De nodiging opnieuw_bw.indd 10
14-09-16 10:40
1 De instelling van het Heilig Avondmaal (Toespraak vóór de uitreiking van brood en wijn) Het was nu drie jaar geleden: Jezus, voor het aangezicht van de Heere opgeschoten als een rijsje en als een wortel uit een dorre aarde, was toen aan Israël voorgesteld en bij Zijn doop plechtig erkend door een stem uit de hemel: ‘Deze is Mijn geliefde Zoon, in Dewelke Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem.’ Hoe waren deze drie jaren verlopen, de meest veelbewogen jaren van onze beschaving, ja van alle beschavingen die deze wereld ooit gekend heeft? Er waren vele heerlijke woorden, woorden vol genade, van de lippen van Jezus gekomen. Tal van heerlijke daden had Hij in Zijn genade verricht. Enkele mensen hadden zelfs, nog voordat het Evangelie overal in de wereld gepredikt zou worden, Zijn heerlijkheid gezien. Het waren zij die Hij had uitgekozen om getuigen te zijn van alles wat Hij had gesproken en gedaan, ook getuigen van Zijn dood en opstanding. Nu brak het moment aan voor de herdenking van de verlossing uit Egypte, uit het huis van dienstbaarheid. Die verlossing waarop de wetgeving bij Horeb was gevolgd en de sluiting van Gods verbond met Israël.
13
De nodiging opnieuw_bw.indd 13
14-09-16 10:40
We moeten echter niet vergeten dat God gezegd had: ‘Zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; niet naar het verbond dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep om hen uit Egypteland uit te voeren; welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE. Maar dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis Israëls maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer een iegelijk zijn naaste en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: Kent de HEERE; want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hunner zonde niet meer gedenken’ (Jer. 31:31-34). Het eerste verbond of testament was niet ingewijd zonder bloed, maar het nieuwe verbond moest ingewijd worden door een betere offerande. Jezus is Zelf de Middelaar van het nieuwe verbond. Nu, aan het einde van het openbare optreden van onze Heere, roept Jezus Zijn discipelen op om vanaf heden een nieuwe inzetting te onderhouden: de plechtige herdenking van het offer waarmee het nieuwe verbond zal worden bevestigd. Hij zegt, als Hij het brood genomen heeft: ‘Dat is Mijn lichaam, hetwelk voor u gebroken wordt.’ En als Hij de drinkbeker neemt, klinkt het: ‘Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot verge-
14
De nodiging opnieuw_bw.indd 14
14-09-16 10:40
ving der zonden.’ Hoort u die woorden? Ziet u wat hier gebeurt? Wie zit er aan het hoofd van de tafel? Wie zijn degenen die met Hem aanzitten? Wat wordt er gegeten? Wat heeft het gekost om dit feestmaal te bereiden? Wat vloeit eruit voort voor Hem? En wat voor Zijn tafelgenoten? Wie zit er aan het hoofd van de tafel? Het is de Heere, Israëls eigen God, gekomen als de Engel van het verbond, Die hier de leiding heeft. De Heere, de Zoon van de levende God, het Woord, ‘Dat in den beginne bij God was – en God was’, het vleesgeworden Woord. Het is de eniggeboren Zoon van de Vader, het afschijnsel van de heerlijkheid van de Vader en het uitgedrukte beeld van Zijn zelfstandigheid. Hij Die in de Vader is, en de Vader in Hem. Hij Die omdat ‘de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, ook desgelijks derzelve deelachtig is geworden’, de waarachtige God, Die ook waarachtig Mens werd, de Zoon van God en de Zoon des mensen; Hij Die zich niet schaamt ons broeders te noemen. Hij is het Die aan het hoofd van deze tafel zit. En wie zijn het die met Hem aanzitten? ‘Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen’ (Luk. 15:2). Het zijn inderdaad de heilige apostelen van de Heere, maar toch: zondaars. ‘… voor velen vergoten, tot vergeving der zonden. Drinkt allen daaruit.’ Hoewel Hij weet dat zij zondaars zijn, eet Hij met hen het brood des hemels. Niet met heilige engelen, maar Hij roept zondaars op om met Hem te eten. Ja, zondaars. O, wat schittert Hij aan deze tafel, als we bedenken dat het zóndaars zijn die Hij ontvangt en met wie Hij eet! Maar het waren
15
De nodiging opnieuw_bw.indd 15
14-09-16 10:40
zondaars over wie Hij met de Vader gesproken had: ‘Zij hebben waarlijk bekend dat Ik van U uitgegaan ben en hebben geloofd dat Gij Mij gezonden hebt’, en: ‘Want de woorden die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen’ (Joh. 17:8). Misschien strekte hun geloof op dat moment nog niet verder dan de kennis van Zijn Persoon, en de kennis dat Hij de woorden van het eeuwige leven had, dat Hij meegebracht had uit de schoot van de Vader. En nu geeft Hij hun, indringender dan ooit tevoren, de woorden van het eeuwige leven: ‘Dit is Mijn lichaam, dat voor u verbroken wordt; dit is mijn vergoten bloed.’ Deze Mens geeft hun Zijn vlees te eten: ‘Mijn lichaam’, het lichaam en bloed van de eeuwige Zoon van God: lichaam en ziel. Ook eerder al had Jezus hun zowel Zijn lichaam als Zijn geest en ziel gegeven. Zij hadden hem gehoord; zij hadden met Hem gesproken; zij hadden geluisterd naar Zijn woorden; ze hadden die ontvangen als woorden van het eeuwige leven; ze hadden Hem aangenomen als de Messias, de Zoon van God, de Koning van Israël. Maar nu is het niet alleen de Christus, maar een verbroken en verbrijzelde Christus. Hij geeft hun Zijn lichaam en bloed: Zijn verbroken lichaam en Zijn vergoten bloed. Wat ligt hier voor ons een les in. We zien Wie God is: een rechtvaardig en heilig God – en wat wíj zijn: schuldige zondaars. Zondaars die het verdienen voor eeuwig verbroken te worden, voor eeuwig met schaamte overdekt te worden, omdat Gods vloek op ons rust. Maar we leren hier ook een tweede les: hoe oneindig de liefde van de Vader is, de vrijwillige
16
De nodiging opnieuw_bw.indd 16
14-09-16 10:40
liefde van de Zoon! ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.’ – ‘Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zet voor zijn vrienden.’ – ‘Ik leg Mijn leven af.’ Bij Zijn sterven werd Zijn ziel bedroefd. Bij Zijn sterven werd Zijn lichaam verbroken en Zijn bloed vergoten. Hier raken wij aan een ondoorgrondelijk mysterie. Hij geeft hun dit brood om te eten, deze drinkbeker om te drinken, de beker des heils. Wat vloeit eruit voort voor Hem? Wij volgen Hem van de avondmaalstafel naar Gethsémané. Hij had Zijn discipelen laten drinken uit de beker. Maar nu moest Hijzélf de beker der vervloeking en veroordeling gaan drinken. In onze plaats, opdat Hij ons de beker des heils zou kunnen aanreiken. Zeker, Jezus had Zich eigenlijk al eerder opgeofferd. Daartoe had Hij Zich gewillig verbonden; het lag ook vast in het verbond tussen de Vader en de Zoon, waarmee de Heilige Geest had ingestemd; het lag vast in Zijn vleeswording en komst naar deze wereld. Maar hier wordt als het ware dat eerdere verbond vernieuwd. Daarom had Hij al op voorhand Zijn discipelen de beker des heils kunnen aanreiken en kunnen zeggen: ‘Dit is Mijn bloed, het bloed van het Nieuwe Testament, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.’ Zou dan nu in Gethsémané die beker aan Hem voorbij kunnen gaan? Dat zou absoluut onmogelijk zijn. Want de discipelen hebben allereerst die heerlijke zekerheid dat Hij Zich aan hen verbonden heeft, verbonden met
17
De nodiging opnieuw_bw.indd 17
14-09-16 10:40
de beker des heils. Maar laten we bovenal niet vergeten hoe onkreukbaar het Goddelijk recht is. Jezus laat de drie door hem uitgekozen discipelen achter om te waken en te bidden. Hijzelf loopt nog enkele stappen verder en valt dan op Zijn aangezicht. Zijn zweet, gelijk aan grote druppels bloed, valt op de aarde. En hoor Hem nu uitroepen: ‘Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan.’ Drie keer bidt Hij dezelfde woorden, maar steeds gevolgd door: ‘Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede.’ Hij kende de inhoud van die beker maar al te goed; Hij, de Mens zonder zonde, deinsde ervoor terug met een heilige vrees. Maar … Hij had Zich ertoe verplicht – Hij had Zijn discipelen immers reeds de beker des heils aangereikt – en het was dus onmogelijk dat de beker van Gods toorn aan Hem voorbij zou gaan en dat de belofte aan Zijn discipelen niet vervuld zou worden. Hier in Gethsémané is Hij alleen, Hij wordt hier door niemand bespot, er zijn geen overpriesters, geen Schriftgeleerden, geen farizeeën, er is geen kruis – Hij is hier met de Vader alleen, en nú neemt Hij die drinkbeker. In zekere zin – we wezen er al op – had Hij die beker al eerder genomen: van eeuwigheid, toen Hij bewilligde in de eisen van het verbond; en ook al bij Zijn vleeswording. Maar nu is het moment gekomen dat Hem de schuld daadwerkelijk wordt toegerekend; alles wat Hij naar het Goddelijk recht moest overnemen van degenen die Hij zojuist de beker des heils had aangereikt. En van Gethsémané gaat het naar Golgotha, waar Hij wordt gekruisigd ‘in zwakheid’. We lezen dat een engel Hem kwam versterken in Zijn zwakheid. Hém, de Machtige. De Almachtige! En toch is het in zwakheid dat Hij
18
De nodiging opnieuw_bw.indd 18
14-09-16 10:40
gekruisigd wordt, in zwakheid dat Hij uitroept: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ Die drinkbeker is het waarin Hij – geloofd zij God! – niet één bittere druppel voor ons overliet. Nee, Hij heeft hem geledigd tot de droesem toe. Wij daarentegen krijgen van Hem de beker des heils aangereikt. Altijd als wij die beker des heils opnemen, moeten wij bedenken dat Christus de beker der wraak kreeg aangereikt, die voor ons bedoeld was. Met het doel dat wij uit de beker des heils zouden mogen drinken. Als wij de zoetheid van die beker genieten, gaat dat altijd gepaard met bitterheid, want wij zien op Hem Die wij doorstoken hebben. Dan rouwklagen wij over Hem ‘gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene’ (Zach. 12:10).
(Toespraak na de bediening van het sacrament) Nu, ‘Hem Die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed, en Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen’ (Openb. 1:5,6). Nadat het avondmaal genoten is, is er die hof – de hof van Gethsémané. Daar ligt een les in. Een les die wij het beste kunnen leren in Gethsémané zelf, want de sterkste aansporing daar luidt: ‘Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.’ Toen Hij deze hof binnen zou gaan, nam Jezus drie van Zijn discipelen mee: Petrus, Jakobus en Johannes. Voordat Hijzelf enkele stappen verder deed, vertelde Hij hun: ‘Mijn ziel is
19
De nodiging opnieuw_bw.indd 19
14-09-16 10:40
geheel bedroefd, tot de dood toe’ en droeg Hij hun op te waken totdat Hij terugkwam. En … alle drie vielen ze in slaap. Laten wij maar geen harder oordeel over hen vellen dan Jezus Zelf deed. Hij zei: ‘De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.’ Het behaagde de Heere Zijn Zoon ‘te verbrijzelen, Hem krank te maken.’ Het was misschien door die hele atmosfeer, van bovenmatige droefheid na grote blijdschap, gevoegd bij het lange wachten, dat zij overmand werden. Ze hadden Hem niet in de steek gelaten, zoals zij later zouden doen. Maar wakker waren ze ook niet. En dat terwijl Hij troost zocht. Hij had hun gevraagd te waken en te bidden, maar ze deden het niet. Ach, wat voor vertrouwen zouden we stellen op de tussenkomst van heiligen, als we zien dat Petrus, Jakobus en Johannes in slaap vielen, terwijl onze Heere geheel alleen de last ging dragen die op ons drukte en de beker ging drinken die wij hadden moeten drinken. Niet de ijver van Petrus, niet de oprechtheid van Jakobus en niet de brandende, zuivere liefde van Johannes kan hen wakker houden. ‘Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.’ Na het genieten van deze maaltijd komen de verleidingen. Judas werd verzocht, Petrus werd verzocht – en ook wij worden opgeroepen te waken en te bidden, opdat wij niet in verzoeking komen. Waken – ‘Waakt met Mij’ – Laten we waken in Gethsémané, waken met Christus. En bidden – Laten wij bidden leren van Hém – Leren bidden ook ons gebed in de verdrukking te besluiten met: ‘Uw wil geschiede.’ Hij heeft ons geleerd te zeg-
20
De nodiging opnieuw_bw.indd 20
14-09-16 10:40
gen: ‘Uw wil geschiede.’ En dat gebed zal u niet zo veel kosten als het Hem gekost heeft. ‘Verkondigt de dood des Heeren, totdat Hij komt’ – ‘Ik zal Uws Naams doen gedenken van elk geslacht tot geslacht.’ Op deze dag, nu we Zijn Woord horen en aan deze tafel zitten, zijn wij getuigen van Gods trouw: Hij gaat nog steeds door om deze belofte, gedaan aan Christus, te vervullen. ‘Totdat Ik kom.’ Dan, ja dan zal deze drinkbeker nieuw gedronken worden in het koninkrijk van de Vader en op de bruiloft van het Lam. Dan zullen deze woorden in vervulling gaan: ‘Het Lam zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren.’ Vandaag worden wij er in alle ernst aan herinnerd hoe kort ons leven is; dat de dag al zo ver is voortgeschreden. In het natuurlijke zal voor sommigen van ons weldra de nacht aanbreken – en niemand van ons weet hoe spoedig. ‘Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven.’ Maar hoe kan dat, sterven in de Heere? Paulus zegt: ‘Het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin.’ – ‘Wij weten dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van de Heere (…) Daarom zijn wij ook zeer begerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welbehaaglijk te zijn.’ En daarbij hebben we ook Zijn belofte: ‘En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.’ Verlaat nu de tafel des Heeren. Hij, Die trouw is aan Zijn Woord, zij U nabij.
21
De nodiging opnieuw_bw.indd 21
14-09-16 10:40