Skip to main content

Wouw 3 - Thema 3 - Werkboek - inkijk methode

Page 1

Thema 3

Wolk, waar ga je heen?

Naam:

Klas:


Wij meten het weer met ons eigen weerstation

dag

temperatuur

windrichting

windkracht

bewolking

neerslag soort

neerslag hoeveelheid

dag

temperatuur

windrichting

windkracht

bewolking

neerslag soort

neerslag hoeveelheid

dag

temperatuur

windrichting

windkracht

bewolking

neerslag soort

neerslag hoeveelheid

dag

temperatuur

windrichting

windkracht

bewolking

neerslag soort

neerslag hoeveelheid

Voorspelling Waarneming

Ik trek aan:

Voorspelling Waarneming

Ik trek aan:

Voorspelling Waarneming

Ik trek aan:

Voorspelling Waarneming

Ik trek aan:

2


dag

temperatuur

windrichting

windkracht

bewolking

neerslag soort

neerslag hoeveelheid

dag

temperatuur

windrichting

windkracht

bewolking

neerslag soort

neerslag hoeveelheid

dag

temperatuur

windrichting

windkracht

bewolking

neerslag soort

neerslag hoeveelheid

dag

temperatuur

windrichting

windkracht

bewolking

neerslag soort

neerslag hoeveelheid

Voorspelling Waarneming

Ik trek aan:

Voorspelling Waarneming

Ik trek aan:

Voorspelling Waarneming

Ik trek aan:

Voorspelling Waarneming

Ik trek aan:

3


Les 1

1

Welk weer wordt het?

Waarover vertelt een weerbericht iets? Noteer de weerselementen op de juiste plaats: temperatuur, neerslag, windrichting, bewolking.

Dinsdag 24.12.2019

24°

11° -4°

W

2

Lees onderstaand weerbericht. Duid de weerselementen aan in de tekst: -

Markeer de temperatuur geel. Markeer de windrichting groen. Onderstreep de bewolking. Omcirkel de neerslag. Markeer de windsterkte rood.

10° 11° 11° 8°

9 > 8 Bft

10°

Vandaag wordt het zacht, maar zal er veel wind zijn. Deze ochtend zal het in het centrum en het oosten van het land zwaarbewolkt zijn en regenen. In het noordwesten van het land krijgen we afwisselend opklaringen en buien met stevige rukwinden. De maximum-temperatuur ligt tussen de 8 en 11 graden. De wind komt uit het zuiden tot zuidwesten en kan tot wel 80 km/u oplopen. Pas op het einde van de namiddag neemt de kracht van de wind af. 4

Les 1


3

Wat trek je aan bij dit weer? Omcirkel.

Les 1

5


4

Hoe weet de weerman of weervrouw welk weer het is? En welk weer wordt het? Markeer in elk tekstje het instrument of toestel dat gebruikt wordt voor de weerwaarneming.

De weervrouw of weerman vertelt welk weer het is en voorspelt het weer. Hiervoor gebruiken ze de meetresultaten van alle weerselementen. In een weerstation worden alle weerselementen nauwkeurig gemeten met verschillende instrumenten.

Om het weer te voorspellen verzamelen ze ook informatie over de wolken, de wind, de temperatuur hoog in de lucht via een satelliet.

De computer verwerkt de gegevens en voorspelt welk weer het zal worden. De satellieten draaien rond de aarde en maken ook foto’s, zoals wolkenfoto’s.

5

Waar woon jij ongeveer? Kruis aan op de kaart hieronder.

10° 11° 11° 8°

10°

5 > 4 Bft

6

Vul aan. Morgen wordt het maximum

6

Les 1

°C.


Les 1

2

We meten de temperatuur

Waarvoor gebruiken we deze thermometers? Verbind elke thermometer met de juiste naam.

digitale thermometer

buitenthermometer

koortsthermometer

minimum-maximumthermometer

zwembadthermometer

vleesthermometer

2

Zet een kruisje bij de thermometers die we kunnen gebruiken om de temperatuur buiten te meten. Les 2

7


3

Waar wordt de temperatuur het best gemeten? Kruis aan. in de zon

in de schaduw

in een gesloten kast

in de open lucht

in een half open kast

Dit is een thermometerhut. De opening staat naar het noorden gericht zodat de zon er niet in kan schijnen. In deze hut wordt de temperatuur gemeten.

We meten de temperatuur in graden Celsius en schrijven °C. Meneer Celsius, een Zweed, heeft dit enkele honderden jaren geleden uitgevonden.

4

8

Omcirkel op onderstaande foto's de thermometerhut. Zie je nog andere meetinstrumenten?

Les 2


Les 1

3

Van waar komt de wind?

Vul de windroos aan.

N

W 2

Maak een windwijzer. Volg het stappenplan.

O Z

Ik heb een probleem. Ik heb een toestel nodig om de windrichting te meten.

3

Vul aan. Om de windrichting te meten hebben

Ik zoek een oplossing. Ik maak een windwijzer.

we een nodig.

Materiaal -

rietje kleefband satéstok stuk karton schaar wijnfles gevuld met water kurk windroos met hoofdwindstreken en tussenwindstreken

Les 3

9


4

Stap 1: Maak twee windwijzers in karton zoals op de tekening hieronder. Windijzer 1 heeft Windwijzer 1 heeft een een grote grote staart staart enen een een kleine kleine pijl. pijl. Windijzer 2 heeft Windwijzer 2 heeft een een grote grote pijlpijl enen een een kleine kleine staart. staart.

Ik voorspel: welke pijl zal naar de windrichting wijzen vanwaar de wind komt? Omcirkel: windwijzer 1 windwijzer 2

windwijzer 1

windwijzer 2

Stap 2: Maak een windwijzer waarbij de pijl kan draaien zoals op de tekening hieronder.

5

Ik gebruik de windwijzer. Ik test windwijzer 1 uit. Ik test windwijzer 2 uit.

Markeer wat klopt: Welke pijl wijst naar de windrichting vanwaar de wind komt?

Ik evalueer de windwijzer. Als je windwijzer niet goed werkt, kan je hem aanpassen.

Windwijzer 1 / 2 omdat de staart

Ik gebruik de windwijzer.

wegdraait van / draait naar de wind.

groter / kleiner is dan de pijl en dus

6

Vul aan: De wind komt vandaag uit het .

10

Les 3


7

Maak een windkrachtmeter. Volg het stappenplan.

Ik heb een probleem. Ik heb een toestel nodig om de windsterkte te meten. Ik zoek een oplossing. Ik maak een windzak. Kies uit welk materiaal je een windzak zal maken. Schets hieronder hoe je je windzak zal maken. Wat heb je nodig? Vul de benodigdheden aan.

8

Vul aan: We meten de windsterkte met een

Materiaal

.

- stok - touw - materiaal voor de windzak -

Ik gebruik de windzak. Test de windzak uit.

9

Ik evalueer de windzak. Als je windzak niet goed werkt, pas je het ontwerp aan.

Omcirkel. De windkracht is stil - zwak - matig - sterk.

Ik gebruik de windzak.

10

Hoe kan de windzak hangen? Vul de ontbrekende tekeningen aan.

windstil

11

zwakke wind

matige wind

sterke wind

Kruis aan hoe de windkracht vandaag is.

Les 3

11


Francis Beaufort ontwierp 200 jaar geleden een schaal om de windsterkte te meten. Deze schaal noemen we 'de schaal van Beaufort'. In het weerbericht gebruiken ze een nummer voor de windkracht, bijvoorbeeld windkracht 3 of 4. Ze gebruiken hiervoor de schaal van Beaufort.

Beaufort

0 1 2 3 4 5 12

Les 3

Windsterkte

windstil

zwakke wind

zwakke wind

matige wind

matige wind

vrij krachtig

Hoe zie je dat?


6 7 8 9 10 11 12

krachtige wind

harde wind

stormachtig

storm

zware storm

zeer zware storm

orkaan

Les 3

13


Windkracht Veel wind kan fijn zijn! Al zeer lang gebruiken de mensen de kracht van de wind.

14

Vroeger waren er enkel zeilboten om iets te vervoeren op zee.

Nu varen we met zeilboten enkel nog voor het plezier.

Vroeger maalde de molenaar in zijn windmolen graan en meel.

Nu wekken windmolens elektriciteit op. De wind is een energiebron.

Les 3


12

Maak een windmolen. Volg het stappenplan. Materiaal

Ik maak een windmolen. Stap 1: Neem het nodige materiaal om een windmolen te maken. Stap 2: Teken met potlood een kruis op het stuk papier door elke zijde in twee te verdelen. Stap 3: Knip elke lijn in tot de helft.

-

vierkant blad stevig papier schaar plooirietje lege rol keukenpapier spijker 20 cm naaigaren licht voorwerp zoals een slijper potlood lat

Stap 4: Plooi de geknipte helften omhoog zoals op de tekening (zie stippellijnen). Zo heb je vier ‘schoepen’. Stap 5: Maak met een spijker een gaatje in het midden waar de lijnen elkaar kruisen. Steek eerst een potlood door het gat om het gat wat groter te maken, maar maak het niet tè groot. Stap 6: Steek het plooirietje door het gat. Buig het plooibare deel naar beneden zodat de 'molen' er niet af kan draaien. Stap 7: Doe dit ook bij het kartonnen rolletje zodat het rietje er ook door kan.

Stap 8: Bind een dun draadje van 20 cm vast aan het rietje dat door het kartonnen rolletje steekt. Bind aan het uiteinde van het draadje een slijper. Wind het draadje om het rietje. Ik gebruik de windmolen. Test de windmolen uit. Ga ermee in de wind staan zodat de schoepen draaien. Daardoor wordt het touwtje opgerold en de slijper omhoog getrokken. Ik evalueer de windmolen. Als je windmolen niet goed werkt, pas je het ontwerp aan. Test de windmolen nog een keer.

Les 3

15


Les

4

Hoe komt het dat het regent?

1

Welke wolken zie je? Teken.

2

Hoe bewolkt is het vandaag? Kijk naar buiten en kruis aan hoe bewolkt het vandaag is.

open hemel, geen wolken

zwaar bewolkt

16

Les 4

licht bewolkt

gesloten hemel, geen blauw te zien


Welke wolkenhemel hebben deze mensen het liefst en waarom? Noteer onder de tekening.

3

© Belga

Jijzelf:

De zon is een energiebron. Zonnepanelen maken elektriciteit of zorgen voor warm water.

Volg voor elke proef het stappenplan:

1. Ik voorspel wat er zal gebeuren.

2. Ik doe de proef.

3. Wat gebeurt er? Klopt de voorspelling?

4. Ik leg uit hoe dit komt. Les 4

17


4

Voorspel wat er zal gebeuren met het water. Noteer kort.

6

Wacht een tijdje. Wat is er gebeurd? Noteer kort.

7

Hoe komt dat? Vul aan.

Proef 1 5

Aan de slag: - Giet water op een droog stukje van de speelplaats. - Doe dit zowel op een zonnige plek als op een plek in de schaduw.

Het water in de schaduw is . Het water in de zon is . Het is damp geworden. Deze damp zit in de lucht en kan je niet zien. Water dat damp wordt, noemen we verdampen.

8

Voorspel wat er zal gebeuren als je op het koude spiegeltje ademt. Noteer kort.

10

Wat is er gebeurd? Noteer kort.

11

Hoe komt dat? Probeer het uit te leggen. Noteer kort.

Proef 2 9

Aan de slag: - Neem het spiegeltje uit de koelkast. - Blaas op het koude spiegeltje.

18

Les 4


12

Voorspel wat er zal gebeuren. Noteer kort.

14

Wat zie je en wat voel je? Noteer kort.

15

Hoe komt dat? Vul aan.

Proef 3 13

Aan de slag: - Vul een droog glas met enkele ijsblokjes en water, tot de ijsblokjes onder water staan. Let op dat de buitenkant niet nat wordt. - Voel na een tijd aan de buitenkant van het glas.

De

in de

lucht komt op een koud oppervlak. Er worden kleine gevormd. De waterdamp wordt terug . Dit noemen we condenseren. Proef 4 17

16

Voorspel wat er zal gebeuren. Noteer kort.

18

Wat is er gebeurd? Teken het op de illustratie en noteer kort.

19

Hoe komt dat? Vul aan.

Aan de slag: - Vraag aan de leerkracht om heet water in een glazen pot te gieten. Raak deze niet meer aan, want hij is heet! - Dek de pot af met aluminiumfolie. Vouw deze goed om de rand en doe er een elastiekje om. - Zorg dat de pot niet omvalt. - Leg een ijsblokje op de aluminiumfolie.

Het warme water

De damp botst tegen de koude folie en verandert in

die weer naar beneden vallen.

Les 4

19


20

Vul aan. Kies uit: zon - wolken - waterdamp - wind - regen

Door de zon en de wind verdampt het water tot waterdamp. De waterdamp stijgt en komt in de koude lucht. Er worden kleine waterdruppeltjes gevormd. Die vormen wolken. De wind blaast de wolken verder. Wanneer de waterdruppeltjes tegen elkaar botsen, worden ze groter. Als de druppels te zwaar worden, vallen ze naar beneden als regen.

Les 4

20


Les 4

21

Niet alle wolken zijn waterdamp. Wolken zijn vaak ook een gevolg van vervuiling.

Kunstenaars maken ook wolken.

© Berndnaut Smilde Nimbus RWA 2017 image courtesy the artist and Ronchini Gallery


Les 1

5

We meten de neerslag

Welk soort neerslag kan er uit een wolk vallen? Verbind het soort neerslag met de juiste afbeelding en de juiste uitleg.

Dit zijn hele fijne waterdruppeltjes. Het is alsof je in een wolk loopt. Je kan niet goed ver zien. sneeuw

Waterdruppeltjes in de wolk vriezen samen tot kristallen. hagel

mist

regen

dauw

De waterdruppels gaan op en neer in de wolk en bevriezen tot ijsbolletjes.

De waterdruppels in de wolk worden te zwaar en vallen naar beneden.

Fijne waterdruppeltjes bevriezen op iets kouds. Er vormt zich een wit laagje, bijvoorbeeld op het gras.

ijzel Regen vriest aan op een bevroren straat waardoor het heel glad kan worden. rijm

Vochtige lucht komt tegen een koud voorwerp. Er ontstaan fijne druppeltjes.

22

Les 5


2

We meten de hoeveelheid neerslag. Volg de stappen.

Ik heb een probleem. De neerslag moet opgevangen worden. De neerslag mag niet verdampen (opdrogen). We willen meten hoeveel neerslag er gevallen is op één dag. Ik zoek een oplossing. Ik maak. Omkring wat je gaat gebruiken.

Les 5

23


3

1. 2. 3. 4. 5.

Maak een pluviometer zoals op de tekening. Volg de stappen.

Haal de dop van de fles. Vraag aan de leerkracht om een sneetje te maken in de fles op ongeveer 10 cm van de bovenkant met een breekmes. Knip zelf verder tot je het bovenste deel van de fles eraf kan halen. Dit is de trechter. Zet deze omgekeerd in de fles en kleef deze vast. Zet om de centimeter een streepje met een alcoholstift. Begin te meten vanaf de bodem.

Ik gebruik. Gebruik de pluviometer om de hoeveelheid neerslag te meten.

4

Vul aan: De hoeveelheid neerslag wordt

Ik evalueer. Evalueer of je ontwerp goed werkt. Pas aan waar nodig. Een echte pluviometer ziet er zo uit:

24

Les 5

gemeten in .


5

Wat zie je op de foto? Vul aan.

Soms is een wolk een onweerswolk! Tel hoeveel seconden er zijn tussen de bliksem en de donder. Drie seconden? Dan is het onweer één kilometer ver.

6

Wat doe je bij onweer? Kruis aan.

Les 5

25


Les 1

6

Sneeuwpret of niet?

Deze mensen werken in weer en wind. Verbind de foto met de passende tekstballon.

Brr, wat koud en glad! Het is moeilijk om niet te vallen. Ik kleed me warm. Wat ik vervelend vind, is wanneer er sneeuw van de klep van de brievenbus op mijn handen valt!

Vooral bij koud weer worden we opgeroepen want dan zijn er meer auto’s met pech, zoals auto’s die niet starten door een platte batterij. Ook een wiel vervangen in de sneeuw is geen pretje, maar ik help de mensen graag.

Weer of geen weer, wij moeten ons werk doen. Het afval kan niet blijven staan. Koud heb ik het niet snel want we bewegen veel, maar regenweer is wel vervelend.

26

Les 6


2

Hoe kan je je tegen de koude beschermen? Vul aan. Wie buiten werkt, beschermt zich tegen de koude met:

Draag veel laagjes, dat is beter dan één dikke trui! Tussen elk laagje kledij zit dan een laagje lucht dat je helpt warm te blijven. Les 6

27


Hoe kunnen we ijs doen smelten? Doe de proeven.

Proef 1: wat bevriest het snelst? Materiaal:

3

Voorspel wat er zal gebeuren. Noteer kort.

5

Wat bevriest het snelst? Omkring het op de illustratie hiernaast.

6

Hoe komt dat? Vul aan.

- twee bakken met water - een lepel zout - een diepvries

4

Aan de slag: - Vul twee kleine bakken met evenveel water. - In bak twee doe je een soeplepel zout. - Roer tot het zout is opgelost. - Zet beide bakken in de diepvries.

Zuiver water bevriest bij °C. Dat is . Het vriespunt van zout water ligt lager. Zout water bevriest niet zo snel.

28

Les 6


Proef 2: Hoe smelt ijs het snelst? Materiaal:

7

Voorspel wat er zal gebeuren. Noteer kort.

13

Wat gebeurt er? Omkring het ijsblokje dat het snelste smelt.

10

Hoe komt dat? Noteer kort.

- bord - ijsblokjes - peper - zout - zand - suiker

8

Aan de slag: - Leg vier ijsblokjes op een bord. - Strooi op het eerste ijsblokje zout, op het tweede zand, op het derde peper en op het vierde suiker.

Les 6

29


Proef 3: Hoe kan je een ijsblokje oppakken zonder het aan te raken? Materiaal:

11

Voorspel wat er zal gebeuren. Noteer kort.

13

Wat gebeurt er? Bespreek.

14

Hoe komt dat? Noteer kort.

- bord - ijsblokjes - theelepel zout - glas water - touw

12

Aan de slag: - Leg een ijsblokje op het bord. - Dop een stukje touw in water. - Leg het natte uiteinde op het ijsblokje. - Strooi een theelepel zout over het ijsblokje. - Tel tot twintig en til het touwtje op.

30

Les 6


15

Hoe houden we het veilig voor voetgangers, fietsers en auto’s bij sneeuw en ijs? Markeer.

Stoep niet sneeuwvrij? Dan riskeert u fikse boete! 'Werk mee aan de veiligheid van de voetgangers en hou uw voetpad sneeuwvrij.' Die waarschuwing geven lokale politie- en gemeentediensten.

Als er sneeuw en ijs ligt, moet je het voetpad sneeuwvrij maken. Dit doe je door de sneeuw op te scheppen en door zout te strooien. Zo zullen voetgangers en postbodes minder snel vallen.

Winterdiensten voor Wegen en Verkeer gaan de baan op als er sneeuw of ijzel is voorspeld. Ze strooien zout. Bij hevige sneeuwval worden ook sneeuwruimers gebruikt die de sneeuw opzij duwen. Deze mensen werken vaak ’s nachts.

Les 6

31


Wat weet ik nu? Verbind elk weerselement met het passend meetinstrument. Schrijf de naam erbij.

1

neerslag

2

windkracht

windrichting

temperatuur

Omkring het juiste antwoord. Wat bevriest het snelst?

gewoon water - zout water

Sneeuw en ijs smelten het snelst door er zand / zout / suiker op te strooien.

3

Wat zal er gebeuren? Noteer kort.

Illustrator Madeleine van der Raad Herdruk 2021/428 Bestelnummer 60 1010 543 ISBN 978 90 4863 772 0 KB D/2020/0147/113 NUR 193 Verantwoordelijke uitgever die Keure, Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge, België © Copyright die Keure, Brugge - RPR 0405 108 325

32

9 789048 637720


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Wouw 3 - Thema 3 - Werkboek - inkijk methode by die Keure - Issuu