Skip to main content

brugnaargenenisdeel

Page 1

Br u g na a r

Genesis Ds. A. T. Ve r g u nst

Deel 3


Eerder verschenen in deze serie: Brug naar Markus Brug naar Esther Brug naar Genesis I Brug naar Genesis II

Ds. A.T. Vergunst Brug naar Genesis III Š B.V. Uitgeverij De Banier, Apeldoorn 2015 Omslagontwerp en vormgeving: Janneke Paalman Foto op omslag Istockphoto ISBN 978 94 6278 2792 NUR 707-020 www.debanier.nl Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieÍn, opnamen of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Br u g na a r

Genesis Ds. A. T. Ve r g u nst

Deel 3


4

Voorwoord Waarom was er eigenlijk zo veel duisternis en onkunde in de tijd die wij de Donkere Middeleeuwen noemen? Een van de redenen was dat het Woord van God alleen beschikbaar was in een taal die weinig mensen konden lezen. Dat voordeel heeft de satan verspeeld, want inmiddels kunnen de meeste mensen de Bijbel in hun eigen taal lezen. Hoewel… vergeet niet dat er ook in 2015 nog grote groepen mensen zijn die dat voorrecht niet hebben. Tegenwoordig gebruikt de vorst der duisternis andere listen om ons bij het Woord vandaan te houden of er geestelijke lessen uit te trekken. De Brits-Canadese theoloog J. I. Packer schreef: ‘Als ik de duivel was, zou een van mijn grootste speerpunten zijn, de mensen af te houden van het graven in de Bijbel. Omdat dit het Woord van God is, dat leert hoe mensen de God van het Woord kunnen leren kennen, liefhebben en dienen, zou ik er alles aan doen om rond de Bijbel geestelijke valkuilen, doornige heggen, voetangels en klemmen aan te brengen – om de mensen af te schrikken. Ik zou tot elke prijs willen verhinderen dat zij door geregeld onderzoek zouden proberen de strekking van de Bijbelse boodschap te vatten.’ Een van de makkelijkste manieren om dit te bereiken, is simpelweg de mensen zover zien te krijgen dat ze slordig worden in het lezen van Gods Woord, of er helemaal niet meer in lezen. Gods grote tegenstander heeft echt wel succes gehad. Uit een recent onderzoek in de USA blijkt dat 11% van de Amerikanen dagelijks in de Bijbel leest; 50% minder dan eens per maand, of nooit. Maar van hen die zich christen noemen leest ook slechts 18% dagelijks in Gods Woord, terwijl 23% van de belijdende christenen er nooit in leest. Hoe zouden wíj scoren in dit soort statistieken? Niets is zo belangrijk als ons elke dag in het Woord van God te verdiepen. Kijk, God kan ons echt wel op een wonderlijke manier in leven houden; maar toch heeft Hij bepaald dat wij alleen in leven blijven als we eten en drinken. Hij kan voedsel uit de hemel laten regenen; maar toch doet Hij dat doorgaans niet. Nee, Hij geeft ons kracht, vaardigheden en mogelijkheden om te werken voor ons brood. Zo is


5

het geestelijk ook. De wedergeboorte is een soeverein werk van Hem, dat Hij uit genade werkt. En toch heeft Hij bepaald dat die nieuwe geboorte gewerkt wordt door Woord en Geest. Daarom roept Hij ons op steeds bezig te zijn met het Woord, daar te zijn waar de adem van de Heilige Geest leven wekt en leven voedt. Juist met dit doel schrijf ik, geholpen door mijn kleine team, deze boekjes. Het is mijn bede dat God dit werk zal zegenen aan jouw ziel. Aan Hem alle eer! Op deze plaats herhaal ik mijn dank aan de uitgeverij die me hielp dit boek persklaar te maken. Behalve mijn vrouw Michelle, die mij bij dit deeltje opnieuw trouw terzijde stond als eindredacteur, hebben ook Holli Blok en Christina Vergunst meegeholpen, door de tekst kritisch door te lezen. Ds. A.T. Vergunst Waupun, WI, USA september 2015


Inleiding

6

Beste lezer, Wanneer je een nieuw telefoontoestel koopt, vind je in de verpakking een instructie hoe je het toestel moet gebruiken. Natuurlijk weet je al hoe je met zo’n telefoon moet omgaan. Tóch kan het nodig zijn dat je de instructie leest voordat je je telefoon in gebruik neemt. Bijvoorbeeld als er nieuwe functies aan toegevoegd zijn. Lezen hoef je vast niet meer te leren. Dat kun je allang. Maar … weet je hoe je moet lezen om er nut of voordeel van te hebben? Het heeft immers geen zin om iets te lezen en het daarna meteen weer te vergeten. Dat is hetzelfde als stromend water door een trechter gieten, zonder dat je het water opvangt in een kom. Hoe kun je dan wél profijt hebben van wat je leest? Stel jezelf eens een aantal vragen. 1. Waarom ga ik dit boek lezen? Je gaat een boek lezen met een bepaald doel. Dat kan zijn omdat je de tijd wilt vullen. Het kan ook zijn dat je een boek neemt omdat het moet. Je kunt alleen lezen voor ontspanning. Maar je kunt ook een boek nemen om iets te leren. Dat laatste antwoord (om iets te leren) is het beste. Dan lees je namelijk voor je eigen bestwil. 2. Wat wil ik leren van dit boek? Ben jij ernaar op zoek hoe je gered kunt worden? Wil je leren hoe je beter kunt leven? Ben je ernaar op zoek om te weten wat Gods wil is voor jouw leven? Is het voor jou belangrijk te weten hoe je tot vreugde van God onze Schepper kunt leven? Is de zondigheid van je hart een last voor je? Verdriet het je dat je hart vaak zo koud is tegenover God? Al deze vragen worden beantwoord in dit boek, want daarin lees je het Woord van God. God beantwoordt al jouw vragen in de Bijbel.


7

3. Hoe kan ik deze dingen leren uit dit boek? Is dat door het boek alleen te lezen? Is dat doordat je eenvoudig je hart opent en gelooft? Kies je ervoor om jezelf te veranderen als je leest wat God wil? Nee! Op die manier kun je niets leren. Nodig is dat de kracht van de Heilige Geest je hart opent voor wat God zegt in Zijn Woord. Daarom moet je elke keer voordat je de Bijbel leest, bidden tot God!

Een hartelijke groet, Ds. A.T. Vergunst


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 12:1

Bijbelgedeelte

enesis

Veel geschiedenissen – en toch maar één In dit derde boekje over Genesis maken wij kennis met verschillende mensen uit die oude tijden en hun levensverhaal. De eerste die we ontmoeten is Abraham, die wel een heel grote plaats inneemt in de Bijbel. 1 De Heere nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land en uit uw maagschap, uw familie, en uit uws vaders huis, naar het land dat Ik u (aan)wijzen zal.

Om over na te denken: Weet je het nog? Dat je dicht tegen je vader of je moeder aan kroop als die je een verhaal uit de Bijbelse geschiedenissen voorlas? Mooie verhalen, maar ook verdrietige. Van sommige werd je zelfs bang. Er waren erbij die je steeds opnieuw wilde horen. Zoals over de knaap David die vocht tegen de reus Goliath. Of over Jona, de ongehoorzame profeet, die opgeslokt werd door een vis. Misschien kende je die verhalen al uit je hoofd nog voordat je sommen kon maken. Toch is de Bijbel niet zomaar een boek vol verhalen. Wat is het dan wel? Eén lang verhaal, van begin tot eind is het één waargebeurde geschiedenis. Dat ene verhaal heeft een heleboel verschillende hoofdstukken. In deze ‘hoofdstukken’ wordt verteld over het leven van Abraham en David bijvoorbeeld. Andere hoofdstukken zijn profetieën, zoals de boeken Jesaja en Openbaring. Weer andere zijn brieven: van Paulus, Petrus en andere apostelen. Toch vertellen al die hoofdstukken eigenlijk maar één groot verhaal: alles wat we moeten weten over God Zelf, over Zijn grote Zoon en over de Heilige Geest. Wat is dan het grote verhaal dat God ons wil vertellen? Dat het Zijn bedoeling is om Zichzelf te verheerlijken door het zaligmaken van zondaars. Hij vertelt ons dat Hij zondaars zal zaligmaken door de offerande van Zijn eigen Zoon, Jezus Christus. En door het werk van de Geest in de harten van zondige mannen, vrouwen en kinderen.


Dat belangrijke onderwerp: zaligheid, redding, heeft dat ook ons iets te zeggen? Ja! Dat kun je duidelijk merken als je leest over al die mensen en hun problemen. Je leest hoe Abraham uit Ur vertrekt, dat hij een hongersnood meemaakt. Dat hij bang is dat een vijandige koning hem zijn vrouw Sarai af zal pakken. Dat hij bezorgd is om een goede vrouw voor Izak te vinden – Zie je nu dat God in iemands leven zowel voorspoed als tegenslag gebruikt om Zijn doel te bereiken? God wil ons in de Bijbel dus laten zien wat wij moeten weten op onze weg door dit leven. Want wat kunnen we veel leren van al die verschillende manieren waarop God Zijn kinderen heeft geleid. Wat kan het ons moed geven als we lezen hoe God mannen en vrouwen, jongens en meisjes door net zulke zorgen en moeilijkheden heen geholpen heeft als wij meemaken, ook al leven wij enkele duizenden jaren later! Lieten zij het afweten? God bleef trouw. Kwamen zij voor een muur te staan? God toonde dat Hij almachtig was. Sloegen zij een zondig pad in? Zijn genade was sterker en bracht hen weer op de goede weg. Maar waarom zijn het er zo veel, die verhalen? Nu, vergelijk het maar eens met een arts die jou een rondleiding geeft in het ziekenhuis. Op alle verdiepingen liggen ernstig zieke en zwaargewonde patiënten. Deze bekwame arts kan je precies vertellen wat iedere patiënt mankeert en kent de voorgeschiedenis. Maar hij laat je ook zien dat de ingrepen die hij verricht heeft en de medicijnen die hij heeft voorgeschreven, voor veel patiënten tot zegen zijn geweest. Daar zie je een jochie rennen. De arts zegt: ‘Toen hij hier binnenkwam, kon hij absoluut zijn beentjes niet gebruiken.’ Als de arts nu maar één op de duizend patiënten kon aanwijzen die baat gevonden had bij de behandeling, zou je misschien niet erg onder de indruk zijn. Maar als het ging om honderden patiënten …? Daarom ook staan er zo veel verschillende verhalen in de Bijbel. Ze vertellen allemaal iets over de grootheid, de goedheid en de genade van God. Ze laten ons ook zien dat God rechtvaardig en heilig bleef als Hij mensen strafte die niet deden wat Hij hun zo duidelijk geleerd had. Let bij het Bijbellezen vooral op wat God je over Hemzelf leert. En waar je hulp moet zoeken, in wat voor situatie je ook terechtkomt. Speur bovenal naar de grote Parel, Jezus Christus. Lezen: Hebreeën 11:32 - 12:3

9


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 12:1

Bijbelgedeelte

enesis

Oproep om apart te wonen 1 De Heere nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, Haran, dat Abrams thuisland was geworden nadat zijn vader Terah met het grootste deel van de familie daarheen was getrokken (Gen. 11:31), en uit uw maagschap, of: familie, zoals ooms en tantes, en uit uws vaders huis, zijn naaste familie, zoals broers en zussen, naar het land dat Ik u (aan)wijzen zal.

Om over na te denken: Het ging niet goed met de wereld waarin Abram leefde. Ondanks het vreselijke oordeel, de zondvloed, kwamen veel mensen toch weer in opstand tegen God. Wat deed God toen? Hij verwarde de spraak bij de torenbouw van Babel, waardoor de mensen gedwongen werden uit elkaar te gaan en zich over de wereld te verspreiden. Maar daarmee hadden ze nog geen ander hart. De mensen waren nog steeds goddeloos. Er waren in heel die wijde wereld nog wel mensen die de ware God dienden, maar er was niet één volk dat als natie de Heere diende. Met het leven van Abram begint God een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de mensheid. We lezen in deze tekst dat de Heere Abram had opgedragen zijn land te verlaten. Hij scheidde Abram af van alle andere volkeren. Uit Abram bracht de Heere een natie voort die Hij als Zijn volk aannam. Later kon God zeggen tegen Israël, de nakomelingen van Abram: ‘Uit alle geslachten des aardbodems heb Ik ulieden alleen gekend’ (Amos 3:2). Op zekere dag draagt God Abram op: ‘Verlaat uw land en uw familie, en trek naar een land dat Ik u aan zal wijzen.’ Abram moest afscheid nemen van zijn vertrouwde woonomgeving en van het merendeel van zijn geliefde familieleden en vrienden. Als mensen in die tijden naar een andere omgeving trokken, was het waarschijnlijk dat ze nooit meer iets van elkaar zouden zien of horen. Er bestond niet zoiets als post, telefoon of mail.


Abram wist niet wat zijn bestemming zou worden. Als wij aan een reis beginnen, hebben we doorgaans wel enig idee waar we naartoe gaan. Abram echter moest op reis in totale afhankelijkheid van Gods leiding. Daar was veel geloof voor nodig! Het is duidelijk dat Abram dit geloof gekregen heeft, want al in vers 4 lezen we dat hij inderdaad wegtrok uit zijn land. Het was een moeilijke opdracht. Maandenlang moest Abram door onbekend gebied reizen, onder de hete zon, terwijl er overal gevaar loerde. Maar God heeft hem niet om laten komen. De Heere is trouw. Wie in het geloof gehoor geeft aan Zijn opdracht, wordt altijd gezegend. Gehoorzaam jij de Heere als Hij roept? Hij zal jou wellicht nooit opdragen naar een ander land te trekken. Wél gebiedt de Heere jou Hem lief te hebben, zelfs meer dan vader, moeder, broer of zus (Luk. 14:26). Hij beveelt ons Hem te zoeken: ‘Vraagt naar de Heere en Zijn sterkte, zoekt Zijn aangezicht geduriglijk’ (Ps. 105:4). Dat houdt in dat ik weleens een spannend boek weg moet leggen of stoppen met iets leuks waar ik mee bezig was, tijd vrij moet maken voor het lezen van Zijn Woord en om te bidden. En dat ik even al mijn digitale apparatuur uitschakel, zodat ik bij het zoeken van God nergens door afgeleid word. Ken jij van die momenten waarop je probeert echt met God alleen te zijn? IJverig de Heere zoeken is moeilijk. Dat doen we niet vanzelf. Maak jij tijd vrij om biddend Zijn Woord te onderzoeken? Staat het zoeken van de Heere bij jou nummer één, voordat iets anders beslag op je tijd en je gedachten legt? Er zijn veel mensen die zichzelf dwingen om het pianospelen bij te houden of hun conditie op peil te houden. Ook dat gaat niet vanzelf. En toch doen ze het, omdat zij er het nut van inzien. Maar er is geen hoger doel dan God te verheerlijken door Zijn wil te leren kennen en Hem te gehoorzamen! Of zie je daar niets in? Vind je het wel belangrijk, maar … voor later? De dingen tussen God en jou kunnen geen uitstel lijden. Het gaat om je eeuwige bestemming. En trouwens, jij bepaalt niet zelf hoelang je nog te leven hebt. Wacht er geen dag langer mee om God boven alles te zoeken, nu Hij Zijn oordeel nog uitstelt en jou tijd geeft voor bekering. Nú is het nog ‘de dag der zaligheid’. Lezen: Spreuken 8:17-21; 33-36

11


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 12:2-5

Bijbelgedeelte

enesis

‘Ik zal …’ 2 De Heere God had Abram niet alleen bevel gegeven weg te trekken, maar hem ook beloofd dat Hij hem zou zegenen – en in Abram alle volken van de wereld. En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen en uw naam groot maken, of: beroemd; in Genesis wordt Abram beschreven als ‘een vader van menigte der volken’ (17:5), een ‘profeet’ (20:7), een ‘vorst Gods’ = ‘machtig vorst’ (23:6); en later in de Bijbel wordt hij genoemd ‘Gods liefhebber’ (2 Kron. 20:7) en de ‘knecht van God’ (Ps. 105:6); en wees een zegen, of: een bron van zegen voor anderen. 3 En Ik zal zegenen die u zegenen, en vervloeken die u vloekt; de Heere zal Abram beschermen op de lange reis naar zijn nieuwe land; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden. Toen de Heere dit tegen Abram zei, waren alle volken verdeeld en verstrooid, als gevolg van het oordeel dat God in Babel uitgesproken had. Maar God maakt nu in Zijn genade bekend dat, via Abram, Zijn zegen toch alle volken van de aarde bereiken zal. Deze belofte is vervuld door de komst van de Heere Jezus Christus. 4 En Abram toog heen, gelijk de Heere tot hem gesproken had, en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaar oud, toen hij uit Haran ging. 5 En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, die 65 jaar was, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, dienstpersoneel, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit om te gaan naar het land Kanaän, een reis van zo’n 400 mijl of 640 kilometer; en zij kwamen in het land Kanaän.


Om over na te denken: De reis was nu echt begonnen. Abrams verhuizing naar zijn nieuwe bestemming was niet alleen een lange en langzame reis, maar ook een gevaarlijke. Ze hadden immers duizenden dieren bij zich, die op tijd moesten grazen. Abram zou een gemakkelijke prooi geweest zijn op die tocht naar een onbekende bestemming. Toch hoefde hij niet bang te zijn, onder de hoede van de allerbeste Beschermer. Met ‘Ik zal …’ had de Heere Zich verbonden voor hem te zorgen en over hem te waken. In het ‘Ik zal …’ van de Heere ligt het geheim van alle zegen. Let er maar eens op hoe vaak God die woorden in de Bijbel gebruikt. Met dat ‘Ik zal …’ belooft Hij ook Zichzelf te geven om zondaars zalig te maken en hen te leiden door Zijn Heilige Geest. Als jij of ik ‘Ik zal …’ zeggen, kunnen we dat echt menen, maar later blijkt dat we onze woorden niet waar kunnen maken. Zo is het bij God nooit. Echt nooit! Hij is altijd in staat Zijn eigen woorden waar te maken, omdat Hij de Almachtige is. En Hij komt ook na wat Hij zegt, omdat Hij de Trouwe is. Met ‘Ik zal …’ belooft God Abram ook tot een zegen voor anderen te stellen. Uiteindelijk werd uit het geslacht van Abram de Heere Jezus geboren. Omdat Hij de Zaligmaker van zondaars is, heeft Hij al een ontelbaar aantal mensen uit alle volken van deze wereld gezegend met Zijn heil. Ook vandaag gaat God nog door met dat uitvoeren van Zijn woorden ‘Ik zal …’ Net als Abram, is iedereen die de Heere vreest, een zegen voor anderen. Volkeren die de Heere niet vrezen, beseffen niet dat ze zo rijk gezegend worden juist omdat er kinderen van God in hun midden wonen. We zullen later zien dat Laban in zijn bedrijfsvoering gezegend werd omdat Jakob bij hem werkte. En toen Jozef in het huis van Potifar werkte, zegende de Heere ook die man rijk. Ben jij ook een zegen voor anderen bij je thuis of in je klas? Want als je de Heere vreest, dan bid je voor de mensen om je heen, omdat je zo graag zou zien dat iedereen de Heere dient. Ook zul je op je hoede zijn voor de zonde, want door de zonde komt er onenigheid, afgunst en narigheid in je leven. Lezen: Psalm 1

13


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 12:6-9

Bijbelgedeelte

enesis

Het huisaltaar 6 En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats, of stad, Sichem, tot aan het eikenbos Moré; en de Kanaänieten waren toentertijd in dat land. 7 Zo verscheen de Heere aan Abram en zeide: Uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den Heere, Die hem verschenen was. Abram zelf kreeg het land niet in bezit, maar zijn zaad (zijn nakomelingen) zou het krijgen. Om uiting te geven aan zijn dankbaarheid aan de Heere voor Zijn goedheid, en ook om de Heere te smeken om bescherming op het laatste stuk van de reis, bouwde Abram een altaar. 8 En hij brak op vandaar naar het gebergte tegen het oosten van Bethel, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Bethel tegen het westen en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar den HEERE een altaar en riep de Naam des Heeren aan; het was een openbare godsdienstoefening, samen met zijn gezin en zijn dienstpersoneel. 9 Daarna vertrok Abram; letterlijk staat er: hij trok zijn tentstokken uit de grond, gaande en trekkende naar het zuiden.

Om over na te denken: ‘Zijn we er al bijna?’ Hoe vaak wordt dat niet gevraagd als we een lange reis moeten maken en nauwelijks kunnen wachten tot we er zijn. En dat geldt natuurlijk helemáál als je naar een ander deel van de wereld verhuist. Hoe zou het in dat nieuwe huis zijn? Misschien kwam dit soort vragen ook wel bij Abram op. Al maanden was hij nu, in een traag tempo, onderweg met zijn familie, zijn dienstpersoneel en het vee. Maar dan verschijnt ten slotte de Heere en zegt: ‘Dit is het land dat Ik uitgekozen heb voor u en uw nakomelingen.’ Wat zou jij doen als jullie er eindelijk waren en je vader de auto stilzette? Zou je niet gelijk uit de auto springen en je nieuwe omgeving gaan verkennen? Ja toch? Want


je bent blij dat jullie veilig en wel op je bestemming zijn en wilt nu gauw weten hoe het er allemaal uitziet. Toen Abram aankwam in het land dat God aan Zijn nakomelingen zou geven, ging hij natuurlijk ook gelijk op onderzoek uit. Of niet? Een boer gaat toch meteen kijken of er voldoende gras is voor zijn vee? En waar de drinkpoelen en bronnen liggen? Maar nee, de Bijbel spreekt met geen woord over al zulke dingen. Wel wordt ons in deze paar verzen twee keer verteld dat Abram een altaar bouwde. Abram bestemde een speciaal stuk van het tentenkamp als de plek waar hij met heel zijn familie en personeel samen kon komen om de Heere te zoeken en te danken. Abram hechtte heel veel belang aan die speciale plek van samenkomst rond het altaar waarop dieren werden geofferd. Toen Abram later een paar keer moest opbreken om ergens anders voedsel voor zijn kudden te zoeken, liet hij het soms na om zo’n altaar voor de Heere te bouwen. Dat duidt erop dat hij toen niet meer zo ijverig en trouw was om de Heere om Zijn leiding te smeken – en toen liep het ook niet best af! In ieder huis en in ieder mensenleven staat ook een ‘altaar’. Anders gezegd, allemaal dienen we iets of iemand. Waar dat altaar aan de Heere gewijd is, zul je iets merken van een diep respect voor het Woord van God. Die mensen lezen en studeren er dagelijks in. Het zijn ook de gezinnen waarin je ouders en kinderen samen tot de Heere ziet bidden, om Zijn zegen ziet smeken en hoort vragen naar Zijn wil. Zulke gezinnen doen dat niet enkel uit traditie, nee, heel hun leven ademt toewijding aan God. Er zijn ook gezinnen waar het ‘altaar’ van het hart gewijd is aan geld, werk, vakantie, sport, eigen ik of een geweldig huis. Al hun tijd, moeite, aandacht en geld wordt besteed aan aardse zaken. Zo’n huis lijkt wel een paleis. In werkelijkheid is het eerder een slavenkamp, waarin satan en de zonde heer en meester zijn. Staat er bij jullie thuis ook zo’n altaar als Abram had? Wees dankbaar dat je opgroeit in een huis waar de Heere, de God van de Bijbel, gediend wordt. Hoe ouder je wordt, hoe meer je de grote waarde van dit Godsgeschenk zult beseffen. Toch is het niet voldoende om in zo’n gezin op te groeien. Want, hoe ziet jouw eigen altaar eruit? Anders gezegd, wat of wie dien jij? Waar gaat je vrije tijd aan op? Neem je elke dag de tijd om de Heere te zoeken? Lezen: Psalm 19

15


Genesis 12:10-13 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Een gevallen held 10 En er was honger in dat land – een zware beproeving voor het geloof van Abram, want zijn vee kon niet zonder gras; schaarste aan gras zou ook geleid hebben tot gespannen verhoudingen met de Kanaänieten; zo toog Abram af naar Egypte om daar als een vreemdeling te verkeren, of: daar enige tijd te verblijven, dewijl de honger zwaar was in dat land. Egypte stond toen al bekend als de ‘korenschuur’ van de oude wereld. Maar het was ook een land waar Gods wetten niet de leefregel waren. Het was in Egypte bijvoorbeeld heel gewoon om met meer dan één vrouw getrouwd te zijn. 11 En het geschiedde als hij naderde om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet dat gij een vrouw zijt schoon, of: knap, van aangezicht. 12 En het zal geschieden als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden. Abram dacht: Als een Egyptenaar het oog laat vallen op Sarai, zal hij mij zonder aarzelen ombrengen en haar tot zijn vrouw maken. Als Sarai nu maar bekendstond als zijn zuster, zouden ze Abram, hoopte hij, laten leven en hem zelfs om toestemming vragen haar als vrouw te nemen, of hem voorstellen haar te kopen. 13 Zeg toch, wees zo goed te zeggen: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij welga om u, en mijn ziel om uwentwil leve. Als de Egyptenaars zouden denken dat Sarai de zuster van Abram was, zouden ze hem, de broer, wellicht met respect behandelen, ook al zou er een Egyptenaar met haar willen trouwen. Het was inderdaad een halve waarheid dat Sarai zijn zuster was (Gen. 20:12); maar je kunt een waarheid zeggen met de bedoeling te liegen. Dit voorstel van Abram was ook wel erg zelfzuchtig – hij was bezorgder om zijn eigen toekomst dan om die van Sarai. Want hoe zou het haar vergaan als ze bij hem weggehaald werd en met een Egyptische man trouwde? Het voorstel van Abram was niet alleen dwaas, maar ook erg egocentrisch.


Om over na te denken: Wat zien we vaak dat wereldberoemde sportmensen, zangers of acteurs betrokken raken bij dronkenmansfeesten, drugsgebruik, corruptie en andere soorten kwaad! Dat hoeft ons niet te verwonderen als mensen de Heere niet vrezen, Hem niet willen erkennen. Maar hoe kon nu een godvrezend iemand als Abram zo diep vallen, zo ontzettend onoprecht en zelfzuchtig zijn? Weet je waar de zonde vaak begint? Als wij iets nalaten wat we wel moeten doen. Zo begon het ook toen de slang eerst Eva verleidde en vervolgens Adam. Op dat beslissende moment bad geen van beiden tot God! Waarschijnlijk heeft ook Abram de Heere niet om leiding gebeden voordat hij wegtrok uit het land waar de Heere hem gebracht had. Ook lees je niet dat hij in Egypte een altaar bouwde. En als hij beseft dat zijn leven en dat van Sarai gevaar lopen, lees je opnieuw niets over bidden. Als de Heere niet wordt gekend in onze beslissingen en keuzes, laat God zelfs Zijn eigen kinderen weleens een gevaarlijke weg inslaan. Wat een zegen en bescherming genoot David toen hij in de spelonk was en tot God bad, ook al moest hij vluchten voor zijn leven! Maar later, toen hij in zijn gerieflijke paleis woonde, verslapte zijn gebedsleven. De held die ooit Goliath verslagen had, werd nu geveld door een aantrekkelijke vrouw. En anderzijds, wat een kracht en vastberadenheid bij Daniël, die drie keer per dag zijn knieën boog, ondanks de dreiging van de leeuwenkuil. Zijn drie vrienden stonden voor het meest beslissende moment in hun leven toen de koning dreigde: Buigen of branden! En … alledrie waren het mannen met een gebedsleven. Bid jij ook altijd bij beslissingen en keuzes? Zoek je in Gods Woord naar Zijn wil? God liet Salomo de belofte neerschrijven: ‘Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken’ (Spr. 3:6). Wie in dat spoor gaat, loopt niet verkeerd. Want als je geknield de Almachtige zoekt en om Zijn leiding bidt, kun je nooit ver afdwalen. Lezen: Spreuken 3:1-8

17


Genesis 12:14-20 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Een gemiste kans 14 Abrams vrees voor Egyptenaars die Sarai als vrouw wilden hebben, werd al snel bewaarheid. En het geschiedde als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon, of: knap, was. 15 Ook zagen haar Farao›s vorsten, of: hovelingen, en prezen haar bij Farao; ze gaven hoog op van haar uiterlijk, en misschien ook wel van haar innerlijke schoonheid, omdat Sarai (zie 1 Petr. 3:3-6) een rustig en vriendelijk karakter had; en de vrouw werd weggenomen naar Farao’s huis; dit gebeurde pas na een gesprek tussen Farao en Abram, zie vs. 19. 16 En hij deed Abram, zijn nieuwe zwager, goed om harentwil; zodat hij had schapen en runderen en ezels, en knechten en maagden, en ezelinnen en kemels; omdat deze dieren toentertijd in Egypte niet voorkwamen, wijst die opsomming wellicht op Abrams rijkdom: een tweede reden voor Farao om hem met gunsten te overladen. 17 Maar de Heere plaagde Farao met grote plagen, of: pijn, ook zijn huis, ter oorzake van Sarai, Abrams huisvrouw. Of deze bezoeking Gods antwoord op gebeden van Abram en Sarai was, weten we niet; maar het was duidelijk een onverdiende gunst! 18 Toen riep Farao Abram en zeide: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? Tegenwoordig zouden we wellicht zeggen: ‘Wat hebt u mij aan durven doen?’ Waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven, dat zij uw huisvrouw is? 19 Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster; zodat ik haar mij tot een vrouw zou genomen hebben? Het blijkt dat God Sarai wonderlijk heeft bewaard, want Farao had haar nog niet tot vrouw genomen. En nu, zie, daar is uw huisvrouw; neem haar en ga heen. Farao lijkt te willen zeggen: Als ik geweten had dat ze uw vrouw was, had ik haar nooit bij u weggenomen. Of dit waar was, daarover kan alleen God oordelen. Want meestal brachten koningen simpelweg iedereen om die hun plannen of verlangens in de weg stond. 20 En Farao gebood zijn mannen vanwege hem; hij beval zijn mensen Abram, Sarai en al wat zij hadden, op geen enkele manier kwaad te berokkenen; want er


waren erbij die wellicht buitengewoon kwaad waren om het bedrog van Abram. De zin kan ook betekenen dat Farao zijn dienstknechten opdroeg Abram en Sarai te begeleiden op hun terugtocht; en zij geleidden hem en zijn huisvrouw en alles wat hij had.

Om over na te denken: Wat een vertoning! Ik denk zomaar dat Abram en Sarai beschaamd het hoofd lieten hangen toen ze zich zonder een woord te zeggen verwijderden van Farao’s troon. Ze wisten dat hij gelijk had. En toen ze terugkwamen bij hun tenten en hun vee, schaamden ze zich misschien nog dieper. Farao had ook nog gezorgd voor een grote troep soldaten om hen op de terugweg uit Egypte te begeleiden. Ook Abram moest tot zijn schande ervaren dat mensen zonder genade weleens oprechter handelen dan Gods kinderen. Het voorval was niet alleen beschamend, het was ook een gemiste kans om te getuigen hoe groot de Heere God is. In het begin waren de Egyptenaars vast wel onder de indruk van die nieuwkomers in hun gebied. Maar van die goede indrukken was niets overgebleven toen Abram met zijn grote bezit uit hun land verdreven werd. Maar al te makkelijk doen wij precies zo in het openbaar. Als jij je misdraagt in de supermarkt of op een schooluitje, kun je de Naam van Christus grote oneer aandoen. Vergeet nooit dat andere mensen nooit zomaar toevallig jouw pad kruisen. Gód brengt hen daar en daarom kun je een middel in Gods hand zijn om hun te laten zien wat de goede weg is en wat de enig geldende normen en waarden zijn. Natuurlijk is het wel zo makkelijk om in het openbaar niets te laten merken van je overtuiging. Maar zou dat ook beter zijn? Als de mensen jou bij McDonald’s zien bidden, worden zij eraan herinnerd wat zijzelf ook zouden moeten doen. Of als ze zien dat jij oudere mensen met respect bejegent, kan jouw gedrag gebruikt worden als een pijl tot hun overtuiging. Of het werkt als licht, waarvan aantrekkingskracht uitgaat! Lezen: Daniël 3:8-23

19


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 13:1-4

Bijbelgedeelte

enesis

Denken, bidden … en dan pas doen 1 Alzo toog Abram op uit Egypte naar het zuiden van het land Kanaän, hij en zijn huisvrouw en al wat hij had, en Lot met hem. 2 En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver en in goud. Trekkende stammen bezaten doorgaans geen goud en zilver. Maar misschien had Abram in Egypte goed zaken kunnen doen; of maakte het deel uit van Farao’s bruidsschat voor Sarai. 3 En hij ging volgens zijn reizen, waarbij vaak gestopt moest worden voor het vee, van het zuiden van Kanaän tot Bethel toe, tot aan de plaats waar zijn tent in het begin geweest was, tussen Bethel en tussen Ai; 4 Tot de plaats des altaars dat hij in het eerst daar gemaakt had; en Abram heeft aldaar de Naam des Heeren aangeroepen.

Om over na te denken: Werkelijk groot zijn hoeft niet te betekenen dat je nooit een fout maakt. Iedereen schiet weleens tekort in zijn leven, omdat wij allemaal zondaars zijn. We lazen zojuist dat Abram zijn vertrouwen niet op God stelde, maar zelf een plan bedacht om zich te beschermen. Werkelijk grote mensen geven hun fouten toe en doen er alles aan om lering te trekken uit hun val. Het is een grote zelfoverwinning als we ons ongelijk toegeven tegenover iemand die wij benadeeld hebben. En het levert ons levenswijsheid op als we onze gangen nagaan om te kijken wat precies de oorzaak van onze misstap geweest kan zijn. We lezen niet dat Abram tegenover Farao toegaf dat hij verkeerd gedaan had. Wel lezen we dat deze grote man de weg terugging na zijn zondige keus, tot precies de plek waar de ellende was begonnen. Tot de plaats waar dat eerste altaar nog steeds stond. Abram ging opnieuw openlijk in gebed, met zijn gezin en zijn personeel.


Sprak hij er zijn spijt over uit dat hij ze allemaal op het verkeerde pad geleid had? Dankte hij de Heere voor Zijn grote genade, waardoor ze allen bewaard waren voor de vreselijke gevolgen van Abrams verkeerde keus? Nam hij de tijd om samen met hen na te gaan wat voor belangrijke lessen ze geleerd hadden? We weten het niet. Wél weten we dat deze geschiedenissen tot onze lering in de Bijbel staan. Het is heel goed om nog eens rustig na te denken over een bepaalde verkeerde keus uit het verleden. De meesten van ons denken liever niet terug aan eigen pijnlijke of dwaze keuzes, omdat we ons schamen. Maar het staat voor mij vast dat Abram, toen hij dezelfde weg terugging waarlangs hij in Egypte beland was, in gedachten zijn eerdere keuzes aan een nauwkeurig onderzoek onderwierp. Jezelf onderhanden nemen verandert niets aan de situatie, maar kan wel heel heilzaam zijn om te leren van je eigen fouten en die van anderen. In de hoop dat je in de toekomst niet meer de verkeerde weg inslaat. Herinner je je zo’n keus waardoor je in de problemen kwam? Ja? Vraag jezelf dan eens af hoe je tot die keus kwam. Anders gezegd, wat was de eerste aanleiding? Wat had je ermee voor? Dan ontdek je wellicht dat je je hebt laten leiden door je gevoel. Dat doen we soms: handelen in een impuls, zonder na te denken. En juist dan gaat het vaak helemaal fout. Want gevoelens zijn belangrijk en een prachtig onderdeel van ons mens-zijn. Maar ze hebben niet de taak om ons te leiden. Nee, daarvoor heeft God ons ons verstand gegeven. Niemand van ons komt ooit op het idee om een gloeiend hete kool in z’n blote handen te nemen om de kou te verdrijven. Onmiddellijk waarschuwt je verstand je dat je dan je huid verbrandt in plaats van je lekker te warmen. Bedenk er echter wel bij, dat sinds onze zondige opstand in het paradijs, ook ons verstand verduisterd is. Het is niet langer een betrouwbare gids. Daarom is het nodig dagelijks te studeren in de Bijbel, de ware bron van wijsheid. Want daarin lezen we wat Gód goed of slecht, verstandig of dwaas voor ons vindt. Een gewaarschuwd mens telt voor twee. Hoe jonger we daarachter komen, des te beter. Lezen: Psalm 119:33-40

21


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 13:3-4

Bijbelgedeelte

enesis

Abram terug naar Bethel 3 En hij ging volgens zijn reizen, van het zuiden noordwaarts, tot Bethel toe, tot aan de plaats waar zijn tent in het begin geweest was, waar hij voor de eerste keer na zijn aankomst in Kana채n zijn tenten had opgeslagen, tussen Bethel en tussen Ai; 4 Tot de plaats des altaars, dat hij in het eerst daar gemaakt had en dat daar nog steeds stond; en Abram heeft aldaar de Naam des Heeren aangeroepen.

Om over na te denken: Je leest dat Abram terugreist, steeds weer een stukje. En krijg je ook niet de indruk dat hij eigenlijk geen rust kon vinden voordat hij ten slotte weer in Bethel kwam? Abram kon niet blij zijn voordat hij die inmiddels vertrouwde heuvels weer in het oog kreeg en het altaar zag dat hij gebouwd had bij aankomst in Kana채n. Want hij besefte dat ze het in Bethel veel beter gehad hadden dan toen hij en Sarai in Egypte waren. Hij voelde maar al te goed hoe hij gefaald had. Die reis naar Egypte hadden ze nooit mogen maken. Hij had zijn noden aan de Heere God moeten toevertrouwen. Die had hem toch geroepen en beloofd hem Zelf te beschermen? Als je zulke beloften gekregen hebt, hoef je niet bang te zijn voor honger of vijanden. Abram zou dolgraag dit hoofdstuk uit zijn levensboek gescheurd hebben. Ik hoef jullie toch zeker niet te vertellen dat de geestelijke verhouding tussen Abram en God vreselijk had geleden onder dit alles? Door zijn bedrog, wantrouwen en zelfbedoelen was er een grote kloof tussen God en zijn ziel gevormd. Wat zal zijn gebedsleven er ook onder geleden hebben. Het spreekt eigenlijk vanzelf dat we nergens lezen dat hij in Egypte een altaar bouwde! Maar nu wil Abram dit alles achter zich laten. Hij verlangde terug naar de blijdschap


en de vrede van die eerste tijd. Daarom kon hij ook niet uit Bethel wegblijven. Hij hoopte dat dáár alles weer goedgemaakt kon worden. Net als Abram, moeten ook wij zonder uitstel terugkeren van de wegen die ons van God afgevoerd hebben. Toen de mens geschapen werd, leefden we in volkomen vrede met onze Schepper. Er was geen sprake van een donkere wolk of een zweem van angst. Maar Adam, onze vader, keerde God de rug toe en volgde de satan. En omdat hij ons verbondshoofd was, werden wij allemaal meegesleurd. De vreselijke gevolgen daarvan ondervinden wij nog dagelijks. Wij moeten leren dat een leven los van God de dood betekent. Echt, blijvend geluk is alleen te vinden in een herstelde verhouding tot God. Alle andere remedies zijn surrogaat. Dat had Abram ook geleerd en daarom zien we hem teruggaan naar het altaar. Daar aangekomen, offerde hij een van zijn dieren, om uiting te geven aan zijn berouw over al die zonden van de afgelopen maanden. Daar smeekte hij ook de Heere om genade. Dat offer op het altaar wijst op de Heere Jezus Christus en Zijn werk als Middelaar. Want Abram kon niet bij God terugkomen zonder offer op dat altaar. Hij was schuldig – en God is heilig en rechtvaardig. Maar door Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus, is het mogelijk dat wij, zondaars, naderen tot onze heilige, rechtvaardige Schepper en Hem smeken om genade, op grond van Jezus’ verdiensten. Daarom wordt Jezus de Deur genoemd. In Hem heeft God de enige weg geopend waarlangs wij kunnen en mogen terugkeren tot Hem. Probeer toch niet tot God te naderen zonder de Heere Jezus te smeken je Middelaar te zijn. Probeer geen altaar te bouwen van je goede daden, je prettige karakter of zelfs je ernstig zoeken van God. Waardevolle zaken, maar geen van die kan Hij aannemen, omdat ze alle bevlekt zijn met zonden. Nee, God heeft gehandeld dwars door onze onmogelijkheid heen. Wie kan uitspreken hoe groot de Middelaar is Die door God gegeven is en Die volkomen zalig kan maken allen die door Hem tot God komen! Hoe schuldig en onwaardig je ook bent … Lezen: Lukas 18:9-14

23


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 13:5-9

Bijbelgedeelte

enesis

Vreedzaam 5 En Lot, die met Abram toog uit Ur naar Haran en vervolgens naar Egypte, had ook schapen en runderen en tenten. Het zal dus ook Lot goed gegaan zijn in Egypte. Niet alleen was zijn veestapel uitgebreid, maar ook het aantal tenten. Dat wijst erop dat hij meer knechten met hun gezinnen had moeten aantrekken om zijn kudden te weiden. 6 En het land droeg hen niet om tezamen te wonen; want hun have, of: vee, was veel, zodat zij tezamen niet konden wonen in vrede; ze hadden namelijk allebei voldoende goede weidegrond voor hun vee nodig. 7 En er was twist, spanning en geruzie, tussen de herders van Abrams vee en tussen de herders van Lots vee over het land dat beschikbaar was om af te grazen; iedere herder wilde het beste voor zijn eigen kudde. Ook woonden toen de Kanaänieten en Ferezieten in dat land. Die volkeren maakten eveneens aanspraak op deze weidegrond; bovendien hoorden ze ook het schandelijke geruzie aan tussen mensen die de ware God dienden. 8 En Abram zeide tot Lot: Laat toch geen twisting zijn, anders gezegd: Ik smeek het u, tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broeders, familie van elkaar en behoren dus niet op zo’n manier met elkaar in conflict te komen. 9 Is niet het ganse land voor uw aangezicht, beschikbaar om af te weiden? Scheid u toch van mij; op een erg vriendelijke manier dringt Abram er bij Lot op aan om in vrede uit elkaar te gaan; zo gij de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo gij de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.

Om over na te denken: Nu Abram en Lot terug zijn in Kanaän, leidt de grote behoefte aan gras en water voor de almaar groeiende kudden tot onenigheid tussen hun herders. Het loopt


hoog op. Abram is bang dat al die wrijving op zekere dag zal uitlopen op geweld dat niet meer in de hand te houden is. Om twee redenen wilde Abram geruzie voorkomen: omdat vechten niets op zou lossen; en, erger nog, dit slechte voorbeeld zou een smet werpen op de Naam van God in de ogen van de heidense volkeren rondom hen. Als mensen die de Heere volgen niet met elkaar in vrede kunnen leven, wat onderscheidt hen dan nog van de wereld? Wat gaat er voor aantrekkingskracht uit van mensen die met elkaar overhoop liggen? Met wijsheid en ootmoed, maar ongetwijfeld ook met verdriet in zijn hart, stelt Abram voor in vrede uit elkaar te gaan. Zijn optreden was volkomen in overeenstemming met Gods wil, zoals uitgedrukt in Romeinen 12:18: ‘Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen.’ We moeten doen wat we kunnen om steeds in vrede met elkaar te leven. Vrede met iemand sluiten of in vrede met elkaar blijven leven, brengt soms mee dat je afstand doet van iets waar je erg aan gehecht bent. Soms houdt het in dat je de minste moet zijn, of, zoals Jezus zei: ‘Degene die u aan de wang slaat, bied ook de andere.’ De Heere Jezus beveelt niet dat je iemand die jou blijft kwetsen, maar ongestoord moet laten begaan. Hij bedoelt dat wij de minste moeten willen zijn als dat de vrede bevordert. Anders gezegd, dat wij het kwade moeten overwinnen door het goede. Abrams voorbeeld dwingt respect af! Hoewel hij de oudste was van de twee en hoewel God hem dit land als zijn toekomstige erfenis had toegezegd, liet hij toch aan Lot de eerste keus. En, zie je dat? Het blijkt dat godsvreze en geloof bij Abram weer levendig zijn. Nog maar onlangs had hij geleerd dat God in al zijn behoeften wist te voorzien, wat voor gevaren, moeilijkheden of onrecht zich ook voordeden. In Egypte was Abram zelfzuchtig en oneerlijk, maar nu zien we onzelfzuchtig en ootmoedig gedrag. Hij is bereid verlies te incasseren als hij daarmee de vrede bewaren kan. Jezus noemt zulke vredestichters ‘zalig’, omdat zij bekend zullen staan als ‘kinderen van God’ (Matth. 5:9). Lezen: Romeinen 12:14-21

25


Genesis 13:10-13 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Wat het oog niet ziet, het hart niet deert 10 We lazen dat Abram bij Bethel woonde, dus dicht bij een van de hoogste heuvels van Palestina. Vanaf die heuveltop konden Abram en Lot het land uitstekend overzien. En Lot hief zijn ogen op, liet zijn ogen naar alle windstreken gaan, en hij zag de ganse vlakte der Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer de Heere Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof des Heeren, als Egypteland, als gij komt tot Zoar. Tegenwoordig is het vrijwel onhoudbaar in deze gloeiendhete, dorre woestenij, een gevolg van de latere verwoesting van Sodom en Gomorra. Uit dit vers blijkt echter dat het in Abrams dagen een uitstekend weidegebied was, dat zelfs aan de hof van Eden deed denken: er was voldoende water, en gras en bomen groeiden er welig. Het leek nog het meest op de vruchtbare Nijlvlakte in Egypte. 11 Zo koos Lot voor zich de ganse vlakte der Jordaan; dat leek het beste voor zijn vee en zijn gezin; en Lot trok tegen het oosten; en zij werden gescheiden, de een van de ander. 12 Abram dan woonde in het land Kana채n; en Lot met zijn herders en de gezinnen woonde in de steden der vlakte, en sloeg tenten tot aan Sodom toe. Lot streek zelf neer dicht bij Sodom, om maximaal profijt te kunnen trekken van de voorzieningen en het vertier. We weten niet of hij al gelijk dicht bij Sodom ging wonen of later pas. 13 En de mannen van Sodom waren boos, en grote zondaars tegen de Heere. Lot had die plek daarom niet als woonplaats moeten kiezen.

Om over na te denken: Door de genade van God had Abram een innerlijke afkeer gekregen van de zonden die hij in Egypte begaan had. Lot lijkt echter blijvend veranderd. De pracht en praal van Egypte hebben in het hart van Lot en zijn gezin de kiemen gelegd van een


parasiet die hen langzaam maar zeker in zijn wurggreep zou krijgen. Wat een waarschuwing voor ons! Een godvrezend persoon kan in Gods genade hersteld worden, maar hoe loopt het af met degenen die zo iemand door een slechte invloed of een slecht voorbeeld had meegesleept? In gedachten beklimmen we met Abram en Lot die hoge heuvel. Het strekt Lot niet tot eer dat hij ingaat op het edelmoedige aanbod van Abram om als eerste te kiezen. Zie je hoe de begeerte Lot steeds vaster in haar wurgende greep krijgt? Aangelokt door het zicht op de lieflijke Jordaanvallei met haar rijke weidegronden, met ook nog eens veel mogelijkheden om handel te drijven, heeft Lot zijn keus snel gemaakt. En hij zal dicht bij Sodom gaan wonen, want het stadsleven heeft veel te bieden. Als we later Lot op zijn levenspad volgen, zal duidelijk worden wat een dwaze en zondige keus dit was. Wat Lots ogen zagen, wilde zijn hart hebben. Zo werkt het ook vandaag nog. Niemand weet dat beter dan de vorst der duisternis, satan. Hoe veel harten, van jongeren en ouderen, worden er niet ingepalmd bij het surfen op internet? Ook al ben je niet op zoek naar iets zondigs, ineens kun je geconfronteerd worden met naaktscènes en die smerige pornografie. En wat is het verleidelijk om te blijven hangen op sites waar je hart wordt vergiftigd door de zonde. Je geweten fluistert dat het verkeerd is en vreselijk zondig. En toch … Mag ik je waarschuwen: pornografie is niet alleen zondig, het beschadigt je ook. Net als drugs, doet pornografie iets met je geest! Geloof maar niet dat je de zonde de baas kunt. We weten uit de Schrift dat Lot een man met genade was, zie 2 Petrus 2:7-8. Maar door de keus die hij maakte, voerde hij zichzelf naar de ondergang én zijn hele gezin. Misschien heeft hij zijn geweten nog gesust: hij zou in zijn nieuwe leefomgeving goed van de Heere kunnen spreken. Dat was dan wel fout geredeneerd, want hij wandelde zelf niet eens op de smalle en rechte weg, die naar het leven leidt. Waar kijk je naar? Waar luister je naar? Wat lees je? Welke sites bezoek je? Wat zet je op je sociale media? Schuif je, net als Lot, steeds dichter op naar wat de wereld te bieden heeft aan activiteiten en vermaak? Dan smeek ik je: Denk aan Lot! Lezen: Spreuken 4:20-27

27


Genesis 13:12-13 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

De bedorven lucht van Sodom 12 Abram dan woonde in het land Kanaän; en Lot woonde in de steden der vlakte, en sloeg tenten tot aan Sodom toe. 13 En de mannen van Sodom waren boos, en grote zondaars tegen de Heere.

Om over na te denken: Lot was een ‘vleselijk’, een wereldsgezind christen. Hij was begiftigd met het geloof, maar dat geloof was niet zijn leefregel. O nee, zijn leven werd bepaald door alles wat er te zien viel en waarvan je kon genieten. Lot moet bepaald niet een voorbeeldfiguur voor je zijn. Nooit lees je dat Lot een altaar bouwde of bad. Hij leefde niet in nauwe gemeenschap met God. Wat er voor hem toe deed, was: Waar voel ik me prettig bij en wat levert me het meeste op? Omdat hij zo aardsgericht was, koos hij ervoor om dicht bij Sodom te gaan wonen. Algauw echter woonde hij in de stad zelf en ten slotte haalde hij ook zijn gezin naar Sodom. Wat was er eigenlijk mis met Sodom? Waarom was het voor Lot en zijn gezin zo gevaarlijk om daar te gaan wonen? Sodom was geestelijk gezien een bedorven plek. Dus toen zij daar woonden, gingen ze als vanzelf die bedorven lucht inademen: de levenswijze van hun goddeloze stadgenoten. Volgens Ezechiël 16:49-50 waren dat hoogmoedige mensen, die nergens gebrek aan hadden. Maar ze gebruikten hun overvloed niet om armen en gebrekkigen te helpen. Nee, al hun lege uren werden besteed aan het zich uitleven in afschuwelijke zonden. Op wat voor terrein die zonden lagen, wordt ons verderop in Genesis wel wat duidelijker. Heb je je weleens gerealiseerd dat wij bijna allemaal in net zo’n maatschappij als Sodom leven? De zonden waardoor Sodom bezoedeld was, hebben als een kwalijke damp ook onze maatschappij vergiftigd. In de houding van onze regering, in onze winkelcentra, in de kledingindustrie, in tijdschriften en op billboards, in de vermaakswereld, in de manier waarop ongetrouwde en getrouwde mensen met elkaar


omgaan, op internet en via onze sociale netwerken – overal komen we in aanraking met die Sodomsgeest. We ademen die constant in. Het is goed om te beseffen hoe gevaarlijk die Sodomslucht is. Maar het is nog beter als we er alles aan doen om die lucht helemaal niet in te ademen. Het minste wat we kunnen doen, is niet dichter bij ‘Sodom’ te gaan wonen dan nodig is. Want dat deed Lot nu juist wél! Echt álles ontlopen is onmogelijk. We moeten leven in deze maatschappij. Sommigen van ons werken de hele dag samen met mensen die ‘Sodom’ uitstralen in alles waar ze over praten of in hun kleedgedrag. Wellicht heb je op school of op de universiteit docenten die proberen je geest te infecteren met de normen van Sodom. Zodra je de poort van onze huidige cultuur door bent, bijvoorbeeld internet, loop je gevaar meegezogen te worden door diezelfde luchtstroom. Ik geef toe: niet alles wat ons uit deze regionen toewaait is bedorven lucht. Lichamelijke inspanning bijvoorbeeld is gezond voor je lichaam en je geest. Na een vriendschappelijke competitie ga je soms met des te meer energie aan je werk. Te weinig lichaamsbeweging is niet goed voor je – maar te véél ook niet. Muziek kan heilzaam werken, maar het kan je ook beschadigen. Via sociale netwerken kun je contact onderhouden met vrienden ver weg, maar diezelfde media kunnen ook een hellend vlak worden, je geest vergiftigen, zeeën van tijd kosten en een sta-in-de-weg vormen voor écht contact met de mensen om je heen. Hoe kun je nu toch gezond blijven terwijl die Sodomslucht overal om je heen waait? Het geheim ligt in een systematisch inademen van zuivere lucht. Het is van levensbelang dat je de waarheid van Gods Woord inademt. Elke dag! Je zondigt als je daar de hand mee licht. Hoe druk je het ook hebt, je moet echt de tijd nemen voor persoonlijk Bijbellezen. Het is door het Wóórd dat de Geest van God leven en zaligheid in je ziel wil werken. Maar adem ook verantwoord úít: laat het gebed tot God je dagelijkse ademtocht zijn. In onze moderne maatschappij lopen goed en verantwoord, zondig en schadelijk zo door elkaar heen. Ga niet alléén op pad in zo’n uiterst gevaarlijke omgeving! Zonder God blijft niemand in leven in die bedorven, verleidelijke lucht. Lezen: 1 Korinthe 10:1-12

29


Genesis 13:14-18 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Het Beloofde Land 14 En de Heere zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef nu uw ogen op, en zie – niet met begerige ogen, zoals Lot, maar met het oog van het geloof – van de plaats waar gij zijt, noordwaarts en zuidwaarts en oostwaarts en westwaarts; als het de hoge berg Hebron was waar Abram op stond, had hij ver zicht in alle richtingen. 15 Want al dit land, dat gij ziet, dat zal Ik u geven, en uw zaad tot in eeuwigheid. God herinnerde Abram aan Zijn eerdere verbondsbeloften: dat zijn nageslacht dit land zou krijgen. 16 En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde; zodat, indien iemand het stof der aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden. De nakomelingen van Abram zouden te veel zijn om geteld te kunnen worden. In hen zijn ook begrepen alle ware gelovigen in de Heere Jezus; zij worden in het Nieuwe Testament kinderen van Abraham genoemd. 17 Maak u op, wandel, of: trek zelf, door dit land in zijn lengte en in zijn breedte; want Ik zal het u geven. 18 En Abram, die voldeed aan de opdracht om het land te gaan bekijken dat God hem en zijn nageslacht beloofd had, sloeg tenten op, en, aan het eind van zijn tocht, kwam en woonde, bleef wonen, aan de eikenbossen van Mamre (genoemd naar een stamhoofd van de Amorieten), die bij Hebron zijn; en hij bouwde aldaar den Heere een altaar.

Om over na te denken: Bij het lezen van deze beloften moeten we niet vergeten dat Abram nu oud en kinderloos was. Bovendien bezat hij geen meter grond in het land dat hij doortrok, terwijl hij overal wel anderen zag die land in bezit hadden en het bewerkten. Toch zal Abram goedsmoeds die inspectietocht gemaakt hebben. Want op elke plek moest hij vol blijdschap denken aan de God Die dit land aan hem en zijn nageslacht beloofd had.


In de Bijbel stelt God op veel plaatsen een Beloofd Land in het vooruitzicht dat nog veel heerlijker is! Het land Kanaän is maar een heel zwakke afschaduwing van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde die God aan Zijn kinderen belooft. In de Schrift wordt veel verteld over dat toekomstige, eeuwige leven. Het wordt genoemd het paradijs Gods, het huis des Vaders, de schoot van Abraham, en ook: een ‘schone’, een heerlijke erfenis. De Bijbel zegt eigenlijk meer over wat daar níét is dan over wat er wel zal zijn. Er zal bijvoorbeeld geen zonde zijn, geen verdriet, geen tranen, geen oorlog, geen duivel en … er zal geen einde aan komen. Daar zal God wonen met Zijn kinderen; allemaal zullen ze samen wonen in vrede, liefde en heiligheid. Hoe dat in werkelijkheid zal zijn, daar zijn geen woorden voor! Maar het zal heerlijker zijn dan alles wat wij ons ooit kunnen voorstellen! Ieder kind van de Heere zou veel meer moeten lijken op Abram, die het beloofde land van alle kanten ging bekijken. God moedigt Zijn kinderen aan te denken aan al Zijn beloften over de toekomst. Zou het dan niet veel makkelijker worden om het uit te houden in al de beproevingen en strijd waar zij op hun levensweg mee te maken krijgen? Valt het je op dat deze beloften niet gedaan worden aan andere volkeren in Kanaän? Zo is het ook nu nog. Gods beloften voor de toekomst worden alleen gegeven aan hen die berouw hebben over hun zonden en geleerd hebben al hun betrouwen voor de zaligheid alleen op de Heere Jezus Christus te stellen. Dát zijn de echte kinderen van Abram en zij zullen delen in de toekomstige heerlijkheid van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. We moeten maar nooit zomaar wat fantaseren over de hemel, zonder te bedenken dat wij persoonlijke genade nodig hebben om voorbereid te worden op het leven daar. Hoe staat het met jouw ziel? Leef je nog steeds voor het hier en nu? Is de zonde je tot last geworden, omdat je er God mee onteert? Is God echt belangrijk voor jou? Zoek je de Heere Jezus, omdat je voelt dat je hart vernieuwd moet worden en de relatie tot je Schepper hersteld? Wij kunnen zelf niet veranderen wat alleen de Heilige Geest anders kan maken. Maar ben jij steeds bezig met Zijn Woord? Want dáár waait de Geest van God met Zijn genaderijke werking. Lezen: Spreuken 1:20-33; Johannes 3:1-8

31


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 14:1-7

Bijbelgedeelte

enesis

De schaduw van de Almachtige 1 Het is al heel wat jaren geleden dat Lot en Abram uit elkaar zijn gegaan. Historisch onderzoek heeft aangetoond dat er in al die landen, van Syrië tot Egypte, lange tijd vrede en welvaart heerste. Daar komt plotseling verandering in als een aantal koningen samen een grote legermacht op de been brengt, en vanuit het Oosten Kanaän geselt. De Jordaanvallei was een erg belangrijke handelsroute tussen Noord en Zuid. Of deze invasie en bezetting plaatsvond voordat Lot zich losmaakte van Abram, is niet duidelijk. En het geschiedde in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, Babylonië, van Arioch, de koning van Ellasar, de belangrijkste stam in Zuid-Babylonië, van Kedor-Laomer, de koning van Elam, het oorspronkelijke Perzische koninkrijk, en van Tideal, de koning der volken, of Goyim, wellicht een stam in Noordoost-Babylonië; 2 Dat zij, deze koningen, krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboïm, en de koning van Bela, dat is Zoar. Deze ‘koningen’ waren in feite vorsten over een stad. Tegenwoordig zouden we ze burgemeesters noemen, hoewel deze stadskoningen meer macht hadden dan onze huidige burgemeesters. 3 Deze allen, al deze Babylonische koningen, voegden zich tezamen in het dal, of de vlakte, Siddim, dat is de Zoutzee, tegenwoordig de Dode Zee genoemd. Deze vallei van Siddim was erg vruchtbaar; bovendien was zij rijk aan asfaltputten (lijmputten) en delfstoffen. 4 Twaalf jaar hadden zij Kedor-Laomer gediend en de jaarlijkse schatting opgebracht; maar in het dertiende jaar vielen zij af en weigerden nog langer te betalen. Kedor-Laomer besloot hun een afstraffing te geven en bracht deze strijdmacht op de been om het gebied opnieuw te bezetten. 5 Zo kwam Kedor-Laomer in het veertiende jaar, en de koningen die met hem waren, en sloegen de Refaïeten in Asteroth-Karnáïm en de Zuzieten in Ham en de Emieten in Schave-Kirjathaïm, volkeren waarover weinig bekend is. KedorLaomer tuchtigde niet alleen de vijf rebellerende stadskoningen, maar trok een verwoestend spoor van het Noorden tot diep in het Zuiden.


6E n de Horieten op hun gebergte Seïr, of Edom, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woestijn is, en later bekendstond als de noordelijke helft van het Sinaï-schiereiland. Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ze elk dorp dat ze tegenkwamen, plunderden en verwoestten, ook de landerijen. De bevolking werd uitgeroeid of gevangengenomen. 7D aarna keerden zij weder en kwamen tot En-Mispat, dat is Kades, en sloegen al het land der Amalekieten, en ook de Amoriet, die te Hazezon-Tamar woonde. Deze plaatsen lagen ten zuiden en westen van de vijf opstandige steden. Wellicht deed Kedor-Laomer dit om rugdekking te hebben voordat hij doorstootte naar de opstandige steden. Op deze laatste veldtocht moeten de legers Abram op korte afstand gepasseerd zijn.

Om over na te denken: Hoe ontkwam Abram aan de verschrikkingen die in deze verzen beschreven worden? Hem, zijn dienstpersoneel en al zijn vee werd geen haar gekrenkt, hoewel de verwoestende hordes bij hem in de buurt geweest moeten zijn. Het is uitsluitend te danken aan de bewarende zorg van de Heere over Zijn knecht. Zij die op de Heere vertrouwen, ‘zullen vernachten in de schaduw van de Almachtige’! Als je deze bescherming kent, zul je door niets aangetast of omgebracht worden. Toch zal al dat geweld in de buurt voor Abram wel een beproeving van zijn geloof betekend hebben. Maar God sterkte dat geloof. In plaats dat Abram wegvluchtte, legde hij zijn lot in Gods handen. God laat nooit beschaamd uitkomen wie op Hem vertrouwt. Dit betekent niet dat zulke mensen altijd ontkomen aan de gruwel van het geweld. Maar áls God toelaat dat zij er slachtoffer van worden, mogen zij zich troosten met de waarheid dat ‘alle dingen medewerken ten goede voor degenen die God liefhebben’ (Rom. 8:28). Lezen: Psalm 56

33


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 14:8-13

Bijbelgedeelte

enesis

Een verkeerde stap  8 Als de omringende stammen ten onder zijn gebracht, gaan Kedor-Laomer en zijn bondgenoten ten slotte afrekenen met de vijf rebellerende steden. Toen toog de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koning van Adama, en de koning van Zeboïm, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorde in het dal Siddim,  9 Tegen Kedor-Laomer, de koning van Elam, en Tideal, de koning der volken, en Amrafel, de koning van Sinear, en Arioch, de koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf. 10 Het dal nu van Siddim was vol lijmputten, of asfaltputten; en de koning van Sodom en die van Gomorra vluchtten en vielen aldaar, of: verscholen zich in of bij deze putten; en de overgeblevenen, die aan de strijdmacht ontkomen waren, vluchtten naar het gebergte. 11 En zij, de vier koningen en hun zegevierende strijdmacht, namen al de have van Sodom en Gomorra en al hun spijze, etensvoorraden, en trokken weg. 12 Ook namen zij Lot, de zoon van Abrams broeder, en zijn have, ze plunderden dus ook zijn bezit, en trokken weg; want hij woonde in Sodom. 13 Toen kwam er een die ontkomen was, en boodschapte het Abram, de Hebreeër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, de Amoriet, broeder van Eskol en broeder van Aner, dewelke Abrams bondgenoten waren; ze hadden blijkbaar een soort verbond gesloten. Hier vinden we voor het eerst de uitdrukking ‘Hebreeër’ in verband met Abram. Doorgaans wordt aangenomen dat deze naam afstamt van Heber, een van Abrams voorvaderen (Gen. 10:21; 11:17).


Om over na te denken: Het is je misschien ontgaan toen je deze verzen de eerste keer las. Maar merk je wat er met Lot gebeurd is? ‘Nogal makkelijk; hij werd gevangengenomen’, zul je zeggen. Daar heb je gelijk in – alleen, besefte je niet dat hij twee keer gevangengenomen is? ‘Twee keer?’ Als je heel nauwkeurig leest, zie je dat God ons hier nog meer wil leren. Laten we samen vers 12 nog eens lezen, vooral het slot: ‘want hij woonde in Sodom’. Snap je nu wat ik bedoel met ‘twee keer gevangengenomen’? Er staat dus dat hij in Sodom woonde! Aanvankelijk was hij bij Sodom gaan wonen. Maar inmiddels woonde hij in de stad zelf. Hij had zijn tenten afgebroken en had woonruimte in de stad gekocht. Is daar iets mis mee? zul je vragen, want misschien woon je zelf wel in een stad. Nee, er is niets mis mee als je in een stad woont – maar wél als iemand daar is komen wonen met verkeerde motieven. Lot heeft de bakens in zijn leven verzet. De bekoring en verleiding van die goddeloze stad hebben hem en zijn gezin kennelijk helemaal ingepalmd. Dagelijks ademen ze nu die bedorven lucht in. Het hele gezin werd besmet – hoe kon het ook anders – met het dodelijke virus van wereldsgezindheid. Daardoor raakten ze steeds verder verwijderd van de God van Abram. Lot werd dus de gevangene van wereldse verleidingen en werelds succes. Het oudtestamentische Sodom is een sprekend beeld van de zondige wereld waarin jij en ik opgroeien en leven. Dezelfde bedorven lucht die Lot en zijn gezin inademden, hangt ook overal om ons heen. Wat is het moeilijk om niet meegevoerd te worden met al die verleidingen! Vergeet toch niet jezelf bij al je keuzes af te vragen: Brengt dit boek, deze site, dit beeld, deze post of chat me dichter bij God of voert het me juist van Hem af? Pantser ik me zo steeds meer tegen de heilzame invloed van Gods Woord? Stel ik me zo steeds meer bloot aan het besmettelijke verderf van de wereld? Geef ik toe aan allerlei verkeerde gedachten en onrein gefantaseer? Je verzeilt makkelijker in een gewaagde omgeving dan dat je je ervan los kunt maken. Lot merkte dat te laat! Lezen: Psalm 119:1-8

35


Genesis 14:14-16 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Broederliefde 14 Als Abram hoorde dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na, een heel moedige onderneming, ongetwijfeld voorafgegaan door vurig gebed, tot Dan toe, dat in het hoge noorden van Kanaän ligt. 15 En hij verdeelde zich tegen hen, omdat zij met 318 man maar een heel kleine groep vormden vergeleken met het grote aantal strijders van de tegenpartij, des nachts, hij en zijn knechten, en sloeg hen, Kedor-Laomer en de andere vorsten, en hij jaagde hen na tot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damascus, of: ten noorden, want de Hebreeërs oriënteerden zich op het Oosten in plaats van (zoals wij doen) op het Noorden. Hoewel Abram dapper was en zich afhankelijk wist van de Heere, kende hij wel zijn verantwoordelijkheid. Door zijn legertje te verdelen en de tegenpartij van verschillende kanten aan te vallen, in het donker, voerde Abram een uitstekend opgezette verrassingsaanval uit, waardoor de vijandelijke legers overrompeld en ontmoedigd werden. 16 En hij bracht alle have weder; en ook Lot, zijn broeder, en zijn have bracht hij weder, alsook de vrouwen en het volk.

Om over na te denken: Abram had kunnen redeneren: ‘Ik heb Lot nog zó gewaarschuwd! Hij heeft wind gezaaid, nu moet hij storm oogsten. Ik ben trouwens geen partij voor dit leger. Mijn herders weten wel hoe ze wilde dieren te lijf moeten gaan. Maar het zijn geen strijders, die zich kunnen meten met deze grote bewapende menigte. Als ik ga proberen Lot en de zijnen te redden, zet ik mijn leven en dat van mijn mannen op het spel.’ Veel anderen zouden wellicht zo gereageerd hebben. Maar Abram niet. Dit kind van God zag scherp wat hier moest gebeuren. Zijn gezond verstand zal hem gezegd hebben dat deze reddingsactie bijzonder gevaarlijk en moeilijk was. Toch aarzelde


Abram geen moment. Hij verzamelde zijn mannen en maakte zich klaar voor de achtervolging. Al zijn vertrouwen was op de Heere zijn God gevestigd. Met Hem zouden ze zelfs de strijd met nog veel grotere en beter getrainde legers aandurven. Hij was ervan overtuigd dat God hem riep tot deze taak. Dan zou God hem ongetwijfeld ook helpen. Maar Lot had zich toch schandalig tegen hem gedragen? Moest hij daar nu niet zelf de consequenties van dragen? Is er geen grens aan onze liefde voor anderen? Goede vragen! Het zou echt niet onrechtvaardig zijn als Abram z’n neef nu aan zijn lot overliet. Maar … de edelmoedige Abram deed er toch geen kwaad aan dat hij liefde bleef koesteren voor de zoon van zijn broer, voor zijn vroegere vriend? Zou het geen gebrek aan liefde geweest zijn als hij er niet alles aan had gedaan om Lot te bevrijden? Als Abrams heldhaftige en edelmoedige poging mislukt was, had hij daaruit kunnen afleiden dat het Gods wil was dat Lot niet verlost werd uit dit zware lijden. Maar als hij het niet geprobeerd had, zou Abram niet ‘zijn naaste hebben liefgehad als zichzelf’ (Luk. 10:27). Misschien kom jij ook ooit voor een vergelijkbare beslissing te staan. Iemand in wie je teleurgesteld bent of iemand die jou zwaar gekwetst heeft, kruist later weer je levenspad en heeft dan je meeleven en je hulp nodig. Je kunt vrienden in je eigen kerk hebben die de wereld in trekken en openlijk zondige keuzes maken. Moet je die zomaar laten gaan? Zijn ze alleen nog goed genoeg om over hen te roddelen? Of moeten we zijn als die herder, die in de woestijn op zoek ging naar zijn verloren schaap? Of als Abram, die alles deed om Lot te bevrijden? Wat is het toch een zegen dat God niet is zoals wij! Hoewel de mens in het paradijs de grootst mogelijke ontrouw pleegde, heeft Hij ons niet aan ons lot overgelaten. Hij is niet alleen op zoek gegaan naar mensen die zondigden tegen Zijn liefde, maar ging zelfs zo ver dat Hij Zichzelf, in Christus, als slachtoffer gaf om rebellen, zoals Lot, te redden. Lezen: 1 Johannes 3:11-18

37


Genesis 14:17-20 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Gods Priester-Koning 17 En de koning van Sodom, die de strijd wellicht had overleefd door zich te verschuilen in of bij de asfaltputten, toog uit hem tegemoet (nadat hij wedergekeerd was van het slaan van Kedor-Laomer en de koningen die met hem waren), tot het dal Schave, dat is het dal, of de vallei, des konings; dit dal lag waarschijnlijk dicht bij het huidige Jeruzalem. 18 In het Hebreeuws begint een zin als regel met het werkwoord. Déze zin echter met een naam: Melchizedek. Zo wordt de aandacht gevestigd op de onverwachtse verschijning van een uiterst belangrijk persoon. En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn voor de hongerige strijders die op de terugtocht waren; en hij was een priester des allerhoogsten Gods. Melchizedek betekent ‘gerechtigheid’ en Salem betekent ‘vrede’. 19 En hij, Melchizedek, zegende hem, Abram, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste; daarmee wordt onderstreept dat God absoluut hoger en groter is dan alle afgoden; Die hemel en aarde bezit. 20 En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft; waarmee Melchizedek erkende dat Abram het middel in Gods hand was geweest om deze verlossing te schenken. En hij, Abram, gaf hem, Melchizedek, de tiende van alles; van alles wat hij gered had uit de handen van de aanvallende koningen. De ‘tiende’ is een tiende deel van alles wat Abram uit deze strijd mee terugbracht. Door tienden te geven eerde Abram God, want hij zag in Melchizedek een priester van God.

Om over na te denken: Zomaar ineens lezen we over een man die door Abram wordt erkend en geëerd als iemand die veel belangrijker is dan hijzelf. En is het niet verbazingwekkend dat we hier een Kanaäniet tegenkomen die dezelfde God diende als Abram? Wie was hij? Uit wat voor familie kwam hij? Hoe had hij God leren kennen en hoe


was hij Hem gaan dienen als Zijn priester? Over welk volk was hij koning? Dienden ook zij de Heere? Er is veel gespeculeerd over deze vragen. Maar we hebben geen antwoorden. Eén ding wordt later in de Bijbel echter volkomen duidelijk: Melchizedek was een opvallend type van de Heere Jezus Christus. In Hebreeën 7:3 staat zelfs dat Melchizedek aan de Zoon van God ‘gelijk geworden’ was. Voordat Jezus geboren werd, had God van tijd tot tijd iets laten doorschemeren over de komende Priester en Koning. Het is duidelijk dat ook Melchizedek moest dienen als zo’n ‘type’ van Christus, een zwakke afschaduwing van de komende Messias. Jezus Christus is Gods Gave aan zondige mensen; in tal van opzichten. Allereerst is Hij gegeven als Hogepriester. Priesters vertegenwoordigen het volk bij God. Zij treden op als middelaar, als iemand die tussen de partijen staat. Voordat de mens zondigde, hadden wij geen priester nodig. Onze verhouding tot God werd door niets verstoord. Maar dat is niet zo gebleven. Wij staan allemaal schuldig aan ongehoorzaamheid en zijn het niet waard om eeuwig bij God te wonen. Wat een genade en liefde! God schonk Zijn eigen Zoon als Hogepriester voor zondaars. Maar daarvoor moest Hij wel mens worden. Want alleen een mens kan priester zijn voor mensen. Behalve als Priester, is de Heere Jezus ook geschonken als Koning. En dat werd eveneens in Melchizedek uitgebeeld. Jezus is Koning over heel de wereld. Zijn gezag gaat over elk detail van deze aarde, maar ook over ieder mens, of die dat nu wel of niet gelooft. Abram heeft Melchizedek vereerd. Zo moeten ook wij op de Heere Jezus ons betrouwen stellen als Priester, én Hem in liefde gehoorzamen als Koning. Mensen met een geredde ziel leerden dat zij nooit voor God kunnen bestaan zonder dat Jezus, als hun Priester, hun zonden voor Gods aangezicht bedekt. Zij benodigen en eren Hem ook als hun Koning. Wie anders zou dat kunnen, ons verdorven hart veranderen in een hart dat met blijdschap en vrijwillig God dient? God is al onze hulde waard omdat Hij die heerlijke Priester-Koning op de troon van hemel en aarde geplaatst heeft! Hij is de allerbeste Koning, want Hij is alleen maar goed, Hij is almachtig; daarom ook kan Hij volkomen zaligmaken állen die door Hem tot God komen. Lezen: Psalm 110

39


Genesis 14:21-24 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Verleidelijk aanbod 21 Behalve met Mechizedek, had Abram ook een ontmoeting met een andere koning. Die deed een verleidelijk aanbod. En de koning van Sodom, die besefte dat hij Abram veel dank verschuldigd was, omdat die zijn leven had gewaagd voor de inwoners van Sodom, zeide tot Abram: Geef mij de zielen, maar neem de have, zoals goud, kostbare kleding, gereedschap of vee, voor u. 22 Doch Abram zeide tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven – een plechtige gelofte of eed gedaan – tot de Heere, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit; 23 Zo ik van een draad af tot een schoenriem, of schoenveter, toe, ja, zo ik van alles wat uwe is, iets neme; opdat gij niet zegt, later trots beweert: Ik heb Abram rijk gemaakt. 24 Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, om op krachten te blijven, en het deel dezer mannen die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, geen personeel van Abram maar welwillende buren, die hem geholpen hadden, laat die hun deel nemen.

Om over na te denken: Als iedereen je prijst, wees dan op je hoede! Als alles voor de wind gaat, ben je vaak het meest kwetsbaar. Hoe dat zo? Abram zal ongetwijfeld van alle kanten lof toegezwaaid zijn toen hij terugkeerde van het strijdtoneel. Hij en zijn mannen brachten een groep mensen mee terug die misschien wel juichten van blijdschap: ze waren aan een slavenbestaan ontkomen! Het grote gevaar was afgewend en iedereen zal zich opgelucht gevoeld hebben. Maar lof kan gevaarlijk zijn. Je zou zomaar gaan geloven dat je iets bijzonders was. En maar al te makkelijk vergeten dat de Héére ons talenten en mogelijkheden geeft. Hem komt alle lof toe. Terwijl Abram, omstuwd door dankbare mensen, op de terugweg was, zal zijn trots


wel geprikkeld zijn. Had hij geen recht op al die buit en de gevangenen die hij uit de greep van de overvallers gered had? In één klap zou hij een stuk rijker kunnen worden dan hij al was. We weten echter uit vers 22 dat Abram van tevoren een plechtige gelofte had gedaan. ‘Heere God, ik zal voor mezelf absoluut niets nemen van alles wat ik aan de greep van deze overvallers ontrukt heb, behalve het voedsel dat we genoten hebben. Aan U alleen alle eer!’ Die gelofte heeft Abram gehouden, ook toen de koning van Sodom hem al die buit aanbood. Hoe ontzettend verleidelijk dit aanbod ook was en hoewel alleen God van deze gelofte afwist, toch wees Abram het voorstel als ongepast af. Van zo’n houding kunnen wij wat leren! Je krijgt misschien complimentjes als je iets goed gedaan hebt. Stel je voor, je bent heel goed in muziek. Na een uitvoering klinkt er applaus. En dat vind je prachtig! Het geeft je het gevoel dat je iets bijzonders bent. Het is ook niet verkeerd, als je ergens goed in bent of iets goed gedaan hebt – en je krijgt daar waardering voor. En het is ook goed als anderen hun waardering uiten voor iemand die iets goed doet, zich voor iets of iemand uitslooft of iets moois tot stand brengt. Maar wees wel op je hoede voor wat die waardering met je doet! Het is daarom goed om al van tevoren te bedenken hoe je omgaat met applaus, complimenten of waardering voor iets wat je goed gedaan hebt. Besef dat alleen God de eer toekomt voor wat jij zo goed gedaan hebt. Begin jij soms te klappen voor de hamer als je een mooi huis ziet? Of voor de verfkwasten als je een prachtig schilderij ziet? Alleen het idee al … Nu, als je dat een raar idee vindt, waarom tillen we dan wel musici en artiesten over het paard? Die bekwaamheden hebben ze uiteindelijk toch niet van zichzelf? Mensen die jou zo prijzen, moet je er maar tactvol op wijzen dat je alles aan God te danken hebt. En laat niemand vergeten, ook jijzelf niet, dat er nog zo veel anderen waren die hebben bijgedragen aan jouw succes: ouders die je aanmoedigden; docenten die je begeleid hebben; technici die het materiaal of de instrumenten ontwikkelden waarmee jij zo goed uit de voeten kon. Allemaal mensen die zelden of nooit waardering krijgen voor hun vele inspanningen! Lezen: 1 Korinthe 15:9-10 en 1 Petrus 4:10-11

41


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 15:1

Bijbelgedeelte

enesis

God is Abrams Schild en Loon 1 Na deze dingen, zoals de overwinning op de koningen, de redding van Lot, de zegen van Melchizedek en de waardering die het volk en de koning van Sodom lieten blijken, geschiedde het woord des Heeren tot Abram in een gezicht, want de Heere zag Zijn kind worstelen met kwellende gedachten en onzekerheden, zeggende: Vrees niet, Abram, Ik ben u een Schild, om u te beschermen, uw Loon zeer groot, of overvloedig, waarmee God Abram nu en in de toekomst zou begiftigen.

Om over na te denken: Na al deze gebeurtenissen keerden Abram en zijn mannen terug naar hun eigen tenten. Ze gingen hun werk als schaapherders weer oppakken. Het ligt voor de hand dat er heel wat tijd en werk in te halen viel. Wellicht was het pas in de nachtelijke uren dat Abram er even toe kwam om ongestoord na te denken. We kunnen wel concluderen dat Abram zelfs uit zijn slaap gehouden werd. Verdriet en angstige zorg vervulden zijn hart als hij terugdacht aan wat er gebeurd was en dat alles in verband bracht met zijn eigen levensomstandigheden. Maar waar moest Abram nu bezorgd over zijn? Wat versomberde zijn gedachten? Nu, wellicht is hij bang geweest dat de verslagen vijanden met verdubbelde kracht zouden terugkomen. Zouden ze hem en de zijnen wellicht ’s nachts overrompelen om het hun betaald te zetten? Abrams tenten boden niet veel bescherming. Moesten ze geen wachtposten uitzetten? Abram zal ook wel hevig teleurgesteld zijn in Lot. Die ging weer terug, zoals verderop in Genesis blijkt, naar zijn huis in Sodom. Hoewel Abram zijn eigen leven en dat van zijn mannen voor Lot gewaagd had, beloonde Lot hen niet met een schuldbewuste terugkeer. Abram kreeg alleen maar iets aangeboden wat hij niet wilde: de rijkdommen van Sodom. Bij deze zorgen kwam ook nog een verdriet dat veel dieper zat. Abram en Sarai waren nog steeds kinderloos; en dat terwijl Abram al bijna tachtig jaar was en Sarai


ongeveer zeventig. Dat zij nog kinderen zouden krijgen leek steeds onmogelijker. Was het wel echt waar wat God zeven jaar geleden beloofd had? Terwijl Abram zo lag te worstelen, kwam de Heere en zei: ‘Abram, er is geen reden om bang te zijn, want Ik ben je Schild, waarachter jij en al het jouwe veilig zijn. Er is ook geen reden om verdrietig te zijn, want Ik ben voor jou een overvloedig Loon; je zult nergens gebrek aan hebben. Ook al klinken er in je tent nooit kinderstemmen en ook al zul je nooit één voet grond je eigendom mogen noemen, vertrouw toch op Mij, Abram, en wees niet bang.’ Wat zal dat een heerlijke nacht voor Abram geworden zijn! Voor deze woorden moest alle angst en droefheid wijken. Want welk schild is er nu beter dan de Heere Zelf? Je hoeft absoluut nergens bang voor te zijn als God je omringt met Zijn kracht en Zijn trouw. En is er een rijker leven voor te stellen dan wanneer de Heere je uit Zijn onuitputtelijke schatten loon uitdeelt? Zet dat nu eens tegenover wat wij als gevallen zondaars zelf hebben. Sinds de mens tegen God in opstand kwam en met Hem gebroken heeft, moet hij zelf voor beschutting zorgen. Maar hoe kunnen wij onszelf ooit beschermen tegen Gods heilig recht? Wat kunnen wij doen tegen het woeden van satan? Hoe kunnen we nu toch tegen de zonde strijden als de zonde in ons hart woont? Hoe kunnen wijzelf in onze wezenlijke noden voorzien? Geld, gezondheid, vrienden, populariteit, de verworvenheden van de techniek, succes, goed gedrag en zelfs godsdienst – het stelt niets meer voor dan de vijgenbladeren van Adam. Niets van dat alles biedt bescherming! Het enige antwoord op alles wat wij echt nodig hebben, ligt in wat de Heere tegen Abram zei. Dat zijn heel bijzondere woorden. We lezen hier voor het eerst in de Bijbel dat geweldige ‘Ik ben’. Wat heeft Jezus, toen Hij naar deze aarde kwam, vaak zo’n uitdrukking met ‘Ik ben’ gedaan, zoals: ‘Ik ben de Deur’, of: ‘Ik ben het Licht der wereld’. En met het ‘Ik ben’ uit déze woorden bevestigt de Heere God aan Abram dat er alleen in Hem hulp te vinden is. Ook jij kunt alleen maar dáár hulp verwachten. Jezus is als een Schild voor allen die leren bij Hem te schuilen en op Hem te bouwen. Alleen door Zijn gehoorzaamheid is er het loon van eeuwig leven voor veroordeelde zondaars. Wat zijn die mensen gelukkig die op Hem betrouwen! Lezen: Jeremia 17:5-10

43


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 15:2-5

Bijbelgedeelte

enesis

Flonkerende boodschappers 2 Toen zeide Abram, die zich moedeloos en verdrietig voelde: Heere Heere, wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga, en de bezorger van mijn huis, een zeer betrouwbaar en hooggeacht huismeester, is deze Damascener Eliëzer? 3V oorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, geen eigen kinderen, en zie, de zoon van mijn huis, het kind van een van mijn knechts, zal mijn erfgenaam zijn, degene die mijn hele bezit zal erven. 4E n zie, het woord des Heeren was tot hem, de Heere sprak Abram rechtstreeks aan, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, geboren zal worden als uw eigen kind, die zal uw erfgenaam zijn. 5 Toen (om Abrams geloof in deze heerlijke belofte te versterken) leidde Hij hem uit naar buiten, zijn tent uit, en zeide: Zie nu op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn: Abrams nageslacht zou ontelbaar zijn, maar ook een uiterst belangrijk aandeel hebben in de wereldgeschiedenis – evenals de sterren luisterrijke toonbeelden zijn van Gods macht en wijsheid.

Om over na te denken: Genesis is het boek van het begin. Alles wat het Woord van God ons leert, heeft zijn wortels in dit eerste Bijbelboek. In deze verzen wordt voor het eerst verteld dat het woord van God tot een mens kwam (‘was tot hem’, vers 4). Weet je dat dit heel bijzonder is? God wacht niet totdat mensen naar Hem komen. Nee, Hij was het Die in het paradijs naar de gevallen mens kwam. En in dit hoofdstuk komt Hij naar Zijn kind toe, dat eenzaam en verdrietig strijd voert met allerlei angsten en zorgen in zijn leven. En dat terwijl God al eerder tegen Abram had gezegd dat hij niet bang hoefde te wezen, omdat Hij zijn Schild en zijn Loon zou zijn. Nee, Abram kon die angst en dat drukkende gevoel niet van zich af zetten. Allemaal


erg mooi wat de Heere tegen hem gezegd had, hij kon het echter niet geloven en er blij om zijn. Die heerlijke beloften van God hadden hoop op een zonniger toekomst gewekt, maar tot op heden meldde zich niet de komst van een kind aan en ook bezat hij nog niet één vierkante meter grond! Opeens kon Abram zich niet meer bedwingen en kwam al het hartzeer eruit. Misschien had hij al veel eerder willen zeggen wat hem kwelde. Maar nu stort Abram echt zijn hart uit, zoals een kind bij zijn vader doet: ‘Heere, ik had altijd gehoopt dat Uw belofte betekende dat ik een eigen kind in mijn armen zou houden. Maar de jaren vervliegen en nu moet ik de conclusie trekken dat een van mijn meest vertrouwde knechts mijn naam en mijn bezittingen zal erven.’ Hoor je wat een bittere teleurstelling er doorklinkt in de woorden van Abram? Hij was niet opstandig, maar o, dat ze toch nooit een eigen kind zouden hebben ... Abram moest echter leren dat bij God uitstel geen afstel betekent. Wat Hij belooft, komt altijd! De trouwe Heere herhaalt hier dat Abram echt zelf een kind zal krijgen. De Heere zag echter wel hoe Abram worstelde om dit te kunnen geloven. Vol liefde en bewogenheid beveelt Hij Zijn kind daarom om uit zijn tent te komen en de sterren eens te tellen. Dat deed Abram, hij liep de donkere nacht in. En terwijl hij daar stond en naar de miljoenen sterren keek, sprak de Heere opnieuw tegen hem: ‘Kijk, zó talrijk zal je nageslacht zijn …’ Hoelang Abram daar heeft staan peinzen over de betekenis van Gods woorden, weten we niet. Maar ongetwijfeld zullen vanaf dat moment de sterren voor Abram nog helderder geschitterd hebben dan vroeger. Zij vormden het ‘teken en zegel’ van Gods belofte. Een Schepper Die zulke heerlijke dingen als de sterren kan scheppen, zou Die ook niet Zijn beloften kunnen vervullen? Ook al gloorde er nu nog geen streepje dageraad? Ook voor jou kan het leven zo donker zijn. Je ziet alleen maar onmogelijkheden en leegte. En in je hart ontdek je de ene zonde na de andere. Niemand kan je helpen. En toch is Hij Die de sterren schiep, nog steeds de almachtige, trouwe en genadige God voor iedereen die Hem zoekt. Leg al je nood in het gebed aan Hem voor, wat het ook is en waar je ook bent! Lezen: Jesaja 40:25-31

45


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 15:6

Bijbelgedeelte

enesis

Alleen door Christus zalig 6 En hij geloofde in de Heere; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid. De Heere zag dit als volmaakte gehoorzaamheid aan het geheel van Gods wet. De drie belangrijkste woorden uit deze tekst worden hier alledrie voor het eerst in de Bijbel gebruikt: ‘geloofde’, wat betekent: vertrouwde; ‘rekende tot’, wat betekent: beschouwde als; en ‘gerechtigheid’, wat betekent: rechtvaardig zijn en rechtvaardig handelen, volgens Gods heilige wet.

Om over na te denken: Vers 6 is een van de belangrijkste verzen uit de Bijbel! Hier geeft God antwoord op de vraag waar wij allen mee bezig horen te zijn: Hoe kan ik gered worden van de rechtvaardige en eeuwige straf die ik om mijn zonden verdien? Het antwoord is dat wij nooit gered zullen worden door onze eigen werken. Want alles wat wij doen is bevlekt met zonde. Toen God ons schiep naar Zijn eigen beeld, waren wij als een zuiver wit vel papier. God wilde dat vel even zuiver en smetteloos terugkrijgen als Hij het geschapen had. Maar toen de mens in Adam zondigde, werd het hart van ons allemaal zo zwart alsof dat vel papier in vuile motorolie gedrenkt was. Het is onmogelijk om dat papier ooit weer net zo zuiver wit te krijgen als het was. En bovendien, ieder goed werk dat wij doen, maakt het papier alleen nog maar zwarter, omdat er vuile olie aan onze vingers zit. God kan daarom nooit genoegen nemen met dit vel papier, een beeld van ons hart en van al onze beste werken. Let er nu eens op dat God zegt dat Hij Abram beschouwde als ‘rechtvaardig in Zijn ogen’. Het betekent dat Hij het vel papier van Abram net zo volmaakt vond alsof hij nooit gezondigd had. Hoe kan dat? Abram was toch ongehoorzaam toen hij in Egypte keihard loog? Dus ook zijn vel papier was zwart. Hoe kon God dan Abram aanzien en aannemen als ‘rechtvaardig’? Hoewel vers 6 door Mozes geschreven is en over Abram gaat, is het toch Gods


antwoord op onze vraag. Niemand anders had dit antwoord kunnen bedenken. Het is de meest schokkende waarheid die ooit in de wereld verkondigd is. Abram zal niet alles begrepen hebben over de komst van de Heere Jezus. Toch laat God ons hier zien dat Abram zijn vertrouwen stelde op het beloofde Zaad. En door het geloof in Hem werd Abram rechtvaardig verklaard. Wat wil God óns hiermee zeggen? Als wij ons vertrouwen stellen op Zijn grootste Gave, de Heere Jezus, zal ons inktzwarte vel papier in Zijn ogen smetteloos wit zijn. Anders gezegd, het zal voor Hem zijn alsof wij nooit gezondigd hadden! Hoeven wij dan alleen maar te vertrouwen op de zaligheid die God in Christus bewerkt heeft? Is het dan niet nodig dat wij ons bekeren van de zonde, droefheid naar God hebben, verootmoedigd zijn, oprecht leven en bereid zijn Gods rechtvaardige oordeel te aanvaarden? Ja! Al deze dingen zijn nodig, en ze worden gewerkt door de Heilige Geest – maar … niets van dit alles kan jou zaligmaken! Want niets daarvan komt ‘wit’ uit ons hart. Overal kleeft zonde aan, zelfs aan onze allerbeste daden en gevoelens. God laat zien dat er maar één manier is om gered te worden: als wij ons vertrouwen stellen op Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus, de Rechtvaardige! Door Hem heeft God genadig voorzien in onze diepste nood. God zond Jezus naar deze aarde als de tweede Adam. Heel Zijn leven was Hij gehoorzaam, en Hij droeg de straf voor zonden die Hijzelf nooit begaan had. Dus aan het eind van Zijn leven was Zijn witte vel nog smetteloos wit, zonder ook maar één zondevlek. Maar waarom moest Hij dan toch nog sterven aan het kruis? Toen belaadde Hij Zich met de straf die Zijn kinderen om hun zonden verdiend hadden. Toen gingen zij vrijuit! Toen Hij uitriep: ‘Het is volbracht’, had Hij de straf betaald voor alle ‘zwarte vellen’ van Zijn Kerk. God maakt ons duidelijk dat ons vel papier pikzwart is. Maar Hij houdt ook dat smetteloos witte vel omhoog. Alleen met net zo’n wit papier kun jij gered worden van Gods toorn. Zie je dat jouw vel papier zo hopeloos zwart is dat God je moet veroordelen. Nee? Smeek dan de Zaligmaker of Hij jou dat via Zijn Woord wil laten zien. Hoe dan toch mijn levensvel net zo smetteloos wit kan worden als het Zijne? Lees het in het volgende stukje! Lezen: Mattheüs 5:17-20

47


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 15:6

Bijbelgedeelte

enesis

Wit en rein verklaard 6 Deze tekst is zo belangrijk, dat de Heilige Geest die in het Nieuwe Testament wel drie keer laat herhalen. De waarheid die in deze woorden opgesloten ligt, is als het fundament van een hoge toren. Als daar ook maar een klein scheurtje in zit of de fundering ligt niet goed waterpas, dan kan het hele bouwwerk naar beneden komen. Daarom ook heeft satan zich met al zijn kracht op deze tekst geworpen, om het heldere water van deze evangelieboodschap te vertroebelen. En hij – Abram – geloofde in de beloften van de Heere; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.

Om over na te denken: In het vorige stukje vergeleek ik jouw leven met een blad papier. Door Adams val is ons levensblad al zwart als wij geboren worden. En in ons leven maken wij het nóg smeriger, doordat wij de ene zonde op de andere stapelen. Als we zó aan het eind van ons leven voor Gods troon verschijnen, moet Hij ons voor eeuwig veroordelen tot de helse duisternis. Denk eens na over deze vreselijke werkelijkheid! Wat kan de dood al dichtbij zijn – en daarna volgt het rechtvaardige oordeel. Kun jij voor je Maker verschijnen? Als Hij je vandaag zou oproepen, waar zul je dan de eeuwigheid doorbrengen? Dit is iets wat geen uitstel kan lijden tot je ouder bent. Want wie garandeert jou dat je ouder zult worden? ‘Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw hart niet’ Misschien vraag je: Maar wat moet ik dan doen? Hoe krijg ik dat zwarte blad van mijn leven ooit wit? Dat lukt je niet, maakt God ons in Zijn Woord duidelijk. Wij kunnen het alleen maar zwarter maken, hoe we ook ons best doen. Toch is er één manier waardoor jij en ik voor Gods rechterstoel wit, rechtvaardig verklaard kunnen worden. Deze tekst over Abram leert ons dat dit kan door het geloof in de Zaligmaker waarvoor God gezorgd heeft: de Heere Jezus Christus. De kern van de Bijbelse boodschap is dat de Heere Jezus gekomen is om de plaats


van zondaars in te nemen en voor hen te sterven. Hij kwam in de wereld als een zuiver wit blad papier. En Zijn leven lang heeft Hij dat witte vel nooit besmeurd, zelfs niet met het kleinste spatje. Toen Hij ten slotte aan het kruis stierf, was dat voor anderen, met wél een diepzwart levensblad. Die verbazingwekkende belofte van God in Johannes 3:16 luidt dat ieder die in Hem gelooft, niet verloren zal gaan, maar het eeuwige leven hebben. Anders gezegd, als wij, net als Abram, ons vertrouwen stellen op Gods boodschap over de Heere Jezus, zal Hij ons zien als een zuiver rein blad papier. In Zijn ogen zullen we dan volkomen rechtvaardig zijn, alsof we nooit gezondigd hadden met gedachten, woorden of werken! Dan wordt een helwaardige zondaar totaal rein verklaard, omdat het levensblad van Jezus nooit bezoedeld werd. Hoe kan dat toch? Het geheim is: een ruil. God drukte Zijn Zoon al die zwarte bladen van Zijn kinderen in handen. Het was alsof al het kwaad van Zijn zondige kinderen, door God werd gezien als door Jezus bedreven. En omgekeerd geeft Hij dat witte levensblad van Jezus aan elke zondaar die door God gebracht wordt tot geloof, of: vertrouwen, in de Heere Jezus. God belooft keer op keer dat allen die hun betrouwen op de Heere Jezus Christus stellen, niet verloren gaan, maar eeuwig met Hem en Zijn volk zullen leven. Omdát wij geloven dus? Nee, we verdienen de zaligheid niet met ons geloof. Maar God heeft het geloof in de Middelaar aangewezen als de enige manier om Zijn genadegave te ontvángen. Het geloof is als de hand die ontvangt wat de Heere uit genade aanbiedt. Het geloof voegt niets toe aan Gods gave; want ook het geloof zelf is een genadegift, die God in ons hart werkt. Deze heerlijke, ongedachte weg ter zaligheid was verborgen, totdat God die openbaar maakte. Geen uitvinding van een mens. Het is ook voor een mens zo onmogelijk om te geloven, vooral als je voelt hoe diepzwart je zondige leven is. Zó zalig worden? Het lijkt haast te makkelijk. ‘Zo moeilijk, omdat het zo gemakkelijk is!’ zei iemand. Gemakkelijk, ja. Maar niet goedkoop. Want om schuldige zondaars te kunnen redden, moest God Zijn onschuldige Zoon veroordelen! O, wat is de Heere God groot, Hij Die deze unieke weg van behoud heeft uitgedacht! Lezen: Romeinen 4:1-5

49


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 15:7-11

Bijbelgedeelte

enesis

Wachten  7 Bij het aanbreken van de dageraad sprak de Heere opnieuw, om zo het geloof van Zijn knecht Abram in Zijn eerdere belofte (over het beërven van het land) te versterken. Voorts zeide Hij tot hem: Ik ben de Heere, Die u uitgeleid heb uit Ur der Chaldeeën om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten.  8 En hij, die de Heere wel geloofde, maar zocht naar een teken ter bevestiging van zijn geloof, zeide: Heere Heere, waarbij zal ik weten, dat ik het erfelijk bezitten zal? God, Die Zijn kind zag worstelen, ging Abram nu op een bijzondere manier overtuigen. Eerder had hij Abram op de sterren gewezen. Maar nu ontving Abram veel meer dan een teken. God sloot een plechtig verbond met hem.  9 En Hij zeide tot hem: Neem Mij een driejarige vaars (koe) en een driejarige geit en een driejarige (met drie jaar waren de beesten op hun best) ram (een mannetjesschaap of -geit), en een tortelduif en een jonge duif. Hoewel Abram geen instructies kreeg, blijkt uit het volgende vers dat hij wist wat hij moest doen. God ging namelijk Zijn belofte bevestigen op dezelfde manier waarop in Abrams tijd een verbond werd gesloten. Nadat de dieren in tweeën waren gedeeld, werden de helften in twee rijen gelegd. Elk van de twee partijen moest dan tussen die rijen gedeelde dieren door lopen. Daarmee werd afgebeeld dat ze zich door een belofte aan elkaar verbonden. Brak een van de partijen de belofte, dan was het verbond niet langer van kracht. Verbondsbreuk kon voor de schuldige partij zelfs de dood inhouden. 10 En hij, Abram, bracht Hem al deze, en hij deelde ze middendoor, of: sneed ze in twee helften, en hij legde elks deel tegenover het andere, met een smal pad ertussen; maar het gevogelte deelde hij niet; in elke rij werd één hele vogel gelegd. 11 En het wild gevogelte, aangetrokken door de geur van vlees, kwam neder op het aas, maar Abram joeg het weg.


Om over na te denken: Het heeft er alle schijn van dat God Abram de hele dag liet wachten voordat Hij Zijn woorden met een teken bevestigde. Was dat om duidelijk te maken dat het wel enige tijd zou duren voordat Gods belofte vervuld werd? Abram zelf zou jaren moeten wachten voordat zijn kind geboren werd; zijn nageslacht zou zelfs eeuwen moeten wachten voordat zij het land erfden. En nog veel langer zou het duren voordat het beloofde Zaad, de Messias, geboren werd. Abram had nu gedaan wat God hem opgedragen had en ging zitten wachten. Dat zal niet gemakkelijk geweest zijn in de brandend hete zon. En behalve de vogels die in het aas wilden pikken, zullen er ook wel zwermen insecten in de buurt geweest zijn. Wachten valt nooit mee – toch is het de gebruikelijke manier waarop God Zijn kinderen leert op Hem te vertrouwen. Die tijd gebruikt God om mensen te verootmoedigen en hun karakter te vormen. Wij denken zo makkelijk dat we ergens recht op hebben, alles zullen krijgen wat wij vragen. Niets is minder waar. Wij kunnen God tot geen enkele weldaad verplichten. Wij leven in een totaal andere tijd dan de generaties vóór ons. Die moesten soms maanden wachten voordat er antwoord op hun brieven kwam, of voordat het verantwoord was een reis te ondernemen. Vandaag moet alles onmiddellijk. Een kleine vertraging vinden we al irritant. Als je de Heere in het gebed zoekt en pleit op Zijn beloften, wees er dan maar op voorbereid dat Hij je weleens kan laten wachten. Lang wachten soms. Dan vraag je jezelf af of Hij je gebed wel hoort en je tranen ziet. Maar vergeet nooit dat God mensen op geen andere manier onderwijst dan vroeger. Hij weet hoe goed een wachttijd voor ons kan zijn. Breng die wachttijd wel door net als Abram. Laat geen ‘onrein gevogelte’ je gedachten vertroebelen. Die zullen fluisteren: Geef het maar op! God hoort jou niet! Voor jou is het niet! Bidden helpt niet! Zou er wel een God bestaan Die jou hoort bidden? Ban dat soort leugens uit je gedachten door te denken aan de woorden van Jezus: ‘Bidt, en u zál gegeven worden; zoekt, en gij zúlt vinden; klopt, en u zál opengedaan worden’ (Matth. 7:7). Lezen: Psalm 27:4-14

51


Genesis 15:12-14 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Het juk in je jeugd 12 En het geschiedde, na vele uren, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram, die ongetwijfeld uitgeput was door de gedachten die hem bezetten, en ook door het lange wachten; en zie, een schrik en grote duisternis viel op hem. Anders gezegd, Abram werd in zijn slaap overvallen door een intense, angstaanjagende duisternis; het moet hebben gevoeld als een verstikkende, natte deken. Dit was niet zomaar een bange droom, maar Gods aankondiging van de zware jaren die zijn nakomelingen in de toekomst zouden moeten doormaken. 13 Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land dat het hunne niet is; wij weten nu dat het Egypte was, maar Abram en zijn nageslacht wisten dit van tevoren niet; en zij zullen hen dienen, als slaven; en zij zullen hen verdrukken, of: uitbuiten, vierhonderd jaar. 14 Doch Ik zal het volk ook richten, hetwelk zij zullen dienen; dus God zou Egypte straffen; en daarna zullen zij, de Israëlieten, uittrekken uit hun slavernij met grote have, of: veel bezit.

Om over na te denken: Wat zal het voor Abram moeilijk geweest zijn om aan te horen wat voor toekomst zijn nageslacht te wachten stond; en te bedenken dat het vierhonderd jaar zou duren voordat zij eindelijk vredig in hun eigen land konden wonen, na zo’n gruwelijke verdrukking. Wat er precies zou gebeuren, wist Abram niet. Wel begreep hij dat het verschrikkelijk zou zijn. Waarom zou de Heere het nageslacht van Abram door zo’n nauwe, lange, kronkelige en donkere kloof naar het beloofde land gaan leiden? Wat was Zijn bedoeling daarmee? Ons lijkt dat misschien veel te lang en te moeilijk, maar God koos in Zijn wijsheid de juiste weg om het volk te onderwijzen. Hij weet dat het karakter van een man of vrouw het beste gevormd wordt door beproeving in hun jeugd. Hetzelfde


geldt voor een volk. De Israëlieten leerden geduld oefenen, maar dat leerden ze in de hitte van de verdrukking waaraan zij vier eeuwen lang onderworpen waren. De profeet Jeremia schreef: ‘Het is goed voor een man dat hij het juk in zijn jeugd draagt’ (Klaagl. 3:27). Een juk is een houten blok dat om je nek en schouders past. Aan de beide uiteinden hangt een emmer; zo kun je zware lasten versjouwen. Wat wilde Jeremia met het voorbeeld van een juk duidelijk maken? Dat mensen die in hun jeugd grote tegenslagen te verwerken krijgen of zwaar op de proef worden gesteld, eigenlijk goed af zijn. Dat zou ook met Israël als volk het geval zijn. Ons verstand verzet zich daartegen. Hoe kunnen tegenslagen nou goed voor je zijn? Misschien moet jij als jongere al één ouder of je beide ouders missen. Misschien ben je een kind dat eigenlijk niet gewenst was. Misschien ben je van het ene pleeggezin naar het andere getrokken. Anderen hebben van jongs af te worstelen met ziekte of verstandelijke problemen. Misschien ben je misbruikt, of ben je opgegroeid in oorlogsomstandigheden. Is zoiets met jou het geval? Dan heb je denk ik weleens geworsteld met de vraag: Waarom ik? Dit kan toch nooit voor mijn bestwil zijn? Meestal zie je het nut van een juk niet in terwijl je onder dat enorme gewicht gebukt gaat. God vraagt je ook niet alles te begrijpen. Wel roept Hij je op, Hem te vertrouwen als de soevereine en wijze God. Hem loopt niets uit de hand. Jou overkomt niets tegen Zijn wil en altijd wijze bedoelingen. Zelfs als anderen, hoe dan ook, op een zondige manier misbruik van jou maken, kan Hij dat ten goede keren. Uiteindelijk zal God hen voor hun zonden ter verantwoording roepen, zoals Hij ook met Egypte deed. Laat het bestuur over deze wereld, ook over jouw hart, maar aan God over. Wij kunnen vaak echt niet begrijpen wat Hij beoogt, maar het is altijd voor ons bestwil. Ga maar eens praten met mensen die een zwaar kruis hebben moeten dragen. Vaak hebben zij dat uiteindelijk toch als een zegen van God ervaren. Onmogelijk, zeg je? Alle dingen zijn mogelijk bij God. Lezen: Klaagliederen 3:19-39

53


Genesis 15:15-16 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

‘Zo zegt de Heere …’ 15 Tot troost van Abram, die zich wellicht afvroeg of hij zelf nog in leven zou zijn wanneer die zware beproeving zijn nageslacht trof, voegde God eraan toe: En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; dus: bij zijn dood zou de ziel van Abram verenigd worden met Gods kinderen die al vóór hem in de eeuwige heerlijkheid gekomen waren; gij zult in goede ouderdom begraven worden. 16 En het vierde geslacht, dat zou na ongeveer vierhonderd jaar zijn, zal herwaarts wederkeren, of: terugkeren naar dit land, dat Ik u en uw nakomelingen beloofd heb; want de ongerechtigheid der Amorieten, andere naam voor Kanaänieten, is tot nog toe niet volkomen; heeft nog niet het punt bereikt dat zij absoluut van deze aarde verdelgd moeten worden. Dat Abrams nageslacht de komende eeuwen niet in Kanaän zou wonen, hield ook een zegen in. Want zo voorkwam God dat het uitdijende geslacht na Abram besmet zou worden door de goddeloosheid van de Kanaänieten.

Om over na te denken: Je hoort weleens vragen: ‘Waarom moet dat per se zo? Het kan toch ook wel anders?’ Soms is het enige en het beste antwoord: ‘Omdat God het zo gezegd heeft.’ Heb jij wel eens stilgestaan bij het verschil tussen begraven en cremeren van onze overledenen? God zei tegen Abram dat hij na zijn dood begraven zou worden. Dat is Zijn wil, en die blijft voor alle tijden van kracht. Ook in die tijd was het al ongebruikelijk dat Abram begraven zou worden. Want in veel samenlevingen rondom hem werden de doden verbrand, met uitgebreide rituelen. In onze westerse wereld kiezen ook steeds meer volkeren weer voor cremeren. Wat zeggen wij als ons gevraagd wordt of cremeren mag? De voorstanders komen met argumenten als: er is ruimtegebrek op kerkhoven; het kost minder; het is schoner. Maar discussie is hier uitgesloten, want er is op dit terrein maar één ding dat God van ons verwacht: dat wij onze doden eerbiedig en eervol begraven!


In de Schrift was het een verschrikkelijk oordeel als iemand na zijn dood verbrand werd (Joz. 7:25). Als de Heere een zware straf aankondigde, hield dat vaak ook verbranding van de lichamen in. Denk ook aan de straf voor sommige mensen, dat hun lichaam door roofvogels of andere dieren opgegeten werd (1 Kon. 21:23). Verder lees je dat Christus herhaaldelijk sprak over de graven die zullen worden geopend bij de opstanding. De nieuwtestamentische gelovigen begroeven hun doden in een graf. Uit al deze voorbeelden blijkt duidelijk dat God wil dat wij onze doden begraven. Laten we nooit een duimbreed wijken van Gods wil. Dat ‘Zo zegt de Heere …’ geldt ook voor veel andere situaties in ons leven. De geboden die God ons zwart-op-wit gegeven heeft, zijn niet afhankelijk van de uitkomst van een discussie of voortschrijdend inzicht. Trouwens, als je nadenkt over Gods geboden, zul je ontdekken dat er ook zo veel redelijke en praktische aspecten aan zitten. Niet dat we dáárom Zijn geboden moeten houden, maar het is wel van belang om aan te tonen dat Gods wil altijd goed is. Een voorbeeld: onze maatschappij is volop bezig met een andere, eigentijdse invulling van het huwelijk. God heeft het ingesteld als de verbintenis tussen een man en een vrouw. Hij heeft ook bepaald dat het huwelijk een leven lang van kracht blijft, tenzij een van de partijen de huwelijksgelofte breekt. We leven nu in een andere tijd, zeggen veel mensen. Dat is waar, maar … de Heere is niet veranderd, evenmin als Zijn bedoeling met het huwelijk en het gezin. Nog een voorbeeld: God heeft bevolen dat jongens en meisjes rein leven voordat ze trouwen. Daarmee bedoelt Hij dat ongetrouwden nooit met elkaar mogen leven en omgaan zoals een getrouwde man en vrouw. Ik weet best hoe moeilijk het is om deze ‘smalle weg’ te bewandelen terwijl overal om je heen jongeren de ‘brede weg’ van het zondig seksueel genieten kiezen. Maar vergeet nooit wat Jezus beloofd heeft: wie op de smalle weg gaat en Zijn geboden houdt, zal Gods zegen over deze gehoorzaamheid ervaren. Is dat zaligmakend? Nee, maar het behoedt je wel voor veel verdriet en teleurstelling. Lezen: Mattheüs 7:24-29

55


Genesis 15:17-21 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Eenzijdige genade 17 En het geschiedde dat de zon onderging en het duister werd; en zie, er was een rokende oven, een draagbaar oventje van gebakken klei, doorgaans enkele tientallen centimeters hoog, met bovenin een gat, en vurige fakkel, of vlam die boven uit de oven kwam, die tussen die stukken doorging, de in stukken gedeelde dieren waarbij Abram de hele dag de wacht gehouden had. Deze vuurpot met uitslaande vlam vertegenwoordigde de heerlijkheid van de Heere God. Vaak openbaarde de Heere Zich door vuur, bijvoorbeeld in het brandende braambos, in het vuur bij de afkondiging van de Tien Geboden en in de vuurkolom waarmee Hij het volk Israël door de woestijn leidde. 18 Te dienzelven dage maakte de Heere een verbond met Abram, zeggende: Uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier Frath; de Israëlieten hebben het land slechts tweemaal in deze omvang bezeten: onder koning Salomo (1 Kon. 4:21) en onder Jerobeam II van Israël (2 Kon. 14:25). Deze belofte hield ook in dat God op Zijn tijd ‘het nachtelijk duister’ zou verdrijven door Zijn volk uit Egypte te leiden en het te brengen in het land dat Hij aan Abram beloofd had. In Abrams dagen woonden in dit land nog de tien hierna genoemde volkeren, die God zou verdelgen: 19 De Keniet, en de Keniziet, en de Kadmoniet, 20 En de Hethiet, en de Fereziet, en de Refaïeten, 21 En de Amoriet, en de Kanaäniet, en de Girgasiet en de Jebusiet.

Om over na te denken: Voor God is een verbond niet nodig. Zijn Woord is voldoende garantie, want de Heere kan niet liegen. Niet één van Zijn beloften zal ooit falen! Hij had met Abram gesproken en zou deze woorden nooit herroepen of tekortschieten in de vervulling ervan. Dat God nu toch op deze bijzondere manier te werk ging, was alleen om Abram. Hij


wilde Abram en zijn nageslacht de vastheid geven waarop zij in de toekomst moesten kunnen teruggrijpen. Abram zou nooit die angstaanjagende duisternis vergeten, die plotseling moest wijken voor de moedgevende, vurige openbaring van Gods tegenwoordigheid. Bij verbondssluiting door middel van in stukken gedeelde dieren, was het gebruikelijk dat beide partijen tussen de helften door liepen, waarmee ze beloofden hún deel van de overeenkomst na te komen. Maar bij dit verbond was het God alleen Die tussen de helften door ging. De reden waarom God Abram niet vroeg ook tussen de stukken door te lopen, was om hem erop te wijzen dat de vervulling van alles wat Hij beloofd had, uitsluitend van Hém afhing. Het was een eenzijdig verbond, want God nam het op Zich om Zelf al die beloften te vervullen. Het hing niet af van Abram of zijn nageslacht. Overigens, God deed dit niet alleen met het oog op Abram. Het is ook voor jou en voor mij dat God hier het Evangelie bekendmaakt. Als de redding uit onze zondeschuld zou afhangen van ons, zondaars, wat zou er dan van terechtkomen? Niets! Wij zijn net zo veranderlijk als het weer en net zo onbetrouwbaar als een morgenwolk. Eenzijdige genade is de enige hoop voor zondaars. Het is God Die mensen gewillig maakt ‘op de dag van Zijn heirkracht’. Hij zoekt zondaars op allang voordat zij Hem zoeken. Daar gaat Hij in Zijn grote trouw mee door, ook al slaan mensen Zijn genadige roepstemmen in de wind. Hij overwint niet alleen de vijandschap van het hart, maar laat dat hart ook ontbranden in echte liefde tot Hem en alles wat van Hem is. Misschien beschouw je jezelf als een hopeloos geval, want je ziet bij jezelf alleen maar onwaardigheid, schuld en onreinheid. Bovendien merk je ook nog hoe het ongeloof je in zijn greep houdt. Hoe kan God ooit met jou van doen hebben? Je kunt Hem niets van waarde aanbieden, je bent het alleen waard door Hem vervloekt te worden. Staat het er zo voor? Dan blijft er slechts één ding over: Gods eenzijdige genade! Op grond daarvan kan een zondaar, wie dan ook, hoop koesteren en mag hij God om genade aanroepen. Lezen: Psalm 130

57


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 16:1-3

Bijbelgedeelte

enesis

Een adder onder het gras 1 Het is nu al tien jaar geleden dat de Heere Abram een kind heeft beloofd. Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar. Hagar betekent ‘vlucht’, maar we weten niet of dat verband hield met een bepaalde gebeurtenis in haar leven. Wellicht had Sarai deze Egyptische jonge vrouw van Farao gekregen tijdens hun korte verblijf in Egypte (Gen. 12:16). In die dagen hadden rijke en belangrijke mensen vaak een persoonlijke slaaf of slavin. Helaas werden zulke menselijke wezens beschouwd als privébezit, dat zonder overleg met de betrokkene van eigenaar wisselde. Ongeveer zoals wij een auto kopen of verkopen. 2 Zo zeide Sarai, die dacht met 76 jaar veel te oud te zijn om nog een kind te kunnen baren, tot Abram: Zie toch, de Heere heeft mij toegesloten, dat ik niet bare, of: uitgesloten dat ik nog baar; ga toch in tot mijn dienstmaagd, ze stelde Abram dus voor Hagar als tweede vrouw te nemen, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. Toentertijd was het regel dat een vrouw haar dienares als tweede vrouw aan haar man kon geven, in de hoop dat uit zo’n huwelijk kinderen geboren werden. De wet beschouwde zulke kinderen als eigen kinderen van de meesteres. En Abram hoorde naar de stem van Sarai, stemde in met haar voorstel. Of hij beseft zal hebben dat dit voorstel zijn vrouw veel moeite gekost had, is ons onbekend. Maar je positie als enige vrouw opgeven vereiste veel zelfverloochening; geen enkele vrouw zou dat makkelijk doen. Maar Sarai’s liefde voor Abram, de verloren hoop op een eigen kind en bovenal haar ongeloof in Gods belofte, hadden dit verkeerde plan in haar doen rijpen. 3 Zo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, ten einde van tien jaren dat Abram in het land Kanaän gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw.


Om over na te denken: Wat zullen Sarai en Abram een tranen geschreid hebben toen maand na maand vergleed en Gods belofte niet vervuld werd. Allebei verlangden ze hevig naar de kinderzegen, maar die werd steeds onwaarschijnlijker. Wachten is soms vermoeiender dan werken – dat gold met name hier, want hoe langer zij uitzagen naar een kind, hoe onmogelijker het werd. Ten slotte kwam Sarai met haar plan. Het lijkt dat Abram er niet lang over heeft hoeven nadenken. Misschien was datzelfde idee, in een zwak moment, ook weleens bij hem opgekomen. Hij zal het onmiddellijk uit zijn gedachten gezet hebben: zoiets was onwaardig en verkeerd. Maar nu zijn eigen vrouw er ook over begon, leek het opeens veel minder dwaas. God had toch niet gezegd dat Abrams kind uit Sarai geboren zou worden? En zo zetten Abram en Sarai samen hun voeten op een weg die zou uitlopen op alleen maar pijn en leed. Hier ligt een les voor ons in. Als zelfs een man des geloofs zoals Abram in zo’n zware zonde kon vallen, wat hebben ook wij dan Gods hulp nodig om ons van de zonde af te houden. En zie je ook dat de verleiding om te zondigen niet alleen van vijanden komt? Sarai was nu al heel lang met Abram getrouwd. Zij hield zo veel van hem dat ze bereid was dit ontzettend grote offer te brengen. En toch … deed ze er kwaad aan. God heeft onze hulp niet nodig om Zijn beloften te vervullen. Hij zal nooit Zijn zegen geven aan een zondig middel om een goed doel te bereiken. Wél is het zo dat Hij onze zondige keuzes of daden ten goede kan keren. Maar hier gebeurde dat niet, zoals Abram en Sarai weldra zouden ervaren. Ook jij zult weleens te maken krijgen met een verleidelijk aanbod. Als je ergens mee zit, lijkt zo’n aanbod vaak de snelste weg naar een oplossing. Maar doe niet als de vissen, die bijten in alles wat er eetbaar uitziet. Nee, zoek al biddend in Gods Woord wat Hij wil dat je voor keuzes maakt. Daar verbindt Hij Zijn zegen aan en het behoedt je voor valkuilen. Lezen: Deuteronomium 13:4-8

59


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 16:3

Bijbelgedeelte

enesis

Geloofsworstelingen 3 Zo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, ten einde van tien jaren dat Abram in het land Kanaän gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw.

Om over na te denken: Van andermans fouten kun je heel veel leren. Abram is een voorbeeld ter navolging, maar in deze situatie is hij voor ons een baken in zee: Wees gewaarschuwd! Laten we nog eens teruggaan naar die nacht dat de Heere Abram mee naar buiten nam en hem naar de sterren liet kijken. Toen klonk de belofte: ‘Zo zal uw zaad zijn.’ We kunnen slechts raden naar wat Abram precies heeft verwacht nadat de Heere tegen hem gesproken had. Misschien heeft hij nadenkend naar Sarai gekeken en gedacht: Wat een wonder! En omdat ze steeds ouder wordt, zal het vast niet lang meer duren voordat we ons kind in onze armen kunnen sluiten. Let er echter op dat God niets gezegd had over de tijd wanneer de belofte in vervulling zou gaan. Hij had vanzelf ook niet gezegd dat Sarai de moeder van het kind zou zijn. Abram zal zo zijn eigen verwachtingen gehad hebben van Gods beloftewoord. Maar toen de weken maanden werden, en de maanden jaren, brak de strijd tussen geloof en ongeloof los in Abrams hart, omdat zijn verwachting niet uitkwam. Misschien heeft hij keer op keer ’s nachts het tentdoek teruggeslagen. Dan stond hij naast zijn tent naar de hemel te turen met die ontelbare flonkerende boodschappers – om dan met een zucht weer de tent in te stappen. ‘Was het wel waar, Heere? Hebt U echt deze woorden gesproken? Heb ik het me niet verbeeld? Er is niets gebeurd, behalve dat Sarai en ik nu echt de leeftijd gepasseerd zijn dat we nog kinderen kunnen krijgen.’ Die vele jaren van wachten en nog eens wachten zullen hevig geschud hebben aan


Abrams geloof in de belofte van zijn God. En de satan heeft er plezier in om zulke conflicten tussen geloof en ongeloof aan te wakkeren. Satan gebruikte zelfs Abrams eigen vrouw om hem te verwarren in de strikken van het ongeloof. Dankzij het voorstel van Sarai zou Gods belofte nu wel gauw vervuld worden … Misschien dat hij bij zichzelf dacht: De Heere heeft niet gezegd dat Sarai de moeder van het kind zal zijn. Hij heeft alleen gezegd dat mijn nageslacht net zo talrijk zal zijn als de sterren. Maar we zullen zien dat het voorgestelde plan de vervulling van Gods belofte geen stap dichterbij bracht. Integendeel, het leidde tot veel verdriet en een levenslang conflict. Iedereen die leert in eigen nood het oog op God en Zijn Woord te slaan, zal ook iets ervaren van de aanvechting die Abram kende. Wat is het een zegen als je bemoedigd wordt onder het lezen of horen van Gods Woord! Je werd aangesproken in je nood en in de pijn van je hart. Er gloorde een sprankje hoop toen je uit het Woord van God een aanwijzing of een belofte hoorde die voor jou persoonlijk bestemd was. Je ging je hoop op het Woord van God stellen en je bad in stilte: ‘Heere, op Uw Woord stel ik mijn hoop; vervul toch het Woord dat U in Uw grote genade tot mij gesproken hebt.’ Maar als vervolgens alles blijft zoals het was? Je probleem wordt niet opgelost, het wordt alleen maar groter. De situatie wordt steeds uitzichtlozer. Waar is God nu? Wat komt er terecht van Zijn belofte? Je leest en herleest dat Bijbelvers, maar je vindt er niet meer diezelfde kracht en troost in. En vanbinnen wordt je ingefluisterd: ‘Je hebt het je verbeeld! Je dacht dat die woorden voor jou waren, maar dat blijkt niet zo te zijn. Je kunt beter een andere oplossing zoeken in plaats dat je op God blijft wachten.’ Wees op je hoede! Volg nooit de weg die Abram koos. Als God de vervulling van Zijn beloften uitstelt, helpt het echt niet als je gaat schipperen met Zijn Woord. Daarom schreef Jesaja: ‘Gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd. Vertrouwt op de Heere tot in der eeuwigheid, want in de Heere Heere is een eeuwige rotssteen’ (Jes. 26:3-4). Lezen: Psalm 77

61


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 16:4-6

Bijbelgedeelte

enesis

Jaloezie 4 En hij ging in tot Hagar, nadat Abram met haar getrouwd was, en zij ontving, werd zwanger. Als zij nu zag dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouwe, Sarai, veracht in haar ogen. In die tijd werd het als een grote schande gezien wanneer een vrouw geen kinderen kon krijgen. Hagar ging op Sarai neerzien, en Sarai zal dit algauw gemerkt hebben. Weldra heerste er jaloezie en onvrede in Abrams huwelijksleven. 5 Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk, dat Hagar mij aandoet, is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven; nu zij ziet dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen; de Heere richte tussen mij en tussen u. Met deze woorden roept Sarai plechtig God tot getuige, in de hoop dat God haar recht zal doen. Hoewel Sarai zelf haar man dit plan had voorgesteld, is het inmiddels duidelijk dat het niet de gehoopte zegen brengt. Dat ze nu Abram de schuld geeft, is onwaardig en oneerlijk. 6 En Abram zeide tot Sarai: Zie, uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar wat goed is in uw ogen. In plaats dat hij Sarai tactvol terechtwijst en opbeurt, of Hagar aanspreekt over haar verkeerde houding, geeft Abram nu Sarai toestemming om haar een lesje te leren. Want ze bleef ondanks alles haar meesteres. En Sarai vernederde haar, gaf haar een hardvochtige berisping, en zij vluchtte van haar aangezicht. Wat Sarai precies gedaan heeft, is onduidelijk. Wellicht heeft ze er Hagar alleen maar duidelijk aan herinnerd dat ze nog steeds ‘niet meer dan huispersoneel’ was. Ze kan ook veel verder gegaan zijn en al het mogelijke gedaan hebben om Hagar op haar nummer te zetten. Met als resultaat dat verder samenleven onhoudbaar werd voor Hagar, of dat ze geen genoegen meer nam met haar positie als ‘dienstmaagd’, nu ze met Abram getrouwd was. In ieder geval vluchtte ze weg. Wellicht probeerde ze naar Egypte terug te gaan.


Om over na te denken: Het was gedaan met het geluk in Abrams huwelijk! Dag aan dag moesten Abram, Sarai en Hagar de wrange vruchten plukken van het plan waartoe het echtpaar overhaast en wantrouwend besloten had. Hoewel er drie schuld hadden, letten we nu vooral even op Sarai. De jaloezie had toegeslagen bij Sarai. Dat Hagar nu zwanger was, stak haar – hoewel Hagar er niets aan kon doen dat Sarai nooit kinderen had gekregen. Sarai was jaloers, want ze was bang Abram kwijt te raken, en ook haar belangrijke positie in zijn tent. Zowel Hagar als Abram moest het nu ontgelden, want ze was bang dat ze juist door de twee die veel voor haar betekenden, in de steek werd gelaten. Ze gaf haar jaloerse gedachten en gevoelens de vrije teugel. In plaats van Abram in vertrouwen te nemen over wat haar zo’n pijn deed, ging ze hem de schuld van alles geven. En daar werd het alleen maar erger door. Had ze haar worsteling met die gevoelens van teleurstelling en jaloezie maar in het gebed bij de Heere gebracht! Eerlijk gezegd kon Sarai alleen maar zichzelf de schuld geven. Zíj was toch met dat plan gekomen, dat voortkwam uit ongeloof en wantrouwen van Gods leiding? Sarai moest nu ervaren dat wie wind zaait, storm zal oogsten. Bijna iedereen weet wel wat jaloersheid is. Als jouw vriend of vriendin ’s avonds liever eens naar een ander gezin gaat, voel je soms de jaloezie al knagen. Of je bent jaloers omdat je dénkt dat je broer of zus thuis wordt voorgetrokken. Of … Wees op je hoede voor jaloezie. Het is als een zuur dat aan je hart vreet. En zolang je het nog binnen houdt, heb je er alleen zelf last van. Maar o wee als het naar buiten komt, dan beschadig je er anderen ook mee. Dat is nu precies wat er met Sarai gebeurde. Toen ze jaloezie in haar hart ging koesteren en dat ook aan Abram en aan Hagar liet merken, beschadigde ze niet alleen zichzelf, maar ook haar omgeving. Het was trouwens ook niet éérlijk om Hagar het slachtoffer te laten worden. Hagar had geen schuld aan Sarai’s moeilijkheden. En het hielp Sarai ook niet dat ze Hagar, nu die gezegend werd, zo vernederde. Zegt God ons niet dat we blij moeten zijn met de blijden en moeten delen in het verdriet van anderen? (Rom. 12:15) Lezen: Romeinen 12:9-21

63


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 16:4-6

Bijbelgedeelte

enesis

Omgaan met jaloezie 4 En hij, Abram, ging in tot Hagar en zij ontving, werd zwanger. Als zij nu zag dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouwe, Sarai, veracht in haar ogen. 5 Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk, het kwaad dat Hagar mij aandoet, is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven; nu zij ziet dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen; de Heere richte tussen mij en tussen u. 6 En Abram zeide tot Sarai: Zie, uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, behandelde haar hardvochtig, en zij vluchtte van haar aangezicht.

Om over na te denken: In het vorige stukje zagen we dat de jaloezie van Sarai haar tot zondig gedrag aanzette en dat uiteindelijk Hagar wegvluchtte. We weten niet wat er allemaal gebeurd is, maar kunnen wel aannemen dat Abrams vredige leefomgeving een slagveld was geworden. Salomo schrijft in Spreuken 6:34 dat ‘jaloersheid een grimmigheid des mans’ is. Sarai werd verteerd door jaloezie. Gekwetstheid, angst, schaamte, boosheid, afgunst – het wervelde allemaal door haar heen en joeg haar voort op het verkeerde pad. Lang voordat Sarai met Abram praatte, was er natuurlijk al een ‘koude oorlog’ aan de gang tussen haar en Hagar. Met Abrams toestemming kwam het tot een echte uitbarsting toen Sarai openlijk uiting gaf aan haar gevoelens. Ja, wat moeten we eraan doen als de jaloezie haar afzichtelijke kop opsteekt, onze gedachten gaat beheersen en ons aanzet tot hatelijk gedrag? Allereerst: jaloezie is zonde. Als ik iemand een zegen misgun, overtreed ik het gebod van God dat ik mijn naaste net zo moet liefhebben als mijzelf. Echte liefde is juist blij


als het iemand anders goed gaat. Begin ermee deze zonde in het gebed aan God te belijden: ‘Heere, ik ben zo jaloers omdat … Ik belijd dat dit zonde is, maar ik belijd ook dat ik die niet kan overwinnen of uit mijn hart bannen. Ik kom tot U, omdat U de enige bent Die mij kan verlossen van de macht en de schuld van mijn zonde. Wees mij om Jezus’ wil genadig en verlos mij van deze zonde.’ En herhaal dit gebed telkens als die zonde de kop opsteekt. Ga, in de tweede plaats, eens na waaróm je jaloers bent. Misschien ben je bang dat je iemands vriendschap verspeelt of dat je je comfortabele positie moet opgeven. Misschien denk je wel dat ze je niet zo erg mogen, omdat je minder hebt of kunt dan anderen. Vaak slaan die gedachten nergens op en schaad je er alleen jezelf mee. Er was geen sprake van dat Abram niet meer van Sarai hield of haar niet meer waardeerde. Daar kon Hagar niets aan veranderen en haar kind ook niet. Jaloezie is soms pure hebzucht. Dus stel jezelf voortdurend de vraag of je wel redelijk bent. Die boosheid, die angst, is die nu echt terecht? En dan het derde: Als Sarai aan Hagar haar verontschuldigingen had aangeboden voor haar gedrag en woorden, had ze er misschien een echte vriendin bij gekregen. Die kwade gedachten kwamen niet van Hagar, ze kwamen uit Sarai’s eigen zondige hart. Zij was met dat absoluut zondige plan gekomen dat Abram ook Hagar tot vrouw zou nemen. Jaloezie betekent altijd dat iemand anders de schuld krijgt van onze eigen verkeerde gevoelens. Zulke gevoelens belijden is een belangrijke stap om uit die spiraal van jaloezie te komen. Alles zou wellicht heel anders gelopen zijn als Sarai gezegd had: ‘Hagar, het spijt me dat ik zo hardvochtig tegen je ben geweest. Het was verkeerd om zo uiting te geven aan die kwade gevoelens waar ik last van kreeg zodra ik merkte dat jij een kind verwachtte. Ik geef toe, het is moeilijk voor mij om jou zo gelukkig te zien, omdat ikzelf al zo veel jaren gehoopt heb zwanger te worden, maar …’ – Gebruik altijd liever zinnen met ‘Ik’ dan ‘Jij geeft me het gevoel dat …’ Sarai en Hagar hebben elkaar onrecht aangedaan. Sarai ging echter verder in dat verkeerde spoor. De ene zonde brengt de andere mee. Maar wat met liefde gezaaid wordt, kan door Gods Geest opbloeien tot vrede en blijdschap. Lezen: Jakobus 3:13-18

65


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 16:7-12

Bijbelgedeelte

enesis

Vlucht tot de Heere 7 Hagar was de woestijn in gevlucht, een gevaarlijke omgeving, vooral voor een vrouw alleen. Het blijkt dat zij de karavaanweg richting Egypte volgde. En de Engel des Heeren vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op de weg van Sur, een plaats op de grens met Egypte. Uit vers 13 blijkt dat met de Engel des Heeren de Heere Zelf bedoeld wordt. In het Oude Testament verscheen, of: openbaarde Zich, de Heere soms in de gedaante van een mens of een engel. 8 En Hij zeide: Hagar, gij dienstmaagd van Sarai, vanwaar komt gij en waar zult gij heengaan? De Engel des Heeren deed een beroep op Hagars geweten door haar ‘dienstmaagd van Sarai’ te noemen en haar deze ontdekkende vragen te stellen. En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouwe Sarai. Hagar noemt Sarai haar ‘vrouwe, meesteres’, dus zij aanvaardt de terechtwijzing van de Heere. 9 Toen zeide de Engel des Heeren tot haar: Keer weder tot uw vrouwe, en verneder u onder haar handen, erken haar gezag. Een moeilijke opdracht, want Sarai had Hagar hardvochtig behandeld. God geeft Hagar ook belangrijke aanwijzingen voor de toekomst. 10 Voorts zeide de Engel des Heeren tot haar: Ik zal uw zaad, uw nageslacht, grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden. 11 O ok zeide des Heeren Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger en zult een zoon baren; en gij zult zijn naam Ismaël noemen, dat is: ‘de Heere hoort’, omdat de Heere uw geroep over de verdrukking, of: nood, aangehoord heeft. Deze naam zou haar er altijd aan herinneren dat God naar haar had omgezien in haar grote nood. 12 En hij zal een woudezel van een mens zijn; een man met een karakter dat zich verzet tegen leiding door anderen en graag op eigen initiatief op pad gaat. Die trek is nog steeds waarneembaar bij veel nakomelingen van Ismaël, de Arabieren: zij houden van het harde woestijnleven; zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem; dus doorgaans zullen er geen vreedzame


verhoudingen bestaan tussen hem en de rest van zijn familie; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen; ook te vertalen als: ‘gekant zijn tegen zijn broederen’. Dit soort uitdrukkingen wijst op gespannen en licht ontvlambare verhoudingen met zijn familie. Deze profetie is duidelijk vervuld in de lange geschiedenis van de Arabische volkeren en zelfs in de huidige vijandige verhouding tussen Israël en de Arabieren.

Om over na te denken: Wat moet Hagar zich eenzaam hebben gevoeld en door iedereen in de steek gelaten. Sarai had haar het leven zuur gemaakt en Abram had haar niet in bescherming genomen. Nu niemand het voor haar opnam, was vluchten haar enige keus! Het ligt voor de hand dat zij liever door niemand gezien werd op haar vluchtroute. Iedere reiziger zonder gezelschap liep gevaar; maar zeker een zwangere vrouw die op haar eentje zo’n eenzaam traject volgde, was kwetsbaar. Eén bekommerde Zich echter om haar! Niets ontgaat aan Gods alziend oog. Hij zal, op Zijn tijd, aan al het onrecht een eind maken. We weten niets over de diepte van Hagars geestelijk leven. Wel weten we dat de Heere haar geroep hoorde en dat Hij haar kwam troosten en leiden. Wordt jou ook onrecht aangedaan? Misschien word je getreiterd of genegeerd door je klasgenoten, of je zit met iets van lang geleden. Misschien heeft iemand jouw naam te grabbel gegooid door over je te roddelen. Wat kun je je dan verraden voelen. Dan zou je ook wel willen vluchten. Toch deed Hagar het verkeerd. Ze had schuiling bij de Heere moeten zoeken in plaats van de moeilijkheden uit de weg te gaan. Want hoewel ze misschien bang geweest was dat de Heere Zich niet zou bekommeren om haar, een heidense vrouw, bleek weldra dat Hij het gebed verhoort van iedereen die Hem aanroept! God kan zo ver weg lijken als je je nood uitschreeuwt naar Hem; maar uit deze geschiedenis blijkt dat dit nooit het geval is. Vergeet nooit de tekst ‘Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u’ (1 Petr. 5:7). Lezen: Psalm 34

67


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 16:8

Bijbelgedeelte

enesis

Twee belangrijke vragen 8a En Hij zeide: Hagar, gij dienstmaagd van Sarai, vanwaar komt gij en waar zult gij heengaan?

Om over na te denken: Als jij iemand iets vraagt, wat voor reactie verwacht je dan? (Als je die vraag beantwoord hebt, gaan we verder …) Het is erg vervelend als iemand doet alsof jij lucht bent of niets gevraagd hebt. Als we geen antwoord krijgen, herhalen we de vraag, en dan meestal iets luider. Heb je ooit gemerkt dat de Bijbel letterlijk honderden vragen van de Heere bevat? Als je zo’n vraag tegenkomt, is het heel goed om in gedachten antwoord te geven voordat je verder leest. Als voorbeeld een paar van die vragen uit de profetieën: ‘Wie heeft onze prediking geloofd? En aan wie is de arm des Heeren geopenbaard?’ (Jes. 53:1) – ‘Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen dat geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan?’ (Jes. 55:2) – ‘Wat voor onrecht hebben uw vaders aan Mij gevonden, dat zij verre van Mij geweken zijn; en hebben de ijdelheid nagewandeld en zij zijn ijdel geworden?’ (Jer. 2:5) – ‘Want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?’ (Ez. 33:11) God wil van ons serieus antwoord op zulke vragen. Je zult veel meer nut van Bijbellezen en mediteren hebben als je even de tijd neemt om over deze vragen na te denken. Maar, nu eerst de twee vragen die de Heere aan Hagar stelde: waar zij vandaan kwam en waar zij heenging. Waar kwam Hagar vandaan? Ze had ellendige maanden in de tent van Sarai gehad. De vreugde om het kind dat zij verwachtte, werd verzuurd door haar leefomstandigheden. Als slavin kon ze daar ook geen verandering in brengen, en ze had ook niet de hoop dat het beter zou worden. Ooit had ze als dochter bij haar ouders gewoond. Wie weet wat voor fijne jaren dat geweest waren. Maar alleen de herinnering bleef.


Vergelijk die toestand nu eens met je eigen situatie. De mens leefde in het paradijs in vrede en onbeschrijflijke vreugde. Verdriet en narigheid bestonden niet. Er was niets om bang voor te zijn, en Adam en Eva leefden in volmaakte harmonie. Tegenwoordig leven we in een wereld vol pijn – zelfs de mooie dingen worden vergald door lijden en onderdrukking. De ene mens leeft zich driester uit dan de andere, maar ieder van ons is onderdeel van die zondige samenleving. Van nature zijn we opstandige schepselen; daarom is er zo veel ellende. Heb je leren zien waar je vandaan komt? Erken je dat wij mensen zelf de ellende in ons leven gebracht hebben? Door onze opstand in het paradijs hebben we onszelf als slaaf verkocht aan de zonde en aan satan; daarom zijn wij evengoed slaven als Hagar in de tent van Sarai. Als wij niet leren zien en aanvaarden dat onze ellende onze eigen schuld is, zullen we niet veel behoefte hebben aan Gods Evangelieboodschap. Moet jouw antwoord zijn dat je niet goed weet waar je vandaan komt en je er ook niet druk om maakt? Dan verkeer je nog steeds in een toestand van verharding, goddeloosheid en verlorenheid. De tweede vraag aan Hagar was waar ze heenging. Ze glipte weg uit de tent van Sarai, op zoek naar een betere plek om te leven. Terwijl ze op die stoffige weg richting Egypte liep, droomde ze misschien wel van de vrijheid. Toch kon ze ieder moment overvallen worden en dan zou ze opnieuw slavin zijn, van een ander. Haar dromen zouden dan in een nachtmerrie veranderen. Zie je wat jouw bestemming is als je doorleeft zonder je te bekommeren om God, je Schepper? Dan is je einddoel een vreselijke woestenij, die God ‘hel’ noemt. De ellende daar zal oneindig groter zijn dan in welke aardse woestijn ook. Het is angstaanjagend om te verdwalen in een uitgestrekte woestijn, maar door God verlaten en in de hel geworpen te worden, zal oneindig erger zijn. Je droom over vrijheid om te leven zoals jij dat wilde, wordt dan een nachtmerrie van lijden in slavernij aan jezelf, de zonde en satan. ‘De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede’ (Jes. 57:21). Niemand begreep deze woorden beter dan Jezus. Hij heeft vaak gewaarschuwd voor de helse rampzaligheid. Sla Zijn waarschuwing niet in de wind: ‘Vreest Hem Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel’ (Matth. 10:28). Lezen: Jona 3

69


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 16:8-9

Bijbelgedeelte

enesis

Onderwerping 8 En Hij zeide: Hagar, gij dienstmaagd van Sarai, vanwaar komt gij en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouwe, meesteres, Sarai. 9 Toen zeide de Engel des Heeren tot haar: Keer weder tot uw vrouwe, en verneder u onder haar handen.

Om over na te denken: De Engel des Heeren stelde niet alleen vragen. Hij gaf Hagar ook instructies, die niet voor tweeërlei uitleg vatbaar waren: Keer om, ga terug naar je wettige meesteres en erken haar gezag. Het Woord en de Geest van God werkten met kracht in Hagar, want ze luisterde naar deze woorden en gehoorzaamde het gebod van de Heere om terug te keren. Hoe moeilijk het ook was om te gehoorzamen, het was wel de weg waarin ze gezegend werd. De instructies voor Hagar zijn ook de samenvatting van wat onze Schepper van ons vraagt. God beveelt ieder mens, jong of oud, zich van alle zonden te bekeren en tot Hem terug te keren. God heeft het recht te eisen dat wij ons tot Hem bekeren, ook al kunnen we dat op geen enkele manier meer. Als ik dronken op mijn werk kom, overvraagt mijn baas me dan als hij eist dat ik mijn werk doe, ook al ben ik daar niet toe in staat? Het is niet zíjn schuld dat ik dat niet kan, maar mijn schuld. Zo is het geestelijk ook; ons onvermogen is geen excuus, het is schuld. God beveelt ons dat wij ons bekeren tot Hem, onze wettige Eigenaar en Schepper. Luister je naar dat bevel? Laten we nooit vergeten dat ons verzet een verachtelijk tarten van Gods gezag is. Dat blijft niet ongestraft, ook al kúnnen wij het niet meer, Zijn bevel gehoorzamen. Gods bevel en jouw onmacht, het zijn allebei werkelijkheden. Je lijkt vast te zitten in


een bankschroef: hulpeloos en hopeloos, maar tegelijkertijd schuldig en terecht veroordeeld. Deze waarheden moet de Heilige Geest ons persoonlijk leren. Het is verre van plezierig om in die bankschroef klem te zitten. En toch is het absoluut noodzakelijk, omdat we anders voorbijleven aan Zijn bevel én aan Zijn aanbod van genade. Het Woord roept niet alleen op ons tot God te bekeren, maar ons ook aan Hem en Zijn genadige, helende handen over te geven. God heeft in Zijn wondere wijsheid een oplossing uitgedacht. Hij heeft Zijn enige Zoon gegeven, Die naar deze ellendige wereld kwam om te lijden en te sterven voor schuldigen. Dat is het grootste nieuws dat onze gevallen, opstandige wereld ooit gehoord heeft! Door de genade van God is het mogelijk verlost te worden uit die vreselijke toestand waarin wij verkeren. God is gewillig ons vergeving te schenken, zodat wij in een nieuwe verhouding tot Hem komen te staan, dankzij Zijn genade en liefde. Zijn boodschap aan jou en mij is niet onduidelijk: ‘De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk’ (Jes. 55:7). Wat een wonder toch dat God bereid is berouwvolle zondaars te ontvangen. Ongelooflijk, als je ziet wat je gedaan hebt. Daarom voegt God er in vers 8 aan toe: ‘Want Mijn gedachten [over vergeving en verzoening] zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen [zoals u omgaat met iemand die u beledigd heeft] zijn niet Mijn wegen, spreekt de Heere.’ Gods gedachten over vergeving en de manier waarop God die mogelijk gemaakt heeft, staan ver van ons denken af. Verder dan de sterren van de aarde af staan! Wij worden geroepen ons gewonnen te geven aan dit Woord van God. Hagar werd opgeroepen zich te onderwerpen aan de harde hand van Sarai. Maar God roept ons op ons in vertrouwen over te geven aan de helende en milde handen van Jezus Christus. We hoeven niet bang te zijn, want Hij is de beste en edelmoedigste Heere, vriendelijk, genadig, goed, groot en gul. Kun je dit niet geloven, omdat je ziet hoe schuldig en onwaardig je bent? Doe dan maar zoals die man die uitriep: ‘Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp’ (Mar. 9:24). Lezen: Markus 9:14-29

71


Genesis 16:13-16 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

De God Die iedereen ziet 13 Na deze heerlijke, zorgvolle woorden, belijdt Hagar dat de Heere Zelf Zich op een bijzondere manier aan haar heeft geopenbaard. Zij, die ooit door de Egyptenaars was opgepakt en door Farao als een stuk inventaris aan Abram was gegeven – zij, het onaanzienlijke slavinnetje en dienstmeisje van Sarai – zíj was in gunst aangezien door de Almachtige, Abrams God. En zij noemde de Naam des Heeren Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens, of: Die aan mij denkt; want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien Die mij aanziet, of: Zich om mij bekommert? 14 D aarom noemde men die put de put Lachai-Roï (van de Levende Die naar mij omziet); zie, hij is tussen Kades en tussen Bered. 15 E n Hagar, die in gehoorzaamheid naar het tentenkamp van Abram was teruggekeerd, baarde Abram een zoon; en Abram noemde de naam zijns zoons, die Hagar gebaard had, Ismaël. Dus ook Abram is gehoorzaam aan de woorden die de Heere gesproken heeft en die Hagar aan haar man zal hebben doorgegeven. We mogen aannemen dat Hagar bovendien schuld beleden had aan Sarai; wellicht brak toen een periode van bekering, vergeving en dankbaarheid aan. 16 E n Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde.

Om over na te denken: Het moet een totaal nieuwe gedachte voor het slavinnetje geweest zijn: God ziet en bekommert Zich zelfs om het lot van een slaaf. Hagar zal wel geleerd hebben zich te buigen voor de stenen afgoden die in haar land vereerd werden. Gestaard hebben naar die stenen, norse ogen en die harde handen van de goden van haar ouders; goden die nooit een vin verroerden. Wat worden ons hier heerlijke dingen verteld over het Wezen van onze God en Schepper! God zag Hagar aan en hoorde haar geroep. Vergeet toch nooit dat Hij ook jou ziet, en je hoort als je uit je verdriet en lijden tot Hem roept.


In Psalm 33:13 staat: ‘De Heere schouwt uit de hemel, en ziet alle mensenkinderen.’ Vanuit Zijn verheven en machtige troon ziet Hij ook jou. Van die verre afstand kijkt Hij recht in je hart; Hij weet precies hoe het er in jouw leven voorstaat. Hij weet wat er gebeurt of gebeurd is, ook al weet niemand anders daarvan. Hij ziet ook de tranen die uit jouw gewonde hart opwellen. Hij vertoornt Zich over mensen die jou kwetsen of misbruik van je maken. Denk niet dat Hij een onbewogen Toeschouwer is. Nee, God vertoornt Zich dagelijks over zondaars. Hij haat alles wat inbreuk maakt op Zijn liefdewetten. Er komt een dag waarop Hij ieder mens en iedere zonde in het gericht zal brengen. Daarom werd de waarheid van ‘de God Die mij ziet en Zich om mij bekommert’ ook zo’n grote troost voor Hagar. Ze stond er niet alleen voor. Hoewel God haar opdroeg terug te gaan naar haar meesteres Sarai, wist ze dat God haar niet uit het oog zou verliezen. Maar waarom had God dit misbruik toegelaten, terwijl Hij de macht had om daar een einde aan te maken? Zulke vragen zijn gauwer gesteld dan beantwoord. God laat vaak toe dat zondig gedrag van anderen uiteindelijk tot groot voordeel leidt van Zijn kinderen die het treft. Het lijden is een van de dingen die op Zijn school geleerd worden. Oneindig veel mensen hebben ondervonden dat het lijden in hun leven tot hun behoud bijdroeg in plaats dat het tot verbittering leidde. Dat er een alziend God is, is een troost voor velen. Tegelijk ook een schrikbeeld voor anderen. Als jouw geweten je aanklaagt over stiekeme leugentjes, dan hoor je liever niet over een God Die alles ziet en weet. Maar toch leest en kent Hij jouw gedachten, en die laten Hem niet onaangedaan. Want het kan niet anders of God moet Zich vertoornen over de zonden van onrecht, oneerlijkheid, wreedheid, allerlei misbruik en nalatigheid. Ook al houdt Hij nu Zijn toorn nog in, er komt een dag waarop alles aan het licht komt en waarop Hij ieder mens zal vergelden naar zijn gedrag. Ik hoop dat deze waarheid jou tot bekering leidt. Lezen: Romeinen 2:1-11

73


Gene Genesis 16:8, 13-14

Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

God zorgt 8 En Hij, de Engel des Heeren, zeide: Hagar, gij dienstmaagd van Sarai, vanwaar komt gij en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouwe Sarai. 13 En zij noemde de Naam des Heeren Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens, of: Die aan mij denkt; want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien Die mij aanziet, of: Die Zich om mij bekommert? 14 Daarom noemde men die put de put Lachai-Ro誰 (de put van de Levende Die naar mij omziet); zie, hij is tussen Kades en tussen Bered.

Om over na te denken: Hoe verder we met lezen in het Oude Testament komen, des te meer we over God te weten komen. Hij openbaarde Zich geleidelijk aan de mens. Uit deze ontmoeting met Hagar bijvoorbeeld leren we dat God intensief betrokken is op mensen, zelfs op een eenzame slavin die laag was neergezet door haar meesteres. Als God Hagar niet had tegengehouden, wat zou er dan van haar zijn terechtgekomen? Ze had geen maatschappelijke status; op haar vlucht naar Egypte had zomaar iemand anders haar weer tot slavin kunnen maken. Dat wilde God echter niet laten gebeuren, maar Hij wilde ook niet dat ze die zondige verachting van haar meesteres bleef koesteren. Daarom riep Hij haar en stuurde haar terug naar haar man Abram en naar haar meesteres Sarai. Hij deed dit omdat hij een genadige God is; haar lot ging Hem zeer ter harte. Hoezeer wij mensen God ter harte gaan wordt veel later in de geschiedenis overduidelijk: als Jezus op aarde komt. Hij werd geboren midden in de verwarring en de ellende van deze wereld. Als de God-Mens werd Hij uitgejouwd, belasterd, onrechtvaardig behandeld en uiteindelijk verworpen: ze kruisigden Hem. En dat terwijl Hij tijdens Zijn omwandeling op aarde steeds liefde en zorg bewees aan hongerigen,


zieken, verschoppelingen, door de duivel bezetenen en eenzamen. In zijn preek bij Cornelius zegt Petrus dat de Nazarener gezalfd was met de Heilige Geest en met kracht, en: dat Hij ‘het land doorgegaan is, goeddoende …’ (Hand. 10:38). Is dit het type christendom waaraan ook wij te herkennen zijn? Gaan wij er, om Christus’ wil, op uit om iets te doen voor mensen die hopeloos gevangen zitten in de strikken van machtsmisbruik, of in zo’n ellende terechtgekomen zijn dat ze geen uitweg meer zien? Ook in jouw land worden duizenden ongeboren kinderen omgebracht. Wat doe jij voor hen? Bijna 27 miljoen mensen leven in een toestand van slavernij. Wat doe jij voor hen? Of voor die talloze jongeren en ouderen die eenzaam worstelen met de ellende die over hen heen golft? God heeft ons niet geboren laten worden om carrière te maken en behaaglijk achterover te leunen, terwijl grote aantallen mensen honger hebben, lijden, zich afbeulen en ten slotte stikken in hun ellende. Wie zo zelfzuchtig leeft, is de naam christen onwaardig! Christus verliet het heerlijke huis van Zijn Vader om af te dalen in die verschrikkelijke kuil vol ellende die onze wereld geworden was. Hij was bereid het bittere leven van een verachte en uitgeworpene te leiden, om hoop en verlossing te kunnen brengen. Waar zijn de christenen die bewogen zijn met anderen, zoals de God Die Hagar opzocht? Wij hebben het zo druk met ons leven, ons werk en onze pleziertjes, dat we die behoeftige Hagars niet eens zien. Maar zo’n houding werpt wel een smet op het christendom! Jij en ik dragen wellicht de Naam van de Heere op ons voorhoofd – maar wat wordt dat gemakkelijk een aanfluiting. Zou God ze vrijuit laten gaan: jongens, meisjes, mannen en vrouwen die geen hand uitsteken in het verzet tegen onrecht en onderdrukking? Of die mensen laten verhongeren zonder daar ook maar iets aan te doen? God was diep bewogen met Hagar. Dat moet iedereen weten. Daarom kreeg die put déze naam. Is jouw leven ook zo’n proclamatie van de Levende Die naar behoeftigen omziet en voor hen zorgt? Een leven dat het beeld van God niet weerspiegelt, is een put die droogstaat! Lezen: Johannes 7:37-39

75


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 17:1-3

Bijbelgedeelte

enesis

Religie van het hart 1 Het is nu dertien jaren geleden dat Hagar terugkwam in het tentenkamp van Abram. We lezen nergens dat God in al die jaren tot Abram gesproken heeft. Abram en Sarai zullen Ismaël wel beschouwd hebben als de vervulling van Gods verbondsbelofte. Want ze waren nu toch echt te oud om samen nog een kind te krijgen. En, ze leefden vredig en Ismaël was al een flinke knaap geworden. Maar God was Zijn verbondsbeloften niet vergeten. Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de Heere aan Abram en zeide tot hem: Ik ben God de Almachtige; wandel voor Mijn aangezicht en zijt oprecht, of: volkomen, in uw godsdienst. De naam ‘God de Almachtige’ wordt hier voor de eerste keer in de Bijbel gebruikt. Laten we eraan denken dat de Namen van God altijd iets over Hemzelf uitdrukken. Nu God deze Naam gebruikt, openbaart Hij dat wat bij mensen onmogelijk is, voor Hem wél mogelijk is. Vroeger had Abram het misschien niet altijd kunnen geloven dat God hem zou willen zegenen. Maar nu hij en Sarai allebei zo oud geworden zijn, is hij wellicht soms gaan twijfelen of God Zijn belofte wel kón vervullen. In de Naam ‘God de Almachtige’ lag daarom een bemoediging voor hem. 2 En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u gans zeer vermenigvuldigen. Het ging hier niet om een nieuw verbond, maar om een aanscherping van het verbond dat God eertijds (Gen. 15:18) met Abram gesloten had. Nu de tijd naderde dat één aspect van dat verbond vervuld zou worden, bracht God Abram Zijn vroegere beloften weer in herinnering. 3 Toen viel Abram op zijn aangezicht, in ootmoed en aanbidding om deze genadige belofte, die hij zich niet waardig had gemaakt.

Om over na te denken: ‘Het moet gewoon goed zitten …’ – en nog eens borstel je die pluk haar die je nu al vijf keer in vorm hebt proberen te krijgen. Als je eindelijk klaar bent, mompel je:


‘Beter kan ik het echt niet krijgen.’ Zo veel zorg voor een detail zou je ‘toewijding’ kunnen noemen. Komen jij en ik met net zo veel zorg voor Gods aangezicht als dat we voor de spiegel gaan staan? Kiezen we onze woorden en wegen we onze daden net zo zorgvuldig als dat we ons haar of onze kleding verzorgen? Wat hebben we er weinig erg in dat God heel de dag ons hart ziet! Alles verandert compleet zodra de zaligmakende genade van God bezit neemt van ons hart. Dan lig je er niet meer wakker van hoe vrienden of vriendinnen over je denken. Dan is er alleen dat ene: ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? Leer mij Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vreze Uws Naams.’ We weten niet waarom de Heere Abram eraan moest herinneren dat hij zijn godsdienstplichten met ernst, met toewijding, moest waarnemen. Ons is immers niets bekend over Abrams leven(swandel) die dertien jaren. Was zijn godsdienstig leven, ook zijn gebedsleven, ingezonken nu Ismaël zo’n grote plaats in zijn leven was gaan innemen en alles zonder problemen verliep? Waren Abrams godsdienstige leven en de huisgodsdienst een routine geworden? Met andere woorden, was er nog wel vorm, maar ontbrak het vuur? Wat we wél weten, is dat God behagen heeft in een godsdienst waarbij ons hele hart betrokken is. ‘Zijn ogen doorlopen de ganse aarde, om Zich sterk te bewijzen aan degenen welker hart volkomen [oprecht] is tot Hem’ (2 Kron. 16:9). Dien ook ik Hem met heel mijn hart, zoals Jozef, die vroeg: ‘Hoe zou ik dit een zo groot kwaad doen en zondigen tegen God?’ (Gen. 39:9) Staat God bovenaan bij alles wat ik wil gaan doen? Heb ik Zijn eer op het oog in mijn vrije tijd, bij het zoeken van vrienden en in mijn schoolwerk? Is het mijn blijdschap en verlangen om Zijn wil te doen? Geen leven biedt zo veel moois en zo veel bevrediging als een leven waarvan Hij de Bron en het Middelpunt is. Laat dat ons ertoe aansporen om aan onze Schepper te denken terwijl we nog jong zijn. Bid Hem of Hij je hart helemaal wil vervullen. Lezen: Psalm 86

77


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 17:3-8

Bijbelgedeelte

enesis

Het ‘Ik zal’ van God 3 Toen viel Abram op zijn aangezicht; en God sprak met hem, zeggende: 4 Mij aangaande, zie, Mijn verbond is, of blijft bestaan, met u; en gij zult tot een vader van menigte der volken worden. De Heere God had Abram eerder (Genesis 15) een talrijk nageslacht beloofd. Nu openbaart God dat er verschillende volkeren uit hem zullen voortkomen. Dat is iets bijzonders, want van de meeste stamvaders stamt slechts één volk af. Deze verbondsbelofte slaat op de Joden en de Arabieren, en verder op de ware gelovigen uit alle volkeren, die door het geloof kinderen van Abram zullen worden. 5 En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram, d.i.: ‘verheven vader’; maar uw naam zal wezen Abraham, d.i.: ‘vader van een menigte’, want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken. 6 En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen; en koningen zullen uit u voortkomen. Dus uit deze volken zullen mannen van groot aanzien voortkomen. 7 En Ik zal Mijn verbond oprichten, of: handhaven, tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God en uw zaad na u. Het nieuwe in deze woorden is dat God belooft in het bestaande verbond ook Abrams nakomelingen op te nemen. Hoewel veel van Abrams nakomelingen het verkeerde pad op zijn gegaan, was en blijft er altijd een overblijfsel trouw aan God. De eigenlijke reden waarom er altijd zo’n overblijfsel zal zijn, is dat God Zelf beloofd heeft hun God te zijn! Die belofte is het hart van Gods verbond, het Evangelie van hoop. 8 De herbevestiging van dit deel van het verbond kwam ook op het goede moment. Er waren nu bijna vijfentwintig jaren verstreken nadat God Abram het land beloofd had (Gen. 12:7). Op dit moment bezat Abram nog geen enkel stuk land. En Ik zal u en uw zaad na u het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn. Op grond van deze belofte claimen de Joden in onze tijd Palestina als het hun door God gegeven land.


Om over na te denken: Als wij beloven: ‘Ik zal dat voor jou doen’, moeten we later nogal eens zeggen: ‘Sorry, ik ben het vergeten’, of: ‘Sorry, maar uiteindelijk is het me toch niet gelukt.’ En hoe vaak zijn zulke woorden niet een excuus omdat wij onze belofte niet nagekomen zijn? Tegenover menselijk onvermogen en falen staan de trouw en de macht van de Heere. In dit hoofdstuk zegt God wel dertien keer: ‘Ik zal.’ Hij zwoer een heilige eed aan Abram en zijn nageslacht. En als we de eeuwen overzien, blijkt dat God dit verbond altijd heeft gehouden, ondanks de zondige afwijkingen en ontrouw van Abrams nakomelingen. Wij doen beloften, en komen ze dan niet na, omdat er onoplosbare moeilijkheden zijn, of omdat het ons aan kracht ontbreekt om woord te houden. Voor God bestaan zulke hindernissen echter niet, omdat Hij de almachtige God is. Hij kan en zal Zijn ‘Ik zal’ altijd nakomen. In het ‘Ik zal’ van God ligt de enige troost in leven en sterven. Want jij en ik ondervinden altijd de vreselijke gevolgen van onze val in het paradijs; daar valt niets aan te veranderen. Want wie kan een reine voortbrengen uit de onreine, of het leven uit de dood? Wij, gevallen mensen, liggen hopeloos verloren in ons zondige verzet en onze hemelhoge schuld. Hoewel we ons duizend keer kunnen voornemen: ‘Ik ga nu mijn leven beteren’, of: ‘Die zonde zal ik niet meer doen’, komt daar niets van terecht zonder Gods kracht en genade. Want wij verbreken iedere belofte en elk goed voornemen. Bovendien, hoe veel goede voornemens we ook hebben, we kunnen er niet één begane zonde mee uitwissen. Het ‘Ik zal’ van God schijnt als een helder licht in een duistere nacht. De Bijbel maakt ons bekend met de genade die God uitgedacht heeft, maar ook met de genade die God werkt. Omdat Zijn ‘Ik zal’ niet gebroken kan worden, mogen jij en ik onze knieën buigen en Hem om genade smeken. Je kunt en hoeft daarbij niets mee te brengen dan Zijn eigen genadewoord! Lezen: Ezechiël 36:21-38

79


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 17:9-14

Bijbelgedeelte

enesis

Het verbond houden of het verbreken  9 Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult Mijn verbond houden, gij en uw zaad na u, in hun geslachten. 10 Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is u besneden worde. 14 En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelve ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden: hij heeft Mijn verbond gebroken.

Om over na te denken: Wanneer ben jij jarig? Je zult vast niet willen dat iemand dat vergeet! Het is een dag om blij te zijn en dankbaar voor wat God je uit genade schenkt. Het is trouwens ook de beste dag om iets te geven. Geven? Ja, waarom zou je niet iets geven, om te laten zien hoe dankbaar je bent! Want … wij zien onze verjaardag vooral als een dag om iets te krijgen. Of niet soms? Voor Joodse jongens was één dag nog belangrijker dan hun verjaardag: de achtste dag na hun geboortedag. Want dan kregen ze het teken van Gods verbond. Maar heb jij eigenlijk ook niet zo’n dag? Als je als kind gedoopt bent, weet je dan de datum? Daar moet je eens achter zien te komen. En als je die datum op de kalender schrijft, kun je er elk jaar aan terugdenken. Waarom is die dag belangrijker dan je verjaardag? Omdat de Heere God op die dag het teken van Zijn verbond op je voorhoofd liet aanbrengen. Het is het teken van de relatie die Hij met jou persoonlijk is aangegaan. God wilde dat jij dit bijzondere voorrecht zou ontvangen en bij de christelijke gemeente zou gaan horen. Denk eens even terug aan Gods gemeente in het Heilige Land van de Joden. In de tijd van de Bijbel was het land Israël de enige plaats ter wereld waar God Zich openbaarde, door de profeten en de tempeldienst. Het Joodse volk had de beste


wetten van alle naties op de wereld. En ze zouden een gelukkig en gezond leven leiden als zij zich aan die wetten hielden. God had hen ook uitgekozen om het volk te zijn waaruit de beloofde Messias geboren zou worden. Het was in déze natie dat de Heere Jezus leefde, preekte en overal zo veel goeds deed. De Heere had Zich aan dit volk verbonden om hun God te zijn, in al hun behoeften te voorzien en hen te beschermen tegen alle gevaren. Zij werden aangemoedigd ‘hun mond wijd open te doen’, met de belofte dat Hij dan al hun nooddruft zou vervullen. Wat een voorrechten! Als jij bij de christelijke gemeente hoort en het teken van Gods verbond draagt, dan ben je gezegend, net als eertijds de Joden. Je bent dan, geestelijk gezien, rijk bevoorrecht. Want het is in deze situatie dat de Heilige Geest gewoonlijk werkt. Dat is niet iets om prat op te gaan, want het is alleen uit genade dat je in deze situatie bent. Wel is er alle reden om dankbaar te zijn voor deze rijke zegeningen en die weldaden nooit te verachten. Deze voorrechten brengen echter ook verplichtingen mee. Mensen die het teken van Gods verbond dragen, mogen niet leven alsof zij niets te maken hebben met de Heere hun God. Besef je dat het dragen van dit verbondsteken wil zeggen dat de Verbondsgod belooft jóúw Heere en God te willen zijn? Dus toch wel een heel goede gewoonte om ieder jaar terug te denken aan de dag waarop je het verbondsteken ontving! Op zo’n dag mag je jezelf wel afvragen: Leef ik tot eer van Hem Die een verbond met mij aanging? Gaat mijn hart uit naar de wereld en alles wat zij biedt, maar wil ik niet weten van liefde tot de Heere, mijn God, en weiger ik Hem te dienen? Heb ik Hem nodig voor leiding, voor hulp en bovenal voor mijn zaligheid? Is het aan mij te zien en te horen dat ik Zijn eigendom ben? Of gebruik ik die Naam op mijn voorhoofd ‘ijdel’? Versmaad toch nooit de rijkdom die God jou genadig aanbiedt door het sluiten van een verbond, zoals Hij bij Abram deed! Want dan zal het op de oordeelsdag draaglijker zijn voor de mensen van Sodom en Gomorra dan voor jou, op wie God Zijn Verbondsnaam liet schrijven. Lezen: Deuteronomium 6:10-25

81


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 17:9-14

Bijbelgedeelte

enesis

Het teken van het verbond  9 Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult Mijn verbond houden, gij en uw zaad na u, in hun geslachten. Met de woorden ‘Gij zult Mijn verbond houden’, maakte God duidelijk dat Abram en zijn nageslacht nu zo moesten leven dat iedereen duidelijk kon zien dat God Zijn verbond met hen had opgericht. Net zoals getrouwde mensen niet meer kunnen leven alsof zij nog vrijgezel zijn, konden ook Abram en zijn nageslacht nu niet doorleven alsof er geen verbond tussen de Heere en hen bestond. 10 Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is u besneden worde. God eiste dat iedere man/jongen een bijzonder kenmerk in zijn lichaam zou krijgen dat diende als teken van Gods verbond met hen. 11 En gij zult het vlees uwer voorhuid, het buitenste randje huid van het mannelijk geslachtsorgaan, besnijden, of: rondom wegsnijden; en dat zal tot een teken zijn des verbonds tussen Mij en tussen u. 12 Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: de ingeborene des huizes, waarmee waarschijnlijk de kinderen van het personeel bedoeld worden, en de als slaaf gekochte met geld van allen vreemde, dewelke niet is van uw zaad; 13 De ingeborene van uw huis en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; omdat deze allen ook begrepen waren in Gods verbond met Abram, en omdat deze ‘vreemden’ na verloop van tijd in het volk Israël zouden opgaan; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees tot een eeuwig verbond. 14 En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelve ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden: hij heeft Mijn verbond gebroken. Hier blijkt dat God de weigering om het verbondsteken te ontvangen als een zware belediging zou opvatten. Wie weigerde, werd uit het land verbannen en mocht er geen erfenis in bezitten.


Om over na te denken: Waarom eiste de Heere God dat dit verbond tussen Hem en Abram en diens nageslacht door een insnijding in het mannelijk lichaam zou worden bevestigd? Wel, dit teken van Gods verbond is tegelijkertijd een teken én een zegel van Gods beloften. Als teken laat het ons zien dat God beloften heeft gedaan; en als zegel doet het dienst als ondertekening, waardoor de beloften als echt en betrouwbaar worden gewaarmerkt. Het teken werd gegeven om Abram en al zijn nakomelingen te sterken in hun vertrouwen op Gods beloften. Bovendien, telkens als mannen of jongens zouden zien dat zij besneden waren, herinnerde dat hen eraan dat zij in een heilige verbondsrelatie tot de Heere God stonden. Wil je weten hoe ingrijpend de betekenis van dit teken was, vergelijk het dan maar met de trouwring die getrouwde mensen dragen. De ring aan de hand van de man is het teken en zegel van de trouwbelofte van z’n vrouw. Waar hij ook is, altijd wordt hij eraan herinnerd dat hij zijn vrouw de ‘hand’ heeft gegeven en heeft beloofd dat hij haar trouw zal blijven totdat de dood hen scheidt. De trouwring is daarom een teken van het huwelijkscontract. Maar waarom moest dit teken op zo’n pijnlijke manier worden aangebracht, waarbij veel bloed vloeide? Het bloedvergieten duidde op het komende Zaad Dat zou voortkomen uit Abram en zijn nageslacht: Jezus Christus. De Heere Jezus zou Zichzelf offeren door Zijn leven af te leggen, door Zijn bloed te laten vergieten, waardoor de zondeschuld werd weggenomen. Want zonder bloedvergieten is er geen vergeving van ook maar één zonde mogelijk. Er wordt weleens gezegd dat de besnijdenis ook bijdroeg aan een betere hygiëne en gezondheid. Dat is waar, maar het was ongetwijfeld niet de belangrijkste reden waarom God de besnijdenis instelde. Wel onderstreept het dat al Gods geboden, ook als ze moeilijk lijken, voor ons bestwil zijn. Want de Heere God is goed in alles wat Hij doet en van ons vraagt. Lezen: Handelingen 15:6-35

83


Genesis 17:10-11 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Besnijdenis van het hart 10 Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is u besneden worde. 11 En gij zult het vlees uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn des verbonds tussen Mij en tussen u.

Om over na te denken: In Oude en Nieuwe Testament verwijst de besnijdenis naar een heel belangrijke geestelijke waarheid. Lees maar: ‘Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uw nek niet meer’ (Deut. 10:16) – ‘In Welke [dat is: in Christus] gij ook besneden zijt met een besnijdenis die zonder [menselijke] handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus’ (of: die Christus door de Geest heeft verricht in uw hart) (Kol. 2:11). En in Filippenzen 3:3 schreef Paulus: ‘Want wij zijn de besnijding, wij die God in de geest dienen, en in Christus Jezus roemen en niet in het vlees betrouwen.’ In deze verzen benadrukt God dat wij in ons leven meer nodig hebben dan een uiterlijk verbondsteken. Ons hárt moet worden besneden, door de Heilige Geest. Het verderf van zonde en begeerte dat in ons boze hart woont, moet worden weggesneden door de Geest. Menselijke handen kunnen dit niet. Je ouders, leerkrachten, predikanten en andere ambtsdragers kunnen je wel leren dat je je netjes moet gedragen – maar ze kunnen geen verandering brengen in wat jouw hart begeert. Dat kan alleen gebeuren door het werk van de Geest van Christus in ons hart. Jezus noemde deze verandering de ‘nieuwe geboorte’ of ‘wedergeboorte’. Pas op dat je niet gaat redeneren: Ik ben een nette jongen, een net meisje. Ik ga naar de kerk, lees trouw in mijn Bijbel, ben niet slordig in het bidden – en ik draag toch ook het teken van Gods verbond op mijn gedoopte voorhoofd? Met mij zit het wel goed. Als je zo denkt, bedrieg je jezelf. Goed doen of er goed uitzien is niet hetzelfde als


goed zíjn. God kijkt in jouw hart en vraagt dan: ‘Is er bij dit kind liefde tot Mij en tot Mijn heilige wil? Leeft deze jongere in oprechtheid en zoekt hij echt Mijn eer in alles wat hij doet? Is voor dat meisje een rein hart net zo’n grote schat als een gelukkig leven?’ Wat voor antwoord zou God krijgen als het om jou ging? Vergeet nooit: God ziet niets liever dan reinheid en oprechtheid in het hart, waardoor we Hem boven alles liefhebben en onze naaste als onszelf. Die oprechte godsvreze komt niet in jouw hart door menselijke handen of inspanning. Jij en ik kunnen niet buiten de ‘besnijdenis door de Geest van Christus’. Dán gaan we God dienen met een oprecht hart. God noemt dit ‘een nieuw hart en een nieuwe geest’ (Ez. 36:26-27). De Geest van God maakt een nieuw hart en een nieuwe geest door Zijn Woord. De Heilige Geest brengt jouw trots een gevoelige slag toe als Hij je ogen ervoor opent hoe zondig je in werkelijkheid bent. En als de Geest je laat zien hoe heilig en rechtvaardig God is, zul je gaan beven voor de ontmoeting met je Schepper. Deze ontdekking aan wie je zelf bent en wie God is, werkt wat uit. Net zo goed als iemand die in gevaar verkeert, om hulp schreeuwt. Wie ziet hoe groot z’n geestelijke gevaar is, zal tot God roepen en uitkomst zoeken. Weet jij van zulke overtuigingen en die innerlijke onrust in je ziel? Is bidden en God zoeken je dagelijkse behoefte geworden? Of is het nog steeds een dagelijkse verplichting? De Geest snijdt ook in onze diepste verlangens, in onze liefde tot de zonde en de wereld. Een hart dat besneden is, krijgt liefde tot alles wat van God is, en wil een weg gaan die God behaagt. Wat je vroeger zo fijn vond, wordt nu een last. En de dingen van God, waar je vroeger zo’n afkeer van had, daar krijg je nu belangstelling voor; je krijgt er vermaak in. Weet je hier iets van? Dan is er reden om God te danken voor wat Hij gedaan heeft en nog zal doen. Want als God begonnen is je hart te veranderen, maakt Hij dat werk ook helemaal af. Of zijn dit dingen waar je niets van kent? Dan ben je nog dood in zonden en misdaden. Dan rust de toorn van een heilig God nog steeds op je. Durf je zo verder te leven? Volg toch de raad van de Heere Jezus op: ‘Strijdt om in te gaan door de enge poort.’ Die poort staat nú nog open! Lezen: Ezechiël 36:25-38

85


Genesis 17:15-22 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

God komt Zijn belofte na 15 Nog zeide God tot Abraham: Gij zult de naam van uw huisvrouw Sarai niet Sarai noemen; maar haar naam zal zijn Sara. Sara betekent ‘prinses’, wat duidt op meer aanzien. Zij zou immers de stammoeder van koningen worden. Een zegen! 16 Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal; koningen der volken zullen uit haar worden. Hier werd voor het eerst duidelijk gemaakt dat Sara de moeder van het beloofde zaad zou zijn. God zegt twee keer: ‘Ik zal haar zegenen’, want naar de mens gesproken was het onmogelijk dat een vrouw van negentig jaar nog een baby zou krijgen. Uit haar kind zouden Joodse koningen geboren worden, maar ook Edomietische (nakomelingen van Ezau), en bovendien geestelijke kinderen – gelovigen uit alle volken. 17 Toen viel Abraham op zijn aangezicht, in aanbidding en verering, en hij lachte blij en verrast nu de Heere God hem dit liet weten; en hij zeide in zijn hart (in gedachten, vol verwondering): Zal een die honderd jaar oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaar oud is, baren? Nee, Abraham lachte niet ongelovig, want de Heere bestrafte hem niet, zoals Hij later wel Sara zou bestraffen om haar lachen (18:13). 18 En Abraham zeide (toen hij alles wat beter tot zich had laten doordringen, dacht hij ook aan Ismaël) tot God: Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht! Abraham pleitte voor Ismaël en vroeg de Heere ook hém te zegenen. Abraham vroeg dus niet of hij Ismaël als de beloofde zoon van Sara mocht beschouwen. Maar omdat hij van Ismaël hield, was het zijn verlangen dat de Heere ook deze zoon zou zegenen. 19 God maakte door Zijn antwoord duidelijk dat Zijn verbond zich alleen zou uitstrekken tot Izak en diens nakomelingen. En God zeide: Voorwaar, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam noemen Izak; dat betekent ‘gelach’ of ‘blij’, een verwijzing naar de blijdschap van Abraham; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem.


Alleen via de linie van Izak zou God de beloften van Zijn genadeverbond uitwerken. 20 E n aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend en zal hem vruchtbaar maken en hem gans zeer vermenigvuldigen; zijn nageslacht zou dus uitgroeien tot een groot volk; twaalf vorsten zal hij gewinnen; zie de opsomming in Genesis 25:12-16; en Ik zal hem tot een groot volk stellen. God gaf dus een goedgunstig en royaal antwoord op Abrams gebed dat Hij Ismaël Zijn gunst zou betonen. 21 M aar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op deze gezette tijd in het andere jaar baren zal. Omdat Izaks geboorte alleen mogelijk was dankzij Gods rijke genade, herhaalt God dat Zijn verbond met Abraham zou worden uitgewerkt via Izak. Dit houdt in dat het Joodse volk het bijzondere volk van God was en is. 22 E n Hij eindigde met hem te spreken; en God voer op van Abraham.

Om over na te denken: Het moet Abraham wel geduizeld hebben! Er zou dus toch een einde komen aan die vierentwintig jaren van wachten op de vervulling van Gods belofte dat Sarai een kind zou baren. En al die tijd was Abrahams geloof gesterkt om vast te houden aan de belofte. Verhoort God elk gebed? Dat doet Hij niet. Misschien bid jij om dingen die Hij nooit beloofd heeft. Of om iets wat niet goed voor je is, zoals Paulus bad om wegneming van de doorn in zijn vlees. En bovendien, Gód bepaalt wanneer en hoe Hij verhoort. Laat Gods Woord altijd richtsnoer zijn bij je bidden. Om dingen die bijdragen aan een leven in ootmoed, tevredenheid en vertrouwen, mogen we altijd bidden. Maar laten we Hem toch bovenal zoeken voor wat Hij beloofd heeft te willen geven, zoals de zaligheid, alles wat nodig is voor ons dagelijks leven, of een zegen over het gebruik van de genademiddelen. Hoewel God om wijze redenen ook ons kan laten wachten, wordt het vertrouwen op Hem nooit beschaamd. Lezen: Hebreeën 10:35-39

87


Genesis 17:23-27 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Gehoorzaam aanvaarden 23 Toen nam Abraham zijn zoon Ismaël en al de ingeborenen van zijn huis en alle gekochten met zijn geld, al wat mannelijk was onder de lieden van het huis van Abraham; en hij besneed het vlees hunner voorhuid, even ten zelven dage, gelijk als God met hem gesproken had. Abram voerde het gebod van God zonder uitstel uit. Wij hadden misschien veel vragen of zelfs enig verzet van Abrams personeel verwacht. Maar de sociale structuur in Abrahams tijd was totaal anders dan de onze. De mannen gehoorzaamden hun meester zonder vragen, omdat ze zijn ‘bezit’ waren. 24 En Abraham was oud negen en negentig jaar als hem het vlees zijner voorhuid besneden werd. 25 En Ismaël, zijn zoon, was dertien jaar oud als hem het vlees zijner voorhuid besneden werd. 26 Even op deze zelve dag werd Abraham besneden, en Ismaël, zijn zoon. 27 En alle mannen van zijn huis, de ingeborene des huizes, en de gekochte met geld, van de vreemde af, werden met hem besneden.

Om over na te denken: Misschien heb je je ouders weleens horen zeggen: ‘Nou, dat gaat tegen heug en meug.’ Maar kijk nu eens naar Abraham. Onmiddellijk doet hij wat God hem opgedragen heeft. Zodra God bij hem vertrokken was, riep Abraham alle betrokkenen bij elkaar en vertelde hun wat Gods gebod inhield. Dat was geen kleinigheid, want zowel voor de kinderen als voor de volwassen mannen zal die besnijdenis een erg pijnlijke ingreep geweest zijn. En het was niet alleen pijnlijk, ze moesten ook weer aansterken. Die periode was niet zonder groot risico, omdat de mannen een aantal dagen hun gezinnen en het vee niet konden beschermen. Toch stelde Abraham het niet uit. God had gesproken en daarom spoorde Abraham zijn mannen aan tot een vertrouwend gehoorzamen. Als God iets beveelt, hoeven


we nooit in te zitten over de gevolgen. Gehoorzaamheid is altijd de veiligste weg. Zelfs als Gods gebod ons moeilijk, naar of overbodig lijkt, of een pijnlijke beslissing vergt, zal Hij ons niet de genade onthouden die wij nodig hebben. Als God iets beveelt, geeft Hij daarvoor ook de kracht. Later zou de Heere Jezus zeggen: ‘Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebied’ (Joh. 15:14). Jezus bedoelde daarmee dat mooie woorden niets zeggen; alleen door onze daden, onze levenswandel, zetten wij onze woorden kracht bij. Het is zo makkelijk gezegd, dat we de Heere liefhebben of dat we ons vertrouwen op Hem stellen. Maar als God dat nu eens gaat beproeven, zoals Hij bij Abraham deed? Zijn wij bereid pijn of verlies te lijden omdat God zo veel voor ons betekent? Kunnen we de spot van familie en vrienden verdragen omdat wij in Gods wegen willen gaan? Zijn wij bereid ergens mee te breken, zelfs met heel bijzondere vrienden, omdat ze een struikelblok voor onze verhouding tot God betekenen? Onmiddellijk en onvoorwaardelijk gehoorzamen is de sleutel voor een nauwe relatie met God. Zo’n herstelde en innige band met je Schepper maakt het leven de moeite waard! Als we Zijn liefde en genade kennen, merken dat Hij dicht bij ons is en ons troost, dan wordt zelfs het bittere zoet. Hoewel wij God nooit volmaakt kunnen gehoorzamen, moeten we er wel naar streven. Lees nog maar eens hoe God Abraham in het begin van dit hoofdstuk vermaande: ‘Wandel voor Mijn aangezicht en zijt oprecht.’ Nee, de volmaakte gehoorzaamheid is bij ons niet te vinden, ook bij Abraham niet. Ongehoorzaamheid is een wezenskenmerk van ons, gevallen schepselen. Daarom ook was de komst van Abrahams Zaad, de Heere Jezus, zo belangrijk. In Hem schonk God een Plaatsvervanger voor zondaars, niet alleen om de prijs voor hun ongehoorzaamheid te voldoen, maar ook om volmaakt te gehoorzamen, iets wat zondaars niet meer kunnen. Wat is Hij, deze Zoon van Abraham, een heerlijke en gepaste Zaligmaker. Stel je vertrouwen op Hem en gehoorzaam Hem! Lezen: Johannes 1:28-39

89


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 18:1-5

Bijbelgedeelte

enesis

Gastvrij voor vreemdelingen 1 Daarna verscheen hem, aan Abraham, de Heere aan de eikenbossen van Mamre, als hij in de deur der tent zat, toen de dag heet werd; omstreeks de middag was het zo warm, dat iedereen enige tijd rust nam. 2 En hij hief zijn ogen op en zag, en zie, er stonden drie mannen tegenover hem; dus ze stonden plotseling voor zijn tent, zonder dat Abraham hen had zien aankomen; voor de tent staan is vergelijkbaar met ons op de deur kloppen; mensen kwamen nooit zomaar verder als ze daartoe niet uitgenodigd werden; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur der tent, en boog zich ter aarde. 3 En hij zeide: Heere, heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo ga toch niet van Uw knecht voorbij, of: zet uw reis niet voort. 4 Dat, met uw welnemen, toch een weinig water gebracht worde, en wast uw voeten, en leunt onder deze boom. 5 En ik zal een bete broods langen, wat brood voor u halen; uiteindelijk werd het een overvloedig maal; (op)dat gij uw hart sterkt; daarna zult gij voortgaan, daarom omdat gij tot uw knecht overgekomen zijt. Abraham geloofde dat deze reizigers door Gods voorzienigheid bij zijn tent terechtgekomen waren en toonde zich graag bereid om hen gastvrij te ontvangen. En zij zeiden: Doe zoals gij gesproken hebt.

Om over na te denken: Het ontbrak Abraham bepaald niet aan hoffelijkheid, vriendelijkheid en hartelijkheid tegenover deze drie onbekende gasten. Niets duidt erop dat hij in hen de Heere en twee engelen zag. Des te meer vallen een paar prettige karaktertrekken van hem op: hij is hoffelijk en vriendelijk voor zijn bezoekers. Hij is een en al bedrijvigheid om hun het beste voor te zetten wat op dat moment beschikbaar was. Uiteindelijk


kreeg deze blijmoedige en vriendelijke gever veel meer terug dan hij gegeven had. Vriendelijkheid is dat wij iemand beleefd, hoffelijk en attent bejegenen. Het omvat heel wat meer dan ‘Alstublieft’, ‘Dankuwel’ of ‘Graag gedaan!’ Je bent vriendelijk als je iemand die veel ouder of moe is, op jouw plekje laat zitten. Als je de deur voor iemand openhoudt en hem of haar voor laat gaan. Het is gauw even bukken om de pen op te rapen die van het tafeltje van je klasgenoot is gerold. Het is een krabbeltje maken over huiswerk voor je vriend(in) die deze dag ziek is. Vriendelijk ben je ook als je iemand in je omgeving helpt van wie je weet dat hij moe of gestrest is, of op het randje van overspanning verkeert – of als je althans begrip voor zo iemand opbrengt. Want je kunt natuurlijk ook doen alsof je niets merkt, niets weet. Petrus schreef: ‘En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk’ (1 Petr. 3:8). Uit deze geschiedenis leren we dat je maar nooit weet wie je een dienst kunt doen. Die vreemdeling die bij jou aanklopt om hulp, wordt misschien wel door de Geest geleid. Het kan zelfs een engel zijn. Jezus zei: ‘Want Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd. Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en gij zijt tot Mij gekomen’ (Matth. 25:35-36). Jezus verschijnt vaak in de gestalte van een vreemdeling of een behoeftige. Als we nu te bezet, te lui of te zelfzuchtig zijn om een behoeftig iemand te woord te staan, zouden we weleens de kans mis kunnen lopen om onwetend de Heere of engelen te dienen. Tot groot nadeel van onszelf! Want de Bezoeker van Abraham bracht een rijke zegen mee, een boodschap die grote blijdschap veroorzaakte. Een Duits jochie liet vaak de deur openstaan als hij met zijn moeder aan tafel zat te eten. Toen er een keer een bedelaar aan de deur stond, zei hij, in zijn kinderwijsheid: ‘Misschien kon de Heere niet Zelf naar ons toe komen en heeft Hij daarom deze arme man gestuurd.’ Lezen: Mattheüs 25:31-46

91


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 18:6-8

Bijbelgedeelte

enesis

Gul 6 En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara; en hij zeide: Haast u, kneed drie maten eersteklas meelbloem en maak koeken. In die dagen werd brood altijd gebakken vlak voordat ze het aten. Hoewel er maar drie gasten waren, zou het een overdadige maaltijd worden, want drie maten is ongeveer dertig kommen meelbloem. Voor een flink brood waren slechts drie kommen nodig, dus wat Abraham laat bakken staat ongeveer gelijk aan tien broden zoals wij die kennen! 7 En Abraham liep tot de runderen, en hij nam een kalf, teder en goed, zeg maar: een van de beste, en hij gaf het aan de knecht, die haastte om dat toe te maken, dus het te slachten voor de maaltijd. Zou Abrahams haast een aanwijzing zijn dat hij vermoedde dat deze boodschappers iets heel belangrijks kwamen doen? De belofte uit het vorige hoofdstuk zal hem nog vers in het geheugen gelegen hebben. 8 En hij nam boter, hoogstwaarschijnlijk zoiets als karnemelk of wrongel, dat als verfrissend en gezond bekendstond, en het kalf dat hij toegemaakt, of: klaargemaakt, had, en hij zette het hun voor, en stond bij hen onder die boom, en zij aten. Wat een opvallend tafereel! Weldra zal blijken dat een van de gasten de Heere Zelf is en dat de andere twee engelen zijn. Dat deze drie hier voedsel nuttigen, bewijst dat zij voor korte tijd een echt lichaam hadden aangenomen. Eigenlijk niet te begrijpen, maar het kan, gelet op wat hier gebeurt, onmogelijk ontkend worden.

Om over na te denken: Wie zag hoe veel voedsel Abraham liet klaarmaken, zou wellicht denken dat het voor twintig gasten was. Er werd heel veel brood gebakken, maar ook een compleet kalf geslacht voor dit groepje. Als de drie eten, staat de aartsvader erbij, klaar om hen op hun wenken te bedienen. Het tafereel vormt een sprekend bewijs van zijn vrijgevigheid.


Wie werkelijk gul of vrijgevig is, geeft zonder daar iets voor terug te verwachten. Als ik iemand iets geef en in stilte hoop dat ik er iets voor terugkrijg, ben ik niet echt gul. Dan is mijn vrijgevigheid gecamoufleerde hebzucht. Wat is vrijgevigheid een goede eigenschap! Abraham vertoont een van die mooie kenmerken van werkelijke godsvrucht. Toch valt Abrahams vrijgevigheid in het niet bij de onbeschrijflijk grote gift van God: ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft’ (Joh. 3:16). Hij spaarde Zijn eigen Zoon niet toen Hij besloot onwaardige, ondankbare, ja, zelfs onwillige zondaars zalig te maken en te begenadigen. Wat moet die Gever groot zijn, de God Die dit deed voor vijanden! Paulus schrijft in 2 Korinthe 8 en 9 ook over de vrijgevigheid. Hij wekt de gelovigen op mild te geven. Hij voegt daaraan toe dat wij het niet moeten doen met een zuur gezicht en als een verplichting. God heeft de blijmoedige gever lief, omdat die houding iets weerspiegelt van Zijn eigen welwillendheid. Bij het geven hield God niets achter, nee, Hij zond het beste naar deze wereld, Hij gaf Zijn Zoon. Daar mogen wij bij ons geefgedrag weleens aan denken! In een pleidooi voor vrijgevigheid schrijft Salomo: ‘Die zich des armen ontfermt, leent den Heere, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden’ (Spr. 19:17). Met andere woorden, gul geven is ook een daad die in geloof verricht wordt. Als wij behoeftige mensen iets geven, moeten we maar niets terugverwachten. Daar waarschuwde Mozes al voor toen hij schreef: ‘Gij zult hem [de arme] mildelijk geven, en uw hart zal niet boos zijn als gij hem geeft; want om dezer zaak wil zal u de Heere uw God zegenen in al uw werk en in alles waaraan gij uw hand slaat’ (Deut. 15:10). En als we nu niet veel geld hebben? Je kunt ook gul zijn door je tijd ergens aan te geven, bijvoorbeeld een eenzaam iemand bezoeken. Het kan ook betekenen dat je eens iemand gaat bemoedigen, of klaarstaat om een helpende hand te bieden. Lezen: 2 Korinthe 9

93


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 18:9-15

Bijbelgedeelte

enesis

Een ongelovige lach  9 Toen zeiden zij, Abrahams bezoekers, tot hem: Waar is Sara, uw huisvrouw? Wij vinden het niet raar om dit te vragen, maar in Abrahams dagen zouden alleen intieme vrienden zo’n vraag stellen. En hij zeide: Zie, in de tent. Sara zal niet bij de maaltijd geweest zijn. Haar plaats was in haar eigen tentdeel, door zeildoek van Abrahams leefruimte afgescheiden. Ze moet echter de gesprekken hebben kunnen horen. Deze vraag van de bezoekers is dan ook bedoeld om haar aandacht te richten op wat zij nu gaan zeggen. 10 En Hij zeide: Ik zal voorzeker weder tot u komen omtrent deze tijd des levens, of: ‘wanneer deze tijd terugkeert’, dus: over een jaar; en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben. En Sara hoorde het aan de deur der tent, dewelke achter Hem was. 11 Abraham nu en Sara waren oud en welbedaagd, of: op leeftijd gekomen; het had Sara opgehouden te gaan naar de wijze der vrouwen. Sara had inmiddels een zodanige leeftijd bereikt dat, menselijkerwijs, een zwangerschap voor haar even onmogelijk was als appels oogsten van een dode boom. 12 Zo lachte Sara bij zichzelve, omdat ze geen geloof hechtte aan die onmogelijke bewering door iemand die zij totaal niet kende, zeggende: Zal ik wellust hebben, of: intieme omgang hebben met mijn man, waardoor ik nog zwanger kan worden, nadat ik oud geworden ben, of: inmiddels al zo oud ben, en mijn heer, mijn echtgenoot, oud is? 13 Nu blijkt dat een van de bezoekers niemand anders is dan de alwetende God; want hoewel Sara in zichzelf lachte, wist Hij het toch. En de Heere zeide tot Abraham: Waarom heeft Sara gelachen, zeggende: Zou ik ook waarlijk baren, nu ik oud geworden ben? Zou ik werkelijk nog zwanger worden op deze leeftijd? Hoewel het onmogelijk leek, had de Heere God het ook gezegd bij Zijn vorige bezoek aan Abraham (Gen. 17:16). 14 S ara merkte dat de Bezoeker haar gedachten las en werd bovendien bestraft om haar ongeloof. Zou iets voor de Heere te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal


Ik tot u wederkomen, omtrent deze tijd des levens, over een jaar, en Sara zal een zoon hebben. 15 E n Sara loochende het, ze ontkende wat ze had gedacht en loog, zeggende: Ik heb niet gelachen; want zij vreesde. En Hij zeide: Neen, maar gij hebt gelachen; daarmee maakte Hij haar duidelijk dat haar pogingen om zich schoon te praten zinloos waren.

Om over na te denken: Wat een worsteling moet Sara doorgemaakt hebben! Haar ongeloof werd als zondig veroordeeld, maar het leek haar echt onmogelijk om te geloven dat zij nog een kind zou krijgen. Maar ook Sara wist toch dat er niets onmogelijk is voor Hem Die hemel en aarde geschapen heeft? Uit dit hoofdstuk blijkt dat God leven kan voortbrengen uit een gestorven baarmoeder. Hij kan ook dode harten tot leven wekken. Misschien ken jij ook die worsteling om God lief te hebben of met heel je hart in Hem te geloven. Je merkt dat je hart dood is. Hoe kan zo’n versteend hart nog teer en verootmoedigd worden? Hoe krijg ik ooit die begerige of zelfzuchtige gedachten onder controle? Nee, het is ook onmogelijk om uit jezelf liefde op te brengen voor iets waar je geen liefde voor voelt. Je kunt misschien ook onmogelijk geloven dat God alle zonden kan vergeven die iemand gedaan heeft. Of de belofte geloven dat er voor jou volkomen vergeving mogelijk is door het geloof in Christus. Of je begrijpt niet dat een broer, een vriendin of iemand anders voor wie jij bidt, steeds harder wordt. Of dat de situatie thuis almaar slechter wordt, wát je ook probeert. Voor al deze problemen en noden is er maar één antwoord: God is de Machtige! Hij is machtig genoeg om een uitweg te bieden in onze onmogelijkheden. Nooit is er groter bewijs van deze stelling geleverd dan toen de engel met Pasen sprak: ‘Zie, Hij is opgestaan!’ Juist het ware geloof heeft alle reden om te lachen over menselijke onmogelijkheden, want bij God zijn alle dingen mogelijk. Lezen: Hebreeën 11:11-13

95


Genesis 18:16-19 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Vriendschap 16 Toen, nadat de Heere die opzienbarende tijding gebracht had dat Sara volgend jaar om deze tijd een kind zou hebben, stonden die mannen op vandaar en zagen naar Sodom toe; en Abraham ging met hen om hen te geleiden. 17 En de Heere zeide: Zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik doe? 18 Dewijl Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken der aarde in hem gezegend zullen worden? 19 Want Ik heb hem gekend als Mijn naaste vriend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen (Eng. vertaling: Ik weet dat hij … zal bevelen …), en zij de weg des Heeren houden, om te doen gerechtigheid en gericht; opdat de Heere over Abraham brenge hetgeen Hij over hem gesproken heeft. De tweede reden waarom God aan Abraham zou openbaren wat Hij ging doen, was dat Hij wist dat Abraham de komende gebeurtenis als ernstige waarschuwing aan zijn nageslacht zou doorgeven. Nauwgezette gehoorzaamheid aan Gods bevel is de sleutel tot de beloofde zegeningen.

Om over na te denken: Onlangs hoorde ik iemand zeggen: ‘Ik heb wel 353 vrienden.’ Dat is niet niks! Hij had meer vrienden dan sommige predikanten leden in hun gemeente hebben. Hoe houd je contact met zo veel vrienden? Hoe onthoud je de verjaardagen, want dan zullen ze toch allemaal een berichtje moeten krijgen. Je kunt zo ongeveer elke dag wel een e-card versturen. Stel je voor dat je ieder van die vrienden een klein verjaardagscadeautje gaf. Zelfs als het niet duurder was dan 5 euro, zou het je toch meer dan 1000 euro per jaar kosten! En hoe kun je ooit al hun problemen en hartsgeheimen aanhoren? Dan moet je wel een fulltime praatpaal zijn. ‘Ja maar’, zou deze jongen zeggen, ‘allemaal van Facebook. Sommigen stuur ik maar zelden een bericht. De meeste van hen heb ik nooit ontmoet …’


Het woord ‘vriend’ is dus inmiddels gekaapt, uitgehold – vooral door het gebruik van Facebook. Hoog tijd dat we de woorden ‘vriend’ en ‘vriendschap’ veiligstellen. Een vriend is iemand bij wie je je prettig en veilig voelt. Je kunt bij hem je grootste geheimen kwijt, zonder dat je bang hoeft te zijn dat hij ze doorvertelt. Echte vrienden kun je heel persoonlijke dingen toevertrouwen, waarover je met niemand anders durft te praten – omdat je weet dat je vrienden echt belangstelling en genegenheid voor jou hebben. Je durft je tegenover hen zelfs kwetsbaar op te stellen en je angsten, gevoelens en blunders bloot te leggen. Abraham wordt de vriend van God genoemd; daarom neemt God Abraham in vertrouwen over iets waar Hij met niemand anders over had gesproken. Later zou Jezus tegen Zijn discipelen zeggen: ‘Ik heet u [voortaan] niet meer dienstknechten, want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd, want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekendgemaakt’ (Joh. 15:15). Vrienden weten van elkaar dus heel persoonlijke dingen, waar ze geen anderen bij zullen betrekken. Daarom zijn de meeste van die 353 ‘vrienden’ van Facebook helemaal geen vrienden. Je weet alleen hoe ze eruitzien. Vrienden zijn blij als jij blij bent, en delen je verdriet. Anders gezegd, ze voelen met je mee, in plaats dat ze alleen maar voor je voelen. Bijzonder om zo’n vriend of vriendin te hebben! Nee, vrienden zijn het niet over alles met elkaar eens. Mijn vrouw en ik zijn elkaars beste vrienden, maar we zijn het echt niet altijd eens. Dat is ook niet erg, want een vriend zal heus de vriendschap niet verbreken alleen maar omdat je hem of haar in liefde de waarheid gezegd hebt. Elkaar de waarheid zeggen is niet makkelijk, maar die pijn is nodig, en het is een geweldige test om te zien of de vriendschap echt is. Wat moet je nou doen als je geen echte vrienden hebt? De zekerste weg is altijd: begin met zelf een echte vriend voor anderen te zijn. Vriendschap groeit op de bodem van vertrouwen en eerlijkheid; en dit plantje wordt door liefde vochtig en bloeiend gehouden. Lezen: Spreuken 18:15-24

97


Genesis 18: 20-21 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Roepende zonden 20 Voorts zeide de Heere: Dewijl het geroep van Sodom en Gomorra groot is, en dewijl haar zonde zeer zwaar is, 21 Zal Ik nu afgaan, wat erop wijst dat deze steden in een rivierdal lagen, en bezien of zij naar haar geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben; en zo niet, Ik zal het weten. God weet echt wel wat er gebeurt. Door dit menselijke taalgebruik wil Hij ons echter leren dat het aanwijsbare feiten zijn die Zijn oordelen uitlokken. Hij stelt een grondig onderzoek in voordat Hij het eindoordeel voltrekt.

Om over na te denken: Als jij naast Abraham had staan kijken naar de steden ver weg in dat dal, zou je niets gehoord hebben. Het leken mooie, vredige steden, die in een weelderig groene vallei lagen. Maar Gods oor ving geluiden op als donderslagen zo zwaar! Van elke zonde gaat een ‘sprake’ uit, een stem die in de oren van God dringt. Toen Kaïn zijn broer Abel had vermoord, sprak God: ‘Wat hebt gij gedaan? Daar is een stem des bloeds van uw broeder, dat tot Mij roept van de aardbodem’ (Gen. 4:10). De apostel Jakobus schreef: ‘Zie, het loon der werklieden die uw landen gemaaid hebben, hetwelk van u verkort is [waarvan u op oneerlijke wijze een deel hebt ingehouden], roept; en het geschrei dergenen die geoogst hebben, is gekomen tot in de oren van de Heere Zebaoth [de Heere der legerscharen]’ (Jak. 5:4). God hoort het geroep van ieder mens die door rijken uitgebuit wordt. Voeg daarbij nog de kreten van al de baby’s die in de moederschoot gedood worden, verwaarloosde kinderen die worden misbruikt of zomaar ergens achtergelaten, jongeren en volwassenen die van hun vrijheid worden beroofd en niet veel meer dan slaven voor anderen zijn …! Wat vreselijk, dat aanzwellende koor van stemmen dat dagelijks uit onze wereld opstijgt. De Almachtige, Hij Die zelfs onze haren geteld heeft, hoort elk van deze kreten.


Vergeet niet: van al jouw zonden tegen broers of zussen, ouders, klasgenoten, leerkrachten of anderen, met woorden, gebaren of daden, stijgt een geroep op naar de hemel. Zelfs elke zonde die je met gedachten bedrijft, stilletjes op je kamer, hoort je Schepper. Dit geschreeuw is niet de schreeuw van verdriet en pijn 贸ver de zonde, maar de kreten van opstand en verzet. Het was een sterk geroep, dat van Sodom en Gomorra, omdat het verschrikkelijk zondige steden waren. En toch, zo zegt de Heere Jezus, waren deze zonden nog gering vergeleken met het gedrag van Kaperna眉m en Bethsaida, twee steden waar Hij gepreekt had en de meeste genezingen had verricht. De zonden van Sodom en Gomorra worden volgens de Zaligmaker overstemd door de klanken van ongeloof, ongehoorzaamheid aan Gods geopenbaarde wil, het smoren van het geweten en het afwijzen van Gods liefdevolle smeekbeden. Van nature zijn wij stokdoof voor dit gekrijs van de zonde, dat God hoort. Maar zodra de Geest begint te werken in je hart, krijg je ook een oor voor die roepende zonden. Zo ook Saulus van Tarsen, toen Jezus hem stilhield. Vanaf dat moment begon Saulus trouwens ook te kermen 贸ver zijn zonden. Dat is een heel ander geluid. Voor het eerst van zijn leven was er pijn over de zonde. Het ontlokte hem kreten van verdriet, een schreeuw om genade. Wat is het nodig dat wij last krijgen van onze eigen zonden! Misschien denk je: Nodig? Daar wordt toch niemand blij van? Ik zou me ellendig en bang gaan voelen. Nee, je wordt niet blij als je een oor krijgt voor dat zondegeroep. Maar er gaat een waarschuwing van uit naar je hart: dat je in groot gevaar verkeert! God was op weg om de steden Sodom en Gomorra te verdelgen. Ieder van ons heeft datzelfde te wachten: de toorn van God over onze zonden is net zo werkelijk als Zijn toorn tegen die twee steden. Het is Gods gebruikelijke weg om je door dat geroep aan te sporen om met ernst redding bij Hem te zoeken. Als wij ons goed voelen, heeft een arts of een medicijn voor ons weinig betekenis. De Heere Jezus Christus zal nooit betekenis voor ons krijgen zolang wij onze zonden en schuld niet voelen. Lezen: Handelingen 9:1-18

99


Genesis 18: 22-25 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Echt bidden 22 Toen keerden die mannen, twee engelen dus, het aangezicht vandaar en gingen naar Sodom; maar Abraham, die bleef nog staande voor de derde, nu duidelijk aangewezen als de Heere, voor het aangezicht des Heeren. 23 En Abraham, die heel goed wist hoe uitgesproken goddeloos die twee steden waren, trad toe in het gebed en zeide: Zult Gij ook de rechtvaardige met de goddeloze ombrengen? 24 M isschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult Gij hen ook ombrengen, en de plaats niet sparen om de vijftig rechtvaardigen die binnen haar zijn? Met ‘rechtvaardigen’ doelde hij op iedere man, vrouw of kind die leefde in gehoorzaamheid aan de waarheid die zij kenden: óf het boek der natuur, óf het boek van onze ingeschapen Godskennis, óf kennis over God die hun op een of andere manier was bijgebracht. 25 H et zij verre van U zulk een ding te doen, te doden de rechtvaardige met de goddeloze, zoals vaak gebeurt in oorlogen of rampen, dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze; verre zij het van U; zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen, volkomen eerlijk en rechtvaardig? De geloofsvrijmoedigheid van Abraham in dit gebed is werkelijk verbazingwekkend. Hij was er rotsvast van overtuigd dat God nooit onrechtvaardig zal handelen, met wie dan ook. De God van Abraham was ook niet zomaar een ‘regionale afgod’, zoals de volkeren rondom hem vereerden. Zijn God was de Rechter van de gehele aarde, van iedere stam en van elk land.

Om over na te denken: Méér hoefde Abraham niet te horen. De weerzinwekkende goddeloosheid van deze steden tartte elke beschrijving. Het was voor hem glashelder dat ze ten dode opgeschreven waren. Maar hoe moest het dan met zijn familie die daar woonde? Het was nu twintig jaar geleden dat Lot bij hem weggetrokken was, maar de familiebanden


bleven trekken. Lot was en bleef de zoon van zijn geliefde broer Haran. Alle pijn die Lot hem bezorgd had door zijn onverantwoorde gedrag, viel nu weg. Abraham was niet alleen bezorgd over zijn familie en over de inwoners van deze steden. Nee, hij zat er ook over in wat anderen over zijn God zouden zeggen! Hij erkende dat God alle recht heeft om te doen wát Hij wil doen. Hij wist ook hoe goddeloos die steden waren. Maar wat zouden de volkeren zeggen als God de rechtvaardigen samen met de goddelozen verdelgde? Zouden zij dat aangrijpen om een smet te werpen op het Wezen van God en Zijn rechtmatig oordeel? Zouden zij Hem beschuldigen van onrechtvaardigheid? Hoe kon Hij de Naam van God tegen dit soort laster verdedigen? Het Wezen en de Naam van God waren Abraham zo dierbaar, dat hij er alles aan probeerde te doen om Zijn eer te bevorderen. Een echte bidder is onbaatzuchtig. Hij worstelt voor anderen uit oprechte liefde. Begrijpelijk dat wij bidden voor onze eigen noden, want wie wil er nu niet van eigen problemen verlost worden. Maar echt bidden gaat dieper. Abraham stond daar, helemaal alleen, bij God te worstelen voor anderen, ja, voor ondankbare en verwereldlijkte familieleden. Je leest ze snel, die paar verzen, maar Abrahams gebedsworsteling zal heel wat langer geduurd hebben. Jij zult ook wel elke dag bidden – of ben ik te optimistisch? Wellicht heb je de goede gewoonte om te bidden als de dag begint en als hij eindigt. Maar bid je écht als je mond de woorden vormt? Wórstel je met God om het behoud van je ziel? Wéégt de nood van anderen, die de Heere niet kennen? Doet het je pijn dat zo veel mensen verachtelijk over God spreken? Ziet God weleens dat ons gebed gemengd is met tranen om wat zondaars Hem aandoen? Ik stel deze vragen om ons ervan te doordringen hoe zwak en onvolkomen onze gebeden zijn. Dat moet ons tot de erkenning brengen dat er maar één volmaakte Voorbidder voor Gods troon staat: Jezus Christus de Rechtvaardige! Als geen ander kan Hij tussenbeide treden voor zondaars. Want niet alleen is Zijn gebed echt, diep, eerbiedig en ernstig. Nee, Hij heeft ook alle reden om vrijmoedig te pleiten, omdat Hij God Zijn eigen offerande en gehoorzaamheid voorhoudt. Grijp moed om Hem te smeken dat Hij jou net zo leert bidden als Abraham. Lezen: Lukas 11:1-4

101


Genesis 18: 26-33 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Op heilige grond 26 Toen zeide de Heere: Zo Ik te Sodom binnen de stad vijftig rechtvaardigen zal vinden, zo zal Ik de ganse plaats sparen om hunnentwil. Hier blijkt dat de goddelozen in onze samenleving vaak worden gespaard om de godvrezende mensen. Mensen die God niet vrezen, beseffen meestal niet hoe veel zij te danken hebben aan de aanwezigheid van Gods kinderen. 27 En Abraham, die besefte geen enkel recht te hebben op verhoring van dit vrijmoedige gebed, antwoordde en zeide: Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heere, hoewel ik stof en as ben; 28 Misschien zullen aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken; zult Gij dan om vijf de ganse stad verderven? En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven, zo Ik er vijf en veertig zal vinden. 29 En hij voer voort nog tot Hem te spreken en zeide: Misschien zullen aldaar veertig gevonden worden. En Hij zeide: Ik zal het niet doen om der veertigen wil. 30 Voorts zeide hij: Dat toch de Heere niet ontsteke dat ik spreke; misschien zullen aldaar dertig gevonden worden. En Hij zeide: Ik zal het niet doen, zo Ik aldaar dertig zal vinden. 31 En hij zeide: Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heere; misschien zullen er twintig gevonden worden. En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven om der twintigen wil. 32 Nog zeide hij: Dat toch de Heere niet ontsteke dat ik alleenlijk ditmaal spreke; misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven om der tienen wil. Lager dan tien durfde Abraham niet te gaan in zijn gebedsworsteling met de grote Rechter van hemel en aarde. 33 Toen ging de Heere weg, als Hij geëindigd had tot Abraham te spreken; en Abraham keerde weder naar zijn plaats. ‘Tot Abraham te spreken’ betekent dat de Heere tot Abraham had gesproken, maar dat Hij hem ook had toegestaan tot Hém te spreken.


Om over na te denken: Bij het lezen van deze verzen bevinden we ons op heilige grond. Hoewel Abraham ‘de vriend van God’ wordt genoemd, had hij zich natuurlijk nooit als Gods gelijke durven beschouwen. In een diep besef van kleinheid tegenover zijn hemelse Gast, worstelt Abraham met Hem in het gebed. Hoe dichter hij God in het gebed nadert, des te dieper buigt hij zich en des te zorgvuldiger kiest hij de woorden voor zijn volgende smeekbede. Zo komen we veel over Abraham te weten: hij had Godskennis én zelfkennis. Vergeleken met God zijn wij slechts stof en as. Aan stof en as hebben wij niets, we werpen het weg. Wat een zelfkennis dus, als Abraham zich vergelijkt met stof en as. Dit voorbeeld moet in ons geheugen gegrift staan. De boezemvriend van God wist zijn plaats als hij in gebed tot zijn almachtige God naderde. Het is kwalijk dat sommige mensen over God praten alsof Hij een van hun vrienden is. In hun gebeden en in hun spreken over God hoor je geen eerbied, godsvreze en hoogachting doorklinken. Daar vind je in de Bijbel echter geen enkel voorbeeld van, van kinderen van God – en zij worden toch Gods vrienden genoemd – die tot God spreken alsof Hij huns gelijke is. En nu is het deze grote en machtige God Die ons met het voorbeeld van Abraham een bemoediging geeft. Hij laat zien dat Hij in gunst neerziet op mensen die zich voor Hem vernederen en voor Hem beven. Zes keer smeekte Abraham God om in Zijn genade de stad Sodom te sparen omwille van de rechtvaardigen, en zes keer toonde God Zich bereid zijn bede te verhoren. Steeds als dat gebeurde, lokte het Abraham uit om opnieuw te smeken. Wie weet wat er gebeurd zou zijn als Abraham niet bij tien gestopt was … Wat we wél weten, is dat God het gebed verhoorde door de ‘rechtvaardige’ Lot en zijn gezin uit de stad te redden. De Heere heeft beloofd dat Hij hoort naar allen die in ootmoed tot Hem roepen. Laten wij lering trekken uit deze gebedshouding van Abraham. Wie tot de almachtige God bidt, betreedt heilige grond. Lezen: Psalm 10

103


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 19:1-3

Bijbelgedeelte

enesis

De gevarenzone 1 In dit hoofdstuk gaat het over een van de meest zondige situaties die je je kunt voorstellen. God vertoornt Zich dag aan dag over de goddelozen. En hoewel Hij veel geduld heeft, zal geen enkele zondaar die niet tot berouw komt, aan Zijn rechtvaardige en vreselijke oordelen ontkomen. Anderzijds lezen we hier ook over de indrukwekkende liefde van een God Die eigenhandig Lot aan het verderf ontrukt. Zo wordt dit hoofdstuk toch een loflied op de rijkdom van Gods genade. En die twee engelen, twee van de ‘mannen’ die Abraham bezocht hadden, kwamen te Sodom in de avond; en Lot zat in de poort te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde. In de poort werden de meeste dagelijkse zaken afgewikkeld. En de belangrijke figuren uit de stad waren doorgaans in de poort te vinden. 2 En hij zeide: Zie nu, mijn heren, keert toch in ten huize van uw knecht, en vernacht en wast uw voeten; en gij zult vroeg opstaan en gaan uws weegs. En zij zeiden: Neen, maar wij zullen op de straat vernachten; dat was mogelijk in dit klimaat. 3 En hij hield bij hen zeer aan, omdat Lot besefte wat de twee mannen in deze stad te wachten stond als ze de nacht op straat doorbrachten, zodat zij tot hem inkeerden en kwamen in zijn huis; en hij maakte hun een maaltijd en bakte ongezuurde koekjes, en zij aten.

Om over na te denken: Het zal Lot wel voor de wind gegaan zijn. Van een onbemiddelde, rondtrekkende boer was hij opgeklommen tot geslaagd zakenman. Waar geld is, is macht en invloed. Daarom treffen we Lot aan in de stadspoort, zeg maar het stadhuis, van Sodom. Maar waar geld is, nemen ook de verleidingen toe. Wat kan iemands ziel gemakkelijk verstrikt raken! Het is duidelijk dat ook Lot hier niet aan was ontkomen.


Sodom en Gomorra waren ontzettend goddeloze steden. Dat moet Lot geweten hebben. Heeft hij gedacht dat hij de verleiding wel aankon en dat die zondige krachten geen vat op hem zouden hebben? Het heeft er alle schijn van. Natuurlijk had hij zich voorgenomen zich niet in te laten met die goddeloosheid. Nee, geen geschipper, hij bleef leven zoals hij altijd gedaan had. We horen hem bij zichzelf redeneren: ‘Ik stel duidelijke grenzen. Ik heb geen boodschap aan wat anderen doen.’ Helaas zijn er veel mensen die zo denken. Ze zullen wel ongeschonden door die gevarenzone van de zonde heen komen. Herken je het? Als ik wat contact heb met die groep, die lak heeft aan alle regels, wil dat nog niet zeggen dat ik met hen meedoe. Hoewel die jongen niet van onze kerk is, zelfs niet gelooft in de God van de Bijbel, is het toch een geweldige kerel; echt iemand om vriendschap mee te sluiten. Ja, er zit wel wat occults in dat boek, in die video – maar het is onschuldig, niks aan de hand! Het is toch puur gezellig om na werktijd even naar de bar te gaan? Voorbeelden te over! Veel mensen betreuren, net als Lot, te laat dat ze verkeerde keuzes gemaakt hebben. Lot zal voor zichzelf de lat wellicht hoog gelegd hebben, maar we zullen zien dat hij die normen onvoldoende heeft kunnen overdragen op zijn vrouw en kinderen. Algauw was hij erger verslaafd aan de honingzoete smaak van het zakelijk succes dan hij zelf besefte. De geschiedenis van Lot staat beschreven om ons te waarschuwen en te leiden. Denk niet dat je ook maar de kleinste zonde zelf de baas kunt! Een kleine zonde werkt als een vonk. Zou jij het goedvinden als iemand ook maar één gloeiend sinteltje in je boekenkast gooide? Je kunt toch geen vuur in je binnenzak steken zonder in brand te vliegen? Speel niet met de zonde! Ze kan je leven zo verwoesten dat redding misschien wel te laat komt. Het is een hellend vlak: een klein zetje, en een skiër vliegt over de rand van die steile rots! Wat er ook gebeurt, blijf bij de poorten van de hel vandaan! Lezen: Spreuken 1:7-19

105


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 19:4-9

Bijbelgedeelte

enesis

De zonde van Sodom 4 Eer zij zich te slapen legden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sodom, van de jongste tot de oudste toe, dat huis omsingeld; het ganse volk, van het uiterste einde af. 5 En zij riepen, zonder enige schaamte, Lot toe en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen die deze nacht tot u gekomen zijn? Breng hen uit tot ons, opdat wij hen bekennen. Men wilde dus deze twee mannen misbruiken door homoseksuele groepsverkrachting. Dit gewelddadige misbruik zou bovendien de dood tot gevolg kunnen hebben. 6 Toen ging Lot, die begreep wat voor verschrikkelijke zonde zij wilden bedrijven, uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe; een dappere daad, waarmee Lot zich geheel alleen tegenover een wilde menigte stelde. 7 En hij zeide: Mijn broeders, doet toch geen kwaad. Lot probeerde op zo vriendelijk mogelijke toon hen te overtuigen. 8 Zie toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; die nog maagd zijn; Lot had dus geprobeerd hoge zedelijke normen te handhaven binnen zijn gezin; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar zoals het goed is in uw ogen; alleenlijk doet deze mannen niets, want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan. Lot zegt eigenlijk dat hij deze twee mannen in huis genomen heeft om hen te vrijwaren voor seksueel misbruik. Dat Lot bereid was zijn eigen ongetrouwde dochters op te offeren aan deze dolle, wellustige menigte blijft aangrijpend. De meest positieve verklaring is dat hij totaal verbijsterd was door de omvang die het geweld aannam. 9 Toen zeiden zij: Kom verder aan; Opzij! Voorts zeiden zij onder elkaar: Deze ene is gekomen om als een vreemdeling hier te wonen, en zou hij alleszins rechter zijn (Lot had immers gezegd dat ze ‘geen kwaad’ moesten doen, vs. 7)? Nu zullen wij u meer kwaad doen dan hun. En zij drongen zeer op de man, op Lot, en zij traden toe om de deur open te breken. Al het geweld richt zich nu op Lot. Maar na zijn overmeestering, zouden ze ongetwijfeld ook het gezin en de beide engelen aangevallen hebben.


Om over na te denken: Wanneer wij het woord ‘seksualiteit’ horen, voelen we ons misschien een beetje ongemakkelijk of verlegen. Maar het onderwerp laat ons niet los. Want juist als tiener ga je meer over seksualiteit nadenken. In je hart ontstaan verlangens naar de andere sekse. Die verlangens zijn volkomen normaal. Ze horen evengoed bij Gods schepping als honger en dorst. Schaam jij je ervoor als je honger hebt? Nu, ook voor je seksuele verlangens hoef je je niet te schamen! Maar … als je honger hebt, mag je niet iets eetbaars uit de supermarkt stelen. Precies zo is het ook op het seksuele vlak: je seksuele verlangens en behoeften mogen niet zomaar op elke manier bevredigd worden. God heeft gewild dat een man en een vrouw binnen het huwelijk lichamelijk één worden, om zo uitdrukking te geven aan hun liefde, waarbij tegelijk ook hun seksuele verlangens bevredigd worden. Sinds onze val in het paradijs is echter het mooie van de seksualiteit ook aangetast door de zonde. Sommige ( jonge) mensen voelen zich vooral aangetrokken tot iemand van hun eigen geslacht. Anderen hebben zondige seksuele belangstelling voor kinderen of zelfs voor dieren. God waarschuwt in de Bijbel dat wij ons verre moeten houden van andere seksuele contacten dan die tussen vrouw en man. Bovenstaande seksuele zonden noemt Hij zelfs ‘een gruwel’. Dit sterke woord geeft aan wat voor grote afschuw God heeft van dit soort daden, die tegen Zijn bedoeling en wil indruisen. Het kan zijn dat jij je ongemakkelijk en heel eenzaam voelt als je ontdekt dat je alleen aantrekkingskracht voelt tot je eigen geslacht. Vaak durft iemand er niet over te praten, uit angst afgewezen en veroordeeld te worden. Maar ik moedig je aan hulp en raad te vragen; bij je ouders, of bij een ambtsdrager, of bij de leider van een vereniging. Die belangstelling voor je eigen sekse maakt jóú niet tot een gruwel, nee, het praktiséren wordt door God veroordeeld, omdat het tegen Zijn wil is. Wie tegen Gods bedoeling en wil ingaat, zal nooit het geluk en de voldoening vinden waarnaar wij allemaal op zoek zijn. Lezen: Leviticus 18

107


Genesis 19:10-16 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Lot treuzelt 10 Doch die mannen staken hun hand uit en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en sloten de deur toe. Pas nu merkt Lot dat zijn gasten geen gewone mensen zijn, maar machtige engelen, door God gestuurd. 11 En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van de kleinste tot aan de grootste, zodat zij moede werden om de deur te vinden. Dit zal wel geen volledige blindheid geweest zijn, maar een mentale verblinding, waardoor zij de deur niet meer zagen. De een na de ander geeft het nu op en ze druipen af. 12 Toen zeiden die mannen tot Lot: Wie hebt gij hier nog meer? Een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochters, en allen die gij hebt in deze stad, breng hen uit deze plaats; 13 Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep enorm groot geworden is voor het aangezicht des Heeren, en de Heere ons uitgezonden heeft om haar te verderven. 14 Toen ging Lot uit en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochters nemen zouden, en zeide: Maakt u op, gaat uit deze plaats, probeer snel weg te komen, want de Heere gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen zijner schoonzonen als jokkende. Ze deden Lots waarschuwing met een lach af. Hier blijkt hoezeer Lot als vader uiteindelijk tekortgeschoten was. Door zijn eigen bereidheid tot compromis had hij alle respect en gezag en dus ook zijn invloed verspeeld. 15 En als de dageraad opging, drongen de engelen bij Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw huisvrouw, en uw twee dochters, die voorhanden zijn, opdat gij in de ongerechtigheid dezer stad niet omkomt. 16 Maar hij vertoefde, of aarzelde, bij de gedachte dat hij zijn huis en al zijn bezit kwijt zou raken; zo grepen dan die mannen zijn hand en de hand zijner vrouw en de hand zijner twee dochters, om de verschoning dat hij gespaard was des Heeren over hem; en zij brachten hem uit en stelden hem buiten de stad.


Om over na te denken: Heb jij ooit op een deur willen kloppen, en uiteindelijk trok je je hand toch terug: je durfde niet? Of je had een telefoonnummer bijna helemaal ingetoetst, en je kon er niet toe komen dat laatste cijfer te kiezen? Daar doet het geaarzel van Lot aan denken. God drong aan op een definitieve en snelle beslissing. Er was geen tijd te verliezen. Nog enkele ogenblikken, en het uur van de totale verwoesting zou aanbreken! Lot bleef echter maar in zijn huis op en neer lopen. Hoe kon hij dit allemaal achterlaten. ‘Hier heb ik nu zo hard voor geploeterd!’ De dingen die Lot achter moest laten, hoeven op zichzelf niet zondig geweest te zijn, maar wel zijn gehechtheid eraan. Wij maken zo makkelijk een afgod van al het onze. God zegt tegen ons allemaal dat wij ons moeten haasten om ons levens wil. ‘Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet’ (Hebr. 3:7-8). Met de zonden die Hij in je leven aanwijst, moet je net zo snel breken alsof je dekking zoekt voor een naderende windhoos. Je mag nooit wachten tot morgen, want je weet niet of er voor jou nog wel een ‘morgen’ komt. Je zonden moeten aangepakt worden in gehoorzaamheid aan het Woord en aan de waarschuwingen die de Geest in je geweten laat horen. Treuzelen is ongehoorzaamheid, maar het is ook spotten met je zaligheid. Want God kan jouw leven afsnijden voordat je opnieuw een waarschuwing gekregen hebt. Denk je misschien: Ik ben nog jong en wil eerst nog van mijn leven genieten? Erger kun je je niet vergissen. Want jong zijn is geen garantie dat je oud wordt. En in de tweede plaats: jouw leven is niet van jezelf! Hij Die het je gegeven heeft, heeft recht op jouw leven. En in de derde plaats: misschien ga je wel genieten van het ‘leven’, zoals jij dat noemt. Maar is dát leven? Je mist dan die echte blijdschap en dat geluk dat hoort bij het wandelen in Gods wegen. ‘De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede’ (Jes. 57:21). Alleen als je tot God bekeerd bent, zul je die vrede en blijdschap kennen die echt alle verstand te boven gaan. Lezen: Hebreeën 2:1-4

109


Genesis 19:17-22 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Verkeerd bidden – toch antwoord 17 En het geschiedde als zij, de twee engelen, hen uitgebracht hadden, uit de stad Sodom, naar buiten, zo zeide Hij: Behoud u om uws levens wil; om te onderstrepen dat ze zich nergens door moesten laten ophouden, want er was geen tijd te verliezen, volgt: zie niet achter u om en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt. 18 En Lot, die nog niet goed besefte wat voor weldaad hun te beurt viel, smeekte om een andere oplossing; hij kon zich niet voorstellen dat ze in dat berggebied moesten leven; zeide tot hen: Neen toch, Heere; 19 Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en Gij hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, want dat is bijna niet bereikbaar; of: te gevaarlijk om in te wonen; opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve en ik sterve. 20 Zie toch, deze stad is nabij om derwaarts te vluchten, en zij is klein; laat mij toch derwaarts behouden worden (is zij niet klein?), opdat mijn ziel leve. Heel goed mogelijk dat dit verzoek mede afkomstig was van Lots vrouw. Zij was innerlijk niet bereid het comfort van Sodom te verwisselen voor het ruwe bergleven en heeft wellicht Lot aangespoord om voor het behoud van Zoar te pleiten; dan konden zij daar gaan wonen. 21 God liet Zijn engel nieuwe instructies geven: En Hij zeide tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere, waarvan gij gesproken hebt. De inwoners van Zoar zullen er weinig besef van gehad hebben dat zij op het gebed van Lot gespaard werden in het vreselijke oordeel dat weldra de gehele vallei zou treffen. 22 Haast, behoud u derwaarts; want Ik zal niets kunnen doen totdat gij daarheen ingekomen zijt. Daarom noemde men de naam dezer stad Zoar = ‘heel klein’.


Om over na te denken: Wat een groot contrast tussen Lot en Abraham! Abraham pleitte voor de bevolking van Sodom, maar het gebed van Lot was geheel op zichzelf gericht. Er kwam niet één woord over zijn lippen voor de familieleden die in Sodom waren achtergebleven of voor anderen die hij wellicht goed had leren kennen. Hij dacht alleen maar aan zijn eigen leven en aan zijn bloeiende handel. Misschien hoopte hij wel vanuit Zoar nog wat te kunnen redden van de enorme verliezen die hij nu ging lijden. Hij was niet bereid al zijn afgoden vaarwel te zeggen. Maar wat een opvallend antwoord krijgt Lot. Wat schittert hier Gods genade en barmhartigheid, want zelden zal een van Zijn kinderen zo’n kwalijk gebed gebeden hebben. Laat Gods genadige reactie jou aansporen om tot Zijn troon te naderen. Onze gebeden zullen nooit volmaakt zijn, verre van dat. Wat is ons bidden altijd besmet met zonden: hoogmoed, onoprechtheid, onwetendheid, zelfbedoelen. Zondige verlangens kunnen ons doen vragen om dingen die zelfs niet goed voor ons zijn. Maar al die gebreken mogen je nooit terughouden van het gebed! Laat die gebreken je echter wel heel goed duidelijk maken dat er maar één reden is waarom God onze gebeden kan horen en verhoren, namelijk om Jezus’ wil. Nooit zullen wij bidden zoals het behoort. Maar door het gelovig zien op de Middelaar aan Gods rechterhand mogen wij vrijmoedig tot de troon der genade komen. God roept ons op tot het gebed: ‘Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden; en Ik zal u bekendmaken grote en vaste dingen, die gij niet weet’ (Jer. 33:3). Een zeker predikant zei ooit: ‘Als God al zo genadig antwoordt op de verkeerde beden van Zijn kinderen, wat mogen we dan wel verwachten als ons gebed wordt opgezonden overeenkomstig Zijn Woord en Geest?’ Lezen: Jeremia 33:1-9

111


Genesis 19:23-26 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Denk aan de vrouw van Lot! 23 De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam. Het blijkt dat de engelen Lot en de zijnen uit Sodom geleid hadden voordat de dag aanbrak. Het oordeel zou heel vroeg voltrokken worden, voordat iemand de gedoemde steden had kunnen verlaten. 24 Toen deed de Heere zwavel en vuur over Sodom en over Gomorra regenen, van de Heere, uit de hemel. Men heeft wel verondersteld dat de Heere gebruikmaakte van natuurverschijnselen om deze goddeloze steden te vernietigen. We kunnen echter het beste vasthouden aan Gods directe bemoeienis met alle aspecten van dit oordeel. 25 E n Hij keerde dezelve steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands. De steden werden totaal weggevaagd en het omliggende land werd voor altijd onbruikbaar. Vandaag kennen we het als het Dode Zeegebied. Was er sprake van een serie aardbevingen en vulkaanuitbarstingen? Als dat zo was, zullen die wel gezorgd hebben voor enorme branden in de asfaltvoorraden van dat gebied. Hoe het ook gebeurde, één ding is zeker: dat het Gods hand was die deze goddeloze bevolking, hun land en hun woningen trof! 26 E n zijn huisvrouw zag om van achter hem, duidelijk niet bereid haar zondige leven vaarwel te zeggen; bewust overtrad zij het gebod van God en zij werd een zoutpilaar. Misschien hebben Lot en zijn dochters later die met zout bedekte, pilaarvormige overblijfselen van hun vrouw en moeder nog teruggevonden.

Om over na te denken: Waarom beval Jezus ons: ‘Gedenkt aan de vrouw van Lot’ (Luk. 17:32)? Wel, als wij haar niet in herinnering houden, nooit denken aan wat haar overkwam, kan uiteindelijk zoiets ook ons treffen. Vergeet niet dat wij net zo’n groot gevaar lopen als zij.


God kan op ieder moment onze wereld komen oordelen. Hij komt plotseling, zoals een dief in de nacht. Als wij op dat moment met ons hart nog aan de dingen van deze wereld vastzitten, zullen wij met de wereld vergaan. Vergeet niet dat de vrouw van Lot grote voorrechten genoten had. Door Gods voorzienigheid was ze in het gevolg van Abraham terechtgekomen. Ze had gehoord over de Heere, over Zijn wil en over Zijn beloften van zaligheid. En toch kwam ze om, door haar ongeloof en liefde tot deze wereld. Al het onderwijs en alle voorbeelden van een godvruchtige levenswandel deden haar geen nut. Ze leefde voorbij aan zo’n grote zaligheid, ‘gaf er geen acht op’! Vergeet ook niet dat de vrouw van Lot door Gods genade en op ernstig aandringen van de engelen uit de tot ondergang gedoemde stad was geleid. Hoe dicht ze bij Zoar gekomen is, weten we niet. Wat weten we wel? Als je ‘bijna behouden’ bent, ben je toch nog verloren. Het is een weldaad als wij kerkelijk opgevoed worden, van dichtbij zien wat ‘de vreze Gods’ is, familie of anderen hebben die ons de weg wijzen, uit de Bijbel leren wat Gods Wet en Evangelie inhouden, en bij Gods gemeente horen. Als het echter niet verder komt dan de buitenkant, maakt dit alles je niet zalig. Ons hárt moet vernieuwd worden! Jezus leert ons dat wij ‘opnieuw geboren moeten worden’. Want zonder deze radicale verandering van onze natuur zouden we in Zijn Koninkrijk een vis op het droge zijn. Daarom zegt Hij dat zonder deze nieuwe geboorte niemand in Zijn Koninkrijk kán ingaan. Vergeet ten slotte ook niet dat de vrouw van Lot een rijke vrouw was, die waarschijnlijk leefde volgens de laatste mode en met de nieuwste vindingen en voordeeltjes van haar tijd. En toch bood, toen Gods oordelen losbarstten, niets van dat alles haar bescherming. Wat is het kortzichtig en dwaas om je geluk te zoeken buiten iets anders dan een persoonlijke en verzoende relatie met je Schepper! Breek toch met de wereld en al die dodelijke verleidingen en zoek een schuilplaats bij God. Lezen: Prediker 11:9-12:8

113


Genesis 19:27-29 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

De hel 27 En Abraham maakte zich deszelven morgens vroeg op, naar de plaats waar hij voor het aangezicht des Heeren gestaan had, de vorige dag, om zijn drie bezoekers uitgeleide te doen. 28 En hij zag naar Sodom en Gomorra toe en naar het ganse land van die vlakte; en hij zag, en zie, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens; dus zelfs de aarde brandde. Het beeld van dit verwoeste en onbruikbare land kan gezien worden als een afschaduwing van de werkelijkheid van de hel. 29 En het geschiedde toen God, de Almachtige, de steden dezer vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht; aan Abrahams diepe bezorgdheid om zijn geliefde familieleden; en Hij, in antwoord op Abrahams vurige en ootmoedige gebed, in geloof gebeden, leidde Lot uit het midden dezer omkering, in het omkeren dier steden, in dewelke Lot gewoond had. Lot zal niet vermoed hebben dat hij werd gespaard in antwoord op de gebedsworsteling van zijn oom Abraham.

Om over na te denken: De hel is niet een geliefkoosd onderwerp. Wat is het ontmoedigend en angstaanjagend om aan de verschrikkingen van die plaats te denken! Denken aan een oord waar God tot in alle eeuwigheid allen straft die Hem niet als hun Koning wilden hebben, is zelfs voor veel christenen moeilijk; je moet dit onderwerp maar liever niet aanroeren, vinden zij. Hoog tijd voor enige duidelijkheid. Wist je dat er nooit iemand mĂŠĂŠr over de hel heeft gepreekt dan de Heere Jezus Zelf? Hij aarzelde niet die ter sprake te brengen als Hij mensen confronteerde met de realiteit van de zonde. Niemand wist meer af van de hel dan Gods Zoon. Hij had Zich bereid verklaard de verschrikkingen van de hel te ondergaan om Zijn kinderen te redden van hun welverdiende straf. Jezus sprak net zo serieus over de hel als over de zonde.


Satan is altijd geweldig tekeergegaan tegen het beeld van de hel als een werkelijkheid. Hij laat rockzangers spotten met de hel en misbruikt zakenlui om er grappen over te maken die het goed doen als verkooppraatje. Veel mensen zeggen dat de hel een achterhaald idee uit de middeleeuwen is: moderne mensen zijn toch veel te slim om zulke nonsens te geloven? ‘Praten over de hel is alleen maar bangmakerij voor kinderen en goedgelovige volwassenen’, spotten ze. Wat wil satan bereiken met dat zich afzetten tegen de hel? Hij wil ons laten geloven dat zondigen tegen God er eigenlijk niet zo toe doet. Daar hoef je niet van wakker te liggen. Als je sterft, is alles voorbij – of we gaan allemaal naar de hemel. Geweldig toch, als je kunt doen wat je wilt, zonder dat er narigheid van komt? Of nog mooier: dat je toch wel naar de hemel gaat, ook al heb je je nooit bekommerd om de God van de hemel? Die duivelse redeneertrant verslaat z’n duizenden. Want hij sluit naadloos aan op onze zondige natuur. Maar de Heere Jezus weet beter dan wie ook dat satan liegt. Daarom leerde Hij openlijk, duidelijk en vaak dat er zo’n oord is als de hel, net zo zeker als er een gebied is dat tegenwoordig het Dode Zeegebied heet. Jezus vertelde over een rijke Joodse man die stierf. Over deze man zei Jezus: ‘En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn …’ (Luk. 16:23). Het lijkt bijna alsof die man verbaasd was: ‘Dus het is toch waar?’ Zo zal het iedereen vergaan die óf niet gelooft dat er een hel is, óf denkt: Daar ben ik te goed voor. De Heere vertelde verder dat die rijke man ging bidden: ‘Vader Abraham, ontferm u mijner … want ik lijd smarten in deze vlam’ (Luk. 16:24). Het is duidelijk dat de hel een plaats van uitermate zwaar lijden is, waar geen liefde is, niets wat mooi of prettig is; waar Gods verkwikkende en vertroostende barmhartigheid niet komt; waar alleen maar eenzaamheid is, gebrek en onbeschrijflijke ellende! En hieraan komt nooit een einde. Jij en ik kunnen nú nog bidden. De weg naar Gods genadetroon is nog open! Maak je gebruik van die korte tijd die je krijgt? Probeer je serieus verberging te vinden in de enige Schuilplaats Die er bij God is: Jezus Christus? Lezen: Mattheüs 11:20-24

115


Genesis 19:30-38 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Dat kan nooit goed aflopen 30 En Lot toog op uit Zoar en woonde op de berg, en zijn twee dochters met hem; want hij vreesde binnen Zoar te wonen. Hij was misschien bang dat Zoar ook verwoest zou worden, ook al had de Heere in Zijn genade beloofd die stad te sparen. En hij woonde in een spelonk, hij en zijn twee dochters. Wat jammer toch dat hij niet teruggegaan was naar Abrahams tentenkamp! 31 T oen zeide de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land om tot ons in te gaan, naar de wijze der ganse aarde. Of: Er is niemand om mee te trouwen, zodat wij kinderen zouden kunnen krijgen. 32 K om, laat ons onze vader wijn te drinken geven en hem dronken voeren; want zij wisten wel dat hun vader nooit zou ingaan op hun voorstel; en bij hem liggen, zoals man en vrouw in hun huwelijksgemeenschap, opdat wij van onze vader zaad, kinderen, in het leven behouden. Het plan van de beide zussen is weerzinwekkend, ook al kwam hun gedrag niet uit wellust voort. Deze meisjes hadden hun kuisheid bewaard voor hun toekomstige man, zie Genesis 19:8. Maar nu zaten ze er geweldig over in dat ze nooit zouden trouwen, omdat ze totaal geïsoleerd in deze bergen woonden. Geen kinderen hebben werd toentertijd als een grote schande gezien. Misschien maakten ze zich ook ongerust dat niemand voor hen zou zorgen als ze ouder werden. En in de derde plaats, er bestond nog geen geschreven wet tegen bloedschande; huwelijken met een zeer naaste verwante waren niet ongebruikelijk. Al met al leek dit plan de zussen wellicht niet zo verkeerd als dat wij het vinden. Maar zondig wás het. 33 E n zij gaven die nacht haar vader wijn te drinken, zodat Lot zwaar dronken werd en de controle over zichzelf kwijtraakte, niet meer wist wat hij deed; en de eerstgeborene kwam en lag bij haar vader; en hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan. Óf Lot was niet gewend aan alcohol, óf hij was er juist te veel aan gewend, zodat dronkenschap het resultaat was. 34 E n het geschiedde des anderen daags, dat de eerstgeborene zeide tot de jongste: Zie, ik heb gisternacht bij mijn vader gelegen; laat ons ook deze nacht hem wijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden.


35 E n zij gaven haar vader ook die nacht wijn te drinken; de houding van Lot is nu des te meer betreurenswaardig, omdat hij nog maar net was bijgekomen van zijn zware dronkenschap van de vorige nacht; en de jongste stond op en lag bij hem; en hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan. 36 E n de twee dochters van Lot werden bevrucht van haar vader. De Bijbel zwijgt over hoe Lot zich voelde toen hij later begreep wat hij in zijn dronkenschap gedaan had; maar diepe schaamte zou op z’n plaats geweest zijn. 37 E n de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab = ‘van de vader’; deze is de vader der Moabieten, tot op deze dag. 38 E n de jongste baarde ook een zoon, en noemde zijn naam Ben-Ammi = ‘zoon van mijn volk’; deze is de vader der kinderen Ammons, tot op deze dag. Deze beide volkeren woonden voornamelijk in het gebied ten oosten van de Dode Zee en verkeerden vaak met Israël in oorlog. Inmiddels zijn zij opgegaan in het Arabische volk.

Om over na te denken: Het plan van deze zussen kwam voort uit wantrouwen of God hun wel een geschikte man zou geven. Jij kunt op een bepaald moment ook bang worden dat je alléén blijft, als anderen om je heen verkering krijgen en trouwen. Dan kan de verleiding toeslaan om maar een relatie aan te gaan met een man of vrouw die niet in Gods wegen wil wandelen. Maar pas op! Deze geschiedenissen van Lot en – eerder – Abraham worden ons niet voor niets voorgehouden. Het op een akkoordje gooien met Gods geopenbaarde waarheid opent altijd de deur voor ongeluk. Bid liever, en vertrouw erop dat God je op Zijn tijd in contact zal brengen met de vrouw of de man die Hij goed voor jou vindt. En … niet iedereen krijgt van God een man of een vrouw. Daar kun je het weleens enorm moeilijk mee hebben. Maar het is ook zo dat de meeste ongetrouwden een gelukkig en zinvol leven leiden. Want uiteindelijk is het God Die het leven de moeite waard maakt, niet een man of een vrouw. Lezen: Genesis 34:1-5

117


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 20:1-6

Bijbelgedeelte

enesis

Weerhoudende genade 1 En Abraham reisde vandaar naar het land van het zuiden en woonde tussen Kades en tussen Sur, waarbij de kudden natuurlijk regelmatig van weidegrond moesten wisselen; en hij verkeerde, of: verbleef voor enige tijd, als vreemdeling te Gerar, een belangrijke Filistijnse stad, bij de grens met Egypte. Gerar was een rijke handelsstad, misschien wilde Abraham er zaken doen. Omdat zo’n grote hoeveelheid dieren onmogelijk in een stad ondergebracht kan worden, zal Abraham de kudden wel onder de hoede van zijn herders gelaten hebben, terwijl hij en zijn naaste familie naar Gerar zelf trokken. 2 Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had, met helaas dezelfde leugen die hij eerder tegen de Farao van Egypte gebruikt had: Zij is mijn zuster, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg, om er nog een vrouw bij te hebben. Abimelech heeft er wellicht grote voordelen in gezien contacten te hebben met zo’n machtig en rijk man als Abraham; daarom nam hij Sara op in zijn harem of ‘vrouwenverzameling’. 3 Maar God kwam tot Abimelech in een droom des nachts, om hem duidelijk te maken waarom er gebeurde wat in de verzen 17-18 staat, en Hij zeide tot hem: Zie, gij zijt dood, of: loopt gevaar te sterven aan de ziekte die u en uw hof getroffen heeft, om der vrouwe wil die gij weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. 4 Doch Abimelech was tot haar niet genaderd zoals man en vrouw binnen een huwelijk met elkaar leven; daarom zeide hij: Heere, zult Gij dan ook een rechtvaardig volk doden? Abimelech begreep dat Gods oordeel het hele volk en zijn toekomst zou treffen. 5 Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zuster? En zij ook heeft gezegd: Hij is mijn broeder. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen heb ik dit gedaan. 6 En God zeide tot hem in de droom: Ik heb ook geweten dat gij dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, want u wist niet dat Sara getrouwd was, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, of:


toegestaan, haar aan te roeren, waardoor ik u belet heb u aan haar te bezondigen. Dat God hier niets zegt over Abimelechs harem, moet niet worden opgevat als goedkeuring. Het huwelijk was en is, naar Gods bedoeling en wil, een verbintenis tussen één man en één vrouw.

Om over na te denken: Abraham en Sara hadden gelogen over hun bestaande huwelijk en informatie achtergehouden die zij hadden moeten doorgeven. Maar nu willen we er allereerst op letten dat God deze heidense koning ervan weerhield zich aan Sara te bezondigen. Hij trof Abimelech, zijn vrouw en de andere vrouwen van het hof namelijk met een bepaalde ziekte (zie vss. 17-18). Er ligt troost in wat God zegt over het weerhouden van Abimelech. Hij bestuurt de harten en daden van ieder mens in deze wereld. Het is Zijn genade dat deze wereld geen hel geworden is, waar de zonde door niets geremd wordt. Het resultaat van deze algemene genade kunnen wij elke dag zien, bijvoorbeeld aan een hartelijk woord of een vriendelijke glimlach. Door Wie komt het, denk jij, dat nog steeds de meeste mensen om ons heen de verkeersregels houden, beleefd zijn en zich opofferen voor anderen? Hoe komt het dat ook onbekeerde kinderen nog respect voor het gezag tonen, dat veel mannen en vrouwen elkaar trouw zijn in het huwelijk en dat zelfs de wilde en gevaarlijke dieren in toom worden gehouden? Het komt allemaal door de weerhoudende genade van de Heere. Eerder in Genesis had God over de mens gezegd dat ‘al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos is’ (6:5). In het Evangelie horen we Jezus spreken over wat er uit het mensenhart voortkomt. De woorden goed, vriendelijk, mooi, rein of verdraagzaam komen niet in die opsomming voor (Mar. 7:21-23)! Wat maakt het verschil uit tussen de gevallen menselijke natuur op aarde en die in de hel? De weerhoudende genade van God. Geen wonder dat God ons oproept om haast te maken met het wegvluchten voor de komende toorn! Lezen: Zefanja 2:1-3

119


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 20:7-13

Bijbelgedeelte

enesis

Verkeerd beoordeeld 7 Zo geef dan nu de huisvrouw van deze man weder; want hij is een profeet, God had Abraham de waarheid bekendgemaakt, en hij sprak daar vrijuit over, en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft; maar zo gij haar niet wedergeeft, weet dat gij voorzeker sterven zult, gij en al wat uwe is. 8 Toen stond Abimelech des morgens vroeg op, dus hij gehoorzaamt de Heere onmiddellijk, en riep al zijn knechten en sprak al deze woorden voor hun oren, want ook zij waren betrokken geweest bij dit verkeerde gedrag; en die mannen vreesden zeer. Opvallend, die eerbiedige reactie van zowel de koning als zijn onderdanen! 9 En Abimelech riep Abraham en zeide tot hem: Wat hebt gij ons gedaan, en wat heb ik aan u gezondigd, dat gij over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? Gij hebt daden met mij gedaan die niet zouden (behoorden te) gedaan worden. Abraham antwoordt blijkbaar niet, dus Abimelech blijft aandringen op een reactie. 10 Voorts zeide Abimelech tot Abraham: Wat hebt gij gezien, onder ons, of: in mijn land, dat gij deze zaak gedaan hebt? 11 En Abraham voerde drie excuses aan voor hun gelieg en zeide: Want ik dacht: alleen is de vreze Gods in deze plaats niet; omdat hij dacht dat het mensen waren die zonder God of gebod leefden, verwachtte hij dat de rechten van een vreemdeling wel niet gerespecteerd zouden worden; zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden. 12 En ook is zij waarlijk, of: feitelijk, mijn zuster; zij is mijns vaders dochter, maar niet mijner moeder dochter; en zij is mij ter vrouw geworden. Hoewel hij gelijk had over de familierelatie, was het toch een verkeerd verhaal, omdat het Abimelech moest misleiden. 13 En het is geschied, als mij God uit mijns vaders huis deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid die gij bij mij doen zult, aan alle plaats waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broeder. Abraham en Sara hadden dit al heel lang geleden afgesproken, maar daarom was het nog geen geldig excuus voor hun gedrag.


Om over na te denken: Wat moet Abraham zich ongemakkelijk gevoeld hebben toen hij voor een heidense koning stond die hem deze verwijten maakte: ‘Hoe hebt u mij dit kunnen aandoen? Waar heb ik het aan verdiend dat ik door uw toedoen mijzelf en mijn volk aan zo’n groot gevaar heb blootgesteld?’ Plotseling moet Abraham beseft hebben hoe slecht het was om zo over deze heidense koning te denken! Hij had naar het uiterlijk geoordeeld en conclusies getrokken die nu helemaal verkeerd bleken. Hoe makkelijk maken ook wij dezelfde fout! We zijn dan al heel gauw negatief over andere kerkmensen, en trouwens ook over mensen die in de wereld leven. Maar niet zelden blijkt dat de Heere ook Zijn kinderen heeft daar waar wij dat nooit verwacht hadden. Misschien zien ze er wat anders uit dan wij of leven ze zelfs niet precies zoals wij – en toch kan het zijn dat de tere godsvreze in hun harten leeft. Jezus gebiedt ons anderen niet als zondaars te brandmerken terwijl we blind zijn voor eigen zonden, of die zelfs goedpraten: ‘En wat ziet gij de splinter [het vuiltje] die in het oog uws broeders is, maar de balk die in uw oog is, merkt gij niet?’ (Matth. 7:1-5) Dat is gehuichel. God walgt ervan en zal het ooit aan de kaak stellen, zoals Hij deed bij Abraham en Sara. Laten we ook hieraan denken: als wij betere keuzes maken of uiterlijk leven zoals God bevolen heeft, is het alleen genade die dat verschil maakt. Dat moet ons er altijd van weerhouden om neer te zien op iemand die in de zonde leeft. Het gebod van de Heere om niet te oordelen, wil overigens niet zeggen dat wij maar een oogje dicht moeten knijpen als iemand zondigt. Niemand heeft het recht om tegen Gods wil in te gaan door Hem te onteren of anderen te benadelen. Een liefdevolle en bewogen opmerking kan ongedacht al tot verbetering leiden! Eerlijk duurt het langst. Wees daarom nooit bang om voor de waarheid uit te komen. Want de waarheid heeft God aan haar kant. Lezen: Mattheüs 7:1-5

121


Genesis 20:14-18 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Goed voor kwaad 14 Behalve dat hij Sara aan haar man teruggaf, gaf deze heidense koning hun ook nog royale geschenken, als blijk van zijn welwillendheid. Toen nam Abimelech schapen en runderen, ook dienstknechten en dienstmaagden, en gaf ze Abraham; en hij gaf hem Sara, zijn huisvrouw, weder. Abraham was zo verstandig om deze geschenken te accepteren. Met weigeren zou hij de koning opnieuw beledigd hebben. 15 En Abimelech zeide: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon waar het goed is in uw ogen. Waarschijnlijk heeft Abraham ook dit zeer welwillende aanbod geaccepteerd en is hij enige tijd in dit land blijven wonen. Later lezen we namelijk over putten die gegraven waren in Abrahams tijd (Gen. 26:18). 16 En tot Sara zeide hij: Zie, ik heb uw broeder duizend zilverlingen gegeven; dat was misschien de waarde van de geschenken uit vers 14; anders was het een extra gift, nog niet eerder genoemd; zie, hij zij u een deksel der ogen, allen die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd. De zin ‘hij zij u een deksel der ogen’ is al op veel manieren uitgelegd. De meeste verklaarders zien het zilver als een soort smartengeld dat Abraham kreeg voor wat Abimelech hem aangedaan had. Anderen beschouwen de gift als een ‘deksel’ of ‘bedekking’ voor het beschamende gedrag van de betrokkenen. Ook kan het een gebaar geweest zijn om aan iedereen te laten zien dat Abraham en Sara, ondanks hun leugens, in hoog aanzien bleven bij deze Filistijnen. 17 En Abraham bad tot God; en God genas Abimelech, en zijn huisvrouw en zijn dienstmaagden, zodat zij baarden. Daarmee nam God de onvruchtbaarheid weg waaronder alle vrouwen van het hof tijdelijk te lijden hadden gehad. 18 Want de Heere had al de baarmoeders van het huis van Abimelech ganselijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.


Om over na te denken: Deze heidense koning had iets indrukwekkends. Onbekend is, of hij tot God bekeerd was. Wel was het een achtenswaardig man. Hij was duidelijk geschokt toen de Heere hem liet zien waarom het hem en zijn hof tijdelijk zo tegenliep. Toen vervolgens Abraham zijn verontschuldigingen aanbood voor zijn gelieg, reageerde hij zeer waardig. Kijk maar eens wat hij tegen Abraham en Sara zei en wat ze allemaal van hem kregen, ook al hadden ze hem bedrogen. Er valt voor ons best iets te leren van deze heidense koning! Hoewel hij in zekere zin onschuldig was, nam hij toch de schuld voor een deel op zich. Hij accepteerde het feit dat in een conflict of een bepaalde crisissituatie, iemand nooit voor honderd procent onschuldig is. Hij besefte en erkende dat ook hij fouten gemaakt had. Eigen ongelijk bekennen is altijd de eerste stap op weg naar de oplossing van een conflict. Want dan ben je bereid de minste te zijn, je te verontschuldigen en er alles aan te doen om het weer goed te maken. Maar hoe vaak reageren we niet met: ‘Ja, maar daar kon ík niks aan doen! Hij/zij deed het!’ Misschien heb je wel gelijk, voor het grootste deel althans. Maar helpt het om daar allemaal op te blijven hameren? En lokte je dat conflict nou echt niet een beetje uit door je eigen gedrag? Ik hoop maar dat God ons allemaal leert de minste te zijn, ook al heeft een ander ons onrecht aangedaan. Want er ligt altijd iets moois in, zelfs een zegen, in het gehoorzamen van Gods gebod. De Schrift zwijgt erover hoe Abraham en Sara reageerden op de houding van koning Abimelech. Maar zou het verkeerd zijn om te denken dat ze zich diep geschaamd hebben voor hun eigen zondige gedrag in deze situatie? Vooral toen Abimelech ook nog vurige kolen van liefde op hun hoofd hoopte met al deze geschenken? Dit soort schaamte past ons altijd als we geconfronteerd worden met onze zonden. En niets maakt ons dieper beschaamd dan het besef dat iemand die wij onrecht hebben aangedaan, daar goedheid en vriendelijkheid tegenoverstelt. Wij doen niemand méér onrecht aan dan onze goede en genadige God, Die ons dagelijks overlaadt met onverdiende zegeningen! Het verschil tussen Hem en ons mag ons wel elke dag nederig maken. Lezen: Psalm 8

123


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 21:1-8

Bijbelgedeelte

enesis

De Heere is trouw 1 En de Heere bezocht Sara, wat betekent dat Hij de beloofde zegening liet komen, gelijk als Hij gezegd had; en de Heere deed Sara gelijk als Hij gesproken had. Door deze waarheden te herhalen, brengt de Bijbelschrijver de Heere lof toe voor Zijn trouw. 2 En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, die hem God gezegd had (zie Gen. 18:14). 3E n Abraham noemde de naam zijns zoons die hem geboren was, die hem Sara gebaard had, Izak; dat betekent: ‘Gelach’. Het herinnerde eraan dat hijzelf en Sara hadden gelachen bij Gods belofte (Gen. 17:17 en 18:12). Abram had gelachen van verwondering, maar Sara uit twijfel. De naam Izak was door de Heere Zelf bepaald (Gen. 17:17-19). De naam gaf echter ook uitdrukking aan de grote blijdschap om de vervulling van Gods belofte, die Sara verwoordde in vers 6. 4E n Abraham besneed zijn zoon Izak, zijnde acht dagen oud, gelijk als hem God geboden had. 5E n Abraham was honderd jaar oud, als hem Izak, zijn zoon, geboren werd; Sara was toen negentig. 6E n Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt door Zijn wonderlijke daden; al wie het hoort, zal met mij lachen van vreugde. Nu lachte ze omdat God de smaad en de schande van haar kinderloosheid had weggenomen. Als God Zijn beloften vervult, heerst er bij Zijn kinderen grote blijdschap! 7V oorts zeide zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd, of: zelf haar kind gevoed? Want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom. Het was al zo’n wonder dat God een vrouw op deze leeftijd nog een kind liet baren; maar Hij stelt haar nu ook in staat het kind borstvoeding te geven. 8E n het kind werd groot, en werd gespeend; kreeg niet langer borstvoeding; dat gebeurde meestal als een kind twee of drie werd; toen maakte Abraham een grote maaltijd op de dag als Izak gespeend werd. Het was gebruikelijk om ter gelegenheid van dit feit een groot feest te houden. Het is aannemelijk dat behalve al Abrahams personeel en hun gezinnen, hiervoor ook mensen uit de naaste omgeving werden uitgenodigd.


Om over na te denken: God is trouw! Wat Hij in Zijn Woord beloofd heeft, zal Hij zeker doen. Dit geldt voor Zijn beloften én voor Zijn bedreigingen. De woorden die Hij gesproken heeft, gaan in vervulling. Daar stelt de Heere een eer in en het bevestigt dat Hij de volkomen betrouwbare God is. Van mensen geldt dat niet. Zelfs de besten zijn nooit honderd procent betrouwbaar. Het kan weleens dat je vader of je moeder geen woord houdt. Je beste vriend kan je afvallen. Echtgenoten breken soms de belofte die ze elkaar op hun trouwdag gaven. Maar God breekt Zijn Woord nooit. Zelfs als Zijn kinderen ontrouw zijn, blijft Hij hun en Zijn Woord trouw. Misschien heb je die raad weleens gelezen die God geeft: ‘Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken’ (Spr. 3:6). Dat heb je gedaan. Je hebt je vraag, je nood of je onzekerheid aan de Heere voorgelegd in het gebed. Maar het is vervolgens eerder slechter dan beter geworden. Iemand anders heeft die baan gekregen waar jij op aasde. Met je gezondheid gaat het steeds verder achteruit. In de klas blijft de situatie vervelend. De preek geeft je geen antwoord of bemoediging. Het bidden gaat moeilijker. Je komt er bijna toe om te zeggen dat je steeds meer vraagtekens zet bij Gods handelen. Waar is Hij nu, wat komt er terecht van Zijn beloften? Ook Abraham en Sara hebben die strijd gekend. Jaar na jaar ging voorbij zonder dat de belofte vervuld werd … maar ten slotte greep God in. Schep daar maar moed uit! God weet het beste hoe en wanneer Zijn belofte werkelijkheid moet worden. Ga niet lopen bepalen hóé Hij dat doen moet. Nee, bedel Hem liever elke dag om Zijn genade, want Hij heeft gezegd: ‘Laat af [wees stil], en weet dat Ik God ben’ (Ps. 46:11). Lezen: Psalm 27

125


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 21:9-13

Bijbelgedeelte

enesis

Treiteren is duivels 9 En Sara zag de zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Abraham gebaard had, spottende. Sommigen vertalen: ‘voortdurend spottende’. Dat zou erop wijzen dat Ismaël altijd ‘kleine Izak’ uitlachte. Dat was niet zomaar een onschuldig plagerijtje, want Ismaël was al 16 jaar. 10 En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit, of: jaag hen weg uit ons tentenkamp; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven. Sara beschouwde Ismaëls gedrag als bedreigend voor Izaks toekomstig delen in de verbondsbeloften die God aan Abraham gedaan had. Daarom zette ze er Abraham toe aan om Ismaël weg te sturen uit hun leefomgeving. 11 En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon, omdat hij ook veel van Ismaël hield. De houding en het verzoek van zijn vrouw stelden Abraham voor een probleem: hij voelde van twee kanten de bloedband trekken. 12 Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over de jongen en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem, want in Izak zal uw zaad genoemd worden. Hoewel Sara het verkeerd aanpakte, maakte God van haar gedrag gebruik om Zijn beloften en plannen te gaan vervullen. Daarom gaf Hij Abraham bevel om zijn bezwaren op te geven en te doen wat Sara vroeg. Er móést wel scheiding komen tussen de twee gezinnen, omdat God Ismaël niet zou laten delen in de zegeningen die Hij aan Abraham had beloofd. 13 Doch Ik zal ook de zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is. Abraham kreeg opnieuw de verzekering dat Ismaël gezegend zou worden en uitgroeien tot een belangrijk volk, hoewel hij nu moest vertrekken. Deze belofte maakte het voor Abraham iets makkelijker om uitvoering te geven aan Gods bevel, dat hij als moeilijk en pijnlijk ervoer.


Om over na te denken: Treiteren is levensgevaarlijk! Er zijn mensen door tot zelfmoord gebracht. Of er volgde een gewelddadige reactie. Jongeren die door het lint gaan en op school dood en verderf zaaien! En het was misschien begonnen met een kleinerende opmerking van een klasgenoot, gegniffel of een steek onder water. Schelden en roddelen leuk? Het is nóóit onschuldig! Via de sociale media kun je elkaar tot wanhoop drijven. Woorden kunnen diepe wonden maken. Onze Schepper heeft ook de taal geschapen. Met woorden kunnen we daarom niet doen wat we willen. De Heere Jezus heeft gezegd (Matth. 12:36) dat Hij op de jongste dag zal oordelen ‘over elk ijdel woord’ dat wij gesproken hebben. Lees het goed: ‘over élk ijdel woord’. Waarom? Omdat elk woord iets goeds moet uitwerken bij wie ons horen. De wil van God is: ‘Geen vuile [vervuilende] rede [woorden] ga uit uw mond, maar zo er enige goede rede is tot nuttige stichting [opbouw], opdat zij genade geve dien die ze horen’ (Ef. 4:29). Denk nu niet dat dit alleen voor voorgangers geschreven is. Het geldt voor peuters, kinderen, tieners, pubers en volwassenen! Neem je taalgebruik eens onder de loep. Misschien is schamperen en kleineren wel een gewoonte geworden. Je hebt er niet eens erg meer in. Maar hoe reageert de tegenpartij? Als ze woedend worden, beginnen te schelden of – dat kan ook – in hun schulp kruipen, is er alle kans dat jouw woorden als een dolksteek werken in plaats van als een beker koud water. Onderling getreiter kan gezinnen, broers en zussen en vrienden uit elkaar drijven. Dat was uiteindelijk ook het gevolg van Ismaëls gedrag. Hij werd een werktuig in handen van de duivel om een pijnlijke scheur in Abrahams gezin te maken. ‘Het leven zou er anders uitzien als wij onze tong gebruikten zoals een hond met zijn staart kwispelt’, zei iemand. Een leeuw is makkelijker te temmen dan onze tong. Zonder de Almachtige zullen wij onze tong en ons hart niet de baas kunnen. Maak Davids gebed tot jouw gebed: ‘Heere, zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen’ (Ps. 141:3). Lezen: Jakobus 3

127


Genesis 21:14-21 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

God hoort tóch! 14 Toen stond Abraham des morgens vroeg op; hij liet er geen dag overheen gaan om te gehoorzamen aan Gods moeilijke bevel om zijn eerstgeborene weg te sturen; en nam brood en een fles water, en gaf ze Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Berseba. 15 Als nu het water van de fles uit, verbruikt, was, zo wierp zij het kind onder een van de struiken, omdat hij door hitte en dorst de dood nabij was. 16 En zij ging en zette zich tegenover, aan de overkant, afgaande zover als die met de boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover en hief haar stem op en weende. 17 En God hoorde de stem van de jongen, die kreunde; en de Engel Gods riep Hagar toe uit de hemel en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? of: Waarom huil je zo? Vrees niet, want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse waar hij is. Hagar vreesde dat haar zoon zou omkomen. Maar God zegt dat ze niet bang hoeft te zijn, omdat Hij de belofte zal nakomen die Hij haar heeft gedaan toen ze zestien jaar geleden wegvluchtte voor Sara. Toen had Hij haar beloofd dat het kind dat zij verwachtte tot een groot volk zou worden (Gen. 16:10). Nu herhaalt God deze belofte en zegt Hij haar ook duidelijk wat ze moet doen in deze zorgwekkende situatie. 18 Sta op, hef de jongen op en houd hem vast met uw hand, of: ondersteun hem met uw handen; want Ik zal hem tot een groot volk stellen. 19 En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; die putten werden vaak afgedekt om verspilling van water te voorkomen; daarom moest God haar erop wijzen; en zij ging en vulde de fles met water en gaf de jongen te drinken. 20 En God was met de jongen, en vervulde wat Hij over hem had voorzegd; en hij werd groot; en hij woonde in de woestijn en werd een boogschutter; iemand bedreven in het schieten met pijl en boog. 21 En hij woonde in de woestijn Paran; later bekend als Sinaï, grenzend aan Egypte; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland, uit het land waar zijzelf vandaan kwam. Uiteindelijk kreeg Ismaël twaalf zoons (Gen. 25:13-15).


Om over na te denken: Hagar bereidde zich voor op het ergste. Haar jongvolwassen zoon wankelde op zijn benen. Een poosje steunde hij op haar, maar dat hield ze uiteindelijk niet vol. Nadat ze een redelijk plekje voor hem had gevonden, liet ze hem alleen: hij zou weldra sterven. Wat moet zij zich ellendig en verlaten hebben gevoeld! Ze kon alleen nog maar schreeuwen. Maar God hoorde de zachte kreten van de stervende IsmaĂŤl en het hartbrekende gesnik van Hagar. De aarde is vol van snikken: van kinderen, jongvolwassenen en grote mensen. Misschien heb jij ook jezelf weleens in slaap gesnikt. Sommigen zetten hun gezicht in de plooi en verbijten hun tranen. Maar met al die tranen zou je mammoettankers kunnen vullen! Herken jij je hierin? Hoor ik jou snikken omdat je je zo eenzaam voelt? Je hebt het gevoel dat niemand om je geeft of je hoort. Je ouders begrijpen je niet; ze zijn zelfs niet bereid je verhaal aan te horen; of ze hebben het te druk om naar je te luisteren. En helaas, misschien heb je wel gelijk. Want wat gebeurt het vaak dat niemand in onze omgeving echt naar ons luistert. Maar er is er EĂŠn, hierboven, Die ĂŠcht wel luistert en je gesnik hoort. Hij heeft gezegd dat Hij zelfs de jonge raven hoort als zij roepen. Raven zijn geen beste zangers en ook niet de meest aantrekkelijke vogels. Toch hoort de Schepper ze. Hij hoort ze niet alleen, maar geeft ze ook hun voedsel. Als ik je iets mag aanraden: Blijf tot God roepen! God hoort en zorgt, ook al hebben wij dat helemaal niet verdiend. Daarom kun je toch nog wel je verdriet delen met anderen om je heen. Maar als er niemand is, of als niemand luistert: God hoort elke fluistering, iedere kreet! Lezen: Psalm 147

129


Genesis 21:22-34 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Vrienden zoeken 22 Voorts geschiedde het terzelfder tijd, dat Abimelech, mitsgaders Pichol, zijn krijgsoverste, of: legeraanvoerder, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles wat gij doet; deze heidenkoning zag dat zijn tijdelijke naaste buur door zijn God gezegend werd. 23 Zo zweer mij nu, of: beloof mij plechtig, hier bij God: Zo gij mij of mijn zoon of mijn neef liegen zult! Naar de weldadigheid die ik bij u gedaan heb, door u in mijn land te laten wonen en het te gebruiken, zult gij doen bij mij en bij het land waarin gij als vreemdeling verkeert; of: verblijft. Abimelech hecht veel waarde aan een verbond met de gezegende Abraham. 24 En Abraham zeide: Ik zal zweren, of: Ik beloof plechtig. 25 Doch Abraham greep dit onderhoud aan om een bestaand conflict uit de weg te ruimen, dus hij berispte Abimelech ter oorzake van een waterput die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden. 26 Toen zeide Abimelech: Ik heb niet geweten wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord dan heden; een milde terechtwijzing aan Abrahams adres, omdat hij Abimelech er niet eerder over had aangesproken. Toch was Abimelech bereid de zaken op te lossen. We kunnen aannemen dat hij de put onmiddellijk aan Abraham en zijn herders heeft teruggegeven. 27 En Abraham nam schapen en runderen en gaf ze Abimelech; en die beiden maakten een verbond. 28 Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder (apart); die moesten dienen om het verbond te bekrachtigen. 29 Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt? Dit onderdeel van de verbondssluiting was wellicht niet algemeen gangbaar, want Abimelech begreep niet waartoe deze zeven lammeren dienden. 30 En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij dat ik deze put gegraven heb.


31 D aarom noemde men die plaats Berseba, wat waarschijnlijk betekent: ‘put der zeven’, omdat die beiden daar gezworen hadden, en zo een plechtig verbond waren aangegaan. 32 A lzo maakten zij een verbond te Berseba. Daarna stond Abimelech op en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden weder naar der Filistijnen land. 33 E n hij plantte een bos in Berseba, een groep bomen als gedenkteken, en riep aldaar de Naam des Heeren, des eeuwigen Gods, aan. Abraham ging zijn gezin en personeel voor in een dankdienst, waarin hij de Heere erkende als de trouwe Verbondsgod. 34 En Abraham woonde, of: verbleef, als vreemdeling vele dagen in der Filistijnen land; dit zuidelijke deel van het land was namelijk het beste geschikt voor zijn type bedrijfsvoering.

Om over na te denken: Abimelech deed een verstandige keus. Hij zocht blijvend vriendschap met een man die God vreesde. Zoek jij ook zulke vrienden en vriendinnen? Optrekken met de wereldse massa is niet wijs! Dan is het net alsof je met een brandende kool op zak loopt of met explosieven speelt. Velen hebben die keus betreurd toen het te laat was. Zoek het niet bij de populairste en bij de brutaalste leeftijdgenoten. Maar juist bij hen die beseffen dat God grenzen stelt. Die heil zien in de Bijbelse normen van kuisheid, ijver, dienstbetoon, respect voor het gezag, zelfbeheersing en vriendelijkheid. Kies ook bewust uit waar je heengaat. Party’s waar de ouders niet binnen mogen lopen, liggen in de gevarenzone. Op internet surfen om zogenaamde vrienden te maken via babbelboxen is zoiets als door een dierentuin slenteren waar de roofdieren allemaal loslopen. Abimelech heeft je een goed voorbeeld gegeven. Zoek het beste! Daniël en zijn vrienden zochten elkaar op in het vijandige Babel. Ga daarheen waar goede vrienden te vinden zijn, zoals naar de verenigingen van je kerk. Door verstandige keuzes te maken bespaar je jezelf en anderen hopelijk heel wat valkuilen en ellende van de zonde. Lezen: Spreuken 1:1-8

131


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 22:1-3

Bijbelgedeelte

enesis

De vuurproef voor de liefde 1 Tussen dit en het vorige hoofdstuk liggen vele jaren waarover niets wordt vermeld. Izak was allang geen kind meer. Hij moet nu minstens een tiener geweest zijn, misschien al een jongvolwassene, of zelfs een jaar of dertig. Izak was een zoon aan wie ze veel plezier beleefden, zodat deze laatste jaren voor Abraham en Sara tot de gelukkigste van hun leven behoord zullen hebben. En juist nu gaat God Abraham beproeven zoals Hij het nog nooit eerder heeft gedaan, maar bewerkt Hij ook de allergrootste overwinning van het geloof en de liefde van Abraham. En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht of: Zijn liefde tot God op de proef stelde; en Hij zeide tot hem: Abraham. En hij zeide: Zie, hier ben ik. Abraham besefte dat God tegen hem sprak en reageerde onmiddellijk. Hóé God sprak, weten we niet. Wel weten we dat het ’s nachts was. 2 En Hij zeide: Neem nu uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria; en offer hem aldaar tot een brandoffer op een van de bergen, die Ik u zeggen zal. Elk van deze woorden moet Abrahams teerste gevoelens als een dolksteek getroffen hebben. God vroeg hem eigenhandig dát terug te geven wat zonder meer het kostbaarste geschenk was dat hij in zijn leven had ontvangen. Het was niet alleen zíjn zoon, maar ook de zoon van Gods belofte, uit wie de Messias geboren zou worden. 3 Toen stond Abraham des morgens vroeg op, zonder het opvolgen van Gods bevel een dag of zelfs maar een uur uit te stellen, en zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn jongens met zich, en Izak, zijn zoon; en hij kloofde hout tot het brandoffer, en maakte zich op en ging naar de plaats die hem God gezegd had. Dat Abraham hout en vuur meeneemt (vers 7), bewijst dat hij Gods bevel duidelijk begrepen heeft: dat hij zijn eigen zoon werkelijk moet gaan offeren.


Om over na te denken: Wat is God jou waard? Dat kun je nauwkeurig vaststellen, want wát ben je bereid voor Hem op te geven? Het is makkelijk gezegd: Ik heb God lief. Maar hoe reageren we als God onze liefde op de proef stelt en verlangt dat wij iets opgeven waar we erg aan gehecht zijn? In dit hoofdstuk zien we dat God Zijn kind Abraham de zwaarst denkbare beproeving liet ondergaan. Want Abraham hield van Izak! Wat had hij lang moeten wachten op deze zoon. En nu hij inmiddels een jongvolwassene is, eist God hem terug. Nee, zwaarder kon Abrahams liefde tot God niet op de proef gesteld worden. Izak was het liefste wat hij op aarde bezat. Bovendien, Izak was nog niet getrouwd. Wat moest er nu terechtkomen van het nageslacht dat volgens Gods belofte uit Izak geboren zou worden? Dus niet alleen zijn liefde, maar ook het geloof van Abraham werd enorm zwaar beproefd. Ook nu nog verlangt God dat wij dingen voor Hem opgeven – wel heel wat minder moeilijke dingen dan het offeren van een eigen kind. En bovendien is dat wat God ons beveelt op te geven, geen echt verlies. God roept op te breken met onze afgoden van zondige pleziertjes, die wij doorgaans ‘onschuldig vermaak’ noemen, zoals sommige feesten, video’s, sportverdwazing of het lezen van bepaalde romans. Misschien heb je kennis gekregen aan iemand die met God geen rekening houdt – dan moet er gekozen worden. Of je krijgt een prachtige baan aangenomen, waarbij je het echter soms wel op een akkoordje met je geweten moet gooien. Ben jij dan ook bereid om het kruis van Christus op te nemen en gehoor te geven aan de roep om Hem te dienen? Als God jou roept om ergens ver weg, onder moeilijke omstandigheden, in Zijn Koninkrijk te gaan werken, kun je dan breken met je comfortabele leventje hier? Abraham gehoorzaamde onverwijld. Van jou en mij verwacht God geen mindere reactie. Dus waarom uitstellen? Waarom je verzetten? Waarom doen alsof je Zijn roepstem niet hoort? Denk nog eens terug aan de vrouw van Lot en haar geaarzel – en denk vervolgens aan Abraham en zijn gehoorzaamheid! Lezen: Filippenzen 2:19-30

133


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 22:4-8

Bijbelgedeelte

enesis

Geloof 4 Aan de derde dag, toen hief Abraham zijn ogen op en zag die plaats van verre. Wat zal er allemaal in Abraham zijn omgegaan op die lange reis van drie dagen? Ongetwijfeld zal de satan alles in het werk gesteld hebben om Abraham aan te porren: Ga toch terug! Maar God is Overwinnaar in deze strijd. En Abrahams geloof in God komt openbaar in zijn onmiddellijk en zonder meer gehoorzamen. 5 En Abraham zeide tot zijn jongens, (hier wordt in het Hebreeuws voor deze mannen hetzelfde woord ‘jongen’ gebruikt waarmee ook Izak wordt aangeduid; een aanwijzing te meer dat Izak geen jongen meer was maar een jongvolwassene); Blijft gij hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u wederkeren. Abraham liet zijn knechten achter, want zij zouden er wel niets van begrijpen wat hier gebeurde. Let erop dat Abraham zei dat hij ging ‘aanbidden’. Opmerkelijk dit woord, terwijl hij op weg was om eigenhandig zijn zoon te gaan offeren! Maar hij zei ook, dat ze allebei zouden terugkomen (‘wederkeren’). In Hebreeën 11:18 staat dat Abraham erop vertrouwde dat God machtig genoeg was om Izak weer uit de doden op te wekken. Wat heeft God Zijn kind met een wonderlijk groot geloof bedeeld, want nog nooit eerder was er iemand uit de doden opgestaan. 6 En Abraham nam het hout des brandoffers en legde het op Izak, zijn zoon; en hijzelf nam het vuur, een pot gloeiende kolen, en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen tezamen. Ze zullen zwijgend hun weg gegaan zijn – Abraham vervuld met zijn gedachten, en Izak verwonderd over het zwijgen van zijn vader. Maar plotseling verbrak Izak de stilte met een vraag over dat ene dat hij niet begreep: Waar was het offerdier! 7 Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader. En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn zoon. En hij zeide: Zie, het vuur en het hout, maar waar is het lam tot het brandoffer? Dat was nu net de vraag waar Abraham al voor gevreesd had, want wat voor antwoord moest hij zijn zoon geven? Hijzelf wist heel goed waaruit het offer zou bestaan. In zijn antwoord klinkt diepe liefde door, maar ook een vast vertrouwen in zijn God.


8E n Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon. Zo gingen zij beiden tezamen.

Om over na te denken: Geloof is de daad van vertrouwen op Gods Woord. Vergelijk het met het staan op een rots. De rots is Gods Woord en het staan is het geloof. Misschien heb je ooit ergens op een grote rots aan de zeekust gestaan. Hoewel de golven tegen die rots sloegen, stond jij daar veilig. Maar wat als de golven hoger zouden worden en over de rots sloegen, terwijl sterke windvlagen tegen jouw lichaam beukten? Je zou niet alleen gauw proberen van die rots af te springen, maar je zou ook voelen hoe kwetsbaar je was daar op die rots. Zo is het ook met het geloof in Gods beloften. Abraham geloofde vast in God en stond op de rots van Zijn beloften. Maar nu werd het geloof van Abraham zwaar op de proef gesteld door Gods opdracht, en zijn vaderlijke gevoelens kregen een geduchte knauw. Maar hoewel de golven en de wind hem beukten, stond Abraham daar onbeweeglijk. Voor de laatste keer rukte de storm aan zijn hart, door de vraag van Izak: ‘Maar vader, waar is het lam voor het brandoffer?’ Welk vaderhart zou niet breken en een kreet van verdriet en pijn slaken!? En toch stond Abraham nog stevig op de rots. Zijn geloof was ongebroken. Wat was toch het geheim van Abrahams geloof? Dat was Abrahams Heere! Het is duidelijk dat God dit geloof versterkte. Het ware geloof is niet alleen een gave van God als een zondaar het voor het eerst ontvangt. Nee, het is ook God Die het geloof van Zijn kinderen in stand houdt en versterkt, hun leven lang. Zonder Gods genadewerk zou Abraham nooit z’n zoon zijn gaan offeren. Wat ligt daar een bemoediging in! God vraagt ons Hem te geloven en te gehoorzamen, ook als dat zo moeilijk is. Maar Hij belooft ook te geven wat Hij gebiedt. Lezen: Hebreeën 11:8-19

135


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 22:9-12

Bijbelgedeelte

enesis

Gods onmetelijke liefde  9 Wat moet het voor Abraham moeilijk geweest zijn om nu echt te gaan doen wat God gevraagd had! En zij kwamen ter plaatse die hem God gezegd had, en Abraham bouwde aldaar een altaar; en hij schikte het hout; na deze voorbereidingen maakte Abraham aan Izak duidelijk dat híj het was die geofferd zou worden; en bond zijn zoon Izak en legde hem op het altaar boven op het hout. Woorden schieten tekort om duidelijk te maken wat er door Abraham en zijn zoon heen ging. Dat Izak zich liet binden en als offer op het altaar leggen, bewijst dat ook hij zich in vol vertrouwen onderwierp aan de God van zijn vader. Het geloof van zowel vader als zoon is verbazingwekkend. 10 En Abraham strekte zijn hand uit en nam het mes, om zijn zoon te slachten. Abraham ging nu zijn zoon op dezelfde manier offeren als hij eerder zo veel dierenoffers had gebracht. Hoewel zijn hart verteerd werd door liefdessmart, spaarde hij Izak niet. 11 Nu God zag dat Abraham Hem zonder tegenspreken zijn zoon ging offeren, hield Hij Zijn trouwe knecht tegen. Maar de Engel des Heeren, de Heere Zelf, riep tot hem van de hemel en zeide: Abraham, Abraham. En hij zeide: Zie, hier ben ik. 12 T oen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan de jongen en doe hem niets; want nu weet Ik dat gij godvrezende zijt, of: Mij eert, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden, en uit liefde Mij zonder ook maar enige tegenwerping gehoorzaamd hebt.

Om over na te denken: Liefde is niet zomaar een gevoel. Het is: iets geven wat voor jouzelf veel betekent. Dat komt wel heel mooi openbaar in het gedrag van Abraham en van Izak. Wat zal het Abraham een smart gekost hebben om zijn eigen zoon te binden, hem op het


altaar te leggen en het mes op te pakken om nu daadwerkelijk te gaan offeren! Het mes dat Izak moest treffen, was eerder al diep in Abrahams hart gedrongen. Maar hij wist dat God dit offer waard was. God was groter dan Izak en was zijn liefde nóg meer waardig. Ook de liefde en gehoorzaamheid van Izak vallen op: vrijwillig liet hij zich op het altaar leggen. De liefde van Abraham en van Izak was groot. Toch is Gods liefde oneindig groter. Jezus zei: ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe’ (Joh. 3:16). Dat hier staat dat Hij de wereld zó heeft liefgehad, betekent dat Zijn liefde zó groot was, dat Hij vrijwillig Zijn innig geliefde Zoon gaf voor een zondige, verdorven, opstandige, ondankbare, weerzinwekkende wereld, die vervuld was van dodelijke haat tegen Hem. Wie kan de liefde van God peilen, Die zo’n kostbaar offer bracht voor zo’n verdorven wereld! God had Zijn Christus meer lief dan Abraham ooit zijn kind kon liefhebben. En toch gaf Hij Hem vrijwillig over om te sterven voor Zijn zondige volk. God vroeg Abraham niet zijn zoon te offeren om een verdorven vijand te kunnen redden. En toch was dat nu wat God wél deed! Niemand gaf God daartoe bevel, zoals Abraham een bevel kreeg. O, wat is díé God groot! In Gods oneindige, eenzijdige, onmetelijke liefde ligt de grote hoop voor een gevallen mens. Het is deze liefde die God ertoe bewoog de zaligheid mogelijk te maken voor zondaars zoals jij en ik. Aarzel dan niet om Hém te zoeken! Wij hoeven Zijn liefde niet te verdienen of op te wekken. Integendeel, Hij wil juist dat wij deze liefde omhelzen en er niet aan twijfelen. Ieder moment van Zijn geduld en iedere uiting van Zijn goedheid is een ‘vurige kool’ waarmee God jouw hart wil innemen en je ervan wil weerhouden de leugen van de zonde te volgen. Zodra je leert je vertrouwen te stellen op deze liefde van God voor zondaars, zul je God op het allerheerlijkst gaan kennen. De kennis van God zal jou veranderen. Je zult dan steeds meer op Abraham gaan lijken. Dan gaat alles eraan wat de verhouding tussen God en jou kan schaden. Alleen het zien van Gods heerlijkheid in Christus is bij machte jou af te keren van de afgoden, om de levende God te gaan dienen. Lezen: 1 Thessalonicenzen 1

137


Genesis 22:13-19 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Zand en sterren 13 Toen hief Abraham zijn ogen op en zag om; en zie, achter was een ram in de verwarde struiken, takken, vast met zijn hoornen; en Abraham ging en nam die ram en offerde hem ten brandoffer in zijns zoons plaats. Niet te beschrijven, hoe opgelucht Abraham zich gevoeld moet hebben toen hij deze ram mocht offeren in plaats van zijn zoon. 14 En Abraham noemde de naam van die plaats: De Heere zal het voorzien. Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op de berg des Heeren zal het voorzien worden. Deze naam duidt erop dat God in de toekomst zou voorzien in het Lam van God, Dat zou worden gekruisigd voor de zaligheid van Zijn kinderen. 15 T oen riep de Engel des Heeren tot Abraham ten tweeden male van de hemel; 16 En zeide: Ik zweer bij Mijzelven, of: heb een plechtige eed gezworen waarmee Ik Mij met al Mijn trouw en waarheid verbind, zodat u, Abraham, nooit hoeft te twijfelen, spreekt de Heere; daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; waarmee Hij onderstreept hoe groot Abrahams liefde tot God was: dat hij bereid was zijn enige zoon te offeren: 17 Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels en als het zand dat aan de oever der zee is; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten; zij zullen dus regenten en vorsten zijn; 18 En in uw Zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, want menigten, verspreid over alle volkeren, zullen delen in de geestelijke zegeningen van Gods genade in Christus, het Zaad van Abraham; naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt. God ZĂŠlf wijst ons op Abrahams gehoorzaamheid! Hij legt een verband tussen deze geloofsgehoorzaamheid en de herhaling van al de bijzondere beloften die Hij de jaren door aan Abraham gedaan had. Abrahams gehoorzaamheid wordt door God uit genade beloond en in gunst aangezien. Zoals hij God het liefste wat hij had (Izak) niet heeft onthouden, zal God hem uit genade Zijn allerrijkste zegening schenken, die Hij eerder al beloofd had.


19 T oen keerde Abraham weder tot zijn jongens, en zij maakten zich op en zij gingen tezamen naar Berseba; en Abraham woonde enige tijd te Berseba.

Om over na te denken: Dit is de laatste keer dat God Abraham persoonlijk aansprak; de Bijbel vermeldt althans geen andere ontmoetingen meer. Nu Hij Zijn knecht tot het uiterste had beproefd, bevestigde God nogmaals al Zijn eerdere beloften. De sterren aan de hemel tellen, of het zand van het strand – het is alletwee onmogelijk. maar voor de Almachtige bestaan er geen grenzen of onmogelijkheden. Elke keer als Abraham ’s nachts naar de hemel keek en elke keer als hij op een strand liep, zou hij worden herinnerd aan Gods beloften. De vervulling daarvan heeft hij niet met eigen ogen gezien, maar hij wist dat God Zijn Woord zou houden. Inderdaad, God heeft Zich aan Zijn beloften gehouden. Eeuwen later werd Jezus Christus geboren, het beloofde Lam, Dat aan het kruis werd geofferd. Hoewel de meeste Joden hun eigen Zaad hebben afgewezen, is Abrahams nageslacht wel over de gehele wereld verspreid. Vijandige volkeren hebben vaak geprobeerd hen uit te roeien, maar dat is nooit gelukt. Bijna elke tak van wetenschap heeft buitengewoon veel aan de Joden te danken – maar wat is het schrijnend dat de meerderheid blind bleef voor Jezus Christus. Wat zal het een heerlijke dag zijn als God, zoals beloofd in Romeinen 11, de harten van een grote menigte van Abrahams kinderen daadwerkelijk zal bekeren tot hun grote Zaad, Jezus Christus. Dat zal niet alleen een zegen voor de Joden zijn, maar voor de hele wereld. Want als God zo veel Joden bekeert, zullen zij blinken als sterren, waar zij ook wonen of werken, en boodschappers worden van de trouwe God en Heere van Abraham. Een predikant zei eens: ‘Zien wij uit naar een opwekking in onze kerken? Bid dan om de bekering van de Joden!’ We mogen elkaar wel aansporen om dat gebed mee te bidden. Lezen: Romeinen 11:12-36

139


Genesis 22:20-24 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Familierelaties 20 In de afsluitende verzen van dit hoofdstuk zien we hoe de lijn verlegd wordt naar de volgende belangrijke persoon in Genesis: Abrahams zoon Izak. Het blijkt dat Abraham en Sara niet alle contacten met hun familie ver weg verloren hadden, hoewel ze al zo’n zestig jaar geleden waren weggetrokken. En het geschiedde na deze dingen, dat men Abraham boodschapte, óf via knechten die voor hem naar zijn vroegere vaderland waren geweest, óf via reizende kooplieden, zeggende: Zie, Milka, die heeft ook Nahor, uw broeder, zonen gebaard: 21 Uz, zijn eerstgeborene, en Buz, zijn broeder, en Kemuël, de vader van Aram, 22 En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuël; 23 En Bethuël gewon Rebekka. Deze acht baarde Milka aan Nahor, de broeder van Abraham. Abraham was dus een oudoom van Rebekka, en Rebekka was de achternicht van Izak. Er zullen ook wel tal van andere familieleden geweest zijn. Die worden echter niet genoemd, omdat er geen verband bestaat met de geschiedenis van Izak. 24 En zijn (Nahors) bijwijf, welker naam was Reüma, een tweede vrouw, die niet dezelfde positie en waardigheid had als een eerste vrouw, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas en Maächa. Omdat Izak zo laat geboren was, zal hij qua leeftijd dichter bij Nahors kleinkinderen, zoals Rebekka, gestaan hebben dan bij zijn volle neven Uz, Buz en de anderen.

Om over na te denken: In Abrahams tijd bestond er nog geen postverkeer. Ook geen contact via e-mail of data-uitwisseling. Een vliegreis voor een kort bezoek of een familiebijeenkomst behoorde evenmin tot de mogelijkheden. Het zou een lange, saaie en zelfs gevaarlijke onderneming geweest zijn als Abraham op bezoek had gewild bij zijn grote familie. Maar we zien dat hij toch op een of andere manier op de hoogte bleef van het wel en wee van de familie die hij had achtergelaten. Hij zal wel zijn best hebben


gedaan om het nodige te horen via rondreizende kooplui die gebruikmaakten van de handelsroutes van Noord naar Zuid. Tegenwoordig trekken de mensen vaak ver bij hun familie vandaan. Dat mag echter nooit een verontschuldiging zijn om het contact met elkaar te verwaarlozen. De familiebanden moeten intact blijven, want we houden een bepaalde verantwoordelijkheid voor elkaar. Een van de redenen waarom Abraham zo veel waarde hechtte aan het contact met zijn familie, was dat hij een geschikte schoondochter zocht. Als Izak de vader van een groot nageslacht moest worden, zoals God beloofd had, was de keus van een goede vrouw voor zijn zoon heel belangrijk. Dat mogen wij ook wel heel goed in het achterhoofd houden voordat we een relatie aangaan. Want een hechte en blijvende relatie met iemand anders zal ons leven veranderen, 贸f ten goede, 贸f ten kwade. Tal van jongeren raken hun onschuld kwijt door het in het verkeerde kamp te zoeken. Voor sommigen is het zelfs hun dood geweest, toen zij in kringen terechtkwamen waar men aan God noch gebod deed. Veel huwelijken hebben niet geresulteerd in de blijdschap die God ermee bedoeld had. Waarom niet? Omdat jonge mensen zich buiten de paden van Zijn inzettingen begaven. In onze westerse cultuur is het gebruikelijk dat je zelf op zoek gaat naar een toekomstige echtgenoot/echtgenote. Toch, als ik je een goede raad mag geven, praat er ook over met je vader en/of moeder. Doorgaans houdt niemand m茅茅r van jou dan juist zij, en niemand kent jouw karakter beter dan zij. De wijsheid en het inzicht van je ouders zijn erg belangrijk bij het nemen van die belangrijke beslissing. Als God het geeft, zullen jij en je man of vrouw de rest van je leven met elkaar en met jullie eventuele kinderen optrekken! Was het niet wijs dat Abraham zich intensief betrokken voelde bij de keus van Izaks toekomstige vrouw? Die bemoeienis heeft zich uitgestrekt tot vele generaties na Abraham. Lezen: Jozua 23:11-16

141


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 23:1-2

Bijbelgedeelte

enesis

Verdriet 1 En het leven van Sara was honderd zeven en twintig jaar; dit waren de jaren des levens van Sara. Hoelang precies dit was na de gebeurtenissen uit de voorgaande hoofdstukken, weten wij niet; sommigen schatten het op ongeveer twintig jaar. Het is opvallend dat Sara de enige vrouw uit de Bijbel is van wie wordt vermeld op welke leeftijd ze stierf. Is dat wellicht omdat zij zo’n belangrijke voorbeeldfiguur voor vrouwen was, en de ‘moeder van alle gelovige vrouwen in onze tijd? (1 Petr. 3:1-6) 2 En Sara stierf te Kirjath-Arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen en haar te bewenen; dus Abraham was er waarschijnlijk niet bij toen Sara stierf. Wellicht is ze onverwachts gestorven, want Abraham zou haar nooit in de steek gelaten hebben als hij haar einde zag naderen. Hij, die zo lang in liefde met haar verenigd was, geeft zichtbaar uitdrukking aan zijn verdriet.

Om over na te denken: De dood verbrak de tere liefdesband waarmee Abraham en Sara zo lang aan elkaar verbonden waren geweest. Het was voor Abraham een zwaar verlies toen God uiteindelijk Sara tot Zich nam in de hemelse heerlijkheid. Abraham wist echt wel wat verdriet was, maar hij had nooit kunnen vermoeden hoe groot de pijn was die hij nu ervoer. Waar hij ook keek, overal was die leegte. Echte rouwvoorbereiding is nauwelijks mogelijk. Je moet het doorgemaakt hebben. Wat een verdriet zien we om ons heen! Het kan zijn dat jij die dit leest, inmiddels ook wel weet wat verdriet is. Misschien heb je geen vader of moeder meer, of geen van beiden. Ook een broer, een zus of een goede vriend(in) kan van je weggenomen zijn. Maar ook als de dood er niet mee gemoeid is, kan er groot verdriet zijn. Een ongeluk kan leiden tot een zware, levenslange handicap. Ouders scheiden soms, waardoor een gezin uit elkaar valt. Of iemand heeft inbreuk gemaakt op dat wat zo


heel persoonlijk is en heeft je diep gekwetst door seksueel misbruik of een andere vorm van geweld. Verlies van een baan en een vast inkomen kan ook zo’n zware druk op het gezinsleven leggen. Misschien is door een windhoos, brand of een andere ramp jullie huis verwoest, evenals veel persoonlijke herinneringen. Misschien is een ouder, een broer of zus in de gevangenis terechtgekomen. Allemaal dingen die verdriet opleveren. Wat is eigenlijk verdriet? Het is het proces waardoor we leren leven met veranderde, onomkeerbare situaties. Het hoort bij een periode van verwerking. De een heeft daar veel meer tijd voor nodig dan de ander. We kunnen dat nooit voor een ander bepalen. Het is niet verstandig om ons verdriet te verbergen. Dat deed Abraham ook niet. Zodra hij hoorde over de dood van zijn vrouw, haastte hij zich naar Hebron. En dáár barstte hij in hevig snikken uit. Het woord ‘rouwen’ betekent letterlijk: ‘op je borst slaan’, of: ‘kermen’. Veel mensen zeggen: ‘Mannen huilen niet.’ Maar Abraham wel. En zelfs Jezus deed het. Het is dus geen schande als mannen, ook sterke mannen, hun tranen soms de vrije loop laten. Bijvoorbeeld het verlies van een geliefde kan daar aanleiding voor zijn. Eigenlijk is élk verlies een reden voor verdriet. Wij hebben allemaal van die kleine traanbuisjes. Het was Gods bedoeling dat die gebruikt zouden worden; trouwens, soms werken ze ook als we blij zijn! Het natuurlijk verdriet geeft ook verlichting van de pijn die zich in je opgehoopt heeft. Onderzoek heeft uitgewezen dat de chemische samenstelling van vreugdetranen totaal anders is dan die van tranen van verdriet. Anders gezegd, God heeft die tranen van echt verdriet bedoeld om het verdriet uit onze vermoeide harten af te voeren. Vooral als de dood ermee gemoeid is, moeten wij leren de tijd te nemen om te rouwen. Wij flinke, westerse mensen kunnen nog wel wat leren van de mensen uit de Bijbel. Verdriet is trouwens voor veel mensen tot grote winst geworden, omdat God het gebruikte om hen te ontdekken aan de diepste reden van alle verdriet. God was bereid Zijn eigen Zoon in bittere smart over te geven, opdat Hij voor ons de enige weg naar de ware troost zou openen. Wat een zegen als ons verdriet ons uiteindelijk aan de voeten van Jezus brengt! Lezen: Psalm 39

143


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 23:3-9

Bijbelgedeelte

enesis

Omgangsvormen 3 Daarna stond Abraham op van het aangezicht van zijn dode; en hij sprak tot de zonen van Heth, ook bekend als de Hethieten, zeggende: 4 Ik ben een vreemdeling, of: buitenlander, en inwoner bij u; iemand die in uw midden woont zonder land te bezitten; geeft mij een erfbegrafenis bij u, opdat ik mijn dode van voor mijn aangezicht begrave. Hoewel God aan Abraham heel het land Kana채n beloofd had, bezat hij op dit moment nog geen enkel stuk land. 5 En de zonen van Heth antwoordden Abraham, hem zeggende, in uiterst beleefde taal, die ons misschien wat overdreven voorkomt, maar in die tijd gebruikelijk was: 6 Hoor ons, mijn heer; gij zijt een vorst Gods in het midden van ons; begraaf uw dode in de keur onzer familiegraven of: begraafplaatsen; niemand van ons zal zijn eigen familiegraf voor u weren, dat gij uw dode niet zoudt begraven, waar u ook maar wilt. 7 Toen stond Abraham op en boog zich neder voor het volk des lands, voor de zonen van Heth; Abraham deed dit als uiting van beleefdheid en uit erkentelijkheid voor hun zeer hoffelijke woorden. 8 En hij sprak, of: overlegde, met hen, zeggende: Is het met uw wil, of: instemming, dat ik mijn dode begrave van voor mijn aangezicht; zo hoort mij en spreekt voor mij bij Efron, de zoon van Zohar; het was toen gebruikelijk eerst iemand te zoeken die wilde bemiddelen, hier tussen Abraham en Efron. Efron was de eigenaar van het stuk land waar Abraham zijn vrouw graag wilde begraven. 9 Dat hij mij geve de spelonk van Machpela, die hij heeft, die in het einde van zijn akker is; dat hij ze mij om het volle geld geve, tot een erfbegrafenis in het midden van u. Abraham was niet uit op een voordeeltje. Hij wilde de gangbare prijs betalen om eigenaar te worden van een begraafplaats voor hem, zijn vrouw en zijn nageslacht.


Om over na te denken: Er valt veel lering te trekken uit het gedrag van Abraham in dit gedeelte. Hoewel hij een zeer bevoorrecht kind van God was, deed hij niet hoogmoedig. Hij ging op een beleefde en sympathieke manier met zijn wereldse, ongelovige buren om. Zijn manieren waren verfijnd. Dat is de manier om als christen respect af te dwingen. Laten we hopen dat ook jij dezelfde geestelijke zegen ontvangen hebt als Abraham. Nu of later zul je samen moeten werken met mannen en vrouwen die een werelds leven leiden en onbekeerd zijn. Dat ze geen christen zijn, is dat een reden om op hen neer te zien? Zijn wij beter dan zij? Hadden wij ook maar íéts verdiend van de genade die ons geschonken is? O nee! Erken liever dat je bent wat je bent uitsluitend uit vrije genade. Probeer voorkomend te zijn in je gedrag. Wie weet, zul je zo een middel in Gods hand zijn om anderen voor Christus te winnen. Misschien ben je, net als Abraham, in financieel opzicht rijk gezegend, zodat je in die zin bevoorrecht bent boven anderen. Anderen zullen daarom wellicht proberen bij jou in de gunst te komen. En weer anderen zullen je misschien bewieroken omdat ze je zo belangrijk vinden. Wat kan dan de verleiding groot worden om zélf ook te gaan denken dat je belangrijk bent! Neem dan een voorbeeld aan Abraham. Het kan ook zijn dat je dankzij je opleiding en talenten succes hebt in zaken of in de politiek. Anderen vliegen op jouw wenken. Maar, pas op! Macht leidt gemakkelijk tot misbruik. De macht die jij over anderen hebt, kan je zelfs de das omdoen. Want het is o zo makkelijk om in zo’n situatie jezelf te gaan bevoordelen. Iedereen heeft een eigen waardigheid en verdient daarom met respect benaderd te worden, ongeacht geestelijke staat, materiële omstandigheden, sociale positie, ras, geslacht of leeftijd. Denk nog eenmaal terug aan de manier waarop Abraham met zijn wereldse landgenoten omging. Wat zou deze wereld er anders uitzien als we allemaal volgens die principes handelden! Laat ook dit een gebedszaak voor je zijn. Lezen: Mattheüs 20:20-28

145


Genesis 23:10-20 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Aankoop in gelovig vertrouwen 10 Efron nu zat in het midden van de zonen van Heth; en Efron, de Hethiet, antwoordde Abraham voor de oren der zonen van Heth, van al degenen die ter poorte zijner stad ingingen, daar waar de zaken werden gedaan, zeggende: 11 Neen, mijn heer, hoor mij; de akker geef ik u; ook de spelonk die daarin is, die geef ik u; voor de ogen van de zonen mijns volks geef ik u die; begraaf uw dode. Efron deed alsof er verder niet onderhandeld hoefde te worden. Hij bood het hele stuk grond, inclusief de spelonk, aan als een geschenk! Dat was een holle frase, want in de cultuur van Abrahams dagen was het gebruikelijk om iets wat bewonderd werd, als geschenk aan te bieden. Daarbij ging men er echter niet van uit dat dit aanbod aanvaard werd. Abraham besefte dat dit allemaal tot de goede omgangsvormen behoorde en ging niet op het aanbod in. 12 Toen boog zich Abraham neder voor het aangezicht van het volk des lands; opnieuw valt op hoe welgemanierd Abraham zich tegenover hen gedraagt. 13 En hij sprak tot Efron voor de oren van het volk des lands, hier vertegenwoordigd, zeggende: Trouwens, zijt gij het? Lieve, hoor mij; ik zal het geld des akkers geven; neem het van mij, zo zal ik mijn dode aldaar begraven. 14 En Efron antwoordde Abraham, zeggende tot hem: 15 Mijn heer, hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilver, wat is dat tussen mij en tussen u? Begraaf slechts uw dode. Efron deed wat toentertijd gebruikelijk was. Eerst bood hij het land gratis aan, zonder te verwachten dat dit aanbod werd aanvaard. Vervolgens noemde hij een prijs. Het was een extreem hoge prijs, ook al deed hij alsof het om een bescheiden bedrag ging, dat een rijk man als Abraham zich gemakkelijk kon veroorloven. Hij verwachtte dat Abraham nu zou gaan afdingen op het voorgestelde bedrag. Maar Abraham gaf er opnieuw blijk van dat hij van hogere normen uitging dan Efron, die handig gebruikmaakte van de haast die Abraham had. 16 En Abraham luisterde naar Efron, hij verbaasde allen door direct akkoord te gaan met die onredelijke prijs; en Abraham woog Efron het geld waarvan hij gesproken had voor de oren van de zonen van Heth, vierhonderd sikkelen


zilver, onder de koopman gangbaar. Abraham betaalde met het hoogwaardige zilver, waarmee je bij alle kooplui van zijn tijd terecht kon. Nergens beknibbelde Abraham op. 17 A lzo werd de akker van Efron, die in Machpela was, dat tegenover Mamre lag, de akker en de spelonk die daarin was, en al het geboomte dat op de akker stond, dat rondom in zijn ganse landpale was, gevestigd 18 A an Abraham tot een bezitting, voor de ogen van de zonen van Heth, bij allen die tot zijn stadspoort ingingen. Hiermee was de koop officieel bekrachtigd, in het bijzijn van getuigen; nooit zou een derde nog aanspraak op deze grond kunnen maken. 19 E n daarna begroef Abraham zijn huisvrouw Sara in de spelonk des akkers van Machpela, tegenover Mamre, hetwelk is Hebron, in het land Kanaän. De reden waarom Abraham juist deze grond met deze spelonk wilde kopen, was dat hij zijn tenten vlak naast dit stuk land had opgeslagen. 20 A lzo werd die akker en de spelonk die daarin was, aan Abraham gevestigd tot een erfbegrafenis, van de zonen van Heth.

Om over na te denken: De aankoop van dit land betekende veel meer dan het veiligstellen van een begraafplek. Het was een uiting van Abrahams geloof in de belofte die God had gedaan. Al die tijd had Abraham geleefd in afwachting totdat het land zijn eigendom zou worden. Maar zelfs 38 jaar na Sara’s begrafenis zou hij nog steeds niet meer bezitten dan deze akker. En toch was dit gekochte land met spelonk een stilzwijgend maar duidelijk teken voor heel zijn nageslacht. Het was een teken van Gods belofte dat het hele land voor Abraham en zijn nageslacht zou zijn. Gods belofte aan al Zijn kinderen is dat ‘het Koninkrijk der hemelen’ voor hen is (Matth. 5:3). Eens zullen zij de erfgenamen zijn van Gods nieuwe hemel en nieuwe aarde – ook al bezitten zij nu misschien nog niet meer dan een graf. Lezen: Hebreeën 11:8-16

147


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 24:1-9

Bijbelgedeelte

enesis

Belangrijke beslissingen 1 Abraham nu was oud, 140 jaar, en welbedaagd, zijn leeftijd was hem aan te zien; en de Heere had Abraham in alles gezegend; zowel in geestelijk als in materieel en in maatschappelijk opzicht. 2 Zo sprak Abraham tot zijn knecht, de oudste van zijn huis; een betrouwbare knecht; ‘oudste’ sloeg meestal meer op positie dan op leeftijd, regerende over alles wat hij had: Leg toch uw hand onder mijn heup, 3 Opdat ik u doe zweren bij de Heere, de God des hemels en de God der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochteren der Kanaänieten, in het midden van dewelke ik woon; Abraham geloofde vast in Gods belofte van de Messias Die uit zijn nageslacht geboren zou worden; en hij besefte hoe belangrijk het was dat Izak een vrouw kreeg die met hem het geloof in de Heere deelde. Daarvan was veel harmonie in huwelijk en gezin te verwachten. Op deze manier zou ook de geestelijke erfenis zorgvuldig worden bewaard en doorgegeven aan de volgende generatie. Praktisch gezien had een huwelijk van Izak met een dochter van een belangrijk en invloedrijk Kanaänietisch leider voor de hand gelegen, want daarmee zou het geslacht van Abraham een sterke positie in het land verwerven. Maar Abraham verafschuwde dit soort politiek. Hij was een man van geloof. 4 Maar dat gij naar mijn land Mesopotamië en naar mijn maagschap, mijn familie, trekken, en voor mijn zoon Izak een vrouw nemen zult. 5 En de knecht zeide tot hem: Misschien zal die vrouw mij niet willen volgen in dit land; zal ik dan uw zoon moeten wederbrengen in het land waar gij uitgetogen zijt? De knecht twijfelde niet of hij wel een geschikte vrouw voor Izak zou vinden. Maar zou zo’n jonge vrouw bereid zijn haar thuis en haar familie achter te laten en weg te reizen naar een ver land en een onbekende echtgenoot? Alleen een moedige vrouw met een groot geloof zou dat doen! 6 En Abraham zeide tot hem: Wacht u, dat gij mijn zoon niet weder daarheen terugbrengt.


7 De Heere, de God des hemels, Die mij uit mijns vaders huis en uit het land mijner maagschap genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: Uw zaad zal Ik dit land geven; Diezelve zal Zijn engel voor uw aangezicht zenden, dat gij voor mijn zoon vandaar een vrouw neemt. Het blijft voor ons vaak verborgen wat de engelen doen; zij worden echter door God uitgezonden ten dienste van Zijn kinderen (Hebr. 1:14). 8 Maar indien de vrouw u niet volgen wil, zo zult gij rein zijn van deze mijn eed; alleenlijk breng mijn zoon daar niet weder heen. Dit zegt hij om de knecht gerust te stellen; we moeten echter niet denken dat Abraham eraan twijfelde of God wel een geschikte vrouw voor Izak zou aanwijzen. 9 Toen legde de knecht zijn hand onder de heup van Abraham, zijn heer, en hij zwoer hem over deze zaak.

Om over na te denken: Altijd weer een mooi hoofdstuk! Toch is het niet zomaar geschreven als boeiend verhaal. O nee, het is bedoeld als gids voor ons levenspad. Op zekere dag zal ook jij die vraag stellen, of die vraag horen: ‘Wil je met mij trouwen?’ Het antwoord kan je óf op de weg naar een heel gelukkig en blij leven brengen, óf op het kronkelpad van eenzaamheid en teleurstelling! Hier geeft God principes voor het nemen van een wijze beslissing. Neem die beslissing niet zonder je ouders of een ander betrouwbaar iemand. Want een huwelijk is niet voor even, maar voor het léven! En … de keus van een levenspartner is niet alleen voor jou belangrijk, maar ook voor je kinderen en hun toekomst. Er staat te veel op het spel om hier de verkeerde keus te maken. Lezen: Jozua 23:11-13

149


Genesis 24:10-14 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Knap … of goed 10 En die knecht nam tien kemels van zijns heren kemels en toog heen; en al het goed zijns heren was in zijn hand; en hij maakte zich op en toog heen naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor. Al deze kostbaarheden zijn bedoeld als geschenken voor de bruid en haar familie. Over de lange reis zwijgt de Bijbel, maar er zullen onderweg wel de nodige gebeden opgezonden zijn. 11 En hij deed de kemels nederknielen buiten de stad, bij een waterput, des avondtijds, ten tijde als de putsters uitkwamen. Water halen voor het gezin behoorde tot de gebruikelijke taken van vrouwen. De knecht dacht daarom dat het hier de beste ontmoetingsplek was. Maar hoe kon hij nu weten welke vrouw geschikt was voor Izak? Gebed om Gods bijzondere leiding was zijn enige oplossing. 12 En hij zeide: Heere, God van mijn heer Abraham, doe haar mij toch heden ontmoeten, en doe weldadigheid bij Abraham, mijn heer. 13 Zie, ik sta bij de waterfontein, en de dochteren der mannen dezer stad zijn uitgaande om water te putten; 14 Zo geschiede, dat die jongedochter tot dewelke ik zal zeggen: Neig toch uw kruik, dat ik drinke; en zij zal zeggen: Drink, en ik zal ook uw kemels drenken; diezelve zij die Gij Uw knecht Izak toegewezen hebt, en dat ik daaraan bekenne, dat Gij weldadigheid bij mijn heer gedaan hebt. Vrijwel ieder welgemanierd meisje zou bereidwillig genoeg zijn om een dorstige reiziger te drinken te geven. Maar wie aanbood de dorst van tien kamelen te lessen, moest wel weten wat ze deed! Kamelen kunnen 75-95 liter water drinken in tien minuten, en als ze erg dorstig zijn zelfs 150 liter! Zijn verzoek hield in dat een van de meisjes, die alleen maar een flinke kruik bij zich hadden, dat zou willen doen voor tien kamelen – en dat terwijl er diverse mannen in het gezelschap waren, die daarvoor veel eerder in aanmerking kwamen (zie vers 32).


Om over na te denken: De knecht besefte dat de bruid naar wie hij zocht, een heel bijzondere vrouw moest zijn. Ze moest tot Abrahams familie behoren, maar ook godvrezend, eerzaam en trouw zijn. Hopelijk zou ze kinderen krijgen en het dan als haar verantwoordelijkheid beschouwen die op te voeden in de lijn van Abraham. Het moest dus een sterke, zelfverzekerde jonge vrouw zijn, die vrijwillig afscheid zou nemen van haar familie om te trouwen met een man die ze nooit ontmoet had! Ze moest goed gezond zijn, want de terugreis zou lang en vermoeiend zijn. Ook zou deze vrouw leiding moeten kunnen geven aan een grote staf bedienden. Nee, hoewel ze zou trouwen met een vermogend man, lag er geen makkelijk leventje voor haar. Ervaring, wijsheid, takt, fijngevoeligheid, meelevendheid en een sterke wil waren vereisten. ‘Knap’ noemde ik niet in dit rijtje! Bekoring is een geschenk dat we niet mogen verachten. Toch kan uiterlijke schoonheid nooit opwegen tegen de innerlijke schoonheid van een toegewijd en bescheiden karakter. Het verzoek dat de knecht aan de Heere voorlegde, was bedoeld om hem zicht te geven op de innerlijke schoonheid van Izaks toekomstige bruid. Aanbieden te putten voor een stel dorstige kamelen, was niet niks. Een meisje moest daar sterk genoeg voor zijn, maar ze moest het ook wíllen. Wie een onbekende reiziger deze grote dienst aanbood, zou blijk geven van een onzelfzuchtig karakter. Ieder meisje, iedere jongen die dit leest, moet zichzelf maar eens afvragen: Zou ik deze vuurproef doorstaan hebben? Zou ik dit vrijwillig gedaan hebben voor een onbekende? Ben ik bereid mijzelf uit te putten in vriendelijkheid? Ben ik diegene die best iets extra’s wil doen en zelfs ‘een tweede mijl’ wil gaan als mij gevraagd is iets te doen? Heb ik geleerd taken uit te voeren die me niet opgedragen worden, maar waarvan ik zie dat ze nodig zijn? Vergeet nooit dat een goede man altijd op zoek is naar zo’n soort vrouw. Oppervlakkige jongens kijken alleen naar je uiterlijk, maar een verstandige kerel zal meer geïnteresseerd zijn in het karakter van een vrouw dan dat hij zich laat imponeren door haar uiterlijk. Lezen: 1 Petrus 3:1-6

151


Genesis 24:15-20 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Goed voor vijanden 15 En het geschiedde eer hij geëindigd had dit gebed uit te spreken, zie; ‘zie’ drukt verwondering uit over deze onmiddellijke verhoring, zo kwam Rebekka uit, dewelke aan Bethuël geboren was, de zoon van Milka, huisvrouw van Nahor, de broeder van Abraham; en zij had haar kruik op haar schouder. In Egypte droegen vrouwen kruiken op hun hoofd, maar in Mesopotamië op hun schouder. Een bewijs dat de Schriften ook in historisch opzicht kloppen. Dat Rebekka er zo vroeg bij is om dit dagelijkse, niet bepaald prettige werk te doen, zegt al iets over haar. Ze treuzelde niet om te doen wat haar werk was. 16 En die jongedochter was zeer schoon, of knap, van aangezicht, een maagd, een jonge vrouw van huwbare leeftijd, die haar kuisheid voor haar toekomstige man bewaard had, want we lezen: en geen man had haar bekend; en zij ging af, want meestal moest je hiervoor een trapje af, naar de fontein, en vulde haar kruik en ging op. De vermelding van die paar treden maakt des te meer duidelijk wat een geweldig aanbod het was om voor tien kamelen water te putten. 17 Toen liep de knecht haar tegemoet, om zo gauw mogelijk de proef op de som te nemen, en hij zeide: Laat mij toch een weinig water uit uw kruik drinken. Let eens op hoe beleefd en bescheiden hij dit vraagt. 18 En zij zeide: Drink, mijn heer. En zij haastte en liet haar kruik neder op haar hand en gaf hem te drinken. Een gangbaar dienstbetoon, maar wat nu volgt was hoogst ongebruikelijk. 19 Als zij nu voleind had van hem drinken te geven, zeide zij: Ik zal ook voor uw kemels putten, totdat zij voleind hebben te drinken. Deze vriendelijkheid was niet alleen verbluffend, maar zelfs bijna onvoorstelbaar. 20 En zij haastte en goot haar kruik uit in de drinkbak, en liep weder naar de put om te putten, en zij putte voor al zijn kemels. Wat een vaart zet ze erachter om dit te doen, en dat voor een onbekende reiziger, die ze wellicht nooit weer zou zien.


Om over na te denken: Het kost niet veel moeite om bewondering op te brengen voor Rebekka, als je ziet hoe ontzettend vriendelijk ze was voor deze vermoeide reiziger en zijn dieren. Maar wat moet ze ook een goed karakter gehad hebben: ze deed al dit extra werk kennelijk met volle toewijding. Goedheid (de Bijbel noemt het ook vaak ‘goedertierenheid’) is een van Gods eigenschappen. Paulus schreef aan Titus: ‘Maar wanneer de goedertierenheid van God onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is …’ (Tit. 3:4). In Zijn grote goedheid verliet Hij de hemelse heerlijkheid, om een dorstige wereld op te roepen uit genade ‘het water des levens’ te nemen. Rebekka moest een trapje af om steeds weer die zware kruiken te vullen met water voor de kamelen. Maar God daalde in Zijn Zoon Jezus Christus veel dieper af om dorstige zondaarszielen te kunnen laten drinken. De Zoon van God moest zelfs naar de diepte van de hel afdalen. Eerst zweette Hij grote droppels bloed onder de last die Zijn Vader op Hem liet drukken. En tijdens Zijn laatste gang nam Zijn dorst alleen nog maar toe. Ten slotte schreeuwde Hij het uit: ‘Mij dorst’, maar niemand kwam om Hem verfrissend water te geven. Hij deed dit alles niet, zoals Rebekka, voor reizende vreemdelingen. Nee, het was voor vijanden, die niet eens dankbaar waren voor Zijn zwoegen. Over goedheid gesproken! Wie kan Gods goedheid begrijpen om, in Zijn Zoon, te bukken om water van genade en leven te putten voor vijandige, ondankbare zondaars!? En bovendien, een paar kruiken water waren niet genoeg. Hij moest Zijn eigen leven afleggen, Zijn bloed laten vergieten, om genoeg te doen aan de eisen van Gods heilige wet. Hoewel Hij nooit één gebod gebroken had, nam Hij in Zijn goedheid de plaats van schuldigen in. Hij deed dit om Zijn verloren kinderen thuis te kunnen halen in Zijn eeuwige heerlijkheid. God is goed. Bukte Hij zó diep om genade te kunnen bewijzen? Laat dat je ervan overtuigen dat Hij het waard is om gezocht te worden! Lezen: Jona 4

153


Genesis 24:21-27 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Concrete gebeden 21 En de man ontzette zich over haar, stilzwijgende, terwijl zijn ogen rustig volgden wat Rebekka deed en hij wachtte om te merken of de Heere zijn weg voorspoedig gemaakt had of niet. 22 E n het geschiedde als de kemels voleind hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, welker gewicht was tien sikkelen goud; allemaal kostbare juwelen, die pasten bij de status van zijn heer Abraham. 23 W ant hij had gezegd, toen hij die ontzettend belangrijke vraag niet langer voor zich houden kon: Wiens dochter zijt gij? Geef het mij toch te kennen; is er ook ten huize uws vaders plaats voor ons om te vernachten? 24 E n zij had tot hem gezegd: Ik ben de dochter van BethuĂŤl, de zoon van Milka, die zij Nahor gebaard heeft. Het blijkt dus precies de dochter te zijn over wie ze in Hebron bericht hadden gekregen (22:23)! Zal Rebekka niet een uitdrukking van verbazing op het gezicht van de vreemdeling gezien hebben? 25 V oorts had zij tot hem gezegd: Ook is er stro, zodat de dieren kunnen liggen, en veel voeder bij ons, ook plaats om te vernachten. Wat waren de Bijbelse volkeren toch verbazend gastvrij, dat ze onmiddellijk hun huis en etensvoorraad met vreemdelingen wilden delen! 26 T oen neigde die man zijn hoofd en aanbad de Heere; hij merkte meteen dat God op een wonderlijke manier zijn concrete gebed verhoord had; en hij schaamde zich niet om de God van zijn meester daar openlijk voor te erkennen. 27 En hij zeide: Geloofd zij de Heere, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten, of: niet onthouden, heeft van mijn heer; aangaande mij, de Heere heeft mij op deze weg geleid, ten huize van mijns heren broederen. Hoewel deze knecht de God van Abraham niet de zijne noemde, blijkt uit zijn gebedsleven dat hij een man was die de Heere, de God van zijn meester, vreesde.


Om over na te denken: De verhoring die Abrahams knecht kreeg, mag ons wel aanmoedigen om concrete noden een eigen plaats in ons gebed te geven. Bij deze man kwam een sterk geloof openbaar in Gods voorzienige en leidende hand op alle terreinen van het leven. Hij besefte dat zijn opdracht van het grootste belang was voor de toekomst van Abrahams erfdeel en nageslacht. Daarom ‘deed hij zijn mond wijd open’ (Ps. 81:11), en legde zijn concrete verzoek aan de Heere voor. Ook jij moet soms kiezen. Sommige keuzes strekken zich uit tot ver in de toekomst, sommige beïnvloeden heel je leven. Er zijn ook keuzes die boven je tijdelijke leven uitgaan: niet alleen als het gaat om je persoonlijke verhouding tot God, maar ook om de toekomst van je nageslacht. Laten we daarom leren van deze godvrezende man uit de oudheid. Hij bad of God Zijn wil volkomen duidelijk wilde maken in de weg van Zijn voorzienigheid. Daarbij schuwde hij niet om concrete details te noemen, zodat hij zeker zou weten dat Gods hand hem in het goede spoor leidde. Ik ben er zeker van dat hij dit niet zomaar even bad, maar dat hij er op de lange uren van zijn reis diep over had nagedacht. Doorgaans let je eens goed op iemands gewoontes en karakter voordat je mijmert: Dat zou een goede levenspartner voor mij kunnen zijn! Je praat er ook eerst eens over met je ouders en misschien ook met een ander, iemand die de Heere vreest. Maar deze knecht kon dat allemaal niet. Zijn gebed moest dus heel concreet zijn, gericht op deze ene situatie. Neem nooit een besluit, maak nooit keuzes, zonder te vragen naar Gods wil en zonder te letten op Zijn voorzienigheid, altijd met je open Bijbel erbij. In Abrahams tijd was er geen geschreven Woord van God, maar uit Abrahams instructies wist de knecht wat Gods geopenbaarde wil was bij zijn reisdoel. God heeft Zijn wil later duidelijk geopenbaard in Zijn Woord, dat jij en ik zwart-op-wit hebben. Daarom moeten wij het ook op dat punt aandachtig bestuderen. Op concrete verzoeken wil God concrete antwoorden geven. Dat geeft veel bemoediging! Na zo’n antwoord op zijn gebed, hoefde Abrahams knecht niet verder te zoeken. Hij wist dat Rebekka de vrouw was die God voor Izak bestemd had. Hij wist dat de Heere hem had geleid. Lezen: Psalm 81

155


Genesis 24:28-33 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Prioriteiten stellen 28 En die jongedochter liep en gaf ten huize harer moeder te kennen, gelijk deze zaken waren. Wat haar vooral aanspoorde om haast te maken, was dat ze uit het dankgebed van de vreemdeling begrepen had dat hij bij Abraham hoorde, hun gerespecteerde familielid in Kanaän. Vermoedde zij wellicht dat de knecht van Abraham om iets heel belangrijks naar hun woongebied gekomen was? 29 En Rebekka had een broeder, wiens naam was Laban; en Laban liep tot die man naar buiten tot de fontein. In het Hebreeuws komt eerst de handeling (hij liep …) en daarna pas de reden (zie volgend vers). Eén reden waarom Laban zo’n haast had om Abrahams knecht te ontmoeten, klinkt door in het volgende vers. Een lelijke karaktertrek van Laban was zijn hebzucht, hoewel hij ook een zeer gulle en vriendelijke gastheer bleek. 30 En het geschiedde als hij dat voorhoofdsiersel gezien had en de armringen aan de handen zijner zuster, dat hij begreep dat deze reiziger in dienst was bij een aanzienlijk en rijk man, en als hij gehoord had de woorden zijner zuster Rebekka, zeggende: Alzo heeft die man tot mij gesproken; zo kwam hij tot die man, en zie, hij stond bij de kemels, bij de fontein. ‘En zie’ betekent zoiets als: ‘Let op’. Wat is er zo opvallend aan dat de knecht bij de kamelen staat? Het herinnert ons eraan dat hij met heel zijn hart gericht was op het welslagen van zijn opdracht. Eerder gunde hij zich geen rust. 31 En hij zeide: Kom in, gij gezegende des Heeren, waarom zoudt gij buiten staan? Want ik heb het huis bereid en de plaats voor de kemels. Laban vertegenwoordigde gezin en personeel, die zich inspanden om de vreemdeling en zijn helpers een passend welkom te bereiden. 32 T oen kwam die man naar het huis toe, en men ontgordde de kemels; de zadels werden pas afgenomen als de kamelen voldoende waren afgekoeld; en men gaf de kemels stro en voeder; en water om zijn voeten te wassen en de voeten der mannen die bij hem waren. Het hoorde tot de normale gastvrijheid om vóór de maaltijd de stoffige voeten van reizigers te wassen.


33 D aarna werd hem te eten voorgezet; maar hij zeide, en week daarmee af van de gewoonte om eerst met elkaar te eten alvorens zaken te doen: Ik zal niet eten, totdat ik mijn woorden gesproken heb. En hij, Laban, zeide: Spreek.

Om over na te denken: Veel dingen kunnen wachten, maar sommige niet. Abrahams knecht was daar duidelijk in. Ongetwijfeld had hij honger en verlangde hij ernaar heerlijk in de schaduw uit te rusten. Maar de vraag die hij op zijn hart had, kon niet wachten. Hij was er inmiddels van overtuigd dat Rebekka de vrouw was die de Heere voor de zoon van zijn meester had uitgekozen, maar hij moest nu ook zeker weten dat zij het huwelijksaanzoek zou aannemen. Het hoeft trouwens geen betoog dat Rebekka en heel het gezin, die natuurlijk brandden van nieuwsgierigheid, best even wilden wachten met eten. Het voorbeeld van deze knecht herinnert ons aan onze eigen prioriteiten. Er zijn dagelijks zo veel dingen die onze aandacht vragen, dat één dag daar te kort voor is. Jij en ik moeten elke dag kiezen tussen wat nodig en wat niet nodig is. Eén ding mag echter nooit sneuvelen: de tijd en de aandacht die wij dagelijks besteden aan het zoeken van God, aan het bidden en aan het luisteren naar Zijn Woord. Zelfs Martha, echt wel een discipelin van de Heere, was hierin nalatig. Ze liet zich zo in beslag nemen door alles wat er voor de maaltijd nodig was, dat ze vergat dezelfde goede keus als haar zus Maria te maken: aan de voeten van Jezus te gaan zitten. Laat God nooit wachten totdat je alles gedaan hebt wat bij jou prioriteit heeft. Scheep Hem niet af met het overschot van je tijd. Wie Hem vroeg zoekt, luidt de belofte, zal Hem vinden. Dit kan niet wachten tot later. Je verhouding tot God is oneindig belangrijker dan je vrienden, je werk, school en andere aardse zaken. Lezen: Lukas 10:38-42

157


Genesis 24:34-48 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Het moment om te getuigen 34 Nu volgt wat wíj al wisten. Maar stel je voor dat we met Rebekka’s oren konden luisteren … wat moet dat relaas haar tot in het diepst van haar ziel geraakt hebben! Toen zeide hij: Ik ben Abrahams knecht. 35 En de Heere heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij groot geworden is; en Hij heeft hem gegeven schapen en runderen, en zilver en goud, en knechten en maagden, en kemels en ezels. Het mag ons niet ontgaan dat Abrahams knecht al de voorspoed en rijkdom van zijn heer toeschrijft aan God, Wie alle eer toekomt! 36 En Sara, de huisvrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon gebaard, nadat zij oud geworden was, zodat Izak ongeveer even oud was als Rebekka; en hij heeft hem gegeven alles wat hij heeft. Izak hoefde zich op financieel gebied geen zorgen voor de toekomst te maken. Kreeg Rebekka er nu misschien een vaag vermoeden van waarom deze man naar hen toe was gereisd? Indien niet, dan zou ze het weldra begrijpen. 37 En mijn heer heeft mij doen zweren, zeggende: Gij zult voor mijn zoon geen vrouw nemen van de dochteren der Kanaänieten, in welker land ik woon; 38 Maar gij zult trekken naar mijns vaders huis en naar mijn geslacht, of: familie, en zult voor mijn zoon een vrouw nemen. 39 Toen zeide ik tot mijn heer: Misschien zal mij die vrouw niet volgen. 40 En hij zeide tot mij: De Heere, voor Wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal Zijn engel met u zenden, en Hij zal uw weg voorspoedig maken, dat gij voor mijn zoon een vrouw neemt uit mijn geslacht en uit mijns vaders huis. 41 Dan zult gij van mijn eed rein zijn, wanneer gij tot mijn geslacht zult gegaan zijn; en indien zij haar u niet geven, zo zult gij rein zijn van mijn eed. 42 En ik kwam heden aan de fontein, en ik zeide: O Heere, God van mijn heer Abraham, zo Gij nu mijn weg voorspoedig maken zult op dewelke ik ga; 43 Z ie, ik sta bij de waterfontein; zo geschiede, dat de maagd, het ongerepte meisje, die uitkomen zal om te putten, en tot dewelke ik zeggen zal: Geef mij toch een weinig water te drinken uit uw kruik;


44 E n zij tot mij zal zeggen: Drink gij ook, en ik zal ook voor uw kemels putten; dat deze die vrouw zij, die de Heere aan de zoon van mijn heer heeft toegewezen. 45 E er ik geëindigd had te spreken in mijn hart, zie, zo kwam Rebekka uit en had haar kruik op haar schouder, en zij kwam af tot de fontein en putte; en ik zeide tot haar: Geef mij toch te drinken. 46 Z o haastte zij en liet haar kruik van zich neder en zeide: Drink gij, en ik zal ook uw kemels drenken; en ik dronk, en zij drenkte ook de kemels. 47 T oen vraagde ik haar en zeide: Wiens dochter zijt gij? En zij zeide: De dochter van Bethuël, de zoon van Nahor, welke Milka hem gebaard heeft. Zo legde ik het voorhoofdsiersel op haar aangezicht, en de armringen aan haar handen; 48 E n ik neigde mijn hoofd en aanbad de Heere; en ik loofde de Heere, de God van mijn heer Abraham, Die mij op de rechte weg geleid had om de dochter van de broeder van mijn heer voor zijn zoon te nemen.

Om over na te denken: Wat vormen deze verzen een heerlijk getuigenis: God leidt en zegent allen die Zijn leiding overal in benodigen en die hun vertrouwen op Hem stellen! Neem nooit belangrijke beslissingen, maak nooit keuzes, zonder te denken aan dit voorbeeld van iemand die het oog op de Heere gericht hield. Lezen: 1 Samuël 23:1-12

159


Genesis 24:49-52 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Alles komt van boven! 49 Wat Abrahams knecht vertelde over Gods leiding was zo eenvoudig en toch duidelijk, dat hij zelfs zijn grote verzoek niet hoefde te doen. De feiten spraken voor zichzelf. Niemand kon Gods leiding ontkennen. Daarom drong hij aan op hun reactie. Nu dan, zo gijlieden weldadigheid en trouw aan mijn heer doen zult, en in al deze sprekende feiten ook Gods hand erkent, geeft het mij te kennen; en zo niet, geeft het mij ook te kennen, opdat ik mij ter rechter- of ter linkerhand wende, om elders een vrouw voor de zoon van mijn meester te gaan zoeken. 50 Het was in die tijd gebruikelijk dat de vader en broers van het meisje de beslissing over een huwelijk namen. Maar hier viel voor hen niets meer te beslissen. Iedereen begreep dat de Heere gesproken had. Toen antwoordde Laban, en Bethuël, Rebekka’s vader, en zeiden: Van de Heere is deze zaak voortgekomen; wij kunnen kwaad noch goed tot u spreken, oftewel: er hoeft verder niets gezegd te worden. Hoewel ze persoonlijk hun dochter en zus misschien liever niet lieten gaan, onderwierpen ze zich aan de duidelijke leiding van de Heere. 51 Zie, Rebekka is voor uw aangezicht; neem haar en trek heen; zij zij de vrouw van de zoon uws heren, gelijk de Heere gesproken heeft. We lezen niet dat er naar Rebekka’s mening werd gevraagd. Maar het is overduidelijk dat dit ook niet hoefde! Want ook zij had de knecht horen vertellen hoe God geantwoord had op zijn gebed. En als God hem naar haar toe geleid had, zou Hij haar dan ook niet naar haar toekomstige echtgenoot leiden? 52 En het geschiedde als Abrahams knecht hun woorden hoorde, zo boog hij zich ter aarde voor de Heere. Nu alle betrokkenen hadden ingestemd met zijn verzoek, besefte de knecht dat God zijn reis met zegen bekroond had. Dankbaarheid vervulde zijn hart.


Om over na te denken: Niets gebeurt zómaar. Dat komt omdat Gods bestuur zich uitstrekt tot elk aspect van ons leven. De psalmzichter zong: ‘De Heere regeert’ – dat is een loflied waard! Het betekent ook, dat je alles waar je mee te maken krijgt, aan de Heere mag voorleggen. Alles, hoe klein of hoe groot! God bestuurt alles wat er met het musje op het dak van het huis gebeurt, maar ook de zon en de maan in hun baan. Op Zijn bevel staat de zon zelfs stil, zoals God dat na Jozua’s bede liet gebeuren (Joz. 10:12). Zou Rebekka om een man gebeden hebben? Ongetwijfeld, want ze bleek een godvrezende vrouw te zijn. Ze zal best weleens gekeken hebben naar de jongens die met haar opgroeiden, en intussen gewacht hebben op Gods tijd. Er verliepen de nodige jaren en ze had nog geen aanzoek gekregen – tot op die dag dat ze zo behulpzaam was voor een groep reizigers. Alles komt van boven, zeggen we vaak. En niet zomaar van boven, maar van de almachtige God, Die het heelal in Zijn handen houdt. Daarom hoor je al je noden en al je gebeden om dingen die Zijn Woord niet verbiedt, bij Hem te brengen. Iedere nood naar lichaam en naar ziel, ook je verlangen naar een levensgezel(lin), leg het voor Hém neer. Dat wil niet zeggen dat Hij alles geeft wat wij bidden. Misschien heeft het de soevereine God behaagd jou iets anders te geven; of jouw gebed te verhoren op een ander moment dan jij zou willen. Daarom moeten al onze gebeden eindigen met: ‘Uw wil geschiede’. Maar het gebed ontslaat ons niet van onze verantwoordelijkheid om de middelen te gebruiken. Integendeel, God verwacht van ons dat wij doen wat we kunnen om te ontvangen wat Hij beloofd heeft. Voor ons lichaam betekent dit: gezond eten, voldoende beweging nemen en ervoor zorgen dat we genoeg uren slaap krijgen. En onze sociale contacten met leeftijdgenoten moeten we zoeken in een verantwoorde omgeving. En wat het geestelijke betreft? De Bijbel lezen en bestuderen, en naar een kerk gaan waar we goed, Bijbels onderricht krijgen. Maar doe niets zonder gebed om Gods zegen! Je kon er weleens verbaasd over staan hoe God antwoord geeft. En … net zoals Rebekka, kun je nooit weten wat of wie God op jouw weg brengt. Lezen: Psalm 123

161


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 24:53

Bijbelgedeelte

enesis

De zoekende Vader 53 En de knecht langde voort zilveren kleinodiën en gouden kleinodiën en klederen, kledingstukken, en hij gaf ze Rebekka, als huwelijksgeschenken namens de vader van de bruidegom; gewoonlijk werden die overhandigd in het bijzijn van getuigen; hij gaf ook haar broeder en haar moeder kostelijkheden, als symbool van de zegen die Abraham zijn familie toebad. Die geschenken duidden trouwens ook op Abrahams rijkdom. Om over na te denken: Het ontroerende verhaal van Abrahams knecht die Rebekka zoekt en vindt, is een beeld van een nog veel mooiere werkelijkheid. Zoals Abraham zijn knecht op pad stuurde om een bruid voor zijn zoon Izak te zoeken, zo zoekt God de Vader onder de zondaars van deze wereld een bruid voor Zijn Zoon Jezus Christus. De bruid van Christus is Zijn Kerk – de zondaars die God verkoren heeft en die Hij trekt door de werking van Zijn Geest in hun harten, zodat zij Hem gaan volgen en liefhebben. God Die mensen zoals jij zoekt – heb je wel eens zó over God gedacht? Een almachtige, glorierijke Vader Die jou zoekt! En toch is dat precies wat Jezus zei tegen een erg zondige en verdrietige vrouw bij de bron in Samaria: ‘want de Vader zoekt ook dezulken die Hem alzo aanbidden’ (Joh. 4:23b). Lang voordat iemand naar God zoekt, is God al naar hem of haar op zoek, zoals een herder die op zoek is naar een verloren schaap. Hij zoekt jou als Hij spreekt in Zijn Woord, dat je hoort of leest. Hij noemt je naam: ‘Tot u, o mannen, roep Ik’ (Spr. 8:4). Ja, Hij sméékt: ‘Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet’ (Hebr. 3:7,8a). Hij bidt het je zelfs, door Paulus’ brieven, maar ook als je luistert naar de preken in de kerk: ‘… alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen’ (2 Kor. 5:20). Is dat geen wonder? Die grote God, Die het heelal in Zijn handen draagt, zoekt jou! Hij Die miljoenen melkwegstelsels uit het niets kan laten verschijnen, zoekt jou! Hij heeft niet onze ondergang op het oog, hoewel daar alle reden toe is: ‘Wij dwaalden


allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn [eigen] weg’ (Jes. 53:6). Integendeel! Hij is naar deze wereld gekomen om zondaars te zoeken en te redden. Jezus zei: ‘Want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden’ (Luk. 9:56). In plaats van ons te laten liggen in de toestand waarin wij onszelf gebracht hebben, of ons over te laten aan onze eigen verlangens, is God naar onze wereld gekomen om ons te zoeken. Net als Abrahams knecht uitkeek, zoeken Gods dienaars een bruid voor Christus! Luister je naar Zijn stem? Zoals Rebekka haar ouderlijk huis moest verlaten, roept God ons op te breken met onze zondige levenswandel en keuzes. Dat kan dus soms betekenen dat we een eind moeten maken aan een mooie relatie of vriendschap, namelijk als die ons verhinderen om gehoor te geven aan het roepen van de Heere. Misschien kun je niet geloven dat God inderdaad ook jóú zoekt. Rebekka was een goede en geschikte vrouw voor Izak, dat was duidelijk gebleken in haar leven. Maar jij vindt jezelf misschien juist níét geschikt. Zo’n zwak, instabiel, gevallen iemand, die zo vaak zondigt. Als er eentje ongeschikt en onwaardig is, ben jij het wel! En toch, hoewel je het moeilijk kunt geloven als je ziet wat voor een zondaar je bent, toch zoekt God jou, nu Zijn roep nog klinkt! Het overweldigende van Gods boodschap ligt in wat Abrahams knecht bij Rebekka deed: ze werd gekleed en getooid met de geschenken van Abraham. Zo kleedt God ook iedereen die Hij gaat zaligmaken, met de witte klederen van Christus’ gehoorzaamheid. Hij versiert, je mag ook zeggen: vernieuwt, met Zijn Heilige Geest allen die gehoorzamen aan Zijn oproep om met hun zonden te breken en op Hem te vertrouwen. Petrus preekte: ‘En wij zijn Zijn getuigen van deze woorden, en ook de Heilige Geest, Welke God gegeven heeft degenen die Hem gehoorzaam zijn’ (Hand. 5:32). Heb je ooit in Zijn Woord gelezen of het gehoord? Dan heb je Hem ook horen roepen! Heb je daar antwoord op gegeven, zoals Rebekka deed? Lezen: Spreuken 8:1-21

163


Genesis 24:54-59 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Uitstel is gevaarlijk 54 Eindelijk konden ze gaan eten en wat op verhaal komen. Maar of er wel zo veel gepraat zal zijn tijdens deze maaltijd? Wat er vandaag gebeurd was, betekende voor dit gezin een totaal onverwachte, radicale verandering. Het leven zou nooit meer hetzelfde zijn. Toen aten en dronken zij, hij en de mannen die bij hem waren, en zij vernachtten, of: rustten die nacht; en zij stonden des morgens op, en hij zeide: Laat mij trekken tot mijn heer. Abrahams knecht wilde zijn meester nu absoluut niet langer laten wachten. Maar deze familie vond het natuurlijk allemaal te snel gaan. Ze vroegen om wat meer tijd om het vertrek van Rebekka voor te bereiden: 55 Toen zeide haar broeder en haar moeder: Laat de jongedochter enige dagen of tien bij ons blijven; daarna zult gij gaan. 56 Maar hij zeide tot hen: Houdt mij niet op, dewijl de Heere mijn weg voorspoedig gemaakt heeft; laat mij trekken, dat ik tot mijn heer ga. De man moet buiten zichzelf van blijdschap geweest zijn over wat God gedaan had voor de zoon van zijn meester. Het leek hem niet goed het vertrek uit te stellen. 57 Toen zeiden zij: Laat ons de jongedochter roepen en haar mond vragen, vragen hoe zíj erover denkt. 58 En zij riepen Rebekka en zeiden tot haar: Zult gij met deze man trekken, dus nu onmiddellijk? En zij antwoordde: Ik zal trekken. Moedig en krachtig neemt zij haar besluit, maar vooral in de overtuiging naar Gods wil te handelen! 59 Toen lieten zij Rebekka, hun zuster, en haar voedster, Rebekka’s persoonlijke dienares, die haar voor altijd ter beschikking was gesteld, trekken, mitsgaders Abrahams knecht en zijn mannen. In vers 61 wordt meegedeeld dat Rebekka niet alleen haar voedster meekrijgt, maar ook nog andere dienaressen. Het maakt duidelijk dat ook Laban en de zijnen in grote welstand leefden.


Om over na te denken: De knecht liet er geen gras over groeien. Wellicht zag hij het gevaar van uitstel: Rebekka hield van haar familie en was sterk gehecht aan haar thuis en de omgeving. Uitstel maakte het alleen maar moeilijker om dit alles op te geven en met deze dienstknecht mee te reizen naar een echtgenoot die haar nog totaal onbekend was. Maar God had duidelijk gesproken. Misschien zal God jou nooit vragen ineens afscheid te nemen van je familie. Maar wat Hij je wél gebiedt, is te breken met al je zonden, vandáág nog. ‘Héden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet’ (Hebr. 3:7,8a) – ‘En gedenk aan uw Schepper in de dagen uwer jongelingschap, éér dat de kwade dagen komen en de jaren naderen van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve’ (Pred. 12:1) – ‘Komt dan [ook te lezen als: nú], en laat ons tezamen rechten, zegt de Heere; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol’ (Jes. 1:18). Heden – eer dat – nu! Wat drukt God je met klem op het hart dat uitstel gevaarlijk kan zijn, dodelijk zelfs! De vrouw van Lot treuzelde op haar vlucht uit Sodom, en ze kwam om net voordat ze in veiligheid waren. Noachs tijdgenoten kwamen te laat tot andere gedachten: toen was de deur van de ark al gesloten. Word jij ook zo iemand? Of leef je nú al zo? Ben je klaar voor de ontmoeting met je Maker? Kun je voor God bestaan als Hij je oproept? Kom nú, terwijl Ik nog met Mijn vrije genade nabij ben, zegt de Heere. Leef niet in onverschilligheid en ongeloof verder. Roep vandaag nog in de eenzaamheid tot de Heere God. Denk eraan dat alleen Jezus’ bloed reinigt van al je zonden, hoe ‘karmozijn’ of ‘scharlaken’ die ook zijn. Twijfel niet of ook jij wordt genodigd de toevlucht te nemen tot het werk van deze Hogepriester, want Zijn Woord zegt: ‘Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer’ (Jes. 45:22). Je kunt God niet ontmoeten zonder je zonden voor Hem te bewenen en zonder geloof in de Heere Jezus Christus, de enige Middelaar tussen God en jou. Maak er haast mee, want nú is Hij nog te vinden! Lezen: Jesaja 1:1-8

165


Genesis 24:60-67 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Stille tijd 60 En zij zegenden Rebekka en zeiden tot haar: O onze zuster, word gij tot duizenden miljoenen, en uw zaad bezitte de poort zijner haters. Hiermee wordt haar en haar nageslacht toegewenst: overwinning op of bescherming tegen de vijanden. 61 En Rebekka maakte zich op met haar jongedochters, en zij reden op kemels en volgden de man; en die knecht nam Rebekka en toog heen. Over die lange reis wordt verder niets verteld. Maar Rebekka zal de knecht vast wel veel gevraagd hebben over haar toekomstige echtgenoot. Als de ‘vriend van de bruidegom’ zal de knecht met veel respect over Izak en de familie gesproken hebben. 62 Izak nu kwam vanwaar men komt tot de put Lachai-Roï; en, of: want, hij woonde in het zuiderland. Dit was de put waar God Hagar opgezocht had toen ze wegvluchtte van Sarai. Óf Izak had daar zijn tent opgeslagen, óf hij was er om een bepaalde reden heengegaan. Maar nu is hij kennelijk op weg naar de tent van Abraham, ongetwijfeld nieuwsgierig om te horen of ze al iets vernomen hadden. Dat hij juist op dit moment terugkwam, was ongetwijfeld Gods hand. 63 En Izak was uitgegaan om te bidden, of: mediteren, in het veld, tegen het naken van de avond; en hij hief zijn ogen op en zag toe, en zie, de kemels kwamen. Izak was een man die God zocht in gebed en overdenking. Terwijl hun knecht op pad was met zijn belangrijke opdracht, zullen vader en zoon ongetwijfeld veel en ernstig in gebed geweest zijn. Op deze plaats waar hij God zocht, keek Izak op en herkende hij plotseling de kamelen van zijn vader. Alleen was de karavaan inmiddels groter dan toen ze vele weken eerder vertrokken! 64 Rebekka hief ook haar ogen op en zij zag Izak; en zij viel van de kemel af. Het Hebreeuws geeft aan dat ze snel van de kameel afgleed. Het werd in die tijd als beleefd gezien om voor de ontmoeting met een man van je dier af te stijgen. 65 En zij zeide tot de knecht: Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt? En de knecht zeide: Dat is mijn heer. Toen nam zij de sluier en bedekte zich. Deze sluier was veel langer dan een gezichtsbedekkende sluier. Door een lange sluier om gezicht en lichaam te wikkelen, gaf een vrouw blijk van respect


en fatsoen. Hoewel Rebekka een sterke en dappere persoonlijkheid was, kende ze haar plaats. Iedere vrouw kan zich spiegelen aan Rebekka. 66 E n de knecht vertelde Izak al de zaken die hij gedaan had. Nu al terug? Dan ook onmiddellijk vertellen hoe voorspoedig de Heere hem geleid had: Hij had zijn gebeden verhoord en hem deze bijzondere vrouw laten ontmoeten. 67 En Izak gaf blijk van fijngevoeligheid en bracht haar in de tent van zijn moeder Sara, een vrouwentent; en hij nam, na de gebruikelijke voorbereidingen voor een huwelijk, Rebekka en zij werd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Alzo werd Izak getroost na zijner moeders dood.

Om over na te denken: Izak was de velden in gelopen om te mediteren, zoals we het ook mogen lezen. Hij was graag even zonder mensen om zich heen. Hij wilde graag dat niets hem afleidde, zodat hij met God alleen kon zijn. Dat wordt in onze tijd steeds moeilijker. Ook als je je terugtrekt op jezelf, zal er wel een iPad, tablet of mobieltje binnen handbereik liggen. En prompt als jij even alleen wilt zijn, is er iemand die je een bericht stuurt. Mijn advies: Hou je sociale contacten goed onder controle! Veel snufjes zijn erg nuttig, maar vormen ook een groot gevaar. Ze kunnen je helemaal in hun macht krijgen, in plaats dat jij de baas blijft over de techniek. Of tiranniseren ze je al? Die dagelijkse momenten waarop je helemaal alleen met God kunt zijn, zullen aan het eind van je leven blijken gouden momenten te zijn geweest. Want satan ziet het liefst dat je al je tijd besteedt aan dingen die geen waarde hebben in het licht van de eeuwigheid. Schakel die iPad of dat mobieltje maar mooi even uit wanneer je stille tijd hebt. Izak werd niet afgeleid door dit soort snufjes. Toch had ook hij er behoefte aan zich even los te maken van alles wat er in gezinsverband gebeurde. Daarom trok hij de velden in, waar niemand hem zou afleiden van zijn omgang met God. Maak jij dagelijks eenzelfde soort keus als Izak? Lezen: Matthe端s 6:5-15

167


Genesis 24:61-66 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Een waarheid achter de waarheid 61 En Rebekka maakte zich op met haar jongedochters, en zij reden op kemels en volgden de man; en die knecht nam Rebekka en toog heen. 62 Izak nu kwam vanwaar men komt tot de put Lachai-Roï; en hij woonde in het zuiderland. 63 En Izak was uitgegaan om te bidden in het veld, tegen het naken van de avond; en hij hief zijn ogen op en zag toe, en zie, de kemels kwamen. 64 Rebekka hief ook haar ogen op en zij zag Izak; en zij viel van de kemel af. 65 En zij zeide tot de knecht: Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt? En de knecht zeide: Dat is mijn heer. Toen nam zij de sluier en bedekte zich. 66 En de knecht vertelde Izak al de zaken die hij gedaan had.

Om over na te denken: Nóg een keer aandacht voor deze slotverzen. Want achter alles wat verteld wordt over Abraham, Izak, de knecht en Rebekka, zit nog een andere, een diepere waarheid. Zoals Abraham een bruid zocht voor Izak, zo heeft God een bruid uitgekozen voor Zijn Zoon Jezus. Die bruid is Zijn verkoren volk, die als verloren mannen, vrouwen, meisjes en jongens in de wereld leven. Maar op Gods eigen tijd haalt hij hen uit de ‘tenten der goddeloosheid’ naar Zíjn huis, net zoals Rebekka. Gods Heilige Geest verandert harten zó krachtig, dat ze willen en kunnen breken met de zonden, en de Heere Jezus gaan volgen. Rebekka had nooit naar Izak gezocht, wist van zijn bestaan niet af. Zo is het ook met gevallen zondaars. God is altijd de Eerste. Alleen op grond van Zijn eenzijdige genadeverbond kwam Hij naar deze wereld en komt hij in het hart van mensen, om die weer met Hem te verenigen. Jezus noemde deze veranderingen: nieuwe geboorte, wedergeboorte, bekering en geloof.


Abrahams knecht is een type van de Heilige Geest, Die op Zijn beurt mensen als instrumenten gebruikt. Zoals de knecht Rebekka op haar tocht begeleidde, leidt de Geest iedere zondaar van het pad der zonde naar God toe. We veronderstellen dat Abrahams knecht aan Rebekka verteld heeft over Abraham en zijn zoon Izak. Maar dat hoeven we van de Heilige Geest niet te veronderstéllen. Dat staat vást: Hij stalt voor de ogen van Gods bruid de schoonheid en volheid van de Heere Jezus uit. Het is Zijn werk om in hun harten liefde voor God te wekken. En het is ook Zijn werk om het verlangen van een behoeftig zondaarshart te vervullen. Izak vertoont overeenkomst met de Bruidegom, de Heere Jezus. Wat ziet Hij verlangend uit naar het uiteindelijke huwelijk tussen Hem en Zijn kerk. Bij het verlaten van deze aarde zei Hij: ‘Ik ga heen om u plaats te bereiden’ (Joh. 14:2). En in het Hogepriesterlijk gebed: ‘Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen …’ (Joh. 17:24). We zagen ook al de overeenkomst tussen Rebekka en een ware gelovige. Denk nog eens aan die ingrijpende keus die zij maakte: ze verliet daadwerkelijk haar vader en moeder, en ging op reis naar een echtgenoot die ze nog nooit gezien had. Zo werkt de genade van God ook. Wanneer Zijn genade in jouw hart uitgestort wordt, ga je God liefkrijgen boven alles wat er bestaat. Dan vluchten we niet alleen weg van iedere zonde, maar moeten er soms ook vriendschaps- of zelfs familiebanden worden doorgesneden, omdat ze ons hinderen de Heere Jezus te volgen. Wat klinkt vaak de stem van God in je oren: ‘Mijn zoon [Mijn dochter], geef Mij je hart.’ God smeekt je door Zijn Woord: ‘Laat je met God verzoenen.’ Hij beveelt ons te breken met de zonde, en in geloof tot Hem terug te keren. Door Zijn Heilige Geest worstelt Hij met jouw ziel. Je hoort toch wel je geweten spreken? En de waarschuwingen van je ouders en anderen? Lijk jij op Rebekka? Werd God dierbaar voor je en Zijn Zoon onmisbaar? Volg je Hem? Nee? Dan loop je nog steeds achter de verkeerde persoon en verkeerde dingen aan! David waarschuwde: ‘De goddeloze heeft vele smarten; maar die op de Heere vertrouwt [of: Hem volgt], die zal de goedertierenheid omringen [of: omgeven]’ (Ps. 32:10). Lezen: Lukas 14:25-33

169


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 25:1-6

Bijbelgedeelte

enesis

Blijven verwachten 1 En Abraham voer voort en nam een vrouw wier naam was Ketûra. Een van de weinige dingen die we over Ketûra weten, is dat zij Abrahams ‘bijvrouw’ is genoemd (1 Kron. 1:32). Het ligt voor de hand dat ze al jaren in dit stamverband had geleefd en dat Abraham met haar trouwde na de dood van Sara. Als bijvrouw zou ze niet delen in de erfenis, die voor Izak bestemd was. 2 En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah. Over deze stammen weten we weinig; wellicht zijn ze door de jaren heen opgegaan in Arabische volkeren. Uit enkele van deze zonen zijn grote stammen en volkeren voortgekomen, zoals God beloofd had. 3 En Joksan gewon Scheba en Dedan; en de zonen van Dedan waren Assurim en Letusim en Leümmim. De uitgang ‘im’ in het Hebreeuws slaat op een meervoud. Wij zouden spreken over: Assurieten, Letusieten en Leümmieten. 4 En de zonen van Midian waren Efa en Efer, en Henoch en Abida en Eldaä. Deze allen waren zonen van Ketûra. Er is vrijwel niets bekend over deze zoons en hun nageslacht. Alleen de Midianieten komen we vaak tegen in de geschiedenis van Israël. Mozes leefde enige tijd in hun midden als herder. 5 Doch Abraham gaf Izak al wat hij had. Abraham was zo verstandig om al zijn kinderen te laten weten dat het beloofde land voor Izak zou zijn, samen met vrijwel geheel Abrahams bezit. 6 Maar de zonen der bijwijven die Abraham had, gaf Abraham geschenken, genoeg vee en goederen om een eigen stamverband te stichten; en zond hen weg van zijn zoon Izak, terwijl hij nog leefde, oostwaarts, naar het land van het oosten. En daarvandaan zullen ze, door de eeuwen heen, zich naar het noorden of zuiden verspreid hebben.


Om over na te denken: Vele jaren geleden, toen Abraham negentig was, had God hem een bijzondere belofte gedaan: ‘en gij zult tot een vader van menigte der volken worden’ (Gen. 17:4). Uit dit hoofdstuk 25 blijkt dat God Zijn belofte vervuld heeft. De belangrijkste reden waarom deze geslachtsregisters ons gegeven zijn, is om ons eraan te herinneren: God is trouw en Hij houdt Zijn Woord! Worstel jij misschien met deze waarheid? Je hebt gezocht, je hebt gebeden – en nog steeds heb je geen antwoord. Al zo vaak heb je Gods belofte gelezen: ‘Zoekt, en gij zult vinden.’ Hoewel je zoekt, heb je niet gevonden. Al biddend herinner je de Heere aan Zijn belofte: ‘En roep Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren’ (Ps. 50:15). Maar, zul je zeggen, er gebeurt niets. Ik krijg geen antwoord. Nog steeds ben ik aan het zoeken, nog steeds voel ik dat gemis. En mijn situatie lijkt hoe langer hoe moeilijker te worden. Eerlijk gezegd begin ik te twijfelen aan God en Zijn Woord – ik word ermee aangevochten om alles maar als een ‘hersenschim’ te beschouwen en niet als waarheid. Wat moet ik nou toch doen? Wees er allereerst van overtuigd dat je niet de eerste bent die hiermee worstelt. Niets is moeilijker dan God te vertrouwen terwijl Hij zo ver weg lijkt of zwijgt. Hoe veel jaren heeft Abraham zo niet moeten leven! En na al die jaren wachten kreeg hij ten slotte één zoon, Izak. Meer kinderen werden er uit hem en Sara niet geboren. Ten slotte stierf Sara. Hoe moest het nu met die belofte dat hij een vader van véle volkeren zou worden? Abraham is toen opnieuw getrouwd. En uiteindelijk maakte God Zijn belofte helemaal waar. Het had lang geduurd, maar de belofte werd vervuld. God blijft trouw! Blijf God maar je noden in het gebed voorleggen. Hoewel er vele redenen zijn om aan onze eigen oprechtheid te twijfelen, is er nooit reden om te twijfelen aan Zíjn oprechtheid. God blijft trouw, al hebben wij dat absoluut net verdiend. Wanneer je al biddend op God wacht, mag je goede hoop hebben. Hij beschaamt nooit iemand die het van Hem verwacht. Lezen: Psalm 27

171


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 25:7-18

Bijbelgedeelte

enesis

Eeuwigheid zonder einde  7 Dit nu zijn de dagen der jaren des levens van Abraham, dewelke hij geleefd heeft: honderd vijf en zeventig jaren. Toen Abraham stierf waren Jakob en Ezau al 15.  8 En Abraham gaf de geest, alsof hij zijn ziel uitblies, en stierf in goede ouderdom, oud en des levens zat (maar wat jong vergeleken met de mensen die vóór de zondvloed leefden); en hij werd tot zijn volken verzameld; dit onderstreept dat er een voortbestaan ná dit leven is, in hemel of hel.  9 En Izak, nu 75 jaar, en Ismaël, nu 90 jaar, zijn zonen, die zich blijkbaar met elkaar verzoend hadden, begroeven hem in de spelonk van Machpela, in de akker van Efron, de zoon van Zohar, de Hethiet, dewelke tegenover Mamre is; 10 In de akker die Abraham van de zonen van Heth gekocht had; daar is Abraham begraven en Sara, zijn huisvrouw. 11 En het geschiedde na Abrahams dood, dat God Izak, zijn zoon, zegende; en Izak woonde bij de put Lachai-Roï; de plaats waar de engel des Heeren aan Hagar verscheen. 12 Dit nu zijn de geboorten van Ismaël, de zoon van Abraham, die Hagar, de Egyptische dienstmaagd van Sara, Abraham gebaard heeft; deze korte opsomming van namen is toegevoegd om te onderstrepen dat de Heere trouw is geweest in het vervullen van Zijn beloften aan Hagar; 13 En dit zijn de namen der zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten: de eerstgeborene van Ismaël Nebajoth; daarna Kedar, en Adbeël, en Mibsam, 14 En Misma, en Duma, en Massa, 15 Hadar en Thema, Jetur, Nafis en Kedma. 16 Dit zijn de zonen van Ismaël, en dit zijn hun namen, in hun dorpen en paleizen, twaalf vorsten naar hun volken. Toen Abraham stierf waren al de zonen van Ismaël inmiddels invloedrijke mannen in hun eigen woongebied, zoals God beloofd had (Gen. 17:20). Waar zij precies woonden, is onzeker, maar over het


algemeen hadden zij zich gevestigd in de noordelijke regio’s van Arabië, aan de belangrijkste karavaanroutes tussen Egypte en Assyrië (vers 18). 17 E n dit zijn de jaren des levens van Ismaël: honderd zeven en dertig jaren (hij stierf dus 58 jaar vóór Izak); en hij gaf de geest en stierf, en hij werd verzameld tot zijn volken. Hoewel dezelfde uitdrukking ook bij Abraham gebruikt werd, weten wij niet of Ismaël hetzelfde ware geloof bezat als zijn vader Abraham. God kent de Zijnen. 18 E n zij woonden van Havila (dat betekent: zanderig) tot Sur toe, hetwelk tegenover Egypte is, waar gij gaat naar Assur; dus langs de meest gebruikte handelsroutes tussen Egypte en Assyrië; hij heeft zich nedergeslagen, of: is gestorven, voor het aangezicht van al zijn broederen. Deze uitdrukking kan worden vertaald met: ‘gestorven’, maar kan ook betekenen dat ‘hij zich heeft gevestigd (nedergeslagen, SV) ten oosten van al zijn broeders’, zoals voorspeld in Genesis 16:12: ‘en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen.’

Om over na te denken: Eeuwigheid! De eeuwigheid is een bestaan zonder einde na ons korte verblijf op deze aarde. Zodra we de drempel tussen ons leven en het tijdloze leven-na-dit-leven zijn overgestapt, kunnen we nooit meer iets overdoen. Bekijk jij alle dingen door de goede lens: vrienden, populariteit, vakantie, en ook het leven zélf? Als je naar deze aardse dingen tuurt door de ‘lens van de eeuwigheid’, vallen er een heleboel dingen weg waar je je nu zo druk over maakt, zoals: Zit m’n haar goed? Is het ‘in’ wat ik draag? En nog een heleboel andere onbetekenende dingen. Dingen waar we meestal veel te veel tijd aan besteden en die ons afleiden van het ene nodige. Er was eens een man die al op jonge leeftijd bad: ‘Graveer de eeuwigheid op mijn oogbol.’ Maak die bede tot de jouwe! Lezen: Psalm 90

173


Genesis 25:19-23 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Laat God toch God! 19 Dit nu zijn de geboorten, of: de stamboom, van Izak, de zoon van Abraham: Abraham gewon Izak. 20 En Izak was veertig jaar oud als hij Rebekka, de dochter van Bethuël de Syriër, uit Paddan-Aram, de zuster van Laban de Syriër, zich ter vrouw nam. 21 En Izak bad de Heere zeer, in de tegenwoordigheid van zijn huisvrouw, want zij was onvruchtbaar, kreeg geen kinderen; en dat duurde nu al twintig jaar (Gen. 25:26), en de Heere liet Zich van hem verbidden, verhoorde uit genade hun vurige gebeden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd. Deze onvruchtbaarheid was een geloofsbeproeving, want de geboorte van het beloofde Zaad was ermee gemoeid. Het was Gód Die het zo beschikte, om hen eraan te herinneren dat alleen door Zijn hand de beloften vervuld worden. Een mens staat hier machteloos. 22 En Rebekka merkte tijdens haar zwangerschap iets ongewoons: de kinderen stieten zich tezamen in haar lijf. Toen zeide zij: Is het zo? Waarom ben ik dus? De bewegingen die zij voelde, maakten haar onrustig; het leek alsof er in haar baarmoeder gevochten werd; dat móést wel iets te betekenen hebben. En zij ging om de Heere te vragen; ze legde het in gebed aan de Heere voor, want haar man, haar voedster of andere moeders hadden geen verklaring voor die ongebruikelijke activiteit in haar baarmoeder. 23 En de Heere zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand vaneen scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk, en de meerdere zal de mindere dienen. Met andere woorden, de krachtmeting die al aan de gang was tussen de twee kinderen, zou voortgezet worden door hun nakomelingen. Maar de Heere liet nu al weten dat de jongere zoon winnaar zou worden in dit onderlinge gevecht. De jongere zoon zou de erfgenaam worden van de zegen waarmee God Abraham en Izak had gezegend; hij zou ook de zoon worden via welke de Heere de belofte van de komende Zaligmaker zou vervullen. Ongetwijfeld heeft Rebekka dit belangrijke antwoord van God aan haar man Izak doorgegeven.


Om over na te denken: Een van Gods aanbiddelijke deugden is Zijn soevereiniteit. Het betekent dat Hij vrij is in al Zijn beslissingen en keuzes. Hij is aan ons geen verklaring schuldig over het hoe en waarom. Vat dat nu niet op alsof Hij geen heel goede redenen heeft voor wat Hij doet. Toen God Jakob vóór Ezau stelde en Izak vóór Ismaël, was dat Zijn vrije keus. Wij hebben niet altijd oog voor het waarom van Gods keuzes. Als we later lezen over de twee zoons van Rebekka, vinden wij misschien wel dat God de voorkeur had moeten geven aan Ezau in plaats van aan Jakob. Maar dat soort gedachten moet je bestrijden. Als je in die richting gaat denken, wil je wijzer zijn dan God, Die soeverein is. We zullen zien dat zelfs Izak zulke gedachten koesterde toen de jongens groter werden. Hij gaf ruimte aan zijn eigen gedachten en wensen. En het resultaat? Heel veel ellende in zijn gezin! Stel jezelf altijd de vraag, vooral als Gods weg met jou verschilt van Zijn leiding in het leven van een heleboel anderen: ‘Wie ben ik, dat ik tegen Gods wil in zou gaan; of dat ik Zijn vrijheid, en wijsheid in twijfel trek? Heb ik ook maar enig recht om God ter verantwoording te roepen voor Zijn heilig beleid? Is er iemand die net zo wijs, goed en machtig is als mijn Schepper? Heeft Hij niet altijd het recht om te doen wat Hij wil, in de hemel en op de aarde?’ Jij en ik mogen nooit vergeten wat Paulus in Romeinen 9:20a vraagt: ‘Wie zijt gij, die tegen God antwoordt [protesteert]?’ Wie denk je wel dat je bent? Jij, die door de Grote Pottenbakker gemaakt bent, kun jij soms beoordelen of Hij dat goed en wijs gedaan heeft? ‘Wees stil en weet dat Ik God ben.’ Lezen: Romeinen 9:9-21

175


Genesis 25:24-27 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

De sportman 24 Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, zie, zo waren tweelingen in haar buik. 25 En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed; daarom noemden zij zijn naam Ezau, wat ‘harig’ betekent. Hij zag er anders uit dan andere baby’s; misschien was dat al een aanwijzing dat hij een ruig man zou worden. 26 En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezaus verzenen hield; bij de geboorte van een tweeling zit er meestal enige tijd tussen het ene en het andere kind. Maar toen Ezau geboren werd, kwam Jakob er direct achteraan; hij hield Ezau bij de hiel; daarom noemde men zijn naam Jakob; dat betekent: ‘hielvatter’ en het is karakteristiek voor Jakobs pogingen om Ezau de baas te worden. En Izak was zestig jaar oud, als hij hen gewon. 27 Als nu deze jongens groot werden, werd Ezau een man verstandig, of: kundig, op de jacht, een veldman; hij doolde liever in het wild dan te zorgen voor de grote kudden; maar Jakob werd een oprecht man, een man met vreedzame gewoontes, wonende in tenten; hij concentreerde zich op de taken die van een veehouder verwacht worden.

Om over na te denken: Veel mensen zijn net als Izak: ze vinden de jachtsuccessen van een Ezau veel interessanter dan het burgerlijke leven dat iemand als Jakob leidt. Maar de feiten met betrekking tot Ezau liegen er niet om. Ezau was geen kind van God. Je zou hem een geslaagd sportman kunnen noemen, die zich niet druk maakte om zijn verhouding tot God of mensen. Hij dwaalde liever door de heuvels om wild te besluipen dan dat hij het werk deed dat hij hoorde te doen. Ezau hield van uitdaging, activiteit, verandering, en vooral: vrijheid. Gewaagde confrontaties met wilde dieren, daar ging hij in op. Hij zal ongetwijfeld uitstekend


hebben kunnen jagen. Maar hij werd zélf prooi. Hebreeën 12:16 noemt Ezau een ‘hoereerder’ en ‘onheilige’. Een hoereerder maakt zich schuldig aan seksuele zonden; een onheilige heeft geen ontzag voor God en Zijn heilige wetten. Er gaat een duidelijke waarschuwing uit van deze beschrijving: als je ergens helemaal in opgaat, zal het je uiteindelijk in z’n macht hebben. Succes heeft een verblindende en bindende kracht. Het is vaak een hellend vlak naar zondig gedrag. Zoals het toen ging met Ezau, zo gaat het nu nog: succesvolle sportmensen zijn in de ogen van velen de helden. Maar als je eens verder kijkt dan hun trofeeën, zie je de meesten van hen wegzakken in een moeras van ellende: drugs, uitspattingen, afgunst, eenzaamheid, oppervlakkigheid, geweld, misdaad – en vaak een voortijdige dood. Dus kijk nog eens goed wie jouw helden zijn. Welke mannen en vrouwen bewonder jij? Wie zie jij zo graag in de schijnwerpers van de wereld staan? Misschien ken je hun namen en weet je alles over hen. Maar is een gouden of een zilveren medaille nu echt aan hen besteed? Sportmensen kunnen een prestatie leveren. Maar wat betekenen ze, in het algemeen, nu echt voor de mensheid? Het spekt je kas als je het beste renpaard van de stad in bedwang weet te houden; maar daar heeft een hongerige maag weinig aan. Als je gewaagde sprongen van een rotspunt maakt, komt dat met vette koppen op de sportpagina; maar het betekent geen oplossing voor de mensen in die andere koppen: ‘Armoede in Haïti verdriedubbeld’, of: ‘Afrika’’s weeskinderen’. Is het dan verkeerd om aan sport te doen of op jacht te gaan? Moeten we altijd maar serieus bezig zijn, altijd aan het werk? Het antwoord op beide vragen is ‘nee’. Sport is een goede lichamelijke inspanning, het kan je geest ontspannen en je kunt er heerlijk van genieten. En van sporten met een groepje leer je in teamverband te werken. Na een spannend potje ga je vaak met frisse moed weer aan je werk. En goede, gezonde ontspanning verrijkt je leven. Maar als die dingen je af gaan leiden van je gewone werk, als al je energie eraan opgaat, als het tot een afgod wordt, dan is het alleen maar zonde en leegte. Lezen: Prediker 1:12-18

177


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 25:27

Bijbelgedeelte

enesis

Eerlijk werk 27 Als nu deze jongens groot werden, werd Ezau een man verstandig, of: kundig, op de jacht, een veldman; maar Jakob werd een oprecht man, een man met vreedzame gewoontes, wonende in tenten; hij concentreerde zich op de taken die van een veehouder verwacht worden. Dit Hebreeuwse woord ‘oprecht’ wordt ook gebruikt voor Job, een man ‘oprecht en vroom en godvrezende en wijkende van het kwaad’ (Job 1:8). Het kan ook nog betekenen: ‘gerijpt, volwassen’.

Om over na te denken: Ezau was in zijn dagen de gevierde jager! Als hij in onze tijd leefde, zou hij een indrukwekkende prijzenkast aan de muur hebben hangen, want hij wordt beschreven als een kei in het jagen. Maar laat je niet imponeren: Ezau kreeg geen plaats in Gods galerij van geloofshelden, in Hebreeën 11. Heel Gods Boek door wordt hij alleen in negatieve zin genoemd. Hoewel hij in zijn tijd befaamd was, leefde en stierf hij gescheiden van God. Op Jakobs leven heeft de Geest echter een goedkeurend stempel gezet. De uitdrukking ‘oprecht man’ betreft niet zijn manier van leven, maar slaat op zijn inborst. Zijn leven was gevuld met de taken die bij zijn beroep van veehouder hoorden. Zoals hierboven al gezegd, kun je ‘oprecht man’ ook vertalen met: ‘volwassen man’. Anders dan zijn vleselijk gezinde en onvolwassen broer, leidde Jakob het leven van een gerijpt, volwassen man, meer gericht op zijn levenstaken dan op vermaak. We krijgen de indruk dat Jakob al jong de geestelijke dingen serieus nam. Van zijn ouders had hij gehoord dat God een heilige verbondsrelatie was aangegaan met zijn grootvader Abraham en diens nageslacht. Sterker nog, Jakob zal dat ongetwijfeld uit Abrahams eigen mond gehoord hebben, want Ezau en Jakob waren al vijftien toen hun grootvader Abraham overleed. Jakob besefte dat uit dit privilege geestelijke verplichtingen voortvloeiden. Vandaar


ook dat hij zich serieus wijdde aan het werk dat in dit stamverband gedaan moest worden. Waarschijnlijk deelde Jakob al jong de levenshouding en het geloof van Abraham en Izak (Hebr. 11:9). Maar je vergist je als je denkt dat Jakob een saaie kerel was, of een saai leven leidde. Maar al te vaak wordt gedacht dat een serieus iemand een zwartkijker of spelbreker is. Niets is minder waar. Als je ernst maakt met je verhouding tot God, met je levenstaak en met de verplichtingen richting je medemensen, leidt dat tot diepe vreugde. Hoe komt dat? Stel je eens voor dat je handen dienst weigeren. Dan kun je je bestek niet meer hanteren of een beker drinken pakken. Je kunt jezelf niet aankleden en je kunt geen berichtje aan vrienden versturen. Hoe zou je je daarbij voelen? Zou je dat een geweldig leven vinden? Zo ligt het ook met het grote doel van ons leven. God heeft ons geschapen om voor Hem en onze medemensen te leven in plaats van voor onszelf. Alleen maar jezelf bedoelen, misschien wel in een geweldig avontuurlijk leven, geeft nooit blijvende voldoening. Het kan zijn dat je schoppen met geld verdient, allerlei prijzen wint, nieuwe records vestigt en geniet tot in de toppen van je vingers –uiteindelijk dorst je nog steeds naar méér. Het gebod van God is duidelijk: ‘Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te delen degene die nood heeft’ (Ef. 4:28). Later zou Paulus daaraan toevoegen: ‘Doch de zodanigen bevelen en vermanen wij door onze Heere Jezus Christus, dat zij met stilheid werkende, hun eigen brood eten’ (2 Thess. 3:12). Eerlijk, ijverig, trouw en fatsoenlijk je werk doen, brengt zijn eigen zegen mee. Maar sla ook daarin niet door. Er zijn mensen die leven om te werken, in plaats dat zij werken om te leven! Ook dát geeft geen blijvende bevrediging en ook dát is zondig. Wat is het belangrijk om in alles de juiste balans te vinden en het goede doel in het oog te houden. Lezen: Prediker 2:1-11; 18-26

179


Genesis 25:28-34 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Onverschilligheid 28 En Izak had Ezau lief, want het wildbraad was naar zijn mond; maar Rebekka had Jakob lief. Misschien omdat Izak zelf een wat lijdelijk karakter had, zal hij die ruige manier van leven van Ezau eigenlijk wel mooi gevonden hebben; en hij was dol op de wildschotels die Ezau voor hem klaarmaakte. Die duidelijke zwakte bij Izak duidt op een achteruitgang in zijn geestelijk leven. Rebekka trok echter juist op Jakob aan, omdat deze hardwerkende en plichtsgetrouwe zoon meer besef had van de geestelijke aspecten van zijn levensroeping. Deze trek in Jakobs hart was een vrucht van Gods genade. 29 En Jakob had een kooksel gekookt, een pan linzen; en Ezau kwam uit het veld en was moede en hongerig. Toen hij de onweerstaanbare geur van Jakobs kooksel rook, kon hij zijn geweldige honger niet langer onderdrukken: 30 En Ezau zeide tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moede; daarom heeft men zijn naam genoemd Edom. Dit is er bijgevoegd omdat Edom betekent: ‘rood’; zo stonden hij en zijn nakomelingen bekend. 31 Toen zeide Jakob: Verkoop mij op deze dag uw eerstgeboorte; of: Geef mij het recht op de zegen voor de eerstgeboren zoon. Op grond van zijn geboorte kwam die zegen aan Ezau toe. Maar op grond van wat God tegen Rebekka gezegd had toen zij zwanger was, zou die zegen voor Jakob zijn. Sommigen denken dat Jakob zijn opmerking meer als grap bedoelde dan als werkelijk verzoek, maar hoe dan ook, Ezau laat merken dat hij geen belang hecht aan de bijzondere zegen die verbonden was aan het eerstgeboorterecht. 32 En Ezau zeide: Zie, ik ga sterven; dit hoeft niet te betekenen dat hij op het punt stond van honger te bezwijken; maar wellicht gaf hij hiermee toe dat hij met zijn gevaarlijke manier van leven vaak op het randje van de afgrond balanceerde; en waartoe mij dan de eerstgeboorte? Het is schokkend dat hij niet hecht aan die geestelijke voordelen of zegeningen. Staan in de uitverkoren linie waaruit ooit de Zaligmaker geboren zou worden, betekende voor hem niet méér dan een schotel heerlijk eten. 33 Toen zeide Jakob: Zweer mij op deze dag, om de overdracht van het eerst-


geboorterecht te bevestigen; en hij zwoer hem; en hij verkocht Jakob zijn eerstgeboorte. Laten we niet vergeten dat de hele transactie ongeldig was. Jakob probeerde iets te kopen wat al voor hem was, terwijl Ezau een eerstgeboorterecht verkocht dat hem niet toekwam. 34 E n Jakob gaf Ezau brood en het linzenkooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen; alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte. Dat Mozes het gedrag van Ezau zó beschrijft, maakt duidelijk dat Ezau geen enkel belang hechtte aan geestelijke zegeningen voor dit leven en het toekomende. Als zijn maag maar gevuld was, lag hij verder nergens meer van wakker. Terecht wordt hij beschreven als een goddeloos, oneerbiedig man, ‘die om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf’ (Hebr. 12:16).

Om over na te denken: ‘Dat kan me niks schelen. Ik maak me alleen maar druk om …’ Te vaak wordt dit gezegd of gedacht. Zullen we het een ‘Ezau’s houding’ noemen? Gods Woord stelt zich duidelijk tegen deze onverschillige, harteloze manier waarop mensen met hun geestelijke privileges omgaan. Helaas treffen we die Ezau’s houding onder ons zo vaak aan. Niemand is er zo rijk gezegend met voorrechten als christenen. Want wat daalt God laag af: door Woord en Geest zoekt Hij, smeekt Hij, nodigt Hij en beveelt Hij ons de weg naar het leven te bewandelen. Vaak voel je de verleiding om te doen wat je gevoel je ingeeft, zoals Ezau deed. Bij een van de ingrijpendste keuzes van zijn leven was zijn maag z’n raadgever. Het gevoel is een prachtig stukje van ons wezen; maar God heeft nooit bedoeld dat wij ons door ons gevoel zouden laten leiden. Nee, dat is de taak van ons verstand. Bedenk altijd wat een keuze te betekenen heeft voor de lange termijn. Denk goed na waar de stap die je weldra zet, je uiteindelijk brengt. Ezau heeft spijt gekregen van dat ene moment. Maar zijn eed kon hij nooit meer herroepen. En het kwam allemaal doordat ‘het hem niet kon schelen …’ Lezen: Hebreeën 12:1-17

181


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 26:1-5

Bijbelgedeelte

enesis

Lusten en lasten 1 En er was honger in dat land, behalve de eerste honger, die in de dagen van Abraham geweest was, zo’n honderd jaar geleden. Dit bewijst dat over het algemeen Kanaän werkelijk een heel goed land was om in te wonen; daarom, omdat deze droogte een zware beproeving zou betekenen voor veehouders, toog Izak tot Abimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar. Dit lag aan zee, aan de weg naar Egypte. Izak wilde dus uitwijken naar hetzelfde gebied als vele jaren eerder zijn vader Abraham. Maar een nachtelijke verschijning van de Heere weerhield hem. 2 En de Heere verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land dat Ik u aanzeggen zal; 3 Woon, of: verblijf, als vreemdeling in dit land, en Ik zal met u zijn en zal u zegenen; want u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal de eed bevestigen die Ik Abraham, uw vader, gezworen heb. 4 En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren des hemels, en zal uw zaad al deze landen geven; en in uw Zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, een verwijzing naar de komende Messias, Jezus Christus. 5 Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten. Wat God belooft, is altijd helemaal genade. Toch noemt Hij hier de trouw en gehoorzaamheid van Abraham. Wij kunnen ons nooit iets waardig maken, maar God zegent wel de gehoorzaamheid aan Zijn wil, zoals Hij die in Zijn Woord geopenbaard heeft.

Om over na te denken: Izak moest op zoek naar goede weidegrond, vanwege de nijpende honger. Hij zal zich wel afgevraagd hebben wat God hiermee voorhad. In dit hoofdstuk volgen wij hem op zijn tocht. En dan zal blijken dat Izak dankzij deze beproeving God beter


leerde kennen, maar ook zichzelf. Let er allereerst op dat de Heere hem belette om de verkeerde bestemming te kiezen: Egypte. God wist het beste waar Izak heen moest om te kunnen overleven. ‘Lusten en lasten’ – die horen toch niet bij elkaar? Je krijgt liever een cadeau dan een lastige opdracht; een goede oogst is welkom, maar een hongersnood niet. We zijn allemaal liever blij dan dat we ergens onder gebukt gaan. En toch gebruikt God vaak eerder het lijden dan blijdschap om ons een heilzame les te leren. Ik zou wel een blad vol kunnen schrijven met uitspraken van mensen die geleerd hebben dat beproevingen voor ons bestwil zijn en niet om ons te verbitteren. Je zou beproevingen die God zendt, kunnen vergelijken met herdershonden. Herdershonden zorgen er al blaffend voor dat dieren terugkomen bij de kudde en bij de herder. Want zo makkelijk verliezen we het juiste doel uit het oog, en dan komen we terecht op dwaalwegen die onze dood kunnen betekenen. Reken er maar op dat ook jij te maken zult krijgen met beproevingen, óf in je jeugd, óf later. Niemand ontkomt aan de gevolgen van de zonde, die ons soms al in dit leven als een kruis worden opgelegd. De een tobt met zijn gezondheid, een ander verliest familie of vrienden, een derde krijgt te maken met geweld of misbruik, weer een ander voelt een scheur door haar hart gaan omdat haar ouders gaan scheiden, en hoeveel mensen zijn er niet op de vlucht door oorlogsomstandigheden. Wat is het in zulke situaties een grote verleiding om ons maar over te geven aan de zonde of te proberen iedere gedachte aan God van ons af te schudden. Velen hebben dat gedaan en zijn heel ver van God en Zijn dienst afgedwaald. Maar dat is geen oplossing. Je van God afkeren en Zijn geboden in de wind slaan brengt alleen maar méér ellende. Ik wil je aansporen om God juist des te ijveriger te zoeken! Hij legt ons geen kruis op om ons te ontmoedigen, maar juist om ons te vormen, ons op het rechte pad te brengen en bloot te leggen wat er in ons leven fout gaat – want Hij heeft dat allang gezien. Als het nacht is, zien we pas de sterren. Zo zien we door zorgen en verdriet vaak pas de diepste werkelijkheden van het leven: God, je zonden en de noodzaak om Christus te kennen. Lezen: Jakobus 4:6-10

183


Genesi Brug naar

Brug naar Genesis

Brug naar

Genesis 26:6-11

Bijbelgedeelte

enesis

Christenen hebben gebreken  6 Alzo woonde Izak te Gerar, in gehoorzaamheid aan Gods opdracht.  7 En als de mannen van die plaats hem vraagden van zijn huisvrouw, die nu ongeveer zestig jaar was, maar nog steeds een heel bekoorlijke vrouw, zeide hij: Zij is mijn zuster; want hij vreesde te zeggen: Mijn huisvrouw; opdat mij misschien, zeide hij, de mannen dezer plaats niet doden om Rebekka; want zij was schoon van aangezicht. Deze leugen leek een hele tijd te werken. Over Ezau en Jakob wordt hier niets vermeld, dus de gebeurtenis zal wellicht hebben plaatsgevonden vóór hun geboorte. Als er kinderen gelopen hadden, was het natuurlijk wel erg moeilijk geworden om te camoufleren dat Rebekka getrouwd was.  8 En het geschiedde als hij een lange tijd daar geweest was, dat Abimelech, de koning der Filistijnen, ten venster uitkeek; en hij zag, dat, zie, Izak was jokkende met Rebekka, zijn huisvrouw; zij hadden lichamelijk contact op een manier die God alleen voor getrouwden heeft bedoeld.  9 Toen riep Abimelech Izak en zeide: Voorwaar, zie, zij is uw huisvrouw; anders gezegd: ‘Nu weet ik het pas: u bent met haar getrouwd!’ hoe hebt gij dan gezegd: Zij is mijn zuster? En Izak zeide tot hem: Want ik zeide: Dat ik niet misschien om harentwil sterve. Hiermee gaf Izak toe dat zijn vertrouwen op Gods bescherming in hun tijdelijke woonplaats zwakker was dan zijn angst voor Abimelech en de Filistijnen. 10 En Abimelech zeide: Wat is dit, dat gij ons gedaan hebt? Lichtelijk had een van dit volk bij uw huisvrouw gelegen, zodat gij een schuld over ons zoudt gebracht hebben; want dat zou overspel geweest zijn, een zonde die God niet ongestraft laat. 11 En Abimelech gebood het ganse volk, zeggende: Zo wie deze man of zijn huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden. Voorbeeldig dat deze koning zijn gezag gebruikt om zijn volk te herinneren aan de zegen van kuisheid!


Om over na te denken: De feiten liegen er niet om: een begenadigd man (Izak) zondigde, terwijl een ongelovige (Abimelech) zich eerzaam gedroeg. De misstappen van christenen zijn voor veel mensen een reden om het christendom af te wijzen. Het is natuurlijk erg als de wereld smult van verhalen over christenen die zich misdragen hebben, maar helaas zijn veel van deze verhalen geen verzinsels. Hoe moeten we dat toch verklaren: dat ware christenen in zondig gedrag kunnen vervallen, terwijl ongelovigen soms een voorbeeldig leven leiden? Allereerst: de Bijbel leert ons dat ‘alle goede gave en alle volmaakte gift is van boven, van de Vader der lichten afkomende’ (Jak. 1:17). Dus als iemand iets goeds doet (vriendelijk is, eerlijk, rechtvaardig, zich opoffert), is dat altijd een gave die God totaal onverdiend schenkt. Sommigen noemen dit ‘algemene genade’ – hoewel, genade is nooit iets algemeens of gewoons. Maar in ieder geval schenkt God zulke gaven aan mensen, zonder verschil te maken in ras, geslacht of cultuur en zelfs los van hoe iemand tegenover Zijn Woord staat. Ons past dankbaarheid voor deze gaven, want daardoor is het nog leefbaar op deze aarde. Zonder deze gaven uit Gods ‘algemene genade’ zou onze wereld een hel zijn. Twee: iedere ware christen wordt zalig uit soevereine genade. Niemand kan van zichzelf een christen maken. Nee, God begint een goed werk in een zondaar en zal dat ook volmaakt afmaken. Alleen, de volmaakte heiligheid bereikt een christen pas als hij de hemel ingaat. Dus christenen verkeren altijd in een groeiproces en hebben een lange weg te gaan: in hun verhouding tot God en tot hun medemensen, en zelfs in de ontwikkeling van hun persoonlijkheid. Terecht heeft iemand eens gezegd: ‘Een kerk is een ziekenhuis met herstellende zondaars, niet een museum met volmaakte heiligen.’ Satan zal bovendien zijn uiterste best doen om het christendom in een kwaad daglicht te stellen, door de gebreken van Gods kinderen rond te bazuinen. Wat is het daarom nodig dat wij God bidden of Hij al Zijn kinderen veel genade wil geven om dagelijks in oprechtheid te leven. Lezen: Filippenzen 1:1-11

185


Genesis 26:12-17 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Izak als vredestichter 12 En Izak zaaide in datzelve land en hij vond in datzelve jaar honderd maten; want de Heere zegende hem. Anders dan zijn vader, die altijd veeboer gebleven was, legde Izak zich nu ook toe op akkerbouw. Hoewel zijn groeiende welvaart voor een deel het resultaat was van een geregeld leven, ijver en bovenal godsvrucht, kwam het vooral doordat de Heere Zijn belofte vervulde: ‘Ik zal met u zijn en zal u zegenen’ (Gen. 26:3-4). 13 En die man werd groot, had veel voorspoed, ja, hij werd doorgaans groter, breidde zijn activiteiten sterk uit, totdat hij zeer groot, welvarend, geworden was. 14 En hij had bezitting van schapen en bezitting van runderen en groot gezinde, personeel; zodat hem de Filistijnen benijdden; want Izak was nu welvarender geworden dan het volk waar hij als gast bij verkeerde. In plaats dat ze zijn verstandige en godvruchtige manier van leven navolgden, waaraan God duidelijk Zijn zegen verbond, werden ze jaloers op Izak. Uiteindelijk kwam het tot onwaardig gedrag: ze gingen hem hinderen en benadelen. 15 En al de putten die de knechten van zijn vader in de dagen van zijn vader Abraham gegraven hadden, die stopten de Filistijnen en vulden ze met aarde; ondanks het plechtige verbond dat Abraham en Abimelech lang geleden gesloten hadden. Zonder geregelde watertoevoer was landbouw in dit droge gebied onmogelijk. 16 Ook zeide Abimelech ten slotte tot Izak: Trek van ons, want gij zijt veel machtiger geworden dan wij. 17 Toen toog Izak, die niet langer aanleiding tot problemen wilde geven, vandaar; en hij legerde zich in het dal van Gerar, en woonde aldaar, met de bedoeling zich daar blijvend te vestigen.


Om over na te denken: Begeerte … is een zonde die in ons aller hart leeft. Het is de gangmaker van een wedloop waarin we proberen een ander de loef af te steken. Het leidt tot gedrag waarvan anderen hinder of schade ondervinden. Begeerte is nogal veelvoorkomend in het zakenleven, maar het komt ook in gezinnen voor. Helaas zijn ook Gods kinderen niet altijd vrij van deze zonde. Op een bepaald moment kreeg die kwade begeerte vat op Jakobus en Johannes en vroegen ze aan de linker- en aan de rechterhand van Jezus te mogen zitten in Zijn komende koninkrijk. Dat leidde tot grote ergernis bij de andere discipelen, want zo’n ereplaats wilden ze allemaal wel. Izak kreeg nu ook te lijden van de hebzucht en afgunst van de Filistijnen. De welvaart van Izak was trouwens niet toegenomen door hebzucht of oneerlijk handelen. Nee, de Heere verbond duidelijk Zijn zegen aan zijn landbouw- en veeteeltactiviteiten. Die goede oogsten en de grote vruchtbaarheid van de kuddes waren geschenken van zijn Weldoener. Maar nu kwamen ook de problemen. Zijn knechten meldden hem dat de Filistijnen jaloers werden, wat bleek uit hun lage gedrag. Toen Abimelech ten slotte ook nog aandrong op zijn vertrek, trok Izak verder. Was dat zwakheid? Nee, Izaks gedrag werd gestempeld door een groot geloof en een leven in godsvrucht. Hij stond boven dit lage gedrag en verdroeg het onrecht waardig. Hij was vredelievend. De Heere beveelt Zijn kerk: ‘dat gij de boze niet wederstaat; maar zo wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe’ (Matth. 5:39). En in Romeinen 12:18 lezen we: ‘Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen.’ Met deze woorden leert de Heere ons dat het niet de koninklijke weg is om te proberen je gelijk te halen in allerlei onbeduidende zaken. Het levert je geen winst op om terug te slaan zodra je ook maar enig onrecht wordt aangedaan. Laat het gedrag van Izak een voorbeeld voor ons zijn. Hij durfde de uitkomst aan de Heere over te laten en probeerde de vrede met zijn medemensen te bewaren. Daar heeft God Zijn rijke zegen aan verbonden. Hij beschaamt nooit degenen die Hem volgen en hun vertrouwen op Hem stellen. Lezen: Romeinen 12:17-21

187


Genesis 26:18-23 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Rehobôth 18 Als nu Izak wedergekeerd was, groef hij die waterputten op die zij ten tijde van Abraham, zijn vader, gegraven, en die de Filistijnen na Abrahams dood toegestopt hadden; en hij noemde hun namen naar de namen waarmede zijn vader die genoemd had. Omdat deze putten oorspronkelijk door zijn vader Abraham gegraven waren, kon Izak er rechten op doen gelden. Daarom gaf hij de putten ook weer dezelfde namen die Abraham ze indertijd gegeven had. 19 De knechten van Izak dan groeven in dat dal, omdat de behoefte aan vers water almaar toenam, en zij vonden aldaar een put van levend water. Hoewel Izak rechten kon laten gelden op de oude putten van Abraham, vonden de Filistijnen dat Izak over zo’n nieuwe put niets te zeggen had. 20 En de herders van Gerar twistten met Izaks herders, zeggende: Dit water hoort ons toe. Daarom noemde hij de naam van die put Esek, dat betekent: ‘Twistput’, omdat zij met hem gekeven, of: geruzied, hadden. 21 Toen groeven zij een andere put, en daar twistten zij ook over; daarom noemde hij zijn naam Sitna, dat betekent: ‘Haatput’. 22 En hij brak op vandaar en groef een andere put, en zij twistten over die niet; ze waren nu ver van Gerar weggetrokken, dus waarschijnlijk buiten het zicht van de Filistijnse herders; daarom noemde hij zijn naam Rehobôth; dat betekent: ‘Wijde of Ruime Plaats’, en zeide: Want nu heeft ons de Heere ruimte gemaakt, en wij zijn gewassen in grootte toegenomen in dit land. 23 Daarna, na nog enige tijd in die streek verbleven te hebben, toog hij vandaar op (terug) naar Berseba, zijn oorspronkelijke woonplaats.

Om over na te denken: Waarom overkomt Gods kinderen lijden? Waarom liet de Heere toe dat de Filistijnen Izak en zijn mannen bleven belagen, hoewel hij hun steeds de andere wang had toegekeerd?


Zulke vragen komen vaak bij ons op, misschien ook wel bij Izak. Het is niet makkelijk om er een antwoord op te geven. Lijden kan extra moeilijk te dragen zijn als we niet weten waaróm bepaalde dingen ons overkomen; en zoeken naar een oorzaak is vaak vruchteloos. Toch heeft God Zijn wijze bedoeling met alles wat Hij in ons leven en in deze wereld laat gebeuren. In plaats van te vragen naar het ‘waarom’, is het veel beter om onze moeilijkheden voor God neer te leggen. Dat deden Martha en Maria ook toen Lazarus door een dodelijke ziekte getroffen werd: ‘Heere, zie, die Gij liefhebt, is krank’ (Joh. 11:3). Geen waaromvragen. Nee, ze legden Hem eenvoudig hun nood voor en lieten de uitkomst aan Hem over. Of Izak precies zo deed, staat niet beschreven, maar het ligt wel opgesloten in de naam die hij aan die laatste put gaf: Rehobôth. Steeds als het vuur van de onenigheid weer oplaaide, had hij dat geblust door verder van de Filistijnen weg te trekken. Hij wist dat dit naar Gods geopenbaarde wil was en volgde gehoorzaam de aanwijzingen op die de Heere hem zo gaf. En hij vertrouwde erop dat de Heere wel uitkomst zou geven. Toen er dan uiteindelijk een oplossing kwam waar ze in rust en vrede van konden genieten, schreef Izak dat niet toe aan zijn eigen wijze beleid of aan zijn verzoenende houding. Hij erkende dat het alleen de hand van God was die uitkomst had gegeven. Het was de Heere Die ruimte had gemaakt en voor vrede zorgde. Deze geschiedenis met Izak bevestigt Davids woorden: ‘Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal de zachtmoedigen Zijn weg leren. Alle paden des Heeren zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren’ (Ps. 25: 9-10). Zachtmoedigheid is: overgave; buigen en niet op je rechten staan. Ze komt voort uit een hart dat berust in Gods wil en gelooft dat Hij het goede zal doen. Als die geest je hart beheerst, zal ook jij de vrede van het ‘Rehobôth’ ervaren, want de Heere blijft Dezelfde. Lezen: Hebreeën 13:5-8

189


Genesis 26:24-33 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Het beeld van Christus vertonen 24 En; na de vermoeiende periode waarin Izak steeds van de ene plek naar de andere werd verdreven; de Heere verscheen hem in dezelve nacht, in Rehobôth, en zeide: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet, want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen en uw zaad vermenigvuldigen om Abrahams, Mijns knechts wil. 25 Toen bouwde hij daar een altaar en riep de Naam des Heeren aan, en hij sloeg aldaar zijn tent op; zo’n plaats waar God hem verschenen was en met hem gesproken had, was een heilige plaats; Izak markeerde die met een dankaltaar voor de Heere, om Zijn trouwe zorg en om Zijn beloften; en Izaks knechten groeven daar een put. 26 E n Abimelech trok tot hem van Gerar, met Ahuzzat, zijn vriend, en Pichol, zijn krijgsoverste. 27 E n Izak zeide tot hen: Waarom zijt gij tot mij gekomen, daar gij mij haat en hebt mij van u weggezonden? 28 E n zij zeiden: Wij hebben merkelijk, duidelijk, gezien dat de Heere met u is; het was voor deze mannen duidelijk dat Izak werd geleid, beschermd en gezegend door de hand van de Heere; want wat ze ook geprobeerd hadden om hem tegen te werken, Izak en zijn stam bleven voorspoed houden; daarom hebben wij gezegd: Laat toch een eed tussen ons zijn, tussen ons en tussen u, en laat ons een verbond met u maken: 29 Z o gij bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleenlijk goedgedaan hebben, en hebben u in vrede laten vertrekken! Gij zijt nu de gezegende des Heeren. Abimelech en zijn mannen waren blijkbaar diep onder de indruk van de zegen van de Heere, die als een sturende, beschermende arm om Izak heen had gelegen. Daarom wilden zij graag op goede voet verkeren met deze man. Alleen de God weet of Abimelech echt zo weinig afwist van het gedrag van zijn herders als hij hier voorgaf. 30 Toen maakte hij hun een maaltijd, wat hoorde bij het sluiten van een verbond, en zij aten en dronken.


31 E n zij stonden des morgens vroeg op en zwoeren de een de ander; daarna liet Izak hen gaan, en zij togen van hem in vrede. 32 E n het geschiedde ten zelven dage, dat Izaks knechten kwamen en boodschapten hem van de zaak des puts dien zij gegraven hadden; en zij zeiden hem: Wij hebben water gevonden. Izak zal dit gezien hebben als een teken van Gods gunst op deze dag. 33 E n hij noemde dezelve Seba; dat is: ‘Eed’; daarom is de naam dier stad Berseba, tot op deze zelfde dag. Berseba betekent: ‘Put van de eed’. Het verwijst naar het verbond tussen Izak en Abimelech; en ook naar een eerder verbond dat Abraham lang geleden sloot.

Om over na te denken: Wat werd Izak op zijn trektocht steeds weer onheus bejegend door de Filistijnen! Maar de Heere ondersteunde hem en bleef hem bemoedigen met de oude beloften. De genade van God ondersteunt een mens niet alleen, nee, zij zorgt ook voor vruchten: zulke mensen gaan op Christus lijken, want genade brengt de trots ten onder en verlost van de kracht van de zonde. Deze vruchten blijken ook uit Izaks bereidheid om een verbond te sluiten met Abimelech. Deze Filistijn was denkelijk niet eerlijk toen hij beweerde dat zij altijd alleen maar goed hadden gedaan aan Izak. Toch is Izak de minste; hij gaat dit verbond met Abimelech aan, met het oog op vreedzame onderlinge verhoudingen, tijdens hun leven en voor de toekomst. Er zijn genoeg voorbeelden van situaties waarin vergevingsgezindheid vijandige en verharde harten brak; terwijl een wraakzuchtige geest het conflict alleen maar deed oplaaien. Zoek toch de genade om op Izak te lijken, die al deed wat Paulus schreef: ‘Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft de toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wrake toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere’ (Rom. 12:19). Het is bar moeilijk om niet met gelijke munt te betalen als je onrechtvaardig behandeld wordt! Daarom schreef Salomo dat wie zijn eigen geest beheerst, sterker is dan die een stad inneemt. Lezen: Romeinen 12:14-21

191


Genesis 26:34-35 B r u g n a a r Genesi

Brug naar Genesis

Brug naar

Bijbelgedeelte

enesis

Op het scherp van de snede 34 Als nu Ezau veertig jaar oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri de Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon de Hethiet. Door deze keus liet Ezau opnieuw blijken geen respect te hebben voor de geestelijke waarden en het erfgoed van zijn familie. 35 En dezen waren voor Izak en Rebekka een bitterheid des geestes. Beide ouders hadden verdriet toen Ezau deze vrouwen, met hun heidense manier van denken en leven, tot echtgenoten koos.

Om over na te denken: Ezau maakte verkeerde keuzes. Hij nam duidelijk afstand van de zorgvuldigheid waarmee zijn grootvader Abraham een vrouw voor Izak, Ezau’s vader, had laten zoeken. Wilde de geestelijke erfenis van dit geslacht bewaard blijven voor de komende geslachten, zo had Abraham beseft, dan was het cruciaal dat de gezinsleden met een gelijkgezinde vrouw of man trouwden. Maar daar maakte Ezau geen punt van. Ezau maakte de fout van zijn eerste keus zelfs nog groter door uit dezelfde heidense stam ook nog een tweede vrouw te trouwen. Deze uitgesproken keuzes zal hij gemaakt hebben ondanks de goede raad en de smeekbedes van zijn ouders. Het spreekt vanzelf dat Izak en Rebekka hier veel verdriet van hadden, want deze twee vrouwen voerden Ezau nog verder af van de heilige God en Zijn geboden. Bij het ouder worden zullen er van jou ook steeds meer eigen keuzes verwacht worden. Een uitdaging, of een risico? Alle twee. Zelf kiezen geeft je een gevoel van vrijheid, maar die zelfstandigheid betekent ook, dat je zelf verantwoordelijk bent voor iedere keus die je maakt. Die tien jaren tussen de 15 en 25 behoren tot de meest beslissende periodes van je hele leven. (Het is trouwens wel duidelijk dat in Ezau’s dagen die periode later lag dan tegenwoordig.) Waarom is het zo’n beslissende periode? Omdat de keuzes die je in die jaren maakt, bepalend zijn voor de rest van je leven. De waarden en princi-


pes waarnaar je gaat leven, het beroep dat je kiest en de relaties die je aangaat, zijn allemaal beslissingen met consequenties voor de rest van je leven, en zelfs voor wat er ná dit leven komt. Die jaren waarin je jongvolwassen bent, betekenen ‘leven op het scherp van de snede’. Je kunt naar links en naar rechts, de goede weg op of de verkeerde. Hoewel de kwalijke gevolgen van sommige keuzes nog ongedaan gemaakt kunnen worden door Gods genade, doe je er wijs aan te bedenken dat je heel je leven en zelfs erná de gevolgen van je keuzes zult ondervinden. In een vlaag van geestelijke zwakheid bracht David een bloedig oordeel over zijn gezin en over zijn eigen leven. Salomo waarschuwde voor de ‘plaag en schande, en een smaad die niet kan worden uitgewist’ (Spr. 6:33). Later zou hij daar nog die indrukwekkende woorden over zondige keuzes aan toevoegen: ‘Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods’ (Spr. 7:27). De zonde voert ons naar de hel! Daarom dringt God zo aan op een kiezen in de vreze des Heeren. Laat bij iedere keus Gods wil de doorslag geven, in plaats dat je je laat meevoeren door je eigen gevoelens en dromen. De vraag van Salomo is nog steeds actueel: ‘Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden? Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden?’ (Spr. 6:27-28) Anders gezegd, bedenk wat je keuzes betekenen voor de lange termijn! Ezau dacht niet aan later. Hij werd beheerst door zijn verlangens van dát ene moment. We zagen al dat, toen hij zo’n honger had, hij zijn hele toekomst vergooide voor een hap eten. En door deze huwelijken zette hij ook nog de toekomst van zijn nageslacht op het spel. Maar wat kan je nu behoeden voor een verkeerde koers en voor het maken van verkeerde keuzes? Daar geeft Psalm 1 een mooi antwoord op. Vermijd allereerst verkeerd gezelschap, want dat beïnvloedt je denkpatroon negatief. Houd ten tweede vast aan dat Boek dat je nu leest en onderzoekt. En in de derde plaats: bid bij elke belangrijke stap en belangrijke keus. Zonder de leiding van Gods Woord en Geest ben je op de zekerste weg naar het verkeerde doel! Lezen: Psalm 1

193


Notities ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________


Notities ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________


Notities ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________


Notities ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________


Notities ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________


Notities ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________


Notities ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook