rekening beleggen en verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid heeft. Rechtspersoonlijkheid wordt echter niet als voorwaarde gesteld. • Een stichting administratiekantoor die vermogensbestanddelen houdt ten titel van beheer is niet zelfstandig belastingplichtig, maar de heffing vindt plaats bij degene die in economische zin tot het vermogen is gerechtigd. Dit is bijvoorbeeld zichtbaar in het besluit inzake het inkomen uit aanmerkelijk belang (ab). Daarin wordt goedgekeurd dat de overdracht van ab-aandelen in administratie tegen uitgifte van certificaten van die aandelen onder voorwaarden niet tot een vervreemding leidt.7 Overigens is in dat geval voor de certificaathouders geen sprake van transparantie, maar worden de certificaten met de aandelen vereenzelvigd. Deze uitzonderingen zijn te verklaren vanuit de gedachte dat Nederland naast rechtspersoonlijkheid ook andere kenmerken van belang acht voor de kwalificatie als non-transparant. Zo volgt uit het besluit inzake buitenlandse samenwerkingsverbanden dat de volgende vier kenmerken van belang zijn om te bepalen of al dan niet sprake is van fiscale transparantie:8 1.

2.

Kan de ondernemingsvorm de juridische eigendom hebben van de vermogensbestanddelen waarmee het zijn activiteiten uitoefent? Zijn alle participanten beperkt aansprakelijk voor de schulden en de andere verplichtingen van de ondernemingsvorm?


Inhoudelijk

3.

Heeft de ondernemingsvorm een in aandelen verdeeld kapitaal in civielrechtelijke zin, dan wel kan het kapitaal in maatschappelijke zin gelijkgesteld worden met een in aandelen verdeeld kapitaal? 4. Kan er, buiten het geval van vererving of legaat, toetreding of vervanging van participanten plaatsvinden zonder dat toestemming nodig is van alle participanten? In het licht van deze kenmerken is te begrijpen dat sommige ondernemingsvormen een andere fiscale behandeling krijgen dan op basis van de rechtspersoonlijkheid kan worden verwacht. Zo is bij een open commanditaire vennootschap van belang dat de commandieten beperkt aansprakelijk zijn en wordt vrije toetreding expliciet als voorwaarde gesteld. Die voorwaarde komt ook terug bij de fiscale behandeling van een fonds voor gemene rekening.

Meest gunstig? Welke ondernemingsvorm fiscaal het meest gunstig is kan niet in zijn algemeenheid worden beantwoord, maar hangt sterk af van de omstandigheden van het geval. Daarnaast zal bij de bepaling van een geschikte ondernemingsvorm allereerst gekeken moeten worden naar de juridische mogelijkheden die een ondernemingsvorm biedt. Vanuit het perspectief van de ondernemer die overweegt welke ondernemingsvorm fiscaal het voordeligst is, zijn er twee opties: 1. Een transparante ondernemingsvorm waardoor de ondernemer zelf winst uit onderneming geniet (box 1). 2. Een zelfstandig belastingplichtige ondernemingsvorm waarbij de winst met vennootschapsbelasting wordt belast en voordelen uit de entiteit ab-inkomen vormen (box 2). Hierbij ligt de bv als rechtsvorm het meest voor de hand.

Voor wat betreft de heffingsgrondslag bestaat tussen beide varianten in beginsel geen verschil, omdat de heffing van vennootschapsbelasting voor de winstbepaling aansluit bij de regels van totaal- en jaarwinst uit de Wet IB 2001 (art. 8, eerste lid, Wet VpB 1969). Het tarief verschilt wel. In variant 1 geldt het progressieve box-1-tarief dat, inclusief premies volksverzekeringen, oploopt van 36,50% tot maximaal 52%. Voor de IB-ondernemer geldt evenwel de MKB-winstvrijstelling van 14% (art. 3.79a Wet IB 2001), waardoor het maximale tarief de facto 44,72% bedraagt.9 Het tarief voor de vennootschapsbelasting bedraagt 20% over de eerste € 200.000 winst en daarboven 25%. Bij realisatie van voordelen in box 2 wordt nog eens 25% geheven, waarmee het effectieve tarief minimaal 40% en maximaal 43,75% bedraagt. Daarnaast bestaan verschillen met betrekking tot fiscale faciliteiten. De IB-ondernemer maakt aanspraak op de ondernemersaftrek (par. 3.2.4 Wet IB 2001), waaronder de zelfstandigenaftrek en stakingsaftrek vallen. Vanwege deze ondernemersaftrek kan variant 1, ondanks de iets lagere gecombineerde heffing in variant 2, in bepaalde situaties fiscaal gunstiger zijn. Dit speelt met name bij een relatief lage winst. Naarmate de winst hoger wordt, zal ondernemen door middel van een niet-transparante entiteit fiscaal aantrekkelijker zijn. Toch is deze afweging te oppervlakkig. Het kernverschil tussen variant 1 en 2 is dat in box 2 pas heffing plaatsvindt als de ondernemingswinst aan de aandeelhouder toekomt. In box 1 kan heffing niet worden uitgesteld tot een onttrekking uit het ondernemingsvermogen. In box 2 daarentegen vindt alleen heffing plaats als in privé een voordeel uit het aanmerkelijk belang wordt gerealiseerd. De enige uitzondering op die regel betreft het belang in een vrijgestelde beleggingsinstelling in de

zin van art. 6a Wet VpB 1969 of vergelijkbaar buitenlands beleggingslichaam. In die gevallen wordt jaarlijks een forfaitair rendement van 4% in aanmerking genomen (art. 4.13, eerste lid, onderdeel a, jo. art. 4.14 Wet IB 2001). Voor een belang in een andere vennootschap geldt dit forfait echter niet. Wel moet rekening worden gehouden met de gebruikelijkloonregeling (art. 12a Wet LB 1964), wat de mogelijkheid om winsten in de bv onbelast op te potten enigszins beperkt. Juist bij hogere winsten zal de ondernemer niet de volledige winst nodig hebben voor consumptie. Het overschot kan hij dan in de bv houden of uitkeren. Juridisch maakt dat uiteraard verschil, maar economisch gezien zijn de verschillen beperkt. Niettemin wordt in de eerste situatie geen belasting geheven, terwijl in het tweede geval 25% belasting verschuldigd is over het uitgekeerde bedrag. De nietuitgekeerde winst kan daardoor binnen de vennootschap tegen een relatief laag tarief van 20/25% aan vennootschapsbelasting renderen, terwijl bij overlijden van de ondernemer en in enkele andere situaties faciliteiten bestaan om de belastingclaim in box 2 verder uit te stellen. Gelet op dit essentiële onderscheid tussen belastingheffing van ondernemingsvormen in box 1 en in box 2, heeft de Commissie Van Dijkhuizen voorgesteld om in box 2 in alle gevallen een forfaitaire rendementsheffing toe te passen.10 De grote weerstand die dit voorstel heeft opgeroepen, lijkt de fiscaal lucratieve behandeling van de directeur-grootaandeelhouder te bevestigen. Vanuit een evenwichtige belastingheffing bezien, kan immers moeilijk anders dan tot aanpassing van de ab-regeling worden besloten. De conclusie is dan ook dat het Nederlandse box-2-regime gerechtigden tot zelfstandig belastingplichtige ondernemingsvormen op zeer gunstige wijze belast.

1.

Werkzaam bij het Wetenschappelijk Bureau van Deloitte Belastingadviseurs B.V. en als buitenpromovendus verbonden aan de Universiteit Leiden.

2.

Wet van 18 juni 2012, Stb. 2012, 299.

3.

Kamerstukken II 2009/10, 32 426, nr. 3, blz. 7.

4.

Kamerstukken II 2010/11, 32 426, nr. 7, blz. 37-39.

5.

Kamerstukken I 2011/12, 31 065 en 28 746, D.

6.

HR 7 juli 1982, nr. 20 655, BNB 1982/268.

7.

Besluit van 4 september 2012, nr. BLKB2012/101M, Stcrt. 2012, 18480, onderdeel 4.5.

8.

Besluit van 11 september 2009, nr. CPP2009/519M, BNB 2010/58, onderdeel 3.3.

9.

In verliessituaties pakt de vrijstelling juist nadelig uit, omdat 14% van het verlies uit de heffingsgrondslag wordt geëlimineerd. Effectief is dus sprake van een tariefmaatregel.

10.

C. van Dijkhuizen (red.), Naar een activerender belastingstelsel, Ministerie van Financiën 2013, blz. 53-55.

FIRM FEBRUARI 2015

17


Ondernemen in Nederland

Pathofinder

moeten voldoen aan de Chinese wetgeving en daar goedgekeurd dienen te worden. Dat kost veel geld en daarvoor zoek ik momenteel nog strategische partners. Als zij willen investeren, heb ik veel meer mogelijkheden.

Door: Michèle Rooijmans & Jasper de Winter

Ondernemen in Nederland en Limburg, wat houdt dat in? Guus Simons, oprichter van Pathofinder, beantwoordde graag onze vragen. Wie bent u? De CEO en oprichter van Pathofinder. Na een studie scheikunde, afgestudeerd in biochemie, lag mijn passie voornamelijk in het DNA-onderzoek. Dat is dan ook de rode draad in mijn carrière. Op mijn vijftigste heb ik besloten een andere kant op te gaan en heb ik mijn eigen bedrijf opgezet. Inmiddels bestaat Pathofinder alweer tien jaar. Wat is Pathofinder? Pathofinder is een moleculair diagnostisch bedrijf, gelegen in Maastricht. Moleculaire diagnostiek is diagnostiek dat zich bevindt op het niveau van erfelijk materiaal. DNAonderzoek vormt dus nog steeds de rode draad in mijn carrière. Waarom heeft u ervoor gekozen zelf een bedrijf te beginnen? Ik ben eigenlijk gewoon een echte pionier. Het is leuk om met een aantal mensen een nieuwe techniek en nieuwe producten te ontwikkelen en deze op de markt te brengen wanneer daar vraag naar is. Als ik nu met een product veel geld zou verdienen, zou dat geld weer in een nieuw bedrijf gestoken worden. Ondernemen vind ik leuk en daar zal ik ook na mijn pensioen mee door blijven gaan. Waarom zit u in Maastricht? Ten eerste omdat ik risicodragend kapitaal nodig had en ik dat via het LIOF kon krijgen, maar dan wel een Limburgse ondernemer moest zijn. Maar de campus is natuurlijk ook een groot voordeel, daar komt veel talent vandaan. Daarnaast is de ligging van Maastricht ideaal, je bent zo in Duitsland, België en Frankrijk. Sowieso zou ik altijd in Nederland zijn gebleven, ik ben hier opgegroeid en ik heb hier familie. Als ik geld verdien, mag de Belastingdienst daar ook best iets mee verdienen. 18

Wat is de managementstijl van Pathofinder? De managementstijl is te omschrijven als streng maar rechtvaardig. Hier werken hoogopgeleide mensen en die moet je vrij kunnen laten in hun werk. Maar het betekent ook dat wanneer er een deadline niet gehaald wordt, ze daarop afgerekend dienen te worden. Dat moet natuurlijk netjes gebeuren, maar soms heb je helaas geen andere keus.

Uw bedrijf loopt natuurlijk veel risico: er wordt veel onderzoek gedaan, maar dat moet ook ergens toe kunnen leiden. Hoe tackelt u die risico’s? Door proberen slim te zijn en slim te ondernemen. Het startkapitaal waarmee ik begonnen ben, is in verhouding erg weinig. Voordat een product eindelijk de markt op kan, ben je al drie tot vier jaar bezig. Vervolgens moet het product voldoen aan een hoop regelgeving en daarna begint de verkoop van het product pas. Gelukkig brak tegen de tijd dat mijn bedrijf zover was de Mexicaanse griep uit en hebben wij daar testen voor ontwikkeld. Sindsdien is het bedrijf gaan groeien. Er lopen nu twintig mensen rond, waarvan twaalf puur onderzoeker zijn. Innoveren blijft ontzettend belangrijk; wij blijven altijd bezig onze DNA-technologie verder te ontwikkelen. U wilt ook graag met uw producten naar China. Hoe wil u dit gaan doen? Naar China gaan is helaas behoorlijk moeilijk. Aan ziekenhuizen daar kan nog niet geleverd worden, omdat de producten FEBRUARI 2015 FIRM

Wat is het moeilijkste aan ondernemen via een eigen bedrijf? Risico nemen zijn wij niet meer gewend in Nederland, daar zit het grootste probleem. Wat ik zelf het moeilijkste vond was het begin; het opzetten van een bedrijf. Ondernemen betekent een andere taal spreken en daar moest ik, als onderzoeker zijnde, enorm aan wennen. Maar na een tijdje weet je gelukkig niet meer anders. Wat is de grootste fout die een beginnend ondernemer kan maken? Het doen van teveel concessies. Als ondernemer kun je beter rustig aan beginnen en het op die manier opbouwen, dan meteen afhankelijk worden van anderen, omdat je te graag wil en geen geduld hebt. Het moet mogelijk blijven zelf je beslissingen te kunnen nemen. Wat zou u willen veranderen aan het ondernemingsklimaat in Nederland? Het arbeidsrecht werkt natuurlijk niet in het voordeel van de ondernemer. Verder zou er wat veranderd moeten worden aan het risicodragend kapitaal. Er moet door starters veel te veel moeite gedaan worden om startkapitaal te verwerven. Maar dat is typisch iets Nederlands, in Amerika zie je dat niet, daar krijg je meteen een paar miljoen mee. Er zou in Nederland wat meer beweging in de markt moeten komen. Wat zijn voor u de fiscale voordelen van Nederland? Denk bijvoorbeeld aan de innovatiebox, daar maken wij veel gebruik van. Het belastingtarief is behoorlijk hoog, maar daar stoor ik mij niet aan. Ik zou natuurlijk graag zien dat de belasting verlaagd wordt en de verantwoordelijkheid meer bij de burger gelegd wordt, maar dat zal niet snel gebeuren. Wat is het gelukkigste moment in uw carrière? Het gelukkigste moment is wanneer er een nieuw product wordt ontwikkeld en je daar meteen een miljoen euro mee verdient. Dan weet je waar je voor werkt.


Ondernemen in Nederland

Scheers Groep, supporters van ambitie Op de dag dat Roermond landelijk nieuws werd, zijn we afgereisd naar Herten voor een gesprek met dhr. Roel Verheggen en dhr. Peter Scheers, twee partners van Scheers Groep. Door: Jos Ruijters & Bastiaan Didden

Scheers Groep is een middelgroot adviesen accountantskantoor met vestigingen in Herten, Maasbracht en Hoensbroek. Scheers Groep maakt deel uit van een groter samenwerkingsverband met Neven & Schneiders en Reintjens Frijns. Zowel accountants alsook adviseurs (fiscaal, juridisch en financieel-administratief ) zijn werkzaam voor het kantoor. Hiermee wordt gezorgd voor een integrale aanpak van de uitdagingen waar een ondernemer mee wordt geconfronteerd: Scheers Groep, supporters van ambitie. Hoe is Scheers Groep ontstaan? Peter: Het kantoor is ontstaan uit een samenwerkingsverband tussen Scheers en Waeyen dat in 1978 is opgericht. Door een verschil in visie zijn Scheers en Waeyen in 2000 zelfstandig verder gegaan. Begin januari 2000 bestond Scheers Groep uit 24 medewerkers, verdeeld over een tweetal vestigingen. Door groei, zowel autonome groei alsook door overnames is het kantoor een stuk groter geworden. Op dit moment zijn er 85 medewerkers werkzaam bij Scheers Groep. Scheers Groep omvat ook Neven & Schneiders en Reintjens Frijns. Beide kantoren opereren echter onder eigen naam. Ons kantoor is voornamelijk gericht op accountancy maar daarnaast zijn wij meer dan een ‘gemiddeld’ accountantskantoor adviserend bezig. Wij bieden onze klanten niet enkel een advies met de verschillende mogelijkheden maar zijn ook richtinggevend bezig. Dit kan enkel als je de klanten die je bedient echt goed kent. Wij investeren dan ook veel in een goede relatie met onze klanten.

Wat houdt het zijn van partner in? Ben je als partner meer een ondernemende fiscalist of een fiscalist die onderneemt? Roel: Partner zijn is ondernemer zijn. Naast de vakinhoudelijke aspecten als accountant of fiscalist heb je een bredere verantwoordelijkheid. Denk hierbij aan personeelszaken en het bepalen van de koers/strategie van de adviesgroep alsook aan acquisitie. Binnen de Scheers Groep zijn er elf partners werkzaam. Op welke klanten richt Scheers Groep zich? Wat zijn jullie specialismen? Roel: Scheers Groep richt zich voornamelijk op de MKB-praktijk maar we merken dat er steeds vaker internationale aspecten bij onze werkzaamheden ‘om de hoek komen kijken’. Een aantal van onze klanten is bijv. ook actief in België en/of Duitsland. Binnen de MKB-praktijk zijn we onder andere goed thuis in de agrarische sector en in de horeca. De medewerkers van ons kantoor zijn generalisten. Wat zijn de trends of ontwikkelingen in de fiscaliteit? Roel: Er is steeds meer aandacht voor vermogensplanning. Daarnaast is er steeds meer aandacht voor pensioenen, dit komt voornamelijk door de constant veranderende wetgeving op dit gebied. De wetgeving verandert voortdurend, dit biedt echter ook nieuwe kansen. Het einde lijkt nog niet in zicht. Peter: Er zijn nog altijd volop kansen. Het valt ons op dat de fiscale wetgever voornamelijk oog heeft voor het budgettaire aspect van belastingen, hierdoor wordt FIRM FEBRUARI 2015

voorbij gegaan aan de grondslagen van het belastingrecht. Hoe zien de werkzaamheden van een junior medewerker bij Scheers Groep er uit? Roel: Wij proberen de junioren zo snel mogelijk bij het geheel te betrekken. Zelfs als je maar een deelprobleem hoort uit te zoeken, is het toch van belang dat je het grotere geheel ziet. Beginnende fiscalisten denken te vaak ‘zwart-wit’. Door deze brede aanpak kom je sneller tot het gewenste eindresultaat. Wij verwachten niet dat al onze starters de NOB-opleiding doorlopen. Al onze fiscalisten zijn ingeschreven bij het Register Belastingadviseurs. Vanzelfsprekend verwachten wij van onze medewerkers dat zij hun vakkennis op peil houden en de nodige cursussen bijwonen. Eenmaal per maand is er ook een vaktechnisch overleg met de praktijkgroepen. Hebben jullie nog tips voor de fiscale studenten? Probeer je niet blind te staren op het academisch kader. Daarnaast moet je in het achterhoofd houden dat je als medewerker van een advieskantoor een vertaalslag moet maken voor de cliënt. De complexe materie moet in een begrijpelijk en helder advies worden omgezet.

19


Discussiepagina Op deze discussiepagina zijn zowel twee reacties opgenomen op de stelling ‘Limburgse student ontbeert ambitie’ alsook wordt een nieuwe stelling met een korte toelichting geïntroduceerd. Reacties op de in FIRM 22.1 geplaatste stelling ‘Limburgse student ontbeert ambitie’: Allereerst vraag ik me af wat wie nou in hemelsnaam de “Limburgse” student zou moeten vertegenwoordigen. Het is beneden peil om studenten die in Limburg studeren dusdanig makkelijk weg te zitten. Als ik in mijn gemiddelde onderwijsgroep rondkijk, zie ik individuen die studeren maar primair uniek zijn. Inderdaad: sommigen hebben er ogenschijnlijk meer zin in dan de anderen. De ene heeft LinkedIn, loopt tig stages, neemt deel aan besturen en commissie terwijl de andere zich liever bezig houdt met videogames, paardrijden, (schertsend) de schutterij of de fanfare. Als ik met mijn vriendinnen spreek, die studeren in Rotterdam respectievelijk Leiden, blijkt dit uiteraard echt geen Limburgs fenomeen - al blijken de schutterij en de fanfare volgens mijn vriendinnen toch wel echt not done buiten Limburg. Esther Geersheuvels

Bachelor Rechtsgeleerdheid en bachelor Fiscaal Recht

In essentie ben ik het eens met deze stelling. Ik heb het artikel destijds ook gelezen en heb gemerkt dat er veel kritiek op werd geleverd, met name door Limburgse studenten. De stelling zou veel te algemeen benaderd worden. Uit de reacties bleek bovendien dat de meeste studenten -teruggekoppeld naar zichzelf- vinden dat ze wel degelijk de nodige ambitie hebben. Juist het feit dat Limburgse studenten zich niet in het probleem herkennen, toont naar mijn mening het gelijk van de schrijver aan. Het artikel stelt terecht dat veel (Limburgse) studenten z.s.m. hun academische titel willen halen en vervolgens denken dat ze er zijn, zich niet realiserend hoe belangrijk het is om activiteiten naast je studie te hebben gedaan. Niet alleen voor het krijgen van een baan, maar vooral voor je persoonlijke ontwikkeling. Het is dus vooral een mentaliteitsprobleem. Zonder iedereen over één kam 20

te scheren, blijven veel (Limburgse) studenten in hun oude vertrouwde wereldje hangen en zullen ze helaas ook nooit eens verder kijken buiten de provincie. Dan is het ook niet zo gek dat veel mensen zich niet in de stelling herkennen maar nogmaals, het bevestigt de stelling wel degelijk. Nathalie Niederer

Bachelor Fiscaal Recht

Nieuwe stelling: Afschaffen partnerstructuur: slecht idee of goed idee? Een tijdje terug viel mijn oog op een ingezonden stuk van Henk Nijboer in het FD, woordvoerder fiscale zaken van de PvdA. Hij beoogde met zijn stuk de discussie open te breken om de partnerstructuur van fiscale kantoren te vervangen voor een onafhankelijke raad van commissarissen om beter toezicht te houden op adviesverlening. Met ontsteltenis sloeg ik deze passage gade. De strekking van dit stuk is namelijk dat een fiscaal adviseur moet worden beschouwd als een grote boef die er zorg voor draagt dat de overheid belastinggeld misloopt. Vandaar dat deze boef maar eens goed moet worden aangepakt in de vorm van een strakke regulering. Naar mijn idee is deze opzet een grove schoffering van een serieuze beroepscategorie. Het is namelijk niet aan een fiscaal adviseur te wijten dat er ruimte bestaat voor, zoals dat wordt genoemd, agressive tax planning. Als sociaal maatschappelijk verantwoord handelen moet worden gezien als een onderdeel van een onderneming, dan moet de wetgever hier een normatief kader voor opstellen. Als dit normatieve kader te vaag is, of niet bestaat, dan is dat aan de wetgever de wijten. Dan biedt de wetgever een fiscaal adviseur de mogelijkheid om, voor zover dit binnen de wet past, met deze ‘gatenkazen’-wet te spelen. Zodoende is hij zijn cliënt van dienst, vaak leidend in een zo laag mogelijke belastingdruk. Dit is waar de fiscaal adviseur een stuk bestaansrecht aan ontleent. Waar FEBRUARI 2015 FIRM

een advocaat pleit voor een zo laag mogelijke straf voor zijn cliënt, moet een fiscaal adviseur zorg dragen voor een zo laag mogelijke belastingdruk voor de belastingplichtige. Een fiscaal adviseur behoort dus de letter van de wet na te leven, wat deze in mijn optiek ook doet. In de verste verte valt geen vergelijking te maken met frauderende accountants of graaiende bankiers. Naast de letter van de wet kent men ook de geest van een wet, waarbij een stuk ethiek komt kijken. Agressive tax planning zou in strijd zijn met deze geest, want iedereen behoort namelijk zijn fair share te geven aan de samenleving. Maar valt hier dan iets de fiscaal adviseur te verwijten? In mijn optiek niet. Een fiscaal adviseur geeft slechts advies aan zijn cliënt. Het is nog altijd aan de belastingplichtige zelf om gebruik te maken van technieken, die de wet heeft geboden, om de belastingdruk zo laag mogelijk te houden. Daarnaast vraag ik mij af of belastingplichtigen alleen hun fair share geven aan de samenleving als zij, naar maatschappelijke maatstaven, voldoende belasting betalen. Indien de belastingdruk zo laag mogelijk wordt gemaakt voor ondernemingen, heeft een onderneming meer liquide middelen tot zijn beschikking. Deze liquide middelen kunnen worden aangewend voor extra investeringen wat de werkgelegenheid ten goede komt. Kan het vergroten van baankansen dan niet worden gezien als bijdrage aan de samenleving? Mocht het zo zijn dat het belastingstelsel inderdaad niet fair is, dan kan men zijn energie beter steken in het veranderen hiervan. Maar reageer je frustratie niet af op ondernemingen en hun adviseurs die proberen binnen de wettelijke kaders hun bijdrage te leveren. Wat vinden jullie? Reageren onder vermelding van naam en opleiding (bachelor/master), kan via firm@firstmaastricht.nl, bij voorkeur vóór 15 maart a.s. Jasper de Winter

Hoofdredacteur FIRM 2014-2015


Inhoudelijk

Hoe ontkomt burgerman Jos aan de erfbelasting? Er is geen enkele belasting die meer frustratie oproept dan de erfbelasting. In sommige situaties loopt het zelfs helemaal uit de hand en ik zal dit proberen duidelijk te maken aan de hand van een casuïstische schets. Door: Jasper de Winter

H

ierbij zal ik de hoofdpersoon in het verhaal, Jos, vertellen wat hij kan doen om de erfbelasting zo laag mogelijk te houden. Omdat het thema van dit nummer ondernemen is, zal ik ook een link leggen naar mogelijke discriminatie tussen particulieren en ondernemers met betrekking tot het betalen van erfbelasting. Jos is een modale man van midden vijftig en heeft een alleenstaande broer, genaamd Kees. Kees is alleenstaande geworden na het overlijden van diens vrouw. Kees besluit daarop zijn woning in Maastricht te verkopen en trekt zich terug in een woning op Terschelling. Ofschoon hij in het begin geniet van de stilte, blijkt het uiteindelijk een slechte keuze te zijn geweest. Vanaf een bepaald moment gaat het alleen maar bergafwaarts met hem. Hij trekt zich het leed van zijn leven erg aan, vereenzaamt en drinkt erop los. Op een dag wordt het hem allemaal te veel en hij besluit zichzelf van zijn leven te beroven. In november 2013 hangt hij zich op aan een van de touwen in de schuur tussen de koeien. In diezelfde maand erft Jos de Terschellingse woning van zijn broer Kees. Hij laat zich vertellen dat hij in de categorie ‘overige erfgenamen’ valt. Dit houdt in dat hij bij een erfenis van maximaal 117.214 euro (in 2014) 30 procent aan erfbelasting betaalt en 40 procent over het meerdere. Concreet gezegd: hij zal een fors bedrag moeten ophoesten. Jos besluit dan ook de woning meteen in de verkoop te zetten, want hij heeft geen financiële middelen om de erfbelasting te betalen als hij het huis niet verkoopt. Ook zit hij helemaal niet te wachten op extra maandelijkse lasten.

Jos vindt het maar een stressvolle situatie, want wat als hij het huis niet kwijtraakt? Dan zal hij nota bene moeten lenen om erfbelasting te kunnen betalen! De huizenmarkt loopt al niet zo vlotjes en wie wil er nou op Terschelling wonen? In de hoop de woning zo snel mogelijk te verkopen besluit Jos het advies van zijn makelaar op te volgen. Deze zegt dat hij maar beter een vraagprijs kan hanteren die fors lager is dan de WOZ-waarde van de woning. De WOZ-waarde is op de peildatum 450.000 euro en hij besluit de woning in de markt te zetten voor 400.000 euro. Dit is heel zuur voor Jos, want sinds 2010 is bepaald dat erfbelasting niet wordt betaald over de verkoopprijs, maar over de WOZ-waarde. Dit houdt dus in dat hij 40 procent moet afdragen over geld dat hij nooit zal krijgen, over lucht dus. Jos betaalt 40 procent belasting over het verschil van (450.000 euro - 400.000 euro) te veel. In dit geval maar liefst 20.000 euro. Jos is ten einde raad en schakelt belastingadviseur Jasper in. Jasper raadt hem aan bezwaar aan te tekenen tegen de vastgestelde WOZ-waarde. Hij vermeldt daarbij dat normaal gesproken een bezwaartermijn geldt van zes weken, maar dat deze op erfgenamen buiten toepassing blijft. Jos besluit meteen bezwaar aan te tekenen in november en vraagt een nieuwe beschikking aan, een van 400.000 euro (de vraagprijs van de woning). Tegen het einde van het jaar zal de gemeente uitsluitsel geven en tot die tijd krijgt Jos uitstel van betaling. Jasper wijst hem er nog op dat uitstel van betaling helaas niet betekent dat hij geen rente verschuldigd is over de erfbelasting. Oprenting gaat in vanaf acht maanden na de dag van overlijden van diens broer Kees en bedraagt 4%. Om mogelijke renteverplichtingen te voorkomen FIRM FEBRUARI 2015

is het voor Jos wellicht handig om zo snel mogelijk aangifte te doen en te vragen om een voorlopige aanslag. Jos moet dan echter wel de financiële middelen hebben om deze voorlopige aanslag te voldoen. Dat is in casu nog maar zeer de vraag. Na alle ellende heeft Jos een meevaller: zijn WOZ-bezwaar wordt aan het einde van het jaar toegewezen. Er vormen zich dan echter weer nieuwe problemen. Jos krijgt het huis maar niet verkocht. Hij vreest er nu echt voor dat hij een lening zal moeten afsluiten om aan de verplichting van de erfbelasting te voldoen en is van plan een bank in te schakelen. De tweede domper incasseert hij een aantal dagen later wanneer de makelaar de woning taxeert op een waarde van 365.000 euro. Dit houdt dus in dat hij, ondanks dat zijn WOZ-bezwaar is toegewezen, alsnog belasting zal moeten betalen over lucht. Gelukkig zit er toch nog wat in het vat voor Jos. De woningmarkt herstelt mondjesmaat begin oktober 2014. Dit herstel blijkt voldoende voor Jos om de woning te verkopen voor 375.000 euro. Indien Jos geen bezwaar zou hebben aangetekend betaalde hij een belasting van 40 procent over (450.000 euro - 375.000 euro), ofwel 30.000 euro te veel. Omdat Jos wel bezwaar heeft aangetekend en dit bezwaar is toegewezen betaalt hij 40 procent over (400.000 euro - 375.000 euro), ofwel 10.000 euro te veel. Ook komt hij in plaats van voor de oude WOZ-waarde van 450.000 euro nu in box 3 terecht voor 400.000 euro, belast tegen 1,2 procent. Ondanks dat Jos nog steeds een gevoel heeft van onrechtvaardigheid stuurt hij als bedankje een mooie fles whisky naar zijn belastingadviseur. Deze kan er namelijk ook niets aan doen dat dit het beleid is. Jasper knijpt in zijn handjes en is helemaal 21


Inhoudelijk in zijn nopjes bij het in ontvangst nemen van de fles. Mensen gelukkig zien na het uitbrengen van fiscaal advies is waarvoor hij het allemaal doet. Ondanks dat particulieren op een gegeven moment hoe dan ook zullen worden getroffen, hebben ondernemers de mogelijkheid om hun onderneming krachtens erfrecht over te laten gaan op hun opvolgers, met als doel de continuïteit van de onderneming te waarborgen. In zo’n geval is het eerste miljoen van de onderneming

1.

vrijgesteld, alsmede 83 procent van het meerdere. Wel moet sprake zijn van een echte onderneming, dus vennootschappen waarin alleen onroerend goed zit of spaargeld vallen buiten toepassing. Verder kan de claim voor de aanmerkelijkbelangheffing worden doorgeschoven op grond van de bedrijfsopvolgingsregeling. Wel moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. De opvolger moet onder andere de onderneming voor ten minste vijf jaar voortzetten. Mooie faciliteiten dus voor

ondernemers en men zou denken dat het gelijkheidsbeginsel in het geding komt aangezien particulieren deze mogelijkheden niet bezitten. De Hoge Raad heeft echter beslist dat discriminatie pas is verboden als daarvoor ‘een redelijke en objectieve rechtvaardiging’ ontbreekt.1 De faciliteiten worden ondernemers geboden om de continuïteit van de onderneming te waarborgen en er is geen reden aan te nemen dat dit een onredelijke grond is.

HR, 22-11-2013, nrs. 13/01154, 13/01622, 13/01160, 13/01161 en 13/02453.

Verslag

Eerstejaarsactiviteit Door: Rosanne van Dijk

Op vrijdag 14 november heeft de activiteitencommissie in samenwerking met Integrand Maastricht de eerstejaarsledenactiviteit georganiseerd De activiteit was bedoeld om eerstejaarsleden op een laagdrempelige manier kennis te laten maken met onze vereniging en andere leden. Op de agenda stond een workshop ‘pitchen’ die geheel werd verzorgd door Integrand Maastricht. Maar voordat we aan deze workshop begonnen, stond er nog een gezamenlijke lunch op het programma. Een goede voorbereiding is immers het halve werk.

22

Nadat twee lieftallige dames van Integrand, Floor en Eva enkele tips en tricks hadden gegeven om een sterke en krachtige pitch te schrijven, gingen de eerstejaarsleden enthousiast aan de slag. Terwijl de deelnemers druk aan het brainstormen waren, kwamen Floor en Eva langs om advies te geven en de puntjes op de i te zetten. Na enig zwoegen en rood aangelopen hoofden, was het dan zover! De eerstejaarsleden kregen de kans om hun letterkundige creatie te presenteren aan de rest van de groep. Het aanwezige bestuur nam het voortouw en gaf het goede voorbeeld door hun pitch te vertonen. Enkele dappere eerstejaarsleden die de uitdaging ook aandurfden, kregen een kleine beloning voor hun bravoure mee naar huis. Vanzelfsprekend werd de activiteit afgesloten met een ouderwetse borrel in Café Tribunal. De activiteitencommissie wil alle eerstejaarsleden bedanken voor hun deelname en we hopen nog vaak met jullie te proosten!

FEBRUARI 2015 FIRM


Column

Gebakken lucht in plaats van een echte interne markt… Door: Prof. dr. J.G.A. van Mierlo

De nieuwbakken voorzitter van de Europese Commissie Juncker verkoopt liever gebakken lucht in plaats van de interne markt echt vrij te maken. Wat een gemiste kans!

Gebakken lucht van driehonderd miljard! Jean-Claude Juncker heeft meteen met een klaroenstoot van liefst 300 miljard euro zijn entree als nieuwe Europese Commissievoorzitter gemaakt. De EU heeft heel hard economische groei nodig. Om dat voor elkaar te krijgen lanceerde hij in Brussel een investeringsprogramma van 300 miljard euro…. Dat is een astronomisch bedrag, maar daarvan is maar 13 miljard écht geld. De rest is een wirwar van garanties van de EU-lidstaten, leningen en investeringen van bedrijven, waar ‘Brussel’ op hoopt. Dat komt er allemaal op neer dat alle EU-landen nog meer geld gaan uitgeven, dat zij helemaal niet hébben…. Die gebakken lucht moet tussen 0,7 en 1 procentpunt extra groei en miljoenen nieuwe banen opleveren. En gij geleuft dat? Wonderen gebeuren niet meer en alleen de Baron van Münchhausen kon zich met zijn paard en al, aan zijn haren uit het moeras trekken! Waarom zo moeilijk doen als de EU op een veel gemakkelijkere manier voor flink meer groei kan zorgen? Die veel gemakkelijke manier is er; door van de EU eindelijk een echte interne markt te maken.

Een echt vrije interne markt is veel beter… Ik herinner mij het Ceccini-rapport van 1990. Dat rapport werd door de Italiaanse econoom Ceccini geschreven in opdracht van de Europese Commissie. En de toenmalige nieuwe Commissievoorzitter, de Fransman Jacques Delors, greep dat rapport aan om de eerst drie en later vier Vrijheden van de Interne Markt te formuleren. Dat zijn de vrijheid van verkeer van goederen, verkeer van diensten, verkeer van kapitaal en ten slotte van verkeer van personen. Die vier vrijheden werden nog eens bevestigd in het Verdrag van Maastricht van 1994. Die Vier Vrijheden en

niet de komst van één Euromunt, de euro, zouden de echte pijlers van de Europese binnenmarkt worden en de echte bron van substantiële economische groei in de Europese Unie in de daarop volgende twintig jaar tot de financiële crisis van 2007. De verdiensten van deze Italiaanse econoom (ik heb zijn rapport nog ergens in de boekenkast staan!) en van deze Franse Commissievoorzitter voor Europa zijn onmetelijk. De Italiaanse econoom wordt bedankt voor zijn wetenschappelijke onderbouwing en de Franse tot dan toe wat grijze voorzitter voor zijn politiek-visionaire gebruik daarvan voor de uitbouw, groei en bloei van Europa. Beiden zijn ten onrechte helaas wat vergeten. Hun ideeën zijn nog steeds actueel. Want de Vier Vrijheden en de Europese binnenmarkt zijn nog steeds niet voltooid…. Probeer als Nederlander maar eens een bakkerij of slagerij te openen in Duitsland of Frankrijk, of als architect of als leraar of als arts in een ander EU-land aan de slag te gaan. Dat mag zomaar niet… Want deze beroepen zijn met honderden andere beroepen in veel EU-landen beschermd. Of probeer in Nederland een uit een ander EU-land ingevoerd voertuig te registreren zonder voor de BPM aangeslagen te worden. Dat gaat niet lukken. De interne markt is te vaak nog een illusie. Vooral in het dienstendeel van onze economie is dat het geval. Als de dienstenmarkt in de EU echt vrij zou zijn, zou dat elk jaar 0,7 tot 2,3 procentpunt extra economische groei opleveren. Voor Nederland betekent een echte vrije Europese dienstenmarkt elk jaar tussen 4 en 14 miljard échte euro’s extra, ofwel 800 euro per persoon, zo is berekend. En niet eenmalig, maar jaar injaar uit! In plaats van daarvoor te zorgen, proberen Europese politici op een uiterst ingewikkelde en gevaarlijke en onzekere manier voor veel minder voordeel te zorgen. Waarom? Bij meer vrije interne marktwerking heeft de overheid, nationaal én in Brussel veel minder te doen. Dan kunnen de politici niet meer pochen met hun daadkracht en kunnen zij geen loze beloftes meer doen om 300 miljard te FIRM FEBRUARI 2015

Prof. dr. J.G.A. van Mierlo is hoogleraar Openbare Financiën aan de Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde van de Universiteit Maastricht. Hij is coördinator van de Maastrichtse bachelor- en masteropleiding Fiscale Economie. Daarnaast is hij expert in onderwijs en praktijk van (ook Fiscaal) Beleidsevaluatieonderzoek. E-mail: h.vanmierlo@maastrichtuniversity.nl

investeren om miljoenen nieuwe banen te scheppen. Dan is keizer Nero niet meer nodig met de duim omhoog of omlaag. Stel je eens voor dat de vrije binnenmarkt het beter blijkt te doen dan de overheid…. Wie met de gebakken peren komt zitten met dit gebakken lucht plan weten zelfs ondertussen de vogels in de lucht…

Ten slotte Hier ligt een mooie taak voor Europese super-commissaris en rechterhand van voorzitter Juncker onze eigen Frans Timmermans. Hij zou zich net zo onsterfelijk maken als Jacques Delors, als hij diens werk eindelijk af zou kunnen maken. Hoe? Door alle vooral nationale regels die de vrije Europese binnenmarkt vooral van die personen afschermen en belemmeren, aan te pakken en af te schaffen. Om te beginnen met de markt voor Fiscale adviseurs, haha! 23


International Dear member, FIRM 22.2 has arrived, which means that the first half of this academic year has passed. The “February-starters” are about to leave and new students will explore the city of Maastricht. Only four courses and your thesis left, and for a lot of you, living as a student in Maastricht will be history! We hope that you enjoyed the past period, where we experienced how energetic and enthusiastic the international branch of our study association is. The trip to Luxembourg was a great success. The first day consisting of an extensive visit at the office of EY including a lovely evening program in Luxembourg City. With a little headache as a memory of the great night, we visited the head office of Arcelor Mittal during the next day. Moreover, a substantial amount of students attended the exam training for

International and European Tax Law organized in cooperation with PwC. In the upcoming months our main event will take place. For the second time during our existence the International Job Fair will be organized and with the participation of the entire Big Four from Luxembourg it promises to be a very interesting day. We hope that FIRST Maastricht, together with the companies, will leave an impression that you will never forget. After all, there is no better memento for this fantastic year than a job offer!

Calendar February 3 General assembly and monthly drink in cooperation with Loyens & Loeff (Dutch lawbooks will be distributed)

February 6 International Job Fair

Build your network FIRST!

March 10 On behalf of the board,

Open party

Max Robeerst President FIRST Maastricht 2014-2015

International

EU impact on Dutch business climate A country’s business climate is formed based on several elements. It is a mix of aspects including infrastructure, political stability and law. In this respect, tax law is one of the elements companies take into account once they have to decide where to set up a business. By: Jasper Korving

H

istorically, the Netherlands has always been at the top of many lists. This was based on the fact that inbound profits remained untaxed under our participation exemption, payments of dividends, interest and royalties were not taxed or at a very low tax rate and we have concluded many tax treaties for the avoidance of double taxation. Low taxes, nice roads and facilities, and a stable political climate made the Netherlands attractive for – foreign – companies to set up an 24

establishment. European law now impacts a couple of these Dutch treats.

Tax rulings and state aid To receive more certainty that the desired tax treatment would, in the end, actually be applicable to the company concerned, the Netherlands had a flourishing ruling practice. Companies requested certainty on the application of tax advantages or requested for specific advantages in the ruling itself. The European Council, however, considered this to constitute FEBRUARI 2015 FIRM


International harmful tax competition and under political pressure, the Netherlands had to adapt its ruling practice into its current form, the APA/ATR practice. Under the current practice, companies can only request the Dutch Tax Authorities to determine whether they would qualify for a specific rule of law. No advantages are included in the ruling itself. Recently, however, the Dutch ruling practice was faced with the start of a formal state aid investigation. Even though the European Commissioner for Competition indicated that the investigation only related to the specific ruling under examination and the ruling practice itself was deemed to be compatible with EU law, the examination made the Dutch tax world shiver. An advantage is considered to be state aid if it is granted on purpose by a public authority and only to a selective group of beneficiaries. Tax advantages can be considered advantages as well, as they reduce a Member State’s revenues. A ruling is selective per se, since it is only granted to an individual company under circumstances that are only applicable to them. If, however, a ruling would only, e.g., determine that the company has a shareholding of at least 5% and, as a consequence, the participation exemption would be applicable, there is no problem. Under Dutch ruling practice, a differentiation can be made between Advance Tax Rulings (ATRs) and Advance Pricing Agreements (APAs). Under an ATR, a certain situation can be confirmed (e.g. the presence of a permanent establishment). ATRs would in principle never be state aid. An APA confirms the transfer pricing on certain transactions within the group. Due to valuation of methods to be used, APAs could in principle lead to state aid discussions. If a measure that constitutes state aid is applied in practice, the European Commission may request the Netherlands to recover any advantages arising from the aid in order to restore the situation to what it should have been without the aid being granted. Recently, particularly the influence of state aid provisions on the ruling practices of several Member States was addressed. In four press releases the EC discussed the formal state aid proceedings instituted with respect to the countries. Of one them relates to a ruling concluded by the Netherlands: Starbucks (SA.38374). Specifically with respect to this ruling the EC observed that “the individual rulings of the Dutch Tax Administration on calculation of the tax base for production activities of Starbucks Manufacturing EMEA BV” has to be examined. So this concerns a regulation for determining the tax base, not a reduction of the applicable tax rate itself. Particularly the transfer pricing method chosen, the benchmarks, the corrections

applied and the classification as an agent raised questions. The EC also referred to an APA issued to another contract producer. SMBV is also benchmarked as a contract producer. The EC questions this, since an APA issued to another contract producer is based on the return on assets as established based on a benchmark and no corrections are imposed in that report. Yet the main problem seems to have been caused by implementation differences; the report assumes a certain transfer pricing method, which in itself is correct, but another transfer pricing method has been used in the effective implementation. The EC reaches the conclusion that the ruling of Starbucks Manufacturing BV does not respect the arm’s length principle. No arm’s length fee was allegedly paid. The EC decided to open the formal state aid proceedings to be able to examine the ruling in more detail. The EC hence requested the Netherlands to provide additional information. As stated above, the EC does not expect to identify any structural deficiencies in the Dutch tax ruling practice. The Dutch ruling practice seems solid, and APAs are only concluded based on thorough TP reports while the internal procedures of the Tax Administration (requiring, inter alia, a second signature) seem to provide sufficient guarantees for a solid assessment prior to concluding an APA. No dispute on state aid should arise in respect of APAs effectively concluded based on a solid TP report and a thorough assessment by the Tax Administration. This should, in principle, go for all APAs for all types of intercompany activities (financing, licensing, but also for master distributor/principal activities). This in essence concerns the payment taxed in the Netherlands, which should be in accordance with arm’s length standards.

FIRM FEBRUARI 2015

25

“Low taxes, nice roads and facilities, and a stable political climate made the Netherlands attractive for – foreign – companies”

BEPS and EU Besides the state aid investigation to the ruling practices or individual rulings, another development that will affect the business climate of countries is the OECD Base Erosion and Profit Shifting project. The purpose is to avoid that countries are artificially used, only for obtaining tax advantages. In the public debate, companies that are actively engaged in the economic business of a country are to pay their ‘fair share’ of taxes in that country. Take, for example, Starbucks once again. They have a lot of coffee shops in the UK, but do not pay that much taxes there. Actually, the main part of the profits is taxed in a low taxed jurisdiction. The public feels multinationals like Starbucks should pay their taxes in the country where they actually sell their products, not where they artificially store items of income to which many UK costs are attributed. I do understand this position. In the aftermath of the economic crisis, the working class had to pay their fair share as well, so now companies should do the same. Some organizations force companies, like


International

Vodafone, to pay their fair share by occupying their stores. However, maybe there also is a role to play for the countries’ governments. If the winner of the game is not the one you want, then change the rules of the game; and the rules of the game can only be made by the countries themselves, both in a domestic and an international tax environment.

“If national laws really would look more alike, countries should make sure they increase their attraction for other reasons than for tax purposes” As a consequence of the BEPS project, several items were open for discussion. However, since the OECD with all its Member States did not yet determine which road to take, the EU speeded up the discussion. In this respect, they tried to solve the ‘hybrid instrument mismatch’ discussion by amending the Parent-Subsidiary Directive. Under this directive, profit distributions cannot be subject to a withholding tax and the country of the parent company should avoid economic double taxation by application of an exemption or credit method. However, what would happen when the source country qualifies a payment as a (deductible) interest payment and the state of the recipient would exempt the income under its participation exemption? That would lead to a double dip. The Parent-Subsidiary is now amended in such a way that the latter country can only apply its participation exemption to the extent that the payment is not deductible in the source state. In other words: the recipient state should follow the source state classification. And that is, actually, the opposite of the original proposal to solve the hybrid mismatch discussion as suggested by the OECD. Furthermore, the solution only solves double non-taxation. In the unfortunate case that a hybrid mismatch would result in actual double taxation, no solution is suggested. This still is to be resolved by the EU Member States, but most probably the EU Member States have no direct interest in solving this issue as well. In the original proposal to amend the 26

Parent-Subsidiary Directive, the European Commission also proposed to include a general anti-abuse rule (GAAR) in the directive. Since the wording seemed to be extensive and the consequences were unclear, the GAAR was removed to be discussed further at a slower pace. Recently, the Member States reached political agreement on the wording of the GAAR in a more open form. Under the new provision, the Directive will not be applicable at all in case of artificial arrangements or a series of such arrangements. The final scope of the GAAR will depend on the effective implementation by the Member States of its provisions, but it will surely have great impact. For the Interest & Royalty Directive, a comparable GAAR is suggested.

CCCTB Overlooking the current international tax arena, EU Member States are increasingly becoming aware that the only way they can solve tax evasion and other tax related issues is through harmonization. As a result, the EU project on the Common Consolidated Corporate Tax Base (CCCTB) seems reanimated. Under the CCCTB the tax base of a group of companies is determined at group level and, subsequently and according to a distributive formula, attributed to the several Member States where the company is active. Those states can tax the attributed profits at their own domestic tax rate. Even though the CCCTB may lead to two separate corporate income tax systems being applied within a single Member State, it could definitely solve classification problems in the international tax environment. The formula apportionment, however, still needs to be discussed. It is mainly based on the classic economy and would attribute most profits to production countries. Countries with a more service-based economy, like the Netherlands, would not benefit from such a formula. And, since Member States only are interested in ‘what’s in it for them’, the chance of success would – in my opinion – mainly depend on the wording of the formula.

Concluding remarks As said, the Netherlands still is an attractive country to set up a business. Yet the world is changing and in an increasingly international tax environment economies are forced to co-operate more closely. This may result in the laws of the countries becoming more and more comparable; even tax favourable innovation box regimes could perhaps be abolished under pressure of the EU. If national laws really would look more alike, countries should make sure they increase their attraction for other reasons than for tax purposes. This is a wonderful new challenge for Dutch parliament.

FEBRUARI 2015 FIRM


International

VAT consequences: the start and ending of an economic activity Can a company which only made preparatory investments deduct input VAT? And if this is possible, is it necessary that the company eventually carries out an economic activity? By: Jos Ruijters

T

hese and more questions are referred to the Court of Justice of the European Union. In this article, you will find a short summary of a couple of important decisions of the Court of Justice of the European Union regarding the VAT consequences of the start and ending of an economic activity. First of all there is the Rompelman case. Mr. and Mrs. Rompelman bought a title to immovable property which would be let to traders. The government of the Netherlands was of the opinion that an economic activity commenced when the property starts to

yield regular income. The Commission on the other hand, shared the opinion of Mr. and Mrs. Rompelman that the exploitation of immovable property starts with the acquisition of the property and thus there is already a right to deduct VAT when the assets are bought. The Court of Justice of the European Union decided that preparatory acts, such as the acquisition of assets must themselves be treated as constituting an economic activity. Nevertheless the authorities may require that the intention, to carry out an economic activity, is supported by objective evidence. Therefore a person can deduct VAT even though it hasn’t supplied goods or services yet. Good news for FIRM FEBRUARI 2015

27


International

Mr. and Mrs. Rompelman. How does this work in practice in the Netherlands? It is necessary to apply for a VAT number. If you are required to register your business with the Chamber of Commerce, they will send the necessary information to the tax authorities. When you aren’t obliged to register with the Chamber of Commerce, you need to register the business yourself to get the VAT number. After you obtained the VAT number you can reclaim the input VAT paid on the preparatory investments. Obtaining a VAT number is thus very important. May the tax authorities refuse to give a VAT number if the company does not have the capacity to carry out the economic activity declared? This was one of the two preliminary questions asked in the Ablessio case. Ablessio applied for a VAT identification number even though they did not yet performed any taxable transactions. The tax authorities refused to give a VAT number because Ablessio didn’t have the material, technical and financial resources required. The owner of Ablessio had in the past obtained a VAT number for other businesses which never carried out an economic activity. The Court of Justice of the European Union decided that a member state isn’t entitled to decline a VAT number on the basis that the company does not have the material, technical and financial resources at its disposal to carry out the economic activity declared and the owner already received VAT numbers for other company’s which never carried out an economic activity. However the tax authorities can decline the VAT number when they have a suspicion that, on the basis of objective factors, the VAT identification number assigned will be used fraudulently. So it is possible to deduct VAT paid on preparatory acts. But what are the consequences if the economic activity intended to carry out has not given rise to any taxable transactions? This question has been answered in the Inzo case. The Inzo case was about a company which wanted to convert salt water into drinking water. Inzo already bought a couple of goods and ordered a study on the profitability of the project. The study eventually revealed a lot of problems regarding the profitability. The consequence of this study was that some investors pulled out which resulted in the liquidation of Inzo. The question referred to the Court was if this study on the profitability which demonstrated the non-profitable nature of the project and which immediately resulted in the liquidation of the company can be regarded as an economic activity. The 28

Court of the European Union decided that: “where the tax authority has accepted that a company which has declared an intention to commence an economic activity giving rise to taxable transactions has the status of a taxable person for the purposes of VAT, the commissioning of a profitability study in respect of the envisaged activity may be regarded as an economic activity within the meaning of that article, even if the purpose of that study is to investigate to what degree the activity envisaged is profitable”. The Court also stated just like in the Rompelman case that the tax authorities may reclaim deducted VAT in cases of fraud or abuse.

“So even though the economic activity has ceased to exist there is an opportunity to deduct VAT.”

All the cases above were about the start of an economic activity. But until which moment is a taxable person entitled to deduct VAT? This matter was addressed in the case Fini H. Fini H, a limited partnership, carried out a restaurant. They leased a premises for 10 years, but after five years they closed the restaurant. Fini H continued to deduct VAT even though the restaurant was closed. The tax authority was of the opinion that Fini H stopped to carry out an economic activity when it closed the restaurant so they reclaimed the VAT deducted after the closing of the restaurant. The Court was of the opinion that Fini H could deduct the VAT if there was a direct and immediate link between the payments made and the economic activity and there was not any fraudulent or abusive intent. So even though the economic activity has ceased to exist there is an opportunity to deduct VAT.

FEBRUARI 2015 FIRM


Inhoud

Interview alumni LL.M. International and European Tax Law Working in Luxembourg after obtaining the LL.M. International and European Tax Law at Maastricht University, what is it like? By: Gentjana Pura interview 1: David Stalker

Can you shortly introduce yourself?

Are you still in contact with your fellow students at Maastricht University?

My name is David Stalker, I’m Brazilian and I’ve attended the LL.M. in International and European Tax Law between September 2013 and August 2014. I come from a Law background, being a Bachelor in Law and an LL.M. In Corporate Law. Before coming to Maastricht, I had worked as a tax advisor for 4 years.

Very much so! Actually, a substantial part of my fellow students got hired to companies in Luxembourg, so we all moved to the country together. Some even work with me at EY! Plus, the alumni get together once a year in Maastricht.

Which steps did you take to be where you are after graduating at Maastricht University?

Study hard, as the core of the PBL system lies in self studies and discipline. Skills obtained by taking the master seriously will prove invaluable, and you will find that your degree is appreciated by employers. Find out what you like and pursue it. There is no joy to be found in doing something you hate, and there is no way to evolve professionally without loving what you do. Last but not least, enjoy FIRST and what they have to offer. Write articles for FIRM, attend the events, go to the drinks. The organization has very good ties with employers and the members work had to provide these opportunities to all. And it works. Getting a job being affiliated would not have been as easy.

Actually, I received the job offer long before the end of the course. So after graduating, I had only to worry about moving to Luxembourg. But to get the offer itself, I attended the events organized by FIRST, such as the monthly drinks with employers, the Luxembourg trip and the job fair. The first two were essential to get me in touch with my current employer. By the time of the job fair, I already had a signed contract, but still got additional offers after the event.

At which firm do you work and what are your activities at this firm? Currently I am employed at EY, in Luxembourg, as a Senior international tax advisor. My activities include, but are not limited to, assisting clients with matters of international and local taxation, international restructuring, cross border financing of activities, tax efficient structuring, compliance, tax accounting, among others.

How do you like your job? Really like it! It is challenging and constantly changing. It provides plenty of learning opportunities and there is rarely a dull moment; you frequently find yourself doing new things and there is next to no routine.

Do you have any tips for our students?

interview 2: Jean-Sébastien Lahaye

Can you shortly introduce yourself? My name is Jean-Sébastien Lahaye. I am a 27 years old Belgian that obtained a Master in Law in Belgium before deciding to follow the LL.M. International and European Tax Law at Maastricht University.

Which steps did you take to be where you are after graduating at Maastricht University? Maastricht University has the chance to have FIRST organizing a lot of activities for tax students. I naturally followed these events and participated in the FIRM FEBRUARI 2015

international job fair where the big four companies of Luxembourg were present. Shortly after this event, I have been contacted by those companies in order to arrange interviews. This job fair has greatly facilitated my job search as I was offered a job before even graduating.

At which firm do you work and what are your activities at this firm? I currently work at Deloitte Luxembourg in the international tax department. My position as a Junior entails various activities like preparing tax returns, drafting tax advices, review legal documents, perform legal research, draft Luxembourg tax comments on clients restructuring projects or securing tax structures and treatments with the Luxembourg Tax Authorities through the preparation of Advance Tax Analysis letters. On the other hand, I have recently been assigned to a 3 months mission in Geneva, Switzerland, starting from January. My work being performed at the client’s premises during this mission, it will involve completely different activities.

How do you like your job? I like my work and especially the atmosphere at the office. I have the chance to work with very nice colleagues which makes work a lot more enjoyable. Furthermore, this mission in Switzerland for 3 months is an unexpected opportunity for which I am really grateful.

Are you still in contact with your fellow students at Maastricht University? Of course, from my graduation year, something like 14 of us are currently working in Luxembourg so it is very easy to meet them. Luxembourg is not that big and it is very easy to meet people.

Do you have any tips for our students? Giving advice to other people is a complicated exercise. What I would say is that it is important to have a positive attitude and to show that you enjoy what you are doing. It is all the more true when you start working, do not hesitate to be pro-active in your work and do not wait until people tell you what to do.

29


International

EY Luxembourg Trip

T

By: Gilberto Vargas

he Luxembourg trip organized by FIRST Maastricht was not only an incredible opportunity to get in touch with some potential future employers, which in itself constitutes always a very attractive feature of the journey, but also to visit a beautiful city and to get to know some of our classmates better. Nothing of which would have been possible without the strong commitment, hard work and careful planning that the staff of the association undertook during the previous months. After weeks of expectation, the trip finally took place on November 20 and 21. The gathering point was at the Maastricht train station at 06:00 a.m., where the bus that would take us to Luxembourg would depart, and even though waking up before 06:00 a.m. constituted a real challenge for most of the students, the opportunity of taking part in such an exciting journey was well worth it. The bus departed around 06:40 a.m. and after a couple of hours of travel we arrived to the Ernst & Young headquarters in Luxembourg. Once we arrived at EY, a part of the staff welcomed us with breakfast before the presentations about the structure and organization of the firm as well as the career opportunities they’re offering students of Maastricht University. Frank Muntendam, one of the partners of the firm, gave the first presentation in which he explained us what EY Luxembourg stands for: building a better working world. Daniela Tuckelmann and Siham Elidrissi, both managers at EY, gave the second presentation in which they introduced us to the Tax Learning Cycle, a program through which EY Luxembourg 30

provides with continuous training to its employees in order to improve their knowledge about how to structure, finance and operate global enterprises as well as to apply recent developments in ITS technologies with the aim of increasing the efficiency of their tax strategies. Another very attractive program that EY offers is the Global Mobility Program, through which the firm is giving their employees the possibility of working abroad for a year in any of the countries in which the company has a branch. The third presentation was given by Christian Schlesser, who has worked in EY Luxembourg for 12 years and today is also manager at the firm. He talked us about the future challenges that the BEPS report of the OECD and the proposal for a CCCTB of the European Commission will bring for international tax advisers in Europe. After a lunch break, we continued with the presentation and Christian gave us an overview of the taxation treatment of companies in Luxembourg as well as examples of the use of hybrid instruments in international tax structures. Afterwards, we had a tour through the facilities of EY Luxembourg. They’ve also let us know that at the end of the next year they will move to a brand new building in one of the best business zones of the city. The last activity that the EY staff had prepared for us consisted in a quiz about the history and geography of Luxembourg, which due to our lack of expertise in the topic was more like a game of chance for us; the price for the winner team was a very nice bottle of champagne. Finally, Marc Schmitz, the tax practice leader of the firm, gave us a few words to thank FEBRUARI 2015 FIRM

us for visiting EY and attending the presentations. After all these presentations, the bus took us to the hotel that EY had reserved for us to leave our luggage and rest for a while. At 18:45 p.m. we went by foot to a very nice restaurant in the center of the city for a wine tasting that the EY staff had prepared for us, in which we had the opportunity to try a variety of wines accompanied with ham, bread and cheese. Later, we had a guided tour through the city to get to know more about the culture and history of Luxembourg. Later that evening we all went together to have a couple of beers and afterwards some of the more enthusiastic students of the group went to explore the vivid nightlife of the city. On Friday we had a breakfast in the restaurant of the hotel and then we gathered in the lobby to walk together to the headquarters of ArcelorMittal, a client of EY Luxembourg. The staff of the ArcelorMittal tax department gave us a presentation about the worldwide activities of the enterprise. Then they organized a contest for which they asked us to form three teams in which we would have to design and present a tax structure in order to approach certain practical case in the most efficient way. This last exercise was an excellent opportunity to put in practice our knowledge of international and European tax law. I only HAVE words of appreciation for the First Maastricht staff. The two-dayjourney was a very enriching experience which allowed us to learn at first hand the vision of the environment, culture, values and the day-to-day business of tax advisors at EY Luxembourg.


True opportunity means working with people in different industries and different cultures from around the world. Want to work for an organization with a global reach? Come talk to the organization that’s building a better working world—all over the world. Visit ey.com/careers.

Š 2014 EYGM Limited. All Rights Reserved.

The land of opportunity is sometimes many lands at once.


2&3 April

Ready to give your career a crystal start?

2015

Recruitment event targeting students graduating in 2015

PwC Recruitment Days Register now on www.pwc.lu/careers and choose your experience • Auditor (french or german speaking) • Tax Advisor • Accounting & Tax Expert

Follow us on www.facebook.com/plug.into.pwc.luxembourg

© 2015 PricewaterhouseCoopers, Société coopérative. All rights reserved. In this document, “PwC Luxembourg” refers to PricewaterhouseCoopers, Société coopérative (Luxembourg) which is a member firm of PricewaterhouseCoopers International Limited (“PwC IL”), each member firm of which is a separate and independent legal entity. PwC IL cannot be held liable in any way for the acts or omissions of its member firms.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
FIRM 22.2 by FIRST Maastricht - Issuu