Skip to main content

uitdenschatdeswoordsejaargang

Page 1

Inhoud Onderwijs in de weg Preek over Johannes 14:4-6 Door ds. G.J. van Aalst En waar Ik heenga, weet gij, en de weg weet gij. Thomas zeide tot Hem: Heere, wij weten niet waar Gij heengaat, en hoe kunnen wij de weg weten? Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij.

9

Gods genade verheerlijkt in de stokbewaarder Preek over Handelingen 16:28-31 Door ds. B. van der Heiden En hen buitengebracht hebbende, zeide hij: Lieve heren, wat moet ik doen opdat ik zalig worde?En zij zeiden: Geloof in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.

23

De dagen van Johannes de Doper en het Koninkrijk der hemelen Preek over MattheĂźs 11:12 Door ds. H. Hofman En van de dagen van Johannes de Doper tot nu toe, wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelve met geweld.

41

De rechter en het levende kind Preek over 1 Koningen 3:27a Door ds. W.J. Karels Toen antwoordde de koning en zeide: Geef die het levende kind en dood het geenszins.

55

Paulus’ leerschool Preek over 2 Korinthe 12:7-9a Door ds. B. Labee En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij

72


niet zou verheffen. Hierover heb ik de Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Het tweede wonderteken te Kana Preek over Johannes 4:54 Door ds. S. Maljaars Dit tweede teken heeft Jezus wederom gedaan, als Hij uit Judea in Galilea gekomen was.

87

De God aller genade 102 Preek over 1 Petrus 5:10 Door ds. F. Mulder De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke en fundere ulieden. Bewaring van de lijdende Jezus Preek over MattheĂźs 27:36 Door ds. G.W.S. Mulder En zij nederzittende, bewaarden Hem aldaar.

116

Een wettig huwelijk met Christus 129 Preek over Romeinen 7:1-4 Door ds. C. Sonnevelt Weet gij niet, broeders (want ik spreek tot degenen die de wet verstaan), dat de wet heerst over de mens, zo lange tijd als hij leeft?Want een vrouw die onder de man staat, is aan de levende man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans. Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt terwijl de man leeft, zo zal zij een overspeelster genaamd worden; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrij van de wet, alzo dat zij geen overspeelster is als zij eens anderen mans wordt. Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, zodat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.


Christus en het laatste pascha Voorbereidingspreek over Lukas 22:15 en 16 Door ds. A. Schot En Hij zeide tot hen: Ik heb grotelijks begeerd dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde; Want Ik zeg u, dat Ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods.

145

De met heerlijkheid en eer gekroonde Jezus als Koning op 161 de troon Hemelvaartspreek over HebreeĂŤn 2:9a Door ds. A. Schreuder Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen de dood smaken zou. Doch op U zijn mijn ogen Nieuwjaarspreek over Psalm 141:8 Door ds. W. Visscher Doch op U zijn mijn ogen, Heere Heere.

177


Onderwijs in de weg Preek over Johannes 14:4-6 Door ds. G.J. van Aalst Zingen: Psalm 65:3 Schriftlezing: Johannes 13:30 - Johannes 14:14 Zingen: Psalm 25:2 en 5 Zingen: Psalm 119:67 Zingen: Psalm 118:10 Gemeente, in opzien om het licht en de hulp van Boven willen we samen overdenken wat u werd gelezen uit Johannes 14:4-6: En waar Ik heenga, weet gij, en de weg weet gij. Thomas zeide tot Hem: Heere, wij weten niet waar Gij heengaat, en hoe kunnen wij de weg weten? Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij. We vatten onze overdenking samen met: Onderwijs in de weg. 1. De weg gewezen: vers 4: ‘En waar Ik heenga, weet gij, en de weg weet gij.’ 2. De weg gevraagd: vers 5: ‘Thomas zeide tot Hem: Heere, wij weten niet waar Gij heengaat, en hoe kunnen wij de weg weten?’ 3. De weg verklaard: ‘Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij.’ 1. De weg gewezen ‘En het was nacht ...’ Wat is het donker voor de Middelaar. De nacht van verraad is aangebroken. Hij is nog net met de Zijnen in de paaszaal. Het Avondmaal is ingezet. Aan het einde van dit hoofdstuk kunt u lezen dat ze de paaszaal verlaten. ‘En het was nacht.’ Het is het begin van ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ Het is het begin van ‘God van God verlaten, wie zal dat verstaan?’ Het is het begin van dat het Licht der wereld in de duisternis wandelt. Dat onbevattelijke: ‘En het was nacht.’ 9


Het was nacht voor Judas. Het was voor hem het begin van de eeuwige nacht, van dat rampzalige gebeuren! Het was ook nacht voor de elven die rondom hun Meester zijn terwijl Hij afscheidswoorden spreekt. Het is nacht in hun hart. Het is nacht in hun leven. Het is wel anders geweest. Er is licht geweest en hoop. Maar nu is het: ‘En het was nacht.’ Ze hebben geen zicht op de toekomst, ze hebben geen verwachting voor de toekomst. Op een bepaald ogenblik zeggen ze in dit tekstverband: ‘Wij weten niet wat Hij zegt.’ Ze begrijpen er niets van. Het zijn voor hen woorden, maar geen zaken. U kent dat verschil toch wel? Ze spreken niet direct tegen. Er zijn er vier die een antwoord vragen. Petrus vraagt wat. In onze tekst vraagt Thomas wat. Filippus stelt een keer een vraag, en Judas (niet de Iskarioth) vraagt ook wat. De hele afscheidspreek van eind hoofdstuk 13 tot en met hoofdstuk 16, wordt drie keer onderbroken door een vraag. Verder wil de Zaligmaker elk ogenblik gebruiken om te onderwijzen hen die dwalen en hen te brengen in het rechte spoor. Hij wil hen onderwijzen zolang Hij nog bij hen is. En dat in déze nacht! O, onderschat de ernst niet van de nacht van het verraad, de nacht van de gevangenneming, de nacht van het verhoor, de nacht waarop het rechthuis zal volgen. Ze horen hun Meester zeggen: ‘Waar Ik heenga, weet gij. En de weg weet gij.’ Er is verschil tussen waar ik heenga én de weg. Ik kan bijvoorbeeld van Klaaswaal naar Benthuizen reizen. Wáár ik heenga (Benthuizen) is dan de eindbestemming. Maar hóé ik erheen ga, is de weg. Kent u het verschil tussen de eindbestemming en de weg? Want u ziet: dat is niet hetzelfde. Aan de eindbestemming gaat een weg vooraf. In Johannes 14 vers 2 zegt de Zaligmaker: ‘In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen.’ Daar horen mensen graag over preken, en daar is niets mis mee. Het ís ook bijzonder mooie stof. Maar ... in deze woorden hoort u niets over de weg naar het Vaderhuis. Want er is een weg aan verbonden om er te komen. Is het ook uw vraag: Hoe kom ik daar? U weet toch dat er slechts twee wegen zijn? U weet toch wel dat het slavenhuis van nature onze eindbestemming is? En dat het Vaderhuis via de smalle weg de eindbestemming is door levendmakende genade? Er zijn ook maar twee soorten mensen. Besef dat toch diep. Nu zegt de alwetende Hartenkenner tegen de elven: ‘Waar Ik heenga, weet gij.’ Hij zegt dat tegen mensen die zeker al drie jaar met Hem op 10


de weg zijn. Mág Hij dan zeggen: ‘Waar Ik heenga, weet gij, en de weg weet gij’? Het zijn immers mensen die al drie jaar – sinds de tiende ure – van de weg weten, van de waarheid weten en van het leven der genade weten. We hebben onze eerste gedachte samengevat in de woorden: ‘De weg gewezen.’ Christus doet niets anders en Hij doet niets liever. Hier, in deze afscheidspreek, gaat Hij dat eigenlijk nog verdiepen en samenvatten. Hij gaat hun zeggen – zoals Hij dat door de jaren heen steeds gezegd heeft – wat de eindbestemming is. Nog maar pas geleden (zie vers 2 en 3) heeft Hij gesproken over het huis van Zijn Vader met de vele woningen. ‘Anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben.’ Hij gaat eerlijk met mensen om. Als de deur definitief dicht zou zitten, zou Hij dat ook eerlijk zeggen. Dan zouden wij vanavond niet meer samen zijn. Het is als horen we Hem in dit Schriftgedeelte zeggen: Petrus, als er voor u geen plaats zou zijn, dan zou Ik dat nú nog zeggen. ‘Anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben.’ ‘Ik ga heen ...’ Dan volgen de twee woordjes ‘om u’. Zijn alziende ogen hebben rondgekeken in de paaszaal, wetende hoe de weg voor Hemzelf zou gaan. Hij gaat de nacht in. De verzoeking in. Het rechthuis in. Hij weet het. Hij heeft gezegd: ‘Ik ga heen om u (heel persoonlijk) plaats te bereiden.’ Bij wijze van spreken heeft Hij Petrus aangekeken en heeft gezegd: ‘Ik ga heen om u plaats te bereiden, Petrus.’ Tegen Johannes, die zo heel dicht bij Hem ligt, heeft Hij gezegd: ‘Ik ga heen om u, Johannes ...’ Gemeente, dáár gaat het nu om, dat de Zaligmaker dat heel persoonlijk tegen ons zegt. ‘Ik ga heen om u ...’ Hij ondergaat alles wat de Zijnen verdienen. Zij ontvangen de zegeningen van alles wat Hij verdient. Het gaat om dat geheim: ‘Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder.’ Hij mag over die diepe weg voor het vlees heenzien. De weg van nacht en Godsverlating, van gevangenneming, verhoor en veroordeling, van kruis, dood en graf, maar ook van opstanding, hemelvaart en het zitten ter rechterhand Gods. ‘En zo wanneer Ik heengegaan zal zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen.’ Dát is het sterven voor Gods kinderen. ‘zal u tot Mij nemen.’ ‘Opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben.’ ‘Ben’ is tegenwoordige tijd. Dat is altijd en zeker tegenwoordige tijd. Daarna volgen de woorden van onze tekst: ‘En waar Ik heenga, weet gij, en de weg weet gij.’ 11


Gemeente, weet u de weg? U móét het weten. De Weg ... Straks zullen we horen dat het niet gaat om ‘een weg’ of om allerlei mogelijke wegen, maar om ‘de Weg’. Ik zeg het herderlijk scherp om u wakker te schudden. Want alles buiten die ene Weg is dwaalweg. Daar komt u mee om. Paden kunnen onderscheiden zijn. Er zijn ook paden des doods. Mag de Zaligmaker u vragen, ook als u al ouder bent geworden, na zoveel kerkdiensten bijgewoond te hebben en onderwijs uit de Schriften ontvangen te hebben: ‘Waar Ik heenga, weet gij en de weg weet gij’? Hoort u het dat Hij terugkomt op Zijn eigen onderwijs? Hij laat Zijn Woord niet zomaar brengen. Het aantal mensen dat het Woord hoort – ook in ons weggezonken vaderland – wordt steeds minder. Denkt u nooit als u de kinderzegen hebt gekregen: Waar zullen mijn kinderen over twintig jaar zijn op zondagmorgen? Waar zullen mijn kleinkinderen – als Christus nog niet is wedergekomen – over vijftig jaar zijn op zondag? Of denkt u daar nooit aan? Bidt u daarvoor? ‘Waar Ik heenga, weet gij, en de weg weet gij. We gaan onze eerste gedachte ‘het onderwijs gekregen’ afronden. We gaan naar onze tweede gedachte: 2. De weg gevraagd Eigenlijk is het iets heel teers, iets heel moois. ‘Thomas zeide ...’ De andere tien zitten erbij. In hun hart ligt het net zo, maar zíj zeggen het niet. Thomas doet dat wel. Als hij zou zwijgen, stemt hij daarmee toe dat hij weet waar de Middelaar heengaat en dat hij de weg weet. Wie zwijgt, stemt toe. Maar dat kan Thomas niet. Hij speelt geen toneel. Hij doet niet alsof. Hij denkt niet: Die anderen houden hun mond, voor hen zal het wel anders zijn, dan ben ik straks de minste in het gezelschap. Ik zwijg ook maar ... Niets van dat alles. Thomas is oprecht. Hij is eerlijk gemaakt en eerlijk gehouden. Hij komt ervoor uit. Ook al is hij alleen. Doet u dat ook? Komt u ervoor uit dat u niet hebt, dat u niet kunt, dat u niet deugt? Dat u misschien zelfs niet wilt? Of bent u als Thomas? Toch maar eerlijk zeggen en eerlijk vragen. ‘Thomas zeide ...’ Over Thomas weten we niet zo veel. Het is opmerkelijk dat Johannes in zijn evangelie (dat zestig jaar geschreven is ná het evangelie van Mattheüs, Markus en Lukas) zo aanvullend heeft geschreven. In zijn evangelie zijn dingen geschreven die de andere drie evangelisten niet beschreven hebben. Ook deze afscheidspreek bijvoorbeeld is in de andere evangeliën niet te vinden. Evenmin als het lange gebed van de 12


Heere Jezus in hoofdstuk 17. Het valt op dat Johannes ook veel meer schrijft over Thomas. We lezen vier keer van Thomas, afgezien van de apostelregisters. U vindt dat in Johannes 11, Johannes 14, en twee keer in Johannes 20. Wat in Johannes 20 beschreven staat, is u bekend. Wie was er afwezig op de opstandingsdag? Wie was er een week langer in de duisternis omdat hij de onderlinge bijeenkomsten naliet, volk van God, wie was dat? Inderdaad, Thomas. En wie wordt, op de eerste dag der week, precies een week later opgezocht en vervrijmoedigd tot de belijdenis: ‘Mijn Heere en mijn God’? Precies. Het is Thomas. De eerste keer dat zijn naam wordt genoemd is in Johannes 11, dat is minder bekend. De Heere Jezus houdt Zich daar wat afzijdig, ver van Jeruzalem, omdat Zijn tijd nog niet gekomen is. Daar bereikt Hem het bericht dat Lazarus ziek is. Gaat Hij dan direct op pad? Nee, de genadeweg is de weg van het wonder. Genade is geen berekening. Genade is altijd de weg van de onmogelijkheid. Jezus wacht. Dan komt het bericht dat Lazarus is gestorven. Dat Hij niet meer hoeft te komen. ’k Schatte mij geheel verloren, ’k Mocht van geen vertroosting horen ... Wat doet de Zaligmaker dan? Ja, dán gaat Hij. Dat is nu precies Zijn manier van doen. Zo kán Hij het niet slechts doen, maar zo dóét Hij het altijd. Het weten met het verstand (en het er hopelijk ook mee eens zijn met het verstand), is wat anders dan het beleven met de ziel. Want dat ligt ons niet zo. Dat willen we niet. Dan gaat het vlees er aan. Gemeente, als Jezus zegt dat Hij richting Jeruzalem zal gaan, dan zegt Thomas (heel mooi eigenlijk): ‘Laat ons met Hem gaan.’ Mooi toch? Ja, inderdaad! Het is heel teer. Hij voelt zich aan Hem verbonden in lief en leed. Thomas zegt als het ware: We laten Hem niet alleen gaan. En hij voegt er ook nog iets aan toe: ‘Opdat we met Hem gevaar lopen ...’ Nee, dat zegt Thomas niet. ‘Opdat we met Hem in de gevangenis terechtkomen ...’ Nee, dat zegt hij ook niet. Wat zegt Thomas? ‘Opdat we met Hem sterven.’ Bezwijkt dan ooit in bitt’re smart, Of bange nood mijn vlees en hart, Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed, Mijn Rots, mijn Deel, mijn eeuwig Goed. 13


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
uitdenschatdeswoordsejaargang by Erdee Media Groep - Issuu