educatieve uitgaven
Spelling 4 KIJKER 1 en 2 Handleiding
Algemeen overzicht leerinhouden Kijker 1
2
3
4
5
6
7
8
Hoorwoorden Woorden met ng en nk Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw Woorden op d en t Woorden met voor- en achtervoegsels Woorden met open en gesloten lettergrepen Woorden met g, ch, gt en cht
Focussen
Woorden met ei en ij Woorden met au, ou, auw en ouw Meervouden Verkleinwoorden Hoofdletters en leestekens Alfabet Werkwoordspelling Vergeet-mij-nietjes 1
Woorden met wr
2
Woorden op b
3
Moeilijke woorden
4
Woorden als banaan
5
Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden
Spelling 4  Algemeen overzicht leerinhouden
17
18
Spelling 4
Overzicht leerinhouden Les Focus 1 2 3
KIJKER 1
4
Hoorwoorden en samenstellingen
5 6 7 8
Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
9 10 11 12
Werkwoordspelling
13 14 15
KIJKER 2
16 17 18
Werkwoordspelling en woorden met ng en nk
Woorden met ng en nk Woorden op d en t
19 20 21
Woorden met g, ch, gt en cht
22 23 24
Alfabet en vergeet-mij-nietjes
Spelling 4  Overzicht leerinhouden
19
20
Spelling 4
Spelling 4 Overzicht overkoepelende lesdoelen
21
De kinderen kunnen omgaan met de spellingstrategieën.
De kinderen hebben inzicht in de opbouw van een woord.
De kinderen hebben inzicht in de etymologie van een woord.
De kinderen hebben inzicht in hun spellingvaardigheden.
De kinderen ontwikkelen een spellinggeweten.
De kinderen zoeken het woord op indien ze twijfelen aan de schrijfwijze.
2
3
4
5
6
7
De kinderen kunnen het moeilijke stukje in een woord identificeren.
De kinderen kunnen de schema’s van open en gesloten lettergrepen en werkwoordspelling interpreteren en toepassen.
8
9
De kinderen kunnen samenwerken.
De kinderen kunnen werken in niveaugroepen.
De kinderen kunnen zichzelf corrigeren.
De kinderen kunnen anderen corrigeren.
12
13
14
15
De kinderen kennen de kleurcodes in het werkkatern. Blauw is tempodifferentiatie en geel is de plaats om te corrigeren.
De kinderen kennen de pictogrammen in het werkkatern (Loepje, overschrijfkaartje en scheurblok).
De kinderen kunnen zelfstandig omgaan met het Loepje.
De kinderen kunnen zelfstandig omgaan met het scheurblok.
De kinderen kunnen zelfstandig omgaan met het overschrijfboekje.
De kinderen kunnen zelfstandig omgaan met de woordenhamster.
16
17
18
19
20
21
Materiaal
De kinderen kunnen zelfstandig werken.
De kinderen kunnen omgaan met individuele verschillen.
11
10
Spelling-overstijgend
– digitaal (online woordenboek of autocorrectie in WORD)
– een woordenboek (ruime lijst)
– het Loepje (beperkte lijst)
De kinderen kennen en begrijpen de pictogrammen in Verrekijker.
1
Spelling-eigen
Overzicht overkoepelende lesdoelen
22
Spelling 4  Kijker 1
4
KIJKER 1 Focus Hoorwoorden Lesdoelen 1 De kinderen weten dat letters klanken vormen. 2 De kinderen weten dat klanken woorden vormen. 3 De kinderen kunnen de juiste klank-letterkoppeling maken. 4 De kinderen weten dat er medeklinkers en klinkers zijn. 5 De kinderen kennen de codes M (medeklinker) en K (klinker). 6 De kinderen kunnen een letter(groep) als medeklinker of klinker benoemen. 7 De kinderen kunnen horen of er vooraan of achteraan in een woord één, twee of drie medeklinkers staan. 8 De kinderen kunnen met losse letters woorden maken. 9 De kinderen hebben inzicht in de opbouw van woorden. 10 De kinderen kunnen hoorwoorden tot MMKMM schrijven. 11 De kinderen weten wat werkwoorden zijn. 12 De kinderen kunnen woorden schrijven met complexe medeklinkerclusters vooraan: spr, str, sch, schr … 13 De kinderen kunnen woorden schrijven met complexe medeklinkerclusters achteraan. 14 De kinderen kunnen woorden schrijven op a, o en u. 15 De kinderen kunnen hoorwoorden op ee schrijven. 16 De kinderen weten dat woorden op a, o en u afspraakwoorden zijn. Ze horen aa, oo of uu, maar schrijven de klinker enkel. 17 De kinderen kennen de begrippen grondwoord, afleiding en samenstelling. 18 De kinderen kunnen afleidingen schrijven van hoorwoorden. 19 De kinderen kunnen samenstellingen schrijven van hoorwoorden. 20 De kinderen weten dat woorden samenstellingen vormen. 21 De kinderen kennen het stappenplan om samenstellingen correct te schrijven.
Spelling 4 Kijker 1 – Les 1-6 Hoorwoorden en samenstellingen
23
4
KIJKER 1
Lesdoelen 22 De kinderen kunnen nadenken over de afzonderlijke woorden in een samenstelling en andere focussen toepassen. 23 De kinderen kunnen samenstellingen schrijven met een dubbele medeklinker. 24 De kinderen kunnen het pictogram van samenstellingen herkennen en interpreteren.
24
Spelling 4  Kijker 1 – Les 1-6  Hoorwoorden en samenstellingen
4
KIJKER 1 Les 1 Lesdoelen 1, 2, 4-6, 8-10, 12, 13
Lesdoelen Overkoepelende lesdoelen
1, 3, 10, 11, 14, 16-18, 20
Leermiddelen Basisaanbod Werkkatern Werkkatern 1 Pagina 1 Oefening 1 en 2
Loepje
Extra materiaal
Pagina 3 en 4
Pictogram hoorstrategie
Extra aanbod Overschrijfkaartjes
Scheurblok /
1
Woordenhamster /
Woordenlijsten 1
Multimedia Bekijk het extra oefenaanbod op Kweetet.be!
Situering Wat ging vooraf? Wat volgt?
De kinderen kennen de pictogrammen van de spellingstrategieën. De kinderen weten dat het belangrijk is om goed te luisteren. Ze maken de juiste klank-letterkoppelingen en kennen enkele twee- en meertekenklanken. De volgende vier lessen zullen over hoorwoorden gaan, zowel medeklinkerclusters vooraan en/of achteraan, als samenstellingen.
Spelling 4 Kijker 1 – Les 1-6 Hoorwoorden en samenstellingen
25
4
KIJKER 1 Les 1
Lesplan
1
Ook dit jaar zullen we leren hoe we correct kunnen schrijven. Wat moeten we daarvoor doen? Goed luisteren en goed kijken. Zoals we in de natuur met een loep naar een bloempje kijken, zullen we ook in spelling woorden goed bestuderen.
Loepje p. 3 en 4
Neem het Loepje erbij. Hierin staat alles wat je moet weten over spelling. Vertel over de onthoudwoorden achteraan in het boekje. Lees het versje op pagina 3. Er zijn woorden die we kunnen schrijven door vooral goed te luisteren. Er zijn woorden die we kunnen schrijven omdat we een afspraak hebben gemaakt. En er zijn woorden die we kunnen schrijven omdat we stukjes onthouden. Vraag per strategie naar een voorbeeld uit het versje. Vertel dat de moeilijke stukjes in een woord telkens staan aangeduid.
Wat gebruiken we om woorden te maken? Letters. Welke letters kunnen we gebruiken? Laat ze heel veel letters noemen. Schrijf ze in twee groepen op het bord en laat de kinderen de groepen benoemen: medeklinkers en klinkers. Schrijf de codes M en K erbij. Er zijn klanken die uit één teken (of letter) bestaan, uit twee tekens en uit meer dan twee tekens. Deze laatste noemen we …? Meertekenklanken. Bespreek de één-, twee- en meertekenklanken op pagina 4 van het Loepje. Laat ze een voorbeeld zoeken van een MKM- en een MMKM-woord. Bv. soep, jas, pen, mot, kam, kan … en stam, bloem, krom, plak, kras, zwaan, fles …
2 WK p. 1 oef. 1
Instructie De allereerste oefening is een makkelijke oefening. Jullie kennen de codes M en K? Jullie mogen de codes lezen en op zoek gaan naar het woord dat erbij past. Daarna lezen jullie de woorden en vormen jullie zelf codes.
Correctie Jullie verbeteren met een groene balpen en schrijven de juiste codes op de gele zone met een blauwe balpen. Jullie doen dat in de klas of thuis. Laat je dan nog fouten staan, dan corrigeer ik met rood. Als je zelf goed verbetert, zal er dus weinig rood in je werkkatern staan!
3 WK p. 1 oef. 2 Overschrijfkaartje 1
Instructie Jullie weten dat woorden uit letters bestaan. Hier krijg je kopjes en staartjes van woorden. Jullie proberen zoveel mogelijk woorden te vormen. Stimuleer de kinderen om hulp te vragen bij twijfel. Laat ze geenszins nonsenswoorden opschrijven. Dat zijn woordachtige klanken die wel vrij normaal klinken, maar geen betekenis hebben, bijvoorbeeld bulg of sprool. Aan de zwakke spellers geef je het overschrijfkaartje. Ze leggen het omgekeerd op de hoek van hun bank en ze kijken wanneer ze twijfelen. Niet iedereen kan even snel lopen, zwemmen, rekenen of spellen. Dit overschrijfboekje gebruiken sommige kinderen om woorden over te schrijven of om te kijken wanneer ze twijfelen. We zullen het ook af en toe gebruiken om onze oefeningen te verbeteren.
Correctie Je corrigeert zelf. Kinderen kunnen veel moeilijkheden hebben bij het overschrijven van medeklinkercombinaties.
26
Spelling 4 Kijker 1 – Les 1-6 Hoorwoorden en samenstellingen
Spelling 4P Kijker 1 – Les 1-6P Hoorwoorden en samenstellingen
27
Het overschrijfkaartje kan gebruikt worden als compensatiemiddel (de zwakke spellers schrijven over) of als evaluatiemiddel (de kinderen corrigeren zelfstandig hun oefening).
Laat ze geen nonsenswoorden opschrijven! Geef als tip dat als ze het woord terugvinden in het woordenboek, het woord bestaat.
Maak de eerste opgave samen.
KIJKER 1 Les 1
1
K = Klinker
Ik schrijf de woorden op de juiste plaats.
ma _____________________ maan _____________________ groen _____________________ straf _____________________ straks _____________________ arts _____________________
zee
ku
fie
koo
do
he
a
stra
bo
barst
aap
schroef
langst
KMMMM
MMKMMM
MKMMM
MMKMM
MKMM
KM
MKMMMM MMMMKM _____________________ KM _____________________ MKMMM
___________________ ___________________ helft kunst
___________________ ___________________ arts fierst
___________________ ___________________ straks fietst
___________________ ___________________ botst koorts
___________________ ___________________ bonst dorst
___________________ ___________________ borst heks
tst
nst
rst
ks
rfst
lft
rts
Focus Hoorwoorden
1
______________
______________
______________
______________
______________
______________
Fout?
_____________________
_____________________
oom _____________________ melk _____________________ klomp _____________________ tekst _____________________ pletst _____________________ angst _____________________
___________________ ___________________ boks herfst
Ik vorm zoveel mogelijk woorden.
O e f e n i ng 2
straat
broers
_____________________
_____________________
zwerm
MMKMM MK _____________________ MMKMM _____________________ MMMKM
Ik schrijf nu zelf de codes bij de woorden.
KMMM
MMMKMM
MMMKM
MMKM
MKM
MK
arts – angst – ma – maan – oom – klomp – melk – straks – straf – tekst – groen – pletst
M = Medeklinker
Welke woorden passen bij de codes?
O e f e n i ng 1
Naam _____________________________________________________________________________________________ Klas _________
4 abc
De gele zone dient om fout geschreven woorden opnieuw te schrijven.
Bespreek jullie strategie en bespreek per kopje alle mogelijkheden. Zorg dat iedereen volgt vooraleer je ze zelfstandig laat werken.
Beklemtoon de betekenis van M en K. Het zijn de eerste letters van de woorden medeklinker en klinker.
abc
4
KIJKER 1P Les 2
Lesdoelen Lesdoelen
1-4, 7-10, 12, 13, 18
Overkoepelende lesdoelen
1-3, 10, 11, 14, 16-18
Leermiddelen Basisaanbod Werkkatern Werkkatern 1 Pagina 2 Oefening 3 en 4
Loepje
Extra materiaal
Pagina 7 en 13
Pictogram hoorstrategie
Extra aanbod Overschrijfkaartjes
Scheurblok Tot en met oefening 4
/
Woordenhamster /
Woordenlijsten 1
Multimedia Bekijk het extra oefenaanbod op Kweetet.be!
Situering Wat ging vooraf? Wat volgt?
28
In les 1 werd de leerstof met betrekking tot hoorwoorden en medeklinkerclusters opgefrist. De volgende drie lessen zullen over hoorwoorden gaan, zowel met medeklinkerclusters vooraan en/of achteraan, als samenstellingen.
Spelling 4 Kijker 1 – Les 1-6 Hoorwoorden en samenstellingen
4
KIJKER 1P Les 2 Lesplan
1 Loepje p. 13
Hang het pictogram van de hoorstrategie aan het bord. Wie kan me vertellen wat dit betekent? We schrijven heel vaak correct door gewoon goed te luisteren. Daarom is het belangrijk dat we alles goed uitspreken en dat we heel goed luisteren. Woorden kunnen beginnen met enkele medeklinkers. Het is niet zo gemakkelijk om die uit te spreken en te schrijven. Zoek samen met de kinderen naar woorden die beginnen met spr en spl, daarna met sch en schr. Spreek de woorden traag en duidelijk uit.
2 WK p. 2 oef. 3
3 Loepje p. 7
sprP splP schPschr springPsplinterPschoolPschram spreekPspleetPschipPschrift
Instructie Je krijgt opnieuw verschillende kopjes en verschillende staartjes. Zien jullie al welke woorden jullie kunnen maken?
Correctie Je corrigeert klassikaal. De snelle kinderen schrijven de woorden op het bord (per kopje). Alle kinderen verbeteren met hun groene balpen en vullen aan met hun blauwe balpen. Nadien worden de fout geschreven woorden in de gele zone opnieuw geschreven. Ga in de klas op zoek naar drie voorwerpen die een verschillende grootte hebben (bv. pennenzak, lat of krijtje). Stel vragen en gebruik de trappen van vergelijking. Welke ... is groter dan deze/dit …? Welke is het grootst? Schrijf de begrippen groot, groter en grootst op het bord. grootP groterPgrootst Laat hen de woorden met een medeklinkercluster traagP tragerPtraagst achteraan (grootst, traagst, kleinst …) goed en traag kleinP kleinerPkleinst uitspreken. leukP leukerPleukst
4
Instructie
WK p. 2 oef. 4
Vertel wat de blauwe zone betekent. Alle kinderen maken de opgaven met een witte achtergrond. Wie tijd heeft, maakt ook de opgaven met de blauwe achtergrond.
Jullie krijgen de eerste twee woorden zoals groot en groter. Je moet zelf de andere vorm opschrijven, de vorm met een groepje medeklinkers achteraan.
Correctie De woorden schrijf je op het bord. De kinderen corrigeren met hun groene balpen en schrijven de fout geschreven woorden onderaan correct over in de gele zone.
5
Als er tijd is, geef je de kinderen uitleg over het scheurblok. Die is niet nieuw voor hen. Je deelt het scheurblok uit en je geeft uitleg over de figuurtjes speurder en spion. Je vertelt dat niet iedereen even snel kan zwemmen, lopen, tekenen, rekenen, spellen … Hoe meer je oefent, hoe beter iets gaat. Jullie gaan ofwel als speurder (groene figuurtje, voorzijde van het scheurblaadje) te werk, ofwel als spion (blauwe figuurtje, achterzijde van het scheurblaadje). Soms zal ik zeggen welke oefeningen je moet maken, soms mag je kiezen. Als er tijd is, mag je hen oefening 1 en/of 2 in het scheurblok laten maken. Geef extra uitleg bij de woordzoeker. De kinderen werken vanaf nu in hun scheurblok wanneer ze tijd over hebben, als huistaak of tijdens de differentiatieweek.
Spelling 4@ Kijker 1 – Les 1-6@ Hoorwoorden en samenstellingen
29
Maak de eerste twee opgaven samen.
Jullie moeten zeker alle opgaven maken met een witte achtergrond. Wie tijd heeft, maakt ook de opgaven met de blauwe achtergrond..
7
KIJKER 1 Les 2 O e f e ni ng 3
______________________
______________________ strik ______________________ straf ______________________ school ______________________ schip ______________________ schaak schuil
______________________
______________________ schik ______________________ schram ______________________ schroef ______________________ schrik schrijft
ool – ip – aak – uil – aat – am – oef – ik – ijft – af – euk
Ik vorm zoveel mogelijk woorden. spr – str – sch – schr ______________________ spraak ______________________ spreuk ______________________ strip ______________________ straat ______________________ stram stroef ______________________
Fout? ________________________________________________________________________ _____________________________________________________________________________
trager
rood
vlug
dieper
roder
vlugger
8/02/16 11:48
4
Maar opa is het ____________________.
Wie zwemt het ____________________? vlugst Die kleur lijkt me het ________________. roodst Die afgrond is het __________________. diepst Janne springt het __________________. verst liefst Is oma niet het ____________________? zotst
en die is het hoogst van al.
maar deze is hoger
Die toren is hoog,
We kunnen van alles
traag
natter
diep
verder
vergelijken.
traagst Jij loopt het __________________. natst Wij zijn het ___________________. laatst
Hij is weer het ________________.
ver
liever
O e f e ni ng 4
nat
later
lief
zotter
Ik vul het derde woord in.
laat
zot
Fout? ________________________________________________________________________ _____________________________________________________________________________
Focus Hoorwoorden
4
2
DK_SPEL_HER_VK4_K1K2_Werkkatern_A4_cs6.indd 2
abc
abc
De kinderen die klaar zijn, laat je de woorden per kopje op het bord schrijven. Omcirkel bij de correctie de clusters.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 1-6P Hoorwoorden en samenstellingen
30
4
KIJKER 1P Les 3 Lesdoelen 8-10, 12, 13, 17, 19-24
Lesdoelen Overkoepelende lesdoelen
1-3, 11, 14-20
Leermiddelen Basisaanbod Werkkatern Werkkatern 1 Pagina 3 Oefening 5 en 6
Loepje
Extra materiaal
Pagina 5 en 6
Pictogram hoorstrategie en samenstellingen
Extra aanbod Overschrijfkaartjes
Scheurblok Tot en met oefening 5
2
Woordenhamster /
Woordenlijsten 1 en 12
Multimedia Bekijk het extra oefenaanbod op Kweetet.be!
Situering Wat ging vooraf? Wat volgt?
In les 1 en 2 werd de leerstof met betrekking tot hoorwoorden en medeklinkerclusters opgefrist. De volgende twee lessen zullen over hoorwoorden gaan, zowel medeklinkerclusters vooraan en/of achteraan of als samenstellingen.
Spelling 4@ Kijker 1 – Les 1-6@ Hoorwoorden en samenstellingen
31
4
KIJKER 1P Les 3
Lesplan
1
Instructie
WK p. 3 oef. 5 Overschrijfkaartje 2
Correctie
2
Je gaat in op de term samenstellingen. Met twee woorden kun je soms een nieuw woord maken. Dat woord noemt men een samenstelling.
Loepje p. 5 en 6
In oefening 5 vind je allerlei letters en lettergroepjes. Het lijkt wel een puzzel. Met die woordstukjes maak je een woord. Het woord past natuurlijk in de zin. Laat de kinderen om de beurt hardop een zin lezen. Schrijf de woorden op het bord. De kinderen corrigeren met hun groene balpen en schrijven de foutief geschreven woorden met hun blauwe balpen opnieuw in de gele zone.
Bekijk de samenstellingen in het Loepje. Laat de kinderen enkele samenstellingen noemen. Schrijf ze op het bord. Suggereer door woorden te geven of door een kind een woord te laten geven.
lees + boek P voor + lees + boek P voor + deur P voor + deur + slot P
= leesboek = voorleesboek = voordeur = voordeurslot
Herhaal het stappenplan van een samenstelling. Ik hoor een samenstelling, ik verdeel de samenstelling en beluister elk woord en ik kleef de woorden weer aan elkaar. Verwijs naar het pictogram.
3 WK p. 3 oef. 6
Instructie Kleef de woorden aan elkaar en schrijf de samenstelling in de zin. Wil je zwakke lezers helpen bij spelling, laat hen dan zinnen oefenen die voorkomen in het werkkatern. Je kunt hen de ingevulde oefening geven. Met dit materiaal kunnen ze vooraf hun leestechniek oefenen, al dan niet begeleid. Twee voordelen: –P Het kind kan vlotter mee in de les. –P Het kind kan ook al eens zelf een zin hardop voorlezen zonder veel problemen.
Correctie Laat de vlotte lezers om de beurt hardop een zin lezen. Schrijf de woorden op het bord. De kinderen corrigeren elkaars oefeningen met een groene balpen. Maakten ze veel fouten? Laat ze de samenstellingen opnieuw schrijven in de gele zone of op een schrijvertje (eventueel als huistaak). Schrijvertjes zijn kladblaadjes die een vaste plaats hebben in de klas. De kinderen gebruiken die om een dictee te oefenen (al dan niet met een klasgenoot), om fout geschreven woorden opnieuw te schrijven (als er geen gele zone is), om mee te nemen naar huis en extra te oefenen, om de woorden van de woordenhamster te noteren, enzovoort. Zijn ze klaar, dan werken ze verder in hun scheurblok.
32
Spelling 4 Kijker 1 – Les 1-6 Hoorwoorden en samenstellingen
Spelling 4P Kijker 1 – Les 1-6P Hoorwoorden en samenstellingen
33
Dit pictogram herinnert de kinderen aan het stappenplan om samenstellingen correct te schrijven.
Maak de eerste opgave samen.
Geef hen de tip om eerst de zin te lezen. Welk woord zou in die zin passen?
Geef aan de zwaksten van je klas het overschrijfboekje en/of duid de eerste letter van het woord aan.
Maak de eerste twee opgaven samen.
5
6
2
4 De _______________ van de boom voelt ruw aan.
o sch rs
schors _______________________ opa is kwaad op mij! Zelfs Ferre _________________________ naar school. fietst gedanst Op het schoolfeest hebben we ______________________________. Ik heb mijn kamer helemaal alleen ___________________________. gepoetst Heb jij die tafel op je eentje _________________________________? verplaatst In die kan is er een ________________________________________. barstje De regen ____________________ naar beneden. plenst
+ spier + hoorns + regen + spreuk + stad + ramp + meeuwen + golven
borst neus september weer haven kern mantel zee
rotsblok Papa heeft een scheurtje in zijn ____________________. borstspier Weet je dat er bijna geen _________________ neushoorns meer zijn? ‘____________________________ komt nooit ongelegen’, Septemberregen is een ______________________. weerspreuk In de Japanse ___________________ Fukushima was er havenstad in 2011 een ______________________. kernramp Grote _____________________________ vliegen mantelmeeuwen boven de ____________________. zeegolven We wandelen langs een reusachtig _________________.
Focus Hoorwoorden en samenstellingen
_______________________________________________________
Fout? __________________________________________________
+ blok
rots
Ik maak samenstellingen en ik schrijf ze in de zinnen.
O e fe ni n g 6
3
_______________________________________________________________________________
Fout? __________________________________________________________________________
e pl nst
je a rst b
aa ver pl tst
ge oe tst p
nst ge a d
ie tst f
e z lfs
splits
Het getal 35 ___________________ ik in 30 en 5.
i ts spl
Ik vorm woorden en ik schrijf ze in de zinnen.
O e f e n i ng 5
KIJKER 1 Les 3 abc
abc
4
KIJKER 1P Les 4
Lesdoelen Lesdoelen
10, 12, 13, 17, 19-24
Overkoepelende lesdoelen
1-3, 10-12, 14, 16, 17
Leermiddelen Basisaanbod Werkkatern Werkkatern 1 Pagina 4 Oefening 7 en 8
Loepje
Extra materiaal
Pagina 6
Pictogram samenstellingen
Extra aanbod Overschrijfkaartjes
Scheurblok Tot en met oefening 5
/
Woordenhamster /
Woordenlijsten 1 en 12
Multimedia Bekijk het extra oefenaanbod op Kweetet.be!
Situering Wat ging vooraf?
Wat volgt?
34
In les 1, 2 en 3 werd de leerstof met betrekking tot hoorwoorden en medeklinkerclusters opgefrist. Ze oefenden het schrijven van samenstellingen van hoorwoorden. Ze kennen het stappenplan en het pictogram. De volgende twee lessen zullen over hoorwoorden gaan, zowel met medeklinkerclusters vooraan en/of achteraan, als samenstellingen. In les 6 wordt aandacht gegeven aan de dubbele medeklinker (zoals in achttien).
Spelling 4 Kijker 1 – Les 1-6 Hoorwoorden en samenstellingen
4
KIJKER 1P Les 4 Lesplan
1
Hang het pictogram van de samenstellingen op het bord. Duid drie kinderen aan om elk een stap toe te lichten. Als je de samenstelling verdeelt, is het gemakkelijker om geen medeklinkers te vergeten.
Loepje p. 6
Duid een kind aan om op het bord de samenstelling herfst + kleuren = herfstkleuren ‘herfstkleuren’ te schrijven. Herhaal het woord en laat de kinderen luisteren. Verdeel samen het woord en laat een kind het woord opschrijven. Iedereen kijkt na of alle medeklinkers werden geschreven. Tel ze even. Hebben je kinderen meer herhaling nodig? Haal het Loepje erbij.
2
Instructie
WK p. 4 oef. 7
Laat ze de samenstellingen onderlijnen met een lat en potlood.
In oefening 7 mogen jullie een verhaaltje lezen. In dat verhaaltje staan meerdere samenstellingen. Zoek ze, onderstreep ze en schrijf ze over.
Correctie Laat de kinderen de gevonden samenstellingen voorlezen. Andere kinderen vullen aan met een blauwe balpen. Je corrigeert achteraf de schrijfwijze, bij fouten schrijven de kinderen de samenstellingen opnieuw in de gele zone.
Met het grondwoord ‘weg’ kan ik meerdere samenstellingen maken. Schrijf het woord op het bord. Het woord kan zowel vooraan staan (het eerste woord) als achteraan staan (het tweede of derde woord). Geef ‘kasseiweg’ en ‘wegdek’ als voorbeelden.
3 WK p. 4 oef. 8
2
Instructie Jullie moeten zoveel mogelijk samenstellingen maken. Een keertje met het woord ‘fiets’ en een keertje met het woord ‘loop’. Per woord heb je een kadertje waarin woorden staan die je kunt gebruiken. De kinderen mogen samenwerken.
Correctie Corrigeer achteraf. Wanneer kinderen veel fouten maakten, laat je hen de samenstellingen in de gele zone schrijven.
Spelling 4@ Kijker 1 – Les 1-6@ Hoorwoorden en samenstellingen
35
Je kunt het verhaaltje een eerste keer voorlezen. Laat ze het een tweede keer in stilte lezen.
Ga samen op zoek naar de eerste samenstelling: voorbij.
Zoek samen met de kinderen naar de eerste twee samenstellingen. De kinderen mogen samenwerken.
Ze zoeken minstens 4 samenstellingen en schrijven die in de witte zone. Wie tijd over heeft, zoekt verder.
Als je de praktische mogelijkheid hebt, neem dan de zwakkere kinderen samen en begeleid ze.
KIJKER 1 Les 4 Oef eni ng 7 Ik onderstreep de samenstellingen en ik schrijf ze over. De vakantie is een week voorbij. Gistermorgen had ik fietspech. Ik fiets langs het marktplein en merk dat één van mijn fietsbanden te zacht staat. Ik neem mijn fietspomp en begin te pompen. Oei! De eerste regendruppels vallen op de kasseiweg. Ik doe mijn regenjas aan, hang mijn boekentas op mijn rug en vertrek opnieuw. Aan de schoolpoort glijd ik weg op het natte wegdek. De turnjuf
fietspomp _______________________ regendruppels _______________________ kasseiweg _______________________ regenjas _______________________ boekentas
opnieuw _______________________ schoolpoort _______________________ wegdek _______________________ turnjuf _______________________ overeind
helpt me overeind. Welke spreuk hoort bij dat verhaal? Een ongeluk komt nooit alleen!
voorbij _______________________ gistermorgen _______________________ fietspech _______________________ marktplein _______________________ fietsbanden
_______________________ _______________________ _______________________ Fout? ________________________________________________________________________ _____________________________________________________________________________
Oef eni ng 8
dames – lig
pad – water – brug –
brom – schoenen –
pomp – helm –
Ik maak samenstellingen met de woorden fiets en loop als eerste of als tweede deel.
fietspomp, fietshelm, bromfiets, fiets ____________________________________________________ ________________________________________________________ fietsschoenen, fietspad, waterfiets, fietsbrug, damesfiets, ligfiets
loop __________________________________________________ aanloop, loopbrug, loopafstand, ______________________________________________________ loopschoenen, geweerloop, looppas, looppad
4/06/15 09:54
5
______________________________________________________
________________________________________________________ aan – brug – afstand – schoenen – geweer – pas – pad
Fout? ________________________________________________________________________ _____________________________________________________________________________
Focus Samenstellingen
4
4
DK_HER_Verrekijker4_Werkkatern_A4_cs6_v2.indd 4
abc
abc
Laat ze vragen naar de betekenis van woorden, bv. waterfiets.
Probeer nonsenswoorden te vermijden.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 1-6P Hoorwoorden en samenstellingen
36
4
KIJKER 1P Les 5 Lesdoelen 17, 19-24
Lesdoelen Overkoepelende lesdoelen
1-3, 10, 11, 14-17, 20
Leermiddelen Basisaanbod Werkkatern Werkkatern 1 Pagina 5 Oefening 9 en 10
Loepje
Extra materiaal
Pagina 5 en 6
Pictogram samenstellingen Lesspecifieke bijlage: woorden om samenstellingen te vormen
Extra aanbod Overschrijfkaartjes
Scheurblok Tot en met oefening 8
3
Woordenhamster /
Woordenlijsten 12
Multimedia Bekijk het extra oefenaanbod op Kweetet.be!
Situering Wat ging vooraf? Wat volgt?
In de voorbije lessen hebben de kinderen geoefend op het schrijven van hoorwoorden met medeklinkerclusters en in samenstellingen. Ze kennen het stappenplan en het pictogram om samenstellingen correct te schrijven. De volgende les gaat opnieuw over samenstellingen: inoefening en evaluatie. Daarna start een nieuwe focus.
Spelling 4@ Kijker 1 – Les 1-6@ Hoorwoorden en samenstellingen
37
4
KIJKER 1P Les 5
Lesplan
1 Bijlage woorden om samenstellingen te vormen
Laat enkele kinderen mondeling een samenstelling verdelen. Geef ‘linkervoet’ en ‘badkamerdeur’ als voorbeelden. Hang enkele kaartjes met woorden op het bord. Per twee gaan ze op zoek naar samenstellingen. Wanneer ze een samenstelling gevonden hebben, steken ze hun hand in de lucht en komen ze naar het bord. De kinderen stellen letterlijk de samenstelling samen. Ze vertellen wat de betekenis is van de samenstelling of vormen er een zin mee. Doe dat tot alle samenstellingen gevormd zijn. De samenstellingen die gevormd worden: donkerrood, handdoek, dansschool, kruisstraat, melkfles, zakagenda, rekenmachine en leeslamp.
Kijk eens goed naar donkerrood en handdoek. Wijs erop dat, hoewel je maar één medeklinker hoort, je er twee schrijft. Ik hoor ‘handoek’ en ik schrijf hand/doek. Bij samenstellingen met een dubbele medeklinker moet je opletten. Het kan gebeuren dat je een medeklinker vergeet!
2
Instructie
WK p. 5 oef. 9
Correctie
donkerP +P roodP= donkerrood handP+P doekP= handdoek kruisP +P straatP= kruisstraat dansP +P schoolP= dansschool
Nu zullen we een oefening maken op het schrijven van samenstellingen met een dubbele medeklinker. Onthoud goed dat een samenstelling bestaat uit twee of meer woorden. Gebruik het stappenplan: ik hoor, ik verdeel, ik kleef aan elkaar. De kinderen corrigeren elkaars oefening. Ze gebruiken hun groene balpen. Jij voert later een tweede correctie uit.
3
Instructie
WK p. 5 oef. 10 Overschrijfkaartje 3
Herhaal de strategie. Gevangenis, welke samenstellingen kun je maken met gevangenis als eerste woord? Bekijk samen de woorden en kom bij gevangenisstraf en gevangeniscel.
We hebben samenstellingen uit elkaar gehaald en weer aan elkaar gekleefd. Nu bedenken we samen samenstellingen. Jullie krijgen de woorden.
Correctie Schrijf de samenstellingen op het bord. De kinderen corrigeren met een groene balpen en vullen aan met een blauwe balpen. De fout geschreven samenstellingen schrijven ze onderaan opnieuw in de gele zone. Ze doen dat als huistaak. Als er tijd over is, kunnen de kinderen oefeningen maken in hun scheurblok.
38
Spelling 4@ Kijker 1 – Les 1-6@ Hoorwoorden en samenstellingen
Spelling 4P Kijker 1 – Les 1-6P Hoorwoorden en samenstellingen
39
Wie tijd heeft, zoekt verder.
De zwakke spellers kunnen gebruik maken van het overschrijfkaartje.
Zoek samen met de kinderen naar de eerste twee samenstellingen.
Maak de eerste opgave samen.
8
3
6
4
= = = = = = =
fietsslot teruggaan donkerrood handdoek rustdag zweetdoekje feestdag
____________ feest
____________ zweet
____________ rust
____________ hand
____________ donker
____________ terug
____________ fiets
____________ dans
____________ zwem
+
+
+
+
+
+
+
+
+
____________ dag
____________ doekje
____________ dag
____________ doek
____________ rood
____________ gaan
____________ slot
____________ schoenen
____________ muts
=
=
=
=
=
=
=
=
=
___________________ feestdag
___________________ zweetdoekje
___________________ rustdag
___________________ handdoek
___________________ donkerrood
___________________ teruggaan
___________________ fietsslot
___________________ dansschoenen
___________________ zwemmuts
kerst + dag = kerstdag
acht + tien = achttien
achteraan
achterlicht
achteruit
vissalade
gevangeniscel
brooddeeg
broodtrommel
brooddoos
visschotel
Focus Samenstellingen
5
_______________________________________________________________________________
_______________________________________________________________________________
Fout? __________________________________________________________________________
_______________________ _______________________ _______________________
vissoep
_______________________ _______________________ _______________________
vissmaak
_______________________ _______________________ _______________________
visschubben
_______________________ _______________________ _______________________
vissaus
_______________________ _______________________ _______________________
achterruit
schotel – uit – saus – cel – schubben – smaak – doos – soep
achter – vis
gevangenisstraf
straf – deeg – ruit – trommel – salade – aan – licht –
gevangenis – brood –
Ik maak samenstellingen.
O e f e ni ng 1 0
Fout? __________________________________________________________________________
=
=
dansschoenen
zwemmuts
medeklinker! Ik knip eerst en plak dan.
Ik pas op voor de samenstellingen met een dubbele
O e f e n i ng 9
KIJKER 1 Les 5 abc
Vraag naar de betekenis van woorden, bv. visschotel.
Vraag aan de vlugge kinderen om de dubbele medeklinkers te onderstrepen.
abc
4
KIJKER 1P Les 6
Lesdoelen 7, 9, 10, 12, 13, 19-24
Lesdoelen Overkoepelende lesdoelen
1-3, 5, 6, 11, 12, 14, 16, 17, 20
Leermiddelen Basisaanbod Werkkatern Werkkatern 1 Pagina 6 Oefening 11 en 12 (*)
Loepje
Extra materiaal
/
Pictogram samenstellingen
Extra aanbod Overschrijfkaartjes
Scheurblok Tot en met oefening 8
4 en 5
Woordenhamster /
Woordenlijsten 1 en 12
Multimedia Bekijk het extra oefenaanbod op Kweetet.be!
Situering Wat ging vooraf?
Wat volgt?
40
In de voorbije lessen hebben de kinderen geoefend op het schrijven van hoorwoorden met medeklinkerclusters en in samenstellingen. Ze kennen het stappenplan en het pictogram om samenstellingen correct te schrijven. Hoorwoorden komen vanaf nu niet meer systematisch aan bod. Afspraakwoorden en onthoudwoorden hebben uiteraard wel tal van hoorstukjes. Samenstellingen komen aan bod in bijna elke focus.
Spelling 4 Kijker 1 – Les 1-6 Hoorwoorden en samenstellingen
4
KIJKER 1P Les 6 Lesplan Kennen jullie een kruiswoordraadsel? Vertel dat dit in kranten en tijdschriften staat en meestal bedoeld is voor volwassenen. Het gaat om raadsels die opgelost moeten worden.
1 WK p. 6 oef. 11 Overschrijfkaartje 4
Instructie Wij zullen samen ook zo’n kruiswoordraadsel maken. We lezen een zinnetje bij nummer 1 en we kijken dan naar de hokjes bij nummer 1. We gaan op zoek naar de woorden in de zin, waarmee we een samenstelling kunnen maken. Je kent het aantal letters van de samenstelling. In elk hokje hoort één letter. Lees de eerste zin voor. Met welke woorden in de zin kunnen we een samenstelling maken? Teken op het bord de hokjes en vul tegelijk met de kinderen ‘herfststorm’ in.
2
Laat nu de kinderen om de beurt een zin lezen. Als het goed lukt, laat ze dan per twee verder werken.
Correctie De kinderen corrigeren zelfstandig met behulp van een overschrijfkaartje. Ze gebruiken hun groene balpen.
2 WK p. 6 oef. 12 (*) Overschrijfkaartje 5
Instructie We hebben nu al heel veel geoefend op het schrijven van samenstellingen. Ik ben er zeker van dat jullie heel goed kunnen luisteren, verdelen en aan elkaar kleven. We zullen nu een dictee maken. Je leest de zin en de samenstelling die de kinderen moeten opschrijven, herhaal je tweemaal. P 1P Mijn broer gaat naar de schermschool. P 2P Elke dag staat er op de kalender een weerspreuk. P 3P Mijn zakdoek zit in mijn jaszak. P 4P We werken in een oefenschrift. P 5P Hij heeft pijn aan een borstspier. P 6P Dat is een mooie herfstbloem. P 7P Mijn vriend heeft een polsbreuk. P 8P Hij draagt steeds zijn fietshelm. P 9P We slapen in een berghut. 10PElena draagt merkschoenen. De zwakke spellers kunnen de woorden overschrijven van hun overschrijfkaartje. Correct kopiëren is leerzamer dan veel fouten schrijven.
Correctie De kinderen corrigeren zelfstandig met behulp van een overschrijfkaartje en hun groene balpen. Jij voert een tweede correctie uit. De fout geschreven woorden schrijven de kinderen in de gele zone. Dit is een signaaloefening. Het dictee geeft informatie over de volgende punten. –P Het al dan niet aan elkaar schrijven van een samenstelling. –P Het schrijven van woorden met complexe medeklinkerclusters, vooraan en achteraan. –P Het schrijven van samenstellingen met een dubbele medeklinker.
Spelling 4@ Kijker 1 – Les 1-6@ Hoorwoorden en samenstellingen
41
Maak deze oefening volledig samen of, als het goed lukt, laat hen per twee werken.
Laat hen opletten voor de dubbele medeklinkers.
Tips bij het dictee: –P Sta vooraan in de klas. –P Spreek luid en duidelijk. –P Overdrijf lichtjes. –P Dicteer rustig. –P Herhaal elke samenstelling driemaal.
KIJKER 1 Les 6 Oef eni ng 11 In elke zin staan twee woorden die een samenstelling kunnen vormen. 1 Deze herfst trok een enorme storm over het land.
8 Als ik tover, gebruik ik een spreuk.
7 De andere dief krijgt 100 uur werk als straf.
Ik schrijf de samenstellingen in het rooster. 2 De kop van die schroef heeft de vorm van een kruis.
9 Met kerst zetten de katholieken een kribbe voor het kindje Jezus.
3 Dat is een school voor kappers.
s r o n s t
4/06/15 09:54
8
t o r m o e f l s t r u i k r a f
z a k v r i j
u k
t h o r o s
10 Het vuilnis mag in deze grijze zak.
4 Dat is een struik met een scherpe doorn.
s c h o o l f e e s t
11 Deze plaats is vrij van vorst.
3
4
1 h e 2 k r u i k a p p e r s 5
t s i l o
6
k e r s
7 w e r k 8 t o v e k e r s t k 10 v u
s r r i v
f s c o r e a r b i s
5 Die roos bloeit met kerst.
r s s d t c r p b n r
6 De dief krijgt zes maanden cel als straf.
9
11
schoolfeest
Wanneer is het ___________________________________?
Oef eni ng 12 6 7 8 9
herfstbloem _______________________________ polsbreuk _______________________________ fietshelm _______________________________ _______________________________ berghut merkschoenen 10 _______________________________
Ik luister goed. Ik schrijf de samenstellingen op. 1 _______________________________ schermschool 2 _______________________________ weerspreuk 3 _______________________________ jaszak 4 _______________________________ oefenschrift borstspier 5 _______________________________
Fout? ________________________________________________________________________ _____________________________________________________________________________
Focus Samenstellingen
5
4
4
6
DK_HER_Verrekijker4_Werkkatern_A4_cs6_v2.indd 6
abc
oefening
SIGNAAL
abc
Spelling 4P Kijker 1 – Les 1-6P Hoorwoorden en samenstellingen
42
4
KIJKER 1 Focus Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw Lesdoelen P 1 De kinderen kennen de meertekenklanken aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en de tweetekenklank uw. P 2 De kinderen weten dat de meertekenklanken nooit veranderen. P 3 De kinderen kunnen woorden met meertekenklanken schrijven. P4 De kinderen kennen de begrippen grondwoord, afleiding en samenstelling. P 5 De kinderen kunnen afleidingen schrijven van woorden met een meertekenklank. P 6 De kinderen kunnen samenstellingen schrijven van woorden met een meertekenklank. P7 De kinderen kennen de begrippen enkelvoud en meervoud. P 8 De kinderen kunnen woorden schrijven met meertekenklanken, gevolgd door een doffe e. P 9 De kinderen kunnen de passende vorm of het meervoud schrijven van woorden met meertekenklanken. 10 De kinderen weten wat een werkwoord en een persoonsvorm is. 11 De kinderen kunnen de +t-vorm schrijven van werkwoorden met een meertekenklank.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 7-9P Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
43
4
KIJKER 1P Les 7
Lesdoelen 1-5, 7-9
Lesdoelen Overkoepelende lesdoelen
1-3, 10, 11, 14, 16-18
Leermiddelen Basisaanbod Werkkatern Werkkatern 1 Pagina 7 Oefening 13 en 14
Loepje
Extra materiaal
Pagina 4 en 14
Pictogram samenstellingen
Extra aanbod Overschrijfkaartjes
Scheurblok Tot en met oefening 9
/
Woordenhamster /
Woordenlijsten 3
Multimedia Bekijk het extra oefenaanbod op Kweetet.be!
Situering
44
Wat ging vooraf?
Woorden met meertekenklanken aai, ooi, oei, eeuw en ieuw gevolgd door een doffe klinker kwamen aan bod in het tweede en derde leerjaar. De tweetekenklank uw gevolgd door een doffe klinker kwam in het derde leerjaar aan bod. De focus sluit aan bij de hoorstrategie. De kinderen weten dat de meertekenklanken nooit veranderen.
Wat volgt?
In les 8 wordt geoefend op het schrijven van meertekenklanken, gevolgd door een doffe klinker. In les 9 vormen we samenstellingen en evalueren we het schrijven van woorden met meertekenklanken.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 7-9P Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
4
KIJKER 1P Les 7 Lesplan
1
We hebben nu al heel veel geoefend op het schrijven van hoorwoorden. Het zijn woorden die je kunt schrijven door heel goed te luisteren. We gaan nu de meertekenklanken herhalen. Schrijf het woord ‘meertekenklank’ op het bord. Wat merk je op aan het woord ‘meertekenklank’? Het is een samenstelling. Welke woorden hoor je? Ontleed het woord en kom tot de definitie van een meertekenklank. Het is een klank waarvoor je meer dan twee letters of tekens gebruikt, zoals aai, ooi, oei, eeuw en ieuw. Je bespreekt op dezelfde manier tweetekenklank uw.
Let op! Van zodra je weet hoe je die klanken schrijft, moet je alleen nog luisteren.
2 WK p. 7 oef. 13
3 Loepje p. 4 en 14
Instructie Meertekenklanken zijn niet eenvoudig om te schrijven. Schrijf de meertekenklanken tweemaal mooi over.
Correctie Corrigeer achteraf. Kinderen die problemen hebben met het motorisch schrijven van de meertekenklanken laat je het best nog enkele keren oefenen op een schrijvertje. Schrijf de volgende woorden op het bord en duid de meertekenklanken aan: een mooi boek mooie bloemen Maar die zijn mooier. Die zijn de mooiste van allemaal. In de brand ben ik heel wat moois verloren. Dat schelpje is een mooitje.
meertekenklanken aai, ooi, oei, eeuw en ieuw tweetekenklank uw ➔ Die veranderen nooit!
Beklemtoon de onveranderlijkheid van de twee- en meertekenklanken. Herhaal de betekenis van de begrippen grondwoord en afleiding met behulp van de woorden op het bord. Een grondwoord is de kortste vorm van het woord. Wanneer we iets met het grondwoord doen, bijvoorbeeld een meervoud of verkleinwoord van maken, dan noemen we dit een afleiding. Bespreek de meertekenklanken in het Loepje.
4
Instructie
WK p. 7 oef. 14
Correctie
Links zien jullie allemaal woorden met een meertekenklank. Rechts staan er zinnen met een woord dat ontbreekt. Jullie moeten de zin lezen en het woord in de passende vorm of het meervoud schrijven. Schrijf de woorden op het bord. Laat de kinderen hun fouten met een groene balpen verbeteren en de woorden opnieuw schrijven in de gele zone.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 7-9P Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
45
Maak de eerste opgave samen.
De kinderen kunnen beginnen aan deze opgaven zonder instructie.
Tijd over? Maak een scheurblokoefening.
4
14
9
KIJKER 1 Les 7 Oef eni ng 13 _____________ aai _____________ ooi oei
_____________ _____________
_____________ aai _____________ ooi oei
Ik schrijf de meertekenklanken tweemaal over. aai ooi oei
Oef eni ng 14
eeuw ieuw uw
_____________ eeuw _____________ ieuw uw
_____________ eeuw _____________ ieuw uw _____________ _____________
We luisteren elke avond naar het ___________________.
nieuws
Het zal _______________________________________.
Ik kreeg een ruiker ________________________ bloemen. mooie In ons lichaam zijn er duizenden ____________________. zenuwen Zijn ouders _________________________________ hem. waarschuwen Elke zomeravond ___________________ besproeien we de bloemen. Tien _______________________ is 1 000 jaar. eeuwen De vaders __________________ de slee over de sneeuw. duwen sneeuwen
Ik schrijf de passende vorm van de woorden. mooi zenuw ik waarschuw ik besproei eeuw ik duw het sneeuwt nieuw
De buren _______________________ hun huis.
veel __________________________ kraaien twee __________________________ koeien een vlucht ______________________ spreeuwen een troep ______________________ leeuwen wij ____________________________ gooien zij ____________________________ huwen waarschuwen ons. Mijn ouders _______________________ vernieuwen
Ik schrijf het meervoud. kraai koe spreeuw leeuw ik gooi ik huw ik waarschuw ik vernieuw
Fout? __________________________________________________________________________
Focus Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
4/06/15 09:54
7
_______________________________________________________________________________
DK_HER_Verrekijker4_Werkkatern_A4_cs6_v2.indd 7
abc
abc
Benoem de begrippen grondwoord en afleiding. De passende vorm is hier de afleiding.
Het meervoud is hier de afleiding.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 7-9P Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
46
4
KIJKER 1P Les 8 Lesdoelen 1-3, 5, 8, 11
Lesdoelen Overkoepelende lesdoelen
1-3, 11, 14, 16, 17, 19
Leermiddelen Basisaanbod Werkkatern Werkkatern 1 Pagina 8 Oefening 15
Loepje
Extra materiaal
Pagina 14
Pictogram hoorstrategie
Extra aanbod Overschrijfkaartjes
Scheurblok Tot en met oefening 10
/
Woordenhamster /
Woordenlijsten 3
Multimedia Bekijk het extra oefenaanbod op Kweetet.be!
Situering Wat ging vooraf? Wat volgt?
In de vorige les herhaalden we de onveranderlijke schrijfwijze van meer- en tweetekenklanken. Deze focus sluit aan bij de hoorstrategie. In les 9 vormen we samenstellingen en evalueren we het schrijven van woorden met meertekenklanken.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 7-9P Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
47
4
KIJKER 1P Les 8
Lesplan
1 Loepje p. 14
Schrijf enkele (zinnen met) woorden met meertekenklanken op het bord. Vervang de meertekenklanken door een lijn. Laat de kinderen zoeken naar de ontbrekende letters. Wanneer alle ontbrekende klanken ingevuld werden, vraag je hoe we deze klanken benoemen. Het zijn meertekenklanken.
Er staan k____en in de wei Tim g____t een bal. Papeg____en zijn leuke dieren. Wat een m___e sn___man!
Herhaal nog eens de definitie. Haal er eventueel het Loepje bij.
2 WK p. 8 oef. 15
Instructie We zullen in het werkkatern een interessante tekst lezen! Wie kan me vertellen wat de titel is van dit verhaaltje? Waarover zal het gaan, denk je? Bespreek de tekeningen. Het lezen zal niet vlot verlopen ‌ Waarom niet? De meertekenklanken ontbreken. Het is aan jullie om de juiste meertekenklank in te vullen.
Correctie Je laat de kinderen de woorden met de meertekenklanken op het bord schrijven. De kinderen corrigeren met hun groene balpen en schrijven alle woorden achteraf nog eens over. Als er tijd over is, maken de kinderen een scheurblokoefening.
48
Spelling 4P Kijker 1 – Les 7-9P Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
Spelling 4P Kijker 1 – Les 7-9P Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
49
Toon eventueel een prent van een roek, kauw en kraai.
Vervolledig het eerste woord klassikaal.
8
14
eeuw
koeien hooi ____________________ haaien ____________________ leeuwen ____________________ nieuwe ____________________ kooien ____________________ leeuw ____________________ hij __________________ geeuwt sneeuwen ____________________ schuwe ____________________ kieuwen ____________________ spreeuwen ____________________ meeuwen ____________________ meeuw ____________________ schreeuwen ____________________ papegaai ____________________ kraaien ____________________ nieuws ____________________ ____________________
Ik schrijf de woorden nog eens over.
10
_____________________________________________________________________________
Fout? ________________________________________________________________________
Heb ik nu iets n_________s geleerd?
ieuw
en kr_________en zijn groter dan roeken.
aai
een hele dag. Roeken zijn groter dan kauwen
Achter in het bosje slapen honderden spr_________en.
eeuw eeuw Aan zee vliegen dan weer allerlei soorten m_________en. eeuw kan hard schr_________en. eeuw Een m_________ aai van onze buren tatert De papeg_________
Vissen ademen door k_________en.
ieuw
sch_________e vogeltjes op de voederplank.
uw
Straks zal het sn_________en en komen de
eeuw
Is de l_________ moe, dan g_________t hij.
eeuw
ieuw
hebben in de zoo n_________e
De l_________en
eeuw
in het zwembad.
k_________en gekregen.
ooi
aai
Gelukkig zwemmen er geen h_________en
Ze eten gras en h_________.
ooi
De k_________en staan in de weide.
oei
Allemaal dieren
Ik vul de woorden aan met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw of uw.
O e f e n i ng 1 5
KIJKER 1 Les 8
Focus Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
4 abc
abc
4
KIJKER 1P Les 9
Lesdoelen 1-6, 8
Lesdoelen Overkoepelende lesdoelen
1-3, 10, 11, 14-17, 20
Leermiddelen Basisaanbod Werkkatern Werkkatern 1 Pagina 9 Oefening 16 en 17 (*)
Loepje
Extra materiaal
Pagina 6 en 14
Pictogram hoorstrategie
Extra aanbod Overschrijfkaartjes
Scheurblok Tot en met oefening 11
6
Woordenhamster /
Woordenlijsten 3
Multimedia Bekijk het extra oefenaanbod op Kweetet.be!
Situering
50
Wat ging vooraf?
In les 7 en 8 herhaalden we het schrijven van grondwoorden en afleidingen van woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw.
Wat volgt?
De meertekenklanken zijn nu gekend. De focus komt enkel in Kijker 7 nog eens geïsoleerd aan bod. Verder zullen de meertekenklanken sporadisch en geïntegreerd aan bod komen binnen andere focussen.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 7-9P Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
4
KIJKER 1P Les 9 Lesplan
1 Loepje p. 6 en 14
Bespreek samenstellingen met een meertekenklank. Geef bijzondere aandacht aan samenstellingen met een dubbele medeklinker. Vertrek van het werkwoord ‘ronddraaien’ om nog eens duidelijk te maken dat het toch belangrijk is om eerst de samenstelling te verdelen, dan even na te denken over de schrijfwijze van beide woorden en tenslotte de woorden opnieuw aan elkaar te kleven. Laat de kinderen samenstellingen zoeken met een meertekenklank. Geef eventueel zelf suggesties: –P Er is erg veel wind en sneeuw. Het is een … (sneeuwstorm). sneeuwstorm –P We werpen een ... (sneeuwbal) naar elkaar. sneeuwbal –P In de winter vervangt papa de banden van de auto sneeuwbanden stuifsneeuw door winterbanden of … (sneeuwbanden). sneeuwwit –P Heel fijne sneeuw die stuift is … (stuifsneeuw). –P Dat kleed is zo wit als sneeuw. Het is … (sneeuwwit).
2 WK p. 9 oef. 16
Instructie Volgens het stappenplan om samenstellingen correct te schrijven, verdelen jullie nu de samenstellingen en kleven jullie daarna de woorden opnieuw aan elkaar. Werk nauwkeurig! De kinderen kunnen deze oefening zelfstandig maken.
Correctie Laat de kinderen elkaars oefening nakijken met een groene balpen. Als er veel fouten worden gemaakt, kun je de kinderen de samenstellingen opnieuw laten schrijven in een gele zone. Dat kan eventueel als huistaak.
3
Instructie
WK p. 9 oef. 17 (*) Overschrijfkaartje 6
Je leest de zin en herhaalt elk op te schrijven woord tweemaal.
Tijd om eens te kijken hoe goed jullie de woorden met meertekenklanken kunnen schrijven door goed te luisteren. Zijn jullie er klaar voor?
P 1P P 2P P3P P 4P P 5P P 6P P 7P P 8P P9P 10P
Heb je zin in roereieren als ontbijt? Kijk, prachtige zeemeeuwen in de lucht! We kuieren langs het water. Wil je opnieuw beginnen? Dat zijn schuwe kinderen. Bij de buren kwam de ooievaar langs. We eten lekkere vlaaien bij oma. Vossen zijn sluwe dieren. We besproeien het grasveld. Ik moet je waarschuwen voor die spin.
De zwakke spellers kunnen de woorden overschrijven van hun overschrijfkaartje. Correct kopiëren is leerzamer dan veel fouten schrijven.
Correctie Laat de kinderen zelfstandig met behulp van het overschrijfkaartje hun fouten corrigeren. Ze gebruiken hun groene balpen en schrijven de woorden opnieuw in de gele zone. Dit is een signaaloefening. Dit dictee geeft informatie over de volgende punten: –P Het correct schrijven van de klanken aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw. –P Het schrijven van de tweetekenklanken ei en ui gevolgd door een doffe e. –P Het aan elkaar schrijven van een samenstelling.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 7-9P Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
51
De kinderen kunnen zelfstandig aan de slag.
Tips bij het dictee: –P Sta vooraan in de klas. –P Spreek luid en duidelijk. –P Overdrijf lichtjes. –P Dicteer rustig. –P Herhaal elk op te schrijven woord tweemaal.
4
6
11
KIJKER 1 Les 9 Oef eni ng 16
= ______________ + ______________ nieuws bericht = _______________________ nieuwsbericht
= ______________ + ______________ ei dooiers = _______________________ eidooiers
= ______________ + ______________ haaien vinnen = _______________________ haaienvinnen
= ______________ zwaluw + ______________ nesten = _______________________ zwaluwnesten
= ______________ ooievaars + ______________ snavel = _______________________ ooievaarssnavel
= ______________ + ______________ koeien stallen = _______________________ koeienstallen
= ______________ + ______________ sneeuw klokje = _______________________ sneeuwklokje
Ik verdeel de samenstelling en kleef de woorden weer aan elkaar. sneeuwklokje koeienstallen ooievaarssnavel zwaluwnesten haaienvinnen eidooiers nieuwsbericht
_________________________________ sneeuwwit _________________________________ ronddraaien weggooien _________________________________
Ik maak van de onderstreepte woorden een samenstelling. Het kleed is zo wit als sneeuw. We draaien rond. We gooien dat weg.
Fout? __________________________________________________________________________
6 7 8 9
10 we _________________________
____________________________ ooievaar ____________________________ vlaaien ____________________________ sluwe we _________________________ besproeien waarschuwen
_______________________________________________________________________________
Oef eni ng 17 Ik luister goed. Ik schrijf de woorden op. 1 ____________________________ roereieren 2 ____________________________ zeemeeuwen 3 we _________________________ kuieren 4 ____________________________ opnieuw schuwe 5 ____________________________
Fout? __________________________________________________________________________
Focus Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
4/06/15 09:55
9
_______________________________________________________________________________
DK_HER_Verrekijker4_Werkkatern_A4_cs6_v2.indd 9
abc
oefening
SIGNAAL
abc
Laat hen de foutief geschreven samenstellingen nog eens schrijven in de gele zone of op een schrijvertje.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 7-9P Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
52
4
KIJKER 1P Focus Werkwoordspelling Lesdoelen P1 De kinderen weten wat een werkwoord is. P2 De kinderen vinden de werkwoorden in een zin. P3 De kinderen weten wat een onderwerp en persoonsvorm is. P4 De kinderen vinden het onderwerp en de persoonsvorm in een zin. P 5 De kinderen kunnen de ja-neevraag gebruiken om het onderwerp en de persoonsvorm in een zin te vinden. P6 De kinderen weten dat het onderwerp en de persoonsvorm samen horen. P 7 PDe kinderen weten dat een persoonsvorm verschillende vormen heeft, afhankelijk van het getal en de persoon van het onderwerp. P8 De kinderen weten wat een infinitief, stam en uitgang is. P 9 De kinderen kunnen de stam van een werkwoord schrijven. 10 De kinderen weten dat de stam de persoonsvorm is in een bevelende zin. 11 De kinderen kunnen de +t-vorm van een werkwoord schrijven. 12 De kinderen weten dat een zin in de tegenwoordige of verleden tijd kan staan. 13 De kinderen herkennen de tijd van een zin: tegenwoordige of verleden tijd. 14 De kinderen kunnen de persoonsvorm schrijven in de tegenwoordige tijd. 15 De kinderen weten wat klankverandering betekent. 16 De kinderen kunnen nagaan of het een werkwoord met of zonder klankverandering is. 17 De kinderen kunnen de persoonsvorm schrijven in de verleden tijd van werkwoorden met klankverandering. 18 De kinderen kunnen de persoonsvorm schrijven in de verleden tijd van werkwoorden zonder klankverandering. 19 PDe kinderen kennen de begrippen enkelvoud, meervoud, persoon, onderwerp, persoonsvorm, werkwoord, infinitief, stam, +t-vorm, wij-vorm, uitgang en klankverandering. 20 De kinderen weten dat het werkwoordschema een hulpmiddel is bij werkwoordspelling. 21 De kinderen kunnen het werkwoordschema interpreteren en gebruiken.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 10-13P Werkwoordspelling
53
4
KIJKER 1P
Lesdoelen 1-3, 6, 7
Lesdoelen Overkoepelende lesdoelen
1, 10-12, 14, 16-18
Leermiddelen Basisaanbod Werkkatern Werkkatern 1 Pagina 10 Oefening 18 en 19
Loepje
Extra materiaal
Pagina 20
/
Extra aanbod Overschrijfkaartjes
Scheurblok Tot en met oefening 12
/
Woordenhamster /
Woordenlijsten 14
Multimedia Bekijk het extra oefenaanbod op Kweetet.be!
Situering
54
Wat ging vooraf?
De kinderen weten uit het derde leerjaar wat werkwoorden zijn. In het tweede en derde leerjaar werden de kinderen voorbereid op de systematische werkwoordspelling die volgt in het vierde leerjaar. De kinderen kennen de termen werkwoord, ik-vorm of stam, hij-vorm of +t-vorm, en infinitief. De stam wordt steeds in het rood geschreven en de uitgang in het paars.
Wat volgt?
Gedurende het hele jaar gaan we verder met de leerlijn werkwoordspelling. In les 11 en 12 introduceren we de congruentie tussen het onderwerp en de persoonsvorm. In les 13 hebben we het over de stam en de stam+t-vorm. Les 14 gaat over de stam+t-vorm, ook bij werkwoorden met ng en nk. Het schrijven van de persoonsvorm (t.t.) komt op het einde van Kijker 2 aan bod en de verleden tijd stellen we uit tot Kijker 6.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 10-13P Werkwoordspelling
4
KIJKER 1P Les 10 Lesplan
1 Loepje p. 20
Hou een klasgesprek waarbij je de kinderen werkwoorden laat opsommen, zonder de term expliciet te benoemen. Schrijf ze telkens op het bord. Je kunt de volgende vragen stellen: –P Wat kun je doen op school? (lezen, rekenen, tekenen, knutselen …) –P Wat kun je doen tijdens de speeltijd? (spelen, touwtjespringen, voetballen, klimmen, naar het toilet gaan …) –P Wat kun je doen thuis? (huiswerk maken, televisie kijken, spelen, slapen, eten …) –P Wat kun je doen op straat? (wandelen, fietsen, autorijden, de straat oversteken …) –P Wat gebeurt er buiten? (het regent, de zon schijnt, het waait …) –P Wat kun je overkomen? In bed? (dromen, slapen, slaapwandelen, snurken …) Je kijkt samen met de kinderen naar het bord en je vraagt aan hen wat voor woorden dit zijn. Het zijn woorden die vertellen wat iets of iemand doet of overkomt. Hoe benoemen we deze woorden? Juist, als werkwoorden. Je kunt de kinderen het verhaal van deze oefening thuis ter voorbereiding laten lezen.
2
Instructie
WK p. 10 oef. 18
2
We hebben nu herhaald wat werkwoorden zijn. We gaan op zoek naar de werkwoorden in het verhaaltje. Wie kan me vertellen wie het verhaal geschreven heeft? Als de kinderen het verhaal gelezen hebben als huistaak, vraag je naar hun mening (Wat vonden jullie van het verhaaltje?) en naar de inhoud (Wie kan me vertellen waarover het ging?) Je laat de tekst eerst hardop voorlezen. Je begeleidt enkele zinnen. Meester Raaf zit op een tak van een eikenboom. Hier staat één werkwoord in, welk? Laat de kinderen eerst individueel aan het werk. Vertel na enkele minuten dat ze elkaar kunnen helpen om de oefening zo goed mogelijk te vervolledigen. Jij bent stand-by om vragen te beantwoorden.
Correctie Corrigeer klassikaal. De kinderen gebruiken een blauwe balpen.
3
Instructie
WK p. 10 oef. 19
Er zijn twee zinsdelen in de zinnen die samen veranderen. Die zinsdelen noemen we het onderwerp en de persoonsvorm. Het onderwerp is het deel in de zin waarover iets gezegd wordt. De persoonsvorm is het vervoegd werkwoord. Dit betekent dat het een bepaalde vorm is van het werkwoord en dat het kan veranderen. Wanneer het getal van het onderwerp verandert, verandert ook de persoonsvorm. Dus wanneer het onderwerp in de zin van enkelvoud naar meervoud gaat, of van meervoud naar enkelvoud, verandert de persoonsvorm.
De volgende oefening maken we samen. Er staan telkens twee zinnen. De eerste zin lezen we. In de tweede zin moeten we het werkwoord in de juiste vorm invullen.
Neem het voorbeeld van ‘we vragen’. Het onderwerp we bepaalt hoe we het werkwoord vragen schrijven. Vragen is geen infinitief, maar een vervoegd werkwoord. Het is een persoonsvorm.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 10-13P Werkwoordspelling
55
4
KIJKER 1P Les 10
P
We vragen het aan de juf.P
Ik vraag het aan de juf.
onderwerpP we ik persoonsvorm P vragen0vraag âž” Het werkwoord vragen wordt vervoegd. Het vervoegde werkwoord is de persoonsvorm. De persoonsvorm volgt het onderwerp. Wanneer het getal verandert, verandert ook de persoonsvorm.
Correctie Je maakte deze oefening samen aan het bord. Je kunt later controleren op kopieerfouten.
4
Je eindigt de les door een deel theorie in het Loepje te bespreken. Wat is het onderwerp? Wat is de persoonsvorm? Wijs op het dubbel of enkel onderstrepen. We maken afspraken om de persoonsvorm in een zin correct te schrijven. Het gaat hier over de afspraakstrategie.
Loepje p. 20
56
Spelling 4P Kijker 1 – Les 10-13P Werkwoordspelling
Spelling 4P Kijker 1 – Les 10-13P Werkwoordspelling
57
Dit is een begeleide oefening.
Overloop de eerste zinnen samen, tot wanneer de kinderen het onder de knie hebben of wanneer je meer dan één werkwoord per zin tegenkomt.
Laat dit verhaaltje vooraf lezen als huistaak.
Laat de kinderen aandacht besteden aan het pictogram van werkwoordspelling.
doet, wat gebeurt.
die zeggen wat iets of iemand
Werkwoorden zijn woorden
verandert de
Ik schrijf in de nieuwe zin de persoonsvorm.
vertrek Ik _________________________ hen. breng Ik ___________________ de weg niet. vind Ik __________________________ het. vraag Ik ____________________ nog te laat. kom Ik ______________________ nog niet. vertrek Ik __________________ naar het bos. wandel Ik ________ zie een ree tussen de bomen. Om vijf uur _______ ga ik terug naar huis. Ik _____________________ op kamp.
Focus Werkwoordspelling
4/06/15 09:55
12
_____________________________________________________________________________
Fout? ________________________________________________________________________
Om vijf uur gaan we terug naar huis.
Tussen de bomen zien we een ree.
Straks wandelen we naar het bos.
Maar de bussen vertrekken nog niet.
We komen natuurlijk weer te laat.
We vragen het aan een meneer.
Maar we vinden niet meteen de weg.
Hun ouders brengen ze met auto’s.
De kinderen van de scouts vertrekken op kamp.
van getal verandert,
Ik lees de zin. persoonsvorm ook.
Als het onderwerp
O e f e n i ng 1 9
Nu pas begrijpt de raaf dat de vos hem heeft bedrogen.
Zijn bek opent en zijn stem krast. De kaas valt en mijnheer de vos grijpt het stukje en eet het op.
nachtegaal.’ Meester raaf is fier. Hij fladdert met zijn vleugels. Hij springt van tak naar tak.
zon. Ik wil weten of jouw stem even mooi klinkt. Ik denk zelfs dat jij mooier kunt zingen dan een
Hij buigt heel diep en zegt: ‘Meester raaf, je ziet er prachtig uit. Je zwarte veren blinken in de
Dat heeft mijnheer de vos gezien. De vos heeft erg veel zin om dat stukje kaas te pakken.
Meester raaf zit op een tak van een eikenboom. In zijn bek klemt hij een lekker brokje kaas.
Uit ‘De raaf en de vos’ van Jean de La Fontaine
Ik onderstreep de werkwoorden.
O e f e n i ng 1 8
KIJKER 1 Les 10
DK_HER_Verrekijker4_Werkkatern_A4_cs6_v2.indd 10
10
20
20
4 abc
Herhaal dat getal het enkelvoud of het meervoud is.
Laat de kinderen een lat en potlood gebruiken.
abc
4
KIJKER 1P Les 11
Lesdoelen 1, 3-7
Lesdoelen Overkoepelende lesdoelen
1, 10, 11, 14, 16-18
Leermiddelen Basisaanbod Werkkatern
Loepje
Werkkatern 1 Pagina 11 Oefening 20 en 21
Pagina 20 en 21
Extra materiaal /
Extra aanbod Overschrijfkaartjes
Scheurblok Tot en met oefening 14
/
Woordenhamster /
Woordenlijsten 14
Multimedia Bekijk het extra oefenaanbod op Kweetet.be!
Situering
58
Wat ging vooraf?
In Verrekijker 2 en 3 werden de kinderen voorbereid op de systematische werkwoordspelling die nu start. De kinderen weten wat een werkwoord, persoonsvorm, onderwerp, getal, infinitief, stam en +t-vorm is. In de vorige les werden enkele begrippen herhaald en oefenden ze het schrijven van de persoonsvorm wanneer het getal verandert. In les 10 gingen we al even in op het onderwerp en de persoonsvorm.
Wat volgt?
Gedurende het hele jaar gaan we verder met de leerlijn werkwoordspelling. In les 11 en 12 herhalen we de congruentie tussen het onderwerp en de persoonsvorm. In les 13 hebben we het over de stam en de stam+t-vorm. In les 14 hebben we het over de stam+t-vorm, ook bij werkwoorden met ng en nk. Het schrijven van de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd komt op het einde van Kijker 2 aan bod. De verleden tijd stellen we uit tot Kijker 6.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 10-13P Werkwoordspelling
4
KIJKER 1P Les 11 Lesplan
1 Loepje p. 20 en 21
In deze les ga je in op het stellen van de ja-neevraag om het onderwerp en de persoonsvorm te vinden. Breng het volgend bordschema aan het bord. Je maakt klassikaal een verbindoefening. Laat kinderen aan het bord komen. Elk kind kan één verbinding maken. onderwerpP persoonsvorm Ik • fiets P
tijdens de les.
Daan
brengen P
van het klimrek.
Wij •
kletst P
een bezoekje aan de zoo.
Marijke
valt P
graag.
Als we zinnen vormen, letten we erop dat de persoonsvorm bij het onderwerp past, zoals ‘ik fiets’ of ‘Daan kletst/valt’. Waarom is het zo belangrijk dat ik weet wat het onderwerp en de persoonsvorm is? We moeten weten waar het onderwerp in de zin staat om dan te weten in welke vorm we de persoonsvorm moeten schrijven. Het onderwerp bepaalt hoe je de persoonsvorm schrijft. Staat het onderwerp in het enkelvoud, dan staat ook de persoonsvorm in het enkelvoud. Wanneer het onderwerp verandert van getal, dan verandert de persoonsvorm ook. Maar ook de persoon van het onderwerp bepaalt hoe je de persoonsvorm schrijft. Geef enkele voorbeelden aan de hand van de zinnen op het bord. Neem het Loepje erbij en bespreek het getal en de persoon.
Om het onderwerp en de persoonsvorm te vinden, maken we van de zin een janeevraag. Dat is een vraag met slechts twee mogelijke antwoorden: ja of nee. Wie kan me een voorbeeld geven van een ja-neevraag? Zorg ervoor dat iedereen begrijpt wat een ja-neevraag is. De ja-neevraag is een vraag waarop je met ja of nee kunt antwoorden.
2 WK p. 11 oef. 20
Instructie We gaan samen op zoek naar het onderwerp en de persoonsvorm in de volgende zinnen. Hoe zullen we dat doen? Door van de zin een ja-neevraag te maken. De persoonsvorm staat vooraan. Het onderwerp komt erna. Beklemtoon dat je steeds het onderwerp en de persoonsvorm op dezelfde manier aanduidt: éénmaal en tweemaal onderstrepen.
Correctie Laat ze vanaf de vierde zin alleen aan de slag. Voorzie elke zin meteen van feedback. De kinderen gaan pas verder wanneer je klassikaal de ja-neevragen hebt besproken. Schrijf de vragen eventueel op het bord.
3
Instructie
WK p. 11 oef. 21
Laat de kinderen, indien nodig, de vragen op een schrijvertje noteren.
Deze keer stel je de ja-neevraag in stilte en schrijf je ze niet op. Daarna duid je het onderwerp en de persoonsvorm aan.
Correctie Corrigeer klassikaal aan de hand van een bordschema. De kinderen nemen hun groene balpen.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 10-13P Werkwoordspelling
59
Maak de eerste drie opgaven samen.
De uitleg over het gebruiken van de ja-neevraag om het onderwerp en de persoonsvorm te vinden kunnen de kinderen opnieuw lezen in het Loepje.
Geef directe feedback per opgave.
Maak de eerste twee opgaven samen.
Beklemtoon de afspraak ‘als het onderwerp van getal verandert, verandert de persoonsvorm ook’.
4 21
14
KIJKER 1 Les 11 Oef eni ng 2 0 Ik stel de ja-neevraag. Ik onderstreep het onderwerp eenmaal en de persoonsvorm tweemaal in beide zinnen. Mijn mama werkt in de supermarkt.
Werkt mijn mama in de supermarkt?
_______________________________________________________________________________ Papa bestuurt een trein.
Bestuurt papa een trein?
_______________________________________________________________________________ Soms begint hij midden in de nacht te werken.
Begint hij soms midden in de nacht te werken?
_______________________________________________________________________________ Mijn broer wil leren werken met computers.
Wil mijn broer leren werken met computers?
______________________________________________________________ Mijn zus kijkt momenteel naar de tv.
Kijkt mijn zus momenteel naar de tv?
______________________________________________________________ Ik wil brandweerman worden.
Wil ik brandweerman worden?
Oef eni ng 2 1
het onderwerp en de persoonsvorm te
Ik maak van de zin een ja-neevraag om
4/06/15 09:55
11
______________________________________________________________
Ik onderstreep het onderwerp eenmaal en
vinden.
Focus Werkwoordspelling
de persoonsvorm tweemaal. 1 Op de markt zie ik een kraampje met broodjes. 2 Ik lust wel een broodje met kaas. 3 De mevrouw belegt het broodje met jonge kaas. 4 ‘Wil je ook mosterd?’ 5 Daar hou ik niet zo van. 6 Een augurkje wil ik wel. 7 Drie euro kost het broodje.
DK_HER_Verrekijker4_Werkkatern_A4_cs6_v2.indd 11
abc
abc
Geef de kinderen de kans om hun ja-neevragen te noteren op een schrijvertje.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 10-13P Werkwoordspelling
60
4
KIJKER 1P Les 12 Lesdoelen 1, 3-7
Lesdoelen Overkoepelende lesdoelen
1-3, 5, 10-12,14,15-18
Leermiddelen Basisaanbod Werkkatern Werkkatern 1 Pagina 12 Oefening 22
Loepje
Extra materiaal
Pagina 20, 21 en 22
/
Extra aanbod Overschrijfkaartjes
Scheurblok Tot en met oefening 14
/
Woordenhamster /
Woordenlijsten 14
Multimedia Bekijk het extra oefenaanbod op Kweetet.be!
Situering Wat ging vooraf?
In les 10 en 11 gingen we in op het gebruiken van de ja-neevraag om het onderwerp en de persoonsvorm terug te vinden. Ze weten dat we het onderwerp moeten kennen om te weten hoe we de persoonsvorm schrijven.
Wat volgt?
Gedurende het hele jaar gaan we verder met de leerlijn werkwoordspelling. In deze les herhalen we de congruentie tussen het onderwerp en de persoonsvorm. In les 13 hebben we het over de stam en de stam+t-vorm. In les 14 hebben we het over de stam+t-vorm, ook bij werkwoorden met ng en nk. Het schrijven van de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd komt op het einde van Kijker 2 aan bod. De verleden tijd stellen we uit tot Kijker 6.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 10-13P Werkwoordspelling
61
4
KIJKER 1P Les 12
Lesplan
1
Herhaal het vinden van het onderwerp en de persoonsvorm. Doe dat aan de hand van het Loepje. Schrijf een zin op het bord en ga klassikaal op zoek naar het onderwerp en de persoonsvorm. Laat een kind de ja-neevraag formuleren.
Loepje p. 20, 21 en 22 Elke dag eet Marlies boterhammen bij haar oma en opa. ➔ ja-neevraag Eet Marlies elke dag boterhammen bij haar oma en opa? onderwerp: Marlies P persoonsvorm: eet ➔ Marlies eet.
Laat de kinderen samenwerken om zinnen te formuleren. Je duidt een kind aan dat een onderwerp kiest, je duidt een tweede kind aan dat een passende persoonsvorm kiest en je duidt een derde kind aan om de zin af te werken. Schrijf ze eventueel op het bord.
2
Instructie
WK p. 12 oef. 22
Correctie
In deze oefening zoeken jullie het onderwerp en de persoonsvorm door de ja-neevraag te stellen. Jullie onderstrepen het onderwerp eenmaal en de persoonsvorm tweemaal. Overschrijven hoeft nog niet. Bespreek de opgaven en laat de kinderen telkens het onderwerp en de persoonsvorm overschrijven met een blauwe balpen. Corrigeer achteraf. Werden er veel fouten gemaakt? Laat hen de onderwerpen en persoonsvormen overschrijven in de gele zone. Laat de kinderen in eigen woorden vertellen wat een onderwerp is, wat een persoonsvorm is en hoe we die vinden. Vertel dat die steeds samen horen. Verandert het onderwerp van getal? Dan verandert de persoonsvorm. Heb je tijd over? Maak mondeling enkele extra oefeningen of neem ook het scheurblok erbij.
62
Spelling 4P Kijker 1 – Les 10-13P Werkwoordspelling
Spelling 4P Kijker 1 – Les 10-13P Werkwoordspelling
63
Beklemtoon de afspraak ‘als het onderwerp van getal verandert, verandert de persoonsvorm ook’.
Maak de eerste drie opgaven samen. Volg steeds dezelfde stappen.
vader pompt _____________________________ een koude wind komt _____________________________ mama vindt _____________________________
Vader pompt lucht in de banden. Een koude wind komt uit het noorden. Mama vindt die fietstocht maar niets.
_____________________________ papa doet _____________________________ we vinden _____________________________ de pannenkoeken smaken
Papa doet de kachel branden. Dat vinden we gezellig. De pannenkoeken smaken heerlijk!
Focus Werkwoordspelling
4/06/15 09:55
14
_____________________________________________________________________________
Fout? ________________________________________________________________________
_____________________________ we blijven
_____________________________ donkere wolken drijven
ze kijken _____________________________
Ze kijken bezorgd naar de lucht.
het water komt _____________________________
Het water komt de meisjes al in de mond.
willen jullie _____________________________
Oké, we blijven lekker thuis.
Donkere wolken drijven langzaam voorbij.
Lowie en Julie willen _____________________________
Lowie en Julie willen fietsen.
Willen jullie niet liever pannenkoeken eten?
de regen valt _____________________________
De regen valt met bakken uit de lucht.
Ik schrijf het onderwerp en de persoonsvorm over.
Ik onderstreep het onderwerp eenmaal en de persoonsvorm tweemaal.
O e fe ni n g 2 2
KIJKER 1 Les 12
DK_HER_Verrekijker4_Werkkatern_A4_cs6_v2.indd 12
12
4 abc
In de gele zone schrijven de kinderen steeds zowel het onderwerp als de persoonsvorm op. Zo ervaren ze opnieuw dat deze samenhoren.
Het overschrijven gebeurt pas na de correctie.
Laat hen een potlood en lat gebruiken.
abc
4
KIJKER 2P Les 13
Lesdoelen 1, 3, 4, 6-9, 11
Lesdoelen Overkoepelende lesdoelen
1-3, 10, 11, 14-17
Leermiddelen Basisaanbod Werkkatern Werkkatern 1 Pagina 13 Oefening 23 en 24
Loepje
Extra materiaal
Pagina 20, 21 en 22
Pictogram afspraakstrategie
Extra aanbod Overschrijfkaartjes
Scheurblok Tot en met oefening 16
7
Woordenhamster /
Woordenlijsten 14
Multimedia Bekijk het extra oefenaanbod op Kweetet.be!
Situering
64
Wat ging vooraf?
Deze focus startte in les 10. In les 10 tot en met 12 gingen we in op het vinden van het onderwerp en de persoonsvorm. De kinderen kennen sinds het tweede leerjaar de ik-vorm (of stam) en de stam+t-vorm. De stam wordt altijd in het rood aangeduid en de uitgang in het paars.
Wat volgt?
In les 14 hebben we het over de stam+t-vorm, ook bij werkwoorden met ng en nk. In les 22 bespreken we werkwoorden met een stam op g.
Spelling 4P Kijker 1 – Les 10-13P Werkwoordspelling
4
KIJKER 2P Les 13 Lesplan
1 Loepje p. 20, 21 en 22
Wie kan me vertellen wat een werkwoord is? Dat is een woord dat vertelt wat iets of iemand doet of overkomt. Vraag concrete voorbeelden van werkwoorden (lopen, spelen, slapen, eten, zich wassen, vallen, fietsen, zwemmen …). Suggereer indien nodig. De kinderen weten wat een werkwoord is. Herhaal nu wat een persoonsvorm is. Een persoonsvorm is een werkwoord dat verandert wanneer het getal van het onderwerp verandert. Met getal bedoelen we enkelvoud of meervoud. Illustreer dit aan de hand van enkele voorbeeldzinnen. het getal Ik stap naar de stal.P Ik neem de bloempot.P Ik plant twee bloemknollen.P
Wij stappen naar de stal. We nemen een bloempot. We planten twee bloemknollen.
van enkelvoud ...Ð
naar meervoud ...
Benoem telkens het onderwerp en de persoonsvorm. Herhaal dat deze altijd samen horen. Het onderwerp bepaalt immers hoe je de persoonsvorm schrijft.
Werkwoorden hebben twee belangrijke vormen, namelijk de infinitief en de stam. Beiden moeten we in het vierde leerjaar kennen. De infinitief is de langste vorm van het werkwoord dat je in een woordenboek vindt. Schrijf enkele voorbeelden op het bord, zoals voetballen, springen en vliegen. Vertel dat ze de infinitief kunnen vinden door aan wij … nu te denken. De stam is de kortste vorm van het werkwoord. Schrijf opnieuw enkele voorbeelden op het bord, zoals voetbal, spring en vlieg. Vertel dat ze de stam kunnen vinden door aan ik … nu te denken. Het is heel belangrijk dat jullie weten wat de stam is en dat jullie de stam van elk werkwoord kunnen vinden. Wanneer het onderwerp hij, zij, mama, papa, Joke, Vince, de vogel, iemand, een ander … is, dan kleven we de letter t aan de stam. De letter t is de uitgang van de persoonsvorm. Schrijf opnieuw enkele voorbeelden op het bord, zoals hij voetbalt, zij springt en de vogel vliegt. Deze vorm noemen we de +t-Pvorm. Wanneer de stam eindigt op de letter t, dan moeten we geen letter t meer toevoegen. Voeg nu het werkwoord testen toe aan jouw bordschema. Vandaar dat we zeggen dat de persoonsvorm pas verandert, wanneer het onderwerp van getal verandert. Hier verandert het onderwerp, maar blijft het enkelvoud (ik en de juf). De persoonsvorm is gelijk. Wanneer we het onderwerp veranderen naar wij, dan verandert de persoonsvorm (wij testen). infinitiefPstam’+t-vormP voetballenPik voetbal nuP springenP ik spring nuP vliegenP ik vlieg nuP testenP ik test nu
hij voetbalt nu zij springt nu de vogel vliegt nu de juf test nu
Spelling 4P Kijker 2 – Les 10-13P Werkwoordspelling
65
4
KIJKER 2P Les 13 Instructie
2
Jullie kennen de infinitief van het werkwoord. Dat is de vorm die je terugvindt in het woordenboek. Jullie schrijven de stam van het werkwoord. Hoe vind je die? Door aan ik ... nu te denken.
WK p. 13 oef. 23
2
3 WK p. 13 oef. 24 Overschrijfkaartje 7
Correctie Schrijf de werkwoordsvormen op het bord en laat de kinderen zelfstandig elkaars oefening corrigeren met hun groene balpen. De fout geschreven werkwoordsvormen worden in de gele zone opnieuw geschreven.
Instructie Het op zoek gaan naar en het vinden van de stam hebben jullie al goed onder de knie. We gaan een stapje verder. Nu schrijven jullie de stam en de stam+t-vorm. Bij de stam kleven we een letter t. Bekijk nog even de voorbeelden die op het bord staan. De zwakke spellers kunnen het overschrijfkaartje omgekeerd op de hoek van de bank leggen en kijken wanneer ze twijfelen.
Correctie Schrijf de werkwoordsvormen op het bord en laat de kinderen zelfstandig corrigeren met hun groene balpen. Als er veel fouten werden gemaakt, kun je de kinderen de onderwerpen en bijbehorende persoonsvormen laten overschrijven in de gele zone.
66
Spelling 4P Kijker 2 – Les 10-13P Werkwoordspelling
Spelling 4P Kijker 2 – Les 10-13P Werkwoordspelling
67
Wie tijd heeft, maakt ook de opgaven met blauwe achtergrond.
In deze oefening zijn het eenvoudige werkwoorden, geen werkwoorden met een stam op d of t.
Maak de eerste twee opgaven samen.
werk
ik _______________ nu
boks deel ik _______________ nu gooi ik _______________ nu duw ik _______________ nu schreeuw nu ik _______________ vernieuw nu ik _______________ durf ik _______________ nu ik _______________ nu
bokst deelt het getal door twee. Jeroen ________________ gooit Wie _____________________________ de bal? duwt Papa ___________________________ de slee. schreeuwt De baby _____________________ elke nacht. vernieuwt De buurman ___________________ zijn dak. durft Maar Ahmed _______________________ meer. Die bokser________________________ goed.
___________________________
___________________________
___________________________
___________________________
___________________________
___________________________
Fout?
Ik denk aan ik ... nu.
het woord.
De stam is de kortste vorm van
Focus Werkwoordspelling
4/06/15 09:56
13
_______________________________________________________________________________
Fout ? __________________________________________________________________________
durven
vernieuwen
schreeuwen
duwen
gooien
delen
boksen
van het werkwoord.
nu
vlieg ik _______________ nu blaas ik _______________ nu kijk ik _______________ nu droom ik _______________ nu plaag ik _______________ nu zoen ik _______________ nu sprint ik _______________ nu zwem ik _______________ nu rust
ik
stam
Ik schrijf de stam en de stam+t-vorm
Oefening 24
rusten
zwemmen
sprinten
zoenen
plagen
dromen
kijken
blazen
vliegen
werken
infinitief
Ik schrijf de stam van het werkwoord.
Oefening 23
KIJKER 2 Les 13
DK_HER_Verrekijker4_Werkkatern_A4_cs6_v2.indd 13
16
7
22
4 abc
abc