Skip to main content

StruX leerlijn Nederlands en de nieuwe functionele kerndoelen

Page 1


Complete doorlopende leerlijn

StruX Nederlands is een zeer complete leerlijn. Deze bestaat uit:

• Nederlands in de praktijk, deel 1 t/m 4

• Taalverzorging

• Spelling

• Woordenschat (Basis, Groen, Techniek, Dienstverlening en Zorg en Dienstverlening en Economie)

Voor arbeidstoeleiding van mensen met een achterstand tot de arbeidsmarkt is er StruX Werkstart:

Praktisch Nederlands. De onderwerpen die hierin behandeld worden komen deels overeen met Nederlands in de praktijk deel 1. Deze onderwerpen worden echter meer stap voor stap aangeboden, de taal is eenvoudiger gehouden en er is veel aandacht voor woordenschat in combinatie met beeld.

Advies inzet

Het is aan de school hoe de verschillende onderdelen van de leerlijn Nederlands ingebed worden in het onderwijs. Een adviesroute staat in deze tabel.

Fasen*

1. Persoonlijke Ontwikkelingsfase Fase 1

2. Stage Voorbereidingsfase Fase 2

3. Beroeps Oriënterende fase Fase 2

4. Uitstroom fase Fase 4

Nederlands in de praktijk 1

Nederlands in de praktijk 2

Nederlands in de praktijk 3

Nederlands in de praktijk 4

Woordenschat Basis

Woordenschat

Groen

Techniek

Dienstverlening en Zorg

Dienstverlening en

Economie

Taalverzorging Spelling

* de indeling van Fasen verschilt per school. Wij bieden hier twee varianten, maar het kan zijn dat jouw school een iets andere indeling hanteert.

Op papier en digitaal oefenen op niveau

StruX Nederlands in de praktijk, StruX Taalverzorging en StruX Spelling bestaat uit twee delen: een papieren leer-werkboek en een digitaal platform. Het leer-werkboek is heel geschikt om samen met je leerlingen het onderwerp te verkennen en uit te leggen, waarna je leerlingen zelfstandig of in groepjes kunnen gaan werken.

Het digitale gedeelte bestaat uit aanvullende opdrachten waarmee jouw leerlingen (individueel) extra kunnen oefenen met de behandelde vaardigheden. Voor Nederlands in de praktijk kan dit op vier niveaus, aansluitend op de Passende Perspectieven.

Niveau 1F en de Passende perspectieven

De leerlijn Nederlands binnen StruX leidt op voor niveau 1F. 1F is het streefniveau binnen het praktijkonderwijs.

De Passende perspectieven voor Nederlands en rekenen zijn ontwikkeld door de SLO en geven binnen niveau 1F 4 verschillende streefniveaus aan. In de docentenhandleidingen van Nederlands in de praktijk kun je zien welk leerdoel en wel streefniveau een opdracht heeft. Voor Taalverzorging en Spelling zijn er geen Passende Perspectieven uitgewerkt.

Koppeling met Burgerschap en Praktijk en loopbaan

De onderwerpen (of thema’s) van de leerlijn Burgerschap zijn gekoppeld aan Nederlands in de praktijk. Daardoor kun je zowel bij Nederlands als bij Burgerschap aandacht geven aan hetzelfde onderwerp. Taal is niet alleen een taak van de het vak Nederlands. Ook bij de praktische vakken en tijdens stage moet aandacht worden besteed aan taal. Daarom integreert Nederlands in praktijk, vanaf deel 2, het taalonderwijs ook met het praktische vak, de leerlijn Praktijk en loopbaan. (Ook StruX Rekenen in de Praktijk is gekoppeld aan de leerlijn Burgerschap en het praktische vak.) De leer-werkboeken voor Woordenschat hebben ook een directe relatie met Praktijk en Loopbaan. Woordenschat is zowel aan te bieden als onderdeel van het vak Nederlands als van Praktijk en Loopbaan. Voordeel van het laatste is dat de leerlingen concrete voorbeelden krijgen vanuit de praktijk.

Nederlands in Praktijk

Leerlingen in het praktijkonderwijs (en het vso met uitstroomprofiel arbeid) zijn erbij gebaat om actief bezig te zijn met de Nederlandse taal, in praktische situaties en in zinvolle contexten.

Levensechte contexten

StruX Nederlands in de praktijk deel 1, 2, 3 en 4 behandelt levensechte taalgebruikssituaties.

Praktische situaties vormen steeds het uitgangspunt van waaruit de leerlingen kennis en begrip opdoen. Dat doen ze door te denken, te lezen, schrijven, luisteren en te spreken. ‘Gewoon’ door te doen. Door het uitvoeren van zinvolle opdrachten binnen rijke contexten.

In ieder hoofdstuk van Nederlands in de Praktijk worden de taaldomeinen gesprekken voeren, spreken, luisteren, lezen en schrijven samen en in combinatie aangeboden. In het ene hoofdstuk ligt de nadruk meer op schrijven en/of lezen, in een ander thema meer op spreken en/of luisteren, in weer andere hoofdstukken komen drie of vier domeinen aan de orde. Dat hangt af van het onderwerp van het hoofdstuk

Het aanleren van belangrijke strategieën, zoals leesstrategieën, komt aan bod, maar altijd ingebed in een context. Die contexten zijn gekoppeld aan de thema’s die StruX aanbiedt in de leerlijn Burgerschap. Vanaf leerjaar 2 zijn ze ook gekoppeld aan de praktische vakken. Daarmee laat je leerlingen het nut van Nederlands zien, en bouw je aan hun taalontwikkeling.

Ordening / opbouw

Nederlands in de praktijk omvat 4 leer-werkboeken, 1 leer-werkboek is voldoende voor 1 leerjaar en bevat een aantal hoofdstukken StruX groeit met de leerlingen mee. Deel 1 is bedoeld voor klas 1 en bevat contexten die aansluiten bij leerlingen van de leeftijd van eerste klassers. Het laatste deel, deel 4, is bedoeld voor de bovenbouw en is gericht op stage en solliciteren.

Een hoofdstuk vormt een afgerond thema en is bedoeld voor ongeveer 4 lesuren. Dit aantal is een grove schatting, afhankelijk van hoeveel tijd de leerling digitaal oefent en hoeveel tijd je wilt besteden aan de eindopdracht.

Opbouw hoofdstuk

Elke hoofdstuk is op dezelfde manier opgebouwd.

1. Zoals gebruikelijk in StruX begint elk hoofdstuk met de leerdoelen.

2. Daarna volgt uitleg (theorie), binnen de context.

3. Vervolgens is er een aantal opdrachten gericht op reproductie en toepassing. De opdrachten zijn opgebouwd uit kleine stappen en maken zelfstandig werken en leren mogelijk.

4. In elk hoofdstuk staat een woordenlijst met begrippen en uitleg.

5. Elk hoofdstuk sluit af met een praktische opdracht. Deze eindopdracht kun je inzetten als afsluitende toets van dit hoofdstuk en kan een bewijs opleveren voor het portfolio van de leerling. Het biedt de leerling de mogelijkheid om te laten zien wat hij heeft geleerd in dit hoofdstuk.

6. Aan het einde van het hoofdstuk staan de leerdoelen weer. De leerling kan zelf beoordelen of hij die leerdoelen bereikt heeft.

7. Als laatste staat er een verwijzing naar de digitale leeromgeving, waar de leerling meer kan oefenen.

Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 4

Taalverzorging en Spelling

Bij taalverzorging gaat het om zaken die in dienst staan van een verzorgde schriftelijke taalproductie. In het Referentieniveau Taal wordt beschreven wat we van leerlingen verwachten als het gaat om grammatica en spelling en er staan begrippen in die leerlingen moeten kunnen gebruiken op de verschillende niveaus.

Voor 1F wordt het niveau voor Taalverzorging / Spelling, interpunctie en grammatica van het niveau aangeduid als: Redelijk accuraat gebruik van eenvoudige zinsconstructies.

Voor Taalverzorging en Spelling zijn er geen Passende Perspectieven uitgewerkt.

Begrippen 1F

Om te spreken over taal en taalverschijnselen is een beperkt aantal begrippen noodzakelijk. De meeste daarvan zijn aan het einde van het basisonderwijs wel aan de orde geweest (1F). Het gaat hierbij om:

Leestekens

Dubbele punt, punt, komma, puntkomma, uitroepteken, vraagteken, aanhalingsteken.

Woordsoorten Zelfstandig naamwoord, werkwoord (klankvast, klankveranderend (zwak, sterk)), bijvoeglijk naamwoord.

Grammaticale kennis Onderwerp, lijdend voorwerp, hoofdzin, bijzin, gezegde, persoonsvorm.

Tekstkennis Standpunt, argument, feit, mening, tekstsoort en gesprekvormen, paragraaf.

Stilistiek en semantiek Betekenis, symbool, synoniem, context, letterlijk, figuurlijk, uitdrukking, spreekwoord, gezegde, moedertaal, tweede taal, vreemde taal, standaardtaal, dialect, meertalig, formeel en informeel taalgebruik, leenwoord.

Morfologie Woordvorm, woorddeel, samengesteld, voorvoegsel, achtervoegsel, lettergreep.

Getal (meervoud/enkelvoud), tijd (tegenwoordig, verleden, voltooid, onvoltooid).

Verkleinwoord, verschijningsvormen werkwoord (stam (ik-vorm), infinitief, bijvoeglijk naamwoord).

Opmaak Bladzijde, woord, zin, hoofdletter, uitspraak, titel, hoofdstuk, regel, lettertype, alinea, kopje.

Klanken Articulatie, klemtoon, intonatie, spreekpauze.

In de onderstaande tabel zie je welke onderdelen bij welk niveau horen. Niveau 1F is vet, en wordt behandeld in StruX Taalverzorging en/of StruX Spelling.

Spelling, interpunctie en grammaticale begrippen voor werkwoordspelling

1. Alfabetische spelling

2. Orthografische spelling

3. Morfologische spelling

Hieronder vallen de schrijfwijze van achtervoegsels, de meervoudsvorming, de verkleinwoordsvorming, regel van gelijkvormigheid bij assimilatie (zakdoek/zaddoek), vorming bijvoeglijk naamwoord

Moeilijke gevallen:

a) meervoud –s na klinker (meisjes, garages, fuchsia’s, cafés)

b) verkleinwoord na open klinker (parapluutje)

c) ’s in ’s ochtends

d) stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden op –en 2F e) meervouds –n bij zelfstandig gebruikte verwijzing (allen versus alle) 2F f) wel/niet –n in samengestelde woorden. 2F

4. Morfologische spelling op syntactische basis

Werkwoordspelling waarvan een deel zuiver morfologische is, zoals tegenwoordige tijd meervoud, verleden tijd van werkwoorden met stam* of –d (antwoordde(n)), hele werkwoord

Moeilijke gevallen: Persoonsvorm

a) homofone gevallen: tegenwoordige tijd stam op –d enkelvoud (hij wordt/word) 2F

b) tegenwoordige tijd (klankvaste of zwakke) werkwoorden, enkelvoud 2F

c) verleden tijd (klankvaste of zwakke) werkwoorden met stam op –d of –t 2F

d) tegenwoordige tijd 2e persoon of 3e persoon achter de persoonsvorm (word jij ziek, wordt je broer, wordt je de toegang ontzegd) 3F

e) met prefix, homofoon met voltooid deelwoord (hij beoordeelt/beoordeeld) 3F

Voltooid deelwoord

h) homofone gevallen (verhuisd/verhuist) 3F

5. Logografisch: geen regels, maar kennis van vaststaande combinatie tussen klank en teken zoals /sj/ geschreven als –ch1F

6. Overige regels

a) spelambigue woorden F 2F

b) schrijfwijze van tussenklanken –s en –e(n) 3F

c) gebruik van trema en koppelteken 3F

Leestekens

1. Hoofdletters en punten 1F

2. Vraagtekens, uitroeptekens en aanhalingstekens 1F

3. Hoofdletters bij eigennaam en directe rede 2F

4. Komma’s, dubbele punten 3F

Overige regels

Afbreekregels 1F

Aaneenschrijving en losschrijving (moeilijkste gevallen) 3F

Grammaticale begrippen voor werkwoordsspelling

Werkwoord, tijd van het werkwoord, getal, persoon, persoonsvorm, voltooid deelwoord, stam, hele werkwoord, onderwerp, zwakke/sterke werkwoorden, werkwoordelijk gezegde, ‘kofschip‘

*In plaats van ‘stam’ bieden we in StruX ‘ik-vorm’ aan.

De opzet van de leer-werkboeken

De leer-werkboeken Taalverzorging en Spelling bestaan uit een aantal korte hoofdstukken. Elk hoofdstuk bevat korte duidelijke uitleg, vaak met infographics. Daarna volgt een serie opdrachten, eventueel nog een korte uitleg en weer opdrachten. Elk hoofdstuk is een afgerond geheel.

De inhoud van het leer-werkboek Taalverzorging

1F, algemeen

De leerling

• kent en gebruikt begrippen en regels die ten dienst staan van correct taalgebruik;

• kent en gebruikt een (beperkt) aantal taalbegrippen, waaronder grammaticale begrippen voor werkwoordspelling

Hoofdstuk 1 Soorten zinnen en hun leestekens

• het verschil in betekenis tussen een mededelende zin, een vraagzin, een bevelende zin en een uitroep en past dit toe

• de leestekens: punt, vraagteken, uitroepteken

Hoofdstuk 2 Intonatie

• Het verschil in klank (intonatie en klemtoon) tussen een mededelende zin, een vraagzin, een bevelende zin en een uitroep

Hoofdstuk 3 Zelfstandige naamwoorden en lidwoorden

Woordsoorten:

• zelfstandig naamwoord

• lidwoorden

Hoofdstuk 4 Bijvoeglijke naamwoorden

Woordsoort: bijvoeglijk naamwoord

Hoofdstuk 5 Werkwoorden in de tegenwoordige tijd

Begrippen rondom het werkwoord:

• tegenwoordige tijd (t.t.)

• ik-vorm

Hoofdstuk 6 Het hele werkwoord, de ik-vorm en de persoonsvorm

Begrippen rondom het werkwoord:

• hele werkwoord

• ik-vorm

• persoonsvorm

• vervoegingen van hebben en zijn

Hoofdstuk 7 Het getal van het werkwoord

• getal (van het werkwoord)

• werkwoorden vervoegen

Hoofdstuk 8 Werkwoorden in verschillende tijden

Tijden van het werkwoord:

• tegenwoordige tijd

• verleden tijd

• voltooide tijd

Hoofdstuk 9 De vervoeging van zwakke werkwoorden

De vervoeging van zwakke werkwoorden in de tegenwoordige, verleden en voltooide tijd.

Hoofdstuk 10 De vervoeging van sterke werkwoorden

De vervoeging van sterke werkwoorden in de tegenwoordige, verleden en voltooide tijd.

Hoofdstuk 11 ’t Fokschaap

Het ‘ezelsbruggetje’ (’t fokschaap) om werkwoorden correct te spellen in 3 tijden (t.t.; v.t.; v.t.t.)

Hoofdstuk 12 Woordvolgorde

• Het vinden van het onderwerp en de persoonsvorm

• De volgorde van woorden in enkelvoudige mededelende en vragende zinnen.

Hoofdstuk 13 Trappen van vergelijking

De trappen van vergelijking (zowel regelmatig als onregelmatig) bij veel voorkomende bijvoeglijk naamwoorden.

Hoofdstuk 14 Afbreekregels

De regels bij het afbreken van woorden, en bij het verdelen van woorden in lettergrepen.

Hoofdstuk 15 Onderwerp, persoonsvorm en gezegde

Onderdelen van zinnen:

• onderwerp

• persoonsvorm

• werkwoordelijk gezegde

Hoofdstuk 16 Hulpwerkwoorden

• ‘hebben’, ‘zijn’ en ‘worden’ plus voltooid deelwoord;

• ‘kunnen’, ‘willen’, ‘zullen’, ‘mogen’, ‘moeten’ ‘hoeven’ plus hele werkwoord.

Hoofdstuk 17 Voegwoorden

Voegwoorden / verbindingswoorden / signaalwoorden voor:

opsomming, volgorde, tegenstelling, vergelijking, reden/verklaring, doel/middel, oorzaak/gevolg, conclusie, voorwaarde.

Hoofdstuk 18 Samengestelde zinnen

• enkelvoudige zinnen

• hoofdzin(nen)

• bijzin(nen)

Hoofdstuk 19 Leestekens

• Herhaling: punt, vraagteken, uitroepteken

• Uitbreiding: aanhalingstekens.

Hoofdstuk 20 Goede zinnen maken

Goede zinnen maken en foute zinnen verbeteren. Herhaling van woordvolgorde, leestekens, onderwerp, persoonsvorm, voegwoorden en zinsdelen.

Hoofdstuk 21 Lijdend voorwerp

Het vinden van het lijdend voorwerp.

De inhoud van het leer-werkboek Spelling

Hoofdstuk 1 Letters en klanken

Hoofdstuk 2 Woorden met medeklinker-klinker-medeklinker (kort)

Hoofdstuk 3 Woorden met medeklinker-klinker-medeklinker (lang)

Hoofdstuk 4 Je hoort een lange klank, maar je schrijft 1 klinker

Hoofdstuk 5 Tweetekenklanken

Hoofdstuk 6 Woorden met mkmm en mmkm

Hoofdstuk 7 Woorden met f en v

Hoofdstuk 8 Woorden met s en z

Hoofdstuk 9 De stomme e

Hoofdstuk 10 Woorden met -ee of -uw aan het einde

Hoofdstuk 11 De lettercombinatie ch

Hoofdstuk 12 Woorden met sch- of schr- aan het begin

Hoofdstuk 13 Woorden met -ch, -cht of -sch aan het einde

Hoofdstuk 14 Woorden met -nk aan het einde

Hoofdstuk 15 Woorden met -ng aan het einde

Hoofdstuk 16 Woorden met -aai, -ooi of -oei aan het einde

Hoofdstuk 17 Woorden met -eeuw of -ieuw aan het einde

Hoofdstuk 18 Woorden met -a, -o of -u aan het einde

Hoofdstuk 19 Klemtonen

Hoofdstuk 20 De verdubbeling van medeklinkers

Hoofdstuk 21 Klinkerverenkeling (van 2 klinkers naar 1 klinker)

Hoofdstuk 22 Verkleinwoorden en -ng en –nk

Hoofdstuk 23 De verlengingsregel

Hoofdstuk 24 Woorden met -el, -em en -er aan het einde

Hoofdstuk 25 Woorden met -de en -te aan het einde

Hoofdstuk 26 Woorden met de achtervoegsels -lijk en -ig

Hoofdstuk 27 Meervoudsvormen op -en en -s

Hoofdstuk 28 Meervoudsvormen op -a en -i

Hoofdstuk 29 Woorden met het voorvoegsel ont-

Hoofdstuk 30 Woorden met het voorvoegsel verHoofdstuk 31 Woorden met de voorvoegsels ge- en beHoofdstuk 32 Woorden met ei of ij

Hoofdstuk 33 Woorden met ou of ouw

Hoofdstuk 34 Woorden met au of auw

Hoofdstuk 35 Woorden met –tie

Hoofdstuk 36 Woorden met y Hoofdstuk 37 De oe geschreven als ou

Hoofdstuk 38 De t geschreven als th Hoofdstuk 39 De letter c verschillend uitgesproken

Hoofdstuk 40 De letter x uitgesproken als ks

Hoofdstuk 41 De ie geschreven als i

Hoofdstuk 42 De zj geschreven als g

Hoofdstuk 43 Verkleinwoorden met –ootje, -eetje of –uutje

Hoofdstuk 44 Veelvoorkomende afkortingen

Hoofdstuk 45 Franse en Engelse leenwoorden

Hoofdstuk 46 Samengestelde woorden

Woordenschat

Woordenschat kun je inzetten in combinatie met de praktijkvakken, op het moment dat de leerlingen daaraan beginnen (De naam van deze fase verschilt per school: Oriëntatiefase of Stage Voorbereidingsfase of Beroeps Oriënterende fase).

Werkboeken:

• Basis

• Groen

• Techniek

• Dienstverlening en Zorg

• Dienstverlening en Economie.

De inhoud

Ieder leer-werkboek bestaat uit een zeven of acht hoofdstukken. Per hoofdstuk worden veertien tot zestien woorden aangeboden. Deze woorden zijn verdeeld in twee delen. Ieder deel heeft zeven of acht woorden.

De keuze van de woorden is zo veel als mogelijk aangesloten bij de manier waarop het desbetreffende vakgebied momenteel op scholen wordt onderwezen. Daarbij sluiten de vakwoorden aan op de profielvakken van de entreeopleiding. Het is niet te voorkomen dat de woordkeuze op sommige plekken wellicht net wat afwijkt van de manier waarop jij binnen jouw les de woorden zou hebben gekozen.

De opzet van de werkboeken

Een aantal hoofdstukken start met een kort verhaal. Dit verhaal kun je voorlezen of het de leerlingen zelfstandig laten lezen. In dit verhaal worden alle woorden aangeboden van het desbetreffende hoofdstuk. Dat wil zeggen dat de leerlingen het woord een keer in een betekenisvolle context horen. Veelal kunnen de leerling zelf de betekenis van het woord uit dit verhaal afleiden. Bespreek het verhaal aan de hand van de vragen over het verhaal. Je helpt de leerlingen hiermee de voorkennis te activeren.

Na het verhaal volgt de eerste serie woorden, inclusief een foto, de uitleg van het woord en een voorbeeldzin.

Opdrachten

Een aantal opdrachten is speciaal voor zwakke lezers gemaakt. Over het algemeen zijn het de opdrachten waarbij de leerling iets op een tekening of een foto moet aankruisen of moet kleuren. Na deze eerste oefeningen wordt verder gegaan met het oefenen van de betekenis van de woorden. De eerste oefening zijn vrij eenvoudig. Dat wil zeggen dat leerlingen bijvoorbeeld zaken met elkaar moeten combineren of uitspraken op juistheid moet controleren. De laatste opdrachten vragen meer van de leerlingen. Zij moeten zelf over een aantal zaken rondom het woord nadenken.

In de eindopdracht, de laatste opdracht van het werkboek, laten de leerlingen zien wat zij geleerd hebben. Deze opdracht levert een bewijs op voor het portfolio van de leerling.

Referentieniveau taal en rekenen

De referentieniveaus taal en rekenen vormen sinds 2010 de basis voor het taal- en rekenonderwijs in het basisonderwijs, het speciaal (basis-)onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs.

De SLO ontwikkelde leerroutes voor taal en rekenen voor verschillende doelgroepen binnen het praktijkonderwijs, de zogenaamde Passende perspectieven.

De leerroutes taal beschrijven het gewenste taalbeheersingsniveau van leerlingen met een bepaalde uitstroombestemming: wat moeten leerlingen kennen en kunnen als ze het praktijkonderwijs verlaten, met het oog op hun maatschappelijk perspectief, zoals het beroep dat ze gaan uitoefenen. De leerroutes zijn gebaseerd op de fundamentele niveaus 1F en 2F van het referentiekader taal (Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen, 2009).

Samen met de leerroutes voor het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs (Langberg, Leenders en Koopmans, 2012) vormen ze de basis voor een doorgaande lijn in het taalonderwijs aan leerlingen in het praktijkonderwijs.

Om recht te doen aan de diversiteit van leerlingen in het praktijkonderwijs is gekozen voor een indeling in vier doelgroepen. Deze indeling is gebaseerd op de huidige situatie op de scholen. Hoewel de indeling herkenbaar is voor scholen, zal deze indeling niet op elke school gehanteerd worden. Het kan voorkomen dat scholen doelgroepen samennemen.

De onderscheiden doelgroepen en de voor deze groepen ontwikkelde leerroutes worden aangeduid met de letters A, B, C, D. De doelgroepen en leerroutes hebben de volgende kenmerken:

Doelgroep A: uitstroom naar mbo en loonvormende arbeid met kwalificatie; zelfstandig wonen

• Voor leerlingen die leerroute A volgen is minimaal referentieniveau 1F aan het eind van praktijkonderwijs vereist. Beter is een doorloop naar 2F (op onderdelen), met name in die domeinen die in de gekozen uitstroombranche of opleiding extra relevant zijn en die noodzakelijk zijn voor instroom in het mbo.

• Het startniveau ligt waarschijnlijk onder 1F.

• Er wordt rekening gehouden met alle transitiegebieden (werken, wonen, vrije tijd en burgerschap), dus niet alleen met het transitiegebied werken.

Doelgroep B: uitstroom naar loonvormende arbeid; zelfstandig wonen

• Voor leerlingen die leerroute B volgen kan worden toegewerkt naar referentieniveau 1F als streefniveau en 2F op een aantal onderdelen die in de door de leerling gekozen uitstroombranche extra relevant zijn.

• Het startniveau ligt onder 1F.

• Er wordt rekening gehouden met alle transitiegebieden (werken, wonen, vrije tijd en burgerschap).

Doelgroep C: uitstroom naar beschermde arbeid; begeleiding bij wonen

• Voor leerlingen in leerroute C kan worden toegewerkt naar referentieniveau 1F op onderdelen en zo mogelijk enkele onderdelen uit 2F.

• Het ontwikkelingsperspectief en het uitstroomprofiel van de individuele leerling bepalen mede op welke domeinen/onderdelen de meeste nadruk wordt gelegd.

• Het startniveau ligt onder 1F (onder leerroute 3).

• Er wordt rekening gehouden met alle transitiegebieden (werken, wonen, vrije tijd en burgerschap).

Doelgroep D: uitstroom naar arbeidsmatige dagbesteding; begeleide woonvorm

• Voor leerlingen in leerroute D kan worden toegewerkt naar referentieniveau 1F op onderdelen en zo mogelijk een enkel onderdeel uit 2F.

• Het ontwikkelingsperspectief en het uitstroomprofiel van de individuele leerling bepalen daarbij op welke domeinen/ onderdelen de meeste nadruk wordt gelegd.

• Het startniveau ligt onder 1F (onder leerroute 3).

• Er wordt rekening gehouden met alle transitiegebieden (werken, wonen, vrije tijd en burgerschap).

Wat voorbeelden

Taalverzorging

Spelling

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
StruX leerlijn Nederlands en de nieuwe functionele kerndoelen by Boom beroepsonderwijs - Issuu