Skip to main content

Brochure POLARIS

Page 1

BROCHURE

POLARIS

NATUURKUNDE / SCHEIKUNDE NASK / NASK 1 / NASK 2 VMBO / HAVO / VWO / GYMNASIUM / TTO


boom voortgezet onderwijs

Voor een beter begrip De lesmethoden van Boom voortgezet onderwijs ondersteunen docenten en leerlingen optimaal. Leren met pen en papier vormt de basis van onze les­methoden, terwijl digitale hulpmiddelen het leerproces effectief ondersteunen.

v Duurzaam — Geen wegwerpboeken

Onze lesmethoden zijn niet alleen inhoudelijk van top­kwaliteit, de boeken zijn ook mooi vormgegeven, worden in Nederland gedrukt en gaan meerdere jaren mee. Wij hanteren geen LiFo-model, zodat leerlingen niet elk jaar hun lesboeken hoeven weg te gooien.

v Vrijheid — Jouw school, jouw keuze

Wij geloven in keuzevrijheid: je kiest zelf of je lesgeeft met boeken, digitaal of een combinatie van beide, zonder koppelverkoop of een langjarig contract. Onze lesmethoden zijn eerlijk geprijsd en vaak goed­ koper dan die van andere uitgevers.

v Service — Persoonlijk contact

Wij hechten veel waarde aan persoonlijk contact. Onze educatief adviseurs en uitgevers denken met je mee en ze komen graag persoonlijk langs voor een gesprek.


1

2

N

POLARIS

POLARIS

NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE

NATUURKUNDE

VWO / GYMNASIUM

VWO / GYMNASIUM

ENGLISH 2ND EDITION 1

2

EN

1

1

1

2 POLARISPOLARIS

1 2 POLARISPOLARIS

2

A

1

A

POLARIS

2

B

B

POLARIS

NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE NATUURKUNDE VMBO–BASIS/KADER + SCHEIKUNDE VMBO–BASIS/KADER

3

3

A

A

POLARISPOLARIS

HAVO

N

POLARIS POLARIS

4

4

A

A

POLARIS POLARIS VMBO–KGT 1

4

4

B

B

1

NASK 1 VMBO–KADER

EN

VMBO-GT

GL

IS

H

ED

IT

IO

POLARIS 4 N

POLARIS

1

NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE

NATUURKUNDE

HAVO / VWO

HAVO

3

VMBO-GT

POLARIS NATUURKUNDE

GL

IS

ED

IT

POLARIS

IO

GL

IS

H

ED

N

IO

IS

H

ED

N

EN

NATUURKUNDE

POLARIS IT

GL

GL

IS

IT

IO

EN H

ED

3

N

IT

IO

EN

N GL

IS

H

ED

N

POLARIS

HAVO

N

VWO / GYMNASIUM

N 4 POLARIS

N EN 5

N

4

NATUURKUNDE

N NATUURKUNDE

VWO / GYMNASIUM

HAVO

N 3 POLARIS H

NATUURKUNDE

NATUURKUNDE

VWO / GYMNASIUM

HAVO

VWO / GYMNASIUM

3

NATUURKUNDE

N EN 4

GL

IS

H

ED

IT

IO

5

N

POLARIS

HAVO

N

IT

IO

N

5

NASK 2 VMBO-GT

POLARIS 4 POLARIS

POLARIS POLARIS PHYSICS

PHYSICS

HAVO / VWO

HAVO

VWO / GYMNASIUM

P

2

HAVO / VWO

VWO / GYMNASIUM

POLARIS POLARIS N 3

3

PHYSICS

PHYSICS + CHEMISTRY NATUURKUNDE

NATUURKUNDE

POLARIS POLARIS

PHYSICS + CHEMISTRY

1

VWO / GYMNASIUM

HAVO 3 POLARIS 4

VWO / GYMNASIUM

NATUURKUNDE

3 POLARIS

HAVO

VWO / GYMNASIUM

POLARIS POLARIS 1 2 N 4

P

NATUURKUNDE VWO / GYMNASIUM

P 3 POLARIS

N

5

PHYSICS

3 NATUURKUNDE

VWO / GYMNASIUM VWO / GYMNASIUM

P 3 POLARIS N 6 VWO/GYMNASIUM 3 POLARIS

ENGLISH EDITION 1

2

EN

N

GL

IS

3

EN

H

ED

NATUURKUNDE NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE IT

IO

N

1

2

POLARIS

HAVO / VWO

4

NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE

NATUURKUNDE

VWO / GYMNASIUM

VWO / GYMNASIUM

1

2

N

3

N

EN

H

ED

IT

IO

N

NATUURKUNDE HAVO

N

4

GL

IS

3

IT

IO

IS

5

H

ED

IT

IO

N

NATUURKUNDE

NATUURKUNDE

NATUURKUNDE

VWO / GYMNASIUM

VWO / GYMNASIUM

VWO / GYMNASIUM

N

4

VWO / GYMNASIUM

N

4

N

POLARIS

N

PHYSICS + CHEMISTRY NATUURKUNDE

2

GL

VWO/GYMNASIUM 3

ED

HAVO

1

N

EN

H

POLARIS POLARIS P 3

HAVO / VWO

EN

NATUURKUNDE VWO / GYMNASIUM

GL

IS

H

ED

IT

IO

EN

N

GL

IS

H

ED

IT

IO

N

PHYSICS

PHYSICS

PHYSICS + CHEMISTRY

POLARIS 1 2

IS

POLARIS

HAVO 3

POLARIS

GL

HAVO

VWO / GYMNASIUM

3

ENGLISH EDITION N 4

N

VWO / GYMNASIUM

VMBO-GT

POLARIS 1 2

P

POLARIS

NASK 2

2

NASK 2

POLARIS

VWO / GYMNASIUM

3

NATUURKUNDE

HAVO

NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE

PHYSICS

HAVO

NATUURKUNDE

EN

POLARIS

PHYSICS

VWO / GYMNASIUM

1 2 POLARIS

2

5

VWO / GYMNASIUM

NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE NATUURKUNDE

HAVO / VWO

1

NASK 2

5

POLARIS

HAVO

N

POLARIS

VMBO-GT

VWO / GYMNASIUM

POLARIS POLARIS P 3

PHYSICS HAVO

P

3

NATUURKUNDE VWO / GYMNASIUM

N

5

POLARIS POLARIS

PHYSICS NATUURKUNDE VWO / GYMNASIUM VWO / GYMNASIUM

P

3

N

6

5

IS

NATUURKUNDE

4

P

POLARIS POLARIS 3

VWO/GYMNASIUM 1 + 2

NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE

4

HAVO

2

GL

NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE

POLARIS

HAVO/VWO 1 + 2

EN

NATUURKUNDE

N

POLARIS

VMBO-GT

3

N

POLARIS

PHYSICS + CHEMISTRY

NASK 1

N

IO

NATUURKUNDE

3

POLARIS

POLARIS 4 POLARIS

HAVO

POLARIS

2

POLARIS IT

POLARIS

3

HAVO

N

NATUURKUNDE

3

NATUURKUNDE

2

1

1

ED

N

NASK 1

HAVO / VWO

H

N

POLARIS

NATUURKUNDE

IS

N

2

HAVO / VWO

NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE

GL

HAVO

POLARIS

VMBO-GT

EN

HAVO

POLARIS

3 POLARIS

4

HAVO

1

1 2 POLARIS

N

HAVO / VWO

HAVO / VWO

VMBO-THEORETISCH / HAVO

POLARIS

NATUURKUNDE

NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE

NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE

NATUURKUNDE VWO / GYMNASIUM

NASK 1

VMBO-GT

POLARIS 3

VMBO T-HAVO 1 + 2

POLARIS

NASK 1

NATUURKUNDE

VWO / GYMNASIUM

N 3 SCHOOLJAAR POLARIS 27-28

NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE

NASK 1 VMBO–BASIS NASK 1 VMBO–BASIS

VMBO KGT 1-2

2

POLARIS

4

1

NASK 1 VMBO–BASIS NASK 1 VMBO–BASIS

3

POLARIS

POLARIS GEREED VOOR

VWO / GYMNASIUM

POLARIS 1 2

3

4

HAVO

P

2NASK 1

POLARIS

NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE

NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE POLARIS POLARIS VMBO-THEORETISCH / HAVO

NASK 1

VMBO–KADER

2

N

VMBO–KADER

ENGLISH EDITION

POLARIS POLARIS

POLARIS NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE

IO

HAVO/VWO 1 + 2

NASK 1 VMBO–BASIS NASK 1 VMBO–BASIS

POLARIS

IT

4

POLARIS NASK 1 VMBO–BASIS NASK 1 VMBO–BASIS

ED

PHYSICS

PHYSICS + CHEMISTRY

3 3

H

NATUURKUNDE

HAVO / VWO

2

IS

POLARIS

3

1

GL

POLARIS

N

POLARIS

2

NASK 1

B

IO

N

2

VMBO–KADER

3

IT

HAVO

VMBO–KGT

B

ED

NATUURKUNDE

NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE

POLARISPOLARIS

EN H

HAVO / VWO

VMBO BASIS-KADER 1 + 2 1

3

NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE

1

VMBO BASIS-KADER 1 + 2

IS

N

POLARIS

POLARIS

NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE VMBO–BASIS/KADER NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE VMBO–BASIS/KADER

GL

POLARIS

1

2

3

N

6

5

H

ED

IT

IO

N


POLARIS NaSk 1 en NaSk2 vmbo bovenbouw v Zie pagina 12–17

Tweede editie POLARIS NaSk en natuurkunde vmbo/havo/vwo/gymnasium onderbouw Uit liefde voor het vak v Focus op de kern

POLARIS onderscheidt zich door compacte en heldere uitleg, ondersteund met relevante voorbeelden en functionele illustraties. De methode straalt rust en overzicht uit, waardoor leerlingen zich kunnen richten op de kern van het vak.

v Differentiatie en ondersteuning Dankzij de drie routes door de opgaven kunnen leerlingen werken op hun eigen niveau. Leerlingen die vastlopen, vinden achter in het boek tevens handige tips voor het oplossen van moeilijke opgaven. Daarnaast biedt de online omgeving uitlegvideo’s per paragraaf en extra oefening op R- en T1-niveau.

v Klaar voor de toekomst

SLO heeft nieuwe kerndoelen ontwikkeld voor Mens & Natuur. Met POLARIS zit je goed: de tweede editie sluit aan bij zowel de huidige als de nieuwe kerndoelen. Zo kun je op elk gewenst moment zorgeloos overstappen.

v Efficiënt en flexibel

Om beter aan te sluiten bij de beschikbare lestijd in de onderbouw is het aantal paragrafen per hoofdstuk teruggebracht van vijf naar vier. Voor wie meer uitdaging wil, biedt elke paragraaf extra verdiepingsstof.

v Leren met een doel

Elke paragraaf start met het leerdoel en sluit af met een leerdoelcheck op vier cognitieve niveaus (RTTI). Kernbegrippen worden bondig herhaald en de TTI-leerdoelen zijn zorgvuldig uitgewerkt.

v Structuur in de leerstof

Alle boeken voor leerjaar 1–2 beginnen nu met het hoofdstuk Stoffen. De eerste paragraaf introduceert metingen, resultaten, grootheden en eenheden en legt zo de basis om goed voorbereid aan het vak Nask te beginnen.

v Slim toetsen met ToetsPers

Met de docentlicentie heb je toegang tot het toetsplatform van ToetsPers. Hiermee stel je eenvoudig je eigen toetsen samen met het materiaal van POLARIS. Afname van de toetsen kan zowel digitaal als op papier.

v Bekijk op de volgende bladzijden

voorbeeld­pagina’s uit POLARIS. v Meer informatie?

v Meer oefening, meer grip

Het aantal pagina’s met toetsvoorbereiding is uitgebreid van twee naar vier. Daarnaast zijn in de naslagen, zoals ‘rekenen met ver­ houdingen’, extra oefenopgaven toegevoegd.

boom.nl/voortgezet-onderwijs/polaris/ polaris-nask-havo-vwo-gymnasium-tweede-editie

5


nask havo/vwo 1-2

1

STOFFEN

1.3 Dichtheid doel → Je leert wat dichtheid is en hoe je rekent met massa, volume en dichtheid.

Leerdoelgestuurd.

Dichtheid Hout drijft op water doordat één cm3 hout minder massa heeft dan één cm3 water. IJzer zinkt juist in water doordat één cm3 ijzer meer massa heeft dan één cm3 water. Je zegt dan: de dichtheid van hout is kleiner dan de dichtheid van water en de dichtheid van ijzer is juist groter dan die van water. De dichtheid van een stof is het aantal gram van één cm3 van die stof. Dichtheid kun je meten; het is dus een grootheid. Het symbool is de Griekse letter ρ (spreek uit als roo). De eenheid is g/cm3 (spreek uit als gram per kubieke centimeter). Dichtheid is een belangrijke stofeigenschap, want je kunt er een stof goed aan herkennen. In figuur 1.9 zie je de dichtheid van een aantal stoffen.

Compacte, heldere uitleg.

Massa en volume van een voorwerp Om de dichtheid te bepalen, moet je de massa en het volume meten. De massa bepaal je met een weegschaal. Het volume van rechthoekige voorwerpen zoals balken bereken je als volgt: volume = lengte × breedte × hoogte. Als je de woorden in deze berekening vervangt door de symbolen voor de grootheden, krijg je de volgende formule: V=l×b×h V l b h

volume in cm3 lengte in cm breedte in cm hoogte in cm

Dichtheid berekenen De dichtheid bereken je door de massa van een voorwerp te delen door het volume:

stof

dichtheid (g/cm3)

alcohol

0,80

aluminium

2,7

eikenhout

0,78

glas

2,6

goud

19,3

koper

8,96

koolstof

3,5

kwik

13,5

lood

11,3

lucht

0,0012

messing

8,5

olijfolie

0,92

staal

7,8

tin

7,3

water

1,0

ijs

0,92

ijzer

7,9

zilver

10,5

Figuur 1.9 De dichtheid van stoffen bij 20 °C (g/cm3)

massa dichtheid = ________ volume In symbolen ziet de formule er zo uit: m ρ = __ V

ρ m V

dichtheid in g/cm3 massa in g volume in cm3

Als de massa niet in g of het volume niet in cm3 is, reken deze dan eerst om naar de juiste eenheid. Bedenk hierbij dat 1 mL = 1 cm³.

20

1

Kernbegrippen bondig herhaald.

POLARIS NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE HAVO/ VWO 1 – 2

STOFFEN 1.3 DICHTHEID

43 Op de grens van Israël en Jordanië ligt de Dode Zee, die bekend is om het hoge zoutgehalte. In de Dode Zee blijf je gemakkelijk drijven, doordat het water zoveel zout bevat dat het een veel hogere dichtheid heeft dan gewoon zeewater. Het zoutgehalte geef je weer met een percentage. In Dode Zeewater is dit 33%. Dat betekent dat 100 kg zeewater 33 kg zout bevat. De dichtheid van Dode Zeewater is 1,27 g/cm3. Gebruik zo nodig Naslag C6 – Rekenen met procenten.

Heb je het leerdoel bereikt?

R

Ik ken de betekenis van de volgende begrippen: v Dichtheid (ρ) De massa van één cm3 stof. De eenheid van dichtheid is g/cm3. v Onderdompelmethode Een manier om het volume van een voorwerp te bepalen, door het onder te dompelen in een maatcilinder met water.

T1

a Leg uit of de dichtheid van je lichaam kleiner of groter is dan die van het Dode Zeewater. T2 b Bereken hoeveel kg zout 100 L Dode Zeewater bevat. I → TIP c De dichtheid van zout is 2,17 g/cm3. Bereken het volume van het zout in 100 L Dode Zeewater. I

44 Figuur 1.9 Een bronzen beeldje heeft een massa van 60 g. Brons is een mengsel van koper en tin. Van de massa van het bronzen beeldje is 90% koper en 10% tin. Gebruik zo nodig Naslag C6 – Rekenen met procenten. a Bereken hoeveel gram koper en hoeveel gram tin er in het beeldje zit. T1 b Gebruik de dichtheden van koper en tin om te berekenen wat het volume van beide stoffen is. T2 c Bereken met deze gegevens de dichtheid van het beeldje. T2 d In werkelijkheid is de dichtheid van het beeldje 8,9 g/cm3. Wat gebeurt er blijkbaar met het volume als je koper en tin mengt om brons te maken? I e Het percentage tin in brons varieert van 10% tot 30% van de massa. Leg uit of de dichtheid van brons groter of kleiner wordt als het percentage tin toeneemt. I

Opdrachten gekoppeld aan cognitieve niveaus van RTTI.

6

v

24

v

v

v

v

v

T2

v

v

v

I

Ik kan de formule voor dichtheid gebruiken om de dichtheid en de massa te berekenen. Ik kan het volume van een rechthoekig voorwerp berekenen. Ik kan het volume van een voorwerp bepalen met de onderdompelmethode. Ik kan aan de hand van de dichtheid bepalen van welke stof een voorwerp gemaakt is. Ik kan aan de hand van de dichtheid bepalen of een voorwerp in een vloeistof zinkt of erop drijft. Ik kan het volume berekenen met de formule voor de dichtheid. Ik kan uitleggen wat de invloed van de temperatuur is op de dichtheid van een stof. Ik kan samengestelde eenheden omrekenen.

Ik kan rekenen en redeneren met de dichtheid van mengsels.

Heb je een leerdoel nog niet bereikt? Lees dan de uitleg of Naslag C nog eens goed door, bekijk de uitlegvideo of maak de online oefeningen.

POLARIS NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE HAVO/ VWO 1 – 2


Onderdompelmethode Bij voorwerpen met een onregelmatige vorm bepaal je het volume met de onderdompelmethode. Je doet dan een hoeveelheid water in een maatcilinder en leest het volume af. Vervolgens dompel je het voorwerp onder water en lees je het volume opnieuw af. Het verschil tussen beide metingen is het volume van het voorwerp (figuur 1.10). → In naslag C2 – Eenheden omrekenen, naslag C3 – Samengestelde eenheden omrekenen en naslag C4 – Rekenen met formules vind je meer uitleg en oefening. Voorbeeld 1 Het voorwerp in figuur 1.10 heeft een massa van 44,2 g. Bepaal van welke stof het voorwerp is gemaakt. gegeven: gevr a agd:

m = 44,2 g

Figuur 1.10 Bij de onderdompelmethode meet je het volume voor en na onderdompeling.

ρ en de stof die daarbij hoort

berekening: 1 2

Bepaal het volume van het voorwerp: V = 72 – 55 = 17 mL = 17 cm 3 Vul de formule in: 44,2 17

__ → ρ = _____ = 2,6 g /cm 3 ρ=m

V

ant woord:

Vergelijk met figuur 1.9. Het voorwerp is gemaakt van glas.

Uitgewerkte rekenvoorbeelden volgens een vast stappenplan.

Voorbeeld 2 Een plaat aluminium is 1,5 m lang, 2,0 m breed en 5,0 mm dik. Bereken de massa van de plaat aluminium in kg. gegeven:

ρ = 2,7 g/cm3

gevr a agd:

l = 1,5 m, b = 2,0 m, h = 5,0 mm m in kg

berekening:

1 Reken de afmetingen om naar cm: l = 150 cm, b = 200 cm, h = 0,50 cm 2 Bereken het volume van de plaat aluminium: V = l × b × h = 150 ×200 × 0,50 = 15 000 cm3 3 Vul de formule in: m __ → 2,7 = ______ ρ=m V 15 000

ant woord:

De massa van de plaat aluminium is 40,5 kg.

m = 2,7 × 15 000 = 40 500 g

21

Verdieping voor extra uitdaging en differentiatie.

VERDIEPING

De eenheid karaat De massa van edelstenen wordt vaak uitgedrukt in karaat. Eén karaat is gelijk aan 0,2 gram. De grootste diamant die ooit op aarde werd gevonden is de beroemde Cullinan-diamant, die werd ontdekt in Zuid-Afrika in 1905. Deze diamant woog maar liefst 3107 karaat. Hij is groter dan een golfbal en is later in meerdere stukken geslepen, waarvan sommige nu in de Britse kroonjuwelen zitten (afbeelding C). De eenheid karaat wordt niet alleen gebruikt voor diamanten, maar ook bij goud. In dat geval geeft de hoeveelheid niet de massa aan, maar hoe puur het goud is. Zuiver goud is 24 karaat. Bestaat een gouden ketting voor precies de helft uit zuiver goud, dan is het goud 12 karaat. Puur goud is erg zacht – het buigt en krast makkelijk. Daarom wordt het voor sieraden meestal gemengd met andere metalen, zodat de sieraden geschikt zijn om elke dag te dragen.

45 a Bereken de massa van de Cullinan-diamant in kg. T1 b De dichtheid van de diamant is 3,52 g/cm3. Bereken het volume van deze diamant. T2

46 a Bereken hoeveel procent goud er in een ketting van 14 karaat zit. Gebruik zo nodig Naslag C6 – Rekenen met procenten. T2 b Leg uit hoe je kunt bepalen of een ketting van zuiver goud is. I → TIP c Een ring bevat 0,16 cm3 goud en 0,12 cm3 ijzer. Bereken de massa van deze ring. Gebruik figuur 1.9. I → TIP

Tips achter in het boek voor het oplossen van moeilijke vragen.

C

25

7


nask vwo/gymnasium 1-2

1

STOFFEN

Toetsvoorbereiding Controleer bij elke paragraaf van dit hoofdstuk of je de leerdoelen hebt bereikt. Zo niet, lees dan de uitleg nog eens goed door, bekijk de uitlegvideo’s of maak de online oefeningen. Maak daarna de volgende opdrachten.

Extra opdrachten per paragraaf als voorbereiding op de toets.

ɲ

1.1 Metingen en resultaten

1

Een e-bike van 19 kg rijdt met een snelheid van 25 km/h. De e-bike is gemaakt van aluminium met een dichtheid van 2,7 g/cm3. Er zit 1,2 L lucht in de banden met een druk van 2,5 bar.

4

a Wat is de massa van de persoon op de weegschaal? Noteer deze in symbolen. T1 b Wat is het bereik van de weegschaal? T2 c Wat is de nauwkeurigheid van de weegschaal? T2 d Leg uit of deze weegschaal geschikt is om 100 g meel mee af te wegen. I e In afbeelding B zie je een digitale personenweegschaal. Leg uit welke weegschaal nauwkeuriger is, A of B. T2 f Leg uit of weegschaal B geschikt is om 100 g meel af te wegen. I → TIP

a Noteer de grootheden en bijbehorende eenheden. T1 b Noteer de eenheden van massa. T1 c Noteer de eenheden van volume. T1

2

Reken de volgende massa’s en volumes om. T1 a 1,5 kg = …… g b 450 g = …… kg c 5,2 g = …… mg d 20 mg = …… g e 0,3 kg = …… mg f 3450 mg = …… kg

3

32

1

g 5 cm3 h 750 mL i 2,5 dm3 j 350 L k 1,5 m3 l 65 mL

Afbeelding A en B In afbeelding A zie je de schaalverdeling van een personenweegschaal.

= …… mL = …… L = …… L = …… m3 = …… cm3 = …… dm3

A

Werkblad T1.3 In onderstaande tabel is de massa van een baby de eerste vier maanden weergegeven. Maak op het werkblad een grafiek van deze metingen. T2 → TIP leeftijd (maanden)

massa (kg)

0

3,25

1

4,0

2

4,75

3

5,5

4

6,0

B

POLARIS NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE VWO/GYMNASIUM 1 – 2

STOFFEN TOETSVOOrBErEiDiNg

13

Een plastic speelgoedmuntje heeft een massa van 0,8 g. Je doet 15 muntjes in een maatcilinder waarin 18 mL water zit. Het waterpeil stijgt naar 28 mL. a Bereken de dichtheid van het plastic waarvan het muntje gemaakt is. T2 b Leg uit waarom je 15 muntjes onderdompelt en niet één muntje. I

14 Figuur 1.9 Een leeg klaslokaal is 10 m lang, 5 m breed en 3 m hoog. a Bereken de massa van de lucht in het lokaal als het er 20 °C zou zijn. T2 b Lucht zet uit als het warmer wordt. Leg uit of bij een temperatuur van 30 °C de massa van de lucht in het lokaal kleiner, groter of even groot zou zijn. T2

15 Figuur 1.9 a Bereken de massa van 2,5 m3 koper in kg. T1 b Bereken het volume van 50 g alcohol in mL. T2 c Een eikenhouten tafelblad heeft een massa van 50 kg, is 2,0 m lang en 1,0 m breed. Bereken de dikte van het tafelblad. I → TIP

ɲ

1.4 Mengsels

17

Afbeelding E In Nederland wordt veel drinkwater bereid door rivierwater de duinen in te pompen. Het water zakt langzaam de grond in. Diep onder de grond wordt het water weer opgepompt. Het is dan bijna zuiver. Je doet een onderzoek naar dit proces. Je hebt daarvoor een buis gevuld met zand. De buis is aan de onderkant afgesloten met een kurk waardoor een klein slangetje loopt. Het slangetje is met een klem afgesloten. Zie afbeelding E. Je giet slootwater op het zand en maakt de klem los. a Hoe heet deze scheidingsmethode? T1 b Van welke stofeigenschap maak je hier gebruik? T1 c Het slootwater is troebel. Welk soort mengsel is het slootwater? T1 d Wat is het residu en wat het filtraat na de proef? T1 e Leg uit of je het heldere water nu veilig kunt drinken. T2

18 Als je een mengsel maakt van suiker en zout, kun je dit mengsel niet scheiden door middel van extractie met water. Leg uit waarom niet. T2 → TIP

E

16 Je hebt een glazen kolf met een inhoud van precies 1,000 L, een vacuümpomp en een nauwkeurige weegschaal. a Leg uit hoe je hiermee de dichtheid van lucht kunt meten. Beschrijf de stappen die je hierbij neemt. I → TIP b Bereken de massa van de lucht in deze kolf, bij 20 °C. T2

8

34

POLARIS NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE VWO/GYMNASIUM 1 – 2

zand

kurk

klem


ɲ

1.2 Stoffen en stofeigenschappen

5

Noteer van elke waarneming of het een stofeigenschap is. T1 a Een stof drijft op olie. b Een stof kookt bij 78 °C. c Een stof is bolvormig. d Een stof is onbrandbaar. e Een stof lost op in alcohol. f Een stof heeft een massa van 5 kg.

6

Hieronder staat een aantal stoffen. Schrijf bij elke stof twee eigenschappen op waaraan je de stof kunt herkennen. T1 a Cola b Aluminium c Zout d Papier

7

C

1

2

10 Lucht bestaat voor ongeveer 80% uit stikstof en 20% uit zuurstof. Maak een molecuultekening van lucht met 20 moleculen. T2

ɲ

1.3 Dichtheid

11

Afbeelding D In afbeelding D zie je een glazen pot met drie verschillende vloeistoffen erin. De vloeistoffen drijven op elkaar. Licht toe welke kleur vloeistof de grootste dichtheid heeft. T1

Bedenk bij elk van de volgende voorwerpen twee eigenschappen die het moet hebben. Geef bij iedere eigenschap aan of het een stofeigenschap is. I

Naslagen met extra oefening van rekenvaardigheden.

D

a Een vork b De snaren van een tennisracket c De noppen van een voetbalschoen d Een regenjas

8

9

Een stalen spoorrail heeft bij 5 °C een lengte van 24 m. Staal zet per meter 0,012 mm uit bij één graad temperatuurstijging. Bereken hoeveel deze spoorrail is uitgezet bij een temperatuur van 30 °C. T2

12

Bij een opgraving is een metalen scherf gevonden met een massa van 19,85 g. De scherf heeft een volume van 1,89 cm3.

Afbeelding C a Wat is de betekenis van de pictogrammen in afbeelding C? R b Bedenk een stof waarop deze pictogrammen van toepassing zouden kunnen zijn. T2

a Bereken de dichtheid van de scherf. T1 b Ga met behulp van figuur 1.9 na van welke stof de scherf is gemaakt. T1

33

19 Norit is zeer fijnverdeeld koolstof dat niet oplost in water. Aan norit kunnen sommige stoffen blijven kleven. Dit heet adsorptie. Water dat een opgeloste kleurstof bevat kun je zuiveren met norit.

24 Bij het produceren van suiker uit suikerbieten worden de bieten in kleine reepjes gesneden en daarna in warm water gelegd. De suiker uit de bieten lost op in het warme water en zo ontstaat ruwsap.

a Beschrijf hoe je deze methode uitvoert. T2 b Welke scheidingsmethode gebruik je behalve adsorptie nog meer? T2

a Welke scheidingsmethode wordt hier gebruikt? T2 b Wat voor soort mengsel is ruwsap? T1 c Het ruwsap wordt vervolgens gezuiverd. De overgebleven oplossing van water met suiker heet dunsap. Het suikergehalte in dunsap is 15%. Het dunsap wordt verwarmd tot een groot gedeelte van het water is verdampt. Je krijgt dan diksap met een suikergehalte van 70%. Met welke scheidingsmethode maak je van dunsap diksap? T2 d Bereken hoeveel keer zoveel suiker diksap bevat ten opzichte van dunsap. T2

20 In een waterkoker ontstaat na verloop van tijd kalkaanslag. Leg uit hoe dat kan. I → TIP

21

Een bekerglas bevat een suspensie van krijtpoeder, zout en water. Beschrijf hoe je met een of meer scheidingsmethoden de drie stoffen uit dit mengsel kunt scheiden. I → TIP

22 Je hebt een mengsel van zand, zout, zonnebloemolie en water. a Geef voor de stoffen zand, zout en zonnebloemolie aan wat ermee gebeurt als je ze in water mengt. T1 b Om de olie uit het water te krijgen gebruik je een scheidingsmethode die ‘afschenken’ heet. Met welke scheidingsmethodes kun je het zand en het zout uit het mengsel scheiden? T1 c In welke volgorde zou je de drie scheidingsmethodes toepassen? I

ɲ

Hoofdstuk 1

23 a Wat is een oplossing? R b Waarom is kraanwater geen zuivere stof? T1 c Schrijf drie eigenschappen op van de stof zout. T1 d Leg uit waarom massa en volume geen stofeigenschappen zijn, maar dichtheid wel. T2

25 Afbeelding F De winnaar van een sportonderdeel op de Olympische Spelen krijgt een gouden medaille, nummer twee een zilveren medaille en nummer drie een bronzen medaille.

Extra opdrachten die over het hele hoofdstuk gaan.

a Een gouden medaille heeft een massa van 500 g en bestaat voor 1,2 % uit goud. De rest is zilver. Bereken hoeveel gram goud er in de medaille zit. T2 b Een zilveren medaille met een volume van 47,4 cm3 bestaat volledig uit zilver. Bereken de massa van deze medaille. T2 c Brons is een mengsel van koper en tin. Leg uit of een bronzen medaille zwaarder of lichter is dan een even grote zilveren medaille. Gebruik figuur 1.9. I → TIP

F

35

9


nask havo 1-2 nask vwo/gymnasium 1-2

NASLAG

A3 Meten Grootheid en eenheid Bij natuurkunde en scheikunde werk je

Naslagen met compacte uitleg van praktische vaardigheden.

vaak met meetinstrumenten. Je meet dan een grootheid en het resultaat van de meting is een getal met een eenheid. Je geeft een meting altijd weer met het symbool van de grootheid, een getal en de afkorting van de eenheid. Bijvoorbeeld de afstand is 8,5 meter schrijf je als: s = 8,5 m. Internationaal is afgesproken welke standaardeenheid bij een grootheid hoort. De afspraken zijn vastgelegd in het Internationale Stelsel van eenheden (Système International), afgekort als SI-eenheden. In de tabel in figuur A3.1 zie je de grootheden met de bijbehorende symbolen en eenheden die in dit boek voorkomen.

Bereik en nauwkeurigheid Als je iets wilt meten, is het belangrijk dat je het juiste meetinstrument kiest. De lengte van het lokaal meet je niet met een geodriehoek, want een geodriehoek heeft niet het juiste bereik. Het bereik is het gebied tussen de kleinste en grootste waarde die het instrument kan meten. Sommige meetinstrumenten hebben meer dan één bereik. Als je gaat meten, gebruik dan eerst het grootste bereik. De ampèremeter hiernaast (figuur A3.2) heeft drie verschillende bereiken: van 0 tot 0,05 A, van 0 tot 0,5 A en van 0 tot 5 A. Je gebruikt dus eerst het bereik van 0 tot 5 A. Als je dan 0,4 A meet, kun je beter het bereik van 0 tot 0,5 A gebruiken. Je kunt de stroomsterkte dan nauwkeuriger aflezen. De meting krijgt dus een grotere nauwkeurigheid. De nauwkeurigheid is het kleinste verschil in de meetwaarden die je kunt meten. Hoe kleiner het verschil dat je kunt meten, hoe groter de nauwkeurigheid is. Bij de ampèremeter is de nauwkeurigheid bij het grootste bereik 0,1 A en bij het kleinste bereik 0,001 A. grootheid

symbool

SI-eenheid

afkorting

afstand

s

meter

m

tijd

t

seconde

s

snelheid

v

meter per seconde

m/s

versnelling

a

meter per seconde per seconde

m /s2

temperatuur

T

kelvin

K

volume

V

kubieke meter

m3

massa

m

kilogram

kg

dichtheid

ρ

kilogram per kubieke meter

kg / m 3

spanning

U

volt

V

stroomsterkte

I

ampère

A

energie

E

joule

J

vermogen

P

watt

W

Figuur A3.1 Grootheden, symbolen en SI-eenheden

190

POLARIS NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE HAVO/ VWO 1 – 2

NASLAG

Ook uitlegvideo's beschikbaar bij de naslagen.

C Rekenen

C1 Voorvoegsels en machten van tien Soms reken je met grote of kleine getallen. Dan is het handig om voorvoegsels te gebruiken. Zie de tabel onderaan deze bladzijde.

Naslagen met extra oefening van rekenvaardigheden.

2,3 kg 8200 ms 5 dam 1,6 cm 20 dg 3 hm

= 2,3 × 1000 = 8200 × 0,001 = 5 × 10 = 1,6 × 0,01 = 20 × 0,1 = 3 × 100

= 2300 g = 8,2 s = 50 m = 0,016 m =2g = 300 m

Als je makkelijk met grote getallen wilt rekenen, kun je ook machten van tien gebruiken. Een groot getal kun je schrijven als positieve macht van tien. De afstand van de aarde tot de zon is 150 000 000 km = 1,5 × 100 000 000 km = 1,5 · 108 km. Want 108 = 10 × 10 × 10 × 10 × 10 × 10 × 10 × 10 = 100 000 000. Ook kleine getallen kun je als macht van tien schrijven. Dan gebruik je een negatieve macht. De diameter van een watermolecuul is 0,000 000 000 15 m = 1,5 × 0,000 000 000 1 = 1,5 · 10 –10 m. Want 10 –10 m = 0,000 000 000 1 m. Zie de tabel. Deze manier van getallen noteren met machten van tien heet de wetenschappelijke notatie. Er staat steeds één cijfer voor de komma.

voorvoegsel

afkorting

betekenis

machten van tien

giga

G

1 000 000 000

10 9

mega

M

1 000 000

106

kilo

k

1 000

10 3

hecto

h

100

10 2

deca

da

deci

d

0,1

10 -1

centi

c

0,01

10 -2

milli

m

10

10 1

0,001

10-3

micro

µ

0,000 001

10-6

nano

n

0,000 000 001

10 -9

Figuur C1.1 Voorvoegsels en machten van 10

10

196

POLARIS NATUURKUNDE + SCHEIKUNDE HAVO/ VWO 1 – 2

2

3

0,2

0,3

1

4 0,1

0 0

0,01 0

0,02 0,03

A

0,4 0,04

5 0,5

0,05

5 0,5 0,05

Figuur A3.2 Ampèremeter met drie verschillende bereiken


A

PRACTICUM

1

a Noem twee symbolen/afkortingen die zowel een grootheid als een eenheid kunnen betekenen. R b Schrijf de eenheden en grootheden uit vraag a voluit. R

4

a Afstand b Tijd c Snelheid d Temperatuur e Volume f Massa g Dichtheid h Spanning i Energie

a Welke grootheden uit de tabel in figuur A3.1 hebben met beweging te maken? T1 b Welke grootheden uit de tabel hebben met elektriciteit te maken? T1 c Welke grootheden uit de tabel hebben met warmte te maken? T1 d Welke grootheden uit de tabel hebben met de hoeveelheid van een stof te maken? T1

2

3

1,5

1

2

0,5

Een weegschaal in de keuken en een weegschaal in een lab hebben hetzelfde bereik. Toch is de labweegschaal veel duurder. Noem twee redenen waarom de labweegschaal veel duurder is. T2

6

Afbeelding F

C

D

3

V

0,3

0,2

a Welke twee grootheden kun je aflezen op de fietscomputer in afbeelding F? T2 b Wat is de nauwkeurigheid van beide grootheden? I

A

2,5

0

Extra oefening van praktische vaardigheden.

5 Afbeelding A t/m E a Hoe heten de meetinstrumenten in de afbeeldingen A t/m E? T1 b Welke grootheden kun je met de meetinstrumenten meten T1 c Wat is het bereik van deze meetinstrumenten? T1 d Wat is de nauwkeurigheid van deze meetinstrumenten? T1 e Lees de waarden van de meters af in de juiste nauwkeurigheid en eenheid. T2

Noem voor de volgende grootheden een andere eenheid dan de eenheid uit de tabel in figuur A3.1. T2

B

0,4

0,1 0

0,5

A

178KM/H

F

KM

104.92

E

191

C

REKENEN

14 Reken om. T1 a 5,7 kg b 2,5 g c 0,025 mg d 6580 ng e 1 Gg

19 Vul de juiste eenheid in. T1 = …… g = …… mg = …… µg = …… µg = …… kg

a De massa van een vrouw is 75 …… . b De hoogte van de boom is 10 …… . c De afstand tussen twee dorpen is 5 …… . d In een glas past 250 …… . e De massa van een appel is 150 …… . f De inhoud van een bidon 0,75 …… .

15 Reken om. T1 a 1 dL b 2,4 L c 295 mL d 1L e 1 µL

= …… mL = …… mL = …… µL = …… µL = …… mL

20 Zet in de goede volgorde van klein naar groot. T1 a 650 g – 1,3 kg – 0,53 kg – 5,7 · 103 mg b 43 · 10 −2 g – 8,2 · 10 −5 kg – 106 g c 5,0 L – 4,4 · 102 dL – 866 mL – 5 · 107 µL d 43 · 104 L – 394 dL – 111 · 104 mL e 23,5 km – 20 hm – 8,2 · 103 cm f 4,3 · 103 m – 20 km – 8,2 · 107 cm

16 Schrijf in machten van tien. T1 a 100 b 100 000 c 0,1 d 0,000 001 e 0,000 000 01

17

Schrijf voluit. T1 a 9,64 · 103 b 7,42 · 10 −2 c 8,46 · 10 −5 d 1,2 · 108 e 1,50 · 10 −3

18 Schrijf in de wetenschappelijke notatie. T1

21

De afstand van de zon tot de aarde is 149 597 871 km. De lichtsnelheid is 299 792 km/s. a Bereken de tijd in seconde die het licht nodig heeft om vanaf de zon de aarde te bereiken. T2 b Waarom hoef je bij vraag a de gegevens niet eerst om te rekenen naar meter? T2

22 Je hebt een foto gemaakt waarop de maan staat. Op de afdruk van de foto is de maan 3,0 mm groot. In werkelijkheid is de diameter van de maan 3,48 · 106 m. Bereken de factor waarmee het beeld van de maan op de foto is verkleind. I

a 964 b 0,000 150 c 299 792 458 d 149 597 870 700 e 0,1

197

11


3 A

POLARIS

3

POLARIS

NASK 1 VMBO–BASIS

NASK 1 VMBO-BASIS 3–A NASK 1 VMBO-BASIS 3–B

POLARIS

POLARIS

NASK 1

NASK 1

NASK 2

VMBO–KADER

VMBO–GT

VMBO–GT

3

3

3

NASK 1 VMBO-KADER 3

NASK 1 VMBO-GT 3

NASK 2 VMBO-GT 3

POLARIS

POLARIS

POLARIS

4 A

POLARIS

4

NASK 1 VMBO–BASIS

NASK 1 VMBO-BASIS 4–A NASK 1 VMBO-BASIS 4–B

12

NASK 1

NASK 1

NASK 2

VMBO–KADER

VMBO–GT

VMBO–GT

4

4

4

NASK 1 VMBO-KADER 4

NASK 1 VMBO-GT 4

NASK 2 VMBO-GT 4


POLARIS Natuurkunde havo/vwo/gymnasium bovenbouw v Zie pagina 18–21 POLARIS Scheikunde havo/vwo/gymnasium/tto v Zie pagina 22–27

POLARIS, NaSk 1 en NaSk2    vmbo bovenbouw Succesbeleving voor alle leerlingen v Focus op de kern van het vak

POL ARIS motiveert de vmbo-leerlingen met leerstof die behapbaar en uitvoerbaar is. v Werken met boek en/of online

Voor vmbo-basis(kader) zijn er twee invul­bare leerwerkboeken per leerjaar. Je kunt werken met alleen het (leerwerk)boek, met het (leerwerk)boek en de aanvullende l­ icentie of volledig ­digitaal. Voor alle niveaus behalve basis zijn er losse practicum-werkbladenboeken beschikbaar.

v Variatie in opdrachten Er is een goede mix van open en gesloten opdrachten. Aan het eind van iedere paragraaf zit het onderdeel Examentraining. Daarin oefenen leerlingen al vanaf leerjaar 3 met (bewerkte) examenopgaven. v Gratis online docentenmateriaal

Daarnaast biedt POLARIS gratis online docentenmateriaal met uitwerkingen, practica en ­toetsen. Ook is er per paragraaf een presentatie beschikbaar om jouw les te verrijken.

v Leerstof is leerdoelgestuurd

Ieder hoofdstuk heeft dezelfde gestructureerde opbouw. Iedere paragraaf start met een leerdoel en eindigt met een leerdoelcheck op vier cognitieve niveaus (RTTI). Zowel de theorie, de opdrachten als de practica zijn gekoppeld aan het leerdoel.

v Complete examenstof in leerjaar 4

In de delen NaSk 1 en NaSk 2 voor leerjaar 4 staat ook alle theorie voor het centraal examen uit leerjaar 3.

v Aanvullende ICT voor leerlingen

Bij iedere paragraaf is er een uitlegvideo waarin de kern van de paragraaf wordt uitgelegd. ­Daarnaast zijn er interactieve ­oefeningen en per paragraaf een oefentoets. De bovenbouw­ licentie bevat bovendien de e-books.

v Bekijk op de volgende bladzijden

voorbeeld­pagina’s uit POLARIS. v Meer informatie?

boom.nl/voortgezet-onderwijs/polaris/ polaris-nask1

v Aandacht voor taal en overzicht

Er is veel aandacht besteed aan de formulering van de uitleg en de opdrachten en aan de lay-out. Daardoor wordt het vak toegankelijker voor de leerling zonder concessies te doen aan het niveau van de leerstof.

13


nask 1 vmbo-gt 3

2

ElEktricitEit

2.2 Serie- en parallelschakelingen DOEl  Je leert rekenen aan serieschakelingen en parallelschakelingen.

Leerdoelgestuurd.

Serieschakeling In figuur 2.6 zie je een serieschakeling van een spanningsbron, een schakelaar en twee lampjes. Een serieschakeling heeft de volgende eigenschappen:  Er is één stroomkring. De stroom kan maar één route volgen.  Wordt de stroomkring op één plek onderbroken, dan loopt er geen stroom meer.  De stroomsterkte is in elk onderdeel even groot.  De spanning van de bron verdeelt zich over de onderdelen. Vervangingsweerstand van een serieschakeling Bij een serieschakeling bereken je de totale weerstand door de weerstanden van alle onderdelen bij elkaar op te tellen. In de schakeling in figuur 2.7 is de totale weerstand dus 20 Ω + 21 Ω = 41 Ω. Een ander woord voor totale weerstand is vervangingsweerstand Rv. In een serieschakeling geldt voor de vervangingsweerstand dus:

Compacte, heldere uitleg.

2.6 Een spanningsbron, een schakelaar en twee lampjes in serie geschakeld

3V

20 Ω

Rv = R1 + R 2 + ... Met de formule van Ohm kun je de stroomsterkte in een serieschakeling berekenen. Voor de weerstand vul je dan de vervangingsweerstand in: Rv = _U_ I

2.7a Het schakelschema van de serieschakeling in figuur 2.6.

Voorbeeld [2] Bereken de stroomsterkte in de schakeling van figuur 2.7a in mA. Gegeven:

Gevraagd: Berekening:

Uitgewerkte rekenvoorbeelden volgens een vast stappenplan.

R1 = 20 Ω R 2 = 21 Ω U = 3,0 V I in mA 1 Bereken de vervangingsweerstand: Rv = R1 + R 2 = 20 + 21 = 41 Ω 2 Bereken de stroomsterkte:

21 Ω

3V

41 Ω

2.7b De twee lampjes van figuur 2.7a kun je in gedachten vervangen door één lampje van 41 Ω. De stroomsterkte in de schakeling verandert dan niet.

3,0 __ → 41 = ____ Rv = U I I Vermenigvuldig links en rechts met I: 41 × I = 3,0 Deel links en rechts door 41: 3,0 I = ____ 41 = 0,073 A = 73 mA Antwoord:

De stroomsterkte is 73 mA.

48

BOEK-Polaris-NaSk-LB-3vgt.indb 48

2

13-07-2021 15:08

ElEktricitEit

Paragraafopgaven

b Julia en Meriam willen ook de spanning van de spanningsbron meten. Tussen welke twee punten moeten ze de spanningsmeter aansluiten? Noteer de twee letters. T1 c Als de spanningsbron op 10,0 V staat, lezen ze op de stroommeter een stroomsterkte van 61,2 mA af. Daarna halveren ze de spanning tot 5,0 V. Ze denken dat de stroomsterkte dan ook halveert, maar ze meten een stroomsterkte van 35,9 mA. De weerstand van het lampje is dus: I

23 Je hebt drie dezelfde weerstanden van 30 Ω. a Bereken de vervangingsweerstand als je ze in serie schakelt. T1 b Bereken de vervangingsweerstand als je ze parallel schakelt. T1

A groter geworden B kleiner geworden c gelijk gebleven E E

A B

Opgaven waarin de leerling kennis en vaardigheden van de hele paragraaf toepast.

C

D

Heb je het leerdoel bereikt?

R

Ik ken de betekenis van de volgende begrippen:  Serieschakeling  Totale weerstand  Vervangingsweerstand  Parallelschakeling Ik kan rekenen met de formules voor de vervangingsweerstand en de formule van Ohm. Ik kan in serie- en parallelschakelingen de stroomsterkte in en de spanning over losse onderdelen berekenen. Ik kan redeneren met stroomsterkte, spanning en weerstand.

T1

24 Afbeelding E Julia en Meriam doen een practicum. Ze hebben een stroommeter, een schakelaar, een lampje en een weerstand van 130 Ω. Deze onderdelen sluiten ze in serie aan op een variabele spanningsbron. De schakeling zie je in afbeelding E.

T2

I

a Noteer de juiste woorden. T1 De stroomsterkte in punt A is groter dan / gelijk aan / kleiner dan de stroomsterkte in punt D.

14

52

BOEK-Polaris-NaSk-LB-3vgt.indb 52

13-07-2021 15:08


2.2 sEriE- En PArAllElschAkElinGEn

Oefenen

16 Drie lampjes met elk een weerstand van 15 Ω zijn in serie aangesloten op een batterij van 4,5 V.

14 Waar of niet waar? R a Bij een serieschakeling is de stroomsterkte in elk onderdeel even groot. b Hoe meer lampjes in serie staan, hoe kleiner de totale weerstand in de stroomkring.

a Teken het schakelschema van deze serieschakeling. T1 b Bereken de vervangingsweerstand van de drie lampjes. T1 c Hoe groot is de stroomsterkte in de stroomkring? T1

A 0,10 A B 0,90 A c 10 A

15 Afbeelding A In afbeelding A zie je een schakelschema van een serieschakeling van twee lampjes en een weerstand. De grootte van de weerstand van elk onderdeel staat aangegeven in de afbeelding. Waar of niet waar? T1

d Bereken de spanning over één lampje. T2

17 a De stroomsterkte in het linker lampje is even groot als de stroomsterkte in de weerstand. b De spanning over het linker lampje is groter dan de spanning over het rechter lampje. c De vervangingsweerstand van de twee lampjes plus de weerstand is 30 Ω.

Afbeelding B Afbeelding B is een schakelschema van drie in serie geschakelde weerstanden: R1 = 200 Ω, R 2 = 400 Ω en R3 = 360 Ω. a Bereken de vervangingsweerstand van de drie weerstanden. T1 b Bereken de stroomsterkte in de schakeling in mA. T1 c Bereken de spanning over weerstand R 2. T2

9,0 v

R1 4,0 Ω

4,0 Ω

22 Ω

A

R2

10 V

R3

B

49

BOEK-Polaris-NaSk-LB-3vgt.indb 49

13-07-2021 15:08

2.2 sEriE- En PArAllElschAkElinGEn

Examentraining

25 Afbeelding F en G / Werkblad 2.25 Ryan en Ayo doen een practicum met elektrische schakelingen. In afbeelding F zie je het schakelschema van hun opstelling. In de schakeling zitten een weerstand van 240 Ω en een variabele weerstand. De variabele weerstand kan ingesteld worden op waarden tussen 0 Ω en 360 Ω. a Ryan meet de spanning over en de stroomsterkte in de variabele weerstand. In afbeelding G zie je het schakelschema met vijf mogelijke aansluitpunten voor de spanningsmeter en de stroommeter. Noteer alle punten (of het punt) waar je de stroommeter kunt aansluiten en noteer alle punten (of het punt) waar je de spanningsmeter kunt aansluiten. T1

6V

240 Ω

Iedere paragraaf eindigt met een (bewerkte) examenopgave die de leerling al vanaf leerjaar 3 voorbereidt op het examen.

F

0-360 Ω

5

1

b Ryan stelt de spanningsbron in op 6,0 V. Hij zet de variabele weerstand in de stand 10 Ω. De stroomsterkte in de schakeling is nu: T2

3

2

4

G

A 0,024 A B 0,025 A c 0,60 A c Ayo stelt de variabele weerstand in op een grotere waarde. Wat gebeurt er met de spanning over de vaste weerstand? I

A De spanning neemt af. B De spanning blijft gelijk. c De spanning neemt toe.

Leerdoelcheck: opdrachten gekoppeld aan cognitieve niveaus van RTTI.

d Ryan zet de variabele weerstand op verschillende standen. Hij meet steeds de stroomsterkte in de schakeling. Hieronder zie je een tabel met zijn resultaten. Rvariabel (Ω)

20

100

150

240

300

360

I (mA)

21,5

17,5

15,5

12,5

11,0

10,0

Teken op het werkblad de grafiek van deze resultaten. T2 Naar examen vmbo-GL en TL 2018 – I

53

BOEK-Polaris-NaSk-LB-3vgt.indb 53

15 13-07-2021 15:08


nask2 vmbo 3 gt

4

Verbranden en ontleden

4.5 Massabehoud en massaverhoudingen doel → Je leert rekenen met de wet van massabehoud en met

massaverhoudingen.

Leerdoelgestuurd.

Wet van massabehoud Als je een blok hout verbrandt, blijft er een hoopje as over. Dit hoopje as is veel kleiner dan het blok hout. Het lijkt dus alsof er bij de verbranding van hout massa verdwijnt. Toch is dat niet zo.

beginstoffen

reactieproducten

Bij een chemische reactie worden de atomen van de beginstof(fen) gebruikt voor het vormen van een of meer reactieproducten. Als deze reactieproducten vaste stoffen of vloeistoffen zijn, kun je ze opvangen en er de massa van bepalen. Als de reactieproducten gasvormig zijn, lukt dit meestal niet: de gassen vervliegen en gaan op in de omringende lucht. Als je de massa bepaalt van alle beginstoffen en deze vergelijkt met de massa van alle reactieproducten, dan zul je zien dat deze gelijk zijn. Dat komt doordat alle atomen die er voor de chemische reactie zijn, dezelfde atomen zijn die er na de reactie zijn. Er komt niets bij en er gaat niets verloren (figuur 4.17).

Compacte, heldere uitleg.

4.17 De massa van alle beginstoffen is gelijk aan de massa van alle reactieproducten.

Dit heet de wet van massabehoud, ook wel geschreven als: mvoor = mna mvoor mna

massa van de beginstoffen in g of mg massa van de reactieproducten in g of mg

Voorbeeld [2] Bij de verbranding van magnesium ontstaat magnesiumoxide. Om 3 g magnesium (Mg) te verbranden is 2 g zuurstof nodig. Hoeveel gram magnesiumoxide ontstaat er bij de verbranding van 3 g magnesium? Gegeven: Gevraagd: Berekening:

Antwoord:

massa magnesium = 3 g, massa zuurstof = 2 g massa magnesiumoxide in gram mvoor = mna mvoor = massa magnesium + massa zuurstof mvoor = 3 + 2 = 5 g mna = massa magnesiumoxide = 5 g Bij de verbranding van 3 g magnesium ontstaat 5 g magnesiumoxide.

134

4

Verbranden en ontleden

81 Als suiker reageert met zuurstof, verbrandt de suiker en ontstaat er koolstofdioxide en water. De massaverhouding suiker : zuurstof : koolstofdioxide : water is ongeveer 5 : 6 : 8 : 3. a Toon met een berekening aan dat je onvoldoende hebt aan 500 gram zuurstof als je 450 gram suiker wilt verbranden. I b Bereken hoeveel gram suiker er wel kan verbranden met 500 gram zuurstof. T2 c Hoeveel gram koolstofdioxide en water ontstaan er bij de verbranding van deze hoeveelheid suiker? T2

84 Je doet een proefje waarbij je 50 gram ijzer laat reageren met 24 gram zwavel. Er ontstaat 66 gram ijzersulfide. Er blijft ook nog wat ijzer over. a Welke stof was in overmaat aanwezig? I b Hoeveel gram ijzer heeft gereageerd en hoeveel gram zwavel? T2 c Bereken in welke massaverhouding ijzer en zwavel met elkaar reageren. T2

85 Calcium en zwavel reageren met elkaar in de massaverhouding 5 : 4 tot calciumsulfide.

82 Waterstof en zuurstof reageren in de massaverhouding 1 : 8 met elkaar tot water.

Je laat 342 gram calcium reageren met 284 gram zwavel.

Je hebt 250 gram waterstof in een afgesloten ruimte. Het kan reageren met 1,5 kilogram zuurstof.

a Welke stof(fen) heb je na afloop van de reactie? I b Hoeveel gram is er van elke stof aanwezig na afloop van de reactie? I

Hoeveel gram water ontstaat er? I

83 Barium en zuurstof reageren met elkaar in een massaverhouding van 69 : 8 tot bariumoxide. Je laat 10,0 gram barium reageren met 1,0 gram zuurstof. a Welke stof is in overmaat aanwezig? I b Hoeveel gram bariumoxide ontstaat er? I

Heb je het leerdoel bereikt?

R

Ik ken de betekenis van de volgende begrippen:  Wet van massabehoud  Massaverhouding  Overmaat Ik kan rekenen met de wet van massabehoud. Ik kan rekenen met massaverhoudingen. Ik kan met behulp van een berekening bepalen of er een stof in overmaat aanwezig is en welke stof dat dan is.

T1 T2 I

Leerdoelcheck: opdrachten gekoppeld aan cognitieve niveaus van RTTI.

16

138


4.5 Massabehoud en MassaVerhoudingen

Massaverhoudingen Voor de volledige verbranding van propaan is zuurstof nodig. Hoeveel zuurstof nodig is, hangt af van de hoeveelheid propaan die aanwezig is. Bij veel propaan heb je veel zuurstof nodig, bij weinig propaan weinig zuurstof. Stoffen reageren in vaste verhoudingen met elkaar. Om 11 g propaan te verbranden, is 40 g zuurstof nodig. De massaverhouding waarin propaan en zuurstof met elkaar reageren, is 11 : 40. Als je de massaverhouding van twee stoffen kent, kun je berekenen hoeveel van de ene stof je nodig hebt om een hoeveelheid van de andere stof te laten reageren. Dit doe je met een stappenplan: 1 Maak een verhoudingstabel en zet in de eerste kolom de gegeven stof en de gevraagde stof. 2 Zet in de tweede kolom de gegeven massaverhouding. 3 Zet in de vierde kolom de gegeven hoeveelheid en een X voor de gevraagde hoeveelheid. 4 Zet in de derde kolom een 1 tussen de twee getallen die er al staan. 5 Bereken X via de 1.

Voorbeeld [3] Hoeveel gram zuurstof is er nodig voor de volledige verbranding van 55 g propaan? Gegeven: Gevraagd:

55 g propaan; massaverhouding propaan : zuurstof is 11 : 40 massa zuurstof in gram : 11

massa propaan (g)

11

massa zuurstof (g)

40

55 X

: 11

Berekening: Antwoord:

Uitgewerkte rekenvoorbeelden volgens een vast stappenplan.

× 55

1

× 55

X = 40 : 11 × 55 = 200 g Voor de volledige verbranding van 55 g propaan is 200 g zuurstof nodig.

Overmaat Omdat stoffen altijd in eenzelfde verhouding met elkaar reageren, moet je de beginstoffen goed wegen voordat je ze met elkaar laat reageren. Doe je dat niet, dan is de kans groot dat je van één beginstof te veel hebt. De ene beginstof kan dan niet volledig reageren met de andere beginstof, doordat een van de stoffen eerder ‘op’ is. De beginstof die je overhoudt, is dan in overmaat aanwezig. 135

4.5 Massabehoud en MassaVerhoudingen

Examentraining

86 Turners gebruiken ‘turnmagnesium’ om de handen stroef te maken. Dit poeder is een mengsel van stoffen (zie afbeelding B). Eén van deze stoffen is magnesiumcarbonaat (MgCO3). Quinty onderzoekt hoeveel magnesiumcarbonaat aanwezig is in turnmagnesium. Ze gebruikt een opstelling zoals is weergegeven in afbeelding C. Quinty weegt 420 mg turnmagnesium af in een erlenmeyer. Vervolgens voegt ze volgens voorschrift zoutzuur toe en doet ze het stopje met een buisje erdoor op de erlenmeyer. De inhoud van de erlenmeyer gaat bruisen. Het zoutzuur reageert met het magnesiumcarbonaat, waarbij koolstofdioxide ontstaat. Het gevormde koolstofdioxide wordt opgevangen. Na afloop van de reactie is 75,9 mL koolstofdioxide ontstaan.

Turnmagnesium

magnesiumcarbonaat magnesiumoxide magnesiumsulfaat

b

Iedere paragraaf eindigt met een (bewerkte) examenopgave die de leerling al vanaf leerjaar 3 voorbereidt op het examen.

Quinty berekent hieruit dat 288 mg magnesiumcarbonaat heeft gereageerd. a Laat met een berekening zien dat deze uitkomst klopt. Ga uit van de volgende gegevens:  De massaverhouding bij de reactie is: MgCO3 : CO2 = 84,3 : 44,0.  1,00 mL CO2 heeft een massa van 1,98 mg. T2

C

Behalve magnesiumcarbonaat bevat turnmagnesium nog andere stoffen. Eén daarvan, magnesiumoxide, reageert ook met zoutzuur, maar vormt hierbij geen gas. De hoeveelheid zoutzuur in het voorschrift is een ruime overmaat. Hierdoor kan de hoeveelheid magnesiumcarbonaat in turnmagnesium juist worden berekend. b Geef aan waarom een overmaat zoutzuur nodig is voor de juiste uitkomst. I Naar examen vmbo-GL en TL 2022 – I

139

17


4

POLARIS

POLARIS

NATUURKUNDE

NATUURKUNDE

HAVO

VWO / GYMNASIUM

N 4

N 4

HAVO 4

VWO/GYMNASIUM 4 POLARIS

5

POLARIS

POLARIS

KEUZEDOMEINEN NATUURKUNDE HAVO

N 4/5

NATUURKUNDE

NATUURKUNDE

HAVO

VWO / GYMNASIUM

N 5

N 5

HAVO 5

VWO/GYMNASIUM 5

HAVO 4/5 KEUZEDOMEINEN

POLARIS

6

POLARIS KEUZEDOMEINEN NATUURKUNDE VWO/GYMNASIUM

NATUURKUNDE

N 5/6

VWO / GYMNASIUM

N 6

VWO/GYMNASIUM 6

VWO/GYMNASIUM 5/6 KEUZEDOMEINEN


POLARIS Scheikunde havo/vwo/gymnasium/tto v Zie pagina 22–27

POLARIS Natuurkunde havo/vwo/gymnasium bovenbouw De gids voor jouw natuurkundeonderwijs v Focus op de kern van het vak

v Aanvullende ICT voor leerlingen

De theorie is kernachtig en legt de focus op de natuurkundige concepten, die compact en helder worden uitgelegd met relevante uit­ gewerkte voorbeelden en functionele afbeel­ dingen.

Bij iedere paragraaf is er een uitlegvideo, waarin de kern van de paragraaf wordt uitgelegd. ­Daarnaast zijn er per paragraaf interactieve ­oefeningen met directe feedback en per hoofdstuk een oefentoets. De leerlinglicentie b ­ evat ­bovendien alle uitwerkingen van de o ­ pdrachten en de e-books.

v Werken met boek en/of online

Je kunt werken met alleen het boek, met het boek en de aanvullende licentie of volledig ­digitaal. Bovendien zijn ervoor de bovenbouw zijn er uitwerkingenboeken en examenstofboeken beschikbaar.

v Examentraining

Vanaf leerjaar 4 wordt aan het eind van iedere paragraaf aandacht besteed aan het oefenen met (bewerkte) examenopgaven.

v Leerstof is leerdoelgestuurd

v Gratis online docentenmateriaal

Iedere paragraaf start met een leerdoel en eindigt met een leerdoelcheck op vier cognitieve niveaus (RTTI). Zowel de theorie, de opdrachten als de practica zijn gekoppeld aan het leerdoel.

Daarnaast is er gratis online docentenmateriaal beschikbaar met uitwerkingen, practica en ­toetsen. Ook is er per paragraaf een presentatie om jouw les te verrijken.

v Aandacht voor taal en overzicht

v Keuzedomeinen

Er is veel aandacht besteed aan de formulering van de uitleg en de opdrachten en aan de layout. Daardoor wordt het vak toegankelijker voor de leerling zonder concessies te doen aan het niveau van de leerstof.

De keuzedomeinen voor havo en vwo / gymnasium zijn gebundeld in een apart boek. Zo kun je gemakkelijk jaarlijks van domein wisselen of de leerling een eigen keuze laten maken.

v Bekijk op de volgende bladzijden

voorbeeld­pagina’s uit POLARIS. v Meer informatie?

boom.nl/voortgezet-onderwijs/polaris/ polaris-natuurkunde

19


natuurkunde vwo/gymnasium 4

4

Trillingen en golven

4.5 Staande golven Doel  Je leert de rol van staande golven bij muziekinstrumenten.

Het ontstaan van een staande golf Als je een lang touw op en neer beweegt, ontstaat er een transversale golf in het touw. Deze golf kaatst terug aan het andere uiteinde van het touw. In het touw lopen nu twee golven, de heengaande golf en de teruggekaatste golf. Als gevolg van interferentie tussen beide golven ontstaat bij een bepaalde frequentie het bovenste patroon van figuur 4.15 en zie je geen golf meer heen en weer bewegen. Beweeg je je hand steeds sneller, dan zie je de andere twee patronen van figuur 4.15 ontstaan. De bewegingen die door interferentie van heen en weer gaande golven in de snaar ontstaan, zijn staande golven.

Leerdoelgestuurd.

a

b

c

4.15 Staande golven in een lang touw a Grondtoon (n = 1) b Eerste boventoon (n = 2) c Tweede boventoon (n = 3)

Knopen en buiken In figuur 4.16 is op vijf momenten van een staande golf de stand van het touw getekend. Een punt waarbij de amplitude maximaal is, heet een buik. Een punt dat niet trilt, heet een knoop. Punten tussen twee knopen trillen allemaal met dezelfde fase. Punten aan weerszijde van een knoop trillen met een tegengestelde fase.

1

Grondtoon en boventonen Als je een snaar van een

Compacte theorie in overzichtelijke leereenheden.

snaarinstrument aanslaat, ontstaan er tegelijkertijd meerdere staande golven in de snaar. De staande golf met twee knopen en één buik heet de grondtoon van de snaar (figuur 4.15a). De staande golf met twee buiken is de eerste boventoon (figuur 4.15b), die met drie buiken de tweede boventoon (figuur 4.15c), enzovoort. De afstand tussen twee knopen komt overeen met een halve golflengte. Bij de grondtoon is de lengte van de snaar dus gelijk 1_λ. Het verband tussen de lengte van de snaar en de golflengte aan _2 van de grondtoon en de boventonen wordt gegeven door:

K

2

3 4

5 4 5

B

katrol

3 2 1

K

B

K

B

K

4.16 Staande golf in een koord, tweede boventoon

1_ λ l = n · _2

l lengte van de snaar in m λ golflengte van de staande golf in m n nummer van de staande golf Als je de golflengte en de golfsnelheid kent, kun je met de formule f = _v_ de frequentie bepalen van de grondtoon en van de boventonen.

λ

134

BOEK-Polaris_NK_LB_4vg.indb 134

4

07-04-2021 14:49

Trillingen en golven

51 Afbeelding D Een vlag wordt in de mast gehesen met een lange lijn die aan de bovenkant in een katrol loopt. Zo lopen er altijd twee lijnen langs de mast. Vooral als er geen vlag in de mast hangt, kun je regelmatig getik horen van de lijnen tegen de mast. De oorzaak is de wind die de lijnen in trilling brengt met een vaste frequentie.

52 Afbeelding E Je wilt onderzoeken of een saxofoon twee open uiteinden heeft of één open uiteinde. Daarvoor meet je de frequenties van een toon bij 20 °C. Zie het frequentiespectrum in afbeelding E. e

a Hoe heet deze frequentie? R b Leg uit of hier sprake is van resonantie. I

Leerdoelcheck: opdrachten gekoppeld aan cognitieve niveaus van RTTI.

De lijnen zijn beneden aan een kikker vastgeknoopt. De afstand tussen de kikker en de katrol is 9,5 m. De frequentie van de tik is 2,5 Hz. De amplitude van de trillende lijnen is halverwege het grootst en wordt geleidelijk kleiner naarmate je verder van het midden komt.

0

400

800

1200

1600

2000 2400 f (Hz)

a Leid uit de meetgegevens af of de saxofoon één of twee open uiteinden heeft. T2 b Bepaal de lengte van de trillende luchtkolom in de saxofoon bij deze toon. T2

c Leg uit dat er een staande golf door de lijnen loopt. T1 d Bereken de snelheid van deze lopende golf. T2 e Je stoort je aan het getik en knoopt de lijnen wat strakker aan de kikker vast. Helaas blijft het getik bestaan, maar met een andere frequentie. Leg uit of de frequentie groter of kleiner wordt. T2

u

Heb je het leerdoel bereikt?

R

Ik ken de betekenis van de volgende begrippen: u Staande golven u Knopen en buiken u Grondtoon en boventonen Ik kan bij een instrument de golflengtes van de grondtoon en de boventonen bepalen. Ik kan uitleggen hoe staande golven de toon bepalen bij snaar- en blaasinstrumenten. Ik kan aan de hand van een frequentiespectrum beredeneren of het om een snaar- of blaasinstrument gaat.

T1

T2

I

D

20

138

BOEK-Polaris_NK_LB_4vg.indb 138

07-04-2021 14:49


4.5 sTAAnDe golven

Staande golven in lucht Bij blaasinstrumenten ontstaan ook tegelijkertijd meerdere staande golven met buiken en knopen. Bij een buik trilt de lucht sterk, bij een knoop niet. Bij een blaasinstrument is altijd minstens één uiteinde open. Op deze plek kan de lucht trillen en ontstaat een buik. Bij de grondtoon is er sprake van één knoop en één buik (figuur 4.17 boven). De lengte van _1_ λ. Het verband tussen de de luchtkolom in de buis is dan gelijk aan 4 lengte van de luchtkolom in een buis die aan één kant open is en de golflengte van de grondtoon en de boventonen wordt gegeven door: _1_ λ l = (2n − 1) · 4

l

de lengte van de luchtkolom in m λ de golflengte van de staande golf in m n het nummer van de staande golf Als in een luchtkolom twee uiteinden open zijn, is er aan beide uiteinden een buik. Zie figuur 4.18. Omdat de afstand tussen twee 1_ λ is, geldt voor het verband tussen de lengte van de buiken dan een _2 luchtkolom en de golflengtes dezelfde formule als bij de snaar. Ook bij blaasinstrumenten kun je met f = _v_ de frequentie van de

λ

tonen bepalen. Hierin is v de geluidssnelheid. De geluidssnelheid hangt af van de temperatuur.

Voorbeeld [5] Op een hoorn (figuur 4.19) wordt een c geblazen. Dit is de tweede boventoon. De temperatuur is 20 °C. Bereken de lengte van de buis. Er is één open uiteinde. Gebruik je tabellenboek voor het opzoeken van de frequentie en de geluidssnelheid. Gegeven: Gevraagd: Berekening:

a

b

c

B

K

B

B

K

K

B

B

K

K

B

K

4.17 Staande golven in een blaasinstrument met één uiteinde open: a Grondtoon (n = 1) b Eerste boventoon (n = 2) c Tweede boventoon (n = 3)

a

b

c

B

K

B

B

K

K

B

B

B

K

Duidelijk herkenbare formules met een overzichtelijke toelichting van de symbolen en eenheden.

K

B

B

K

B

4.18 Staande golven in een blaasinstrument met twee uiteinden open: a Grondtoon (n = 1) b Eerste boventoon (n = 2) c Tweede boventoon (n = 3)

De tweede boventoon van de c. T = 20 °C. l. 1 Zoek de geluidssnelheid en de frequentie op: v = 343 m s–1; f = 131 Hz 2 Bereken de golflengte:

Uitgewerkte rekenvoorbeelden volgens een vast stappenplan.

343 v = λf → λ = _v_ → λ = ____ 131 = 2,62 m f 3 Bereken de lengte: 1_ λ → l = 2 × 3 − 1 · _1_ × 2,62 = 3,28 m l = (2n − 1) · _4 ( ) 4 Antwoord:

De lengte van de buis is 3,28 m.

4.19 Hoorn

135

BOEK-Polaris_NK_LB_4vg.indb 135

07-04-2021 14:49

4.5 sTAAnDe golven

u

Iedere paragraaf eindigt met (een bewerking van) een examenopgave die de leerling al vanaf leerjaar 4 voorbereidt op het examen.

Examentraining

53 Afbeelding F en G In afbeelding F is een zogenaamde duimpiano te zien. Dit is een muziekinstrument dat bestaat uit een houten blok met daarop een aantal metalen strips. De strips kunnen in trilling worden gebracht door ze met de duim naar beneden te duwen en los te laten. Er ontstaat dan een staande golf in de strip. In afbeelding F is te zien dat er vijf strips op de duimpiano zijn gemonteerd. De tonen die de strips voortbrengen, zijn bekend. De frequenties waarmee de strips (van beneden naar boven) in hun grondtoon trillen, zijn weergegeven in de tabel hieronder. strip

1

2

3

4

5

toon

F’

C’’

F’’

Gis’’

C’’’

frequentie (Hz)

349

523

698

831

1047

F

Van één van de strips is het geluid opgenomen en weergegeven in afbeelding G. a Bepaal aan de hand van afbeelding G van welke strip het geluid is opgenomen. T1 b Leg uit dat bij het uiteinde van de strip een buik zit en geen knoop. T1 c De duimpiano in afbeelding F is afgebeeld op de helft van de ware grootte. Bepaal de voortplantingssnelheid van de golf in strip 1 (de langste). Meet de lengte vanaf het dwarsstaafje. T2 d Laat zien dat de voortplantingssnelheden in strips 3 en 4 niet gelijk zijn. I u (V) 1,2

g

0

0

0,01

Functionele afbeeldingen ondersteunen het begrip van de tekst.

t (s) 0,02

–1,2

Naar examen natuurkunde vwo 2012-II opgave 1

139

BOEK-Polaris_NK_LB_4vg.indb 139

21 07-04-2021 14:49


ENGLISH EDITION

ENGLISH EDITION

3

POLARIS

POLARIS

3 SCHEIKUNDE

SCHEIKUNDE

HAVO

VWO / GYMNASIUM

S 3

S 3

POLARIS

CHEMISTRY VWO / GYMNASIUM

C 3

HAVO 3

VWO/GYMNASIUM 3 VWO/GYMNASIUM 3 ENGLISH EDITION

4

5

6

POLARIS

POLARIS

SCHEIKUNDE

SCHEIKUNDE

HAVO

VWO / GYMNASIUM

S 4

S 4

HAVO 4

VWO/GYMNASIUM 4

POLARIS

POLARIS

SCHEIKUNDE

SCHEIKUNDE

HAVO

VWO / GYMNASIUM

S 5

S 5

HAVO 5

VWO/GYMNASIUM 5

POLARIS

SCHEIKUNDE VWO / GYMNASIUM

S 6

VWO/GYMNASIUM 6


POLARIS Scheikunde havo/vwo/gymnasium/tto Leren waar het om draait v Focus op de concepten

v Aandacht voor taal en overzicht

De theorie is kernachtig en legt de focus op de scheikundige concepten, die compact en helder worden uitgelegd met relevante uitgewerkte voorbeelden en functionele afbeeldingen.

Er is veel aandacht besteed aan de formulering van de uitleg en de opdrachten en aan de lay-out. Daardoor wordt het vak toegankelijker voor de leerling zonder concessies te doen aan het niveau van de leerstof.

v Werken met boek en/of online

Je kunt werken met alleen het boek, met het boek en de aanvullende licentie of volledig digitaal met de boekvervangende licentie. Voor leerjaar 3 zijn er losse practicum-werk­ bladenboeken beschikbaar. v Leerstof is leerdoelgestuurd

Iedere paragraaf start met een leerdoel en eindigt met een leerdoelcheck op vier cognitieve niveaus (RTTI). Zowel de theorie, de opdrachten als de practica zijn gekoppeld aan het leerdoel. v Doelgerichte practica

v Aanvullende ICT voor leerlingen

Bij iedere paragraaf is er een uitlegvideo, waarin de kern van de paragraaf wordt uit­gelegd. Daarnaast zijn er per paragraaf inter­actieve oefeningen met directe feedback en per hoofdstuk een oefentoets. De bovenbouwlicentie bevat bovendien de e-books. v Gratis online docentenmateriaal

Daarnaast is er gratis online docenten­materiaal beschikbaar met uitwerkingen, practica en toetsen. Ook is er per paragraaf een presentatie om jouw les te verrijken.

Bij iedere paragraaf horen één of twee practica die het leerdoel ondersteunen. In leerjaar 3 zijn er twee varianten: een inductieve en een deductieve. Jij kiest hoe je de practica inzet en welke variant daarbij hoort. v Aandacht voor relevantie

Het doel van POLARIS is om leerlingen uit te dagen met relevante en interessante leerstof. Daarbij wordt de lat hoger gelegd.

v Bekijk op de volgende bladzijden

voorbeeld­pagina’s uit POLARIS. v Meer informatie?

boom.nl/voortgezet-onderwijs/polaris/ polaris-scheikunde

23


scheikunde vwo/gymnasium 5

11

IndustrIële chemIe

11.3 Groene chemie dOel  Je leert een chemisch proces te beoordelen op hoe ‘groen’

de chemie is.

Uitgangspunten van groene chemie Om productieprocessen te kunnen vergelijken en goede keuzes te kunnen maken zijn er 12 uitgangspunten van groene chemie opgesteld die de producent kan gebruiken om het proces te beoordelen op duurzaamheid. In je tabellenboek vind je deze uitgangspunten. In het algemeen komen de uitgangspunten neer op het verminderen van het gebruik van grondstoffen en energie, het verminderen van afval en het verduurzamen van gekozen grondstoffen en energie. Daarnaast schrijven deze regels voor dat er goed nagedacht wordt over de veiligheid en de gezondheid van de mens en het milieu. Over het gehele productieproces dienen vragen beantwoord te worden als: Waar vinden nevenreacties (reacties naast de gewenste reactie) plaats? Zijn er onnodige bijproducten? Zouden die voorkomen kunnen worden? Waar zou overmaat van grondstoffen beperkt kunnen worden? Kunnen grondstoffen efficiënter gebruikt worden?

Leerdoelgestuurd.

Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (MER) is voor de producent een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. De MER bevat de volgende vijf thema’s: 1 Gevaarlijk transport van grondstoffen, producten en afvalstoffen 2 Gebruik van water als spoel- en koelmiddel (verontreinigd of warm water verlaat wel of niet de fabriek) 3 De uitstoot van stoffen via water of via de schoorsteen 4 Vrijgekomen warmte uit exotherme reacties efficiënt gebruiken 5 Risicobeperking en brandveiligheid

Compacte theorie in overzichtelijke leereenheden.

Voor de veiligheid van de medewerkers is er een grenswaarde vastgesteld voor de stoffen waarmee gewerkt wordt. Op veel chemicaliën (ook die op school) moeten etiketten worden aangebracht met gevarenaanduidingen (H-zinnen; H staat voor hazard, gevaar) en voorzorgsmaatregelen (P-zinnen; P staat voor precaution, voorzorgsmaatregel).

11.10 Veiligheidsetiket natriumhydroxide

20

Leerdoelcheck: opdrachten gekoppeld aan cognitieve niveaus van RTTI.

BOEK-Polaris-SK-6vg-LB.indb 20

11

22-05-2024 14:49

IndustrIële chemIe

29 Afbeelding B Muskus is een geur die voorkomt in veel parfums. De belangrijkste geurstof in muskus is muscon. Het rendement van de synthese van muscon is laag. Nitromusks zijn vervangers van muscon en zeer eenvoudig te bereiden uit goedkope grondstoffen. Zo kan muskxyleen (MX) in onderstaande stappen worden bereid. Stap 1 heeft een rendement van 75%.

CH3

30 Lees de tekst over tetrodotoxine op de rechterbladzijde en beantwoord daarna de volgende vragen. a Geef aan de hand van de structuurformule aan of TTX oplosbaar is in water. T1 b Noteer twee genoemde voordelen van de vernieuwde synthesemethode boven de oude route. T1 c Aan welke twee uitgangspunten van groene chemie hebben de onderzoekers gewerkt? Geef hierbij uitleg bij deze twee uitgangspunten. T2 d Bereken de maximale hoeveelheid TTXtoediening per kankerpatiënt. T2

CH3 + CH2 = C CH3

CH3 CH3

1 (CH3)3C

CH3 + 3 HNO3 (CH3)3C

CH3

2

O2N

CH3 CH3 NO2 + 3 H O 2

(CH3)3C

NO2

CH3

muskxyleen

B

Heb je het leerdoel bereikt?

R

Ik ken de betekenis van de volgende begrippen:  Groene chemie  Milieueffectrapportage  Grenswaarde  Atoomeconomie  E-factor  Nevenreactie Ik kan berekeningen uitvoeren aan de atoomeconomie, de E-factor en het rendement. Ik kan de juiste uitgangspunten van groene chemie koppelen aan industriële keuzes. Ik kan chemische processen analyseren en hierover oordelen en voorstellen ter verbetering formuleren.

In stap 2 laat men de ontstane stof reageren met geconcentreerd salpeterzuur tot MX en water. Het rendement van stap 2 is 88%.

Oefening met examencontexten.

a Bereken de atoomeconomie van de eerste stap. Of kun je deze bepalen zonder berekening? Leg je antwoord uit. T2 b Bereken de atoomeconomie van de tweede stap. T2 c Bereken de E-factor voor deze bereiding van MX uit 1,3-dimethylbenzeen. De molaire massa van MX bedraagt –1 297,3 g mol . I

T1

T2

I

(Naar het scheikunde-examen vwo 2016 tijdvak 1.)

24

24

BOEK-Polaris-SK-6vg-LB.indb 24

22-05-2024 14:49


11.3 grOene chemIe

Voorbeelden volgens een stappenplan.

Atoomeconomie Door te rekenen aan productieprocessen wordt bepaald welke reactie duurzamer is. Je kunt hiervoor de atoomeconomie gebruiken. Deze is als volgt gedefinieerd: massa gewenste product Atoomeconomie = ________________________ × 100% massa beginstoffen

Voorbeeld [2] IJzer wordt gevormd uit de reactie van ijzer(III)oxide met koolstof. Er ontstaat daarbij naast ijzer ook koolstofmono-oxide. Bereken de atoomeconomie. 1 Stel de reactievergelijking op: Fe2O3 (s) + 3 C (s) → 3 CO (g) + 2 Fe (s) 2 Bereken de molaire massa’s van de beginstoffen en het gewenste product: Fe2O3: 159,69 g; 3 C: 36,03 g; 2 Fe: 111,7 g 3 Bereken de atoomeconomie:

11.11 IJzer als eindproduct

111,7 Atoomeconomie = ______________ × 100% = 57,07% 159,69 + 36,03

E-factor Met de E-factor (environmental factor) bereken je de hoeveelheid afval bij een productieproces. Een lage E-factor is duurzamer. Voor de werkelijke opbrengst van een product is het rendement van het proces belangrijk, en dat je goed bedenkt wat het gewenste product is. Voor de E-factor geldt de volgende formule: (massa beginstoffen− massa werkelijke opbrengst product) E-factor = ___________________________________________________________ massa werkelijke opbrengst product

Voorbeeld [3] Bij de synthese van calciumoxide wordt calciumcarbonaat verhit in een oven. Er ontstaat daarbij ook koolstofdioxide. Dit proces heeft een rendement van 45,0%. Bereken de E-factor. 1 Stel de reactievergelijking op: CaCO3 (s) → CaO (s) + CO2 (g) 2 Bereken de molaire massa’s van de beginstof en het gewenste product: Beginstof: CaCO3: 100,09 g Gewenste product: CaO: 56,077 g 3 Bereken de werkelijke opbrengst van het product: 45,0% van 56,077 = 25,23 g werkelijke opbrengst calciumoxide. 4 Bereken de E-factor: (100,09 − 25,23) ______ 74,86 = 25,23 = 2,97 E-factor = ________________ 25,23 21

BOEK-Polaris-SK-6vg-LB.indb 21

22-05-2024 14:49

11.3 grOene chemIe

11.12 Structuurformule TTX

11.13 Kogelvis

Tetrodotoxine (TTX) is een natuurlijk gif dat wordt uitgespuugd door kogelvissen en zeeslakken en wordt ingezet als een krachtige pijnstiller. TTX is lastig in een laboratorium te maken. Chemici hebben een nieuw pad ontdekt naar TTX dat 22 synthesestappen in beslag neemt en een totale opbrengst van 11% heeft. Deze methode is korter en aanzienlijk efficiënter dan eerdere methoden, die bestonden uit 25-67 stappen en een totale opbrengst van minder dan 1% hadden. Het verkorten van de synthesetijd, en dus van de mogelijke blootstelling van chemici aan het gif, maakt het proces eenvoudiger en veiliger. De reacties zijn veelzijdig en zouden chemici in staat kunnen stellen om TTX-derivaten te maken die minder toxisch zijn, maar toch als pijnstiller werken.

Context die de relevantie en de schoonheid van het vak laat zien.

In een ander onderzoek naar TTX bij aan kanker gerelateerde pijn, is patiënten tweemaal daags TTX toegediend. Dit werd vier dagen gedaan en daarna bleven de patiënten een periode voor observatie. Het resultaat was dat bij 17 van de 31 patiënten de pijn gereduceerd was door de behandeling. Binnen deze studie was de hoogst tolereerbare dosis 30 μg per injectie.

25

25

BOEK-Polaris-SK-6vg-LB.indb 25

22-05-2024 14:49


tto — chemistry vwo/gymnasium 3

2

ChemiCal reaCtions

2.5 Combustion reactions learninG Goal  You learn to write the chemical equation of a

combustion reaction.

Combustion reactions In a combustion reaction, a fuel reacts with oxygen. The most widely used fuels are wood, coal, oil, and natural gas. To burn a substance, you need three things: a flammable substance, sufficient oxygen, and a temperature above the ignition temperature. In a combustion reaction, energy is released in the form of heat, and you see fire phenomena.

Learning-goal-driven.

Complete combustion The products released during combustion are called oxides. Those are compounds containing the element oxygen. For example, if you burn iron, iron oxide is formed. When a compound is burned, a mixture of the oxides of the elements from that compound is formed. Ethane is a compound of carbon and hydrogen. The combustion of ethane therefore produces oxides of hydrogen and carbon, which in this case are water and carbon dioxide. When a hydrocarbon (a compound of carbon and hydrogen, see Table 2.15) is burned with enough oxygen, the reaction products are always carbon dioxide and water. This is called complete combustion.

Concise theory presented in clear, manageable sections.

molecule

formula

methane

CH4

ethane

C2H6

propane

C3H8

butane

C4H10

pentane

C5H12

hexane

C6H14

2.15

Several hydrocarbons and their molecular formulas

Example [3] Write the chemical equation for the complete combustion of ethane, C2H6 (g), and balance it. 1 Ethane (g) + oxygen (g)  carbon dioxide (g) + water (l) 2 C2H6 (g) + O2 (g)  CO2 (g) + H2O (l) 3 Before the arrow: After the arrow:

2 C atoms, 6 H atoms and 2 O atoms 1 C atoms, 2 H atoms and 3 O atoms

4 2 C2H6 (g) + 7 O2 (g)  4 CO2 (g) + 6 H2O (l) 5 Before and after the arrow: 4 C atoms, 12 H atoms and 14 O atoms The phases are included and correct.

66

08-Polaris-SK-LB-3vg-ENG.indb 66

2

13-07-2021 11:07

ChemiCal reaCtions

Find out more

57 Read the text about combustion in the body on the next page.

Learning goal check: exercises linked to the cognitive levels of RTTI.

a When talking about the reaction of glucose with oxygen in your body, ‘oxidation’ is a better term than ‘combustion’. Why is the term combustion usually used anyway? T1 b Write the chemical equation for the combustion of glucose in your body. T1 c How does your body get rid of the water? T2 d Write the chemical equation for the conversion of glucose into lactic acid. T2 e Explain what type of reaction this conversion is. T2

58 Figure C An explosion is a violent, rapid combustion. In the case of explosives, part of the oxygen required for the combustion often comes not from the air but from the explosive itself. Dynamite is an orange explosive containing the active substance nitroglycerine, C3H5N3O9 (s). a Derive the chemical equation for the nitroglycerine reaction. Nitroglycerine is the only reactant. The reaction products are oxygen, water vapour, carbon dioxide, and nitrogen. T1 b Explain whether this reaction is a combustion. I

59 Steel is produced in blast furnaces. A blast furnace is an installation in which iron ore and carbon are mixed and heated to such an extent that liquid iron is produced by a series of chemical reactions. Hot air and powdered carbon are blown in at the base of the blast furnace. Sometimes, the hot air is enriched with oxygen. Carbon monoxide is formed. Higher in the blast furnace, the resulting carbon monoxide reacts further with iron ore (Fe2O3) to form carbon dioxide and iron. a Write the chemical equation for the reaction at the bottom of the blast furnace. T1 b Write the chemical equation for the other reaction that takes place in the blast furnace. T2

Have you achieved the learning goal?

R

I know the meaning of the following terms:  Combustion reaction  Ignition temperature  Complete combustion  Incomplete combustion  Reagent I can write the chemical equation for a complete and an incomplete combustion. I can use a reagent and explain what is happening. I can explain which chemical reaction supplies energy in our bodies.

T1

T2

I

C

26

70

08-Polaris-SK-LB-3vg-ENG.indb 70

13-07-2021 11:07


7

7

2.5 ComBustion reaCtions

Incomplete combustion Burning a hydrocarbon with insufficient oxygen results in incomplete combustion. This produces soot (carbon) and/or carbon monoxide. If soot is formed, the flame turns yellow. Carbon monoxide is a poisonous and odourless gas that is mainly produced at high temperatures.

Texts translated one-to-one from the Dutch edition.

Example [4] The combustion of propane gas, C3H8 (g), in an oxygen-poor environment produces, among other things, a toxic gas. Write the chemical equation and balance it. 1 Propane (g) + oxygen (g)  carbon monoxide (g) + water (l) 2 C3H8 (g) + O2 (g)  CO (g) + H2O (l) 3 Before the arrow: After the arrow:

3 C atoms, 8 H atoms and 2 O atoms 1 C atoms, 2 H atoms and 2 O atoms

carbon dioxide

5 Before and after the arrow: 6 C atoms, 16 H atoms and 14 O atoms Phases are included and correct.

Reagents Reaction products can be identified with a reagent. A reagent is a substance that reacts visibly with the substance you want to identify. For example, you can identify carbon dioxide with the reagent lime water. Lime water is a clear and colourless liquid. If you let carbon dioxide pass through lime water, it will become cloudy and white (Figure 2.16). Water is identified with white copper sulphate. When white copper sulphate comes into contact with water, it turns blue (Figure 2.17). Iodine water is used to identify sulphur dioxide. Iodine water is yellow-brown, but discolours in contact with sulphur dioxide. A reagent is effective if it is both selective and sensitive. Selective means that the reagent reacts with only one substance. Sensitive means that only a small amount of the substance is needed for a reaction.

Functional illustrations support comprehension of the text.

lime water

4 2 C3H8 (g) + 7 O2 (g)  6 CO (g) + 8 H2O (l)

2.16 Lime water becomes cloudy when carbon dioxide bubbles through it.

white copper sulphate

2.17

Water turns white copper sulphate blue.

67

08-Polaris-SK-LB-3vg-ENG.indb 67

13-07-2021 11:07

2.5 ComBustion reaCtions

2.18

During exercise, your muscles burn a lot of sugars.

Combustion in the body Slow combustion - oxidation - is constantly taking place in your body. Your body converts sugars, such as C6H12O6, into the combustion products carbon dioxide and water. No fire phenomena occur during this combustion. You inhale oxygen and exhale carbon dioxide. A great deal of energy is released during this slow combustion. Your body uses this energy to drive all kinds of processes. The extra energy needed for exercise is also provided by this slow combustion. During exercise, you breathe faster because your muscle cells consume oxygen. If there is a lack of oxygen, glucose reacts without oxygen to form carbon dioxide and lactic acid, C3H6O3. As a result of this reaction, your muscles become acidified. This leads to fatigue and pain.

Context that demonstrates the relevance and beauty of the subject.

27

71

08-Polaris-SK-LB-3vg-ENG.indb 71

13-07-2021 11:07


POLARIS, alle titels – vmbo POLARIS NaSk vmbo onderbouw Tweede editie POLARIS NaSk ed 2 leerwerkboek vmbo-basis/kader 1-2 deel A

isbn 978 94 6442 257 3

POLARIS NaSk ed 2 leerwerkboek vmbo-basis/kader 1-2 deel B

isbn 978 94 6442 258 0

POLARIS NaSk ed 2 leerboek vmbo-kgt 1-2

isbn 978 94 6442 255 9

POLARIS NaSk ed 2 practica + werkbladen vmbo-kgt 1-2

isbn 978 94 6442 256 6

POLARIS NaSk ed 2 leerboek vmbo-t/havo 1-2

isbn 978 94 6442 253 5

POLARIS NaSk ed 2 practica + werkbladen vmbo-t/havo 1-2

isbn 978 94 644 2254 2

POLARIS NaSk ed 2 leerlinglicentie aanvullend vmbo/havo/vwo/gymnasium onderbouw

isbn 978 94 6442 267 2

POLARIS NaSk ed 2 leerlinglicentie volledig digitaal vmbo/havo/vwo/gymnasium onderbouw

isbn 978 94 6442 268 9

POLARIS NaSk vmbo bovenbouw Eerste editie POLARIS NaSk1 leerwerkboek vmbo-basis 3 deel A

isbn 978 94 9311 386 2

POLARIS NaSk1 leerwerkboek vmbo-basis 3 deel B

isbn 978 94 9311 387 9

POLARIS NaSk1 leerboek vmbo-kader 3

isbn 978 94 9311 389 3

POLARIS NaSk1 practicum + werkbladen vmbo-kader 3

isbn 978 94 9311 390 9

POLARIS NaSk1 leerboek vmbo-gt 3

isbn 978 94 9311 392 3

POLARIS NaSk1 practica + werkbladen vmbo-gt 3

isbn 978 94 9311 393 0

POLARIS NaSk1 leerwerkboek vmbo-basis 4 deel A

isbn 978 94 6442 099 9

POLARIS NaSk1 leerwerkboek vmbo-basis 4 deel B

isbn 978 94 6442 100 2

POLARIS NaSk1 leerboek vmbo-kader 4

isbn 978 94 6442 019 7

POLARIS NaSk1 practica + werkbladen vmbo-kader 4

isbn 978 94 6442 020 3

POLARIS NaSk1 leerboek vmbo-gt 4

isbn 978 94 6442 021 0

POLARIS NaSk1 practica + werkbladen vmbo-gt 4

isbn 978 94 6442 022 7

POLARIS NaSk2 leerboek vmbo-gt 3

isbn 978 94 6442 023 4

POLARIS NaSk2 practica + werkbladen vmbo-gt 3

isbn 978 94 6442 024 1

POLARIS NaSk2 leerboek vmbo-gt 4

isbn 978 94 6442 120 0

POLARIS NaSk2 practica + werkbladen vmbo-gt 4

isbn 978 94 6442 121 7

POLARIS NaSk1 / NaSk2 leerlinglicentie aanvullend vmbo bovenbouw

isbn 978 94 6442 114 9

POLARIS NaSk1 / NaSk2 leerlinglicentie volledig digitaal vmbo bovenbouw

isbn 978 94 6442 118 7

Scan de QR-code voor beschikbaarheid en actuele prijzen.

28


POLARIS, alle titels – havo/vwo/gymnasium POLARIS havo/vwo/gymnasium onderbouw Tweede editie POLARIS NaSk ed 2 leerboek havo/vwo 1-2

isbn 978 94 6442 249 8

POLARIS NaSk ed 2 practica + werkbladen havo/vwo 1-2

isbn 978 94 6442 250 4

POLARIS NaSk ed 2 leerboek vwo/gymnasium 1-2

isbn 978 94 6442 251 1

POLARIS NaSk ed 2 practica + werkbladen vwo/gymnasium 1-2

isbn 978 94 6442 252 8

POLARIS natuurkunde ed 2 leerboek havo 3

isbn 978 94 6442 259 7

POLARIS natuurkunde ed 2 practica + werkbladen havo 3

isbn 978 94 6442 261 0

POLARIS natuurkunde ed 2 leerboek vwo/gymnasium 3

isbn 978 94 6442 262 7

POLARIS natuurkunde ed 2 practica + werkbladen vwo/gymnasium 3

isbn 978 94 6442 263 4

POLARIS NaSk ed 2 leerlinglicentie aanvullend vmbo/havo/vwo/gymnasium onderbouw

isbn 978 94 6442 267 2

POLARIS NaSk ed 2 leerlinglicentie volledig digitaal vmbo/havo/vwo/gymnasium onderbouw

isbn 978 94 6442 268 9

Eerste editie POLARIS scheikunde leerboek havo 3

isbn 978 94 9286 283 9

POLARIS scheikunde practica + werkbladen havo 3

isbn 978 94 9286 272 3

POLARIS scheikunde leerboek vwo/gymnasium 3

isbn 978 94 9286 275 4

POLARIS scheikunde practica + werkbladen vwo/gymnasium 3

isbn 978 94 9286 287 7

POLARIS NaSk leerlinglicentie aanvullend vmbo /havo/ vwo/ gymnasium onderbouw

isbn 978 94 6442 092 0

POLARIS NaSk leerling volledig digitaal vmbo /havo/ vwo/ gymnasium onderbouw

isbn 978 94 6442 115 6

POLARIS natuurkunde/ scheikunde havo, vwo, gymnasium POLARIS havo, vwo, gymnasium bovenbouw Eerste editie Natuurkunde POLARIS natuurkunde leerboek havo 4

isbn 978 94 9322 408 7

POLARIS natuurkunde uitwerkingenboek havo 4

isbn 978 94 6442 153 8

POLARIS natuurkunde leerboek havo 5

isbn 978 94 6442 017 3

POLARIS natuurkunde uitwerkingenboek havo 5

isbn 978 94 6442 154 5

POLARIS natuurkunde examenstof havo 4

isbn 978 94 6442 052 4

POLARIS natuurkunde keuzedomeinen havo 4 /5

isbn 978 94 6442 108 8

POLARIS natuurkunde uitwerkingenboek keuzedomeinen havo 4 /5

isbn 978 94 6442 163 7

POLARIS natuurkunde leerboek vwo/gymnasium 4

isbn 978 94 9322 414 8

POLARIS natuurkunde uitwerkingenboek vwo/gymnasium 4

isbn 978 94 6442 155 2

POLARIS natuurkunde leerboek vwo/gymnasium 5

isbn 978 94 6442 018 0

POLARIS natuurkunde uitwerkingenboek vwo/gymnasium 5

isbn 978 94 6442 156 9

POLARIS natuurkunde leerboek vwo/gymnasium 6

isbn 978 94 6442 089 0

POLARIS natuurkunde uitwerkingenboek vwo/gymnasium 6

isbn 978 94 6442 157 6

POLARIS natuurkunde examenstof vwo/gymnasium 4 en 5

isbn 978 94 6442 088 3

POLARIS natuurkunde keuzedomeinen vwo/gymnasium 5 /6

isbn 978 94 6442 109 5

POLARIS natuurkunde uitwerkingenboek keuzedomeinen vwo/gymnasium 5 /6

isbn 978 94 6442 164 4

POLARIS natuurkunde leerlinglicentie aanvullend havo/vwo/gymnasium bovenbouw

isbn 978 94 6442 112 5

POLARIS natuurkunde leerlinglicentie volledig digitaal havo/vwo/gymnasium onderbouw

isbn 978 94 6442 116 3

29


POLARIS havo, vwo, gymnasium bovenbouw Eerste editie Scheikunde POLARIS scheikunde leerboek havo 4

isbn 978 94 9322 411 7

POLARIS scheikunde leerboek havo 5

isbn 978 94 6442 090 6

POLARIS scheikunde examenstof havo 4

isbn 978 94 6442 110 1

POLARIS scheikunde leerboek vwo/gymnasium 4

isbn 978 94 9322 417 9

POLARIS scheikunde leerboek vwo/gymnasium 5

isbn 978 94 6442 091 3

POLARIS scheikunde leerboek vwo/gymnasium 6

isbn 978 94 6442 119 4

POLARIS scheikunde examenstof vwo/gymnasium 4 en 5

isbn 978 94 6442 111 8

POLARIS scheikunde leerlinglicentie aanvullend havo/vwo/gymnasium bovenbouw

isbn 978 94 6442 113 2

POLARIS scheikunde leerlinglicentie volledig digitaal havo/vwo/gymnasium bovenbouw

isbn 978 94 6442 117 0

POLARIS physics/chemistry (tto) Tweede editie Physics/chemistry POLARIS physics & chemistry ed 2 leerboek havo/vwo 1-2 – English edition

isbn 978 94 6442 199 6

POLARIS NaSk ed 2 leerlinglicentie aanvullend vmbo/havo/vwo/gymnasium onderbouw

isbn 978 94 6442 267 2

POLARIS NaSk ed 2 leerlinglicentie volledig digitaal vmbo/havo/vwo/gymnasium onderbouw

isbn 978 94 6442 268 9

Physics POLARIS physics ed 2 leerboek havo 3 – English edition

isbn 978 94 6442 203 0

POLARIS physics ed 2 leerboek vwo/gymnasium 3 – English edition

isbn 978 94 6442 201 6

POLARIS NaSk ed 2 leerlinglicentie aanvullend vmbo/havo/vwo/gymnasium onderbouw

isbn 978 94 6442 267 2

POLARIS NaSk ed 2 leerlinglicentie volledig digitaal vmbo/havo/vwo/gymnasium onderbouw

isbn 978 94 6442 268 9

Eerste editie Chemistry POLARIS chemistry leerboek vwo/gymnasium 3 — English edition

isbn 978 94 9322 403 2

POLARIS NaSk leerlinglicentie aanvullend havo/vwo/gymnasium onderbouw

isbn 978 94 6442 092 0

POLARIS NaSk leerlinglicentie volledig digitaal havo/vwo/gymnasium onderbouw

isbn 978 94 6442 115 6

Docenten ontvangen 50% korting op de verkoopprijs van tekstboeken, opdrachtenboeken, leerwerkboeken of leerboeken. Bestel jouw docentexemplaren op: https://www.boom.nl/voortgezet-onderwijs

Scan de QR-code voor beschikbaarheid en actuele prijzen.

30


Nog meer lesmethoden! Tip je collega v

Bestel een docentexemplaar op boom.nl/voortgezetonderwijs

SPQR •

KERN

•

•

WISKUNDE

ARGO LATI JN TAAL & CULTUUR

GYMNASIUM / VWO+

GYMNASIUM ONDERBOUW

1

KERN Wiskunde

KERN Nederlands

SPQR Latijnse Taal & Cultuur

GRIEKS

TAAL & CULTUUR GYMNASI UM ONDERBOUW

ARGO Griekse Taal & Cultuur

FORUM GESCHIEDENIS

1 Beeldende vakken bovenbouw havo/vwo

ONDERBOUW VMBO-THEORETISCH/HAVO

FORUM Geschiedenis Onderbouw

KERN ENGELS VMBO-THEORETISCH/HAVO

1

KERN Engels

FORUM Geschiedenis Bovenbouw

BESPIEGELING Kunst algemeen

EXPO Beeldende vakken

Contrast Sociaal-emotionele vaardigheden voor het voortgezet onderwijs

LEEFSTIJL

Succesvol de brugklas door

CKV havo /vwo

CONTRAST CKV

Mentorlessen havo/ vwo

ZÓ LEER JE ! Mentorlessen

31


Persoonlijk contact Onze educatief adviseurs komen graag langs voor een methodepresentatie. Neem contact op via info @ boomvo.nl.

Klantenservice Voor vragen over bestellingen of licenties, neem contact op met onze klantenservice. De klantenservice is bereikbaar op werkdagen tussen 08.00 en 17.00 uur. Telefoon E-mail

088-0301000 klantenservice@boom.nl

Boom voortgezet onderwijs BV Stationsweg 66, 7941 hg Meppel Karen van der Kolk

Rudolf van Bekkum linkedin.com/company / boom-voortgezet-onderwijs

Sandra Hakkesteegt Sjemoeël Brauckman

Nieuwsbrief POLARIS Wil je op de hoogte blijven van POLARIS? Schrijf je dan in voor onze nieuwsflits.

boom.nl/ voortgezet-onderwijs 2026

POLARIS kwam tot stand in samenwerking met DocentPlus DocentPlus is toonaangevend in het meten en verbeteren van leerprocessen in het primaire proces en is de grondlegger en ontwikkelaar van het RTTI-systeem.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Brochure POLARIS by Boom beroepsonderwijs - Issuu