Thema 8
De wereld van de wouw Naam:
Klas:
Les 1
2
1
Gelijk of niet? Zie jij het?
Noteer één kenmerk van elk dier. Vertel wat je ziet en wat je weet over het dier en zijn biotoop.
Les 1
1 parkiet
2 vos
3 zilvermeeuw
4 bosmuis
5 zebra
6 paling
7 goudvis
8 giraf
9 melkkoe
10 houtduif
11 Duitse herdershond
12 vuursalamander
13 groene kikker
14 huiskat
15 dolfijn
16 adder
17 kauw
18 tijger
Dieren hebben eigenschappen. Daarin gelijken of verschillen ze van andere dieren. Zo kun je groepjes vormen. Zo geven we ze hun naam. 2
Zet de nummers van gelijkaardige dieren bij elkaar. Noteer waarom je ze samen in een groepje zet. groepje
nummers
reden
1
2
3
Les 1
3
3
4
Noteer één kenmerk van elke plant. Vertel wat je ziet en wat je weet over de plant en zijn biotoop.
Les 1
1 brandnetel
2 cactus
3 lavendel
4 spar
5 narcis
6 gras
7 zonnebloem
8 klimop
9 appelboom
10 rode kool
11 maïs
12 buxus
13 sanseveria
14 treurwilg
15 klaproos
16 wijfjesvaren
17 viooltje
18 eik
19 lijsterbes
20 vliegenzwam
21 waterlelie
Planten hebben ook eigenschappen. Ook hier kunnen groepjes worden gevormd. Dieren en planten zijn zelf ook al twee grote groepen. Wat is het verschil tussen een dier en een plant? Waarin gelijken ze op elkaar? Heb je daar al over nagedacht?
4
Zet de nummers van gelijkaardige planten bij elkaar. Noteer waarom je ze samen in een groepje zet. groepje
nummers
reden
1
2
3
Les 1
5
Les
2
De wouw gespot!
Mira heeft een prachtige vogel gezien. Mama kon er enkele foto’s van nemen. Nu willen ze weten welke vogel ze hebben gezien. Maar hoe pakken ze dat best aan? Heel wat informatie over dieren en planten vinden we op het net.
1
We helpen Mira en haar mama. Volg samen met hen de stappen. Stap 1 Mama weet dat de grootste natuurvereniging in Vlaanderen Natuurpunt is. We kijken op hun website of ze kunnen helpen. Stap 2 We kiezen de juiste rubriek in de keuzebalk. Stap 3 De website van Natuurpunt ordent de informatie in … groepjes! In die groepjes staan dieren en planten die meer op elkaar gelijken dan verschillen. Waarop lijkt de rode wouw? Tot welke groep behoort hij? Kijk, vergelijk en klik daarna open! Stap 4 We vinden de informatiefiche van de rode wouw. Mira en haar mama zijn het nu zeker: ze hebben een rode wouw gespot!
2
Lees de info over de wouw. Bedenk en noteer nu zelf drie quizvragen over de rode wouw. 1 2 3
Mira en haar mama hebben gezocht welke vogel ze hebben gezien maar het kan ook omgekeerd. Als je meer en meer weet over de natuur, kun je zelf op zoek gaan naar een dier of plant.
6
Les 2
3
Kruis de juiste keuze aan. Jos wil een lijsterbesboom planten in zijn tuin. Hij wil die wel eerst eens zien. Help je hem die vinden? 1
2
3
Ik kijk omhoog.
Ik zoek een boom met een ovale kruin.
Ik zoek een boom met bruine, harde vruchten.
Ik kijk omlaag.
Ik zoek een boom met een driehoekige kruin.
Ik zoek een boom met rode bessen.
Sofia las in een boek over het roodborstje. De juf zegt dat er eentje in de bomen achter de speelplaats woont. Help je het vinden? 1
2
3
Ik kijk omhoog.
Ik zoek een klein vogeltje.
Ik zoek naar een opvallende rode borstvlek.
Ik kijk omlaag.
Ik zoek een grote vogel.
Ik zoek naar een opvallend geel buikje.
Les 2
7
In de groepen van dieren en planten hebben we heel veel verschillende soorten. In die soorten zijn er dieren en planten die heel hard op elkaar gelijken maar toch niet helemaal. Dan moet je op zoek naar nog meer informatie.
4
Vergelijk de haas en het konijn. Kleur bruin wat past bij de haas. Kleur blauw wat past bij het konijn.
dubbelgevouwen achterpootjes heeft een hol onder de grond waarin kale en blinde jongen in een wollig nestje liggen grote dubbelgevouwen sterke achterpoten
leeft altijd in groep
kleine rond-ovale kop leeft alleen, behalve in de paartijd
ovaa l-hoe kige kop
ore n
tw e me e kee t zw r zo art lang et ipp als k op en ,
grote
n zo ore
8
Les 2
p
s ko
al lang
heeft een leger van bladeren boven de grond waarin behaarde en ziende jongen liggen
5
6
Zoek informatie over de beuk en de eik. Kruis het juiste antwoord aan.
beuk
eik
beuk
eik
beuk
eik
beuk
eik
beuk
eik
beuk
eik
Bedenk een eigen vraag over de beuk of de eik. Noteer die hier.
Les 2
9
Les
3
Ook dieren en planten leven samen
Dieren en planten zijn zoals mensen. Ook zij hebben hun favoriete stekje. Op die plaats: - vinden ze voldoende voedsel. - kunnen ze groeien en bloeien. - kunnen ze jongen krijgen en die opkweken. - kunnen ze schuilen. - … De plek waar dieren en planten kunnen samenleven en daarvoor elkaar nodig hebben, heet een biotoop. Dat betekent: een plek om te leven.
10
1
Waar zou jij willen wonen? Kruis je voorkeur aan.
2
Wie of wat hoort er allemaal thuis in jouw biotoop? Teken en/of noteer.
Les 3
In een biotoop kun je twee groepen onderscheiden. Je hebt levende organismen zoals dieren, planten, mensen … En je hebt de dingen die niet leven maar wel veranderen en ook belangrijk zijn zoals licht, lucht, water, bodem … Samen zorgen ze ervoor dat er op die plek leven is Een biotoop moet in evenwicht zijn. Er mag niet te veel of te weinig zijn van iets. Te weinig rupsen zijn slecht voor de vogels. Maar te veel rupsen zijn niet goed voor de planten. Te veel zon doet alles uitdrogen, te weinig zon laat niks groeien.
3
Noteer de naam van de biotoop. Geef van elke groep een typisch voorbeeld. naam:
levend:
niet-levend:
naam:
levend:
niet-levend:
naam:
levend:
niet-levend:
Les 3
11
4
12
Kleef hier je gemeentekaart.
Les 3
Markeer de nummers van de biotopen die je hebt in jouw gemeente. Zet ze op de juiste plaats op de gemeentekaart hiernaast.
5
6
1
park(je)
2
gracht
3
berm
4
bos(je)
5
rivier
6
weide
7
akker
8
ruïne
9
vijver of poel
10
rivieroever
11
schooldomein
12
huistuin(tje)
Kies er twee biotopen uit. Vul aan met iets wat typisch is. naam biotoop
dier
plant
niet-levend
Les 3
13
Les
4
Ik? Een lekker hapje?
Net als wij kunnen dieren en planten niet overleven zonder voedsel. Dat is hun belangrijkste dagtaak: voedsel zoeken. Maar er zijn twee grote verschillen met mensen: - Dieren en planten kunnen niet naar de winkel. Ze moeten het doen met wat er te vinden is in hun biotoop. - Dieren en planten vinden niet alleen lekkere hapjes, ze zijn ook meestal zelf een lekker hapje voor een ander dier. 1
Wat eet wat? Trek tussen de koppels de pijl in de juiste richting. De pijl zegt: ik eet jou.
regenworm egel
appel
vos
torenvalk 14
Les 4
mol
konijn
muis
gras
rietvoorn
hert
reiger
Een voedselketen begint vaak met planten. Vruchten, blaadjes, takjes … veel dieren hebben enkel dat op hun menu. Het zijn planteneters. Andere dieren hebben het meer op een stukje vlees. Dus opletten maar dat je niet op hun menu komt te staan! De derde groep is niet zo kieskeurig. Die eten zowel dieren als planten.
De haas is een planteneter.
De buizerd is een vleeseter.
De eekhoorn is een alleseter.
Maak met deze planten en dieren een keten. Noteer hun naam op de juiste plaats.
2
> = ik word gegeten door …
Turkse tortel
kers
>
1
1
>
2
konijn
havik
3
vos
>
2
gras
>
3
Les 4
15
hert
reiger
leeuw
Aan het einde van de keten staat een groter dier dat zelf weinig of niets moet vrezen. Maar ook die dieren sterven. Dat kan omdat ze te weinig voedsel vinden of door een ongeval. Dan komen de opruimers in de natuur in actie. Dat zijn meestal kleinere diertjes. Die vinden heel lekker wat wij erg vies vinden: rottende blaadjes, dode dieren, overrijpe appels … Laat maar komen! Zij eten en verteren dat tot mest voor de planten. Zo kunnen we de keten sluiten. De mest laat nieuwe planten groeien. Planteneters vinden dat lekker … Zo wordt de voedselketen een voedselkringloop. 3
16
Zet de cijfers op de juiste plaats in de voedselkringloop.
Les 4
1
De plant groeit door de voedingsstoffen in de grond.
2
De rups smult een lekker, groen blaadje.
3
De merel prikt een lekkere rups uit de boom.
4
De valk heeft de merel te pakken.
5
De valk is tegen de hoogspanning gevlogen. De aaskever ruimt op.
6
De poep van de aaskever komt als mest terug in de grond.
4
Maak een eigen voorbeeld van ‘eten en gegeten’ worden. Teken en schrijf.
Les 4
17
Les
5
In of uit evenwicht?
In een leefplekje of biotoop moet alles zoveel mogelijk kloppen. Als er een schakeltje ontbreekt, of er is van iets te veel of te weinig, dan raakt de biotoop uit evenwicht. Dat is net zo bij ons.
1
18
Mijn biotoop in of uit evenwicht? Kleur de juiste duim.
Les 5
In hun biotoop zijn planten en dieren elkaars vijand of bondgenoot. Ofwel zijn ze een gevaar en moeten ze elkaar mijden. Ofwel helpen ze elkaar en zoeken ze elkaar op.
2
Vijanden of bondgenoten? Kleur V of B.
Bijen verzamelen nectar in de bloemen. Bloemen worden daardoor bevrucht. Zo wordt de bloem een vrucht. V
of
B
De slechtvalk hangt stil boven de berm van de snelweg. Hij ‘bidt’. Hij ziet een muisje. Wanneer die niet oplet, duikt hij naar beneden. V
of
B
De boer heeft net het graan op zijn akker geoogst. De duiven lusten ook wel een graantje. V
of
B
De eekhoorn verzamelt beukennootjes voor de winter. Hij stopt die onder de grond maar soms vergeet hij dat. Dan kan daar een nieuw beukenboompje groeien. V
of
B
De haag heeft nieuwe blaadjes in de lente. Dat is net op tijd voor de mus. Die kan er zijn nestje mooi achter verstoppen. V
of
B
De reiger wacht geduldig zijn kans af aan de oever. Wanneer een visje voorbij zwemt, slaat hij toe. V
of
B
Les 5
19
Wij mensen leven, wonen en werken op dezelfde planeet als de dieren. Dieren en planten hebben de mens niet nodig om te overleven. Integendeel, zonder de mensen zouden dieren en planten vaak beter af zijn op onze planeet. Maar we zijn er wel, dus moeten we manieren vinden om samen te leven.
De mens neemt heel veel ruimte in. Wij wonen, werken en maken dingen, verplaatsen ons en kweken ons voedsel. Dat vraagt heel wat ruimte.
De mens is ook een bezig baasje. Wij doen allerlei dingen om te kunnen wonen, eten, rijden ... Dat vinden dieren en planten niet altijd even leuk.
Daarom moet ook dat in evenwicht. Mensen moeten dieren en planten de ruimte blijven geven om samen te leven. Daarom leren wij hierover in klas.
20
Les 5
3
4
Gaat het om een goed
of slecht
voorbeeld van samenwonen? Kleur.
Opa heeft een deel van zijn tuin omgetoverd in een vlindertuin met veel bloemen. Dat vinden de vlinders en bijen top!
Het oude park achter de school moet wijken voor een nieuwe woonwijk.
De klas van meester Tim heeft een insectenhotel gemaakt. Ze hangen het op in de schooltuin.
Een bedrijf heeft door een fout een vuile smurrie in de rivier laten lopen. Veel vissen zijn dood of happen naar adem.
De snelweg oversteken is net als voor mensen ook voor dieren onmogelijk. Daarom bouwen we een ecoduct, een brug waar alleen dieren oversteken.
Mensen gooien nog altijd veel plastic weg. Veel vogels pikken dat op omdat ze denken dat het eetbaar is.
Teken of beschrijf zelf een voorbeeld uit de buurt.
Les 5
21
Mensen kunnen iets wat dieren niet kunnen: voedsel kweken. Dat doen we al eeuwenlang. Zo hoeven wij niet meer op zoek naar voedsel of te jagen zoals de dieren. Zo kunnen wij ook wonen waar we zelf willen, zolang we willen. Dat kunnen dieren niet. Dat is een belangrijk verschil.
Heel wat mensen hebben een job in de landbouw. Ze kweken dieren of telen planten die wij kunnen opeten. Dat voedsel kopen we bij hen of in de winkel.
De landbouwer leeft dicht bij de natuur. Hij moet rekenen op de niet-levende elementen zoals zon en regen. Hij probeert ons voedsel te kweken en toch de dieren en planten in het wild te sparen. Dat kan best. Zo kweken bioboeren groenten zonder chemische stoffen te gebruiken. Dat is beter voor dieren in hun biotoop en voor wij die de groenten eten.
22
Les 5
5
Gaat het om een goed
of slecht
voorbeeld van samenwonen? Kleur.
Boer Teun plant een haag langs zijn akker. Veel vogels vinden daarin een plaatsje voor hun nestje.
Boer Jaak besproeit zijn maïsplantjes om insecten te doden.
Een appelkweker zet bijenkasten op zijn boomgaard. De bijtjes vliegen van de ene bloesem naar de andere. Voor bijtjes is dat de hemel.
De boerenzwaluw woont graag bij de boer. Hij kan daar zijn nestje boven in de schuur maken. De vliegen die rond de koeien zwermen, zijn heerlijke hapjes.
De landbouwer kan zijn planten en dieren helpen met niet-levende dingen in hun biotoop.
6
Kruis aan waarmee deze boer helpt.
water
water
water
licht
licht
licht
voedsel
voedsel
voedsel Les 5
23
Studiewijzer Lees, markeer en kruis aan.
OK. Dit ken ik. Dit begrijp ik.
1 Ik kan deze begrippen geven als ik de uitleg ervan krijg: biotoop, voedselketen, voedselkringloop, planteneter, vleeseter, alleseter, vijand, bondgenoot. Tip: kijk in je werkboek waar we die begrippen gebruiken. Bedenk zelf nieuwe voorbeelden. Vertel ze aan je ma, je pa …
❑
2 Ik ken voorbeelden van biotopen en kan gegeven voorbeelden van planten, dieren en nietlevende elementen die er leven, eraan koppelen. Tip: Bekijk de biotopen van les 3. Zoek zelf ook nog voorbeelden van planten, dieren en nietlevende elementen. Leg het uit aan je ma, je pa …
❑
3 Ik kan tussen twee soorten van planten en/of dieren aanduiden wat door wat wordt gegeten als schakel van een voedselketen. Tip: Bekijk de voorbeelden van les 4 in je werkboek. Zorg dat je begrijpt waarom ze bij elkaar horen en bedenk er zelf nog een. Vertel erover aan je ma , je pa …
❑
4 Ik kan de drie schakels van een eenvoudige voedselketen in de juiste volgorde plaatsen. Tip: Bekijk de voorbeelden van les 4 in je werkboek. Zorg dat je die voorbeelden goed begrijpt. Leg ze uit aan je ma, je pa …
❑
5 Ik kan van dieren en planten die behoren tot eenzelfde groep zeggen welke eigenschap ze gelijk hebben. Die eigenschappen zijn gegeven of zoek ik zelf op. Tip: Herbekijk alle opdrachten in les 1 en 2. Oefen met deze voorbeelden en zoek zelf andere op www.natuurpunt.be. Vraag er aan je ma, je pa … Zeg of schrijf ze op.
❑
6 Ik kan van dieren en planten uit mijn buurt informatie opzoeken op het net, een vraag erover beantwoorden, of er zelf een vraag over bedenken. Tip: Oefen dit op de website van www.natuurpunt.be. Oefen met je ma, pa, broer, zus … Laat hen een vraag stellen aan jou of bedenk voor hen een vraag.
❑
7 Ik kan beoordelen wanneer mensen, dieren en planten bondgenoten of vijanden zijn van elkaar in een biotoop. Tip: Bekijk de voorbeelden van les 5. Denk goed na over ieder voorbeeld. Straks moet je dat ook kunnen beoordelen. Oefen met andere voorbeelden uit je buurt met je ma, je pa …
❑
8 Ik kan beoordelen of de mens op een juiste of foute manier probeert samen te wonen met dieren en planten in een biotoop. Tip: Bekijk de voorbeelden van les 5. Denk goed na over ieder voorbeeld. Straks moet je dat ook kunnen beoordelen. Oefen met andere voorbeelden uit je buurt met je ma, je pa …
❑
Wat ik moet kennen, moet ik eerst begrijpen en dan enkele keren opzeggen, opschrijven, tekenen … tot ik het uit mijn hoofd ken. Dat wil zeggen dat ik het kan opschrijven, zeggen of uitleggen zonder hulp. Dat is zo voor 1 en 2. Wat ik moet kunnen, moet ik vooral begrijpen. Dat wil zeggen: stel dat juf of meester iets vraagt dat daarop lijkt, dan kan ik dat oplossen. Dat is zo voor 3 tot 8. Ik noteer wat ik nog niet begrijp en vraag het straks in de klas.
Herdruk 2021/429 Bestelnummer 60 1010 568 ISBN 978 90 4863 786 7 KB D/2020/0147/128 NUR 193 Verantwoordelijke uitgever die Keure, Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge, België © Copyright die Keure, Brugge - RPR 0405 108 325
24
9 789048 637867