Skip to main content

Milan - tweede leerjaar - thema 4 lesfiches

Page 1

WOUW-actie Taalinitiatie Frans

Au magasin ! Lesdoelen 1. De kinderen staan open voor een nieuwe vreemde taal. 2. De kinderen beleven plezier aan de kennismaking met nieuwe woorden en zinnen in een speelse context. 3. De kinderen begrijpen de aangebrachte woorden in verband met voedingsmiddelen in het warenhuis en kunnen ze correct uitspreken. 4. De kinderen kunnen iets kopen in een winkel met de zinsstructuren: « Bonjour, Madame/Monsieur, je voudrais acheter … s’il vout plait », « C’est tout, ça coute combien ? ». 5. De kinderen kunnen uitdrukken wat ze willen kopen met « un (deux, trois) kilo(s) de … », « un (deux, trois) litre(s) de … », « une tranche de … ». 6. De kinderen kunnen in duo een gesprek voeren waarbij ze de rol van winkelbediende spelen. Ze gebruiken de volgende zinsstructuren: « Bonjour, Madame/Monsieur, je peux vous aider ? », « Et avec ça ? ».

Lesmateriaal - bijlage 1: le camion arrive - bijlage 2: jeu de mémoire - kopieerblad 1: au supermarché - kopieerblad 2: bingo - kopieerblad 3: les euros - video 1: faire des achats au marché - boodschappentassen

Link met thema In thema 4 ‘Handen uit de mouwen’ (WOUW 2) maakten de leerlingen kennis met verschillende soorten winkels en afdelingen in een supermarkt. In deze les taalinitiatie ontdekken de leerlingen de afdelingen van de supermarkt in het Frans. Ook gaan ze er hun inkopen doen!

Thema 4: Handen uit de mouwen

50'


Lesverloop 1

Instap / Introduction Hang de afbeelding van de vrachtwagen aan het bord (bijlage 1). Vertel het volgende verhaal: Chauffeur Bram is vandaag opnieuw heel vroeg met zijn vrachtwagen vertrokken. Hij moet de goederen leveren bij supermarkt ‘Au coin’. Welke producten heeft Bram meegebracht? • Fruit  Les fruits. Répétez après moi. Les fruits. (Hang het pictogram van fruit (bijlage 1) op de foto op de vrachtwagen.) • Groenten  Les légumes. Répétez après moi. Les légumes. (Hang het pictogram van groenten (bijlage 1) op de foto op de vrachtwagen.) • Brood  Le pain. Répétez après moi. Le pain. (Hang het pictogram van brood (bijlage 1) op de foto op de vrachtwagen.) • Vlees  La viande. Répétez après moi. La viande. (Hang het pictogram van vlees (bijlage 1) op de foto op de vrachtwagen.) • Vis  Le poisson. Répétez après moi. Le poisson. (Hang het pictogram van vis (bijlage 1) op de foto op de vrachtwagen.) • Melk, kaas en eieren  Le lait, le fromage et les oeufs. Répétez après moi. Le lait, le fromage et les oeufs. (Hang het pictogram van zuivel (bijlage 1) op de foto op de vrachtwagen.) Maak goed de verbinding bij « les oeufs » en spreek uit: ‘zeu’. Herhaal de woorden door de illustraties aan te wijzen op het bord. Laat de leerlingen de woordenschat nu inoefenen aan de hand van een memoryspel (bijlage 2). On va jouer un jeu de mémoire pour bien apprendre les mots des rayons du supermarché. Vous recevez les cartes avec les images. Quand vous tournez une carte, vous dites : c’est la viande, c’est les légumes, c’est le poisson, c’est le lait, c’est … L’élève qui a le plus de cartes a gagné !

2

Kern / Présentation & Exercices

2.1 Présentation : « Au supermarché » Wanneer de producten geleverd zijn, zal magazijnier Emma alle producten in de juiste afdeling plaatsen in het warenhuis. Zullen we haar een handje helpen? Emma spreekt Frans. We gaan de producten dus in het Frans benoemen. Vul samen met je buur de rekken in de supermarkt en hang boven elk rek de prent van de afdeling. Laat de leerlingen duo’s vormen. Geef een print van kopieerblad 1a aan elk duo. Ze krijgen ook de verknipte kaartjes van de producten en van de afdelingen van het warenhuis (kopieerblad 1b). Herhaal de instructie in het Frans en demonstreer.

Thema 4: Handen uit de mouwen


On va aider Emma. Elle doit remplir les rayons. Mettez les cartes avec les produits sur les rayons. Ensuite, indiquez le titre du rayon. C’est quel rayon ? Il y a les rayons suivants : les fruits, les légumes, le pain, la viande, le poisson et le lait/le fromage/les oeufs.

2.2 Exercice : « Bingo » Nu de winkel terug helemaal aangevuld is, kunnen we onze inkopen doen. Laten we groenten, fruit, vlees, vis, melk … kopen. Hoe zeggen we dit allemaal in het Frans? De leerlingen kennen al enkele woorden voor fruit en groenten uit MILAN 1. We frissen die op met een bingo (kopieerblad 2). De woordenschat wordt uitgebreid met de nieuwe woorden uit deze les: « la viande, le poisson, le lait, le fromage et les oeufs ». Dit zijn de woorden voor fruit en groenten die reeds aan bod kwamen in MILAN 1: « les pommes, les kiwis, les oranges, les ananas, les bananes, les melons, les fraises, les poires, les cerises, les mangues » en « les carottes, les courgettes, les tomates, le poireau, les ognons, les poivrons, les choux, les concombres, la citrouille ». De leerlingen krijgen elk een bingokaart. Zeg zelf luidop een voedingsmiddel, de leerlingen herhalen het woord. Daarna kruisen ze de afbeelding weg als ze die hebben op hun bingokaart. De leerling die als eerste zijn/haar kaart vol heeft, roept ‘Bingo’ en wint het spel. Herhaal in het Frans. On joue le jeu « Bingo ». Je dis un mot et vous le répétez. Regardez bien vos images. Voyez-vous l’image sur votre carte ? Alors vous pouvez la cocher sur votre carte. Si vous avez coché toutes les images sur votre carte, vous criez « Bingo » et vous avez gagné.

2.3 Présentation : « Ça coute combien ? » Wanneer we naar de winkel gaan, moeten we ook kunnen betalen. Jullie kunnen dit al in het Nederlands. Laten we dit nu ook in het Frans doen. Toon de afbeeldingen van kopieerblad 3. Duid telkens een afbeelding aan en zeg: Ça coute un euro. Répétez après moi. Ça coute un euro. Ça coute deux euros. Répétez après moi. Ça coute deux euros. Ça coute cinq euros. Répétez après moi. Ça coute cinq euros. Ça coute dix euros. Répétez après moi. Ça coute dix euros. Ça coute vingt euros. Répétez après moi. Ça coute vingt euros. Maak hierbij telkens goed de verbinding tussen het getal en het woord « euros » : un euro, deux euros /z/, cinq euros /k/, dix euros /z/, vingt euros /t/. Duid nu willekeurig een afbeelding aan en vraag aan de leerlingen: Ça coute combien ? De leerlingen antwoorden telkens met: « Ça coute un euro, deux euros, cinq euros, dix euros, vingt euros. »

2.4 Présentation : « Je voudrais acheter … » Het verhaal gaat verder: Laten we naar de winkel gaan. On va au magasin. We gaan producten kopen. In de supermarkt ‘Au coin’ spreekt men Frans. De winkelbediende begroet ons en zegt: « Bonjour, Madame/Monsieur, je peux vous aider ? » Begroet de winkelbediende terug: « Bonjour, Madame/Monsieur. » Daarna zeggen we wat we willen kopen met de volgende zin: « Je voudrais acheter … s’il vous plait » en de hoeveelheid van onze producten: « un (deux, trois) kilo(s) de … », « un (deux, trois) litre(s) de … », « une tranche de … ».

Thema 4: Handen uit de mouwen


De winkelbediende zegt daarop: « Et avec ceci ? » of « Ce sera tout ? » Je kan daarna nog iets kopen ofwel vragen hoeveel het kost: « (C’est tout), ça coute combien ? » De winkelbediende zegt hoeveel het kost: « Ça coute … euros. » Je betaalt met het geld dat je per groepje gekregen hebt: un, deux, cinq, dix et vingt euros en zegt: « Voici, Madame/Monsieur. » De winkelbediende zegt: « Merci, au revoir et bonne journée, Madame/Monsieur ». Je sluit af met: « Au revoir et bonne journée, Madame/Monsieur ». Vooraleer de leerlingen het dialoogje spelen, kijken ze naar video 1. Volgend schema geeft de verschillende structuren weer voor beide rollen.

Klant

Winkelbediende Bonjour, Madame/Monsieur, je peux vous aider ?

Bonjour Madame, Monsieur, je voudrais acheter … un (deux, trois) kilo(s) de … un (deux, trois) litre(s) de … une tranche de … s’il vous plait. D’accord, et avec ceci ?/Ce sera tout ? C’est tout, ça coute combien ? Ça coute … euros. Voici, Madame/Monsieur. Merci, au revoir et bonne journée, Madame/ Monsieur. Au revoir et bonne journée. 3

Slot / Fin Bouw de klas om tot een aantrekkelijke supermarkt met de verschillende afdelingen. Bij elke afdeling staat een winkelbediende. De leerlingen mogen hun inkopen doen en gebruiken daarbij telkens het dialoogje zoals ze in duo geleerd hebben. Ze gebruiken het speelgeld (kopieerblad 3) en een boodschappentas. Probeer dit zo levensecht mogelijk te creëren.

Thema 4: Handen uit de mouwen


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Milan - tweede leerjaar - thema 4 lesfiches by die Keure - Issuu