Skip to main content

Music for piano four hands

Page 1

Dvorรกk grieg brahms v

Music for piano Four hands

Claire Chevallier jos van immerseel


MENU

› TRACKLIST › Nederlands › français › English › deutsch


music for piano four hands

johannes brahms (1833-1897)

1

11. Poco andante (D minor)

3’02

2

12. Presto (D minor)

2’44

3

13. Andantino grazioso (D major)

1’46

4

14. Un poco andante (D minor)

1’42

5

15. Allegretto grazioso (B flat major)

2’53

6

16. Con moto (F minor)

2’47

7

17. Andantino (F sharp minor)

3’42

8

18. Molto vivace (D major)

1’38

9

19. Allegretto (B minor)

2’25

10

20. Poco allegretto (E minor)

2’39

11

21. Vivace (E minor)

1’58

Edvard Grieg (1843-1907)

Norwegian Dances, Op.35

12

I. Allegro moderato (D minor)

5’08

13

II. Allegretto tranquillo e grazioso (A major)

2’19

14

III. Allegro moderato alla Marcia (G major)

2’02

Hungarian Dances, Woo 1


Antonín Dvorák (1841-1904)

Slavonic Dances, Op.46, B.78

v

15 1. Furiant. Presto (C major)

4’07

16 2. Dumka. Allegretto scherzando – Allegro vivo (E minor) 5’05 17 3. Polka. Poco Allegro (A flat major)

3’50

18 4. Sousedská. Tempo di menuetto (F major)

6’14

19 5. Skocná. Allegro vivace (A major)

3’40

20 6. Sousedská. Allegretto scherzando (D major)

4’47

21 7. Skocná. Allegro assai (C minor)

3’09

22 8. Furiant. Presto (G minor)

3’47

TOTAL TIME: 71’26

Claire Chevallier Jos van Immerseel

Piano Bechstein 1870

› MENU


Het repertoire voor piano vierhandig is zeer groot en zeer populair, vooral in de periode 1780-1950 zowel bij professionele pianisten als bij de liefhebbers thuis. Claire en ik kozen voor deze opname een selectie “dansen” van drie meesters in het genre die een zekere verwantschap tonen met elkaar én de werken componeerden binnen een korte tijdspanne (1878-1881). Alhoewel de werken vrij bekend zijn, wil ik toch een beetje commentaar leveren. Brahms schreef 21 dansen, waarvan we de minder bekende nummers 11 tot 21 spelen. Brahms leefde vanaf 1862 in Wenen, waar hij de “Hongaarse volksmuziek” leerde kennen door de straatmuzikanten, die vaak geen Hongaren waren maar Zigeuners uit Centraal Europa. De Hongaarse dansen van Brahms zijn vaak niet “zuiver” Hongaars, maar een synthese van meerdere volksliederen, die Brahms naar zijn hand zette. In de uitgave van Editio Musica Budapest (1990) met Facsimile’s van enkele oudere bronnen vindt men een interessante inleiding van Katalin Szerz´´o. De bemerking van Brahms aan zijn uitgever Breitkopf (1869) is veelzeggend… “von mir nur gesetzt” (door mij slechts bewerkt). Aan uitgever Simrock schrijft hij dan weer “manches ganz meine Erfindung” (veel is volledig mijn inbreng) (1880). De bijzondere kleur van deze synthese is in ieder geval “alla zingarese” (op z’n zigeuners). “Ja, vi elsker dette landet!” Grieg hield van zijn land, zijn sfeer, zijn cultuur. De prachtige natuur van Noorwegen inspireerde hem: “De Noorse natuur, het Noorse volksleven en de Noorse poëzie in klanken omzetten. Dit doel trekt mij aan, en ik voel sterk dat ik hiermee iets zal bereiken.” Interessant is dat Grieg zowel beïnvloed was door de Noorse violist Ole Bull, die op zijn beurt zeer bewonderd werd door Joseph Joachim, als door zijn (Duitse) opleiding in Leipzig. Franz Liszt was euforisch over Griegs pianoconcerto. In 1878 vroeg Simrock aan Dvorák of hij bereid was dansen te schrijven gebaseerd op Boheemse en Moravische wijze “zoals de Hongaarse dansen” van Brahms. Dvorák zette zich onmiddellijk v

v

nederland

“Nationale” dansen voor piano vierhandig 1878-1881 Van Jos van Immerseel


nederland

aan het werk en noemt ze Slavische dansen voor piano vierhandig. Later orkestreerde hij de bundel. Ook hier weer de vraag: wat bestond er, wat leefde er in deze geografische streek en werd verwerkt door Dvorák en wat is van hemzelf. Daarom heb ik in de titel van deze commentaar Nationale tussen aanhalingstekens geplaatst, want onze drie componisten gingen niet op zoek naar Nationalisme maar naar de volksaard en een misschien eeuwenoude cultuur. v

“Onze” drie componisten waren ook pianisten en kenden de klavieren uit hun tijd. Voor hen was de Duitse pianobouw richtinggevend. Zij kenden allen de mogelijkheden maar ook de beperkingen van HUN instrumentarium. Ik beweer hier niet dat men alle muziek uit die tijd moet spelen op een Bechstein uit HUN tijd, want er zijn veel slecht gerestaureerde instrumenten die een vals beeld geven, en helaas soms op CD of in de concertzaal verschijnen. Een meesterlijke restauratie van een meesterlijk instrument uit hun tijd geeft volgens ons meer kansen de muziek te beluisteren, zoals de componisten die gedacht en gehoord hebben. Wij kozen voor een concertvleugel Bechstein uit 1870. Carl Bechstein stichtte zijn firma in Berlijn in 1853 na een opleiding in Parijs bij Pape en Kriegelstein. Zijn instrumenten werden al snel zeer bewonderd o.m. door Liszt en Brahms en van Grieg weten we dat hij zijn concerten vaak op Bechstein speelde. Het is een vleugel met parallel-besnaring, zoals toen in gebruik. De parallelsnarige vleugels waren meestal veel duurder dan de kruissnarige doordat het bouwen ervan arbeidsintensiever was dan de kruissnarige. Maar daartegenover staat dat de parallelsnarige concertvleugels in de baskant meestal veel transparanter en opmerkelijk helder klinken in verhouding tot de (huidige) kruissnarige vleugels. In 1872 verscheen een interessant boek van Julius Blüthner in Weimar: Lehrbuch des Pianofortebaues. Blüthner was een gevierd pianobouwer en dus onmiddellijke concurrent van Bechstein. Het boek is geschreven voor pianobouwers en pianisten en beschrijft de “belangrijkste mechanieken” uit de tijd van Blüthner. Over de “Franse mechaniek”, die zich in de Bechstein 1870 bevindt, zegt hij o.m. dat die even eenvoudig als doelmatig is, zeer krachtig werkt, zeer veel kan presteren en duurzaam is. De vleugel combineert een transparante klank en heeft een groot dynamisch bereik. Wonderlijk!

› MENU


Le répertoire pour piano à quatre mains est très large et très populaire, en particulier pour la période 1780-1950, aussi bien auprès des pianistes professionnels que des amateurs. Claire et moi avons choisi pour cet enregistrement une série de « danses » de trois maîtres du genre, qui présentent une certaine parenté et composèrent les œuvres dans une période restreinte (18781881). Bien que ces œuvres soient assez connues, je voudrais faire un court commentaire. Brahms écrivit 21 danses, dont nous jouons les nos 11 à 21, qui sont les moins connues. Le compositeur vécut à Vienne à partir de 1862, où les musiciens de rue, qui étaient souvent non pas des Hongrois mais des Tziganes d’Europe centrale, lui firent connaître la « musique populaire hongroise ». Les Danses hongroises de Brahms ne sont souvent pas « purement » hongroises, mais constituent une synthèse de plusieurs chansons populaires, que Brahms put adapter à sa guise. Une introduction intéressante de Katalin Szerz´´o se trouve dans l’édition d’Editio Musica Budapest (1990), qui comporte les facsimile de certaines sources plus anciennes. La remarque de Brahms à son éditeur Breitkopf (1869) est significative : « von mir nur gesetzt » (« seulement arrangé par moi »). Il écrivit encore à l’éditeur Simrock en 1880 : « manches ganz meine Erfindung » (« beaucoup est de ma seule invention »). La couleur particulière de cette synthèse est en tout cas « alla zingarese » (« à la tzigane »). « Ja, vi elsker dette landet! » (« Oui, nous aimons ce pays ! »). Grieg aimait son pays, son atmosphère, sa culture. La nature somptueuse de la Norvège l’inspirait : « Mettre en sons la nature norvégienne, la vie populaire norvégienne et la poésie norvégienne... Cet objectif m’attire, et je crois fermement que je vais en faire quelque chose. » Chose intéressante : Grieg fut à la fois influencé par le violoniste norvégien Ole Bull, également très admiré de Joseph Joachim, et par sa formation (allemande) à Leipzig. Franz Liszt était très enthousiaste au sujet du concerto pour piano de Grieg.

français

danses « Nationales » pour piano à quatre mains 1878-1881 par Jos van Immerseel


En 1878, Simrock demanda à Dvorák s’il se sentait prêt à composer des danses à la manière bohémienne et morave, « comme les danses hongroises » de Brahms. Dvorák se mit immédiatement à la composition de ses Danses slaves pour piano à quatre mains. Plus tard, il orchestrerait le recueil. Et à nouveau cette question : qu’est-ce qui provient du terroir et a été retravaillé par Dvorák et qu’est-ce qui est de sa main ? C’est pourquoi le terme « national » a été placé entre guillemets dans le titre de ce commentaire : les trois compositeurs ne recherchaient pas le nationalisme, mais plutôt le caractère populaire et une culture peut-être ancestrale. v

v

français

v

« Nos » trois compositeurs étaient également pianistes et connaissaient bien les instruments de leur temps. C’est la facture allemande qui avait leur prédilection. Ils connaissaient toutes les possibilités, mais aussi les limites de leur instrumentarium. Je ne prétends pas qu’il faille jouer toute cette musique sur un Bechstein de l’époque, parce que certains instruments ont été mal restaurés et donnent une mauvaise image (hélas, certains apparaissent sur CD ou dans les salles de concert). Mais un instrument magistralement restauré offrira certainement plus de chances d’entendre la musique comme les compositeurs la pensèrent et l’entendirent. Nous avons choisi un piano à queue de concert Bechstein de 1870. Après une formation à Paris auprès de Pape et Kriegelstein, Carl Bechstein fonda son entreprise à Berlin en 1853. Ses instruments furent rapidement très appréciés, notamment de Liszt et de Brahms ; nous savons qu’en concert, Grieg jouait souvent sur un Bechstein. C’est un piano à queue à cordes parallèles, comme ils étaient en usage à l’époque. Les pianos à cordes parallèles étaient généralement beaucoup plus chers que les instruments à cordes croisées, leur construction exigeant beaucoup plus de travail. Mais ils sonnaient de façon généralement plus transparente et plus claire dans les basses que les pianos à cordes croisées (d’aujourd’hui). En 1872 parut à Weimar un livre intéressant de Julius Blüthner : Lehrbuch des Pianofortebaues. Blüthner était un facteur de pianos célèbre et donc un concurrent immédiat de Bechstein. Le livre est destiné aux facteurs et aux pianistes et décrit les « mécaniques les plus importantes » de l’époque. Il dit notamment à propos de la « mécanique française », celle des Bechstein des années 1870, qu’elle est aussi simple qu’efficace et puissante, fournit de très bons résultats et est résistante. Le piano à queue combine un son transparent et une large gamme dynamique. Merveilleux !

› MENU


› MENU


‘National’ dances for piano four hands 1878-1881 by Jos van Immerseel Claire and I chose for this recording a selection of ‘dances’ by three masters of the genre, who show a certain affinity with one another and composed the works in question within a short period of time (1878-81). Although these pieces are fairly familiar, I would like to make a few comments on them. Brahms wrote twenty-one dances, from which we play the less well-known books, nos.11 to 21. From 1862 the composer lived in Vienna, where he got to know ‘Hungarian folk music’ through the street musicians, who were frequently not Hungarians at all but Gypsies from central Europe. His Hungarian Dances are often not ‘pure’ Hungarian, but a synthesis of several folksongs, which Brahms arranged as he saw fit. The edition published by Editio Musica Budapest (1990) includes facsimiles of some older sources and an interesting introduction by Katalin Szerz´´o. Brahms’s remark to his publisher Breitkopf (1869) is significant: ‘von mir nur gesetzt’ (only arranged by me). Again, he wrote to the publisher Simrock in 1880 ‘manches ganz meine Erfindung’ (a great deal is entirely my invention). In any case, the particular colour of this synthesis is certainly ‘alla Zingarese’ (in the Gypsy style). ‘Ja, vi elsker dette landet!’ Grieg loved his country, its atmosphere, its culture. The beautiful scenery of Norway inspired him: ‘To turn Norwegian nature, Norwegian folk life and Norwegian poetry into music. This goal appeals to me, and I feel strongly that through it I will achieve something.’ Interestingly, Grieg was influenced both by the Norwegian violinist Ole Bull, whom Joseph Joachim also greatly admired, and by his (German) training in Leipzig. Franz Liszt reacted euphorically to Grieg’s Piano Concerto. In 1878 Simrock asked Dvorák whether he was willing to write dances based on Bohemian and v

ENGLISH

The repertory for piano four hands is very large and was very popular, especially in the period between 1780 and 1950, with both professional pianists and amateur players in the home.


Moravian melodies, ‘like the Hungarian Dances’ of Brahms. He sat down to work at once and called them Slavonic Dances for piano four hands. He later orchestrated the collection. The question here is once more: what was already in existence in this geographical region that was reworked by Dvorák, and what was his own contribution? That’s why I put ‘national’ in quotation marks in the title of this article, because these three composers did not go in search of Nationalism with a capital ‘n’, but rather of national character, and what was perhaps age-old culture. ‘Our’ three composers were also pianists and knew the keyboard instruments of their time. The benchmark for them was the German style of piano construction. They knew all the possibilities but also the limitations of their instruments. I’m not arguing here that one must play all the music of that period on a Bechstein of their period, because there are many badly restored instruments that give a false impression of them, and which unfortunately sometimes appear on CD or in the concert hall. But we believe that a masterly restoration of a masterly instrument of their time offers us a better chance of listening to the music as the composers conceived and heard it.

ENGLISH

v

We chose a Bechstein grand piano of 1870. Carl Bechstein founded his firm in Berlin in 1853 after training with Pape and Kriegelstein in Paris. Liszt and Brahms, among others, were soon admirers of his instruments, and we know that Grieg often played his concerts on a Bechstein. It’s a straight-strung piano of the kind in use at the time. Straight-strung pianos were usually much more expensive than overstrung instruments, because their construction was more labourintensive than the latter. But, on the other hand, straight-strung concert grands usually sound much more transparent and noticeably clearer in the bass than their (modern) overstrung equivalents. In 1872 an interesting book by Julius Blüthner called Lehrbuch des Pianofortebaues (Textbook of piano building) was published in Weimar. Blüthner was a celebrated piano maker and thus a direct competitor of Bechstein. The book is written for piano makers and pianists and describes the ‘most important actions’ of the author’s time. He describes the ‘French action’, the type used in the 1870 Bechstein, as both simple and effective, very powerful, capable of producing excellent results, and hard-wearing. This grand piano combines transparent sound and a wide dynamic range. Wonderful!

› MENU


› MENU


„Nationale“ Tänze für klavier zu vier Händen 1878-1881 von Jos van Immerseel Das Repertoire an vierhändigen Klavierstücken ist sehr groß und sehr populär, vor allem in der Zeit von 1780 bis 1950, sowohl bei professionellen Pianisten wie auch bei Musikliebhabern zuhause.

Brahms schrieb 21 Tänze, von denen wir die weniger bekannten Nummern 11 bis 21 spielen. Brahms lebte ab 1862 in Wien, wo er die „ungarische Volksmusik“ kennenlernte, von Straßenmusikanten, die häufig keine Ungarn, sondern Zigeuner aus Zentraleuropa waren. Die Ungarischen Tänze von Brahms sind oft nicht „rein“ ungarisch, sondern eine Synthese aus mehreren Volksliedern, die Brahms auf seine Weise bearbeitete. In der Ausgabe von Editio Musica Budapest (1990), mit Faksimiles aus mehreren älteren Quellen, findet man eine interessante Einleitung von Katalin Szerz´´o. Eine Bemerkung von Brahms an seinen Herausgeber Breitkopf (1869) ist vielsagend…: „von mir nur gesetzt“. An den Herausgeber Simrock schreibt er dann wieder „manches ganz meine Erfindung“ (1880). Der besondere Charakter dieser Synthese ist auf jeden Fall „alla zingarese“ (auf Zigeunerart). „Ja, vi elsker dette landet!“ Grieg liebte sein Land, dessen Atmosphäre und Kultur. Die prachtvolle Natur Norwegens inspirierte ihn: „Die norwegische Natur, das norwegische Volksleben und die norwegische Poesie in Klänge umsetzen. Dieses Ziel lockt mich, und ich fühle intensiv, dass ich hiermit etwas erreichen werde.“ Interessant ist, dass Grieg sowohl von dem norwegischen Violinisten Ole Bull beeinflusst wurde, der seinerseits sehr von Joseph Joachim bewundert wurde, wie auch durch seine (deutsche) Ausbildung in Leipzig. Franz Liszt äußerte sich euphorisch über Griegs Klavierkonzert.

DEUTSCH

Claire und ich entschieden uns bei dieser Aufnahme für eine Auswahl an „Tänzen“ von drei Meistern dieses Genres, die eine gewisse Verwandtschaft untereinander aufweisen und zudem die Werke innerhalb einer kurzen Zeitspanne (1878-1881) komponierten. Obwohl die Werke recht bekannt sind, möchte ich doch ein paar Worte darüber verlieren.


1878 fragte Simrock Dvorák, ob er dazu bereit wäre, auf böhmische und mährische Weisen basierte Tänze „wie die ungarischen Tänze“ von Brahms zu schreiben. Dvorák machte sich sofort an die Arbeit und nannte sie Slawische Tänze für Klavier zu vier Händen. Später orchestrierte er die Sammlung. Auch hier stellt sich wieder die Frage: was war schon da, was lebte in dieser geografischen Region und wurde von Dvorák verarbeitet, was ist von ihm selbst? Darum habe ich im Titel dieses Kommentars „Nationale“ in Anführungszeichen gesetzt, da unsere drei Komponisten nicht auf die Suche nach Nationalismen gingen, sondern nach der Volksart und vielleicht Jahrhunderte alten Kultur. „Unsere“ drei Komponisten waren auch Pianisten und kannten die Klaviere ihrer Zeit. Für sie war der deutsche Klavierbau richtungsweisend. Sie kannten alle die Möglichkeiten, aber auch die Grenzen IHRES Instrumentariums. Ich behaupte hier nicht, dass man sämtliche Musik aus dieser Zeit auf einem Bechstein aus IHRER Zeit spielen muss, da es viele schlecht restaurierte Instrumente gibt, die ein falsches Bild vermitteln und leider zuweilen auf einer CD oder im Konzertsaal auftauchen. Eine meisterhafte Restaurierung eines meisterhaften Instruments aus ihrer Zeit bietet unserer Meinung nach jedoch eine größere Chance, die Musik so zu hören, wie sie die Komponisten erdacht und gehört haben. Wir entschieden uns für einen Bechstein-Konzertflügel aus dem Jahr 1870. Carl Bechstein gründete seine Pianofortfabrik 1853 in Berlin nach einer Ausbildung in Paris bei Pape und Kriegelstein. Seine Instrumente fanden sehr schnell u.a. bei Liszt und Brahms Bewunderung, und von Grieg wissen wir, dass er seine Konzerte auch oft auf einem Bechstein-Flügel spielte. Es ist ein Flügel mit parallel gespannten Saiten, wie damals üblich. Die geradsaitigen Flügel waren meistens viel teurer als die kreuzsaitigen, da der Bau ersterer arbeitsintensiver war als der letzterer. Jedoch ist zu bedenken, dass die geradsaitigen Konzertflügel im Vergleich zu den (heutigen) kreuzsaitigen Flügeln im Bassbereich meist viel transparenter sind und deutlich heller klingen. 1872 erschien in Weimar ein interessantes Buch von Julius Blüthner: Lehrbuch des Pianofortebaues. Blüthner war ein gefeierter Klavierbauer und somit direkter Konkurrent von Bechstein. Das Buch ist für Klavierbauer und Pianisten gedacht und beschreibt die „wichtigsten Mechaniken“ aus der Zeit Blüthners. Über die „französische Mechanik“, die sich im Bechstein 1870 befindet, sagt er u.a., dass sie so einfach wie zweckmäßig sei, sehr kraftvoll arbeitet, sehr viel leistet und langlebig sei. Der Flügel verbindet einen transparenten Klang mit einem großen dynamischen Umfang. Wunderbar! v

v

DEUTSCH

v

› MENU


Concertgebouw Brugge is an international music and performing arts centre with a focus on classical music and contemporary dance. Its thematic programming results in noteworthy festivals such as Bach Academy Bruges with Bach expert Philippe Herreweghe and the Budapest Festival curated by Iván Fischer. Other recurring festivals in which Concertgebouw Brugge is a leading partner are the MAfestival (early music), OPERAXXI (musical theatre), MORE MUSIC (pop-rock-electronic) and JAZZ BRUGES (jazz). There are outstanding contemporary music festivals such as SURROUND! and SLOW(36h). In 2018, Concertgebouw Brugge will start a Polyphony Festival, devoted to the music of medieval Bruges. Besides presenting the art of the past, Concertgebouw Brugge is also helping to build tomorrow’s canon. As commissioner and coproducer of new work, in collaboration with international partners, it supports both up-and-coming and established talent, locally and internationally. Often, these musical creations are part of a series ‘out-of-the-box events’, that are very different from regular concerts in set-up, location, programming etc. The three musical residents of Concertgebouw Brugge are Anima Eterna Brugge, Nadar Ensemble and Vox Luminis.

› MENU


RECORDED FROM 1 TO 3 july 2015 AT Concertgebouw Brugge (Belgium) Stephan Schellmann (Tritonius) RECORDING PRODUCEr, editing & mastering Catherine meeùs french TRANSLATION Charles Johnston ENGLISH TRANSLATION IGTV GERMAN TRANSLATION Valérie Lagarde & Aline Lugand-Gris Souris Valérie Lagarde DESIGN image alex vanhee inside photos

DESIGN & ARTWORK

ALPHA CLASSICS DIDIER MARTIN DIRECTOR LOUISE BUREL PRODUCTION AMÉLIE BOCCON-GIBOD EDITORIAL COORDINATOR ALPHA 282 P jos van immerseel & claire chevallier 2015 C Alpha Classics / Outhere Music France 2017

› MENU


INTRODUCING ALPHA PLAY! BY OUTHERE MUSIC

The simple way to discover high quality classical music

alphaplayapp.com


ALSO AVAILABLE

ALPHA 255

ALPHA 282


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Music for piano four hands by Outhere Music - Issuu