Skip to main content

hetduisterwijktdf

Page 1

Hoofdstuk 1

Sussex I staatsgevangenis Waverley, Virginia Gevangene nummer 10734 Dodencel Ik zit in de dodencel. Ze zeggen dat het mijn verdiende loon is en dat zal ook wel. Ik weet het eigenlijk niet, ik heb er niet echt een mening over. Ik weet alleen dat ik mensen heb gedood en dat ik daarom hier zit. Ik slaap in een cel die zo klein is als een postzegel. Zo voelt het tenminste, maar ik heb de cel in elk geval voor mij alleen. Ik heb mijn boeken, een televisie en wat schrijfpapier. Ik heb mijn gedachten, al zijn die vreemd en wazig, alsof ze van iemand anders zijn en ik ze afluister. Dat is al zo sinds mijn arrestatie. Daarvoor waren mijn gedachten van mij en van niemand anders, en ik kon ze prima horen. Maar dat maakte tijdens de rechtszaak blijkbaar niet veel uit. De aanklager noemde me een ‘sluwe, kille moordenaar die met veel genoe­ gen de moord op zijn onschuldige slachtoffers tot in de kleinste details voorbereidde’. De rechter zei tegen me dat mijn onverschillige reactie toen de voorzitter van de jury de uitspraak ‘schuldig’ voorlas de rillingen over zijn rug deed lopen. Zelfs in de krant, die mijn familie meenam toen ze me de eerste keer kwamen opzoeken, stond een foto van mijn gezicht met 5


daarboven de kop: ‘Bommenbouwer toont geen berouw’. Mijn familie vroeg: ‘Waarom heb je geen berouw getoond?’ En: ‘Waarom heb je op zijn minst niet gezegd dat het je speet?’ Omdat ik geen berouw voel. Ik voel geen schuld. Ik voel geen spijt. Ik voel niets. Iemand heeft bij mij de uitknop ingedrukt. Ik werk niet meer als vroeger. Ik heb de praatjes die rondzongen wel opgevangen ‒ dat ik een psy­ chopaat ben, dat ik kwaadaardig ben en gedreven word door haat, dat ik psychisch gestoord ben en dat ik geen geweten heb. Maar voordat dit allemaal gebeurde, heb ik wel woede gevoeld, en haat, frustratie, schuldgevoel en zelfs liefde. Ooit was ik een goed functionerend, redelijk normaal, menselijk wezen. Volgens mij sterf ik stukje bij beetje af, zodat ik straks ‒ tegen de tijd dat de datum van mijn executie bekendge­ maakt wordt ‒ al zo goed als gestorven ben. Er zijn nog sprankjes licht, maar die doven een voor een. Ik zal niet beweren dat dat de schuld is van deze gevangenis of van de politie of de jury of de rechter. Het is mijn schuld ‒ ik begon te sterven vanaf de dag dat ik mijn eerste bom plaatste. Toen die ontplofte, raakte ik iets in mijzelf kwijt en dat lijkt niet vervangbaar. Het was op dat moment dat het begon, dat die verdoving me begon te overmannen, net als een dodelijke kou die langzaam maar zeker het leven opeist van mensen die verdwaald zijn in de sneeuw of op zee. En met elke bom werd het erger. Misschien ben ik dus toch een zelfmoordterrorist, alleen sterf ik langzaam en ben ik niet op slag dood. Maar ik werd gepakt en hier gebracht, in de dodencel. Mijn advocaat zei dat hij in hoger beroep zou gaan tot er niets meer aan mijn vonnis te veranderen zou zijn. Ik heb waarschijnlijk nog zo’n vijftien jaar in een eenzame cel voor de boeg. Ik moet hier drieëntwintig uur per dag blijven. Het vierentwintigste ga ik naar een speciale luchtruimte voor terdoodveroordeelden. Daar kijk ik naar de lucht en verlang naar vrij­ heid. Mijn familie krijg ik, volgens de gevangenisvoorschriften, eens in 6


de negentig dagen op bezoek, maar ze mogen me niet aanraken. Ze kunnen alleen vanachter glas met me praten. Ik eet als ze een dienblad in mijn cel neerzetten en ik slaap als ze de lichten uitdoen. Maar ik mag in elk geval wel kiezen op welke manier ik geëxecuteerd wil worden ‒ een dodelijke injectie of de elektrische stoel. Een andere terdoodveroordeelde heeft tegen me gezegd dat ik nu een besluit moet nemen: tegen de tijd dat ze tot executie overgaan, ben ik waarschijnlijk geestelijk niet meer in staat om zo’n besluit te nemen. Maar het vermogen om te dromen ben ik nog niet kwijt. Ik droom van de stilte. Hier is het nooit stil. Als ik wakker word, hoor ik de gevangenen in het dodenblok tegen elkaar gillen, ik hoor ze roepen naar de bewakers, bidden tot God en hun frustraties uiten. Als ik slaap, huilen ze, kermen, brullen of snikken. Net wat voor nachtmerries ze hebben. Ik droom dat ik een normaal leven heb ‒ liefhebbende ouders, misschien wel een vrouw en kinderen. Niet het zootje ongeregeld waar ik nu mee moet zien te leven. Ik droom dat ik vrij ben als een vogel, vrij om te vliegen waarheen ik wil, niet gehinderd door het oordeel van mensen. Ik droom dat ik vaststa in het verkeer, dat ik op een vliegveld wacht op een vlucht die is uitgesteld, dat het me niet lukt om een parkeerplaats te vinden, en van duizenden andere kleine zorgen, omdat dat zou beteke­ nen dat ik vrij was. Ik weet dat er niet veel zijn die medelijden met me zullen hebben. Want de levens van de slachtoffers dan? Zij kregen niet de kans om te zeggen op welke manier ze wilden sterven. Ik, een ter dood veroordeelde moordenaar, heb in dat opzicht meer rechten dan zij hadden. Dat klopt. Ik kan er niets tegen inbrengen. Dus waarom heb ik het dan gedaan? Ik hoor die vraag regelmatig uit de mond van mijn moeder, die vindt dat ze als ouder mislukt is, omdat haar zoon is opgegroeid tot een veroordeelde moordenaar en nu in de dodencel zijn laatste dag zit af te wachten. 7


Daar kan ik ook geen antwoord op geven. Ik weet het niet. Ik weet het gewoon niet. Er komt iemand die me misschien kan helpen begrijpen waarom ik het heb gedaan. Ze heet Dinah Harris. Ze werkte ooit bij de FBI en nu wil ze een boek schrijven over mensen als ik. Ze heeft geholpen bij mijn opsporing en arrestatie, maar ik ben niet boos op haar. Ik voel helemaal niets. Eigenlijk kijk ik er wel naar uit. Ze heeft donker haar en een blanke huid en een gekwelde blik in haar ogen. Ik kan zien dat ze veel verdriet heeft gehad, net als ik. Ik kan zien dat ze een gecompliceerde vrouw is die dingen gedaan heeft die ze liever niet had gedaan en dingen gezegd heeft die ze liever had verzwegen. Toen ze me de eerste keer opzocht om te vragen of ik bereid was om mee te werken aan haar boek, zei ik dat ik dat wel wilde. Ze glimlachte en ik zag dat mijn eerste indruk van haar niet helemaal juist was geweest. Ja, ze was gekwetst en ze had verdriet gehad en ze had spijt van dingen. Maar toen ze glimlachte, viel dat allemaal weg en zag ik mededogen, rust en begrip. Dus ik denk dat ik een verborgen motief had om met deze gesprekken in te stemmen. Ik wil haar misschien net zo goed vragen stellen als zij mij. Ik wil hebben wat zij heeft ‒ een mededogen, rust en begrip die zo sterk zijn dat ze op de een of andere manier sterker zijn dan de wanhoop, de verbittering en het oordeel. Hoe heeft ze dat voor elkaar gekregen? ****** Een jaar eerder De rouwstoet was, volgens traditioneel kerkelijk gebruik, bij het graf aangekomen. Het was een aangrijpende dienst geweest, zeker voor de aanwezigen die geen deel uitmaakten van de 8


directe familie. De afscheidstoespraak was oprecht gemeend en ontroerend geweest. Het was een directe weerspiegeling van zijn leven: f litsend en indrukwekkend, bezield en liefdevol. Toch bleef er een gevoel van leegte achter in de harten van zijn kinderen en een diepe pijn in het hart van zijn vrouw. Er waren niet veel mensen meer ‒ zijn vrouw Rosa, zijn volwassen kinderen Isabelle en Michael, een paar vrienden die de familie al jaren kende, vrienden uit de kerk en een handjevol oud-collega’s. Dat kleine groepje stond nu rond de kist. Het was stil en warm, een zomerdag met een vochtige hitte die op de rouwenden drukte. Het voorhoofd van de dienstdoende priester was nat en glom van het zweet en hij oogde niet bepaald ontspannen in zijn zwarte kleding. Isabelle vond dat alle aanwezigen de indruk wekten dat ze veel liever ergens anders zouden zijn geweest, en niet alleen vanwege het weer. Ze hadden Isabelle gevraagd om een toespraak te houden, maar ze had geweigerd. Wat had ze over haar vader moeten zeggen? Hij regeerde met ijzeren vuist. Hij is nooit naar een van mijn piano-optredens geweest. Hij zette mijn moeder letterlijk tegen de muur als zijn overhemd niet gestreken was. Hij heeft mijn pols gebroken. Wat een vent. Is het gepast om in een grafrede te zeggen dat ik blij ben dat hij er niet meer is? Isabelle probeerde haar gedachten onder controle te krijgen. Ze herinnerde zichzelf eraan dat ze nog maar één dag hoefde te doen alsof alles binnen haar familie pais en vree was. Ze wierp een blik op haar moeder, een kleine vrouw met een doffe blik in haar ogen. Hoe onwaarschijnlijk ook, Rosa’s verdriet leek echt. Isabelle keek vervolgens naar Michael en vroeg zich af wat er nu echt in hem omging. Ze zag alleen zijn koude, lege blik, die hij op de grond gericht hield. Naast haar stond haar man Scott ongeduldig te friemelen, de irritatie dat hij hier moest zijn, straalde uit elke porie. 9


Isabelle vroeg zich af wat de anderen dachten. Hadden ze Reginald McMahon echt gekend? De mensen kenden hem van de buitenkant: charmant, grappig, vriendelijk, bedachtzaam. Hij stond altijd als eerste klaar om een ander gezin te helpen, de kerk te schilderen, geld te geven als dat nodig was. Maar buiten zijn gezin kende niemand zijn explosieve karakter, zijn heerszuchtige gedrag, zijn vlijmscherpe tong. Toch kon ze uit het kleine aantal bezoekers af leiden dat hij nooit veel vrienden had gehad. Uiteindelijk rondde de priester zijn korte toespraak af en gaf de aanwezigen de gelegenheid om nog een paar laatste woorden te zeggen voordat de kist in het graf zou zakken. Er viel een pijnlijke stilte ‒ alleen het geschuifel van de aanwezigen was hoorbaar. Iedereen vermeed wanhopig elkaars blik en die van de priester. Na een korte stilte begon de priester aan de laatste plechtigheid en wierp een handvol aarde op de kist. Hij moedigde de anderen aan om zijn voorbeeld te volgen. Rosa aarzelde bij het graf en veegde haar tranen weg. Isabelle verbaasde zich over de oprechtheid van het verdriet dat haar moeder deze dag had – de dag dat ze eindelijk bevrijd was van de tirannie van haar man. Michael kwam aanslenteren en gooide onverschillig een hand aarde in het graf, het minachtende trekje om zijn mond was het enige waaruit je kon af leiden wat hij echt voelde. Isabelle volgde snel, ze was blij dat deze treurige dag nu bijna voorbij was. Het kleine groepje mensen brak op en de familie bleef alleen achter om in stilte toe te kijken hoe het graf gedicht werd. In de stilte werkte het ritmische ploffen van de aarde op de kist hypnotiserend. Isabelle vroeg zich af of haar familie dichter tot elkaar zou komen, nu hij dood was. ‘Wat moet ik nou?’ Eindelijk zei Rosa iets, haar stem klonk laag. ‘Wat moet ik zonder hem?’ 10


‘Wat dacht je van een feestje vieren omdat hij er niet meer is?’ Michaels stem klonk hard en gespannen. ‘Dan kunnen we zijn kleren verbranden en doen alsof hij nooit bestaan heeft.’ Rosa hapte naar adem en draaide zich om naar Isabelle, op zoek naar steun. ‘Michael …’ begon Isabelle. Michael wuifde minachtend met zijn hand. ‘Ja, ja, ik weet het. Dit is niet het juiste moment of de juiste plek. Maakt niet uit. Het is nooit het juiste moment of de juiste plek.’ ‘Goed’, kwam Scott tussenbeide, zoals altijd precies op het juiste moment. Hij wierp een veelzeggende blik op zijn horloge. ‘Dit heeft al veel te veel tijd gekost. Ik moet terug naar mijn werk.’ Hij keek naar Isabelle, zijn wenkbrauwen opgetrokken, alsof hij haar uitdaagde om tegen hem in te gaan. Isabelle had geen zin in ruzie, vooral niet nu haar moeder erbij was. Ze glimlachte. ‘Natuurlijk, ik zie je thuis wel weer’, antwoordde ze, en ze keek Scott na terwijl hij wegliep. Heel even verbaasde ze zich over haar vermogen om zich druk te maken over de vraag hoe anderen zich voelden, terwijl anderen zich maar zelden om haar leken te bekommeren. Ze hoopte vurig dat Scott die avond als hij thuiskwam een beter humeur zou hebben. Ze wendde zich tot Michael. ‘Wij kunnen erover praten wanneer je maar wilt’, zei ze, ‘maar ik vind een begrafenis alleen niet de meest geschikte gelegenheid.’ ‘Over de doden niets dan goeds’, voegde Rosa eraan toe, wat niet bepaald hielp, want de sfeer was al licht ontvlambaar. ‘Mam!’ zei Isabelle met een ondertoon van ergernis. ‘Goed, goed’, krabbelde haar moeder terug. ‘We zijn allemaal overstuur, ik snap het.’ Dat zijn we zeker, maar om andere redenen dan jij denkt. 11


‘Laten we morgenavond met zijn allen thuis eten’, vervolgde Rosa. ‘Komen jullie dan allebei?’ Michael keek naar Isabelle. Ze wist dat hij niet op die uitnodiging zou ingaan als zij het niet deed. ‘Tuurlijk, klinkt goed, mam’, zei ze, en ze keek haar broer lang en indringend aan. ‘Natuurlijk, ik kom’, stemde ook hij in. Hij schuurde met de neus van zijn schoen over de grond en keek niet op. Zwijgend zetten ze koers naar de parkeerplaats. Isabelle vroeg zich af wanneer er nu eindelijk eens een einde kwam aan deze afschuwelijke dag. ***** Hij had gehoord dat hij op Billy Idol leek, een zanger uit de jaren 80, en dat had hem gevleid. Terwijl hij bezig was, neuriede hij een van Idols liedjes en veranderde de woorden zodat ze beter bij hem pasten. In plaats van Het is een mooie dag voor een bruiloftsfeest zong hij: Het is een mooie dag voor een bomaanslag. Hij zong en intussen werkte hij verder aan de bom. De dag ervoor had hij zijn doelwit gekozen. Hij had een hele lijst voorwaarden: het liefst een wat ouder gebouw met veel ruimte aan de voor- of aan de zijkant ervan om zo min mogelijk bijkomende schade aan te richten. Het was belangrijk voor hem dat de gebouwen om zijn doelwit heen, woningen bijvoorbeeld, geen last zouden hebben van de explosie. Dat was de reden dat hij de bom zo maakte dat hij geen maximale springlading had, maar alleen het doelwit beschadigde. Hij wilde absoluut niet dat een kind dat in zijn bedje lag te slapen wakker zou worden met de scherven in de gordijnen. Het was belangrijk dat mensen wisten dat hij geen monster 12


was. Het was niet zijn bedoeling om zo veel mogelijk schade aan te richten. Hij wilde gewoon zijn punt maken. Na een uur of twee had hij een gebouw gevonden dat aan zijn eisen voldeed. Toen begon hij om zich heen te kijken naar een auto die hij kon jatten. Die auto moest ook aan belangrijke voorwaarden voldoen. Hij moest sterk, groot, onopvallend en gemakkelijk mee te nemen zijn. Een bestelbus met babystoeltjes erin was afgevallen, evenals een bestelwagen vol tuingereedschap en eentje die blauwe rook uitbraakte toen de chauffeur bij de stoep stilhield. Hij begreep zelf niet precies waarom hij morele eisen stelde aan de missie die hij probeerde te volbrengen. Voor een buitenstaander was het vast belachelijk. Maar hoe kon hij nu met een goed geweten een bom plaatsen in een auto met kinderstoeltjes? Zachtjes neuriÍnd stopte hij voorzichtig het dynamiet in de plastic fabriekszak en controleerde of het volledig bedekt was met het smerige mengsel van ammoniumnitraat en benzine. Toen bevestigde hij nauwkeurig de lont op de plaats waar hij een vertrager wilde zetten. Toen zijn rug zeer begon te doen van het lange bukken, kwam hij overeind en klapte bijna met de achterkant van zijn hoofd tegen het dak van het bestelbusje. Het mocht dan zo zijn dat het eenvoudiger was om de bom te bouwen in de auto waarin hij hem wilde laten ontploffen, veel bewegingsruimte had hij niet. Maar wat nog het grootste probleem was aan het bouwen van een bom in zo’n kleine ruimte, was dat de dampen die vrijkwamen niet goed konden wegkomen. Bovendien was het er nog heter dan in een fabrieksoven. Hij keek of beide raampjes openstonden en wiste het zweet van zijn voorhoofd. Ineens werd er op de deur van het busje gebonsd. Zijn hart 13


sloeg over. ‘Wat?’ schreeuwde hij, de angst bonsde in zijn keel. ‘Hé man, gaat het allemaal goed daarbinnen?’ riep een bekende stem terug. De bommenbouwer klemde zijn kaken van frustratie opeen. Het was zijn buurman, Randy, een eenvoudige en ongevaarlijke vent, al was hij nieuwsgieriger dan goed voor hem was. Hij gooide de deur open en klom snel de bestelbus uit, waarbij hij bijna tegen Randy op botste. ‘Ik heb net wat plantenvoeding gekocht’, legde hij uit. ‘Voor de tuin.’ Randy keek naar de tuin, die uit zijn voegen barstte van het onkruid, maar als hij al verbaasd was dan liet hij daar niets van merken. ‘Goed man’, zei hij schouderophalend. ‘Je zat anders al een hele tijd daarbinnen.’ Er viel een ongemakkelijke stilte. ‘Wat kwam je hier eigenlijk doen?’ vroeg de bommenbouwer na een tijdje. ‘O’, zei Randy, ‘ik kwam gewoon even vragen of je zin had om ergens wat te gaan drinken.’ ‘Eh’, zei de bommenbouwer, en hij keek over zijn schouder naar het tuingereedschap. Hij dacht snel na. Hij had de dingen die hij vandaag moest doen perfect ingepland en hij kon zich geen onderbreking permitteren. Maar hij wilde niet dat Randy wantrouwig werd. Hij vond het doorgaans best leuk om wat met Randy te ondernemen, vooral omdat zijn buurman het nooit doorhad als hij zich niet goed voelde. De bommenbouwer kon wel schreeuwen van besluiteloosheid. ‘Het spijt me, Randy’, zei hij uiteindelijk. ‘Ik heb vandaag eigenlijk zo’n beetje gereserveerd voor dit klusje.’ ‘Oké’, zei Randy, en hij knikte. Maar hij bleef gewoon staan. De stilte duurde voort. ‘Randy?’ 14


‘Zal ik je anders helpen?’ bood Randy aan. ‘Man, wat stinkt het daarbinnen!’ De bommenbouwer had het liefst met zijn vuisten op de bestelwagen gebeukt. Maar in plaats daarvan lachte hij. Hij hoorde zelf hoe gemaakt het klonk. ‘Ik kan het alleen wel af ’, zei hij. ‘Maar toch bedankt. Het heeft geen zin als we allebei onderuit gaan door die stank.’ Uiteindelijk leek het tot Randy’s botte hersenen door te dringen dat hij niet welkom was. Hij stak gelaten zijn hand op en slenterde weg. De bommenbouwer keek op zijn horloge en dacht aan alles wat hij nog moest doen om zijn deadline te kunnen halen. Hij voelde de spanning toenemen en begon te neuriën om zichzelf te kalmeren. Een gespannen bommenbouwer was al snel een dode bommenbouwer. Hij moest een vaste hand hebben en zijn hoofd helder houden. Hij dwong zichzelf tot kalmte, ging weer rustig aan het werk en bevestigde de tijdklok aan de lont. Hij werkte bewust met explosieven die redelijk stabiel waren. Zo hoefde hij zich geen zorgen te maken over hoge temperaturen, schokken of gassen waardoor de bom voortijdig zou kunnen ontploffen. De keerzijde was dat de bom niet de kracht had van zijn minder stabiele neefjes. Maar het was niet de bedoeling om zo veel mogelijk slachtoffers te maken en hij wilde ook niet zo veel mogelijk schade aanrichten. Natuurlijk zou er wel sprake zijn van schade. En waarschijnlijk zouden er mensen sterven en ongetwijfeld zouden er dingen kapotgaan. Maar uiteindelijk wilde hij alleen maar zijn punt maken. *****

15


Dinah Harris wierp een woedende blik op de draaiende ventilator, alsof het de schuld van de ventilator was dat het een van de warmste zomerdagen ooit was. Ze pakte haar haar, dat vochtig was van het zweet, en draaide het in een knotje op haar hoofd. Ze nam de aantekeningen door voor het boek dat ze wilde gaan schrijven. De vorige avond had ze alles opgeschreven wat er in haar hoofd opkwam. Nu nam ze het nog eens door en verbaasde zich over de nonsens die ze had neergepend en die ze de vorige avond blijkbaar nog prachtig had gevonden. Dankzij een vriendin van haar Bijbelstudiegroep was ze op het idee gekomen. Ze glimlachte. Wie had dat ooit kunnen denken? Ten eerste dat ze een vriendin had. Vooral omdat haar diepste instinct haar vertelde dat ze nooit iemand mocht toelaten in haar leven. En ten tweede dat ze naar een Bijbelstudiegroep van de kerk ging. Het idee had haar tegengestaan, maar uiteindelijk was het haar alles meegevallen. Dinah had de vrouwen in haar groep verteld over haar werk als freelancepolitieadviseur en over haar vroegere loopbaan bij de FBI. Ze hadden allemaal belangstellend gereageerd en een van hen had gezegd dat ze een boek moest schrijven over alles wat ze had meegemaakt. Het had Dinah aan het denken gezet, maar ze had wel in een andere richting gedacht. Ze wilde schrijven over de mensen die ze in de afgelopen jaren had ontmoet. Er waren zo veel verhalen die de moeite van het vertellen waard waren ‒ bendeleden die de moed hadden om te stoppen, gewone helden en ook de levensverhalen van gewelddadige criminelen. Haar gedachtegang werd onderbroken door het geluid van haar mobiele telefoon. ‘Hallo?’ 16


‘Hé Harris, ik ben het, je oude partner in crime’, zei een bekende stem. Dinah kreeg een warm gevoel bij het horen van de stem van haar naaste FBI-collega, David Ferguson. Ze hadden jarenlang nauw samengewerkt, totdat Dinah vanwege haar alcoholverslaving ontslagen werd. Hij was altijd haar grootste voorvechter geweest, zelfs toen ze helemaal aan de grond zat en met een kater op het werk verscheen. Hun relatie was er eerder een van oppervlakkig en gekscherend contact dan van diepe, zwaarwegende gesprekken, maar voor collega’s konden ze het toch goed met elkaar vinden. ‘Wat is er, Ferguson?’ vroeg ze. ‘Waarom bel je me?’ ‘O, gewoon zomaar’, zei Ferguson luchtig. ‘Ik dacht dat je het misschien wel leuk zou vinden om een gesprek te voeren met de nieuwe adjunct-hoofdrechercheur.’ Dinah grijnsde. ‘Jij? Hadden ze niemand anders? Gaat het tegenwoordig echt zo slecht met het bureau?’ ‘Dat sarcastische gevoel voor humor van je heb ik gemist, Harris’, zei Ferguson. ‘Jij weet precies wat een man graag wil horen, hè?’ ‘Serieus, ben jij de nieuwe adjunct-hoofdrechercheur?’ vroeg Dinah. ‘Dat is heel wat. Gefeliciteerd.’ ‘Je hebt nog niet gevraagd van welke afdeling’, zei Ferguson, en hij klonk zelfgenoegzaam. ‘Van welke afdeling dan, Ferguson?’ vroeg Dinah ongeduldig. ‘Huiselijk geweld!’ Dat was een belangrijke functie. Het bureau droeg alleen agenten voor hoge posities voor als ze een lange en vlekkeloze staat van dienst hadden en een hoog oplossingspercentage. Wat zij ook had uitgespookt, Ferguson was al jarenlang een betrouwbare 17


kracht binnen het bureau en hij had zijn promotie dubbel en dwars verdiend. Toch kon Dinah een licht gevoel van jaloezie niet onderdrukken. Ze was een van de uitblinkers bij het bureau geweest, een van de besten in haar werk op de afdeling Gewelddadige bendes, die hoge bendeleden vrijliet in ruil voor inlichtingen. Ze had bijna een legendarische status gehad, tot het moment dat ze haar man en haar zoontje was kwijtgeraakt door een auto-ongeluk. Daarna was ze aan de drank geraakt om het verlies te kunnen bolwerken en had een aantal grandioze fouten gemaakt. Uiteindelijk had haar drankprobleem geleid tot haar ontslag. ‘Ferguson, je bent echt geweldig’, zei ze, en ze meende het oprecht. ‘Luister’, zei Ferguson, ineens serieus, ‘het mooie is dat ik, nu ik de baas ben, zelf kan bepalen wie ik inhuur als ik een externe kracht nodig heb.’ Dinah glimlachte. ‘Je hoeft niet voor redder te blijven spelen, Ferguson.’ ‘Weet ik. Maar dan ben je maar vast op de hoogte. Als ik je nodig heb, dan bel ik. Trouwens, ik hoorde dat je goed werk hebt afgeleverd met die seriemoordenaar en bij de gemeentepolitie.’ Dinah dacht aan haar laatste zaak, een seriemoordenaar die zich had toegelegd op het elimineren van slachtoffers die het, volgens zijn gestoorde rassenopvatting, niet verdienden om te leven. Voor het eerst in lange tijd had ze volslagen nuchter aan een zaak gewerkt. ‘Bedankt, Ferguson. Ik zal opnemen als je belt’, zei Dinah. Dinah hing op en zette koffie voor zichzelf. Ze ging voor het raam staan en keek uit over de straat, terwijl ze de bitterzoete geur opsnoof. De hitte was drukkend en had de mensen hun huizen uit gejaagd: kinderen in poedelbadjes, ouders op ligbedden 18


in de schaduw, oudere kinderen die van een koud ijsje genoten. Dinah glimlachte om al die bedrijvigheid en vroeg zich af wat haar zoon Sammy op een dag als vandaag had gedaan als hij nog in leven was geweest. Het was nu drie jaar geleden dat hij was gestorven, samen met zijn vader, Dinahs man. Hij zou nu zes zijn geweest en, gezien zijn avontuurlijke karakter, waarschijnlijk evenveel tijd op school doorbrengen als op de eerste hulp. Dinah merkte dat het verdriet, dat altijd aanwezig was, haar overmande, maar tegelijk glimlachte ze om al die mooie herinneringen. Dit is een belangrijke stap, dacht ze. Het was haar nooit gelukt om iets positiefs te voelen wanneer ze aan Luke en Sammy dacht. Misschien lukte het haar in de realiteit wel beter dan in een door alcohol verdoofde toestand. Nog altijd met een glimlach om haar mond liep ze de keuken in en snuffelde in de koelkast op zoek naar iets eetbaars. Het was voor het eerst in lange tijd dat ze een avond lang niet aan drank dacht. ***** De zon, een feloranje bal, nam alle tijd om achter de horizon te verdwijnen, alsof het hem speet dat hij de inwoners van D.C. niet langer kon tiranniseren. De bommenwerper had gehoopt op de bescherming van de duisternis, maar besloot uiteindelijk dat hij genoegen moest nemen met de schaduw van de schemering. Hij reed voorzichtig. Ook al was de lading achter in de bestelwagen niet instabiel, zwaar was ze wel en hij wilde niet dat de zakken omvielen. Hij reed ook voorzichtig om te voorkomen dat patrouillerende politie aandacht aan hem zou besteden. Hij droeg opvallende, oranje werkkleding zodat het zou lijken 19


alsof hij een klus had uit te voeren. Hij had zelfs wat gereedschap en afzetlint meegenomen. Als ze ernaar zouden vragen, kon hij altijd zeggen dat hij voor de gemeente werkte en een spoedopdracht had gekregen. Uiteindelijk kwam hij bij het uitgekozen doelwit aan. De rooms-katholieke Onze-Lieve-Vrouwekerk, aan Fourth St. NW, was aan het einde van de negentiende eeuw gebouwd met rode bakstenen. De kerk had gekleurde glas-in-loodramen, was niet al te groot en stond op een met gras begroeide hoek van de straat. Een gestage stroom mensen kwam naar de kerk voor de avondmis. De bommenbouwer parkeerde zijn bestelwagen half op de trottoirband, haalde meteen zijn afzetlint tevoorschijn en zette de brandkraan ermee af. Voor voorbijgangers zou het net lijken of hij een noodreparatie aan de brandkraan uitvoerde en hij was sowieso niet van plan om hier lang te blijven. Hij inspecteerde de kraan uitgebreid, beklopte hem en haalde ander gereedschap alsof hij precies wist wat hij deed. Hij bukte en bekeek een bout van alle kanten, alsof die hem op de een of andere manier weerzin inboezemde. Toen kwam hij weer overeind en krabde aan zijn achterhoofd. De slotscène van dit toneelstukje was dat hij deed of hij op zijn mobiele telefoon gebeld werd. Daarna moest hij op zijn horloge kijken en snel weglopen. Zijn hart bonsde staccato in zijn keel. Hij verwachtte dat iemand naar hem zou schreeuwen of hem zou tegenhouden. Aan het einde van de straat, terwijl hij nog altijd deed of hij iemand aan de lijn had, draaide hij zich om en keek de straat in. De voetgangers die hij zag, waren te druk met andere dingen om notitie te nemen van de bestelwagen en liepen er gehaast en zonder op of om te kijken langs. 20


De bommenbouwer keek naar de gebouwen rond de kerk. Misschien had iemand vanuit een raam staan toekijken en had die persoon hem gezien en zich afgevraagd waar hij mee bezig was. De bommenbouwer had voorzorgsmaatregelen genomen: de bestelwagen was gestolen, hij droeg werkkleding en een breedgerande hoed met ref lecterende strepen. Die had hij zo opgezet dat zijn gezicht nauwelijks te zien was. Alles verliep volgens plan. Nu liep de bommenbouwer in de richting van een winkelcentrum in de buurt, waar hij wat te drinken zou halen en aan een tafeltje met uitzicht op de straat zou gaan zitten. Vandaar kon hij de kerk niet zien, maar hij zou wel kunnen zien hoe de bestelwagen ontplofte. Precies om halfzes ving de avondmis in de Onze-Lieve-Vrouwekerk aan. De bezoekers die er op zaterdagavond altijd waren, waren er nu ook. Om 17:42 deed de bommenbouwer, die nog altijd op het terrasje zat, opnieuw alsof hij de telefoon opnam. Maar deze keer drukte hij op het knopje ‘opnemen’. Hij zag de explosie voordat het luide geraas zijn oren bereikte en de stoel onder hem schokte. Een walmende oranje bal rees boven de daken uit en de bommenbouwer kon een glimlach nauwelijks onderdrukken. Het zag er goed uit. Om hem heen klonken luide kreten. De mensen renden instinctief het winkelcentrum uit, bang dat ze straks vast zouden zitten onder tonnen staal en beton, mocht er een tweede explosie volgen. De bommenbouwer, met op zijn gezicht een uitdrukking van blinde paniek, deed hetzelfde, alleen rende hij naar het herentoilet en niet naar de uitgang. Daar liet hij zijn werkkleding achter. Eronder droeg hij een simpele spijkerbroek en een T-shirt. Hij liep naar buiten, de straat op, waar de mensen 21


verwilderd rond krioelden, terwijl het geluid van sirenes steeds dichterbij kwam. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij aan een jonge vrouw die vlak bij hem stond. ‘Weet jij wat er is gebeurd?’ ‘Er is iets ontploft’, zei ze, en haar stem klonk schel. ‘Er wordt beweerd dat de kerk is opgeblazen.’ ‘Wat?’ zei hij ongelovig. ‘Wie zou zoiets nou doen?’ ‘Terroristen’, zei ze ernstig. Hij schudde zijn hoofd alsof hij zijn oren niet kon geloven. Zoals hij al had verwacht, zorgde zijn bom voor een enorme chaos in de stad. Er reden geen treinen meer en alle overige verkeer stond vast. De politie was bezig wegblokkades neer te zetten rond de plek waar de bom was ontploft om auto’s te kunnen controleren. De bommenbouwer liep de vijftien blokken terug naar huis. De hitte was vermoeiend, maar hij voelde zich extatisch en kon de beweging goed gebruiken om wat adrenaline kwijt te raken. Tegen de tijd dat hij bij zijn kleine bungalow was, had het nieuws van de bom de grootste nieuwszenders al bereikt. Als een pyromaan die zijn eigen brand bewondert, keek de bommenbouwer tot diep in de nacht naar het nieuws. Uiteindelijk viel hij in zijn luie stoel in slaap. Tegen de ochtend konden de media een beter beeld van de aanslag geven. Er waren twee doden en vijfendertig gewonden. De kerk zag eruit als een aangeschoten oorlogsschip. Eén muur was volledig weggeblazen en het dak boog gevaarlijk door naar één kant. Op de getroffen plek hing een branderige, zure lucht. Men had niet lang hoeven zoeken naar de bron van de ontploffing. Zo’n drie meter van de ingestorte muur waren de rokende resten van een bestelbusje te bespeuren. Het had niet beter kunnen gaan, volgens de bommenbouwer. 22


Zijn heerschappij van verschrikking was begonnen en het vulde de gapende leegte in hem met een euforie en trots die hij nooit eerder had gevoeld. Iedereen in de stad f luisterde in zichzelf en tegen elkaar: Loop ik gevaar als ik neerkniel om te bidden? Word ik straks opgeblazen als ik tijdens de ochtenddienst Gods lof bezing? Maar iedereen vroeg zich vooral af: Wie heeft dit gedaan en waarom?

23


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
hetduisterwijktdf by Erdee Media Groep - Issuu