Iedereen gaat op één been staan, linker of rechter naar keuze. Wie op het linkerbeen staat, vormt groep 1. Wie op zijn rechterbeen is gaan staan, groep 2.
D. Schoenenspel
Iedereen legt een persoonlijk voorwerp in de midden van de groep. De voorwerpen worden willekeurig verdeeld in twee of meer (afhankelijk van het aantal groepjes). Op die manier ontstaan groepen. (Je kan ter kennismaking elke leerling eerst laten uitleggen wat dit voorwerp betekent voor de persoon in kwestie.)
E. Uitbeelden
Je daagt de groep uit om iets uit te beelden. Hieruit kan je dan subgroepen maken. Bijv. beeld de bekende scène uit de Titanic uit (aan de balustrade). Alle Kate Winslets vormen een groepje en alle Leonardo’s een andere groep.
Beeld een auto uit met daarin een bestuurder, bijzitter, passagier en een huisdier. Op deze manier heb je van de grote groep vier subgroepen gemaakt (de bestuurders, bijzitters, passagiers en de huisdieren).
F. Grassprietje
Iedere deelnemer neemt een grassprietje en spant het op tussen beide handen. De deelnemers gaan per twee staan en kruisen de sprietjes t.o.v. elkaar. Daarna duwen ze de sprietjes tegen elkaar tot er één van de sprietjes stuk gaat. Alle deelnemers met het kapotte sprietje vormen een groep. De andere deelnemers vormen de tweede groep.
1.3.
Eenvoudige opdrachten en opwarmers
Deze opdrachten kan je vrij snel doen met een groep. Je hebt weinig materiaal nodig en weinig uitleg. Ze duren meestal niet te lang. Gebruik deze opdrachten als je snel tot een succeservaring wil komen, na een pauze of stevig gesprek, bij de start van je activiteit, …..
A. Stoelendans
Materiaal:
■ Stoelen
■ Blinddoeken
De jongeren vormen een halve cirkel. Je geeft hen enerzijds de opdracht om vanaf nu te zwijgen (als ze iets zeggen, zie variant 2). Anderzijds krijgen ze de opdracht om een rij te vormen: volgens aantal gezinsleden, schoenmaat, grootte, leeftijd… Als de deelnemers denken dat ze klaar zijn steken ze hun hand op en kan je controleren of het klopt.
Variant 1: de jongeren gaan allemaal op een stoel staan en doen hetzelfde
Variant 2: Je kan al enkele stoelen wegnemen
Variant 3: Je kan enkele jongeren een ‘handicap’ geven: blinddoeken, benen aan elkaar knopen, handen op de rug knopen…
B. Snelle tennisbal
Materiaal:
■ (Tennis)bal
Ronde 1: De groep vormt een cirkel. Eén leerling krijgt de tennisbal. Doel van het spel is iedereen éénmaal de bal te bezorgen De bal eindigt uiteindelijk terug bij de eerste persoon. Geef daarbij de opdracht dat zodra de bal vertrekt richting iemand anders, de naam van die persoon luidop moet gezegd worden. De leerlingen kunnen dus kiezen of ze de bal gewoon doorgeven of gooien naar elkaar, maar let op dat je dit als begeleider niet zelf zegt.
Ronde 2: In een tweede ronde dient het spel herhaald, doch sneller. De naam van de ontvanger van de bal dient niet meer gezegd. Iedereen moet dus opnieuw bal ‘aanraken’ in zelfde volgorde, tegen de klok. De begeleider timet dus hoelang dit duurt. Snelheid is belangrijk.
De uitdaging voor de groep houdt in dat de leden een systeem moeten bedenken om dit beter/sneller te doen. Laat ze hier zelf naar op zoek gaan. Laat ze zelf bepalen wanneer het ‘voldoende’ is. De dynamiek die hier ontstaat, zal al heel veel vertellen over de heersende groepsdynamiek.
C. Hoelahoep
Materiaal:
■ Eén of twee hoepels (je kan ook een fietsband gebruiken)
De jongeren vormen een kring en geven elkaar een hand. Eén van hen heeft een hoepel aan de arm. De hoepel wordt doorgegeven en elke deelnemer dient zijn lichaam door de hoepel te wringen.
Deel de groep in twee, en kijk welke groep dit het snelst kan. Of registreer de tijd van de ganse groep, en daag de groep uit om zijn tijd te verbeteren.
D. Over het touw
Materiaal:
■ een touw (of een lijn waarmee de ruimte in twee wordt gedeeld)
De groep wordt in twee verdeeld. Elke groep krijgt exact dezelfde uitleg te horen, maar wel apart. Ze horen dus niet van elkaar wat de opdracht is. Geef letterlijk de volgend instructie:
‘Straks gaan jullie in jullie eigen terrein staan. Dat betekent aan de ene kant van het touw. Jullie opdracht slaagt als er 4 leerlingen van de andere groep op jullie terrein komen. Wat mag niet: het touw aanraken, leden van de andere groep aanraken en omkoperij (je mag dus geen 20 euro geven om de andere te overtuigen op jouw terrein te komen).’
Negeer voor de rest vragen over hoe ze dit moeten doen.
Verloop: de twee groepen gaan dus tegenover elkaar staan en moeten in principe exact hetzelfde doen om hun opdracht te doen slagen. Dit creëert heel wat dynamiek. Je ziet snel wie hier initiatief neemt, wie de strijd aangaat enz. Waak gewoon over de regels, laat de groep zelf beslissen hoe ze dit aanpakken. Als je merkt dat de strijd scherper wordt (en het dus ook lang duurt vooraleer ze tot een oplossing komen), kan je wel aangeven dat de opdracht in regel in vijf seconden kan geklaard worden.
Uiteindelijk moeten ze proberen tot het volgende te komen: als er vier leden van elke groep tegelijk overgaan is elke groep geslaagd in zijn opdracht. Overleg, communicatie en samenwerking tussen beide groepen zijn dus belangrijk.
E. Tel tot tien
Iedereen zit of staat waar hij wil, ogen gesloten. Van zodra de begeleider start zegt, moet er tot 10 geteld worden.
Belangrijke spelregels: er mag telkens maar één iemand een getal zeggen, er mag geen structuur in zitten, er mogen geen afspraken vooraf gemaakt worden (ik ga eerst, dan is het aan jou…) en van zodra twee of meer personen tegelijkertijd het volgende cijfer zeggen, moet de groep opnieuw beginnen.
1.4.
Samenwerkingsopdrachten
Bij de selectie van de volgende opdrachten hebben we rekening gehouden met een minimum aan materiaal. Het eventueel benodigde materiaal zou normaal gezien vlot beschikbaar moeten zijn (en hoeft je dus niet tegen te houden om de opdracht te laten uitvoeren).
A. Stoelenspel
Materiaal:
■ vijf stoelen in het midden (bij een grotere groep meer stoelen).
■ vier onderstaande vragen
Verdeel de groep in vier gelijke subgroepen, iedere subgroep in één hoek van de ruimte. Je loopt langs de subgroepen en geeft hen een opdracht op een kaartje. De subgroepen lezen hun opdracht. Iedere groep heeft een andere opdracht. Deze moeten ze voor de andere groepen geheimhouden:
■ Groep 1: zet alle stoelen bij de deur.
■ Groep 2: zet alle stoelen bij het raam.
■ Groep 3: zet alle stoelen in een kring.
■ Groep 4: zet alle stoelen op zijn kop.
Dan geeft je een startsein. Alle groepen gaan tegelijkertijd, hun opdracht proberen uit te voeren.
Opgelet!
Grote kans dat er een enorme chaos ontstaat. Waarschijnlijk gaat iedereen proberen zijn eigen opdracht voor elkaar te krijgen. Let goed op wat er gebeurt. En let ook op de veiligheid! De ervaring leert dat deelnemers fanatiek worden en aan stoelen gaan trekken.
Je legt de oefening na een aantal minuten stil. De groepen gaan weer terug naar hun basispositie.
In de reflectie zijn dit relevante vragen:
■ Welke strategieën zijn gevolgd en welke waren wel en niet succesvol?
■ Wat frustreert de samenwerking en wat is helpend?
■ Hoe werd omgegaan met mensen die iets anders wilden? Werd er samengewerkt, overtuigd, gevochten?
■ Welke rollen werden zichtbaar (aanvallers, verdedigers, toekijkers, etc.)?
■ Welke van deze strategieën en rollen zijn herkenbaar in relatie tot hoe normaal gesproken de samenwerking verloopt in het team?
De groepen krijgen vervolgens even de tijd om nieuwe strategieën en oplossingen te bedenken met daarbij de opdracht om beter samen te werken en meer als één team te opereren.
Er zijn verschillende oplossingen mogelijk om meer als één team te opereren in dit spel. Bijvoorbeeld door alle stoelen op zijn kop, in een kring, eerst bij de deur en dan bij het raam zetten.
B. Blind vierkant/huis
Materiaal:
■ Lang touw
■ blinddoeken
Iedereen (op één na) is geblinddoekt; het touw ligt gewoon op de grond. De niet geblinddoekte moet de groepsleden zo leiden dat ze het touw in de vorm van een huis leggen.
(Je kan met verschillende vormen werken)
C. Elektrische muur
Materiaal:
■ (klim)touw
■ twee stevige bomen of palen
Tussen twee bomen wordt een klimtouw gespannen op ongeveer 1,5 m hoogte. Alle deelnemers moeten over het touw geraken zonder het touw aan te raken. Elkaar helpen mag aan de vertrekzijde, maar éénmaal aan de overkant mag men niet meer terugkeren om te helpen.
D. De herder en zijn schapen
Materiaal:
■ Blinddoeken
Lees volgende opdracht voor aan de groep:
Variaties:
■ De deelnemers mogen een hulpmiddel gebruiken (stoel, ladder...). Dit hulpmiddel moet ook de overkant van het touw bereiken.
■ Je kan een ‘joker’ aanstellen. Deze persoon mag wel overlopen van de ene naar de andere kant om te helpen.
“Zo dadelijk gaan jullie geblinddoekt en verspreid in de ruimte staan. Jullie zijn vanaf dan zogezegd schapen die niet kunnen praten en geen taal verstaan. Jullie kunnen enkel blaten. Daarna wordt ergens een stal gemaakt (met touw) en wordt van één schaap de blinddoek afgenomen. Dit wordt de herder. Deze herder heeft zijn been gebroken en kan zijn plaats dus niet verlaten. Hij spreekt ook enkel een onbegrijpelijke taal. De herder moet nu proberen alle schapen in de stal te krijgen, maar kan dus niets verstaanbaars zeggen. Hij kan wel bepaalde geluiden maken (bijv. handen klappen of fluiten). Jullie hebben eerst wat tijd om een tactiek af te spreken. “
Opstelling en spelverloop. Je legt eerst de opdracht uit. De groep heeft wat tijd om een strategie af te spreken. Iedereen wordt geblinddoekt en verspreidt zich over de ruimte. De begeleider plaatst het touw ergens in de ruimte in een cirkel, met een opening van één meter. Dit is de stal. De begeleider neemt de blinddoek van één deelnemer af. Deze is vanaf nu de herder. De herder tracht alle schapen in de stal te krijgen zonder zijn plaats te verlaten en zonder te praten (geluiden maken mag wel).
Tips voor de begeleider:
Om aan te tonen hoe belangrijk het is dat iedereen de afspraken nauwkeurig volgt kun je de tweede maal iemand laten herder zijn waarvan je denkt dat hij niet mee is.
De eerste keer neem je best iemand waarvan je denkt dat hij wel mee is. Men moet immers het gevoel hebben dat het mogelijk is.
Tip voor de klas:
De herder moet door wild geroep zorgen dat de schapen allemaal rond hem verzamelen en een treintje vormen. Dan kan hij via tekens (klinkers, aantal klappen, …) instructies geven en de groep naar de kooi leiden. De schapen moeten gewoon de eerste persoon volgen.
(moet natuurlijk niet direct verteld worden, enkel als ze er zelf niet uitkomen)
E. Kaartspel
Materiaal:
■ volledig spel kaarten
■ Aantal deelnemers: minimum 2, maximum 8
De kaarten worden willekeurig op tafel gelegd. De groep krijgt tijd om een tactiek af te spreken en de kaarten te memoriseren. Daarna worden de kaarten omgedraaid. Het is de bedoeling dat de kaarten per soort in de juiste volgorde worden teruggedraaid.
Variaties:
■ opbouwen: starten met één soort, dan met meerdere tot het volledige kaartspel
F. zwevende cirkel
Materiaal:
■ stoelen
Alle stoelen worden in een cirkel geplaatst. Er zijn evenveel stoelen als deelnemers. Iedereen gaat zitten op een stoel, maar draait zich 90 graden om, en gaat met zijn hoofd op de schoot van zijn buur liggen. Eens dit lukt (stoelen mogen niet te dicht, maar ook niet te ver uit elkaar staan), begint de echte uitdaging. De stoelen worden een voor een weggenomen. De cirkel moet echter intact blijven. Iedereen moet dus meehelpen om de stoelenconstructie te behouden.
G. Ravijn
De groep wordt in twee groepen verdeeld. Beide groepen moeten samenwerken om de opdracht tot een goed einde te brengen. Beide groepen staan op een afstand van elkaar (dit baken je best af met een touw of een ander voorwerp). Tussen de beide groepen loopt een ravijn, die een grenslijn vormt. Van de ene kant van het ravijn dient een voorwerp (kan een balpen zijn) doorgegeven te worden naar de andere kant van het ravijn.
Eerst lukt dit heel gemakkelijk omdat het ravijn nog niet zo breed is. Als het voorwerp succesvol doorgegeven werd, wordt het ravijn verbreed, d.w.z. worden de groepen verder van elkaar geplaatst. Het wordt dus steeds moeilijker om het voorwerp door te geven. De groepen moeten dus heel goed samenwerken.
Als heel de groep ervoor zorgt dat de doorgever zo goed als horizontaal kan liggen zonder te vallen, kan je het ravijn heel erg breed maken.
1.5.
Reflectie
A. Active reviewing
Active reviewing (Roger Greenaway) is een actieve, speelse manier van terug- of vooruitblikken op activiteiten waarbij elke deelnemer geactiveerd wordt tot het uitwisselen van zijn/haar beleving en van het delen van zijn/haar ervaring. Met andere woorden: het is een actieve manier om te reflecteren over de activiteiten. Het gaat in essentie over op het juiste moment, de juiste vragen te stellen. Deze reflectie is noodzakelijk om het leerproces (gebaseerd op ervaringsleren) te maximaliseren. Het ontwikkelen van een positieve groepssfeer, empowerment, creatieve werkvormen, het versterken van het bewustzijn van deelnemers en het niet vastleggen van het beoogde leerresultaat zijn belangrijke bouwstenen van deze methode. We geven een aantal concrete tips over hoe je dit kan doen.
Vooraf
■ Er kan gereflecteerd worden op verschillende aspecten.
1. Feiten (wat is er gebeurd?)
2. Beleving (hoe was het?)
3. Denken (waarom zijn deze dingen gebeurd?)
4. Plannen (wat betekent dit voor de toekomst?)
■ Reflectie heeft als doelstelling de leerlingen te laten nadenken over hoe ze gehandeld hebben. Het gaat dus over de natuurlijke relatie tussen denken en handelen.
■ Er zijn verschillende mogelijkheden om de groep na een opdracht een vraag te laten beantwoorden. De wijze waarop geantwoord wordt door de leerlingen gebeurt best op een actieve manier. Om een score aan te duiden kan je onderstaande trucjes gebruiken:
1. Vingers werpen: aantal vingers staat voor de mate waarin je denkt dat het zal lukken (0 is het gaat zeker niet lukken, 5 is dat het zeker zal lukken).
2. Hand strekken: de hand op een hoogte plaatsen van de grond tot boven het hoofd over de mate waarin het zal lukken. Of gewoon hand in de lucht steken is ja, niets doen is nee.
3. Lijn: op een lijn van links naar recht staan over de mate waarin je denkt dat het zal lukken of hoeveel zin je erin hebt (links zie je het niet zitten, rechts zie je het helemaal zitten)
4. Cirkel: de mate waarin iets aanwezig is wordt aangeduid a.d.h.v. eigen positionering naar het midden toe.
5. Gebruik het materiaal van de opdracht. Als je blinddoeken hebt gebruikt kunnen de leerlingen bijv. de blinddoek in de cirkel werpen als hun antwoord op de vraag ‘ja’ is.
Het grote voordeel van deze actieve manier van reflecteren is dat het niet lang duurt, iedereen krijgt snel een zicht op verschillen/overeenkomsten in de groep en iedereen wordt betrokken.
B. Reflecties vóór een activiteit (frontloaden)
Na de uitleg van de opdracht kunnen verschillende vragen gesteld worden. Dit vormt al een reflectie over hoe men de eigen krachten en moeilijkheden inschat. Dit kan ook een beeld geven van de motivatie. Je kan enerzijds eenvoudige ja/nee vragen stellen, of je kan vragen stellen waarbij men een bepaalde mate moet aanduiden?
■ Hoe veel zin het je om dit te doen?
■ Zal deze opdracht lukken?
■ Hoe spannend/uitdagend/moeilijk vind je het om deze opdracht te doen?
■ In hoeveel tijd zullen jullie deze opdracht doen slagen?
■ Tot welk niveau denken jullie te geraken?
■ …
C. Reflecties na de activiteit:
Feiten
■ In welke mate vind je dat deze opdracht geslaagd is?
■ Hoe hebben jullie deze opdracht aangepakt?
■ Wat hebben jullie gedaan om de opdracht te doen slagen?
■ Wat hebben jullie niet gedaan?
■ Hoe veel lawaai hebben jullie gemaakt?
■ Waren jullie allemaal betrokken tijdens de activiteit?
■ In welke mate heb jij bijgedragen aan de oplossing?
■ Hoe was je inzet tijdens de activiteit?
■ …
Beleving
■ Vond je het leuk om de opdracht te doen/hoe leuk vond je het?
■ Hoe moeilijk was het voor jou?
■ Wie vond het saai?
■ Wie voelde frustratie/irritatie/energie/plezier/ verveling/… tijdens de opdracht?
■
Afhankelijk van de tijd, betrokkenheid van de groep, resterende energie, motivatie, enz.… kan je ervoor kiezen om nog verder te gaan. Hier ga je al meer in gesprek met de groep. Dit kan er wel voor zorgen dat je de energie naar beneden haalt.
Denken
■ Wat had je kunnen doen om de opdracht beter te laten verlopen?
■ Hoe komt het dat je frustratie voelde?
■ Wat kan je doen om dit voor iedereen leuk te houden?
■ Wat zegt het verloop van deze opdracht over jullie als groep?
■ Toekomst
■ Wat ga je doen om de volgende opdracht anders/ beter te laten lopen?
■ Hoe ga je jouw inzet verhogen?
■
We verwijzen hierbij ook naar het hoofdstuk van de proactieve cirkel (pg. 26). Een korte cirkel kan dus ook ingezet worden om een activiteit te bespreken. Peilen naar ervaring en dit openlijk kunnen bespreken in groep staat hier voorop.
11 Zie bijlage 1
D. reflectie methodieken met een metafoor
Cars11
Deze reflectiemethode is een variant op ‘Wie is wie?’. Het is een leuke manier voor jongeren die in autotechnieken geïnteresseerd zijn.
Bij ‘Cars’ is het de bedoeling dat de groep gebruik maakt van de verschillende onderdelen van een auto om een rol toe te schrijven aan de jongeren. Je kan het overzicht van de onderdelen uithangen en door iedereen laten lezen.
De begeleider stelt hierbij enkele reflectieve vragen:
■ Welk onderdeel was je?
■ Welk onderdeel had je graag willen zijn?
■ Herken je dit gedrag binnen de klas?
■ Herken je dit gedrag bij je vrienden?
■ Herken je dit gedrag thuis?
■ Zou je in je klas/bij je vrienden/thuis graag een ander onderdeel willen zijn?
Terugkoppeling:
De begeleider toetst de persoonlijke mening van de jongere aan de mening van de andere groepsleden.
Axenroos
De axenroos biedt een mooi visueel en veilig kader om leerlingen te laten reflecteren over hun handelen tijdens de klasdag. Wil je hier als begeleider mee aan de slag, lees dan zeker de achtergrond info in deel drie.
Het kaartspel kan op verschillende manieren toegepast worden. We lichten één manier toe om er tijdens de klasdag mee aan de slag te gaan.
■ Actie 1: Dieren leren kennen.
Afhankelijk van je eigen kennis over de axenroos en van het niveau van de groep kan je alle dieren overlopen of er een aantal selecteren. Je hoeft niet alle dieren te gebruiken om te reflecteren naar aanleiding van een activiteit. Als je een selectie maakt moeten volgende dieren zeker aan bod komen: leeuw, kameel, uil (of schildpad), havik (of steenbok) en pauw. De andere dieren bieden zeker een meerwaarde, maar zijn niet noodzakelijk om groepsdynamiek bespreekbaar te maken.
1. Deel de dieren uit. Leg een affiche van de roos in de midden (of hang die uit).
2. Overloop met de leerlingen alle dieren en hun belangrijkste eigenschap(pen).
■ Actie 2: samenwerkingsopdracht
Kies een opdracht uit deze handleiding en laat die uitvoeren door de klas. Stel per dier een leerling aan die niet
deelneemt aan de activiteit. Deze leerlingen observeren de klas. Ze proberen zoveel mogelijk interacties te zien en te koppelen aan hun eigen dier.
■ Actie 3: reflectie a.d.h.v. axenroos
1. Ronde 1: leerlingen proberen hun eigen handelen te beschrijven a.d.h.v. de dieren.
Vb. ‘toen ik een instructie gaf aan de groep was ik een leeuw’.
Vb. ‘ik hield me in het begin wat afzijdig, ik keek gewoon toe, dus ik gedroeg me als een uil’
2. Ronde 2: de observators geven extra voorbeelden van gedrag dat zij gezien hebben, gekoppeld aan de dieren.
■ Actie 4: uitbreiding naar lesmomenten
Je kan de klas de vraag stellen of deze ‘gedragingen’ ook voorkomen tijdens de lessen. Je kan opnieuw de leerlingen elk voor zich voorbeelden laten benoemen van gedrag tijdens de les dat ze koppelen aan een dier.
2. Klasgesprekken
Tijdens een klasdag (of gewoon in een les) kan je ervoor kiezen om een inhoudelijk thema te bespreken. We geven enkele suggesties waarover en op welke manier je dit kan doen. Voornaamste doelstelling is opnieuw ‘verbinding’ creëren. We stellen een interactieve manier voor van hoe je het onderwerp bespreekbaar kan maken in de groep. Gesprek en reflectie in combinatie met actie staat voorop.
In principe kaderen alle thema’s binnen het thema ‘pesten’. Als je echter met leerlingen rond dit thema werkt, wekt het woord op zich een geladenheid op. Zeker als je expliciet aankondigt rond dit thema te werken. Een vorm van weerstand kan al optreden bij sommige leerlingen. Klasgesprekken voeren rond de volgende thema’s kunnen wel beschouwd worden als preventieve acties tegen pesten:
■ Behoeften (verlangens) op school
■ Verbindend/geweldloos communiceren
■ Uit de boot
■ Gedragscodes in klas
■ Klikken of melden
■ (Emotionele) veiligheid in de groep
Op de volgende pagina’s vind je enkele methodieken die je kunnen helpen bij het voeren van klasgesprekken.
2.1.
Wat heb ik nodig om me goed te voelen:
Behoeftes/verlangens
Mensen handelen, ageren en reageren altijd vanuit vervulde of onvervulde behoeften en verlangens. Ook leerlingen! Naast verantwoordelijkheid en verbinding vormen verlangens de motor tot beweging. Net niet handelen of reageren (volgens verwachting) heeft heel vaak te maken met onderliggende ‘angst’. Samen met leerlingen een denkproces op gang brengen rond de vraag “wat zijn jouw behoeften?” is essentieel om tot een goeie klasdynamiek te komen. We geven een suggestie hoe je dit kan aanpakken.
Gebruik de ‘Behoeftekaarten’ (zie toolbox in bijlage 2)
A. Actie 1
Alle behoeftekaarten liggen op een rijtje. Eén voor één gaat iedereen langs het rijtje en schrijft die behoeftes op die hij/zij heel belangrijk vindt op school en in de klas. Je kiest er minimum drie en maximum vijf. Wie gedaan heeft gaat naar de begeleider die de behoeften turft op het blad met de lijst van behoeften. Op die manier heeft de begeleider al een overzicht van alle klasbehoeften, maar nog niet de klas.
B. Actie 2
Iedereen gaat terug in een cirkel zitten. Elk kiest een behoefte uit zijn lijstje en geeft aan wat daar zo belangrijk aan is. De bedoeling is dat alle behoeften besproken worden. Wat wil deze behoefte zeggen? Waarom is dit belangrijk? De klasbehoeften worden getoond. Iedereen krijgt een overzicht te zien van waar de klas belang aan hecht.
C. Actie 3
In welke zin worden de behoeften vervuld op school. Visualiseer onderstaande as in het lokaal of op de speelplaats.
Vervuld Niet vervuld
Ieder gaat per behoefte op de plaats staan die suggereert in hoeverre hij deze behoefte voor zichzelf vervuld ziet. De leerlingen worden uitgenodigd om te beargumenteren waarom ze al dan niet voor deze score kiezen.
D. Actie 4
Je kan er als leerkracht voor kiezen extra duiding te geven. Schets de essentie van deze oefening: jullie hebben elkaar nodig om behoeften te vervullen. Elke lid van een groep/klas heeft verantwoordelijkheid voor het vervullen van elkaars behoeften.
Het is belangrijk om elkaars behoeften te erkennen. Wanneer er conflicten zijn gaat dit steeds over behoeften die niet vervuld worden. Dit bij jezelf en bij de ander herkennen is de basis van een respectvolle klassfeer waar iedereen (niet enkel de ‘sterksten’) sterker wordt.
2.2.
Verbindend communiceren
Om een verbindend klasklimaat te creëren is de manier waarop leerlingen en leerkrachten communiceren met elkaar essentieel. Het thema ‘verbindend communiceren’ of ‘geweldloze communicatie’12 biedt een mooi kader om daar nader op in te gaan. De besproken ‘behoeften’ (zie vorig punt) vormen een goeie basis om hiermee verder te gaan. Alleen is het model niet eenvoudig om snel/duidelijk door te geven aan een klasgroep. Gezien de grote meerwaarde van het model doen we wel een poging om je op weg te helpen:
A. Actie 1: Inleidende oefening
■ Iedereen staat in een cirkel.
■ Doe ronde 1 van de opdracht ‘snelle tennisbal’.
■ Herhaal deze ronde, maar gebruik een breekbaar voorwerp (vaas, grote mok…). Belangrijk is dat je iets kiest dat niet evident is om naar elkaar te gooien.
Het is van belang om goed te letten op het verschil tussen de bal en de vaas. Hoe reageert de groep, hoe pakken ze dit aan? (sommigen gaan dichter bij elkaar staan, anderen kijken eerst goed in elkaars ogen vooraleer ze gooien, de concentratie is groter, sommigen durven niet gooien en geven het gewoon door…)
B. Actie 2: Link leggen tussen opdracht en verbindend
communiceren
Bij deze opdracht kunnen de leerlingen ‘ervaren’ wat verbindende communicatie betekent. De bal/vaas staat symbool voor een boodschap doorgeven (cfr. communicatieschema: zender-boodschap-ontvanger). Als mensen een moeilijke boodschap doorgeven (vaas) is het van belang om geen schade aan te richten en dus de boodschap op een goeie manier (verbindend) door te geven. Een gemakkelijke boodschap (bal) is minder complex en richt geen schade aan.
Om spanningen in groepen niet te laten groeien, is een verbindende/geweldloze manier van communiceren belangrijk.
12 Marshall Rosenberg was de ontwerper van het model ‘non-violent communication’.
C. Actie 3: Giraf en jakhals
Om het thema duidelijker/simpeler voor te stellen voor jongeren worden (opnieuw) dieren gebruikt.
Jakhals: staat symbool voor een communicatie met geweld. Zijn korte nek zorgt ervoor dat wat hij denkt/voelt ook onmiddellijk uitspuwt en dus vaak ‘schade’ aanricht aan de tegenpartij.
Giraf: staat symbool voor geweldloze communicatie. Zijn lange nek zorgt ervoor dat wat hij denkt/voelt een langere weg afleg vooraleer dit in taal wordt omgezet.
D. Actie 4: Oefening
In bijlage 3 staan verschillende situaties beschreven. In elke situatie gaan steeds één of meerdere behoeften schuil. Leerlingen trekken om beurt een kaart en beschrijven hoe ze zouden reageren in die situatie, wat ze dus letterlijk zouden zeggen. Stel volgende vragen zodat ze de link leggen met verbindend communiceren.
■ Is jouw reactie deze van een giraf of een jakhals?
■ Welke behoefte is niet vervuld in die situatie?
■ Hoe kan je de boodschap anders formuleren? (start met ik-boodschap)
De eenvoud van verbindend communiceren verbergt de uitdaging die het is om je hier gezwind in te begeven. Jammer genoeg merken we dat professionals deze uitdaging snel links laten liggen. Een spijtige zaak, want er zit zoveel krachtigs in deze benadering die je in alle contexten kan toepassen. ‘Ducktape versterkt’ heeft een rijke ervaring in het trainen en coachen van professionals die willen (leren) verbindend communiceren. Check dit aanbod op www.ducktapeversterkt.be
2.3.
Iedereen mee op de boot
In de ‘storming’ fase van groepsvorming (pg. 8) merk je dat er in een klas vaak groepjes (kliekjes heeft een erg negatieve connotatie en gebruiken we liever niet) ontstaan. Op zich een normaal proces. Maar net omdat iedereen fundamenteel ergens wil bijhoren, kan dit proces leiden tot pesten en uitsluiting, wat een verbindend klasklimaat niet ten goede komt. Het bewustzijn hierover laten groeien kan op de volgende manier:
A. Actie 1: Opdracht niemand uit de boot
Er wordt met een touw (of met krijt) een cirkel gevormd. De cirkel stelt een boot voor. Alle leerlingen moeten in de cirkel gaan staan. In het begin is dit makkelijk, maar de cirkel/boot wordt steeds kleiner.
De deelnemers stappen uit de cirkel en de cirkel wordt kleiner gemaakt. Opnieuw gaan alle deelnemers in de cirkel staan. Dit wordt herhaald, elke keer wordt de cirkel kleiner gemaakt. Hoe zorgen de deelnemers ervoor dat toch iedereen in de cirkel past? Er mag geen voet buiten de cirkel staan. De deelnemers zullen creatief moeten zijn door op te tillen, te stapelen, te passen…
■ Hoe is dit verlopen?
■ Wie was er afwachtend?
■ Wie ging er meteen in de cirkel staan om zijn eigen hachje te redden?
■ Bleef er iemand steeds uit de cirkel staan?
Link met klas:
De boot is een metafoor om voor te stellen hoe de klasgroep in elkaar zit. Wat is herkenbaar bij jullie eigen klas?
B. Actie 2: Opdracht: stel je klas voor
a.d.h.v. een boot
Laat de klas zelf groepjes maken (van 2 max. 3). Elk duo neemt een blad papier en een balpen. Elke groep krijgt de opdracht om zijn klas voor te stellen. Hoe is de situatie in jullie klas nu en teken dit op papier. Het is niet de bedoeling dat er namen bijgezet worden.
■ Is het één grote boot, of meerdere kleine boten?
■ Hoe varen de boten volgens jullie?
■ Botsen ze ook wel eens?
■ Zijn er al mensen van boot verwisseld?
■ Naar waar vaart jullie boot of boten?
■ Was dit vroeger ook zo deze samenstelling?
■ Wanneer is dit dan veranderd?
■ Vallen er mensen buiten de boot volgens jullie?
■ Worden die dan opgepikt door een andere boot?
Als extra opdracht kan je hen ook de gewenste situatie laten tekenen op de achterkant.
Daarna is het de bedoeling dat elk duo een voorstelling geeft van de ‘boten’ op papier. Als leerkracht kan je hen op weg helpen door de volgende vragen te stellen.
2.4.
Gedragscodes in klas 13
In de ‘normingfase’ (pg. 9) van de groepsvorming kan je opnieuw het bewustzijn hierover laten groeien door dit thema bespreekbaar te maken. In elke groep vormen zich ‘gedragscodes’. Dit proces verloopt vaak onbewust en ‘achter de schermen’. Problematisch is als deze codes een eigen leven beginnen leiden, niet stroken met de algemeen geldende normen/regels van de school en de (emotionele) veiligheid binnen de groep naar beneden halen.
13 Zie bijlage 4
A. Actie 1: Thema inleiden
Begin het klasgesprek met de volgende vragen.
■ Wie stelt er allemaal regels vast?
■ Waarom doen zij dat?
■ Waar staan die geschreven?
Mogelijke antwoorden zijn: de directeur, de politie, onze ouders, … Die personen hebben macht, mogen beslissen én sanctioneren omdat een maatschappij dit zo heeft afgesproken.
Inzicht: enerzijds zijn er duidelijke regels (wetten): vb. schoolreglement, wetboek, … Hierover kan niet gediscussieerd worden. Ze zijn er en iedereen moet zich eraan houden. Anders zijn er gevolgen (boetes, straf, herstelgesprek, …).
Anderzijds zijn er ‘gedragscodes’ die minder duidelijk zijn en zeer variabel. In elk gezin, vriendengroep, sportclub, klasgroep bestaan er onderhuids wel een aantal ‘codes’. Ze staan nergens geschreven, maar bepalen wel jouw gedrag. Probeer ook hier enkele voorbeelden van te vinden met de groep.
B. Actie 2: Gedragscodes in deze klas
Deel de bijlage (pg. 80) ‘Dit zijn gedragscodes in onze klas’ uit en laat elke leerling dit individueel invullen. Laat de leerlingen in kleine groepjes hun antwoorden met elkaar bespreken. Vaak zie je dat er voor de jongens andere regels gelden dan voor de meisjes.
Bijv. in sommige groepen is het niet ‘cool’ om goed je best te doen voor school
Bijv. als je geen dure smartphone hebt hoor je er niet bij
Bijv. je moet er tegen kunnen als iemand een schunnige opmerking maakt over je uiterlijk
Kom opnieuw samen (cirkel) om een gezamenlijk gesprek te voeren. Elk groepje kan iemand uitkiezen om samen te vatten wat werd besproken:
C. Actie 3: Nieuwe codes opstellen
Stel met de klas een gedragscodekaart op. Elke leerling mag een suggestie doen van een code. Als iedereen achter de code staat en deze druist niet in tegen de norm van school kan er een ‘charter’ opgesteld worden en uitgehangen in de klas.
■ Wie stelt gedragscodes op?
■ Welken gelden, welke zijn belangrijk, welke niet?
■ Wat doet dit met jouw gedrag? Welk effect heeft dit?
■ Druisen sommige codes in tegen schoolregels?
2.5.
Klikken of melden14
Met dit thema bouwen we in principe voort op het voorgaande. Er is een directe link met het thema pesten. En bovendien weten we uit ervaring dat het thema (‘snitchen in jongerentaal’) heel vaak leeft in een groep.
A. Actie 1: Inleidende vragen
Start een klasgesprek over onderstaande vragen:
Bestaan er regels over klikken of melden? Staat dit ergens neergeschreven in wetten? Of zijn dit eerder codes die verschillen van groep tot groep? Wat is het verschil tussen iets melden of klikken?
14 zie bijlage 5
B. Actie 2: Stellingen
Elke leerling krijgt twee kaarten, ‘melden’ en ‘klikken’. Ze steken de kaart omhoog die zij kiezen bij het horen van de stelling.
■ Een leerling vertelt een leraar dat hij zag hoe een jongen spiekte bij een toets.
■ Een leerling vertelt een directeur dat een ander kind hem dreigde in elkaar te slaan.
■ Een leerling vertelt tegen een leraar dat ze een jongen heeft horen zeggen dat hij van plan was om na de middag naar huis te gaan.
■ Een leerling vertelt aan de leerlingenbegeleiding dat hij bezorgd is over iemand uit de klas; hij wordt namelijk heel vaak uitgelachen door anderen.
■ Een leerling vertelt aan de directeur dat hij zag hoe een jongen werd bedreigd met een mes.
■ Een leerling vertelt aan zijn moeder dat hij wordt uitgelachen met zijn huidskleur. De moeder belt naar de directeur om dit te zeggen.
■ Een klasgenoot vertelt aan drie medeleerlingen dat hij in de gang zag hoe een leerling een andere leerling een keiharde klap gaf.
■ Je weet dat er iemand iets heeft gestolen van een klasgenoot. Deze klasgenoot is een goede vriend van jou, dus jullie gaan samen naar de klastitularis om dit te vertellen.
■ Een jongen vertelt zijn leraar dat hij zag dat een andere leerling aan de borsten van een meisje zat.
Na het voorlezen wordt er gestemd over de vraag of de betreffende handeling een kwestie van klikken of melden is. De stemmen worden geteld en er wordt besproken waarom de klas voor klikken of melden kiest.
“In de klas zijn er dingen die niet zijn toegelaten (zoals…), andere dingen mogen wel. Wie bepaalt dit eigenlijk? Door het ene als ‘klikken’ te bestempelen en het andere als ‘melden’ geven jullie het signaal aan elkaar dat het ene wel is toegestaan, het andere niet.
Sommigen normen/codes zijn vaak op willekeur gebaseerd en dienen bepaalde belangen van individuen. Hierover open in gesprek gaan en samen uitspreken waar je niet akkoord mee gaat is een eerste stap. Een tweede stap is elkaar aanspreken en melden wanneer er niet op een goeie manier wordt omgegaan met afspraken. Dit vraagt moed. Soms wil je niet in een strijd terecht komen.
Je als klasgroep verzetten tegen iets waar je eigenlijk niet mee akkoord gaat, vraagt solidariteit.
Er wordt een affiche getoond van ‘klikken VS melden’ (zie bijlage 5)
2.6.
Emotionele veiligheid
Het is voor leerlingen niet altijd duidelijk waar het over gaat bij het woord ‘veiligheid’ in de klas. Al vormt het wel een rode draad. Elke jongere heeft de essentiële behoefte om zich sociaal emotioneel veilig te voelen in de klas. Als dit wordt bereikt in een klasgroep kunnen leerprestaties verhoogd worden.
Om je als leerkracht en leerling meer bewust te worden van het belang van dit thema voor iedereen in de groep, doen wij opnieuw een suggestie om dit te laten ervaren a.d.h.v. volgende oefening: het lunapark!
A. Actie 1: Opdracht
De klasgroep gaat in een cirkel zitten. Leg een voorwerp ergens in het midden. Vraag aan de klasgroep wie zich vrijwillig wil aanbieden om het volgende te doen:
“Doe een blinddoek om, sta recht en stap naar het voorwerp. Je krijgt één kans om één keer te grijpen naar het voorwerp.
Als je erin slaagt dit te grijpen, neem je het voorwerp mee naar je plaats en ben je geslaagd. Grijp je ernaast, dan is de opdracht niet gelukt.”
Leg de link met de grijpers van een lunapark op de kermis.
Verplicht niemand om dit te doen. Als een eerste vrijwilliger zich heeft aangemeld, laat je de leerling de opdrachten doen. Vervolgens kan je dit verschillende keren herhalen met andere leerlingen.
B. Actie 2: Bespreking
De bespreking van de opdracht is essentieel om de groep te laten bewust worden van het thema.
Richt je tot de eerste vrijwilliger, vervolgens tot de andere één voor één met volgende vragen:
C. Actie 3: Extra duiding
Probeer uit de antwoorden van de leerlingen te resumeren dat dit de kern is van de zaak. Je wil als leerkracht een klas vormen waarin iedereen zich goed voelt en durft zichzelf te zijn, zich niet angstvallig afzijdig houdt, geen schrik heeft van reacties van anderen of wat anderen denken over zichzelf.
■ Wat maakt dat jij dit ziet zitten om te doen? Of m.a.w. hoe komt het dat jij je kandidaat stelt?
■ Wat ging goed? Wat verliep moeilijk?
■ Hoe was het voor jou om dit te doen? (Peil dus naar beleving en vraag door.)
Richt je nu tot een willekeurige andere leerling die zich niet kandidaat stelde. En ga vervolgens door met andere leerlingen:
■ Wat zorgt ervoor dat jij ervoor kiest om je niet kandidaat te stellen?
■ Wat wil je vermijden?
■ Waar ben je bang voor?
3. Uitgewerkte voorbeelden
Doel van deze handleiding is om drempels te verlagen voor leerkrachten om te werken aan klasverbinding. We hopen dat deze handleiding leerkrachten er in eerste instantie toe aanzet een (halve) dag te organiseren waarbij klasverbinding dé doelstelling is. We hopen uiteraard dat je ook doorheen het schooljaar nog meer acties onderneemt om positieve verbinding te behouden of te herstellen indien nodig.
Je hebt wel wat tijd nodig om je door deze volledige handleiding te worstelen. We zijn er ons van bewust dat de handleiding in die zin contraproductief kan werken. Je hoeft niet alles te lezen om een geslaagde dag te doen met je klas. Als je direct en heel concreet wil starten dan zijn we ervan overtuigd dat deze voorbeelden je direct op weg helpen.
Wat je nog moet weten:
■ Deze voorbeelden zijn gebaseerd op de vier klassen die we bij aanvang van het schooljaar begeleid hebben. Ze zijn dus niet zomaar uit de lucht gegrepen.
■ Om je een idee te geven staat telkens de richting, aantal leerlingen en verhouding jongens meisjes vermeld.
■ Je hoeft zelf de afweging niet te maken welke opdrachten elkaar best opvolgen, hoe lang ze duren en hoe je actie en reflectie in een gezond evenwicht houdt omdat wij dit voor jou hebben gedaan.
Uiteraard verloopt elke klasdag anders dan gepland. Sommige opdrachten duren langer, andere minder lang. Uiteraard kan je dingen wijzigen naargelang de energie en betrokkenheid van de groep. We stellen voor om extra opdrachten als back-up te voorzien.
■ De middaglunch zien wij ook als een opdracht.
Uiteraard ben jij daar als leerkracht volledig vrij in. Onze manier van werken is steeds dat wij op voorhand inkopen hebben gedaan waarmee de leerlingen aan de slag gaan (broodjes, pastasalade, soep, …). Door dit als een opdracht te kaderen kunnen ze bepaalde inzichten die de dag al bood in de praktijk oefenen. Maar misschien was het al een stevige dag. Het belangrijkste is dat samen eten gewoon een gezellig moment moet zijn zonder druk.
■ Afspraken worden gedeeld rond verloop van de dag
■ Afspraken over methodiek ‘proactieve cirkel’
■ De speeddate wordt besproken met volgende richtvragen: wat heb je onthouden over de gesprekken? Wat ben je te weten gekomen?
15’ Snelle tennisbal
TIP: vraag op voorhand aan de groep wat hun streefdoel is qua timing. Daag hen uit om verder te gaan!
10’ Reflectie (active reviewing)
■ Hand in de lucht: wie is tevreden over het resultaat? Wie heeft de leiding genomen? Wie heeft gevolgd wat werd voorgesteld? Wie heeft frustratie gevoeld?
■ Vingers gooien: hoe moeilijk vond je deze opdracht? Hoe comfortabel vond je het om dit te doen?
In welke mate heb jij bijgedragen aan het resultaat?
15’ PAUZE
15’ Telefoonboek : groep in 4 verdelen voor de volgende opdracht
20’ Axenroos
We halen de actie er even uit door enkele dieren te bespreken. Doel is dat de groep begrijpt wat de essentiële kenmerken zijn van het dier.
30’ Elektrische muur
Tijd voor een echte samenwerkopdracht. Probeer goed te observeren zodat je ook zaken kan terugkoppelen in de reflectie nadien. Probeer je tijdens die opdracht op de achtergrond te houden.
20’ Reflectie a.d.h.v. axenroos 53
60’ Middaglunch:
Gezien de grootte van de groep hebben we om chaos te vermijden de groep in 4 verdeeld (laat ze zelf beslissen).
15’ Ik ben, ik heb, ik kan… 39
40’ Schaap en herder
Variatie: Integreer de axenroos in deze opdracht. Geef de leerlingen verschillende rollen door de dieren uit te delen, of laat ze zelf kiezen.
20’ Reflectie
■ Gebruik opnieuw de axenroos
■ Stel vragen rond samenwerking. Wat is er nodig om deze opdracht te doen slagen? (alle dieren van de axenroos, overleg, naar elkaar luisteren,…) 53
15’ PAUZE
20’ Zwevende cirkel 48
20’ Proactieve cirkel Mogelijke richtvragen:
■ Hoe vond je deze dag?
■ Wat heb je geleerd over jouw klas?
■ In welke mate is deze dag geslaagd voor jou?
■ Wat was een top moment voor jou?
■ Wat vond je lastig vandaag?
B. Voorbeeld 2: volledige dag
Richting:
3e graad, BSO (elektrische installaties)
Aantal leerlingen:
9 leerlingen, enkel jongens
15’ Proactieve cirkel
■ Afspraken worden gedeeld rond verloop van de dag
■ Afspraken over methodiek ‘proactieve cirkel’
■ De speeddate wordt besproken met volgende richtvragen: wat heb je onthouden over de gesprekken? Wat ben je te weten gekomen?
15’ Stoelendans
Begin met de meest eenvoudige versie en verhoog naargelang het niveau van de groep stapsgewijs de uitdaging.
15’ Snelle tennisbal
TIP: vraag op voorhand aan de groep wat hun streefdoel is qua timing. Daag hen uit om verder te gaan!
10’ Reflectie (active reviewing)
■ Hand in de lucht: wie is tevreden over het resultaat? Wie heeft de leiding genomen? Wie heeft gevolgd wat werd voorgesteld? Wie heeft frustratie gevoeld?
■ Vingers gooien: hoe moeilijk vond je deze opdracht? Hoe comfortabel vond je het om dit te doen?
In welke mate heb jij bijgedragen aan het resultaat?
15’ PAUZE 20’ Kaartspel
30’ Elektrische muur
Probeer goed te observeren zodat je ook zaken kan terugkoppelen in de reflectie nadien.
20’ Reflectie Cars
We halen de actie er even uit door elk lid van de groep goed te laten nadenken over zijn rol in de groep.
10’ Ik heb/ik kan/ik ben
60’ Middaglunch:
Deze groep is kleiner, de lunch samen voorbereiden kan best in één groep.
20’ Zwevende cirkel
40’ Klasgesprek: gedragscodes in de klas
Een groep die uitsluitend uit jongens bestaat in de derde graad heeft meestal al heel wat ‘vastgeroeste’ gedragscodes in de klas. Hen hierover laten stil staan kan een groep alleen maar sterker maken.
15’ Telefoonboek : groep in 2 verdelen voor de volgende opdracht Over het touw
20’ Ravijn
20’ Proactieve cirkel
Mogelijke richtvragen:
■ Hoe vond je deze dag?
■ Wat heb je geleerd over jouw klas?
■ In welke mate is deze dag geslaagd voor jou?
■ Wat was een top moment voor jou?
■ Wat vond je lastig vandaag?
C. Voorbeeld 3: halve dag
Richting:
2e graad, BSO (voeding/verzorging)
Aantal leerlingen: 14 meisjes, 2 jongens
20’ Proactieve cirkel
■ Afspraken worden gedeeld rond verloop van de dag
■ Afspraken over methodiek ‘proactieve cirkel’
■ De hand en speeddate worden besproken met volgende richtvragen: wat heb je onthouden over de gesprekken? Wat ben je te weten gekomen?
15’ Stoelendans
Begin met de meest eenvoudige versie en verhoog naargelang het niveau van de groep stapsgewijs de uitdaging.
15’ Hoelahoep
10’ Reflectie (active reviewing)
■ Hand in de lucht: wie is tevreden over het resultaat? Wie heeft de leiding genomen? Wie heeft gevolgd wat werd voorgesteld? Wie heeft frustratie gevoeld?
■ Vingers gooien: hoe moeilijk vond je deze opdracht? Hoe comfortabel vond je het om dit te doen?
In welke mate heb jij bijgedragen aan het resultaat?
15’ PAUZE
Ik heb/ik kan/ik ben
15’ Proactieve cirkel – richtvragen:
■ Hoe vond je deze dag?
■ Heb je iets over jezelf geleerd?
■ Heb je iets geleerd over jouw klas?
■ Wat is je wens voor deze klas?
Bijlage 1 Cars
De benzinetank Deze zorgt voor energie. Het is de energiebron die ervoor zorgt dat de wagen kan blijven rijden. Gevaar steekt de kop op als de benzinetank dreigt leeg te geraken. Het is de persoon die energie brengt in de groep en die ervoor zorgt dat de groep de opdrachten tot een goed einde brengt.
De antenne De antenne vangt signalen op van buitenaf die belangrijk kunnen zijn voor de groep zelf. Het is de persoon die polst bij anderen om na te gaan hoever hun werkzaamheden vergeleken kunnen worden met werkzaamheden van de anderen.
De GPS Een GPS situeert de plaats van de wagen. Een GPS wordt meestal aangewend om de te volgen weg uit te stippelen. Iemand die deze rol vervult, plaatst de activiteiten steeds in het kader van het eindproduct.
De automatische zetelverwarming
De automatische zetelverwarming zorgt voor warmte en gezelligheid in de wagen. De persoon die deze rol invult zorgt voor warmte en gezelligheid in de groep.
De achteruitkijkspiegel De achteruitkijkspiegel zorgt ervoor dat je de afgelegde weg goed kan zien. Hij kijkt terug naar hetgeen voordien is gebeurd. Deze persoon werkt verder op basis van hetgeen reeds besproken en beslist is, hij hanteert de verslagen als werkinstrument.
De turbo De turbo zorgt ervoor dat de wagen een tandje kan bijzetten, dat de wagen extra kracht kan opwekken op momenten dat het nodig is. Deze persoon schakelt zijn inzichten, energie en enthousiasme pas in op die momenten dat de groep het nodig heeft.
De gordel
De gordel zorgt voor de veiligheid in de wagen. Deze persoon zorgt ervoor dat iedereen zich veilig voelt in de groep en dat iedereen zijn mening kan uiten.
De aluminium wielschijven Aluminium wielschijven zorgen voor de afwerking, voor dat tikkeltjes meer perfectie. Het zorgt voor de mooie afwerking. Deze persoon zorgt ervoor dat alles in detail mooi is afgewerkt. Het gaat over de afwerking van presentaties, rapporten en verslagen.
De motor De motor zorgt ervoor dat de wagen vooruit gaat. De motor zet de energie van de bezinetank om in beweging. Deze persoon is de stuwende kracht van de groep. Indien een groep geen motor heeft, geraakt de groep zo goed als niet vooruit.
Het verbandkistje Het verbandkistje heeft een verzorgende functie. Het wordt uitgehaald wanneer je gewond bent. Het gaat om iemand die een luisterend oor heeft, iemand die een schouder aanbiedt om op uit te huilen.
De handleiding De handleiding legt uit hoe je aan iets begint. Dit gaat over iemand die met kennis van zaken aan iets begint. Het gaat over iemand die meteen goed van start wil gaan, iemand die goed voorbereid wil zijn.
De lichten
De lichten tonen de weg wanneer het donker is of wanneer er zware onweerswolken hangen.
Deze persoon toont de weg, vat samen en brengt duidelijkheid op momenten dat er verwarring en onzekerheid is.
Het stuur Het stuur zorgt ervoor dat de juiste weg wordt genomen. Het stuur slaat de aangegeven weg in. Deze persoon is een richtingbewaker. Deze persoon zorgt ervoor dat de groep het juiste pad bewandelt.
Airco Een airco zorgt voor frisse lucht in de wagen. Deze persoon brengt een frisse wind in de groep en biedt alternatieven aan.
Gevaarsdriehoek De gevarendriehoek wordt pas uitgehaald als zich een probleem voordoet. De gevarendriehoek is de persoon die op de voorgrond treedt op het ogenblik dat zich problemen hebben voorgedaan.
Reservewiel Het reservewiel zit in de wagen en zolang die rijdt, wordt het niet gebruikt. Zolang er niets verkeerd loopt, is het eigenlijk een overbodig gewicht. Deze perszoon zet zijn kwaliteiten maar in als een ander zijn rol is uitgespeeld.
Trekhaak De trekhaak is iets extra maar is niet echt nodig om met de auto te rijden. Je kan wel extra dingen meenemen. Deze persoon speelt in de meerderheid van de gevallen geen rol in de groep. Deze persoon kijkt toe, is aanwezig maar vervult verder geen rol.
Handschoenkastje Het handschoenkastje is een plekje waar je alles in kan opbergen. Deze persoon vervult geen echte functie in de groep. Hij is aanwezig maar betekent niet echt een meerwaarde. Het handschoenkastje is bovendien een plaatsje waar je jezelf in kan verstoppen.
Uitlaat De uitlaat maakt veel lawaai en vervuilt. Deze persoon is een storend element in de groep en zorgt voor spanningen en een slechte sfeer in de groep.
Kapotte radio De kapotte radio doet niets. Deze persoon heeft potentie maar er komt gewoonweg niets uit.
De achterbank De achterbank geeft ruimte aan mensen die met de wagen willen meerijden. De mensen die hiervan gebruik maken, rijden op een passieve wijze mee met de wagen. Ze nemen geen deel aan het proces, maar kijken toe vanop de achterbank.
Bijlage 2 Toolbox
Stel met deze handleiding en onderstaande methodieken een toolbox samen voor je school. Samen met je collega’s kan je deze tools inzetten tijdens je klasdag of op andere momenten doorheen het schooljaar.
Omschrijving: Het Kennismakingsspel bestaat uit 56 kaarten. Op elke kaart staat een vraag en wordt een bijhorende kleurenfoto afgebeeld. Door een foto aan een vraag te koppelen, raken de deelnemers sterker betrokken bij de vraag en wordt hun creativiteit gestimuleerd. Hierdoor vinden ze veel gemakkelijker een passend antwoord op de vraag. Door de verschillende vragen te beantwoorden, krijgen de deelnemers een beter beeld van zichzelf en van de anderen.
Omschrijving: De Gevoels- en behoeftekaarten is de ideale tool om te werken rond verbindende communicatie. Meer dan 100 geïllustreerde kaarten helpen leerlingen om uitdrukking te geven aan een gevoel of behoefte.
Omschrijving: De axenroos van Ferdinand Cuvelier is het werkinstrument waarop deze kaarten zijn gebaseerd. In samenwerking met tekenaar Matthias Uyttendaele werden de dieren onder leiding van Groep INTRO in een beestig origineel en hedendaags jasje gestoken. Doorheen dit proces van ontwerp werden jongeren actief betrokken. Dit kaartspel bestaat uit 5 pakketten van de 10 dieren van de axenroos.
Bij 4 pakketjes vind je op de achterzijde extra info omtrent het specifieke dier. Bij elk dier staat één handeling centraal. Daarnaast worden per dier telkens meerdere kenmerken toegekend. 1 pakket heeft een blanco achterzijde.
Het kaartspel bevat 2 werkvormen waar je al mee aan de slag kunt. Voor een uitgebreide handleiding en achtergrond verwijzen we naar onze interactieve vorming die je op dezelfde website kan bestellen.
Omschrijving: Een doos vol vragen biedt je de mogelijkheid om in de klas cirkelgesprekken te voeren.
Deze kaarten helpen je om verbinding te creëren tussen de leerlingen en leerkrachten, de relaties te onderhouden door te spreken over wat er leeft in de groep en te herstellen wanneer er een conflict is.
Bruikbaar vanaf het 5de leerjaar en in het secundair.
Bijlage 3 Behoeftesituaties
Je staat te wachten bij de bakker. Het is eindelijk aan jou, maar een mevrouw steekt je voorbij ...
(rechtvaardigheid/gelijkwaardigheid)
Je zit in een broodjeszaak rustig te eten. De persoon naast jou heeft een tas soep besteld, maar eet die luid slurpend op ...
(rust)
Je staat ‘s morgens te wachten op de bus. De bus komt aan. Je staat bijna helemaal vooraan om op te stappen, maar plots beginnen de mensen achter jou te duwen
(persoonlijke ruimte, respect)
Je kan de les niet helemaal volgen. En net dan begint jouw buurman vervelend te doen: hij/zij prikt de hele tijd met zijn/haar balpen tegen jouw been ...
(rust/goed kunnen opletten)
Je zit in de bioscoop. Enkele rijen achter je zitten enkele mensen te praten waardoor je gestoord wordt ...
(rust)
Je moet voor de school een groepswerk maken. Iemand heeft op de afgesproken datum zijn taken niet gemaakt ...
(gelijkheid/orde/vertrouwen)
Een leerling maakt tijdens de les steeds weer opnieuw het “ik-open-een-flesgeluid” ...
Je bent televisie aan het kijken. Jouw broer komt erbij zitten en verandert zonder het te vragen van kanaal ...
(autonomie)
Er is iemand in de groep die heel onrustig is en wiebelt op zijn/haar stoel, voortdurend lawaai maakt, ...
(rust)
De leraar geeft te snel les ...
(waardering/begrijpen)
Het was jouw zus haar taak om de afwas te doen. Maar die heeft het niet gedaan. Jouw moeder vraagt om de afwas te doen ...
(waardering/gelijkwaardigheid)
Iemand heeft iets geleend van jou. Maar je moet nogal veel vragen wanneer je het terugkrijgt ...
(respect)
Bijlage 4
‘dit zijn gedragscodes in de klas’
Zet een kruisje in het vakje voor elke code die jij herkent.
Zijn er nog andere codes in de klas die jij kent?
Vul ze aan op de lijst!
Graag eens een mopje maakt
Niet te veel gaat slijmen bij de leerkracht
Geen emoties laat zien
(je blijft cool onder alle omstandigheden)
Er keihard tegenaan gaat
Goede resultaten haalt voor school
Niet toont dat je pijn hebt
Durft ingaan tegen een leerkracht
Er tegen kan als iemand met jou lacht
Geen angst toont
Veel durft
Niet onder doet voor een ander
Je plan kan trekken
Geen zwakheid toont
De baas kan zijn
Geen mietje bent
Je een meisje kan verleiden
Als het moet je je met geweld kan verdedigen
Mee doet als er gediscussieerd wordt met de leraar
Je stoer doet
Niet klikt als er iets gebeurt
je kan zeggen wat je wilt zeggen
Je voor elkaars spullen goed zorgt
Je kan praten over persoonlijke zaken
Je gespierd bent
Dingen die niet kunnen meldt aan leerkrachten of directie
Op elkaar kunt rekenen
Niet teveel je best doet in de klas
Bijlage 5 ‘Klikken of melden’
download de affiche op https://tinyurl.com/klikkenofmelden
Bibliografie
Brown, B. (2013). De kracht van kwetsbaarheid. Heb moed om niet perfect te willen zijn. Utrecht: Lev.
Cobbaert, S., & Naudts, L. (2004 - 2005). Sociaal vaardig in AXIE! Bachelorscriptie. Opgehaald van https://www.scriptiebank.be/sites/default/files/f720bcc71d7d193a823d105a61e13d0b.pdf
Deklerck, J. (2012). Een veelkleurig verhaal. Preventie en aanpak van probleemgedrag in het onderwijs. Leuven: Acco.
Desanghere, S. (2017). “Kijk naar mij!” De circus-benadering als inspiratiebron voor het werken met kinderen en jongeren. Gent: Circusplaneet vzw i.s.m. Jeugddienst Gent. Opgehaald van https://www.circusplaneet.be/wp-content/uploads/2017/03/Kijk-naar-mij.pdf
Ligand. (2014). Samen wijs! Herstelgericht werken op school. Leuven/Den Haag: Acco.
Long, N., & Wood, M. (2009). Praten met kinderen en jongeren in crisissituaties. (F. D’Oosterlinck, Vert.) Leuven: Lannoo Campus.
Neyts, S. (2018). Schooluitval tegen gaan. Binding als buffer tegen spijbelgedrag. Brussel: Politeia nv.
Omer, H. (2011). Nieuwe autoriteit. Samen werken aan een krachtige opvoedingsstijl thuis, op school en in de samenleving. Amsterdam: Hogrefe Uitgevers.
Struyf, E., & Verbeeck, G. (2017). Regisseer je klas. Theorie bij het oefeningenboek klasmanagement. Kalmthout: Pelkmans Pro.
Van Herck, G. (2017). Werken met belanghebbenden 3: groepen. Gent: Arteveldehogeschool Bachelor in het sociaal werk.
Vanhoof, J., Van De Broek, M., Penninckx, M., Donche, V., & Van Petegem, P. (2012). Leerbereidheid van leerlingen aanwakkeren: Principes die motiveren, inspireren én werken. Leuven: ACCO Uitgeverij.
Wachtel , T., & McCold, P. (2001). Restorative justice in everyday life: Restorative justice and civil society.
Dit is een uitgave van ‘Ducktape versterkt’, het vormingsaanbod van Groep INTRO dat leerkrachten en andere professionals binnen onderwijs versterkt en ondersteunt in hun omgang met klassen en leerlingen. Niets uit deze uitgave mag overgenomen worden zonder correcte bronvermelding.
www.ducktapeversterkt.be www.groepintro.be
Met bijzondere dank aan de provincie Oost-Vlaanderen die met de projectsubsidie voor het AHA project in Dendermonde de ontwikkeling van deze publicatie mogelijk maakte.
Met speciale dank aan alle Groep INTRO collega’s die bijdroegen aan deze uitgave.
Vormgeving: Buro Knal & BookDesign
Illustraties: Lise Vanlerberghe
Klasdynamiek of klasdynamiet, slechts één lettertje verschil op papier maar een wereld van verschil in de praktijk. Met de ene groep gaat lesgeven en samenwerken als vanzelf. Met de andere groep lijkt de boel elk moment te kunnen ontploffen. Al snel ben je meer bezig met brandjes blussen dan met lesgeven.
Met deze publicatie vatten we interessante achtergrondinformatie én bruikbare methodieken samen om als leerkracht te werken aan verbinding. Want die verbinding tussen leerlingen onderling en met jou als leerkracht…dat is dé sleutel om te komen tot een werkbare groepsdynamiek en een optimaal leef- en leerklimaat in de klas.
www.ducktapeversterkt.be
VU: Vicky Coryn - Algemeen directeur – Groep INTRO – Charles Parentéstraat 6 – 1070 Brussel