Skip to main content

faro | tijdschrift over cultureel erfgoed, 17(2024)2

Page 18

BELEID

REFLECTIES NAAR AANLEIDING VAN HET ZILVEREN JUBILEUM

HET KWALITEITSLABEL, WHAT’S IN A NAME? Dit jaar viert het kwaliteitslabel voor collectiebeherende organisaties zijn 25e verjaardag.1 In die tijd is de cultureel-erfgoedsector sterk geëvolueerd. Deze verjaardag is een goede aanleiding om met enkele erfgoedorganisaties over het kwaliteitslabel in gesprek te gaan. Wat gaf voor hen de doorslag om het aan te vragen? En wat betekende de erkenning? Jelena Dobbels en Anne Milkers

D

e goedkeuring van het Museumdecreet in 1996 betekende een langverwachte doorbraak in het Vlaamse cultuurbeleid. Dat decreet tekende de contouren van een kwalitatief museumbeleid voor (professionele) musea. De minimale normen waaraan musea moesten voldoen, bleken realistisch en aan internationale standaarden getoetst (ICOM, Nederland, UK) en de eerste erkenningen volgden in 1999. Algauw drong zich een meer integrale aanpak op. Vanaf 2008 regelde het Cultureelerfgoeddecreet de erkenning en indeling van “collectiebeherende erfgoedorganisaties” als musea, culturele archieven en erfgoedbibliotheken. Vandaag hebben 68 musea, 20 culturele archiefinstellingen en 9 erfgoedbibliothe-

18

ken een erkenning. De meeste erfgoedorganisaties hebben, naast het kwaliteitslabel, ook een bovenlokale of landelijke indeling. Dat houdt in dat ze een jaarlijkse werkingssubsidie van de Vlaamse overheid ontvangen. Voor de collectiebeherende erfgoedorganisaties met alleen een kwaliteitslabel ligt dat anders. Zij moeten het vooral hebben van de eigen werkingsmiddelen en projectsubsidies. Geeft het kwaliteitslabel op zich dan wel de nodige impulsen aan de erfgoedsector? In 2000 was het Stadsmuseum Lokeren het eerste museum dat een erkenning en indeling op lokaal niveau aanvroeg en kreeg. “We streven niet naar een bovenlokale indeling”, zegt Leen


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook