Skip to main content

Voorbeeldkatern - KERN Nederlands taal & cultuur ed. 2 oefenboek vwo bovenbouw

Page 1


KERN NEDERLANDS

TAAL  &  CULTUUR

OEFEN- EN EXAMENBOEK

TAAL & CULTUUR

Inhoud

Thema 1

De taal van je leven

A Introductie 12

B Mensen zijn taaldieren 14

COMMUNICATIE

Onderzoeksvaardigheden I

C Samenvatten 16

D Aantekeningen maken 19

E Bronnenonderzoek en bronvermelding 21

Thema 2

Communiceren doe je samen

A Introductie 38

B Communiceren doe je samen 40

Formuleren en stijl I

C Stijl 42

D Begrijpelijk formuleren 45

E Nauwkeurig formuleren 49

EINDOPDRACHTEN

F Verslag 24

G Presentatie 26

H Aanvullende bronnen 28

Thema 6 Politieke taal

TAAL & CULTUUR

A Introductie 148

B De kunst van het overtuigen 150

COMMUNICATIE

Argumenteren II

C Argumentatieschema’s 152

D Drogredenen 155

E Logica 157

F Motivatiebrief 52

G Speeddategesprek 54

H Aanvullende bronnen 56

Thema 7 Taalgeschiedenis

A Introductie 178

B De geschiedenis van het Nederlands 180

Onderzoeksvaardigheden II

C Samenvatten en aantekeningen maken 182

D Bronnenonderzoek 185

E Bronvermelding 188

EINDOPDRACHTEN

F Speech 161

G Manifest 163

H Aanvullende bronnen 166

F Presentatie 190

G Onderzoeksverslag 192

H Aanvullende bronnen 194

Thema 3 Mediamacht

A Introductie 68

B Iedereen journalist ? 70

Inhoud en opbouw I

C Tekstsoort, tekstdoel en tekstvorm 72

D Onderwerp en hoofdgedachte 74

E Tekststructuur 76

F Alinea’s en verbanden 78

G Interview (vraaggesprek) 80

H Interview (artikel) 82

I Aanvullende bronnen 84

Thema 8

Het literaire bedrijf

A Introductie 204

B Wie bepaalt wat literatuur is? 206

Formuleren en stijl III

C Stijl 208

D Begrijpelijk formuleren 212

E Aantrekkelijk formuleren 215

Thema 4

Taal en technologie

A Introductie 92

B Over praten, posten en prompten 94

Argumenteren I

C Overtuigen 96

D Aanvaardbaarheid van argumentaties 99

E Argumentatiestructuren 102

Thema 5 Taalvariatie

A Introductie 120

B Waarom spreekt niet iedereen hetzelfde Nederlands? 122

Formuleren en stijl II

C Formuleren 124

D Bondig formuleren 126

E Aantrekkelijk formuleren 129

F Debat 104

G Opinieartikel 106

H Aanvullende bronnen 108

Thema 9 Taalfilosofie

A Introductie 234

B Met taal doe je iets 236

F Verslag 132

G Podcast en discussie 134

H Aanvullende bronnen 136

Inhoud en opbouw II + Argumenteren III

C Tekststructuur 238

D Argumenteren 241

E Stijl 244

F Promotietekst 218

G Panelgesprek 220

H Aanvullende bronnen 222

F Socratisch gesprek 246

G Essay 248

H Aanvullende bronnen 250

Literatuur

A De kunst van lezen en schrijven

INLEIDING

1 De kunst van lezen en schrijven 264

2 Fictie & werkelijkheid 266

3 Literaire genres 268

PROZA

4 Het vertellen van verhalen 270

5 Plot, tijd en setting 272

6 Vertelperspectief en focalisatie 274

7 Personages en representatie 276

8 Thema en motieven 278

9 Huilbaby 280

POËZIE

10 Poëzie 282

11 Vormvaste poëzie 284

12 Vormvrije poëzie 286

13 Eigentijdse poëzie 288

14 Klank & ritme 290

15 Herhaling, tegenstelling en overige stijlfiguren 292

16 Beeldspraak 294

B Literatuurgeschiedenis

INLEIDING

17 Nederlandse literatuurgeschiedenis 298

18 Gedenk te sterven 1100–1550

Middeleeuwen 300

19 Pluk de dag 1550–1700

Renaissance 302

20 Alles is maakbaar 1700–1800

Verlichting 304

21 Gevoel & werkelijkheid 1800–1880

Romantiek & realisme 306

22 Een nieuw geluid 1880–1914

Modernisme 308

23 Twijfel & duistere krachten 1914–1940

Nihilisme & vitalisme 310

24 Vernietiging & vernieuwing 1940–1970

Existentialisme & autonomie 312

25 Rumoer, commercie & emancipatie 1970–2000

Postmodernisme & individualisme 314

26 Multicultureel & multimediaal 2000–2020

Globalisering & identiteit 316

27 Met de kennis van nu 318 in dit katern

EPILOOG

C Literaire ontwikkeling

28 Hoe ontwikkel ik mezelf als lezer? 322

29 Hoe kies ik boeken die bij mij passen? 324

30 Onderdelen van het leesportfolio 325

31 Literaire thema’s 326

Examen

A Het eindexamen Nederlands 334

B Soorten vragen: inhoud 336

C Soorten vragen: vorm 340

D Oefenen en analyseren 342

E Oefenteksten 344

1 AI en literatuur 344

2 Poëzieonderwijs 350

3 Pronouns 354

4 Klare taal 358

F Lijst met moeilijke woorden in eindexamens 364

TAAL & CULTUUR

Thema 5

Taalvariatie

COMMUNICATIE

EINDOPDRACHTEN

A Introductie 120

B Waarom spreekt niet iedereen hetzelfde Nederlands? 122

Formuleren en stijl II

C Formuleren 124

D Bondig formuleren 126

E Aantrekkelijk formuleren 129

F Verslag 132

G Podcast en discussie 134

H Aanvullende bronnen 136

A Introductie

v Doel

Je verkent de inhoud en vaardigheden waarmee je aan de slag gaat in het thema ‘Taalvariatie’.

v Om te beginnen

1 Verander jij weleens bewust je taalgebruik, bijvoorbeeld online, thuis of op school? T 2

v Zo ja, in welke situaties doe je dat en waarom?

v Zo nee, kun je een situatie bedenken waarin mensen hun taal aanpassen?

2 Hieronder staan vier zinnen die ongeveer dezelfde boodschap overbrengen, maar verschillen in taalgebruik. Rangschik de zinnen van voor jou gebruikelijke taal naar voor jou ongebruikelijke taal. Licht je antwoord toe. T 2

a Dat argument overtuigt mij niet.

b Dat slaat echt nergens op.

c Dat argument is weinig valide.

d Bro, dat is cap.

3 In de bovenstaande zinnen zie je verschillen in woordkeuze en stijl.

a Welke zin past volgens jou het best in een formele context? Licht je antwoord toe. T 2

b Welke factoren bepalen of taalgebruik als ‘passend’ wordt gezien? Noem er minstens twee. T 2

4 Taal verandert voortdurend.

a Noem een of meer woorden of uitdrukkingen die jij vaak gebruikt, maar die volgens jou tien jaar geleden minder gangbaar waren. T 2

b Waar denk je dat deze verandering vandaan komt? I

5 Nieuwe woorden ontstaan op verschillende manieren.

a Schrijf drie woorden of uitdrukkingen op die jij nieuw vindt (bijvoorbeeld woorden die je via sociale media of je vrienden kent). T 2

b Leg uit hoe deze woorden waarschijnlijk zijn ontstaan (leenwoord, samenstelling, betekenisverandering, etc.). I

c Verwacht je dat deze woorden blijvend zijn? Waarom wel of waarom niet? T 2

6 Betekenissen van woorden kunnen verschuiven.

a Geef een voorbeeld van een woord waarvan de betekenis volgens jou is veranderd. T 2

b Wat betekende het woord oorspronkelijk en wat betekent het nu? T 2

c Hoe kan zo’n betekenisverandering ontstaan? I

7 Taalnormen zijn aan verandering onderhevig. Noem een taalregel die of taalgebruik dat vroeger als fout werd gezien, maar nu vaker wordt geaccepteerd (of andersom). Hoe verklaar je deze verandering? I

8 Lees de volgende stelling: “Taalverandering maakt taal minder ‘correct’.”

a In hoeverre ben jij het eens of oneens met deze stelling? Licht je antwoord toe. I

b Bespreek je antwoord met een klasgenoot. Waar verschillen jullie inzichten? T 2

9 a Denk na over je eigen taalgebruik en beschrijf een situatie waarin taal (woordkeuze, toon, stijl) een belangrijke rol speelde in hoe een boodschap werd opgevat. T 2

b Wat zegt dit volgens jou over taalvariatie en context? I

10 Lees het gedicht ‘Immortelle IX’ uit de bundel

Snikken en grimlachjes van Piet Paaltjens, pseudoniem van François HaverSchmidt. Dit gedicht uit 1867 speelt zich af in Leiden en gaat over een vriendschap tussen twee studenten. François HaverSchmidt studeerde ook in Leiden.

a Beschrijf wat er gebeurt met de vriendschap in dit gedicht. R

b Heb je zelf weleens zoiets meegemaakt in een vriendschap? Zo ja, wat gebeurde er en hoe liep dit af? T 1

c Herschrijf dit gedicht in jongerentaal. Kies zelf of je rijm toevoegt aan je gedicht. T 2

d Welk effect ontstaat er door het gebruik van jongerentaal? Wat blijft er hetzelfde in het gedicht en wat verandert er? Wat vind je hiervan? I

5

Immortelle IX

Op ’t hoekje van de Hooigracht

En van den Nieuwen Rijn, Daar zwoer hij, dat hij zijn leven lang Mijn boezemvriend zou zijn.

En halverwegen tusschen

De Vink en de Haagsche Schouw, Daar brak hij, zes weken later zoowat, Den eed van vriendentrouw.

piet paaltjens

Uit: Snikken en grimlachjes (1867)

v In dit thema

Taal is constant in beweging. Woorden verdwijnen, betekenissen verschuiven en nieuwe vormen van communicatie ontstaan. Tegelijkertijd varieert taal: afhankelijk van context, publiek en doel kiezen taalgebruikers verschillende stijlen en varianten. Taal is dan ook een sociaal verschijnsel. In dit thema onderzoek je hoe taal verandert, waar taalvariatie door ontstaat en welke rol taal speelt in identiteit, macht en communicatie.

Je leert hoe je taalverschijnselen analyseert, hoe je taalgebruik kritisch beoordeelt en hoe je jouw bevindingen helder presenteert. Je gaat verder aan de slag met formuleren: hoe kies je de juiste woorden voor de boodschap die je wilt overbrengen? Daarbij werk je toe naar producten waarin je laat zien dat je taal niet alleen correct kunt gebruiken, maar ook bewust en strategisch kunt inzetten.

Je sluit dit thema af met twee eindopdrachten. Je maakt een verslag voor de schoolkrant en een podcast voor een algemeen publiek waarin je een discussie voert over taalvariatie.

B Waarom spreekt niet iedereen hetzelfde Nederlands?

v Doel

Je leert kritisch kijken naar verschillen in taalgebruik.

v Verkennen

1 Bespreek met een klasgenoot met welke woorden je tegen de volgende personen vertelt dat je om vier uur langskomt. Gebruik je verschillende woorden? Zo ja, waarom? T 2

a een vriend(in)

b een buurvrouw

c jouw leidinggevende bij je bijbaan

d jouw ouder / verzorger

e iemand van 80 jaar of ouder

v Verwerken

v Lees de paragraaf ‘Waarom spreekt niet iedereen hetzelfde Nederlands?’ (handboek, pp. 30–34) en beantwoord de vragen.

2 a Welke twee talen zijn in Nederland officieel erkend als regionale talen? R

b Wat is volgens de tekst het belangrijkste verschil tussen een regionale taal en een minderheidstaal zoals het Jiddisch? R

3 a Wat is de betekenis van de afkorting ABN en hoe wordt deze taalvorm tegenwoordig genoemd? R

b Noem twee oorzaken die in de tekst worden gegeven voor het feit dat lokale dialecten langzaam verloren gaan. R

c Waarom denk je dat er een nieuwe term is gekomen in de plaats van ABN? I

4 a Zoals je in de tekst kunt lezen, zeggen sommigen friet en anderen patat. Onder welke vorm van taalvariatie (klank, woord of grammatica) valt dit voorbeeld? T 1

b Leg uit waarom het Nederlands een pluricentrische taal wordt genoemd. Gebruik in je antwoord de situatie in België of Suriname. T 1

5 a In het handboek wordt onderscheid gemaakt tussen etnolecten en sociolecten. Geef van beide begrippen een definitie op basis van de tekst. T 1

b In welke categorie (etnolect of sociolect) zou je kantoortaal plaatsen? Motiveer je antwoord met informatie uit de tekst T 1

6 a Wat wordt verstaan onder een register? R

b Beschrijf een van de drie situaties uit de tekst waarin een jongere een bepaald register gebruikt en leg uit welke situationele factor hierbij een rol speelt. T 1

7 a Leg uit hoe een regiolect verschilt van een lokaal dialect aan de hand van het voorbeeld over ‘schaatsen’ (scheuveln versus schoatsen). T 2

b Waarom wordt een hyperdialect door oudere dialectsprekers vaak als ‘nep’ of ‘fout’ ervaren? T 1

8 a Noem drie talen die invloed hebben gehad op het ontstaan van straattaal in Nederland. R

b Waarom kan straattaal worden beschouwd als een ‘mengtaal’? T 2

c Leg uit welke rol straattaalwoorden zoals fittie en skeer tegenwoordig spelen in het Nederlands, ondanks dat ze niet tot de standaardtaal behoren. T 2

9 a Wat is een sjibbolet en welke sociale functie vervult dit binnen een groep? I

b Analyseer de volgende bewering: ‘Een accent is niet alleen een manier van uitspreken, maar ook een instrument om een identiteit vorm te geven.’ Onderbouw je analyse met het voorbeeld van de Gooise r of de zachte g. I

10 a Leg in je eigen woorden uit wat het begrip crossing betekent  T 1

b Waarom zouden sprekers zonder migratieachtergrond ervoor kiezen om kenmerken van een etnolect (zoals een Marokkaans accent) over te nemen? Betrek het begrip sociale praktijk in je antwoord. I

11 a De auteur van de handboektekst stelt dat taal een ‘spiegel van de samenleving’ is. Leg uit wat zij hiermee bedoelt I

b In de tekst wordt een spanning beschreven tussen het belang van de standaardtaal en de waarde van taalvariatie. Beschrijf hoe een spreker volgens de auteur met deze spanning om kan gaan in diens professionele en persoonlijke leven. I

v Verdiepen

12 Taalvariatie weerspiegelt de samenleving. Tegelijkertijd is er een spanningsveld tussen het belang van de standaardtaal voor je carrière en de waarde van taalvariëteiten voor je identiteit (zie opdracht 11). In deze opdracht ga jij een betoog schrijven (ca. 500 woorden) waarin je een standpunt inneemt over deze kwestie. Bekijk de volgende stellingen:

A De focus op Standaardnederlands binnen het onderwijs zorgt voor uitsluiting.

B Het gebruik van crossing is een verrijking voor de Nederlandse identiteit.

C Dialectverlies is geen probleem voor de Nederlandse taal.

D Dialectverlies is een probleem voor de Nederlandse taal.

a Kies een van de stellingen voor je betoog. T 1

b Maak een schrijfplan (zie ook ‘Schrijven volgens een stappenplan’, handboek pp. 100–101). Hierin werk je twee argumenten vóór je stelling uit, waarvoor je de tekst in het handboek mag gebruiken, maar ook zelf informatie mag opzoeken. Wel gebruik je minstens drie kernbegrippen uit het handboek op een correcte manier (bijvoorbeeld sjibbolet). I

c Formuleer in je schrijfplan één tegenargument en weerleg dat. I

d Schrijf nu je betoog. Voeg een inleiding en een slot toe van drie tot vijf zinnen en geef het geheel een pakkende titel. I

C Formuleren

v Doel

Je reflecteert op verschillende stijlen en oefent met begrijpelijk en nauwkeurig formuleren.

v Verkennen

1 Als je iets wilt zeggen, kun je dat op veel verschillende manieren doen.

a Bedenk vijf verschillende manieren waarop je iemand bedankt voor diens tijd. Schrijf die zinnen op. T 2

b Welke woorden maken dat elke zin net een andere betekenis heeft? Leg uit. T 2

v Verwerken

v Herlees de paragrafen 15–17 uit Communicatie (handboek, pp. 88–93) en beantwoord de vragen.

2 a Waarom moet je kritisch zijn bij het gebruik van de lijdende vorm? R

b Geef een voorbeeld van een zin waarin de lijdende vorm beter past dan een actieve zin. Leg uit waarom. I

3 a Geef aan waarom de onderstaande zinnen onduidelijk zijn. T 1

b Herschrijf de zinnen zodat ze nauwkeuriger zijn. T 2

a Voor een betaalbaar maandelijks bedrag kun je op onze locatie vaak komen sporten.

b Na een tijdje waren de klachten bij het merendeel van de patiënten verminderd.

c We helpen u graag bij een andere kassa.

4 Lees de tekst “Zijn zorgen over de Nederlandse taal terecht? ‘Ontwikkeling en zorg horen erbij’ ” hiernaast en beantwoord de vragen.

a Waarom is het woord hallucineren volgens deze tekst een voorbeeld van taalverandering? T 1

b Waarom benadrukt Van Oostendorp dat taalverandering erbij hoort? T 2

c Welk onderliggend taalwetenschappelijk uitgangspunt herken je hierin? I

5 a Waarom ervaart Van Oostendorp de reactie ‘geen probleem’ als ongemakkelijk? R

b Leg uit waarom iemand van jouw leeftijd hier wellicht minder moeite mee heeft. I

6 ‘De onderwijsinspectie heeft naar buiten gebracht dat kinderen lastiger gesprekken kunnen voeren.’ (regels 28–31)

a Wat is er onduidelijk aan deze formulering? T 1

b Herschrijf de zin zodat die nauwkeuriger is. T 2

7 Welke functie hebben stopwoordjes volgens Van Oostendorp? T 2

8 a Welke algemene visie op taal spreekt uit deze tekst? T 2

b Leg uit hoe deze visie zich verhoudt tot een normatieve kijk op taal. I

9 a Formuleer de hoofdgedachte van de tekst in één zin van maximaal 20 woorden. T 2

b Leg uit welke keuzes je hebt gemaakt om tot je formulering te komen. T 2

Zijn zorgen over de Nederlandse taal terecht? ‘Ontwikkeling en zorg horen erbij’

[  1  ] ‘Hallucineren’ is door Van Dale verkozen tot ‘Woord van het Jaar’. Hoewel het geen nieuw woord is, heeft het wel een nieuwe betekenis gekregen sinds de komst van AI: een chatbot ‘hallucineert’ namelijk op het moment dat het verkeerde informatie verstrekt. “Er is geen taal ter wereld die niet verandert, dat hoort erbij”, zegt Marc van Oostendorp, hoogleraar Nederlands, bij Spraakmakers.

[  2  ] Dat taal continu in beweging is, ziet Van Oostendorp bijvoorbeeld wanneer hij iemand bedankt. “Ik moet elke keer toch weer wennen als iemand vervolgens ‘geen probleem’ zegt. Dat suggereert voor mij en voor veel mensen van mijn generatie dat het misschien wel een probleem is om mij te helpen. Waar is ‘niets te danken’ gebleven?”

[  3  ] Ondanks dat Van Oostendorp zich dat afvraagt, kun je je maar beter niet ergeren aan veranderingen in de taal, is zijn advies. “Het is zoals het is. En aan dingen waar heel weinig aan te doen is, kun je je maar beter niet ergeren.”

Communiceren kan lastig zijn

[  4  ] Niet alleen de taal, maar ook de manier waarop we communiceren verandert. “De onderwijsinspectie heeft naar buiten gebracht dat kinderen lastiger gesprekken kunnen voeren. Als dat doorzet, is dat heel zorgelijk.”

Want volgens Van Oostendorp zijn we “als samenleving gebaat bij met elkaar praten, want het is de belangrijkste vorm van communicatie die we hebben.”

[  5  ] Maar Van Oostendorp ziet dat communiceren soms ook best lastig kan zijn, en dat is één van de redenen waarom we ook stopwoordjes als ‘zeg maar’ en ‘in principe’ gebruiken om onze zinnen op te vullen. “Je bent met heel veel tegelijk bezig. Terwijl je aan het praten bent, ben je op zoek naar nieuwe woorden. Dan is het niet vreemd als je grijpt naar brokjes taal die vooraan in je geheugen liggen.”

Bron: NPO Radio 1, 16 december 2025

v Verdiepen

10 a Formuleer een korte reactie op de vraag ‘Zijn zorgen over de Nederlandse taal terecht?’ (maximaal 40 woorden) waarin je uitlegt waarom taalverandering onvermijdelijk is. Kies een van de volgende doelgroepen en pas je formulering daarop aan: een docent, een basisschoolleerling of je opa. I

b Leg uit welke keuzes je hebt gemaakt om je tekst passend te maken voor de gekozen doelgroep. I

11 a Kies een nieuw woord of nieuwe uitdrukking uit je eigen taalgebruik. T 2

b Leg aan iemand die het woord of de uitdrukking niet kent uit wat de betekenis ervan is en hoe het wordt gebruikt. I

c Leg uit welke formuleringstechnieken je hebt toegepast om misinterpretatie te voorkomen. I

D Bondig formuleren

v Doel

Je leert hoe je een boodschap zo krachtig mogelijk overbrengt.

v Verkennen

1 Wat betekent het woord bondig? T 1

2 De volgende zinnen zijn onhandig en te lang geformuleerd. Herschrijf de zinnen, zodat ze zo bondig én effectief mogelijk worden. T 2

a Gezien het feit dat er sprake was van een aanzienlijke toename van de werkdruk, zag de organisatie zich genoodzaakt om over te gaan tot het implementeren van aanvullende maatregelen.

b In de context van de huidige maatschappelijke ontwikkelingen met betrekking tot diversiteit en kansengelijkheid, kan worden vastgesteld dat het debat omtrent taalverandering steeds nadrukkelijker aanwezig is.

c Het is niet ondenkbaar dat er in de toekomst mogelijk sprake zal zijn van verdere verschuivingen binnen de taalnorm.

d Vanuit een taalwetenschappelijk perspectief kan worden betoogd dat variatie binnen taalgebruik een fenomeen is dat als inherent aan taal kan worden beschouwd.

3 a Schrijf een zo complex mogelijke zin waarin sprake is van stilistische overbodigheid (bijvoorbeeld met omslachtige formulering of onnodige abstractie). I

b Wissel hierna je zin uit met die van een klasgenoot. Herschrijf de zin van je klasgenoot zo bondig en helder mogelijk. T 2

v Verwerken

v Lees de paragraaf ‘Bondig formuleren’ (handboek, pp. 94–95) en beantwoord de vragen.

4 a Bijwoorden voegen niet altijd iets toe. Wanneer is het wél handig om bijwoorden te gebruiken? R

b Moet je de Elsschotproef altijd toepassen als je een tekst schrijft? Leg uit. T 2

5 Lees de tekst ‘NOS Journaal in Makkelijke

Taal van start’ op de pagina hiernaast en beantwoord de vragen.

a Voor welke doelgroep is het NOS Journaal in Makkelijke Taal bedoeld? R

b Waarom kan deze doelgroep worden omschreven als gevarieerd? T 1

6 a Welk probleem blijkt uit het onderzoek dat in het artikel wordt genoemd? T 1

b Leg uit waarom dit probleem voor een nieuwsorganisatie relevant is. I

7 a Waarom is het Jeugdjournaal niet altijd een oplossing voor deze doelgroep? T 1

b Welke verschillen in inhoud en presentatie spelen hierbij een rol? T 1

c Leg uit op welke manier deze kenmerken bijdragen aan begrijpelijkheid. T 2

8 a Welke ontwikkeling in taalgebruik wordt beschreven in alinea 5? T 1

b Leg uit waarom deze ontwikkeling past binnen bredere taalverandering. I

Journaal in Makkelijke Taal

Naar: nos.nl, 9 september 2024

[  1  ] De NOS komt vanaf vandaag met een nieuwe tv-uitzending: het NOS Journaal in Makkelijke Taal. Dat is bedoeld voor mensen die moeite hebben met de Nederlandse taal, zo’n 2,5 miljoen mensen.

[  2  ] Een gevarieerde groep, bestaande uit ouderen, mensen met een andere eerste taal, zoals nieuwkomers, of mensen die leerproblemen of een problematische schooltijd hebben gehad.

[  3  ] Uit onderzoek is gebleken dat het nieuws voor deze groepen vaak moeilijk te volgen is en daardoor lastig te verwerken. “En omdat de NOS er voor iedereen is hebben wij de handschoen opgepakt en dit journaal ontwikkeld”, zegt Marga van Beusekom, eindredacteur van het NOS Journaal in Makkelijke Taal

[ 4  ] Als het NOS Journaal van 20.00 uur lastig te volgen is kun je ook terecht bij het Jeugdjournaal, maar dat is voor veel mensen niet de oplossing, denkt Van Beusekom. “De doelgroep is anders, dus zal de onderwerpkeuze en invalshoek bij het nieuws daarop moeten aansluiten. Zo vertel je het nieuws voor kinderen vaak met veel vaart en effecten. Het tempo en het gebruik van beeld in het NOS Journaal in Makkelijke Taal is juist veel rustiger, zodat het voor die doelgroep goed te volgen is. Het programma heeft ook minder onderwerpen dan andere journaals, de presentator geeft meer uitleg en er worden geen moeilijke woorden gebruikt.”

[  5  ] “De taal in de gewone journaals is in de loop van de jaren zeker ook veranderd”, zegt Tjitske Speckmann, chef eindredactie. “We gebruiken meer spreektaal, kortere zinnen en geen jargon en onnodig moeilijke woorden. Maar we gaan bij het maken van het gewone journaal wel uit van mensen die de Nederlandse taal redelijk goed beheersen en een bepaalde basiskennis hebben.”

[ 6  ] Dat hoeft zeker geen hoger of universitair niveau te zijn. Het gewone journaal gaat er bijvoorbeeld van uit dat de kijkers weten wat de NAVO is. In het NOS Journaal in Makkelijke Taal zal dat veel meer uitgelegd worden”, zegt Van Beusekom. “Op het moment dat Rutte daar de baas wordt, zullen we dat uitgebreid behandelen.”

journaal

Verrassende resultaten van een grote Europese studie naar kinderen die naar de opvang gaan.

Die zijn op latere leeftijd minder druk en hebben minder last van depressieve gevoelens en angsten.

journaal in makkelijke taal

We gaan verder met een bericht over kinderopvang.

Is het goed voor kinderen om ze daarheen te brengen of niet?

Daar is een groot onderzoek naar gedaan.

En daar komt uit dat de kinderopvang goed kan zijn voor kinderen.

[  7 ] Het eerder genoemde onderzoek, dat werd uitgevoerd samen met de Stichting Lezen en Schrijven én met mensen die zelf moeite hebben met lezen en schrijven, leidde in 2021 al tot het NOS Nieuws van de Week, een wekelijks journaal op YouTube en op regionale en lokale tvzenders. Het NOS Journaal in Makkelijke

Taal is daar een vervolg op.

[  8  ] “In principe maken we gebruik van bestaand materiaal, maar verslaggevers zullen op ons verzoek ook interviews speciaal voor ons journaal opnemen”, zegt Van Beusekom.

[  9  ] Verslaggever Joris van Poppel, die heeft meegewerkt aan een proefuitzending, heeft een interview met een deskundige twee keer opgenomen.

“Als een geïnterviewde te moeilijke woorden gebruikt stellen we de vraag opnieuw, daar gaan we extra op letten”, zegt Van Poppel.

[  10 ] Ook kan het zijn dat er aanvullende opnamen worden gemaakt om een onderwerp dichter bij de doelgroep te brengen, zoals bij een onderwerp over niet gestoord worden buiten werktijd.

[  11 ] De gewone journaals interviewden hiervoor werknemers op een kantoor. Het NOS Journaal in Makkelijke Taal zal eerder kiezen voor mensen met praktische beroepen. “We willen dat het journaal zo veel mogelijk aansluit bij de belevingswereld van onze doelgroep.”

[  12 ] Het NOS Journaal in Makkelijke Taal wordt gepresenteerd door de bekende gezichten van het NOS Journaal en is dagelijks te zien om 17.00 uur op NPO 1. Het gewone journaal komt dan te vervallen.

9 Wat is de relatie tussen het NOS Nieuws van de Week en het NOS Journaal in Makkelijke Taal? T 1

10 a Waarom zal het NOS Journaal in Makkelijke Taal interviews soms opnieuw opnemen of andere personen interviewen? T 1

b Leg uit hoe deze keuzes samenhangen met effectieve formulering. T 2

11 a Formuleer de hoofdgedachte van de tekst zo bondig mogelijk (maximaal 25 woorden). T 2

b Leg uit welke keuzes je hebt gemaakt om tot een bondige formulering te komen. T 2

12 a Herschrijf alinea 4 in makkelijke taal. Zorg voor korte zinnen en eenvoudige woorden. T 2

b Vergelijk jouw hertaling met die van een klasgenoot. Wat hebben jullie hetzelfde gedaan en wat zijn de verschillen tussen jullie hertalingen? T 2

v Verdiepen

13 Je gaat zelf een Journaal in Makkelijke Taal opnemen over jouw schoolweek tot nu toe. Het journaal duurt minimaal drie en maximaal vijf minuten.

a Schrijf kort op wat je deze week hebt meegemaakt op school. T 1

b Lees je tekst kritisch door: wat kan er korter en bondiger, wat heeft er meer uitleg nodig en welke woorden zijn misschien te ingewikkeld voor jouw publiek? T 2

c Schrijf een script waarin je minimaal drie nieuwsitems (gebeurtenissen van de schoolweek) bespreekt in makkelijke taal. I

d Laat je script door een klasgenoot lezen en vraag deze klasgenoot om feedback. Pas waar nodig je script aan. T 2

e Film jezelf terwijl je het script voorleest. Zorg dat je binnen de tijd blijft. I

f Reflecteer op de vragen: Hoe was het om in makkelijke taal te schrijven? Welke woorden heb je weggelaten? Wat vind je er zelf eigenlijk van dat het NOS Journaal in Makkelijke Taal bestaat? I

E Aantrekkelijk formuleren

v Doel

Je leert hoe je een prettig te lezen of te beluisteren tekst schrijft.

v Verkennen

1 Stel: je zoekt een bijbaan. Lees hieronder de twee vacatureteksten, van supermarkt A en van supermarkt B.

a Welke van de twee vacatures spreekt jou het meest aan? Waarom? T 1

b Het taalgebruik in de teksten is verschillend. Noem een verschil tussen het taalgebruik van supermarkt A en B. T 2

A Wij zijn op zoek naar een nieuwe collega voor de functie van kassamedewerker. In deze functie ben je verantwoordelijk voor het scannen van producten, het afrekenen van de boodschappen en het netjes houden van je werkplek. Je werkt volgens een rooster, waarbij je ook beschikbaar bent in de avonden en weekenden. Je hebt een klantvriendelijke houding en kunt zowel zelfstandig als in teamverband werken. Ervaring is een pre, maar geen vereiste. Wij bieden een marktconform salaris en een prettige werkomgeving. Geïnteresseerd? Neem contact met ons op via het contactformulier op de website.

B Ben jij razendsnel met je scanner? Kun jij glimlachen én rekenen tegelijk? Dan zoeken wij jou! In onze supermarkt ben jij niet zomaar een kassamedewerker — jij bent het laatste gezicht dat klanten zien. Jij maakt het verschil tussen ‘meh’ en ‘wow!’. Geen ervaring? Geen probleem. Wel zin om je handen uit de mouwen te steken, je collega’s bij te staan en klanten blij de deur uit te laten gaan? Dan zit je hier goed. Je werktijden? Flexibel. Je collega’s? Gezellig. Je werkdagen? Nooit saai. Kortom: klaar om de koning(in) van de kassa te worden? Wacht niet langer — solliciteer nu !

v Verwerken

v Lees de paragraaf ‘Aantrekkelijk formuleren’ (handboek, pp. 96–97) en beantwoord de vragen.

2 a Wat is een synoniem? T 1

b Synoniemen worden weleens beschreven als geheime ingrediënten van een tekst. Ben je het hiermee eens? Leg je antwoord uit. T 2

3 In het handboek lees je dat je een tekst ook aantrekkelijker kunt maken met stijlfiguren. Zoek in het ‘Overzicht stijlfiguren’ (handboek, pp. 106–107) van de volgende stijlfiguren de betekenis op: R

a ironie

b retorische vraag

c hyperbool d tricolon

4 a Bedenk bij alle vier de stijlfiguren uit opdracht 3 een eigen voorbeeld. T 2

b Wissel je stijlfiguren uit met die van een klasgenoot en beoordeel of je de stijlfiguren inderdaad terugziet in de voorbeelden. T 2

5 Lees de tekst ‘Chatbots discrimineren dialectsprekers’ op p. 131 en beantwoord de vragen.

a Op welke manier wordt de hoofdgedachte van de tekst in de inleiding gepresenteerd? T 1

b Vind jij het taalgebruik van de auteur aantrekkelijk? Waarom wel of niet? T 2

c Waarom kan de kop ‘Chatbots discrimineren dialectsprekers’ als aantrekkelijk worden beschouwd? T 2

6 a Welke stijl hanteert de schrijver in dit stuk? Noem drie woorden of formuleringen waaruit dat blijkt. T 2

b Leg uit welk effect deze woordkeuze heeft op de lezer. I

7 a Welke rol speelt het woord interessant in alinea 1? T 2

b Leg uit wat de invloed van zo'n woord is op de manier waarop de tekst gelezen wordt. I

8 Welke functie heeft het tussenkopje ‘Vooroordelen’? T 1

9 Waarom gebruikt de auteur voorbeelden zoals psychiater of boer (regel 37)? T 2

10 a In hoeverre is de tekst feitelijk of waarderend te noemen? T 2

b Leg uit hoe de formuleringen in de tekst hierbij een rol spelen. I

11 a Formuleer een pakkende tekst voor een socialemediapost (maximaal 25 woorden) waarin je de hoofdgedachte weergeeft van de tekst ‘Chatbots discrimineren dialectsprekers’. I

b Leg uit waarom jouw formulering volgens jou goed werkt binnen die context. T 2

v Verdiepen

12 De hoofdgedachte van de tekst is dat chatbots dialectsprekers anders beoordelen dan sprekers van standaardtaal. Jij gaat die hoofdgedachte op twee verschillende manieren opschrijven. Maak eventueel gebruik van synoniemen.net

a Schrijf een neutrale, zo objectief mogelijke boodschap waarbij je geen sturende taal gebruikt. I

b Schrijf dit ook op een dramatische toon, alsof dit voor jou het belangrijkste ter wereld is. I

13 a Wissel je zinnen uit met die van een klasgenoot en vergelijk diens zinnen. Welke versie van de tekst maakt op jou de meeste indruk? Hoe komt dit? T 2

b Waar ligt voor jou de grens tussen aantrekkelijk formuleren en manipuleren? I

Chatbots discrimineren dialectsprekers

Bron: marc van oostendorp, Neerlandistiek, 6 december 2025

[  1  ] Nieuw interessant nieuws over chatbots: ze zijn niet erg onder de indruk van dialectsprekers. Of in ieder geval niet van Duitse dialectsprekers, maar er is weinig reden om te veronderstellen dat hun oordelen voor het Nederlands anders zouden zijn. Dat blijkt uit een nieuw artikel in de ACL Anthology, een uitgave van de vereniging voor computertaalkunde.

[  2  ] We wisten al dat kunstmatige intelligentie door de bank genomen minder goed met dialect kan omgaan dan met standaardtaal, en dat is ook te begrijpen. Chatbots vinden spraakopnamen in dialect lastiger te verstaan, ze zijn zelf minder goed in staat om dialect voort te brengen en vervallen de hele tijd in standaardtaal als je ze vraagt het toch te doen. Dat komt, natuurlijk, doordat er voor het gemiddelde dialect nu eenmaal veel minder data voorhanden zijn – minder geluidsopnamen, minder teksten. En chatbots beheersen een taal alleen als ze eerst miljarden voorbeelden hebben kunnen inzien.

[  3  ] Maar uit dit onderzoek blijkt dat die chatbots dialectsprekers kwalificeren als minder competent, minder geletterd en in het algemeen minder geschikt voor een baan in een internationale omgeving.

Vooroordelen

[  4  ] De onderzoekers gebruikten hiervoor een techniek die ook op mensen gebruikt is: je laat mensen een verhaaltje lezen of beluisteren, en je vraagt ze wat ze vinden van de schrijver of de spreker. Je zegt niet dat het gaat om het taalgebruik, de deelnemers zullen dus vaak denken dat het gaat om het verhaaltje, maar je vraagt: welk beroep zou geschikt voor deze persoon zijn, psychiater of boer? Of zou deze persoon diens studie strategisch plannen of op het laatste moment pas beginnen?

[  5  ] Wat de mensen niet weten: verschillende groepen lezen dezelfde tekst, de ene groep in

Leesplenkske vaan de Mestreechter taol

standaardtaal, de ander in dialect. Omdat dit het enige verschil is tussen de twee groepen, zijn alle verschillen in oordelen die ze geven toe te schrijven aan de verschillende (voor)oordelen over de dialecten.

[  6  ] De onderzoekers lieten deze test nu doen door allerlei veelgebruikte chatbots, en daaruit bleek dus dat ze verschil maakten. Hoe dat precies mogelijk is, vind ik wat raadselachtig (ze zullen toch niet getraind zijn op de resultaten van dit soort onderzoek bij mensen), maar het weerspiegelt natuurlijk op de een of andere manier de vaak onuitgesproken vooroordelen die onder mensen leven zo’n beetje zoals de makers hun chatbots enorm hebben moeten africhten om niet allerlei racistische vooroordelen te spuien.

[  7  ] Het is daarmee ook weer niet gezegd dat diezelfde chatbots mensen neerbuigend zullen behandelen als ze in dialect schrijven. Maar helemaal ondenkbaar is het ook weer niet.

F Eindopdracht Verslag

v Doel

Je doet onderzoek naar taalvariatie en schrijft hierover een verslag.

v Verkennen

v Herlees de paragraaf ‘Verslag’ (handboek, pp. 118–119) en bron 1 ‘Waarom pijn overal ter wereld bijna hetzelfde klinkt’ (oefenboek, pp. 136–137). Maak daarna onderstaande opdrachten.

a Noem twee andere woorden voor verslag  R

b Waarom kun je de tekst ‘Waarom pijn overal ter wereld bijna hetzelfde klinkt’ beschouwen als een verslag? T 1

c Vind je dat de titel ‘Waarom pijn overal ter wereld bijna hetzelfde klinkt’ de lading dekt van het artikel? Leg uit. T 2

d In alinea 1 staat: “Wellicht ontsnapt je dan een uitroep die we hier maar beter niet kunnen opschrijven, maar als je je een beetje weet te beheersen, blijft het als Nederlander of Vlaming bij een beschaafde ‘au’.” Pas de Elsschotproef toe en herschrijf deze zin. T 2

e Vind je de zin nu duidelijker geworden? Waarom wel of niet? T 2

v Schrijfopdracht Verslag

In dit thema heb je je verdiept in taalvariatie, taalverandering en de invloed van formulering op interpretatie en overtuigingskracht. De redactie van de schoolkrant heeft jou gevraagd om een verslag te schrijven over een taalvraagstuk. Schrijf een verslag van 500–700 woorden over een van de volgende drie onderwerpen:

A Taal en perceptie: hoe beïnvloedt taalgebruik ons oordeel over sprekers en schrijvers?

B Dialoog over dialect: wat is de rol van dialecten in de samenleving en wat zal er in de toekomst met dialecten gebeuren ?

C Jongerentaal op straat of op sociale media: verslonzing of vernieuwing?

Beschikbare bronnen

v paragraaf ‘Waarom spreekt niet iedereen hetzelfde Nederlands?’ (handboek, pp. 30-34)

v alle bronnen in de paragrafen A tot en met E (oefenboek, pp. 120–131)

v aanvullende bronnen in paragraaf H (oefenboek, pp. 136–145)

v Voorbereiden

v Stap 1 Oriënteer je op de schrijfopdracht. T 2

v Lees de schrijfopdracht en bepaal welk taalvraagstuk je wilt onderzoeken.

v Bepaal voor welk publiek je schrijft. Denk na over register, en bijbehorende toon en formulering.

v Stap 2 Selecteer bruikbare bronnen. T 2

v Noteer welke bronnen bruikbaar zijn.

v Beoordeel de bronnen op betrouwbaarheid.

v Lees of beluister de gekozen bronnen intensief en maak aantekeningen. Verzamel verschillende perspectieven, standpunten en argumenten.

v Orden je bevindingen. Wat wordt de hoofdgedachte van je verslag?

v Stap 3 Maak een schrijfplan (zie ook ‘Schrijven volgens een stappenplan’, handboek pp. 100–101). Bepaal een logische structuur en orden de informatie die je hebt geselecteerd voor de onderdelen in je verslag. I

v Schrijven

v Stap 4 Schrijf nu je verslag (500–700 woorden). Denk aan de volgende punten: I

v Zorg dat je meteen de aandacht van de lezer trekt met aantrekkelijk taalgebruik, zoals stijlfiguren of het stellen van vragen.

v Presenteer informatie, perspectieven en argumenten helder en samenhangend.

v Besteed aandacht aan bondige en aantrekkelijke formulering.

v Trek in het slot een duidelijke conclusie.

v Evalueren

v Stap 5 Lees je tekst kritisch door en verbeter deze waar nodig. T 2

v Kijk of je tekst daadwerkelijk een antwoord vormt op het vraagstuk dat je hebt gekozen.

v Controleer inhoud, structuur en formulering.

v Controleer samenhang en stijl.

v Controleer je tekst op taal- en spelfouten.

v Stap 6 Wissel je tekst uit met die van een medeleerling. Geef elkaar feedback op gebied van opbouw, argumentatie en formulering. T 2

G Eindopdracht Podcast en discussie

v Doel

Je maakt een podcast voor een algemeen publiek waarin je een discussie voert over taalvariatie.

v Verkennen

v Lees de paragraaf ‘Discussie’ (handboek, p. 135) en maak daarna de onderstaande opdrachten.

a Waarin onderscheidt de discussie zich van het debat? R

b Waarin verschilt een discussie tijdens een podcast met een discussie tijdens de les Nederlands? T 2

c Wat betekent dit voor de podcastmaker? T 2

v Spreekopdracht Podcast en discussie

In dit thema heb je veel geleerd over het effect dat taalgebruik op mensen heeft. Samen met een klasgenoot ga je nu een podcast maken van 15 minuten, waarin jullie minimaal één gast uitnodigen om met jullie in discussie te gaan. Neem een van jullie verslagen bij paragraaf 5F als uitgangspunt, of kies een van de volgende onderwerpen:

A Taal en inclusiviteit: is onze taal toereikend genoeg voor mensen die buiten de norm vallen, zoals mensen die Nederlands niet als eerste taal hebben of mensen die met het voornaamwoord hen aangesproken willen worden?

B Jouw taal of onze taal: waarom is het wel of niet erg als mensen spelfouten maken of bijvoorbeeld straattaal gebruiken op school?

C Toenemend gebruik van het Engels in de Nederlandse taal: een echte no-go?

Beschikbare bronnen

v paragraaf ‘Waarom spreekt niet iedereen hetzelfde Nederlands?’ (handboek, pp. 30-34)

v alle bronnen in de paragrafen A tot en met E (oefenboek, pp. 120–131)

v aanvullende bronnen in paragraaf H (oefenboek, pp. 136–145)

v Voorbereiden

v Stap 1 Vorm tweetallen en kies een onderwerp voor jullie podcast. T 1

v Stap 2 Selecteer beiden bruikbare bronnen en vergelijk vervolgens jullie selectie. T 2

v Beoordeel individueel de beschikbare bronnen op betrouwbaarheid, relevantie en perspectief.

v Noteer welke bronnen bruikbaar zijn voor de podcast.

v Zoek minimaal twee nieuwe bronnen bij het door jullie gekozen onderwerp.

v Vergelijk je bronselectie met die van de klasgenoot met wie je samenwerkt: verschillen jullie keuzes of interpretaties? Bespreek deze verschillen.

v Stap 3 Bereid de inhoud van de podcast voor. I

v Wat wordt de centrale vraag of stelling van jullie podcast?

v Hoe zorgen jullie voor een inhoudelijk sterke en levendige discussie? Overweeg het gebruik van verschillende perspectieven of standpunten.

v Welke rol spelen argumentatie, voorbeelden en nuancering?

v Wie nodigen jullie uit als gast? Motiveer waarom deze persoon een relevante bijdrage kan leveren.

v Ontwerp een logische structuur voor de podcast (introductie, kern, afronding).

v Stap 4 Bereid de opname van de podcast voor. I

v Hoe trekken jullie direct de aandacht van de luisteraar?

v Hoe zorgen jullie voor bondig, helder en aantrekkelijk taalgebruik?

v Werken jullie met een script, een globale structuur of steekwoorden?

v Welke voorbereiding heeft jullie gast nodig?

v Hoe bewaken jullie de inhoudelijke focus en dynamiek van het gesprek?

v Ontwikkel alvast een passende en memorabele afsluiting.

v Stap 5 Verdeel de taken. I

v Inventariseer welke taken er zijn (inhoud, techniek, presentatie, montage).

v Verdeel verantwoordelijkheden en leg afspraken vast.

v Spreek strategieën af voor het sturen van de discussie (bijvoorbeeld bij stiltes of zijsporen).

v Spreken

v Stap 6 Neem de podcast op. I

v Zorg voor goede verstaanbaarheid en geluidskwaliteit.

v Gebruik passende overgangen tussen gespreksonderdelen.

v Houd rekening met een algemeen publiek: licht complexe begrippen toe.

v Let op formulering, tempo en samenhang.

v Evalueren

v Stap 7 Vraag jullie gast om de podcast te beluisteren en te beoordelen op de volgende punten: T 1

v Inhoud — Is de centrale vraag helder uitgewerkt? Is er sprake van diepgang en nuance?

v Taalgebruik — Is de formulering bondig, helder en aantrekkelijk? Past het taalgebruik bij het medium?

v Structuur — Is de podcast logisch opgebouwd? Blijft de discussie boeiend en samenhangend?

v Stap 8 Evalueer de podcast met klasgenoten. I

v Beoordeel elkaars podcasts op inhoud, formulering en impact.

v Formuleer bondige en inhoudelijke feedback.

v Reflecteer op de ontvangen beoordelingen: in hoeverre ben je het eens met de feedback? En hoe aantrekkelijk is de feedback eigenlijk geformuleerd?

v Selecteer aan de hand van jullie bevindingen het sterkste fragment (maximaal één minuut) en lever dit in.

v Heb je de leerdoelen bij dit thema bereikt?

R Ik weet wat taalvariatie inhoudt, wat voorwaarden zijn voor een goede discussie en waarop deelnemers moeten letten.

T 1 Ik herken verschillende schrijfstijlen, overbodige zinsdelen en (on)aantrekkelijk geformuleerde zinnen.

T 2 Ik kan mijn boodschap en formuleringen aanpassen aan mijn lezer en gesprekspartner.

I Ik kan een onderzoeksverslag schrijven en een discussie voeren over taalvariatie.

H Aanvullende bronnen

v Doel

Je leest en beluistert verschillende bronnen over taalvariatie om informatie te verzamelen voor de eindopdrachten: het schrijven van een verslag en het maken van een podcast waarin je een discussie voert. De teksten en het luisterfragment gaan over de wijze waarop mensen taal gebruiken om te laten zien bij welke groep ze horen en over hun waardering van verschillende talen en taalvarianten. Deze bronnen zijn heel uiteenlopend : zakelijke teksten uit de krant, bronnen van internet en een podcastaflevering van het Meertens Instituut. Onder elke bron staan vragen die je helpen om na te gaan of je de bron hebt begrepen.

Bron 1 Waarom pijn overal ter wereld bijna hetzelfde klinkt

Naar: erica renckens , nemokennislink.nl, 3 november 2025

[  1  ] Je stoot je kleine teen tegen een stoelpoot, je verrekt je nek of er schiet kramp in je kuit. Wellicht ontsnapt je dan een uitroep die we hier maar beter niet kunnen opschrijven, maar als je je een beetje weet te beheersen, blijft het als Nederlander of Vlaming bij een beschaafde ‘au’. Spreek je een andere taal, dan krijgt dit tussenwerpsel, zoals deze woordsoort heet, een iets andere vorm. ‘Ouch’ bij de Engelsen, ‘ay’ bij de Spanjaarden en ‘ai-yo’ bij de Mandarijnsprekende Chinezen bijvoorbeeld. Allemaal andere woorden dus, maar ergens klinken ze wel een beetje hetzelfde. Is dat toeval? Of overstijgt de manier waarop we pijn uiten de willekeur van taal?

Oerkreet

[  2  ] Deze vraag stelde ook de Franse taalkundige

Maïa Ponsonnet zichzelf toen ze in Australië onderzoek deed naar tussenwerpsels in Aboriginaltalen. “Ik ontdekte dat de vorm ‘yagai’ overal op het continent gebruikt werd als tussenwerpsel bij pijn”, vertelt ze. “In het Frans zeggen we ‘aie’. De gelijkenis is anekdotisch, maar ik vroeg me af in hoeveel talen vergelijkbare klanken voorkwamen.”

[  3  ] Samen met collega’s vergeleek Ponsonnet daarom de klinkers in 264 tussenwerpsels voor pijn, afkomstig uit 131 verschillende talen van over de hele wereld. De klank van deze woorden bleek onderling inderdaad sterk overeen te komen, meer dan je zou verwachten op basis van de gelijkenis tussen andere woorden in deze talen. En meer dan ze vonden bij andere tussenwerpsels, voor walging en plezier. Telkens weer kwam bij pijn dezelfde klank terug: een a-klank, vaak overlopend in een i- of oe-klank.

Moeilijk vertaalbaar

[  4  ] Oké, dan heb je dus aan je omgeving kenbaar gemaakt dat je pijn hebt, maar hoe omschrijf je die pijn vervolgens? Daar lijkt wereldwijd meer variatie in te zitten. Met mogelijk gevolgen voor hoe je hulpvraag begrepen wordt. Taal is toch het voornaamste middel waarmee je als patiënt over pijn communiceert met je arts, en dan is het wel handig als deze goed begrijpt wat je bedoelt.

[  5  ] “In tegenstelling tot andere gezondheidsaspecten, zoals bloeddruk, kan pijn alleen ‘gemeten’ worden via communicatie. Iemands fysiek zichtbare toestand zegt niet per se iets over hoeveel pijn diegene heeft”, vertelt Saskia van Putten, taal-

onderzoeker aan de Radboud Universiteit. “Tegelijkertijd is pijn een sensatie waarvan vaak gezegd wordt dat deze moeilijk onder woorden te brengen is.”

[  6  ] Het onderzoek naar taalvariatie in pijnbeschrijvingen staat nog in de kinderschoenen. “We weten wel dat er verschillen zijn tussen talen en culturen, maar goed vergelijkend onderzoek is er nog nauwelijks gedaan.”

Stoïcijns

[  7  ] De culturele verschillen beginnen al met het überhaupt kenbaar maken van pijn, aldus Van Putten. “En dat zie je dan ook terug in het taalgebruik.” Zo staan de Bariba, een volk in het noorden van Benin, bekend om hun stoïcijnse omgang met pijn. Bij gebeurtenissen als een bevalling, een besnijdenis of een ongeval geven ze bij voorkeur geen kik, en als iemand toch zijn pijn uit, voelen omstanders vooral gêne.

[  8  ] Ook tussen westerse culturen onderling bestaan verschillen, zo liet antropoloog Mark Zborowski al in 1969 zien in zijn boek People in pain. Hij interviewde patiënten in een Amerikaans veteranenziekenhuis en vergeleek hoe mensen met verschillende culturele achtergrond omgingen met pijn. Hij constateerde dat de ItaliaansAmerikanen over het algemeen zeer expressief en dramatisch waren, terwijl de Iers-Amerikanen en de ‘oude Amerikanen’ (de oudste Europese kolonisten) juist stoïcijns waren. Ook bij tweede en derde generaties waren deze verschillen nog zichtbaar, al werden ze wel kleiner.

Overdreven emotioneel

[  9  ] Naast verschillen in omgang met pijn bestaan er verschillen in woordkeus. In het Nederlands en veel andere westerse talen gebruiken we metaforen om pijn te beschrijven. We zeggen bijvoorbeeld dat de pijn stekend, brandend, zeurend, kloppend of drukkend is, ook als je niet letterlijk bent gestoken, verbrand of iets dergelijks. “Maar in het Japans bijvoorbeeld heb je specifieke woorden voor verschillende typen pijn”, vertelt Van Putten. Zo verwijst ‘piri-piri’ naar de pijn van een prik, ‘do - n’ naar een doffe pijn en ‘ kyu - ’ naar een soort knijpende pijn of kramp. “Het zou kunnen dat in culturen met zulke specifieke pijnwoorden mensen makkelijker over pijn praten. Of misschien vervullen die woorden precies dezelfde functie als de metaforen bij ons. Dat is nog niet onderzocht.”

[  10 ] Naast de taal die je spreekt, lijkt ook je gender van invloed. Vrouwen gebruiken gemiddeld meer woorden om hun pijn te beschrijven en zijn daarbij vaak grafischer. ‘Alsof ik een steen in mijn maag heb’, bijvoorbeeld. Of ‘Elke nacht opnieuw knaagt er een bever aan mijn been’, zoals een huisarts in haar spreekkamer hoorde. Mannen daarentegen geven vaker een feitelijke beschrijving van de gebeurtenis en hun gevoel bij de pijn (‘irritant’).

Interculturele studies

[  11 ] Volgens Van Putten valt er nog veel meerinteressants te ontdekken over de taal van pijn. “Wat voor typen pijn worden in verschillende talen van elkaar onderscheiden? Dit kan helpen te begrijpen of er bepaalde aspecten van pijn zijn die door alle mensen herkend worden, en of er in verschillende culturen verschillende soorten pijn worden herkend. Ook is het interessant om te kijken of er verschillend gesproken wordt over fysieke en mentale pijn. In sommige culturen wordt dat onderscheid überhaupt niet gemaakt.”

[  12 ] De woorden die je gebruikt om je pijn te beschrijven, hangen dus lang niet alleen af van je fysieke gesteldheid. Ook je taal, cultuur, opvoeding en gender spelen mee in je toelichting op dat woordje ‘au’. En dan ligt het er vervolgens ook nog aan hoe de luisteraar, vaak de arts, je woorden interpreteert. “Op dit moment weten we nog onvoldoende tegen welke problemen artsen en patiënten aanlopen in interculturele situaties”, aldus Van Putten. “Maar als zorgverlener is het zeker belangrijk om rekening te houden met de achtergrond van degene die je tegenover je hebt.”

Ga na of je begrijpt … v waarom het voor zorgverleners belangrijk is om rekening te houden met taal, cultuur en formulering.

Denk na over de vraag … v waarom onderzoek naar taalvariatie in pijnbeschrijvingen lastig is.

Bron 2 Taalvariatie en jongerentaal zijn fascinerend, maar leer wél iedereen Standaardnederlands

Naar: aleid truijens , de Volkskrant, 27 januari 2025

[  1  ] Je hebt mensen die dagelijks knarsetandend de ‘verwording’ van onze taal vaststellen en woedende ingezonden brieven schrijven met voorbeelden. ‘Zich beseffen’, ‘zich irriteren’ héél erg. Of ‘die mooie meisje’ en ‘prettige weekend’. Het ingesleten ‘me moeder’ en ‘ik ga naar werk’. Ze doen de zelfbenoemde taalkenners pijn aan de Nederlandse oren. Ze constateren dat onze taal steeds slonziger wordt gebruikt. Onderwijs, doe er wat aan!

[  2  ] Het geklaag over taalverloedering door zich beschaafd achtende lieden is zo oud als de standaardtaal, die in de loop van de vorige eeuw de norm werd. Rond 1960 was zogeheten ‘Algemeen Beschaafd Nederlands’ de taal van het onderwijs, de overheid, van radio, tv en krant. Er bestond een scherpe scheidslijn tussen goed en fout, in spelling, grammatica en uitspraak. Taalkundigen waren er snel bij om dat ‘beschaafd’ te schrappen. Want dialectsprekers en tweedetaalverwervers zijn toch niet onbeschaafd?

[  3  ] Ik studeerde Nederlands in de tweede helft van de jaren zeventig. Onze hooggeleerde docenten taalkunde bleken ruimdenkender dan de schande-roepers. Taalvariatie, leerden we, is een natuurlijk verschijnsel, de taal verandert voortdurend. Ik vond het een verfrissend inzicht: afwijkend taalgebruik is een teken van rijkdom, niet van taalarmoede.

[  4  ] We spreken niet meer zoals in de middeleeuwen. We schrijven niet ‘den mensch’. Standaardtaal is slechts een afspraak, waarbij de taal wordt vastgelegd zoals die op zeker moment door veel mensen wordt gebruikt. Levende taalgebruikers maken de taal. Maar welke consequenties heeft die bloeiende taalvariatie voor het onderwijs? Moet je kinderen laten praten en schrijven zoals ze willen en zoals ze dat thuis doen? Of moet je ze de regels van het Standaardnederlands bijbrengen? Het zijn twee ‘scholen’. Ik merk dat ik er zo’n beetje tussenin zit.

[  5  ] Ik las een kop in de Volkskrant, boven een interview met taalkundige Kristel Doreleijers: ‘Taal is voortdurend in beweging, zeker bij jongeren.

Een pleidooi voor lossere regels’. Het eerste is volkomen waar, maar volgt daaruit het tweede?

Uit het interview met Doreleijers, die onderzoek doet naar taalvariatie en jongerentaal, blijkt trouwens nergens dat zij ‘lossere regels’ wil. Ze pleit terecht voor ‘oordeelloosheid’ bij taalvarianten. ‘Jongeren kiezen de taal die ze spreken door hun keuze voor de groep waar ze bij willen horen’, zegt ze. Dat is fascinerend, maar impliceert niet dat regels wel losser kunnen.

[  6  ] Standaardtaal is nog altijd nuttig. In die taal kunnen we elkaar allemaal, ongeacht herkomst of accent, begrijpen. Er zit ook een snobistisch kantje aan. ‘Als je goed bent in de standaardtaal, sta je hoger op de maatschappelijke ladder’, zegt Doreleijers. Ze heeft gelijk. Maar het omgekeerde is ook waar: mensen worden gediscrimineerd om hun woordkeuze, hun accent en grammatica. Het taalgebruik kent kleine, geniepige signalen waarmee mensen ongewild hun sociale of geografische herkomst onthullen. Ze worden lager aangeslagen en dommer gevonden, bij hun studie, door stagebegeleiders, werkgevers en zorgverleners. Dat is onrechtvaardig en gemeen, maar onuitroeibaar. [ ]

[  7 ] Laat iedereen thuis en onder vrienden praten in groepstaal of dialect, maar leer kinderen op school vooralsnog de standaardtaal, en goed ook. Dat vereist een kolossale inspanning en is soms stomvervelend, maar je hebt er levenslang voordeel van.

Ga na of je begrijpt v waarom Aleid Truijens kritisch is op de kop van een ander artikel in de Volkskrant

Denk na over de vraag … v wat het nut is van een standaardtaal.

Bron 3 Straattaal en jongerentaal podcastfragment

Dat smaakt naar Meertens is een podcastserie van het Meertens Instituut over taal en cultuur, gemaakt door Michiel van de Weerthof en Lot Broos.

Aflevering 3 gaat over straattaal en jongerentaal. Te gast zijn taalonderzoekers Khalid Mourigh en Kristel Doreleijers van het Meertens Instituut. Ook spreken de podcastmakers met jongeren zelf over straattaal en jongerentaal. Deze aflevering verscheen op 6 maart 2025.

v Beluister in de digitale leeromgeving van KERN Nederlands het fragment uit de aflevering ‘Straattaal en jongerentaal’ van de podcast Dat smaakt naar Meertens.

Ga na of je begrijpt v wat straattaal is ; v waar straattaal vandaan komt ; v wie de sprekers zijn.

Denk na over de vraag … v waarom jongeren straattaal gebruiken.

Bron 4 Provincie trekt miljoenen uit voor verhogen status eigen taal

Naar: nos.nl, 6 november 2024

[  1  ] De provincie Limburg trekt 1,1 miljoen euro per jaar uit om de status van de eigen taal te verhogen. In 2030 hoopt de provincie een zogenoemde ‘deel III-erkenning’ te hebben voor de Limburgse taal. Daarmee is de bescherming en de bevordering van een taalgebied vastgelegd op onder meer het gebied van bestuur, rechtspraak en media.

[  2  ] Op dit moment heeft alleen de Friese taal een dergelijke erkenning in ons land.

Toekomst

[  3 ] “De Limburgse taal is een levend cultuurgoed, een unieke schakel die onze historie met de toekomst verbindt”, zegt gedeputeerde Jasper Kuntzelaers. Hij hoopt dat de Limburgse cultuur en identiteit op die manier de komende generaties behouden blijven.

Hogere status

[  4  ] Om de positie van het Limburgs te versterken, investeert de provincie onder meer in projecten die zich richten op de jeugd, kinderopvang en onderwijs. Ook komt er een bewustwordings-

campagne. Verder gaat een commissie onderzoeken wat er allemaal gedaan moet worden om het Limburgs klaar te maken voor de hogere status. Deze commissie adviseert het provinciebestuur.

Bevordering

[  5  ] De Limburgse taal wordt wel al erkend als een zelfstandige regionale taal. Dat maakt dat de provincie en gemeenten een eigen beleid mogen voeren om het gebruik van die taal te bevorderen. Mocht de taal een hogere status krijgen, dan komt er vanuit het Rijk meer geld om het gebruik van het Limburgs te stimuleren.

Beslissing

[  6  ] Provinciale Staten van Limburg nemen op 13 december een besluit over het voorstel van Gedeputeerde Staten voor de bevordering van het Limburgs. Het plan is opgesteld op basis van onder meer gesprekken met deskundigen en een werkbezoek van Limburgse politici aan de provincie Friesland.

Ga na of je begrijpt … v waarom de provincie Limburg streeft naar statusverhoging van het Limburgs.

Denk na over de vraag … v welke effecten het taalbeleid van de provincie Limburg heeft op het behoud van het Limburgs.

Bron 5 Inclusief taalgebruik: waarom een woordenlijst niet genoeg is

Bron: bart bakker , Logeion, 16 maart 2026

[  1  ] Taal verandert sneller dan organisaties bijhouden. Woorden die ooit neutraal leken, kunnen nu uitsluiten, schuren of pijn doen. Hanan Challouki, expert inclusieve communicatie, legt uit hoe communicatieprofessionals daar een actieve rol in kunnen spelen.

[  2  ] Inclusief taalgebruik begint bij de meest basale vormen van contact, zoals de aanhef van een brief. Steeds meer organisaties vervangen ‘geachte heer en / of mevrouw’ door genderneutrale varianten als ‘beste stadsgenoot’ of ‘beste reiziger’.

[  3  ] Hanan Challouki juicht dat toe. ‘Taal verandert constant doordat de samenleving verandert. Vroeger gingen we ervan uit dat de man de post las, dus was de taal op mannen ingericht. Dat we nu vaker kiezen voor een vorm die iedereen insluit, versterkt de visie waarin een organisatie er wil zijn voor iedereen.’

[  4 ] Doen woorden er echt zo veel toe?

‘Absoluut, maar het is vooral belangrijk om naar het grote geheel te kijken. Woorden zijn krachtig, maar ze ontstaan in een context. Het gaat niet alleen om de letters op papier, maar ook om de zender, de ontvanger en de intentie. Woorden kunnen iemand een welkom gevoel geven of pijnlijke herinneringen oproepen. Als bepaalde wereldleiders een speech geven met woorden die ons bekend voorkomen uit heel enge tijden, dan moeten we daar alert op zijn. Wij weten wat die woorden betekenen en mogen de impact van taal nooit onderschatten.’

[  5  ] Hoe voorkom je dat mensen bang worden om iets fout te zeggen?

‘In veel organisaties heerst angst om fouten te maken, wat kan leiden tot verkramping. Ik ben geen voorstander van strikte woordenlijsten en geloof niet in een cultuur waarin je geen fouten mag maken. Het idee dat we alles perfect moeten doen, is onrealistisch in een snel veranderende wereld. Het gaat er niet om dat je nooit een misstap begaat, maar om hoe je reageert als je daarop

gewezen wordt. Sta je open voor het gesprek?

Ik pleit voor een cultuurverandering. Sommige organisaties houden vast aan strikte regels uit angst voor klachten, maar taal moet verbindend werken. Geef medewerkers een kader en laat daarbinnen ruimte voor creativiteit en menselijkheid.’

[  6  ] Wat is de rol van de communicatieprofessional?

‘Je hebt lef nodig. Als adviseur moet je als een kameleon de context aanvoelen. In een mannenbolwerk voer je een ander gesprek dan in een meer gemengde omgeving. Het belangrijkste is een luisterend oor. Verbied niet zomaar woorden omdat de media hierover schrijven. Vraag liever aan collega’s op de werkvloer wat voor hen kwetsend of uitsluitend voelt. Taal is pas verbindend als je haar samen ontwikkelt. Door met collega’s na te denken over richtlijnen, ontstaat er dialoog. Dat proces vraagt geduld. En soms is de omgeving nog niet klaar voor verandering. Kijk naar het woord allochtoon. Dat was ooit de norm, maar is nu bijna verdwenen omdat we de stigmatiserende werking inzagen. Taal evolueert constant en wij evolueren mee.’

hanan challouki is communicatiestrateeg en auteur van Inclusieve communicatie en Hoofddoek op het werk. Ze adviseert organisaties op het gebied van inclusieve communicatie.

Ga na of je begrijpt … v waarom er behoefte is aan inclusief taalgebruik.

Denk na over de vraag … v waarom Hanan Challouki geen voorstander is van strikte woordenlijsten op de werkvloer.

Bron 6 Jongerentaal: ‘Ik ben stad’

Naar: gert-jan schoenmakers & chantal van den berg , Onze Taal, april 2024

[  1  ] Een nieuwe zinsconstructie steekt de kop op onder jongeren. Hoe zit die in elkaar?

[  2  ] ‘Ik ben uni!’ ‘Ga je nog stad?’ Het zijn zomaar wat zinnetjes die wij de afgelopen jaren steeds vaker om ons heen zijn gaan horen. Ze komen met name voorbij op WhatsApp, maar ook in gewone gesprekken onder jongeren, bijvoorbeeld aan de telefoon. Opvallend aan die zinnen: er is geen lidwoord (de of het) of voorzetsel (bijvoorbeeld op of naar) in te bekennen.

[  3  ] Zelf kijken we er al niet meer van op, maar we merkten dat veel (oudere) collega’s deze constructie niet kenden. Uit een zoektocht op het internet bleek dat er ook nog maar weinig over bekend was. We bleven dus met nogal wat vragen zitten: wie gebruikt deze constructie precies en waarom? Maar ook: waarmee associëren Nederlandstaligen de zinnen en wat vinden ze er zoal van?

Kritisch

[  4  ] Om antwoorden te vinden op onze vragen hebben we een vragenlijst uitgezet onder moedertaalsprekers van het Nederlands, waarop bijna tweehonderd mensen hebben gereageerd. Ongeveer de helft van hen gaf aan dit soort zinnetjes weleens te horen, en een kwart gaf aan ze ook zelf te gebruiken. En onze vermoedens werden bevestigd: het gaat om informele jongerentaal die vooral onder vrienden en leeftijdsgenoten wordt gebruikt.

[  5  ] De meeste deelnemers van boven de 25 jaar, en zeker die van boven de 35 jaar, kenden en gebruikten de constructie niet of nauwelijks. En juist de deelnemers die er niet bekend mee waren, waren kritisch over dit taalgebruik. Ze vonden het stom, dom, lelijk, asociaal en irritant. De jongere deelnemers waren er over het algemeen wel bekend mee, en de deelnemers die dit gebruik met enige regelmaat hoorden, oordeelden een stuk milder: hoewel ze het ook niet bijzonder goed of mooi vonden, was het voor hen wel acceptabel. Ze vonden de constructie zelfs overwegend hip. In onze resultaten zie je dus een welbekend effect: onbekend maakt onbemind.

Sterke intuïties

[  6  ] Veel mensen associëren zinnen als ‘Ik ga stad’ dus met taalverloedering. Maar het is niet zomaar een vergissing, een taalfoutje of ‘gebroken’ Nederlands: jongeren hebben sterke intuïties over dit soort zinnen, en er zijn strenge grammaticale regels voor. Zo kunnen bijna alle zelfstandig naamwoorden die een locatie aanduiden (zoals stad, strandje, Appie [= Albert Heijn]) in de zinnetjes worden gebruikt, maar dan moeten ze wel bekend zijn bij de deelnemers aan het gesprek. ‘Kom je stad?’ is dus geen uitnodiging om naar een willekeurige stad te gaan, maar naar de stad waar de gesprekspartners altijd afspreken. En alleen werkwoorden die van zichzelf niet zoveel betekenis hebben, zoals gaan of zijn, kunnen gebruikt worden: ‘Ik ga Maccie [= McDonald’s]’, ‘Ik ben kermis’, ‘Ik blijf fissa [= feestje]’, ‘Ik kom strandje.’ Werkwoorden die een specifieke manier van verplaatsing aanduiden, kunnen dan weer niet: ‘Ik fiets bios’, ‘Ik loop KFC’ en ‘Ik rijd osso [= huis]’ zul je niet snel horen.

[  7  ] Opvallend is dat veel deelnemers aan ons onderzoek dit gebruik associeerden met mensen die een andere moedertaal dan het Nederlands hebben maar dat waren vooral deelnemers die het nog nooit eerder hadden gehoord. Mensen die de zinnetjes vaker horen of zelf gebruiken, associeerden de constructie eerder met het studentenleven en met uitgaan. Zo kan iemand makkelijk roepen: ‘Kom Nimma, fissa is daar!’ (‘Kom naar Nijmegen, het feest is daar!’). Maar het gebruik van dit soort zinnetjes is niet beperkt tot studentikoze contexten. Je kunt ook prima zeggen: ‘Ben nu kapper’, ‘Hoe laat ga je bios?’ of ‘Ik ga Appie, ben jij stad?’

[  8  ] Ook komt er de nodige ironie bij om de hoek kijken: jongeren gebruiken de constructie soms voor de grap, om anderen na te doen. Maar ondertussen duikt die dus wel steeds vaker op en hoe vaker we dit soort zinnetjes horen, hoe meer we ze zullen accepteren en waarderen.

Antwerpen gaan

[  9  ] Interessant is dat dit soort constructies ook bestaan in andere (jongeren)talen. In het Duits van Berlijn gebruikt de jeugd evengoed ‘Ich gehe

Stadt’ in een taalvariant die bekendstaat als het Kiezdeutsch. En in de Citétaal in Belgisch-Limburg (gesproken in de omgeving van Genk) worden ook met regelmaat voorzetsels en lidwoorden weggelaten: ‘Ik ga Antwerpen’ is daar een niet onbekende uiting. Het Kiezdeutsch en Citétaal zijn jongerentalen die voornamelijk in de stad worden gebruikt. Deze taalvarianten vinden hun oorsprong in een mengeling van talen die door (werk) immigranten werden gesproken. Arbeiders met verschillende (talige) achtergronden kwamen samen, en vanuit dat contact ontstonden nieuwe zogenaamde ‘multi-etnolecten’: taalvarianten gebruikt door mensen met verschillende etnische achtergronden.

[  10  ] Kan het dan zo zijn dat deze Nederlandse constructie ook is voortgekomen uit zo’n situatie? Daar lijkt het wel op, als we de Nederlandse straattaal erbij betrekken. Ook die is ontstaan in situaties met veel taalcontact, en veel straattaalwoorden komen uit het Sranan (Surinaams): denk bijvoorbeeld aan osso (‘huis’), doekoe (‘geld’) en loesoe (‘weg’). Inmiddels wordt straattaal door jongeren van allerlei verschillende achtergronden gebruikt.

[  11  ] Opvallend is dat in de Surinaamse variant van het Nederlands vaak woordjes worden weggelaten in zinnen als ‘Ik weet niet’, ‘Is goed’ en ‘Ik heb geen zin in.’ Met name ‘Ik ga nergens’ en ‘Waar ga je?’ lijken verdacht veel op ‘Ik ga stad’, aangezien ook daar het voorzetsel ontbreekt. Het zou dus zomaar kunnen dat zinnetjes als ‘Ik ga stad’ hun oorsprong vinden in situaties van taalcontact en inmiddels deel zijn geworden van jongerentaal maar zeker weten doen we het niet.

Ronddartelen

[  12  ] We zijn benieuwd wat de toekomst doet met zinnen als ‘Ik ben uni’: dit specifieke zinnetje lezen wij zelf bijna dagelijks in onze groepsapps en veel van onze vrienden werpen de zinnetjes ook buiten de getypte dimensie op tafel. We hebben tevens een collega van rond de pensioenleeftijd gevonden in wiens gezins-app de zinnetjes ook af en toe blijken rond te dartelen. De zinsconstructie lijkt dus langzamerhand terrein te winnen. En als we die vaker horen, ook al is het met een ironische ondertoon en voornamelijk in de studentenkroeg, dan kan die op een dag zowaar worden opgenomen in het Standaardnederlands.

Ga na of je begrijpt …

v dat grammaticale verschijnselen in straattaal niet alleen voorkomen in Nederland; v dat straattaal ook een taal is met regels.

Denk na over de vraag … v waarom de schrijvers vermoeden dat ‘Ik ben uni’ Standaardnederlands zal worden.

Bron 7 Taal stuurt onze kijk op duurzaamheid

Naar: sterre leufkens , nemokennislink.nl, 16 oktober 2025

[  1  ] Bedrijven en overheden maken allerlei plannen om hun duurzaamheid te verbeteren. Maar wat bedoelen ze daarmee? Matt Drury onderzocht het taalgebruik van beleidsmakers, bestuurders en politici.

[  2  ] ‘Geen honger, wel duurzame landbouw en goede voeding; goede banen, duurzame economische groei en eerlijke verdeling van welvaart; duurzaam gebruik van de oceanen en zeeën.’

[  3  ] Dat zijn drie duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, bedoeld om richting te geven aan duurzaamheidsbeleid overal ter wereld. Handig, maar je kunt je afvragen: wat is dan duurzaam gebruik, of duurzame landbouw? Voor het uitvoeren van de doelstellingen maakt het nogal uit hoe je zulke woorden interpreteert.

[  4  ] Hierover spraken we met Matt Drury. Hij studeerde ecologie en taalwetenschap en combineerde die disciplines in zijn promotieonderzoek in de ecolinguïstiek: een vakgebied waarin wordt bestudeerd hoe taalgebruik onze ideeën over natuur, milieu en duurzaamheid vormt.

[ 5  ] Hoe definieer jij duurzaamheid?

“Duurzaamheid betekent dat we bij elke beslissing die we nemen, ernaar streven de negatieve impact te minimaliseren en de positieve impact te maximaliseren. In mijn definitie gaat het dan om de impact op mensen, op andere dieren en op de planeet als geheel. Ik zie het als een ethische kwestie voor individuen, maar ook instellingen kunnen deze definitie gebruiken.”

[  6  ] Hoe verschilt jouw definitie van andere?

“De economie komt er niet in voor, terwijl die in de meeste definities van duurzaamheid juist een belangrijke rol speelt. Ook in de duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN bijvoorbeeld. Die zijn sterk verbonden met het idee dat we economieën moeten laten groeien en dat dan alles goed komt. Duurzaamheid zoals ik het me voorstel, staat los van economische groei als voorwaarde.”

[  7  ] “Verder worden niet-menselijke dieren zelden genoemd als het over duurzaamheid gaat. Als je weer naar de doelen van de VN kijkt, dan komen

dieren voor als voedselbron voor mensen, en als onderdeel van gezonde oceanen en bossen. Maar er wordt geen rekening gehouden met dieren als wezens die we goed of slecht kunnen behandelen.”

[  8 ] Wat is daar eigenlijk erg aan? Je kunt toch opkomen voor dierenwelzijn, ook als dat niet expliciet in je definitie van duurzaamheid staat? “In mijn promotieonderzoek heb ik onder andere naar het strategisch plan van mijn universiteit gekeken. Daar staan doelen op het gebied van duurzaamheid in, maar zonder duidelijke definitie. Als die er wél zou zijn, en dieren daarin expliciet genoemd werden, zou dat andere gevolgen hebben. Het zou mensen aan de universiteit dwingen tot gesprekken, bijvoorbeeld over experimenten met levende dieren. Dan moeten ze afwegingen maken, bijvoorbeeld of het lijden van dieren te rechtvaardigen is voor een minimale verbetering van een medicijn voor mensen. Zonder definitie hoef je zulke gesprekken niet te voeren en hoef je niks te veranderen.”

[  9  ] In je onderzoek heb je gekeken naar de definitie van duurzaamheid in beleidsdocumenten en speeches. Maar als daar geen expliciete definitie in staat, zoals in het strategisch plan van je universiteit, waar kijk je dan naar?

“Woorden als ‘duurzaamheid’ begrijpen we door middel van taal. Daarmee construeren we onze ideeën over de wereld. Denk maar aan klimaatverandering. Dat kun je direct waarnemen: je ziet bosbranden en stijgende temperaturen, en allerlei tastbare gevolgen daarvan. Maar dat het een wereldwijde verandering is, door mensen veroorzaakt en met gevolgen ook op lange termijn, is voor één persoon erg moeilijk om waar te nemen. Dat wordt echt via taal overgebracht. Ons beeld van ‘klimaatverandering’ is gevormd door wat mensen erover zeggen en hóé ze het zeggen.

[  10 ] Ik analyseer het taalgebruik over dit soort onderwerpen, zodat ik concreet kan maken welke verhalen mensen vertellen. Ik heb bijvoorbeeld de toewijzing van verantwoordelijkheid in woordkeuze en grammatica bestudeerd. In het universiteitsplan staan doelstellingen als ‘dit wordt na-

gestreefd’ of ‘dit kan in de toekomst worden gedaan’. Actieve zinnen, zoals ‘wij zullen dit doen’, ontbreken. Door zulke zinsconstructies verwijder je de persoon die hiervoor verantwoordelijk is uit het gesprek.”

[  11 ] Hoe weet je of zo’n formulering echt effect heeft op lezers en luisteraars? Misschien nemen mensen toch vooral de inhoud in zich op en maakt het niet uit hóe je iets zegt.

“In een experiment heb ik mensen twee teksten laten lezen met dezelfde boodschap. De ene was geschreven op de gebruikelijke manier waarop bijvoorbeeld de VN communiceert, met academische termen en lange zinnen. In de andere tekst paste ik alle inzichten uit ecolinguïstisch onderzoek toe over taal die ecologische belangen centraal stelt. Zo werden de verantwoordelijke betrokkenen expliciet genoemd. Mensen lazen beide teksten en moesten dan zeggen: welke geeft je het gevoel dat mensen verantwoordelijk zijn voor de vernietiging van het milieu? Het was over-

weldigend de tweede. De inhoud was hetzelfde, dus de formulering maakte het verschil.”

[  12 ] Ik hoorde een keer iemand zeggen: we moeten het niet over klimaatverandering hebben, maar over klimaatverloedering. Zou zoiets al een verschil kunnen maken?

“Ja, omdat het bij iemand anders tot bewustwording kan leiden. Kijk, taal is niet iets dat je kunt voorschrijven. Je kunt niet zeggen: ‘je moet zus of zo spreken’. Dat werkt niet, taal is veel organischer, en dwang kan zelfs averechts werken. Maar bewustzijn creëert perceptie, en perceptie creëert daadkracht en belangenbehartiging.

[  1 3 ] Dat geldt ook voor hoe we onze relatie met andere organismen inkaderen. Op dit moment vertellen we vaak een verhaal van ‘de mens is hier, de natuur is daar, wij mensen zijn beter dan de natuur want we zijn intelligenter’. Maar we zouden onszelf ook kunnen zien als onderdeel van levende systemen, met relaties tot alle wezens die er deel van zijn. Ik denk dat we die wezens beter zullen behandelen als we van dat perspectief uitgaan.

[  14 ] De eerste stap is dat we inzien hoe we via taal het verhaal van een scheiding tussen mensen en natuur overbrengen. Dan kunnen we daarna zinnen maken die relaties benadrukken en zo meer waarde toekennen aan onze interacties met de natuur. Zo vertellen we een ander verhaal: een van verbondenheid.”

Ga na of je begrijpt … v wat de gevolgen kunnen zijn van het ontbreken van duidelijke duurzaamheidsdefinities

Denk na over de vraag … v wat taalbewustzijn is.

Literatuurgeschiedenis

27 Met de kennis van nu 318 INLEIDING EPILOOG

17 Nederlandse literatuurgeschiedenis 298

18 Gedenk te sterven 1100–1550 Middeleeuwen 300

19 Pluk de dag 1550–1700 Renaissance 302

20 Alles is maakbaar 1700–1800 Verlichting 304

21 Gevoel & werkelijkheid 1800–1880 Romantiek & realisme 306

22 Een nieuw geluid 1880–1914 Modernisme 308

23 Twijfel & duistere krachten 1914–1940 Nihilisme & vitalisme 310

24 Vernietiging & vernieuwing 1940–1970 Existentialisme & autonomie 312

25 Rumoer, commercie & emancipatie 1970–2000 Postmodernisme & individualisme 314

26 Multicultureel & multimediaal 2000–2020 Globalisering & identiteit 316

LITERATUUR  v  20  ALLES IS MAAKBAAR 1700–1800

20 Alles is maakbaar 1700–1800

v Doel

Je leert over de historische, culturele en literaire context in de periode 1700–1800 en hoe ideeën en gebeurtenissen van toen doorwerken in literaire teksten en onze cultuur.

v Verkennen

1 Bespreek met een of meer klasgenoten. In de verlichting staat de idee centraal dat mens en samenleving maakbaar zijn.

a Wat verstaan jullie onder een ‘maakbare samenleving’? T 2

b In hoeverre klopt volgens jullie het spreekwoord ‘Waar een wil is, is een weg’? T 2

2 Verlichtingsdenkers hebben een groot vertrouwen in de rede en het redeneren.

a Wat is volgens jullie het verschil tussen handelen op basis van gevoel en handelen op basis van verstand? T 2

b In welke situaties is het volgens jullie beter om je verstand te gebruiken? Wanneer kun je juist beter op je gevoel vertrouwen? Licht jullie antwoord toe. T 2

v Verwerken

v Lees pp. 216–220 van de paragraaf ‘Alles is maakbaar’ in het handboek en beantwoord de vragen.

3 a Het gedicht ‘Het gebroken glas’ van Hieronymus van Alphen bevat een opvoedkundige boodschap. Welke is dat? T 1

b Waarom is dit gedicht vernieuwend voor zijn tijd? R

c Past dit gedicht bij de idee van maakbaarheid? Licht je antwoord toe. T 2

4 a Waarom was opvoeding zo belangrijk in de verlichting? T 1

b Wat is volgens jou het belangrijkste verschil tussen de opvoeding van toen en die van nu, zoals dit blijkt uit de ontwikkeling van de jeugdliteratuur (zie p. 222)? T 2

c Vind je dit een gunstige ontwikkeling?

Licht je antwoord toe. I

5 a Wat bedoelen verlichtingsdenkers met de idee dat ‘het menselijk verstand licht werpt op de waarheid, en de duisternis van onwetendheid en bijgeloof verdrijft’ (p. 217)? T 1

b Noem twee maatschappelijke gevolgen van het verlichtingsdenken. T 1

6 a Wat is het doel van spectatoriale tijdschriften zoals De Hollandsche Spectator? R

b In hoeverre komt dit doel overeen met de huidige ‘spectators’, de landelijke en regionale kranten en journaals? T 2

v Verdiepen

v Lees de bespreking van Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart en Julia (handboek, pp. 220-223) en beantwoord de vragen.

7 a Wat is het verwijt van Sara aan Jacob Brunier? T 1

b Welke toon gebruikt Sara in haar brief? Onderbouw je antwoord met een citaat. T 2

c Wat denk je, is Sara een zelfverzekerde vrouw? Leg uit. T 2

d Leg uit waarom de briefroman een geschikte vorm is om de morele ontwikkeling van een personage te laten zien. T 1

8 a Waarom wordt Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart gezien als de eerste moderne Nederlandstalige roman? R

b Wat maakt de stijl van Wolff en Deken vernieuwend in vergelijking met het moraliserend proza van eerder? T 1

9 a Welke gevoelens staan centraal in het fragment uit Julia? R

b Noem twee kenmerken van het sentimentalisme die je in dit fragment aantreft. T 1

c “Deze sentimentalisten zetten zich af tegen de ‘meetzieke schrijnwerkers’” (p. 220). Zoek uit wat een schrijnwerker is en leg deze uitspraak uit. T 2

v Lees ‘Van toen naar nu: Dystopie’ (handboek, pp. 224–225) en beantwoord de vragen.

10 a Wat maakt een samenleving dystopisch? R

b Waarom past het dystopische genre bij de ideeën van de romantiek? T 2

11 a Hoe is dystopisch denken verbonden met het optimisme van verlichtingsdenken? T 2

b Ben jij een verlichtingsdenker of een dystopisch denker als het om de toekomst gaat? Licht je antwoord toe  I

12 a Net als Reize door het Aapenland houden ook veel moderne dystopieën de lezer (of kijker) een spiegel voor. Wat wordt bedoeld met deze spiegelfunctie? T 1

b Is het de taak van schrijvers om hun lezers te wijzen op risico’s en gevaren in de samenleving, of moet literatuur ons juist hoop geven en amuseren? Licht je antwoord toe aan de hand van ten minste een van de besproken boeken. I

13 Vergelijk Reize door het Aapenland en Blokken.

a Noem één overeenkomst in hun kritiek op de samenleving. T 2

b Welk van de twee werken vind jij het meest aansluiten bij de actualiteit? Licht je antwoord toe. I

v Onderzoeken en ontwerpen

14 a Geef drie schrijftips aan iemand die een tekst in de sentimentele stijl wil opstellen. T 2

b Schrijf een korte brief (ca. 150 woorden) aan Julia, waarin jij haar bevestigt in haar recht op een vrije partnerkeuze. Maak gebruik van je schrijftips uit opdracht a. I

15 Maak een video van maximaal drie minuten over jouw imaginaire reis naar 2075. Je houdt daarin een monoloog over een dystopisch concept waarin de idee van ‘maakbaarheid’ centraal staat en dat in 2075 gerealiseerd is. Denk aan een technologisch product, een bestuurlijk idee, een opvoedkundige vernieuwing, een veiligheidsmaatregel, een innovatie op het gebied van wonen, reizen, eten of werken, …

a Bedenk, beschrijf en /of teken hoe dit concept eruitziet. I

b Schrijf je monoloog uit. Vertel over de imaginaire reis die je onlangs gemaakt hebt naar het Nederland van 2075. Tijdens jouw reis werd je geconfronteerd met het nieuwe, dystopische concept. Je vertelt over de nieuwe werkelijkheid. Hoe ziet die eruit? Wat is er veranderd? Wat is er verloren gegaan? Waar verlangen de mensen naar? Waar zijn ze bang voor? Waar hopen ze op? I c Schrijf tot slot een waarschuwing en een moralistische boodschap voor je tijdgenoten en maak de video. I

© 2026 Boom | All rights reserved. No text & data mining. www.boom.nl

Eerste editie, 2020

Tweede editie, 2026

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. besluit van 27 november 2002, Stb 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofddorp (postbus 3060, 2130 kb , www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van art. 161, vijfde lid, Auteurswet 1912. Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16, Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten, postbus 3060, 2130 kb Hoofddorp, www.stichting-pro.nl).

All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical, recording or otherwise without prior written permission of the publisher.

Boekverzorging

René van der Vooren, Amsterdam

Beeldinkoop

Imago Mediabuilders, Amersfoort

isbn 978 94 6442 170 5 www.boom.nl

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Voorbeeldkatern - KERN Nederlands taal & cultuur ed. 2 oefenboek vwo bovenbouw by Boom beroepsonderwijs - Issuu