ICOM 2019 Kyoto. Foto: Maarten Heerlien via Flickr, CC BY 2.0 Foto links: Olga Van Oost in het National Museum in Kyoto. © FARO Foto rechts: resultaten van de stemming tijdens het ICOM-congres in Kyoto, 2019. Meer dan 70 % wenst de beslissing uit te stellen. © FARO
In 1946 lag het zwaartepunt van het museum bij een ‘collectie’. Vanaf 1951 werden de functies ‘behoud en beheer’, ‘studie’ en ‘tentoonstellen aan een publiek’ deel van de definitie. Dat een museum een ‘permanente’ instelling dient te zijn, werd eveneens vanaf 1951 geëxpliciteerd. Vanaf 1961 werd ‘educatie’ een kernfunctie. De lijst van organisaties die onder de notie ‘museum’ kunnen vallen, werd door de jaren heen steeds uitgebreider. Zo konden tentoonstellingsruimtes in een bibliotheek en archief erkend worden als museale ruimte vanaf 1961, net zoals natuurreservaten. Vanaf 1974 werden ook instituten opgenomen die een specifieke dienstverlening voor musea hebben zoals conservatie, wetenschapscentra etc. Die verbreding werd voortgezet in 1989 voor organisaties die met museologie bezig zijn, met in 1995 de opvallende toelating
van ministeries of andere overheidsadministraties. In 2001 viel op dat er ruimte kwam voor het immaterieel erfgoed, zij het schoorvoetend. Er werd gesproken van “immateriële bronnen”. In 2007 was er een omwenteling: in de nieuwe museumdefinitie werd het woord ‘collecties’ vervangen door ‘roerend en immaterieel erfgoed’. Dat leverde deze museumdefinitie op: “A museum is a non-profit, permanent institution in the service of society and its development, and open to the public, which acquires, conserves, researches, communicates and exhibits the tangible and intangible heritage of humanity and its environment for the purposes of education, study and enjoyment.” (ICOM-statuten, Wenen, 24 augustus 2007)
7