32
DUBBELINTERVIEW
‘We denken dat we alles kunnen aflezen aan een gezicht, maar ik kan aan de rug van de spelers prima zien hoe het met hen gaat.’ Floor van Leeuwen
‘Ik wil af van de idee dat ik voorstellingen maak. Misschien is het een voorstel, maar het stelt niets voor.’ Joey Schrauwen
Een rijzige man zit in een tollende koker van houten latten, net iets breder dan zijn lichaam. Een licht onderaan in de koker beschijnt hem. Hij draait maar rond. Vijftien mensen rennen naar een massieve muur. Die gaat niet uit de weg. Ze springen ertegenaan en veren terug. Achterwaarts keren ze weer naar hun beginpositie en alles begint opnieuw. Je ziet de ruggen die stilaan donkere kleuren krijgen van het zweet.
op wit, alsof dit de juiste woorden zijn om ons werk te interpreteren.’ Op dat moment heeft van Leeuwen net de ontstaansgeschiedenis van Muur uit de doeken gedaan, een geschiedkundig beladen inspiratie die ze liever niet in het interview wil. ‘Als je dat verhaal eenmaal hebt gehoord, ga je er misschien naar op zoek’, zo verklaart ze zich. ‘Maar het is een beginpunt, dat helemaal niet noodzakelijk in de voorstelling veruiterlijkt wordt.’
Het eerste beeld komt uit Introspector van maker en machinebouwer Joey Schrauwen. Die performance werd vorig jaar enthousiast onthaald op Festival Cement en krijgt dit jaar met Taciturn een opvolger na Stopping the world dat in 2017 op het festival te zien was. De tweede schets komt uit Muur, de jongste voorstelling van Floor van Leeuwen. Het is haar eerste project als onafhankelijk regisseur, los van Schwalbe, het collectief dat ze na haar mimeopleiding oprichtte met haar klasgenoten. Het werk van zowel Schrauwen als van Leeuwen wordt omschreven als ‘fysiek’ en ‘meditatief’. Maar, zoals uit dit dubbelinterview zal blijken, zijn zulke interpretatieve categorieën vaker misplaatst dan behulpzaam.
Van Leeuwen: ‘Precies. Een verhaal is ook een soort pitchtalk in een marketingsetting. Ik werk met een muur en met hopeloosheid. Hoe ga je naar de muur zonder het op te geven en zonder jezelf kapot te maken, want die muur is veel sterker dan jij? Dat gaat over veel meer dan één verhaal.’
Ik ontmoet van Leeuwen en Schrauwen in de hal van de Rotterdamse Schouwburg, die overdag zo goed als verlaten is. Terwijl we spreken, schikken twee schouwburgmedewerkers een tuin van plastic tulpen. ‘Een uitgeschreven interview mist dit soort zaken: het vage muziekje op de achtergrond (Charles Brown, I Feel Good, red.), de plastic tulpen’, vertelt van Leeuwen. ‘Je zit zomaar wat te praten, maar het verschijnt zwart
‘Veel toeschouwers hebben het gevoel dat een voorstelling een soort rebus is, die ze moeten ontcijferen en waarvan de maker het antwoord heeft. Maar het gaat om wat jij ziet en ervaart. Door het uit te leggen, maak je de verwarring juist groter. Het is allemaal niet zo moeilijk. Voor Muur doe ik soms een warming-up met publiek. Dan geef ik toeschouwers luisteropdrachten en probeer ik duidelijk te maken dat dit een uitwisseling is.
Neemt kennis over de ontstaansgeschiedenis eerder iets af dan dat het iets toevoegt? Schrauwen: ‘Misschien voegt het juist té veel toe. Je wil niet dicteren hoe je naar een voorstelling moet kijken. Anders kan je net zo goed de ontstaansgeschiedenis vertellen, maar je kiest voor een andere vorm.’
33
34
Wat er met jou gebeurt, dát is de voorstelling. Jij maakt de voorstelling af.’ Een verhaal zou een betekenis opleggen, terwijl je moet kunnen opgaan in het werk? Schrauwen: ‘Ik vind sowieso niet dat het publiek iets móet. Ze zijn er zelf gaan zitten. Ik word er zelf helemaal kriegelig van als iemand me vertelt wat ik ergens van moet vinden, of het nu een goed perspectief is of niet. Ik wil het publiek uitnodigen om een relatie aan te gaan met een stuk, vanuit iets wat in hen zit in plaats van waaruit het stuk zou zijn ontstaan. Hoe kijk jij ernaar? Daar ben ik benieuwd naar, daarom ga ik spelen.’ Van Leeuwen: ‘Uitnodiging is echt een goed woord. Ik maak fysieke beelden. Ik zeg al wat ik wil zeggen in een beeldentaal. Zo praat ik. In een interpretatie of verklaring gaat daarvan veel verloren. Als ik praat, merk ik bij mezelf een gebrekkigheid.’ Schrauwen: ‘Op wat mij ontroert in het leven, staat ook niet geschreven waarom het me ontroert.’ Van Leeuwen: (voorzichtig) ‘Ik wou dit interview eigenlijk helemaal niet doen. Als je over je werk moet praten, gaat het altijd fout.’ Schrauwen: ‘Ja, ik houd ook helemáál niet van interviews!’ (lacht) Van Leeuwen: ‘Ik vind het wel leuk om jou te ontmoeten, hoor!’ Schrauwen: ‘Ik snap heel goed wat jij probeert te bewaken. Ik kan het best
over mijn werk spreken als ik een stap terugzet. Alsof het werk zichzelf gemaakt heeft en ik erbij was als getuige. Ik kan me wel voorstellen dat mensen nieuwsgierig zijn naar hoe iets tot stand komt, maar zelf lees ik nooit interviews, al weet ik zeker dat jij er iets tofs van gaat maken.’ (Van Leeuwen en Schrauwen lachen, tot treurnis van ondergetekende) Wat zou je zeggen tegen iemand die dit interview wel leest, Joey? Schrauwen: ‘Nou, beste lezer, (lacht) doe ermee wat je wilt. Nu is er een keuze: lezen of niet lezen. Zelf wil ik het gevoel hebben dat een idee of interpretatie in mij ontstaat. Maar misschien zeggen we iets interessants, zolang dit maar niet hét geschreven woord wordt.’ Laten we het dan hebben over Muur en Taciturn. Waaraan hebben jullie gewerkt? Van Leeuwen: ‘Voor Muur hebben we hard gezocht naar manieren om naar de muur toe te bewegen. Het kost veel energie, maar je boekt geen resultaat. Hoe kan je dan in beweging blijven? Eén manier is om gewoon pauze te nemen. De vijftien spelers kunnen uit- en weer instappen. Soms staan er maar twee spelers op de scène. Verder hoef je er niet altijd tegenaan te springen. Je kan ook een springer support geven, niet letterlijk, maar door erachter te blijven. Als je iemand achter jou hebt, voel je die steun.’ ‘We oefenen vooral om een groep te blijven. Het is gemakkelijker om in hetzelfde ritme te rennen, maar dan
vervelen sommigen zich rot en anderen zijn meteen doodop. Het is heel moeilijk om een eigen ritme te vinden en toch een groep te zijn. Het heeft iets van een zwerm of een golf. Het klinkt ook een beetje als de zee.’ Heb je daar een choreografie voor gemaakt? Van Leeuwen: ‘We hebben veel basisprincipes waarmee je eindeloos kan doorgaan. Daarin heb ik een bepaalde structuur aangebracht, waarmee ik nog niet helemaal blij ben. Eigenlijk wil ik uiteindelijk structuurloos werken. De structuur houdt het een beetje leuk voor toeschouwers, maar is voor mij niet belangrijk.’ (Schrauwen lacht luid) Je hebt ervoor gekozen om het gezicht van de spelers naar de muur te houden, waardoor je alleen bezwete ruggen ziet. Van Leeuwen: ‘Er ontstaat inderdaad een mooi landschap, maar je ziet veel meer. Ik denk dat we met z’n allen een beetje minder gefocust moeten zijn op het hoofd. We denken dat we alles kunnen aflezen aan een gezicht, maar je kan ook veel aflezen in de periferie van het lichaam. Ik heb het gevoel dat ik aan de rug van de spelers prima kan zien hoe het met hen gaat. Voor sommigen lijkt dat afstandelijk, maar voor mij is het een verademing.’ ‘Een andere drijfveer om met het gezicht naar de muur te spelen, was dat we zo allemaal - spelers en publiek - hetzelfde perspectief hebben. We kijken allemaal tegen de muur aan. Het publiek zit in het verlengde van de spelers, waardoor het een soort glijdende schaal van beweging
wordt: het stille publiek, pauzerende spelers en vooraan de springers in de branding.’ Schrauwen: ‘Onlangs heb ik gelijke overwegingen gemaakt voor Stopping the World, waar ik in een draaiend rad zit dat ik zelf aandrijf. Ik vond dat mensen met me mee moesten lopen en dat ik het dus niet frontaal moest doen, als een demonstratie. Niet letterlijk meelopen, maar in hun state of mind. Ze bleven keurig op hun bankie, hoor.’ Heb je een lievelingsmuur, Floor? Van Leeuwen: ‘Ik heb er twee. Een normale bakstenen muur in Gent, maar ik weet niet meer hoe de repetitieruimte heet. En in het Veemtheater (Amsterdam, red.) was er een witte muur. Onze schoenen waren niet erg schoon en nadat we drie dagen gespeeld hadden, ontstond er een landschap van voetstappen. De spelers waren daar heel blij mee, omdat ze eindelijk zagen dat ze iets gedaan hadden.’ ‘Voor een theater is het al heel wat als vijftien mensen anderhalf uur tegen een muur aanspringen. De muur telkens witten zou te veel zijn. We werken met de ruimte die er is. Dat vind ik ook leuk, daarom heb ik geen decormuur gebouwd. Andere muren geven bovendien een ander geluid, een andere beat. We bereiden de muur wel voor, door alles wat uitsteekt weg te halen of de verwarmingen te verwijderen. Maar als ie stevig genoeg is, springen we ertegenaan. Sam Scheuermann (jonge regisseur, red.) heeft tot nu toe elke muur gefotografeerd.’
35
36
Schrauwen: ‘Vet. Lekker exposities knallen, toch?’ Van Leeuwen: ‘Ja, misschien wel. We weten nog niet wat we ermee gaan doen, maar het is een mooie serie.’ Hoe zal Taciturn eruitzien? Schrauwen: ‘Net zoals voor Introspector en Stopping the World bouw ik een nieuw object, dat ik benader als een meditatiemachine.’ ‘Ik woon op het Rotterdamse Zuid en wandel geregeld over de Erasmusbrug. Aan het einde van een dag keek ik omhoog: het puntje van die brug en allemaal sterren. Die schaalvergroting zorgde voor een kleine kortsluiting. Mijn binnenwereld was heel groot en vol gedachten, maar dan lijkt dat het minuscule stofje van een lijf. Anderzijds gooide dat gevoel me in een soort verbinding met het alles en niets. Kijk eens waar ik allemaal onderdeel van ben, van het hele universum, dacht ik. Je maakt jezelf heel klein als je je beperkt tot een ego.’ ‘Die schaalverandering wil ik onderzoeken. Nu ben ik begonnen met schaarmechanismen, zoals oude liftdeuren. Ik wil zien hoe iets mechanisch van schaal kan veranderen, ik zoek altijd naar mechanische draaibewegingen. Het ontwerp kan nog veranderen, maar nu zijn er twee grote vlakken: een voor het publiek en een achteraan in de zaal. Ik zit erin en stuur het aan.’ ‘Eigenlijk wordt het een groot instrument. Ik ben benieuwd naar het geluid. Het rad uit Stopping the World is voor mij een percussie-instrument, het
dendert over het onderstel. De lantaarnkoker van Introspector schuurt. In het begin zong het nog, maar nu kermt het als een oud wijf. Wat ik nu bouw, kraakt. Ik hoop dat dat blijft. Voor mij wordt het zo een exercitie in aandacht en een zoektocht naar omgaan met de geluiden en de weerstand die ik voel.’ Je maakt een heel orkest. De takken van Takkeherrie (2018) klinken al als een hoge fagot. Schrauwen: ‘Ik vond dat echt opvallend. Ik zocht naar vette takken in Rotterdam en als je erop let, liggen er heel veel grote takken in de stad. Toen ik interessante hoeken en een goed tempo vond om met de takken over een stenen plaat te strijken, begonnen ze te zingen. Ik ben er trompet door gaan spelen, maar ik krijg gemakkelijker geluid uit die takken dan uit een trompet.’ Komt er ooit een expositie van alle instrumenten met de mogelijkheid om ze zelf te bespelen? Schrauwen: ‘Misschien wel, maar sommigen die in de kooi van Introspector stapten, werden na drie seconden kotsmisselijk. Je verliest je hele oriëntatie. Er kan dus geen publiek bij zijn.’ Wat doe jij om je oriëntatie te behouden in zo’n draaimachine? Schrauwen: ‘Bidden. (lacht) Ik zeg de hele tijd tegen mezelf dat ik in beweging ben. Door het licht in het hokje lijkt de wereld namelijk stil te staan, maar het hokje zelf beweegt. Ik herhaal bij mezelf: “Je bent aan het bewegen.” Tot je brein het beseft. Hopelijk wordt de nieuwe
machine ook een bewegingsoefening.’ Van Leeuwen: ‘Heb jij weleens een partituur gemaakt?’ Schrauwen: ‘Nee. Het licht zorgt voor wat structuur. Ik componeer een beetje wanneer welke lamp aangaat. Voor mij is dat nog een zoektocht. Soms heb je gewoon zin om een instrument op een bepaalde manier te bespelen.’ Van Leeuwen: ‘Als het instrumenten zijn, maak je misschien ook een eigen muziekschrift.’ Schrauwen: ‘Misschien is het wel goed om te leren hoe ik dat kan doen. Ik zou het voornamelijk doen omdat het me visueel interessant lijkt, want ik houd ervan als iets in het moment ontstaat.’ Van Leeuwen: ‘Ik maak een soort energetische lijnen.’ Zoals een cardiografie? Van Leeuwen: ‘Alleen grilliger. Ik heb veel verschillende dingen getekend. Nu is er gewoon één lijn, maar eerst had ik voor ieder een lijn in een andere kleur.’ De première van Taciturn op Cement wordt dus de première van een nieuw instrument. Schrauwen: ‘Dan zal er voor het eerst publiek bij zijn, maar ik wil af van de idee dat ik voorstellingen maak. Dan zou ik namelijk goede voorstellingen moeten maken, maar ik vind, dramaturgisch gezien, helemaal niet dat ik goede voorstellingen maak. Het is geen voor-stelling, het is geen verbeelding. Misschien
is het een voorstel. Maar het stelt niets voor.’ (lacht) Wat is het dan wel? Schrauwen: ‘Voor mij is het een exercitie, een oefening. Ik doe het gewoon en ik hoop dat mensen zichzelf uitnodigen om aanwezig te zijn.’ ‘Een maat van me doet veel aan kungfu. Laatst dacht ik dat het dat was wat ik deed: ik ben verschillende oefeningen aan het maken. Je kan die doorgeven aan anderen. Bij yoga doet het er ook niet toe of je het kan. Het gaat erom dat jij actief met je lijf omgaat. Een oefening geeft richting, een richting van aandacht.’ Van Leeuwen: ‘Ook Muur is eigenlijk een oefening. Daarom vind ik de dramaturgie ook weer niet zo boeiend. In die oefening zit de inhoud.’ Oefening en uitnodiging, het zijn de sleutelconcepten van het werk van Schrauwen en van Leeuwen. Of ze daar nog iets aan willen toevoegen, vraag ik op het einde. ‘Ja’, zegt Floor van Leeuwen, terwijl ze Joey Schrauwen aandoenlijk aankijkt: ‘Ik ben blij dat jullie er waren.’ Simon J. Bellens
37