Skip to main content

OM-dedominee-januari2026

Page 1

ERDEE MEDIA B.V. APELDOORN / RD.NL / REDACTIE@RD.NL 055-5390222 / ABONNEESERVICE@RD.NL 055-5390498, WHATSAPP 055-5390345

Jürgen Tholel: “Zolang we met elkaar over straat rollen om bijzaken, zijn we geen getuigenis voor de wereld” Pagina 4

De Dominee


De Dominee

Lees 2 artikelen gratis

2

rd.nl/2-artikelen-gratis


De Dominee

3

Wat fijn dat je dit online magazine met als titel De Dominee gaat lezen. In deze vijf artikelen komen voorgangers aan het woord. We ontmoeten mannen die hun roeping volgen, te midden van kritiek, verlies of zelfs ontvoering en geweld. Samen geven zij een eerlijk en indringend beeld van wat het betekent om met hart en ziel te dienen binnen de hedendaagse kerk. Deze interviews bieden waardevolle inzichten in volharding, gemeenschap en persoonlijke betrokkenheid bij geloof en prediking. Veel leesplezier gewenst! Wil je meer van dit soort verhalen lezen? Download dan de RD-app.

INHOUDSOPGAVE Voorganger Jürgen Tholel: “Ik ging door totdat de Heere me in de houdgreep nam.”

4

Ds. M. van Kooten weet zich een einzelgänger op het kerkelijk erf

8

Ds. Clements krijgt soms kritiek op zijn prediking, maar gaat altijd in gesprek: “Ik hoef geen gelijk te hebben.” Ds. Maarten Post moest verder na het overlijden van zijn vrouw: “Gerdien is in de eeuwigheid en ik sjouw wat door de tijd.” Ds. Nicodemus Ude overleefde kidnap en moordaanslag, maar kan niet terug naar Nigeria

12

17

21


De Dominee

4

Voorganger Jürgen Tholel: Ik ging door totdat de Heere me in de houdgreep nam

Jürgen Tholel combineert werk in de bouw met zijn taak als voorganger van de Family Bible Church.. beeld Carel Schutte

Huib de Vries

Van maandag tot vrijdag restaureert Jürgen Tholel gevels. Op zondag verkondigt hij in de Rotterdamse Family Bible Church het Evangelie van vrije genade. Als een ”presbaptiaan” die door een pinkstervoorganger de puriteinen leerde kennen. „Mijn voorbeeld is George Whitefield.” Volk dat over de West-Sidelinge in de Rotterdamse wijk Overschie loopt, blijft bij huisnummer 84 even staan. Vanwege de intrigerende vraag op het raam van de woning. „Stel je eens voor dat God vakantie zou hebben…?” Eronder volgt een Bijbeltekst, eveneens in rode letters. „Vraag naar de HEERE en Zijn kracht, zoek Zijn aangezicht voortdurend.” De deur wordt geopend door Shery Tholel. Nadat ze haar man heeft geroepen, serveert ze koffie met een vruchtengebakje. Even later komt de heer des huizes binnen. Hij groet zijn bezoeker met een omhelzing. „Welkom broeder, welkom!” Daarna loopt hij naar zijn kleindochtertje dat op de bank ligt te slapen en kust haar behoedzaam op het voorhoofd. Ook Shery neemt plaats aan de lange woonkamertafel. Daar zal ze gedu-

rende het gesprek blijven zitten, stil luisterend. Een enkele keer heeft ze een aanvulling op wat haar man vertelt, na een drukke werkweek.

kleinkind. Als ik naar mijn kleindochtertje kijk, denk ik: hoe kan de Heere me zo zegenen, naast de zegen die ik ontvang door het Evangelie?”

U zit in de gevelrestauratie? „En de kunststof kozijnen. We isoleren ook pannendaken. Officieel is het een eenmanszaak, maar inmiddels werken een zoon, mijn vader en iemand uit de gemeente mee. We hebben heel veel werk, dus een dag thuiszitten kan ik me niet permitteren.”

Hoe was uw eigen jeugd? „Mijn ouders hadden vaak ruzie. Toen ik acht jaar was, zijn ze gescheiden. Ik woonde daarna bij mijn moeder, maar had ook veel contact met mijn vader.”

Is het werk in de bouw een noodzakelijk kwaad? „Zeker niet, ik heb altijd een passie gehad voor oude panden. Vooral grachtenpanden, zoals in de binnenstad van Amsterdam. Straatnamen kan ik niet zo goed onthouden, maar aan de gevels zie ik waar ik ben. Zodra ik thuiskom, ben ik mijn werk vergeten. Dan geniet ik van mijn vrouw, mijn kinderen en mijn

Geen gemakkelijke jeugd. „Dat hoort u mij niet zeggen. In de Caraïbische wereld groeit 80 procent van de kinderen bij een alleenstaande moeder op, vaak in armoede. Ik kreeg wat ik nodig had en zat zelfs op tennis. Daardoor leerde ik Nederlandse leeftijdgenoten kennen en ontdekte ik de cultuurverschillen. Als ik bij hen om zes uur aanbelde, werd ik weggestuurd, omdat het gezin zat te eten. Bij ons wordt er altijd wat extra gekookt voor mogelijk bezoek. Nederlandse mensen


De Dominee

kunnen leren van onze gastvrijheid. Omgekeerd kunnen wij leren van hun gevoel voor structuur en regelmaat. Een mix van beide culturen zou het mooist zijn.”

niet ermee te breken. Het tennissen had ik ingewisseld voor voetballen. Al snel werd ik gescout door Sparta, waarna ik droomde van een carrière als professional.”

Hoe was het religieuze klimaat thuis? „Mijn ouders zijn katholiek getrouwd, maar we gingen nooit naar de kerk. Mijn vader had moeite met de geldzucht van de Rooms-Katholieke Kerk. Hij gelooft wel in God, maar wil er niet aan dat Jezus voor de zonden van anderen stierf. Ieder is verantwoordelijk voor zijn eigen daden, dat is zijn overtuiging. We bidden veel voor hem.”

Dat is niet gelukt. „Nee, ik raakte geblesseerd en ben bij mijn vader gaan werken. Die was eigenaar van tientallen pandjes in Rotterdam. Op een gegeven moment vond de gemeente het onderhoud onder de maat. Daarom nam hij een bedrijf over dat zich bezighield met onderhoud en renovatie. Dat is zijn ongeluk geworden. De vorige eigenaar bleef op naam van die bv spullen kopen, mijn vader werd na verloop van tijd aangeslagen voor 1,7 miljoen gulden. Zijn panden zijn door de bank geveild. Wij zijn ervan overtuigd dat deze gang van zaken geen zuivere koffie was. Mijn vader heeft het nooit een plek kunnen geven. Ook ik kwam op straat te staan, letterlijk. Sindsdien heb ik angst om nóg eens in zo’n situatie te belanden. De houding om dat door hard werken te voorkomen, moet God nog meer in me breken. Hij zórgt.”

Hoe kwam u in aanraking met het christelijk geloof? „De moeder van een Surinaams-Antilliaans vriendje uit Dordrecht nam me een keer mee naar de kerk. Ik was in die tijd vaak angstig, omdat ik geesten tegen me hoorde spreken. In die kerkdienst heb ik aan God gevraagd of Hij de stemmen weg wilde nemen. Vanaf dat moment heb ik ze nooit meer gehoord. In de reformatorische gezindte wordt de macht van geesten gebagatelliseerd, maar het valt niet te ontkennen dat er negatieve dingen gebeuren die we niet kunnen verklaren. We moeten ze toeschrijven aan demonische belasting.

„In de reformatorische gezindte wordt de macht van geesten gebagatelliseerd” - Jürgen Tholel, voorganger

Door een schoolvriendje kwam ik bij Het zout der aarde, een Surinaamse pinkstergemeente waar Stanley Dissels voorganger was. Ik had het gevoel: hier zitten allemaal mensen die van God houden. Er werd veel gewaarschuwd tegen de zonde. Daarom ben ik er na verloop van tijd weggegaan. Ik worstelde met allerlei zonden en het lukte me

Hoe oud was u toen dit drama plaatsvond? „Achttien. Ik leerde het straatleven van dichtbij kennen en heb, met uitzondering van moord en verkrachting, alles gedaan wat God verbiedt. In mijn hart wist ik: ik moet terug! Als ik zo doorleef, ga ik verloren, maar de kracht van de zonde, de macht van het vlees en de invloed van de satan zijn zó krachtig. Zonder Christus kom je niet los van al die zonden en verslavingen. Inmiddels woonde ik samen met Shery. Ik besefte dat ook samenwonen niet past bij het dienen van God. Toch ging ik door, totdat de Heere me in de houdgreep nam. Hij gebruikte daarvoor het neefje dat me leerde blowen. Die was bekeerd. Door hem keerde ik terug naar Het zout der aarde. De grote klap kwam tijdens een mannenkamp. Onder de toespraak van een oudste was het of al mijn straatvrienden wegvielen. Christus alleen bleef over en gaf me een slag op de heup… Sorry broeder, als ik eraan terugdenk, word ik emotioneel… Ik deed ter plekke mijn oorbellen, armbanden en amulet af en zei: „Vanaf nu wil ik voor U leven.” Thuis ging ik op mijn knieën voor Shery, en vroeg: „Wil je met me trouwen?” Heel

5

verbaasd antwoordde ze: „Ja.” Ik stond op en zei: „Oké, dan ga ik nu naar mijn moeder terug en blijf daar tot we getrouwd zijn.” Dat heeft nog acht maanden geduurd.” Acht maanden? „Ja, Stanley Dissels wilde zien dat ik écht bekeerd was. Elke dag ging ik uit mijn werk naar een broeder om een uur lang samen te bidden. Dat behoedde me voor terugval. Geestelijk had ik het heel goed. God is een beloner van degenen die Hem met ernst zoeken. Op een dag heeft Hij Zich zó aan mij geopenbaard, dat ik Zijn liefde niet kon dragen. Ik vroeg Hem de kracht van Zijn tegenwoordigheid af te zwakken, anders zou ik sterven. Elke samenkomst van de gemeente was een feest. Ik wilde bij Gods volk zijn. Niet lang daarna heeft de Heere ook Shery tot geloof gebracht, terwijl haar moeder medicijnvrouw was. Mijn vrouw heeft veel gezien van occultisme. Het is jammerlijk dat de gemeente van Christus zo weinig begrijpt dat de realiteit van de occulte wereld alleen maar bestreden kan worden met gebed. Zonder gebed vaart níémand wel.” Ziet u de bekering van uw vrouw als vrucht van uw gebed? „Als ik dat beaam, doe ik anderen tekort. Mijn moeder is ver voor mij tot geloof gekomen. Zij heeft al die jaren voor ons gebeden, samen met anderen. Vergeleken met mij had Shery vrij keurig geleefd. Dat maakte de aanvaarding van het Evangelie voor haar in zekere zin moeilijker. In het begin dacht ze: ik neem het geloof in God erbij, want ik bén al goed. Ze moest leren dat ze in Gods ogen helemáál niet goed was. Het duurde even eer dat kwartje viel. Ook daarvoor gebruikte God Stanley Dissels. Hij heeft ons al die maanden begeleid. We hebben ons allebei laten dopen en zijn daarna getrouwd.” Was u niet bang om een huwelijk aan te gaan? „Helemaal niet. God stond vanaf het begin in het middelpunt. Hij gebruikt ons om Zichzelf te laten zien. Als je dat goed begrijpt, kan en mag een huwelijk niet kapot.”


De Dominee

Jürgen Tholel

Jürgen Tholel. beeld Carel Schutte

Wat betekent Shery voor u? „Na de Heere Jezus Christus álles. Ze kan me stevig de waarheid zeggen, maar ik weet dat ze van me houdt. Toen ik tot geloof kwam, heb ik ook al mijn seksuele zonden aan haar opgebiecht. Ondanks dat is ze bij me gebleven.” En nu bent u voorganger. „Ja, na mijn bekering werd ik de wapendrager van Stanley Dissels. Als hij uit preken ging, reed ik hem en droeg zijn Bijbel. Af en toe mocht ik wat zeggen voordat hij het woord nam. Het werd mijn verlangen om net als hij het Evangelie uit te dragen. „Het lijkt erop alsof de Heere je roept, maar je moet níét naast je schoenen gaan lopen”, zei broeder Stanley. „Blijf de Heere vragen om duidelijkheid.” Dat was een wijs advies. Intussen bereidde ik me wel voor, door de Veritas-cursus en andere theologische cursussen te volgen.” Waarom nam u opnieuw afscheid van Het zout der aarde? „Dankzij broeder Stanley leerde ik de puriteinen kennen. Mannen als John Bunyan, Jonathan Edwards, David Brainerd, George Whitefield… Door het lezen van hun boeken kreeg ik zicht op

Jürgen Robert Tholel (27 december 1976) groeit op in Rotterdam als enig kind van Surinaamse ouders. Hij is acht jaar oud als ze uit elkaar gaan. Na het behalen van zijn mavodiploma gaat hij in de bouw werken en ontwikkelt zich tot specialist in gevelrestauratie. Hij gaat samenwonen met Shery Wartes; na hun bekering trouwen ze. Ze sluiten zich aan bij de Surinaamse pinkstergemeente Het zout der aarde in Rotterdam. Sinds vijf jaar is Tholel oudste van de multiculturele Family Bible Church in de Maasstad. Naast zijn werk als zzp’er en voorganger studeert hij parttime theologie aan het Evangelisch College in Zwijndrecht. Jürgen en Shery Tholel hebben vier kinderen, onder wie een tweeling. Ze verzorgen geregeld lezingen en workshops over het christelijk gezinsleven. de calvinistische ”doctrine of grace”. Ik ging beseffen dat die fundamenteel anders is dan het arminianisme, dat Stanley Dissels aanhangt.” Hoe kon hij dan puriteinse lectuur aanbevelen? „Het gaat hem niet zozeer om het theologisch raamwerk, maar om de kracht en genade van God. Dissels is een man die dag en nacht onder tranen bidt om een opwekking, al meer dan veertig jaar. Wat ik lees bij de puriteinen, heb ik in hem gezien. We zijn nog steeds heel goed bevriend. Intussen is zijn zoon voorganger. Vanwege deze overdracht en de genoemde theologische redenen was het, met wederzijds goedkeuren, voor ons de juiste tijd om een andere gemeente te zoeken. Ik kwam in contact met Sam Jayasinghe, een man uit Sri Lanka die een multiculturele gemeente aan het stichten was. In de beginjaren maakte die deel uit van het netwerk LEEF. Toen Sam voor een maand op vakantie ging, vroeg hij me of ik hem wilde vervangen. Ruim een jaar later ben ik ingewijd als ouderling. Daarna gingen we afwisselend voor. Sinds de terugkeer van Sam naar Sri Lanka ben ik de enige voorganger van de Family Bible Church.”

6

Vanwaar de naam? „Omdat we niet meer geassocieerd willen worden met de doctrine van LEEF, zochten we een andere naam. Het werd Family Bible Church. Ieder die bij Christus hoort, maakt deel uit van Zijn familie en wil zich laten gezeggen door Zijn Woord. We zijn multicultureel, hebben een reformatorische theologie, respecteren de kinderdoop en nodigen zowel baptistische als reformatorische voorgangers uit. Ik zie dat de gemeente geestelijk groeit door de gezonde prediking: gefundeerd en recht naar het hart. Hoewel ik baptist ben, zal ik iemand die als kind is gedoopt in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest niet opnieuw dopen. Mede omdat ik door ”overdoop” veel relaties binnen families kapot zie gaan. De eenheid in Christus is voor mij belangrijker dan het doopstandpunt: de visie van predikers als John Bunyan en Martyn Lloyd-Jones.” Lukt het om de taken van bouwvakker, voorganger en huisvader te combineren? „Dat is niet eenvoudig. Een voordeel van de combinatie is dat ik midden in het leven sta. Het zou goed zijn als elke voorganger minstens één dag in de week een gewone baan had. Dan ervaar je wat het betekent om onder het gezag van anderen te staan en leer je de weerbarstigheid van de dagelijkse praktijk als christen kennen. Door het werk op de steiger word ik elke dag geconfronteerd met mijn zondige vlees, broeder.” Wat staat bij u voorop: gevelrestaurateur, voorganger of man en vader? „Man en vader. Hoe kun je voorganger van een gemeente zijn wanneer je je gezin niet voorgaat? Onze eerste roeping is daar zending te bedrijven: van hart tot hart met je kinderen praten. In de huisgodsdienst klopt het christelijke leven. Mannen en vaders dienen daarin het voortouw te nemen, ook praktisch. Als ze thuiskomen moeten ze niet met het Reformatorisch Dagblad in een stoel zakken, maar het werk van hun vrouw overnemen. Zodat zíj even in haar stoel kan zakken. In mijn situatie is het elke dag zoeken naar de goede balans tussen gezin, werk en gemeente. Een voordeel van mijn volle agenda is dat ik geen tijd heb om gekke dingen te doen.”


De Dominee

Wat voor voorganger wilt u zijn? „Een die de mensen voorhoudt dat er een nieuw Koninkrijk komt. We leven in een wereld vol leegte en pijn, maar de Bijbel leert dat God een Verlosser heeft gestuurd om ons eens in een herstelde wereld te plaatsen. Dankzij Christus, Die de toorn van God over de zonde van ons mensenkinderen op Zich nam. Zo is Gods toorn voor eens en altijd gedoofd voor allen die in Jezus geloven. Dat is toch een gewéldig iets, broeder. Ik ben ervan overtuigd dat hier hét antwoord ligt in de discussie tussen arminianen en calvinisten. Als de toorn van God werkelijk gestild is met het sterfelijk lichaam van Christus, kun je nooit afvallen van je geloof. Aan de andere kant is het niet verkeerd om jezelf te onderzoeken of je in het geloof bent. Dat doet beseffen dat je moet volharden, al zul je dan ontdekken dat je het nooit goed genoeg doet. Gelukkig kunnen we bij Christus terecht.” Shery knikt: „De aanvaarding door God is niet afhankelijk van onze inspanning.” Is er een puriteinse prediker die er voor u uitspringt? „Mijn voorbeeld is George Whitefield. Door zijn gedrevenheid in het uitdragen van het Evangelie en zijn overtuiging dat het uiteindelijk gaat om de vraag of we Christus liefhebben. Daarom bleef hij Wesley hoogachten, zoals ik Stanley Dissels hoogacht.” Wat betekent het preken voor u? „Een vreugde en een last. Een vreugde omdat ik veel leer van de voorbereiding. Een last omdat ik niet zo academisch ben ingesteld en mijn beschikbare tijd beperkt is. Toch probeer ik elke vrijdagavond de gebedswake bij te wonen. Van elf uur tot twee uur in de nacht bidden we voor de samenkomsten, voor een heilig leven, voor de kerk, voor de wereld… Ik slaap een paar

7

uur en begin dan aan het uitschrijven van mijn preek. Daar werk ik zo mogelijk de hele zaterdag aan. Zondagmorgen sta ik vroeg op om te bidden en de preek af te maken. Het geeft elke week spanning, maar de Heere is zó goed. Als ik door omstandigheden minder tijd heb om me voor te bereiden, geeft Hij uitkomst en schenkt me de woorden. Door de pastorale ervaring die ik heb opgedaan, preek ik minder fel en radicaal dan vroeger. Je ontdekt wat er aan leed achter de deuren schuilt. Dat neem je mee in je prediking. De scherpe randen van Gods Woord blijf ik doorgeven, maar met meer bewogenheid.” Wat kunnen reformatorische christenen leren van de Family Bible Church? „In de eerste plaats de betekenis van gezamenlijk gebed. In de tweede plaats dat gemeente-zijn meer is dan naar een preek luisteren, samen zingen en daarna snel weer naar huis gaan. Steeds meer allochtonen raken geïnteresseerd in de reformatorische leer, maar de gereformeerde gezindte heeft vrijwel geen platform om ze op te vangen. Ik herinner me nog goed ons gevoel van vervreemding toen we voor het eerst in een reformatorische kerk kwamen. Je ziet een dominee in het zwart binnenkomen, omgeven door een rij bodyguards. Dat blijken ouderlingen en diaken te zijn, die een eigen bank hebben. Er moet respect zijn voor het ambt, maar dat krijg je niet door een afwijkende manier van doen en een speciale bank in het gebouw. Respect dwing je af door geestelijke inhoud.” Er gaan soms predikanten uit de Protestantse Kerk en de Hersteld Hervormde Kerk bij u voor, staat u ook weleens op hun kansel?

Lees 2 artikelen gratis

Jürgen en Shery Tholel met hun tweeling. beeld André Dorst

„Niet in een gewone dienst. Ik respecteer de opvatting dat je daarvoor een bepaalde opleiding moet hebben genoten of tot hun verband moet behoren. Wel denk ik dat het goed zou zijn als er zo nu en dan een voorganger met een andere achtergrond op hun kansel stond. De hemel zal worden bevolkt door een mengelmoes van mensen uit allerlei culturen. Daar moet hier beneden al iets van te zien zijn, maar ik besef dat het tijd kost om aan elkaar te wennen.” Hoe typeert u uw eigen positie op het kerkelijk erf? Lachend: „Laatst noemde ik mezelf in een app aan broeder Sam een ”presbaptiaan”. Ik verlang vurig naar de eenheid waarvoor Christus bad. Dat vraagt de bereidheid om geschillen die niet essentieel zijn te relativeren. Paulus is ons daarin tot voorbeeld. Zolang we met elkaar over straat rollen om bijzaken, zijn we geen getuigenis voor de wereld. Samen bidden om een opwekking, daar gaat meer van uit. Daarom is die avondwake op vrijdag voor mij zo belangrijk. Al ben ik nog zo moe, ik probeer eraan deel te nemen. Ook overdag en ’s nachts bid ik regelmatig. In bed, naast bed, aan tafel, met de kinderen. Zonder gebed zou ik niet kunnen leven.”

rd.nl/2-artikelen-gratis


De Dominee

8

Ds. M. van Kooten weet zich een einzelgänger op het kerkelijk erf Aan het studeren. beeld Cees van der Wal

Huis de Vries

Van ijzerwerker werd Marinus van Kooten predikant. Met overtuiging, maar zijn verbondenheid met het gewone volk behield hij. „Die hele domineeswereld heb ik nooit zo interessant gevonden.” De monumentale pastorie van hervormd Elspeet heeft de omvang van een landhuis. „Boeken in het koepeltje”, meldt een houten bord op een paal. De lange gang achter de voordeur is gevuld met ongeregeld goed, van een vloerkleed tot een broodrooster. Vanwege de komende verhuizing van het echtpaar Van Kooten naar Lopik. De gang wordt ook gebruikt als opslagruimte voor alles wat wordt aangeleverd ten behoeve van het werk van dochter Mieneke, werkzaam voor stichting Kondonani in Malawi. Bij mooi weer ligt de hele handel buiten en kunnen liefhebbers zelf snuffelen. Soms is er rond de pastorie een heuse kleedjesmarkt, terwijl ds. Van Kooten met keyboard de zang van zendingsliederen begeleidt. Zijn vrouw, een boerendochter, serveert op klompen sap en een versnapering. In de studeerkamer van de pastor moeten bezoekers hun weg zoeken

tussen bergen boeken en stapels bladen. Ook zijn bureau is ermee bezaaid. Naast twee kartonnen dozen staat een beschilderde melkbus, tussen de lectuur op de salontafel een groene collectebus voor de catechisanten. De wanden zijn bedekt met platen en prenten. Tegen een van de boekenkasten rust een schilderstrap. Daarmee kan de predikant het hoogstaande werk bereiken. Hij is net terug van een bezoek aan Malawi. Aansluitend verzorgde hij een reis voor lezers van het blad Terdege naar Friesland, waar hij hen bekendmaakte met de voormannen en vruchten van het Friese Reveil. Nu zit hij weer in zijn vertrouwde werkvertrek. „Let niet op de rommel. Wil je een bakkie koffie?” Hoe was het in Afrika? „Een ervaring apart. Voor mij was het de eerste keer. Ik kende het gebied van

plaatjes, maar de werkelijkheid is toch anders. Het meest opvallend vond ik de godsdienstige sfeer. Op autobussen staan Bijbelteksten, zoals: „De dwaas zegt in zijn hart, er is geen God.” Geloof is er vanzelfsprekend. Anderzijds is het voor mij onbegrijpelijk dat mensen zondagmorgen in de kerk zitten en ’s middags op de markt lopen.” Wat doet uw dochter daar voor werk? „Ze is verpleegster en dierenarts en geeft mede leiding aan het weeshuis dat is opgezet door Anne Chikwaza, een uit Friesland afkomstige weduwe die getrouwd was met een zwarte dominee. Door de aidsepidemie zijn veel kinderen in Malawi vader- en moederloos geraakt. Er is ook een polikliniek op het terrein. De stichting waaronder alles valt, heeft een pinksterachtergrond, maar de kinderen krijgen gedegen Bijbels onderwijs.”


De Dominee

Hoe kwam uw dochter daar terecht? „Ze is een poosje dierenarts geweest, maar na een door de GZB georganiseerde reis naar Kenia zei ze: „Dit is wat ik altijd heb gewild.” Aanvankelijk dacht ik: meisje, wat ga je doen? Je kunt toch ook wat giften overmaken voor die mensen. Maar niks ervan, ze ging solliciteren. Bij de GZB en Timotheos was geen plek, uiteindelijk kwam ze bij Kondonani.”

Ds. M. van Kooten. beeld Cees van der Wal

Ds. M. van Kooten Marinus van Kooten (1958), zoon van een metselaar, groeit op in Jaarsveld. Na de mavo studeert hij, naast zijn dagelijks werk op een scheepswerf, aan de Leidse Onderwijsinstellingen. Om toegelaten te kunnen worden tot de theologische studie. Van 1984 tot 1990 volgt hij de zaterdagopleiding theologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Hij dient daarna de hervormde gemeenten van Montfoort (1990), Scherpenisse (2006) en Elspeet (2010). Naast tal van artikelen in verschillende bladen publiceert hij een aantal boeken, waaronder ”Blank en rood”, over het Hooglied, en ”Het wonder van het Westland”, over ds. Jac. van Dijk. Ook is hij al vele jaren columnist van het blad Terdege. Ds. Van Kooten is gehuwd met Ada Bosch. Ze ontvingen 13 kinderen en 26 kleinkinderen. Hebt u er ook gepreekt? „Meerdere keren, voor de kinderen en de verzorgsters. Met de leidinggevenden –mijn dochter en twee andere vrijgezelle dames– hield ik elke morgen Bijbelstudie, van zes tot zeven uur. Dat doen ze anders met z’n drieën. Het werd zeer gewaardeerd dat de pastor erbij aanschoof. Dat vond ik mooi. Ze hadden ook kunnen zeggen: „Zo’n ouwerwetse gereformeerde kerel hoeven we er niet bij.” Een van die dames gaf me bij het afscheid het boek ”All is grace” van Spurgeon. Ik dacht: meid, als dat jouw hartentaal is, dan zit het goed.”

Hebt u er intussen vrede mee? „Ja, daarom proberen we haar te ondersteunen. Dat reisje naar Friesland was tegelijk een soort bedelreis. In Sneek gingen we zingen in een kerk. Ik heb wat verteld over het werk van Mieneke en gezegd dat ik er graag voor zou collecteren. Het is toch leuk als mensen dan zo’n 450 euro doneren.” Zou u zelf in Afrika kunnen wonen? „Zolang er hier nog aan me getrokken wordt, heb ik er geen behoefte aan. Ik ben een echte Hollander. Maar wanneer mijn dochter daar langer blijft, hoop ik er zeker weer heen te gaan. Er is ook geestelijk veel armoe. Over de verzoening wordt wat oppervlakkig gesproken, al moet ik voorzichtig zijn in mijn oordeel. Dat is aan God. Het is bijzonder als je in die misère zo blijmoedig leeft. Tijdens een maaltijd die mijn vrouw en ik hadden klaargemaakt, vertelde een jongen me dat hij piloot wilde worden. „Mijn vrouw is een beetje angstig voor vliegen”, zei ik. Waarop dat joch antwoordde: „Dat hoeft toch niet als je op de Heere vertrouwt.” Aan het eind van de maaltijd doet een van die kinderen een gebed. Daar draaien ze geen van allen hun hand voor om.” In wat voor kerkelijk milieu groeide u zelf op? „Moeder was van huis uit gereformeerd, van een bijzondere soort. Ze had onder de toen nog gereformeerde dr. C. Steenblok gezeten. Vader kwam uit hervormd IJsselstein, een gemeente met destijds een bevindelijke inslag. Die van Jaarsveld was in mijn vroege jeugd confessioneel. Mijn vader zat als diaken in de kerkenraad, maar daar is hij op een gegeven moment uitgestapt. Hij ging graag naar tijdredes voor de SGP, verkapte kerkdiensten voor de verontrusten. Die werden gehouden in een zaal van een kroeg. Zijn verzoek om de bijeenkomsten in het verenigingsgebouw van de kerk te mogen

9

houden, werd afgewezen, terwijl ze die wel verhuurden voor bruiloftsfeesten. Toen ds. H. Smits de barthiaanse toer op ging, hebben we een periode in IJsselstein gekerkt. Na de komst van ds. P. Molenaar in Jaarsveld keerden we terug. Daarna is mijn vader weer diaken geworden en later ouderling.” Hoe was de geestelijke sfeer thuis? „Het Woord stond centraal, maar over hun innerlijk spraken mijn ouders niet gemakkelijk. Ze hadden ook niet de vrijmoedigheid om hardop te bidden. Ik heb mijn vader één keer een gebed horen doen; de dag waarop ik belijdenis deed. Toen was hij ouderling van dienst. Het maakte grote indruk op me. Wat hoor ik nóú uit de mond van mijn vader?” Dat verbaasde u? „Nou, eigenlijk niet. Je merkte aan alles dat de geestelijke dingen zijn hart hadden, maar hij uitte dat indirect. Bijvoorbeeld door iets aan te halen wat hem had aangesproken in een preek of een kerkelijk blad. Ik heb die geslotenheid nooit als bezwaarlijk ervaren. Mijn ouders meenden wat ze zeiden. Er wordt tegenwoordig veel gehamerd op het belang van openheid, maar je kunt ook je mond voorbijpraten, anderen napraten of boven je macht praten. Dat gebeurt maar al te vaak.” Van wie erfde u uw leeslust? „Die heb ik te danken aan mijn moeder. Ze las ons voor totdat ze geen stem meer over had. Meest historische boeken van auteurs zoals H. te Merwe en P. de Zeeuw. Mooie verhalen, maar er zat een hele dikke duim bij. De roomsen waren de grootste ellendelingen en domoren die op aarde te vinden waren. Niettemin, zo is mijn liefde voor geschiedenis geboren.”

„Er wordt tegenwoordig veel gehamerd op het belang van openheid, maar je kunt ook je mond voorbijpraten, anderen napraten of boven je macht praten”


Hoe oud was u toen de begeerte tot het ambt van predikant ontstond? „Een jaar of zes. Ik had al vroeg indrukken van de eeuwigheid. Tegen de melkboer vertelde ik dat ik dominee van de domtoren wilde worden. Als kind heb ik zelfs een preekje geschreven. Na het overlijden van mijn vader bleek hij het te hebben bewaard. Ik ben altijd gecharmeerd geweest van kerken, orgels, begraafplaatsen en psalmgezang, zonder toeters en bellen. We dienen een heilige God. Als op de gereformeerde school die ik bezocht Psalm 146 werd gezongen op een vrolijker wijs, hield ik mijn mond dicht. Toen we in de vakantie geen psalm hoefden te leren, protesteerde ik. „Dan doe jij het toch wel”, zei de meester. Die vakantie heb ik heel Psalm 68 uit mijn hoofd geleerd. Maar daarmee is er nog niks opgelost. Van een mens valt niets goed te zeggen. Leg nooit haastig de handen op, het kan nog helemaal mislopen. Dat leek ook bij mij het geval.” Hoe? „De popmuziek ging trekken. Die dacht ik te kunnen combineren met de wereld van de kerk. Voor mezelf in de Bijbel lezen, deed ik niet meer. De preken gingen langs me heen. Alle indrukken leken weg. Totdat ik in de derde klas van de mavo voor geschiedenis een werkstuk moest schrijven. Ik koos voor de aanleiding tot de Tachtigjarige Oorlog, ging bij ds. Molenaar allerlei boeken lenen, las over de martelaren en tikte 167 blaadjes vol. Tijdens het typen dacht ik: waar ben ik mee bezig? Deze mensen hebben hun bloed gegeven voor de waarheid. Zij waren rijk, ik voelde me straatarm. Alles wat met die popmuziek te maken had, heb ik weggegooid. Daarna werd ik heel actief in het kerkelijk verenigingswerk, hoorde graag goede preken en ging doordeweeks elders luisteren. Ten diepste om geestelijk iets te worden. De Heere Jezus was voor mij nog een onbekende. Ik behoor niet tot de mensen die mogen zeggen dat het de Heere behaagde Zijn Zoon krachtdadig in hen te openbaren. Bij mij is het gordijn langzamerhand opengeschoven. Ik kreeg steeds meer oog voor de dierbaarheid van het Lam. We kunnen nooit te diep spreken over de verdoemelijkheid van de mens, maar ook nooit te rijk over de gewilligheid van Jezus Christus om

De Dominee

10

zondaren zalig te maken.”

ten. Tegelijk weet ik dat het met al mijn gebrek mijn verlangen is om er voor de Heere te zijn en de dood in onszelf en het leven in Christus te preken.”

De studie theologie combineerde u met een baan als ijzerwerker op een scheepswerf en een groeiend gezin. Hoe was dat? „Die vraag heb ik mezelf nooit gesteld. Ik was blij dat ik mijn vooropleiding had gehaald en als 25-jarige mócht gaan studeren. Ik heb een heel dappere vrouw, zij heeft een gouden medaille verdiend. Omdat zij thuis alles deed, verliep de studie voorspoedig.” Wat voor predikant wilde u worden? „Ik had geen bepaalde figuur als voorbeeld. Je moet je nooit aan één persoon ophangen, dat geldt ook voor het verleden. Preken van mannen als de Erskines raken me, maar ik blijf ook graag in werk van Luther en Calvijn lezen. Vooral voor Luther heb ik een zwak. Hij is soms wat grof in zijn uitspraken, maar dat hindert mij niet.” U begon in Montfoort. Met overtuiging? „Toen ik een jaar of zestien was en daar een keer liep, kreeg ik te geloven dat ik er nog eens predikant zou worden. Het beroep dat kwam had ik meteen moeten aannemen, maar ik dacht: misschien komt er nog wel een. Dan sta ik wéér in de krant. Zo is deze man helaas. Toch was ik verwonderd over Gods weg. Wie ben ik, dat ik dit werk mag gaan doen?” Dat is zo gebleven? „Ja. Ik houd niet van vrome praat, maar we zijn slechts onnutte dienstknech-

En deze pastorie is een open huis. „Door mijn vrouw. Zij is de sfeermaker. Ik word niet graag onverwachts geconfronteerd met bezoekers, mijn vrouw heeft daar minder last van. Ze gaat ook op mensen af, of ze tot de kerk behoren of niet. Dat maakt haar niet uit. En ze gaat met de collectebus langs de deuren voor goede doelen. Dat doen weinig domineesvrouwen, zij wel.” De kerkscheuring in 2004 raakte u diep. Is die wond een beetje geheeld? „Nee! Destijds heb ik me te veel laten meevoeren door mensen die beweerden dat de grondslag in 2004 fundamenteel veranderde. De situatie werd voorgesteld als een kwestie van hemel of hel. Pas sprak ik in Staphorst over tachtig jaar bevrijding. Daar kreeg ik de tip om de brieven van ds. J. Bus eens te lezen. Die heeft daar gestaan. Moet je horen: in een brief uit 1953 schrijft hij over de kerkorde van 1951: „De invoering van de nieuwe kerkorde is een oordeel Gods onder de toelating Gods, een list en werk van de duivel om de waarheid Gods die er nog in de Hervormde Kerk was en sporadisch is te vertrappen, vertreden en uit te bannen.” Nu wordt die kerkorde ineens verdedigd. De vorming van de Hersteld Hervormde Kerk zie ik als emancipatiedrang

De pastorie van Elspeet heeft de omvang van ene landhuis.


De Dominee

van rechtzinnig hervormden die nooit een eigen podium hadden. Voorheen hingen we er maar wat bij. Nou, die positie bevalt mij om eerlijk te zijn beter. Zou de gemeente van Montfoort in z’n geheel hersteld zijn geworden, dan was ik niet weggegaan, maar ik was wel een enfant terrible gebleven, en had voortdurend gezegd: „Mensen, niet zo activistisch, met eigen dit, eigen dat, eigen zus, eigen zo. Kom óp, zeg.” Bent u vrienden kwijtgeraakt? „Onder de hersteld hervormde predikanten heb ik nauwelijks contacten meer. In de Protestantse Kerk ook niet veel. Ik ben misschien een einzelgänger.” U voelt zich eenzaam? „Nee, dat niet. Ik heb een aardige kerkenraad en met het gewone kerkvolk is de relatie goed. Kijk, die hele domineeswereld heb ik nooit zo interessant gevonden. De omgang met gewone mensen vind ik veel leuker. In die Frieslandgroep zat een tuinder met enkel lagere school, maar die kerel was enorm belezen. Een gesprek met zó’n man vind ik mooi. Omgekeerd zeggen mensen tegen me: „Bij u voelen we ons op ons gemak.” Als ik onder mensen ben, wil ik met allemaal een praatje maken. Dan merk je dat elk kerkverband buiten het paradijs ligt.” In een interview noemde u de vorming van de PKN duivelswerk en de vorming van de HHK mensenwerk. „Dat muisje had nog een staartje. Iemand was er zo gebelgd over dat hij me heeft aangeklaagd. Om een officiële procedure te voorkomen, is voor een bemiddelingsgesprek gekozen. Met een halfuur waren we klaar. Ik vroeg: „Was die scheuring dan uit de Heilige Geest?” Dat wilden ze niet beweren. „Dan was het de boze geest”, zei ik, „want meer dan die twee zijn er niet.” Ze stelden vast dat we meer met elkaar zouden moeten spreken. Het was heel geen onaardig onderhoud.”

11

Vanwege uw pennenvruchten wordt u weleens vergeleken met ds. J.T. Doornenbal. „Nou, ik heb absoluut niet zo’n mooie stijl. Die man had de gave van het schrijven, daar ben ik niks bij. Vooral zijn natuurbeschrijvingen vind ik geweldig. Voor de rest is hij me soms té nostalgisch en té melancholisch. Te weinig christocentrisch ook. Hij blijft te veel steken in het gevoelsleven.” Waarom schreef u een biografie over ds. Jac. van Dijk? „Dat is me gevraagd. En ik vond het leuk. Vooral door het beluisteren van al zijn bewaard gebleven preken. Daarin herken ik me sterk, al had hij wel héél veel verhaaltjes.” Wat herkent u? „De afkeer van vroomheid en opgeklopte toestanden, het aangetrokken worden door eenvoudige godvrezende mensen en de liefde voor de Heere Jezus.” De kansel noemde u eens een gevaarlijk plek. „Ja, m’n beste momenten heb ik in deze kamer, als ik onder het studeren een knikje van Boven krijg. Zodra je op de preekstoel staat, komt er snel vlees bij. Daarom moeten kerkgangers altijd maar vragen of het ik van dat mannetje onderaan de stoel mag blijven en genade triomfeert. Ik vind het altijd lastig als mensen na de dienst laten weten dat de preek hen heeft geraakt. Dan zeg ik: „Geef God de eer.” Zulke opmerkingen zijn gevaarlijk voor mijn vlees.” Wanneer ontstond uw liefde voor klassieke muziek? „Na die popmuziekperiode. Onlangs moest ik twee keer in Loosduinen preken. Mijn dochter uit Rotterdam wees me erop dat er ’s avonds in de Rotterdamse Laurenskerk een cantatedienst was. Daar ben ik naartoe gegaan. De

Lees 2 artikelen gratis

dominee hield een vaag praatje over lief zijn voor elkaar, maar vooruit, die zes minuten nam ik voor lief. De cantates waren een prediking apart. Die van Bach sprak over de verzoening door het bloed van het Lam. „Durch Jesu rotes Blut, bin ich in Seine Hand geschrieben.” Ook het schitterende ”Miserere” van Allegri werd gezongen, de Latijnse versie van Psalm 51. Die zongen ze destijds één keer per jaar voor de paus, in de Sixtijnse Kapel, maar dat maakt de Bijbeltekst niet anders. De indringende hoge C, die boven alles uit klinkt, herinnert me altijd aan de lof op Christus. Ik was er vol van en heb er in de kerkbode nog wat over geschreven.” Dit jaar gaat u met emeritaat, ziet u ertegenop? „Ja, toch wel. Ik voel me nog in de kracht van het leven, maar het is nu eenmaal zo. Toen ik begon, moest je met 65 jaar stoppen. Ik heb er nog twee jaar bij gekregen. De bedoeling is dat ik op 5 oktober afscheid preek, mijn verjaardag. Daarna blijf ik bijstand in het pastoraat tot er een opvolger is. Daarnaast wil ik wat boeken schrijven: over de geschiedenis van hervormd Scherpenisse, Montfoort, Jaarsveld, Lopikerkapel en IJsselstein.” Welke Bijbeltekst typeert uw leven? „Na het votum heb ik altijd een introïtustekst. Dat is iets van moderne dominees, maar dat interesseert me niet. Bij mijn eerste preek als kandidaat, in Scherpenisse, was het de tekst: „Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.” In Montfoort heb ik over dezelfde tekst mijn intredepreek gehouden. Wat mij betreft mogen ze die ook op mijn rouwkaart zetten. Het is mijn geloofsbelijdenis, daar leg ik mijn hoofd op neer. Niet ik ben bijzonder, Hij is bijzonder.”

rd.nl/2-artikelen-gratis


De Dominee

12

Ds. Clements krijgt soms kritiek op zijn prediking, maar gaat altijd in gesprek: „Ík hoef geen gelijk te hebben” Ds. G. Clements. beeld Cees van der Wal

Chris Klaasse

Hij wordt binnenkort zeventig, dus moet ds. G. Clements de Theologische School van de Gereformeerde Gemeenten verlaten. In gesprek met de predikant uit Benthuizen blijkt dat het kerkelijk leven nog volop zijn belangstelling heeft. Daarbij spreekt hij onverbloemd over twistpunten waar hij zich zorgen om maakt. En uit hij meermaals zijn liefde voor Luther, Calvijn en de nadere reformatoren.

„Kennen wij elkaar?” Na een handdruk is dat de eerste vraag van ds. Clements aan zijn bezoeker. Die geeft aan dat er niet eerder een ontmoeting heeft plaatsgevonden. „Laten we in de voorkamer gaan zitten”, klinkt het daarna. Nadat de gastheer een glas water heeft gehaald, overhandigt hij vier A4’tjes met een nietje erdoor. Op de papieren staan zaken die hij graag genoemd wil hebben tijdens het interview. Het tekent ds. Clements, zeggen mensen uit zijn omgeving. Hij kan wat onverwacht uit de hoek komen, laat duidelijk weten wat hij wil en vindt, en bereidt zich grondig voor – op lessen en lezingen, en dus ook op interviews.

De vier A4’tjes blijven tijdens het gesprek vrijwel ongemoeid; alleen als de predikant iets wil citeren waarvan hij weet dat het op zijn papieren staat, pakt hij ze van het bijzettafeltje dat naast zijn cognackleurige fauteuil staat. De citaten leest hij luid voor. Het stemgebruik van de afzwaaiend rector van de Theologische School van de Gereformeerde Gemeenten is sowieso boeiend. Heeft hij het over kerkelijke zaken, dan spreekt hij bedachtzaam, gearticuleerd en krachtig, als een docent. Gaat het bijvoorbeeld over zijn opa, die veel voor hem betekende, dan klinkt zijn stem zachter en ligt het volume lager. En te midden van veel ernstige zinnen klinkt er af en toe ook een vrolijke lach, ineens.

De manier waarop de predikant uit Benthuizen formuleert is eveneens opvallend. Hij doorspekt zijn zinnen met prachtige woorden. Het doet een aristocratische afkomst vermoeden. Komt u uit welgestelde kringen? „Zo zou ik dat niet zeggen. Maar wel uit een gezin waarin veel gelezen werd. Mijn vader vond zijn vrouw in de Betuwe. Daar kwamen wij ook te wonen, in Elst, tussen Arnhem en Nijmegen. Net buiten de Biblebelt dus, waar we als gezin enigszins op onszelf leefden. We bleven tot mijn zesde lid van de oud gereformeerde gemeente in Kinderdijk, waar mijn vader vandaan kwam. Maar in die kring was het destijds niet


De Dominee

Ds. G. Clements Gijsbert Clements wordt op 13 juni 1955 geboren, als oudste in een gezin dat uiteindelijk negen kinderen telde. Na het behalen van zijn vwo-diploma studeert hij theologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht en volgt hij tegelijk de opleiding MO-geschiedenis. Tijdens zijn studie gaat hij als docent godsdienst werken aan de Jacobus Fruytier scholengemeenschap in Apeldoorn. Daar stopt hij mee als hij in 1990 wordt toegelaten tot de Theologische School van de Gereformeerde Gemeenten. In 1994 wordt hij in Nunspeet bevestigd tot zendingspredikant van de Nigeria Reformed Church. In 2000 wordt hij gemeentepredikant in Gouda, en in 2024 in Benthuizen. Ds. Clements is sinds 2012 docent aan de Theologische School in Rotterdam, en sinds 2020 rector.

Op mijn zesde –ik ben de oudste– beseften mijn ouders dat het zo niet langer kon in een opgroeiend gezin. Dus gingen ze op zoek naar een gemeente waar we ons bij aan konden sluiten. Toen zijn we naar de christelijke gereformeerde kerk in Arnhem gegaan.” Was dat een grote verandering? „Dat viel mee. Ik hoorde daar de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking van mannen als ds. N. de Jong, ds. F. Bakker en onze eigen predikant, ds. H. van Leeuwen. Maar de spanningen die nu in de hele CGK spelen, zaten toen al in de gemeente van Arnhem. In 1969 is de gemeente gesplitst. Het deel waar wij toe behoorden, sloot zich aan bij de Gereformeerde Gemeenten.” Het gezin leefde enigszins op zichzelf, zei u. Wereldvreemd ook? „Nee hoor. Mijn vader had een handel in bedrijfskleding; hij wist wel wat er in de wereld te koop was. De meeste van mijn broers en zussen hebben gestudeerd, en staan ook met beide benen in de maatschappij. Maar de kijkrichting, het perspectief was: waar gaat dit leven om? Als wij te vrolijk waren, zei mijn vader weleens: „Kijk eens wat er in je handen staat?” Hij bedoelde: de lijnen in je hand vormen een M, van memento mori. Dat was de sfeer thuis. Er was een zekere levensernst. Niet alles kwam het huis binnen, en wij gingen ook niet overal heen. Dat was een bewuste keus met een Bijbelse achtergrond. De Heere zei over Israël: „Dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden.”

Ds. G. Clements beeld Cees van der Wal

te doen gebruikelijk om met de auto naar de kerk te gaan. Omdat Kinderdijk niet te belopen is, las mijn vader dus twee keer per zondag thuis een preek. Van Hellenbroek, Smijtegelt, Comrie, dat soort mannen. De dichtstbijzijnde oud gereformeerde gemeente was in Ede. Maar dat was evenmin te voet te bereiken, dus het had niet geholpen als we daar lid waren geworden.

In uw preken haalt u weleens uw opa aan, die boomkweker was. Wat betekende hij voor u? „Dat is mijn grootvader van moeders zijde. Een godvrezende man. Ik kan me nog goed herinneren dat er op zijn verjaardag altijd gesproken werd over de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan. Die gesprekken maakten op mij een enorme indruk, zodat ik in mijn gebed altijd vroeg: „Heere, mag ik dat hebben wat mijn grootvader heeft?” En dan vroeg ik al heel jong ook: „En mag ik ook in Uw Koninkrijk dienen?” Zo is dat gebeurd.”

13

U wilde dus al jong predikant worden. Hoe is dat verder gegaan? „De roeping tot het ambt hangt voor mij samen met de roeping naar het zendingsveld. Toen ik na de middelbare school in Utrecht theologie ging studeren, werd ik een paar jaar later docent voor de CGO (Cursus Godsdienstonderwijs, CK), in Gouda. Tijdens een lesavond kreeg ik bij het koffiezetapparaat een briefje in mijn handen gedrukt met daarop de vraag of ik drie maanden naar Nigeria wilde. Het is me trouwens nog steeds een raadsel wie me dat briefje gaf. Drie maanden, dat leek me prachtig. Avontuurlijk. Mijn ouders zeiden: „Dat moet je nooit doen, daar zijn zo veel vliegen en ziektes.” Haha! Maar ik vond het een buitenkans.”

„De kijkrichting, het perspectief was thuis: waar gaat dit leven om?”

Wist u waar u aan begon? „Absoluut niet. Ik kwam daar binnen in het stenen tijdperk, dat had ik me niet helemaal gerealiseerd. De eerste zaterdag dat ik daar was, ging ik kennismaken met ds. C. Sonnevelt, de toenmalige zendingspredikant. Hij zei: „Morgenmiddag moet je wel preken hè.” Ik zei toen: „Dominee, ik heb nog nooit een preek gemaakt! Hoe moet dat?” Op mijn logeeradres stond een boekenkast met weinig boeken erin, maar in ieder geval wel een boek van ds. P. Blok over Ruth. Dat leek me bruikbaar: Ruth paste precies in de Nigeriaanse context, want zij leefde ook in een agrarische samenleving. Voor de preken die ik daar in die drie maanden mocht houden, heb ik me laten leiden door dat boek. De mensen vonden de


De Dominee

geschiedenis van Ruth aansprekend, en ze was voor mijzelf ook tot onderwijs.”

Daarin ben ik niet veranderd, dus mijn prediking zal wezenlijk ook niet veranderd zijn.”

Later bent u als zendingspredikant naar hetzelfde gebied gegaan. Was het u al duidelijk dat het zo zou gaan? „Ik preekte tijdens die eerste periode een keer aan de overkant van de rivier. Na de dienst kwamen drie jonge moeders naar mij toe, die zeiden: „Moet u hier geen zendeling worden?” Dat trof me, want ik heb van kinds af gevraagd of ik Gods knecht mocht worden. Toen heb ik dat ’s avonds ook tegen de Heere gezegd: „Als U mij roept tot het ambt, dan zal ik hier gaan arbeiden.” Dus ik deed eigenlijk een stille belofte.

Een oud-gemeentelid van u zei dat u, toen u net van het zendingsveld kwam, wat frisser en onbekommerder preekte dan tegenwoordig. Dat u nu meer in de Gereformeerde Gemeenten ingekapseld bent geraakt. Herkent u die analyse? „Nee. Dat ik misschien bepaalde accenten ben gaan leggen, dat is niet zozeer het gevolg van de Gereformeerde Gemeenten of van mijn werk voor de Theologische School, maar van allerlei ontwikkelingen in de gemeente waar je mee te maken krijgt en waar je je zorgen over maakt.”

Enkele jaren later, toen de Heere de weg tot het ambt geopend had en de studie in Rotterdam voltooid was, kwam dat heel krachtig terug: dat ik die belofte gedaan had. Het eerste beroep dat ik kreeg, was van Nunspeet, ten behoeve van de zending in Izi (een gebied in Nigeria, CK). Daar heb ik een nacht mee geworsteld: moet ik echt naar dat arme gebied? Ik zat in de Bijbel te lezen en kwam uit bij 2 Korinthe 8, waar staat: „Want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was.” Met die woorden heeft de Heere mijn hart ingewonnen, overwonnen. Hij alleen is waarlijk arm geworden. Ik heb het werk met veel vreugde en liefde mogen doen. Het drukken van de voetstappen van Christus is altijd zegenrijk.”

Welke accenten bent u gaan leggen? „Kijk, de Gereformeerde Gemeenten willen kerk zijn in de lijn van Calvijn en de gereformeerde vaderen. Die koers is door ds. G.H. Kersten meteen ingezet. Toen ik in de jaren 80 op de universiteit in Utrecht theologie studeerde, werd mij door hervormde medestudenten verteld dat zij in de lijn van Calvijn stonden, en de Gereformeerde Gemeenten en andere afgescheiden kerken in de lijn van de nadere reformatoren. Bij hen zou het gaan om geloof, bij ons om gevoel. Vanwege de confrontatie met die visie ben ik me daarin gaan verdiepen, of de

14

Nadere Reformatie daadwerkelijk een afbuiging is van de Reformatie. Dat is een gedachte die in de 20e eeuw door veel bekende theologen werd omarmd, maar niet klopt. Die visie heeft inmiddels ook een correctie gekregen, onder anderen door de Amerikaanse theoloog Richard A. Muller. Hij heeft aangetoond dat er juist wel continuïteit is tussen Calvijn en de latere calvinisten, de gereformeerde orthodoxie. Dus, de accenten die Calvijn en de nadere reformatoren samen leggen, daar probeer ik in de prediking en het theologisch onderwijs aan de Boezemsingel ook alle aandacht aan te geven.” Maar, wat zijn die accenten dan volgens u? „Calvijn plaatste in zijn prediking de mens voor Gods rechterstoel – dat staat heel helder in zijn ”Institutie”, hoofdstuk 12 van boek 3. Luther deed dat ook, maar met andere woorden: coram Deo, voor Gods aangezicht. De grote Lutherkenner prof. J.T. Bakker noemde dat zelfs het middelpunt van zijn theologie. De mens vindt alleen een genadig God als hij voor God leert buigen en zijn schuldige armoede belijdt. In die weg zal hij uit genade verstaan dat een Ander gebogen heeft tot zijn behoud. Dit is een belangrijke notie van de klassiek gereformeerde boodschap; dat berouw en geloof onlosmakelijk bij

Het zal ook de nodige moeiten met zich meegebracht hebben? „Natuurlijk, zendingswerk is altijd moeilijk. Maar, in de periode dat ik daar was, groeiden de kerken. Vooral de jeugd trad massaal toe; zij zagen de hopeloosheid van de heidense leefwijze. Er waren ook teleurstellingen, maar het was een gezegende tijd.” In 2000 werd u gemeentepredikant, in Gouda. Daar kwam u vers van het zendingsveld binnen, 24 jaar later ging u er weg als rector van de Theologische School, de predikantsopleiding van de Gereformeerde Gemeenten. Bent u in die tijd veranderd? „Nee. Ik ben van huis uit bij de vaderen opgevoed. En de geschriften van reformatoren en nadere reformatoren zijn voor mij altijd een bron gebleven.

In de tuin van de pastorie in Benthuizen. beeld Cees van der Wal


De Dominee

elkaar horen. Als dat niet meer doorklinkt in de prediking, als we niet meer beven voor Gods Woord en wet, dan verstaan we ook niet de noodzaak van verzoening door voldoening. En dan wankelt ook de christelijke zede.” Behalve uw opa, passeert in uw preken af en toe ook „een oude predikant die vroeger weleens bij ons kwam”. Dat is naar verluidt ds. R. Kok, een oudoom van u. Niet de meest onbesproken naam… „Ja, dat klopt, maar ik had respect voor mijn oudoom. Je kon hem niet ontmoeten, of hij vroeg of het goed was op reis naar de eeuwigheid. Het was een heel directe man. En een godvrezende man, een pelgrim. Ja, het was een persoonlijkheid. En ds. G.H. Kersten ook. Dat botste weleens, en dan ga je weleens te ver. Ik denk dat mijn oudoom het iets genuanceerder had moeten zeggen allemaal. Maar dat neemt niet weg dat ik echt achting voor hem had.”

saamhorigheid, dat was bemoedigend. Ik geloof dat het gezamenlijk bestuderen van het gereformeerde erfgoed de eenheid van de kerken dient.” Hoe kijkt u naar de kerkelijke kaart in Nederland? „Prof. H.J. Selderhuis heeft gezegd: We moeten het kerkelijk leven herkavelen. Hij ziet twee grote stromen. Die zie ik ook. Je zou ze kunnen illustreren aan de hand van twee predikers uit de vorige eeuw. De ene stroom staat in de lijn van de hervormde ds. I. Kievit, de auteur van het boekje ”Tweeërlei kinderen des verbonds”. Met degenen die tot deze stroom behoren, voel ik me verbonden, over kerkmuren heen. De andere stroom staat in de lijn van de invloedrijke theoloog J.G. Woelderink, die de hele gemeente als kinderen des verbonds zag, zonder onderscheid. Als je zo denkt, verdwijnt de ernst uit de prediking. Dan is er geen onderscheid meer tussen tijdgeloof en waar geloof, zoals Christus daarover sprak in de gelijkenis van de zaaier.” Zoekt u naar institutionele eenheid? „Niet in eerste instantie. Kerkelijke eenheid is geen institutionele eenheid, maar geestelijke eenheid. Daar moeten we naar zoeken, dat is onze roeping.

In de studeerkamer. beeld Cees van der Wal

Hoe denkt u over kerkelijke eenheid? „Het gezamenlijk bewaren van het gereformeerd belijden in de kerken van Nederland houdt mij erg bezig. Op dat punt er is vandaag veel in beweging, denk alleen al aan de discussies over het verstaan van de Dordtse Leerregels. Daar maak ik me zorgen om. Ter wille van de interne eenheid in onze eigen gemeenten, waar deze ontwikkelingen ook spelen, hebben wij in classisverband bijeenkomsten belegd voor ambtsdragers. Tijdens deze avonden bespraken we onder andere de gereformeerde heilsorde aan de hand van ”Een gouden keten” van William Perkins. In dit prachtige 16e-eeuwse geschrift komen de overtuiging door de wet en de toeleiding tot Christus helder naar voren. Tijdens de bijeenkomsten was er sprake van grote

Maar, wij weten niet hoe het zal gaan. De wereld ziet er wankel en zorgelijk uit. Misschien komen er al gauw uren van nood waarin we elkaar hard nodig hebben, dat weet ik niet.” In 2020 werd u rector aan de Theologische School. Hoe was het voor u om als leerling van ds. A. Moerkerken op zijn rectorsstoel te gaan zitten? „Ik ben altijd leerling gebleven, en hij is altijd de leermeester gebleven. Hij kwam af en toe nog op school kijken, ook toen hij ziek was. Ik herinner me dat ik tijdens zo’n ontmoeting eens naast hem zat. Toen zei hij tegen me: „Zeg jij eens de vijf punten van het calvinisme op.” En ja, als dat zo plots op je afkomt, dan moet je toch wel even denken. De eerste wist ik. „Nu moet u de tweede zeggen”, zei ik. Samen kwamen we eruit. Maar de studenten hebben daar natuurlijk zitten gnuiven. We voelden allemaal: hij blijft de leermeester. Maar hij werd nooit groot. Hij had altijd iets van voorzichtige zelfspot, hij bleef klein.”

15

Als rector zat u op het pluche. Heeft u dat ooit zo ervaren? „Nee, als rector ben je dienaar van de dienaren. Je krijgt te maken met alle aspecten van het schoolleven. Dat betreft het welzijn van de studenten, maar vanzelf ook het lesprogramma van de Theologische School. Wat die lessen betreft, vond ik het belangrijk om de studenten een grondige inleiding in de Bijbelboeken te geven, en ze te leren de Bijbeltekst goed te lezen. Verder krijg je als rector vaak het verzoek om artikelen te schrijven over actuele kwesties. Dat vraagt veel tijd en bezinning. Het is gewoon hard doorwerken.” U durft tegenstellingen te benoemen, zegt dingen die door sommigen als confronterend worden ervaren. U krijgt daarom ook kritiek. Kunt u daarmee omgaan? „Ja hoor. Ik kreeg in Gouda na verloop van tijd best wel vragen over mijn prediking. Vooral over het feit dat ik eraan vasthoud dat berouw en geloof onlosmakelijk bij elkaar horen. Daar kwam gaandeweg kritiek op. Ik ben altijd met gemeenteleden in gesprek gegaan en vroeg ze dan: „Leg eens uit wat je bedoelt.” Want, ík hoef geen gelijk te hebben, maar wij moeten samen het gelijk van het Woord vinden. Meestal lazen we samen Psalm 130 of het wachtwoord der hervormers van Robert Murray M’Cheyne. Daarin staat helder verwoord wat ik in de prediking bedoelde.” Heeft u een goede tijd gehad in Gouda? „Zeker. Ik raakte zeer verbonden met de gemeente. Met ouderen en gezinnen. En met de jeugd, waarmee vooral de belijdeniscatechese en preekbesprekingen waardevol waren.

Ds. Clements geeft de vakken Bijbelkunde en apologetiek. beeld Cees van der Wal


De Dominee

We mochten ook een nieuw kerkgebouw betrekken, omdat de gemeente groeide. Daarnaast is er altijd goed met me meegedacht in drukke tijden. Toen ik docent op de Theologische School werd, heeft de kerkenraad een pastoraal werker aangesteld, zodat ik tijd overhield voor preek- en lesvoorbereiding. Dat hebben ze heel goed gedaan, daar ben ik dankbaar voor.” Nog even over die kritiek: wie levert u de meest ongezouten kritiek? Uw zus, die bij u in de pastorie woont? „Cora is een theologe, en ze geeft wel kritiek, maar niet ongezouten. Ze doet het vriendelijk en betrokken. Ze kent de commentaren van Calvijn goed, dus in de nabespreking van mijn preken haalt ze die er nogal eens bij. Dat is leerzaam.” Hoe is het ongehuwd zijn voor u? „O ja, die vraag had ik wel verwacht. Hij werd mij ook eens gesteld door de aartsbisschop van Utrecht, kardinaal Simonis. Die man kwam een keer bij een open dag van de kerk in Gouda. De consistorie zat vol met gemeenteleden, en de kardinaal zat naast mij. Ik merkte dat het gesprek aanvankelijk niet wilde vlotten. Dus ik dacht: ik moet iets zeggen waardoor hij zich meer op zijn gemak voelt. Ik zei: „Kardinaal, ik ben in dezelfde staat des levens als u.” En inderdaad, dat vond hij wel mooi. Hij vroeg: „Hoe beleeft u het celibaat?” Je

16

Volgens diezelfde oud-student hebt u wel boeken in de kast staan, maar leest u het meeste vanaf uw scherm. „Dat klopt. Ik ben geabonneerd op een Engelstalige theologische boekhandel, waarmee je alle boeken als e-book krijgt. En dat vind ik fijner dan fysieke boeken, want je kunt er makkelijk in zoeken. Ik vind het lastig om ze dan uit de kast te halen, open te leggen op m’n bureau, en dan steeds heen en weer te kijken... Nee, ik vind een e-book echt fijner, organisatorisch.”

„Dat ik eraan vasthoud dat berouw en geloof onlosmakelijk bij elkaar horen, daar kwam gaandeweg kritiek op”

begrijpt dat mijn gemeenteleden op het puntje van de stoel gingen zitten. Maar ik zei heel eenvoudig: „Ik heb er geen moeite mee, kardinaal.” En wat ik toen nog het meest ontroerend vond, was zijn reactie: „Ik wel. Toen ik jong was mocht ik kiezen voor de kerk en heb ik een innerlijke strijd moeten voeren om ongetrouwd te blijven. Nu ben ik oud, zit in een klooster en vi het heel eenzaam.” Aangrijpend! Maar goed, mijn antwoord op je vraag is dus: ik heb er geen moeite mee.” Een oud-student van u zegt dat u veel gebruikmaakt van digitale middelen. Hoe kijkt u tegen moderne technologie aan? „Daar denk ik over zoals Isaäc da Costa dacht over de boekdrukkunst: het is een stap naar de hemel en een stap naar de hel. Dat geldt ook voor digitale middelen. We moeten, naar de doopbelofte, leren ons en onze kinderen af te schermen van alle boosheid die door deze kanalen stroomt.”

Lees 2 artikelen gratis

Binnenkort wordt u 70 en moet u stoppen als rector van de Theologische School. Wat gaat u het meest missen? „In de eerste plaats het contact met de studenten, de gesprekken en de gezamenlijke bestudering van de Bijbel en de bronnen. En natuurlijk ook de broederlijkheid. Als docenten eten we altijd samen, dan bespreken we de dingen van het kerkelijk leven. En we bevragen elkaar hoe we er instaan, ook persoonlijk. Ja, dat ga ik erg missen. Maar als predikant ben ik er allereerst voor mijn gemeente. Sinds augustus vorig jaar is dat de gemeente van Benthuizen, waar ik me inmiddels echt thuis voel. De preken en het pastoraat, daar ligt vanaf nu weer mijn voornaamste roeping.”

rd.nl/2-artikelen-gratis


De Dominee

17

Ds. Maarten Post moest verder na het overlijden van zijn vrouw: „Gerdien is in de eeuwigheid en ik sjouw wat door de tijd” Ds. Maarten Post kende in zijn leven dieptepunten. Zij brachten hem aan het wankelen, maar dát is verleden tijd. De emeritus predikant woont nu met zijn vrouw Alien in Dronten. beeld Niek Stam

Eunice Hoekman-van Stuijvenberg

De hervormde emeritus predikant ds. M.A. (Maarten) Post kende in zijn leven momenten waarop hij zich het liefst had laten zakken in het zwarte water van de Noordzee. Hoewel hij wat wankel blijft, zijn díé momenten verleden tijd. De predikant vond weer grond onder de voeten. Of, zoals hij het zelf op z’n Amsterdams zegt: „Ik ben echt gematst.” „Mag mijn vrouw Alientje er ook bij zijn?” vraagt hij, als hij telefonisch wordt gevraagd een interview te geven. „Want zij heeft mij gered, weet je.” Ds. M.A. Post leunt op zijn vrouw. Voor en na het gesprek in hun hoekwoning in Dronten grijpt hij vaak haar hand vast. Alien was Maartens redding toen zijn eerste vrouw, Gerdien Post-Dankers, dochter van oud-marineman Marinus Dankers uit Den Helder, 36 jaar geleden verongelukte in Haïti. Na het ongeluk nam Alien de zorg op zich voor de drie kinderen die zonder moeder verder moesten. In 1990 trouwde ze met Maarten. Uit hun huwelijk werden ook drie kinderen geboren. Het stel laat een foto zien waarop de zes volwassen kinderen gearmd de lens in kijken. „Wat ik zo mooi vind”, zegt Alien, „is dat ze niet twee aparte

clubjes van drie vormen. Ze hebben onderling een goede band. En hoewel ze verschillende moeders hebben, lijken ze uiterlijk gezien erg op elkaar, zie je dat?” Ds. Post praat over zijn leven op zijn eigen, kenmerkende manier. Een beetje platgeslagen soms. In een typisch Amsterdams accent. Zachte bewoordingen kiezend als hij over anderen praat, ongenadig als hij vindt dat hijzelf gefaald heeft. Zijn vrouw noemt hij consequent „Alientje”. Maarten Albert Post groeide op in Den Helder, in een gemeenschap van voormalige Urker vissers. Zijn eigen grootvader was ooit van Urk naar Den Helder getrokken. ’s Zondags kerkte het gezin twee keer in de plaatselijke oud gereformeerde gemeente. ’s Zondagsavonds bezochten ze bovendien

het zaaltje van het Leger des Heils, de plek waar opoe vaak kwam. „Bij de oud gereformeerden begreep je niets”, blikt ds. Post terug. „Al maakte je deel uit van wat er gebeurde. Maar bij het Leger des Heils ging het over schuldvergeving. De meeste heilssoldaten zaten op het podium, met die tuba’s en zo, en de stakkers zaten in de zaal.” Hij vertelt dat ze zongen: „Bijna bewogen! broeder besluit! Bijna getrokken! neen, stel niet uit!” Dat er ook dronken mensen kwamen. Hoe de aanwezigen werden uitgenodigd om te komen tot de zondaarsbank, om hun schuld te belijden. De voorganger, broeder Van Liere, zocht Maarten en zijn broer op zaterdagavond op in de stad. „„Kom, het is tijd, dan breng ik je thuis”, zei hij dan. Op zaterdagavond zopen we veel bier. Dat


De Dominee

was de visserscultuur in Den Helder. Er werd veel gedronken en ook gebruikt. Mijn vrienden rookten hasj, gebruikten lsd, heroïne. Ik heb nooit gebruikt. Dat deed je niet, want wij waren vissers. Wij zopen.” Op een avond wordt Maarten opgewacht door Gerdien Dankers. Ze krijgen verkering en zitten vanaf dat moment samen in de kerk. Later volgt er een huwelijk. „Ik had de neiging alles van haar te accepteren”, zegt hij terugkijkend. „Dat heeft te maken met mijn autoritaire opvoeding, denk ik. Mijn moeder zei: „Maarten gaat niet naar zee.” Mijn vader voegde eraan toe: „Hij wordt elektricien.” Dus ik ging naar de lts.” Had u zelf niets in te brengen? „Ik kwam niet op het idee om te zeggen wat ik zelf wilde. Misschien heeft het ermee te maken dat ik altijd zoek naar wie ik ben. In elk geval was ik vroeger meegaand. Ik trouwde met een vrouw die precies wist hoe het allemaal moest. Zij stelde voor mij de norm en daar was ik heel dankbaar voor, want ik wist niet welke keuzes ik moest maken. Door haar zegde ik uiteindelijk mijn baan als elektricien op en koos ik voor de verpleging.” Paste die keuze bij u? „Nee, ik ben niet echt een verpleegkundige. Ik kan er ook niet tegen.”

Kunt u niet tegen bloed? „Ik kon niet omgaan met de ellende die ik zag. Later heb ik toch maar de opleiding psychiatrie gedaan. De theorie was interessant, maar mensen schokken je ook weer omdat ze suïcide plegen, ondanks de afspraken die ze met je maken. Een mens is verborgen. Je kunt hem niet kennen.” Wilde u gebutste mensen helpen? „Mensen zijn niet te helpen. Dat heb ik wel geprobeerd. Mijn hele leven probeerde ik mensen te helpen.” „Bij sommigen is dat wel gelukt, hoor Maarten”, zegt Alien, die aan de eettafel zit en af en toe de neiging tot zelfverwijt van haar man relativeert. Ds. Post: „Ja, denk je?” Alien: „Weet je nog van Kees?” Maarten: „O ja, de buurman. Die liep helemaal vast en zei: „Maarten, je moet met me praten.” Na het gesprek was hij helemaal veranderd. Dat heb ik nog nooit meegemaakt. Mijn broer was hulpvaardig. Hij bracht vroeger een kokmeeuw mee naar huis. Met een gebroken pootje of zo. En als kinderen Simon pestten, een kind met een waterhoofd, dan beschermde hij hem. Dat nam ik van hem over. Ik liep met Simon mee naar huis om te voorkomen dat kinderen lelijke dingen tegen hem zeiden.”

Ds. Post heeft naar eigen zeggen veel aan zijn tweede vrouw Alien. „Zij heeft mij gered.” beeld Niek Stam

18

Maarten Post Maarten Post (1955) groeit op in Den Helder. Hij leert voor elektricien en na de A-verpleging voor psychiatrisch verpleegkundige. Samen met zijn vrouw Gerdien Post-Dankers vertrekt hij eind 1983 voor Woord en Daad naar Haïti. Als Gerdien bij een auto-ongeluk om het leven komt, keert Post met zijn drie kinderen terug naar Nederland. Hij hertrouwt met Gerdiens nicht Alien en krijgt ook met haar drie kinderen. Post werkt bij verschillende zorginstellingen, waaronder De Hoop in Dordrecht. Na een hbo-studie theologie is hij geruime tijd kerkelijk werker in Hasselt. Intussen studeert hij theologie in Kampen. Van 2014 tot 2021 is ds. Post als predikant verbonden aan de hervormde gemeente van Stavenisse. Na zijn emeritaat in 2021 verhuizen hij en Alien naar Dronten. Ze leven mee met de hervormde gemeente in Lelystad, waar ds. Post ouderling is en catechisatie geeft.

Dan was u net zo hulpvaardig als uw broer, toch? Ds. Post: „Ach ja, ik weet niet of ik zo’n barmhartige figuur ben. Het is gemixt in mij. Ik ging wel in de A-verpleging, maar volgens mij hebben die mensen niets aan mij gehad. Terwijl er verschrikkelijk lijden was. Ze overleden onverwacht. Een man met een niervergiftiging hielp ik met eten. Hij stierf onder mijn handen. Tijdens de nachtdienst zorgde ik voor een mevrouw met leukemie. Ze had zweetaanvallen. Ik gaf haar steeds een schoon nachthemd en nieuwe lakens. We praatten wel met elkaar, maar tot een dieper gesprek kwam het niet. Ik vond het zo erg dat ik mensen niet werkelijk kon bereiken. Daarom ben ik dominee geworden. In de hoop dat dat iets zou helpen.” U ging theologie studeren om op een dieper niveau met mensen te kunnen praten? „Misschien was het inderdaad de zoektocht naar wat je zou kunnen zeggen om werkelijk te helpen. Ik heb met mijn gezin in Haïti gewoond. Gerdien en ik werkten er voor Woord en Daad in de gezondheidszorg. Maar de dood en de hopeloosheid maakten je machteloos.”


De Dominee

De dood kwam dichtbij toen uw vrouw in Haïti overleed. Wat gebeurde er met haar? „Ze had samen met haar ome Koos Dankers, secretaris voor Woord en Daad, een busreis georganiseerd voor mensen die hun sponsorkind wilden bezoeken. ’s Morgens nam ik afscheid van haar. Het gezelschap zou een paar dagen wegblijven. Gerdien stapte bij iemand in de auto die achter de bus aan zou rijden. De auto raakte van de weg, de chauffeur sprong eruit en Gerdien stortte naar beneden.” Hoe kwam u het te weten? „Het gebeurde tussen Gonaïves en Cap-Haïtien. Er werd gebeld naar Portau-Prince. ’s Avonds stonden er twee bekenden bij mij aan de deur. Het was een uur of elf, denk ik. Ik geloofde het nieuws niet en belde met ome Koos. Die zei: „Het is echt waar.” En toen kwam eigenlijk de pijn in mij.” Post staat op en loopt de kamer uit. „Ik ga even een potje janken.” „Hij vindt het nog steeds moeilijk om erover te praten”, zegt Alien, die een dochter is van de inmiddels overleden Koos Dankers en dus een nicht van Maartens eerste vrouw, Gerdien. „Waar waren we gebleven?” vraagt Post als hij weer op de bank zit. „O ja, bij die pijn. Die was heftig hoor. Ik ging in de Bijbel kijken of daarin misschien iets voor mij stond. Een verklaring of zo. Maar in de Bijbel stond helemaal niks. Helemaal geen woord voor mij. Die nacht ben ik opgebleven, want ik moest de kinderen vertellen dat ze geen moeder meer hadden. Dat is het moeilijkste wat ik ooit gedaan heb. Zij geloofden het ook niet.” Met schorre stem: „Ik moest haar identificeren. Ze was helemaal stuk. Haar lichaam werd gebalsemd. Ik ging terug naar Holland om voor de kinderen te zorgen.”

„Ik liep huilend over de afdeling terwijl ik geen idee had waarom ik huilde”

19

Hoe ging dat, praktisch gezien? „Je moet je kinderen begeleiden terwijl je eigenlijk je handen vol hebt aan jezelf. Annet was 10, Jacomijn 7 en Tiemen 3 jaar. Je moet die kleintjes verzorgen, hun haartjes invlechten. Ja, hoe ging dat? Alientje kwam helpen met de kinderen. Zij begon over rouwverwerking. Daar had ik nog nooit over nagedacht. Als predikant heb ik later talloze rouwbezoeken afgelegd bij mensen. Bij mij kwam de kerk niet.” Hoe kon dat gebeuren? „Weet ik niet… Mijn atheïstische vriend ging elke week met mij rennen. Hij zorgde er ook voor dat ik een baan kreeg als psychiatrisch verpleegkundige in Den Helder. Daar liep ik huilend over de afdeling terwijl ik geen idee had waarom ik huilde. Dat heeft lang geduurd. Een jaar of tien ben ik niet normaal geweest. Ik weet niet of een rouwproces sneller kan gaan.” Het ongeluk gebeurde 36 jaar geleden. U spreekt erover alsof het gisteren was. „Haïti is ver weg en dichtbij. We zijn er later nog twee keer geweest omdat onze zoon Kobus zes jaar in Haïti heeft gewerkt.” U ging dus terug naar die beladen plek. Hoe was dat? „Ik kon dat toch niet bij mijn gevoel krijgen. De gebeurtenissen kwamen ook niet terug of zo, nee. Het is echt voorbij. Gerdien is in de eeuwigheid en ik sjouw wat door in de tijd, zal ik maar zeggen.” Ondanks alles grinnikt hij om zichzelf. Een bekende van u zei: Ik denk dat Maarten geworsteld heeft met God. „Ik zocht naar nabijheid. Na het einde van mijn dienstverband op de psychiatrische afdeling in Den Helder werkte ik bij Stichting De Hoop en in het Delta Psychiatrisch Centrum in Poortugaal. Halverwege die periode kwamen de gebeurtenissen in Haïti in alle heftigheid terug. Mijn lafheid en mijn falen. Dat ik… nou ja, niemand heb kunnen redden. Mijn vrouw niet. Anderen niet. In Haïti gingen we eens naar een kliniek in Bassin, in een auto vol met verpleegkundigen. Dokter Celestin zat naast me. Baby Doc (voormalige president van Haïti, EHvS) was weg en er vonden allerlei afrekeningen plaats met TonTon Macoutes, het privéleger van deze dictator. Ze waren bezig met een afrekening, voor ons op de straat. Een man

In Haïti verloor ds. Post zijn vrouw, Gerdien Dankers, bij een ongeval. beeld Niek Stam

lag daar kapot te gaan, hij schokte met zijn armen en benen. Aan weerszijden stonden mensen. Ik wist dat ik moest stoppen en uitstappen en die man helpen. Je kunt niet zomaar iemand laten doodmaken. Dus ik remde af. Maar de anderen werden gek. Celestin riep: „Allez, allez, doorrijden!” Ik reed zo door. Want, dacht ik, ik heb een gezin. Ik ben te laf geweest om mezelf ervoor over te hebben.” Vertwijfeld: „Of was dat juist verstandig?” Er klinkt zelfverwijt door in uw woorden. „Ik denk dat ik gefaald heb. Fietsend naar mijn werk in Poortugaal dacht ik: je moet ermee uitscheiden, met dat getob. Je krijgt het niet voor elkaar. Toen heb ik me neergebogen voor het kruis, daar ergens in de bosjes langs de weg. Dat is wel een omslagmoment geweest in mijn leven. Jezus heeft het allemaal gedragen. De schuld was weggenomen.” Was dat bevrijdend? „Zeer. Ja. Zeer. Niet dat het nooit meer terugkomt. Maar aan het kruis… daar is het gebeurd, zegt Kohlbrugge. Als God ergens is, dan is het daar. Maar als je me in de crisis had gevraagd waar God was, had ik het niet geweten. Achteraf gezien ben ik ongelooflijk gematst. Hij heeft mij Alientje gegeven. Zij is heel geduldig en lief en stabiel. God heeft me iedere keer boven water gehaald. Bijna letterlijk, want ik was suïcidaal toen ik terugkwam uit Haïti. Bij momenten wilde ik me laten zakken in de Noordzee. Maar Hij heeft me iedere keer kracht gegeven om de was in de machine te stoppen, te praten met iedereen, mijn werk te doen. Dat is wel wonderlijk toch, achteraf?”


De Dominee

Hoe heeft Alien u gered? „Ze luisterde naar me. We hebben veel gepraat met elkaar. Als je weduwnaar bent, komen er allerlei dames op bezoek. Die willen… ik weet niet wat ze willen, maar in ieder geval niet je kinderen. Maar Alientje kwam helpen met de kinderen en zij luisterde naar me. Dat was gewoon heel leuk. Er kwam weer leven. En ze is heel gelovig.” Vertel eens… „Ik heb mij gelaafd aan haar eenvoudige godsvertrouwen. Zij komt uit de Gereformeerde Gemeenten. Die lui hebben een tekstje, hoe mooi is dat. En dat tekstje wordt dan nog eens bevestigd en zo. Mijn leven is altijd verscheurd geweest. In mijn jeugd al werden de vragen te groot. Ik weet niet hoe andere dominees het oplossen, dat vraagstuk van de tyrannosaurus, of die nu bestaan heeft of niet. En hoe groot die tanden zijn en wat voor wereld dat geweest is. En Wie God toen was. Kun je al die vragen tegenhouden? Kun je je wereld zo klein maken als je kerkje? Als je een nacht met Haïtianen gedanst hebt in Môle-Saint-Nicolas, ja, dan wordt het anders. Op dat moment ervoer ik geloof, blijdschap en overgave.” Wat gebeurde er met die grote vragen? „Ik ben lid geworden van de Gereformeerde Bond, juist om in een bubbeltje te kruipen. Voor die veiligheid, die kleinheid. Het is in de wereld te wild en te onoverzichtelijk. God wil ook klein zijn, in al Zijn grootheid.” U groeide op in oud gereformeerde kring en preekt nu soms in protestants Dronten. Dat zijn heel verschillende kerkelijke culturen. „Met Gerdien kerkte ik eerder al in de Noorderkerk in Amsterdam. Omdat Alientje lid was van de Gereformeerde Gemeenten, sloten wij ons na ons trouwen aan bij dit kerkverband. Ik studeerde toen al godsdienst pastoraal

20

werk aan de Christelijke Hogeschool Ede en had kritiek op de leeruitspraak dat het verbond beheerst wordt door de verkiezing. Ik schreef een stukje over Calvijn, over de toe-eigening van het heil, en legde dat voor aan de kerkenraad. Iedere keer dat je Christus vastgrijpt, wordt je geloof bevestigd, schreef ik. Maar zo was het niet, zeiden de broeders. Het geloof moet van de andere kant komen. Een van de kerkenraadsleden, een heel lieve man, zei: „Maarten, wordt maar gewoon weer hervormd joh.” In de jaren die volgen, is Post eerst kerkelijk werker in Hasselt en later gemeentepredikant in de hervormde gemeente van Stavenisse. Na zijn emeritaat in 2021 verhuizen hij en Alien naar Dronten. Ze leven mee met de hervormde gemeente in Lelystad, waar ds. Post ouderling is en catechisatie geeft. Ook gaat hij nog voor. Preekt u waar u wordt gevraagd? „Ik preek alléén waar ik word gevraagd. Ik doe geen enkele moeite om ergens te preken. Dat komt voort uit het gevoel dat ze geen behoefte aan me hebben.” Dus u bent blij dat er een vraag is, want dan is er plek voor u. „Ja, zo is het. Ik wil geen ruimte voor mezelf creëren of mezelf promoten.” Dat is een rode draad in dit gesprek. Terwijl u een grote plek lijkt te hebben in de harten van mensen om u heen. Het blijft even stil. Dan: „Dat is wel zo. Ja, mijn gezin houdt van mij. En de jongens van catechisatie vinden me leuk. En Alientje vindt me leuk.” Alien lacht: „Nog stééds, kun je nagaan.” Post: „Ja, geaccepteerd worden is wel een belangrijk ding voor mij.”

Lees 2 artikelen gratis

Hoe is dat hier in Dronten? Heeft u veel burencontacten? „Ik praat met iedereen, ja. Ik veeg altijd rondom het huis. En ik knip de heg. Er komen studenten langs. Of mensen met hondjes. Ja, ik neem graag de tijd voor een praatje. Ook in de trein, of waar dan ook. Dat keek ik af van mijn vader. ’s Zondagsmorgens gingen we om zes uur uit bed. Na het ontbijt wandelden we door Den Helder. Mijn vader sprak iedereen aan over God. Altijd.” Die vrijmoedigheid heeft u van geen vreemde dus. „Hij is zelf ook aan zijn zonde ontdekt, laat ik het zo maar eens zeggen. Ik ben pas gedoopt toen ik een jaar of zes was. Toen kreeg ik een psalmboek waarin mijn dooptekst stond. „En roept Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen en gij zult Mij eren.” Dat heb ik vaak gedaan hoor, als ik in de nood was. In Haïti zongen we: „Ja, neem alles Heer, in Uw handen geef ik alles over.” Met een vrolijk hart hè. Maar daarna heb ik het niet meer gezongen. Dus ja, worstelen met God, dat was het misschien toch wel. Pas sprak ik met vijftienplussers over vergeving. Allemaal zochten ze een tekst op in de Bijbel. Ook de tekst over zeventig keer zeven keer vergeven. Ik vroeg me af: Geloof jij dat echt, Maarten? Je gaat maar door met zondigen. Ja, die oud gereformeerde twijfel is nog wel aanwezig. Die raak ik misschien niet meer kwijt.” Als het interview ten einde loopt, zegt ds. Post: „Ik heb misschien te weinig laten zien hoe gelukkig ik eigenlijk ben. God zorgde altijd heel goed voor mij. Ook hier in Dronten kregen we een veilig plekje en een rustig bestaan. Ja, ik ben ongelooflijk gematst.”

rd.nl/2-artikelen-gratis


De Dominee

21

Ds. Nicodemus Ude overleede kidnap en moordaanslag, maar kan niet terug naar Nigeria Ds. Nicodemus Ude: „Als het Gods wil is dat ik na veertig jaar werk in de Nigeria Reformed Church stop, dan is het goed.” beeld Cees van der Wal

Kees van den Brink

Op wonderlijke wijze ontsnapte hij aan een ontvoering en een moordaanslag. Terug naar zijn gemeente en zijn leerlingen kan de Nigeriaanse predikant en schooldirecteur ds. Nicodemus Ude (60) nu niet. Welk pad voorligt, is onbekend. „Ik zou graag nog een poosje in de kerk werken, maar de Heere weet wat goed is.”

Een tweekapper aan de zuidrand van Dordrecht, eigendom van een echtpaar dat voor een tijdje in het buitenland verblijft, is het tijdelijke Nederlandse verblijf van de familie Ude. „Op een wonderlijke manier is in onze woonruimte voorzien”, zegt predikantsvrouw Marieke Ude-den Hollander, afkomstig uit het Zeeuwse Aagtekerke. Ze leerde haar man kennen toen ze in het Nigeriaanse Izi-gebied werkte als onderwijsondersteuner voor Zending Gereformeerde Gemeenten (ZGG). Op de grijze decemberochtend van het interview ijsbeert ds. Ude, predikant in de uit het werk van ZGG voortgekomen Nigeria Reformed Church (NRC), door de woonkamer. Het Reformatorisch Dagblad kent hij een beetje, via zijn vrouw. Vóór het digitale tijdperk kwam er elke maand via DHL een pakket uitgeknipte voorpagina’s van

de afgelopen maand naar de Nigeriaanse zendingswerkers toe. Op de achterkant, pagina 2, stond toen nog het volledige kerknieuws. Zo bleef het team op de hoogte van de belangrijkste gebeurtenissen in Nederland. Toen het jaar 2024 begon, was het niet de bedoeling dat het echtpaar de volgende jaarwisseling in Dordrecht zou doorbrengen. Maar op 19 januari van dat jaar pleegden misdadigers bij hem thuis een aanslag op zijn leven. Tevergeefs. Uit een kast pakt Marieke Ude een laptop: een kogelgat van bijna een centimeter doorsnee gaapt in het scherm. De aanvallers schoten vanaf buiten en zagen blijkbaar niet dat ds. Ude op dat moment niet achter zijn bureau zat. Negen maanden eerder was hij al ontvoerd. Hij kwam vrij en bleef op

zijn post, hoewel de politie dat afraadde. Dat deden de agenten opnieuw, dringend, na de moordaanslag. Terugkeer naar huis was geen optie meer. De reeds geplande promotie van ds. Ude aan de Ebonyi State University in Nigeria ging nog wel door. Acht jaar onderzoek naar de belofte van het nieuwe verbond uit Jeremia 31:31-34 werd in maart bekroond met de graad van doctor in de theologie. Zijn vrouw vertrok na de aanslag naar Nederland en geeft inmiddels godsdienstlessen op het Hoornbeeck College. Ds. Ude zelf kwam later vorig jaar hierheen met een tijdelijk bezoekersvisum, na op verschillende andere plaatsen te hebben verbleven. De ontvoering en de aanslag, evenals dat hij zich vanwege blijvende dreiging steeds moest verschuilen, schokten ds. Ude


De Dominee

Ds. Nicodemus Ude Nicodemus Ibyina Ude wordt, waarschijnlijk in 1964, geboren in het Izi-stamgebied in Nigeria. Vanaf 1980 bezoekt hij de Bijbelschool van Zending Gereformeerde Gemeenten. Van 1984 tot 1994 werkt hij mee aan de vertaling van het Oude Testament in de Izi-taal. In 1996 wordt Ude toegelaten tot de predikantsopleiding van de Nigeria Reformed Church (NRC). Als predikant dient hij de gemeenten van Abakaliki (2001), Onuenyim Agbaja (2004), Igweledoha (2007) en Edupfuegbu (2020). Ds. Nicodemus Ibyina Ude. beeld Cees van Van 1994 tot 1996, van 2003 tot der Wal 2009 en van 2015 tot 2024 is ds. Ude directeur van de John Calvin Secondary School van de NRC in Oswanka. In maart 2024 promoveert hij. Vanwege een ontvoering en een aanslag op zijn leven legt hij zijn functies in Nigeria eind dat jaar neer. In 1995 trouwt Ude met Marieke den Hollander uit Aagtekerke. Samen krijgen ze vier kinderen, die vanwege studie en werk in Nederland zijn gaan wonen.

zo dat hij zelfs een tijdlang niet in staat was te preken. Dat kan hij nu wel weer. U bent getraumatiseerd door wat er gebeurde. Kunt u inmiddels praten over de ontvoering en de aanslag? „Jawel, maar niet te veel in de diepte, want het is emotioneel en niet gemakkelijk. De kidnap vond plaats toen ik, eerder dan mijn gezin, naar de kerk wilde gaan voor de zondagsschool, die voorafging aan de kerkdienst. De ontvoerders wachtten me op bij de ingang van mijn compound. Bij een wegsplitsing blokkeerden ze mijn auto. Ze kwamen hun auto uit en zeiden: „Je staat onder arrest.” Ik zei: „Nee, jullie zijn de politie niet.” Ze begonnen me te slaan, duwden me terug mijn auto in en namen het stuur over. Ik zat achterin tussen twee ontvoerders met geladen AK-47-geweren. Ik riep luid. De mensen in de omgeving werden gealarmeerd en begonnen te bellen. De leden van mijn gemeente gingen niet naar de kerk, maar kwamen naar mijn compound om te bidden.”

Marieke Ude: „Ik was binnen, maar hoorde allemaal mensen buiten continu bidden: „Heere, verwar hen, verwar hen in hun gedachten.” Het eerste wat mijn man zei toen ik hem weer sprak via de telefoon, was: „De ontvoerders raakten in de war.”” Ds. Ude: „Ze wilden mij niet via de stad, maar via het platteland naar een bepaalde plek brengen. Maar toen ze een dorp binnenkwamen, wisten ze daar de weg niet meer. Het was het dorp van de man die ze hadden meegenomen om de weg te wijzen. God verhoorde het gebed dus meteen. De ontvoerders begonnen onderling te ruziën en zeiden tegen elkaar: „Dit gebeurt, omdat deze man onschuldig is.” Ze reden wel een uur rond. In dat dorp hebben wij ook een gemeente. De leden daarvan waren inmiddels geïnformeerd en begonnen wegen te blokkeren. Toen de aanvallers dat zagen, reden ze een weg in waar je met de auto niet verder kunt. Toen lieten ze mij in mijn auto achter en gingen met hun eigen auto terug. Toen ze ontdekten dat veel mensen op de been waren en mij zochten, lieten ze ook hun eigen

22

auto achter en vluchtten de struiken in.” Het echtpaar raakt niet uitgepraat over opmerkelijke voorvallen tijdens de kidnap. Dat ds. Ude zijn telefoon vergeten was, zodat de ontvoerders die niet konden gebruiken om misleidende informatie te verspreiden; dat een kerkganger een lekke band kreeg en tijdens zijn vertraging gebeld werd over de ontvoering, zodat hij anderen kon waarschuwen; dat de ontvoerders hun geladen wapens niet gebruikten. Dat geldt ook voor het verhaal van de moordaanslag, negen maanden later. De familie Ude zat op de bewuste vrijdagavond in de woonkamer voor de dagelijkse ”family worship” toen ze geweerschoten hoorden. De laptop van ds. Ude stond nog opengeklapt op zijn bureau in de studeerkamer, wachtend op zijn terugkeer na de dagsluiting. Die was juist deze avond, vanwege bezoek, wat later afgelopen. De kogels doorzeefden de laptop en zijn boeken in plaats van ds. Ude zelf. Weet u iets over het motief van de daders van beide gebeurtenissen? „Nee. Ik ken de mensen niet die het hebben gedaan. Eerst dachten we dat het om geld te doen was, maar na de tweede keer was het duidelijk dat het om mijn leven ging.” U groeide op in een heidense omgeving. Uit wat voor gezin komt u? „Mijn vader was een polygamist. Hij had zeven vrouwen. Mijn moeder had zeven kinderen. Ik ben de jongste. Mijn vader stierf zes maanden na mijn geboorte, mijn moeder toen ik een jaar of zeventien was. Ik ging naar de Bijbelschool van de zendingskerk in Izi met de bedoeling werk te kunnen krijgen. Mijn gezin steunde dat, maar toen ik echt christen werd, wierpen ze me uit de familie. Dat was pijnlijk. Vanaf toen sliep ik in de Bijbelschool. Later verbleef ik bij evangelist Emmanuel Ede. Mijn vier zussen werden later een voor een christen. Mijn oudste broer is nooit christen geworden, de broer bij wie ik opgroeide wel. Doordat ik bij hem opgroeide, is mijn achternaam Ude ook naar hem genoemd. Dat is in onze cultuur gebruikelijk. Van de zeven kin-


De Dominee

deren uit ons gezin leven alleen deze broer en ikzelf nog.” Waar komt uw Bijbelse voornaam Nicodemus vandaan? „Die koos ik toen ik op de basisschool zat. Die had een rooms-katholieke achtergrond, al begreep ik niet veel van de Bijbellessen daar. Het was daar gebruikelijk om een extra naam te kiezen naast je Izi-naam en dat was vaak een Bijbelse naam.” Hoe kwam u in contact met de werkers van ZGG? „Ik schreef een brief aan Johan Commelin of ik in de zendingskliniek mocht werken. Maar kort daarna bleek hij vertrokken te zijn. Sommigen zeiden toen dat ik er misschien zou mogen werken als ik eerst de Bijbelschool bezocht. Hielke Visser, die later door een auto-ongeluk stierf, en Tom Moerdyk uit Amerika gaven daar les. Lezen en schrijven had ik op de basisschool al geleerd, dus de lessen waren vaak saai voor mij. Daarom kreeg ik vaak andere opdrachten. Ik moest bijvoorbeeld de ”Kerkgeschiedenis” van Joh. Vreugdenhil lezen. Na een halfjaar zeiden mensen tegen me: „Nu kun je wel solliciteren in de kliniek.” „Nee”, zei ik, „ik vind het hier fijn.” Ik was benieuwd geworden naar de waarheden van de Bijbel; die raakten me.”

„De kerken in Nederland hebben veel activiteiten, maar ze zouden zich meer moeten richten op de buitenwereld”

En hoe kwam u tot persoonlijk geloof? „Dat is een lang verhaal. In 1981 werd ik door ds. A. Elshout gedoopt. Daarop kreeg ik strijd in mijn hart. Ik schreef een brief aan ds. Elshout: „Vóór de doop ervoer ik geen problemen, maar nu denk ik dat ik nooit gedoopt had moeten worden.” Hij zei: „Ik heb je er niet toe gedwongen. Praat met de lokale voorgangers.” Toen heb ik veel avonden gepraat met evangelist Nico van Steensel, vaak tot middernacht. Hij gaf me bijvoorbeeld de boeken ”Wedergeboorte” en ”Heiligmaking” van J.C. Ryle. Ik wist dat ik een zondaar was en vergeving nodig had. Ik wist ook in mijn hart dat ik de Heere liefhad. Maar ik voelde altijd dat mijn geestelijke gevoelens niet diep genoeg waren. Ik was bang mezelf te bedriegen. De zendingswerkers wezen me op Christus, maar dan bleef ik zeggen: „Ja maar, ik moet dit toch voelen, en dat.”

23

Toen ik voor mijn oogprobleem naar een ziekenhuis moest, vroeg een vrouw naar mijn naam: Nicodemus. „O, ben je wedergeboren?” vroeg ze. „Dat weet ik niet”, zei ik. Ze was geschokt: „Je gaat toch naar de kerk?” Ik werd verwezen naar een ziekenhuis in Kano en overnachtte in Jos. Daar bezocht ik een pinksterkerk, waar je na de dienst kon blijven als je geestelijke problemen had. De voorganger bad met mij het zondaarsgebed en zei: „Schrijf maar in je dagboek dat je vandaag wedergeboren bent.” Maar ik wist dat dit de oplossing niet was. Rond die tijd bezocht ik ds. Elshout in Den Haag. Hij deed de lamp in zijn appartement uit en vroeg: „Kun je iets zien?” „Nee”, zei ik. Toen deed hij de lamp steeds iets verder aan; het was voor het eerst in mijn leven dat ik zo’n dimmer zag. Uiteindelijk was het licht heel helder en kon ik alles zien. „Zo gaat het in het hart van een kind van God”, zei hij. „Als het donker is, zie je niets. Ook niet dat je een probleem hebt. Maar als het licht van de Heilige Geest komt, ga je je zorgen maken. Als je geestelijke moeilijkheden hebt, is dat eerder een teken dat je wel een kind van God bent dan dat je dat niet bent.” Dat hielp me. Later bezocht ik in Nigeria een conferentie van christelijke studenten. Na de lezing kon je geestelijke problemen bespreken. Ik ging naar een persoon die aan mij was toegewezen. „Wat is er?” vroeg hij. „Heb je de Heere lief?”

De laptop van ds. Ude is een stille getuige van de moordaanslag op zijn leven. beeld Cees van der Wal


De Dominee

„Ja, maar ik denk ik dat ik mezelf bedrieg, dat mijn gevoelens niet diep genoeg zijn.” Wat hij zei, raakte me: „Hier is de Bijbel. Laat me de tekst zien die zegt hoe diep je zondebesef moet zijn voordat het echt is.” Ik realiseerde me: dat is waar, de Bijbel zegt niet hoe diep je gevoelens moeten zijn. Vanaf dat moment begreep ik opeens dat het niet om mijn gevoel gaat, maar om Christus en Christus alleen.” Curatorium Na het afronden van de Bijbelschool in 1983 werd Nicodemus Ude gevraagd om vertaler Reinier de Blois te gaan helpen bij de vertaling van het Oude Testament in het Izi. Dat deed hij tot 1994, de laatste jaren parttime vanwege zijn opleiding tot leraar. Daarna werd hij de eerste directeur van de zojuist gestarte John Calvin Christian School voor voortgezet onderwijs in Oswanka, voortgekomen uit de NRC. Inmiddels telt deze school 640 leerlingen van 12 tot 18 jaar, inclusief een afdeling voor beroepsonderwijs. Drie keer meldde Ude zich bij het curatorium van de NRC om predikant te worden. Twee keer werd hij afgewezen. „De eerste keer wezen ze me af omdat ik niet bereid was de doop en het avondmaal te bedienen. Dat was te heilig voor mij.” Toen hij in 1996, een jaar na zijn huwelijk met Marieke, wel werd aangenomen, stopte hij als schooldirecteur. Na de predikantsopleiding diende hij verschillende gemeenten, grotendeels naast het directeurschap van de school, dat hij in 2003 op verzoek van de NRC opnieuw oppakte.

over de vraag of predikanten uit de zendingskerken in Papoea en Nigeria op Nederlandse kansels mochten voorgaan. Hoe ervoer u die bespreking? „Ik was toen aanwezig namens de NRC. Ik heb het niet als negatief ervaren. Als de kerk in Nederland zeker wil weten dat we geen ander Evangelie brengen, dan is dat precies wat een kerk behoort te doen. Sommige kerken in Nigeria heten een voorganger met een onbekende achtergrond gemakkelijk welkom op hun preekstoel. Maar zo’n persoon kan met één preek vernietigen wat je in jaren hebt opgebouwd. Ook is het een legitieme vraag hoe de Nederlandse kerkmensen het zullen ervaren als een preek op de preekstoel wordt vertaald.” Ervoer u het niet als pijnlijk dat de GG aarzelde u toe te laten op de preekstoel, terwijl u juist door hun zendingswerkers was opgeleid? „Niet alle mensen uit Nederland zijn op het zendingsveld geweest, slechts een paar. Ze konden niet weten of de Nigerianen wel goed hadden begrepen wat hun geleerd was. Bovendien moet het geen show worden. Zo van: dit is iemand van het zendingsveld. De preekstoel is de plaats waar het Woord verkondigd wordt. Daarom is het goed als de kerk er eerst zeker van is dat de gemeenten het goed vinden. Zo kijk ik ernaar,

24

ook al heb ik er op die synode wel voor gepleit dat wij, als de kinderen van de Nederlandse kerk, mochten voorgaan. De voorzitter van de synode, ds. J.J. van Eckeveld, deed een zeer wijze uitspraak. Hij zei: „Broeders, laten we er nog over denken.” Zo kon hij meer werk doen op de achtergrond in plaats van een besluit doordrukken. Enkele maanden later ging de synode hartelijk akkoord.” Lachend: „Een jaar later was ik de eerste predikant uit Nigeria die op de preekstoel stond, in Woerden bij ds. W. Harinck.” Wat is uw grootste zorgpunt als u kijkt naar de Nederlandse kerken? „De predikanten hier hebben een grondiger kennis van de Schrift dan bij ons. Maar zoals er zorgen zijn in Nigeria, zijn die er hier ook. Jongelui verlaten bijvoorbeeld de leer van de kerk, door secularisatie. Misschien moeten we meer voor hen bidden. De kerken in Nederland hebben veel activiteiten, maar ze zouden zich meer moeten richten op de buitenwereld. In Nederland werkt het niet als je op straat tegen iemand zegt: „Laat mij je het Evangelie verkondigen.” In Nigeria is dat heel anders. Als ik ’s ochtends mijn Bijbel meeneem en de straat op ga, bereik ik veel mensen. Dan zeg ik: „Wacht, ik heb je iets te zeggen.” En

Van 2010 tot 2015 studeerde u theologie aan het Puritan Theological Reformed Seminary in Grand Rapids. Daar maakte u intensief kennis met de gereformeerde theologie. Wie is uw favoriete auteur? „In Grand Rapids woonde ik colleges bij van dr. Joel Beeke. Dat was zo leerzaam. Hij schreef een gereformeerde systematische theologie in vier delen, die heel goed is. Ik houd ook erg van de geschriften van Wilhelmus à Brakel. Zijn boek ”De Redelijke Godsdienst” is heel pastoraal en helpt me als predikant.” In 2007 discussieerde de synode van de Gereformeerde Gemeenten (GG)

Ds. Ude: „Het is een legitieme vraag hoe de Nederlandse kerkmensen het zullen ervaren als een preek op de preekstoel wordt vertaald.” beeld Cees van der Wal


De Dominee

dan geeft die persoon je tien, vijftien minuten. Maar als je in Nederland iemand tegenhoudt, zegt hij: „Ga aan de kant.” Daarom moeten we andere manieren zoeken, zoals een inloophuis openen, waar mensen koffie kunnen drinken en boekjes lezen. Als iemand dan binnenkomt, staat die persoon open voor gesprek. Dat zou ik willen zeggen tegen de Nederlandse kerken. Niet dat ik het beter weet, hoor.” Nederlandse zendelingen brachten het Evangelie in Nigeria. Ze namen ook culturele gewoonten mee. Konden die altijd worden ingepast in het Izi-gebied? „Ik zou niet willen zeggen dat ze culturele gewoonten hebben opgelegd. Alleen, veel zaken uit de gereformeerde traditie zijn in Nederland al zo geworteld, dat ze er goed passen. In Nigeria komen die soms in conflict met wat de maatschappij gewend is. Hier is het op zondag zo dat je naar de kerk gaat, daarna thuiskomt en verder niets doet. Maar in Nigeria is het

25

heel gebruikelijk om bijvoorbeeld een geboorteceremonie te hebben na de kerkdienst. De hele familie wil de geboorte nog thuis vieren, nadat het kind in de kerk gedoopt is. Zelfs als je als voorganger zegt: „Dat doen we niet”, gaan de gemeenteleden toch. Het is ook moeilijk om de catechismuspreek in de avonddienst in Nigeria te laten wortelen. Daarom heb ik in mijn laatste twee gemeenten een zondagsschool opgezet, voorafgaand aan de ochtenddienst, om acht uur ’s ochtends. Daarin legden we in 20 à 25 minuten de Heidelbergse Catechismus uit. Dat deden we in kleine groepen, waarbij elke ouderling een groep voor zijn rekening nam. Mensen konden daarna ook vragen stellen. Op de donderdag ervoor kwamen de ouderlingen bij mij, waarbij ik ze de catechismus uitlegde. Daardoor verbeterde ook hun eigen prediking.

Nu bent u tegen wil en dank in Nederland. Hoe ziet uw toekomst eruit? „De Nigeriaanse overheid en politie adviseren me om mijn werk in de kerk niet weer op te pakken. Ik heb de NRC gevraagd om iemand anders aan te stellen als hoofd van de school. Ook heb ik in november aan de generale synode emeritaat aangevraagd. Of ik nooit terug kan naar Nigeria, weet ik niet, maar ondertussen is het wel zo dat ik er nú niet heen kan. Ik moet wachten op de Heere, of Hij me roept om op een andere plaats werk te doen. Als het Zijn wil is dat ik na veertig jaar werk in de NRC stop, dan is het goed. Ik wacht, maar het liefste zou ik doorgaan met het werk in de kerk, want het is te vroeg voor mij om elke dag thuis te blijven, ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds te eten en verder niets te doen. Ik bid ervoor.”

Toen we de Heidelbergse Catechismus uit hadden, hebben we de ”Christenreis” van John Bunyan behandeld. Dat boek sprak de mensen erg aan, omdat ze in Afrika leren door verhalen.”

Lees 2 artikelen gratis

rd.nl/2-artikelen-gratis


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
OM-dedominee-januari2026 by Erdee Media Groep - Issuu