Skip to main content

Passepartout 5 - Handleiding 1 - inkijk (conform nieuwe minimumdoelen)

Page 1


Voor u ligt de eerste handleiding van Passepartout voor het vijfde leerjaar. Deze handleiding bevat de lessen van contact 1 tot en met 4. Hierin zetten de leerlingen hun eerste stappen in het verwerven van de Franse taal: ze verwerven meteen heel wat woordenschat en leren de eerste werkwoordvervoegingen. Vanaf les 1 staat (durven) communiceren centraal. De leerlingen worden van in het begin gestimuleerd om te spreken en zullen dat doorheen de contacten frequent oefenen.

In de handleiding bieden we zoveel mogelijk Franse instructies aan. Zeker in het begin zal dit (te) moeilijk zijn voor bepaalde klasgroepen. Weet dat er heel veel herhaald wordt, gebruik dus zowel de Franse als de Nederlandse instructie om te starten zodat de leerlingen de Franse instructies gaandeweg oppikken. Op die manier oefenen de leerlingen ook direct het vertalen.

Een contact van Passepartout bestaat uit vijf lessen. Elk contact kent telkens dezelfde opbouw waardoor de manier van werken snel duidelijk is voor de leerlingen. Voor de opbouw van de lessen en de verschillende onderdelen lees je best eerst de algemene inleiding bij de methode.

Voor een les van Passepartout rekenen wij een lesduur van 50 minuten, voor een toets 25 minuten. Dit is uiteraard afhankelijk van de klasgroep. Zeker bij de eerste contacten zal je vaak de neiging hebben om meer tijd te nemen. In de jaarplanning van Passepartout voorzien we bufferlestijden die je naar eigen inzicht kan inzetten voor de leerlingen. Weet dat veel inhoud, zoals de werkwoorden, ook in volgende contacten verder ingeoefend wordt.

Na vier contacten is er steeds tijd voor een overkoepelend herhalingsmoment. In de jaarplanning is er telkens één lesweek voorzien. Maak gebruik van de diverse materialen om volop te differentiëren. Enkel zo benut je de lestijd voor alle leerlingen optimaal.

Passepartout start het schooljaar met een adaptief leerpad op Kabas. In de startreeks wordt gekeken in hoeverre de leerlingen al Frans kennen. Zo start je als leerkracht het schooljaar met een goed zicht op de individuele situatie van elke leerling en ga je doelgericht van start. Doorheen het jaar beschik je over een adaptief leerpad na elk contact en in het herhalingsmoment per vier contacten. Zo is Kai jouw co-teacher die je leerlingen motiveert om vooruitgang te boeken en een goed resultaat te bereiken.

Passepartout voorziet naast het leerwerkboek met de rode draad voor alle leerlingen, ook een gevarieerd differentiatieaanbod. Bekijk de informatie hierover in de algemene inleiding en benut zeker de diverse bestanden die je op Kabas terugvindt. Ze helpen je om de Franse taal voor alle leerlingen toegankelijk te maken, wat één van de kernpunten uit onze visie is.

We wensen jou en je leerlingen veel leerplezier met Passepartout!

Startreeks

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

De startreeks introduceert bij de start van het vijfde leerjaar de Franse taal bij de leerlingen en polst naar hun (eventuele) voorkennis. Het wordt duidelijk in hoeverre de leerlingen al woordenschat en basisgrammatica beheersen om zich uit te drukken in het Frans.

Zo zet je jouw leerlingen aan het werk:

- Ga naar Kabas

- Open de inhoudstafel en klik de startreeks aan.

- Ga naar het tabblad ‘leerlingen toegang’.

- Vink de startreeks aan voor jouw klas.

- Klaar! Je leerlingen krijgen de startreeks nu in hun overzicht te zien. In jouw resultatenscherm kan je hun prestaties volgen.

Contact 1 Salut!

Lesdoelen

Les 1 1 De leerlingen kunnen het onderwerp in een luisterfragment bepalen.

2 De leerlingen kunnen vooraf beluisterde woorden en zinnen nazeggen.

3 De leerlingen kunnen de woordenschat rond iemand groeten en afscheid nemen toepassen.

Les 2 1 De leerlingen durven een gesprek in het Frans te voeren.

2 De leerlingen kunnen vooraf beluisterde woorden en zinnen nazeggen.

3 De leerlingen kunnen verschillen tussen accenten in de Franse spelling benoemen.

Les 3 1 De leerlingen kunnen informatie uit een informatieve tekst halen.

2 De leerlingen kunnen foutloos kopiëren.

3 De leerlingen kunnen de woordenschat en zinstructuren rond iemand groeten en afscheid nemen functioneel toepassen.

4 De leerlingen kunnen verschillen tussen accenten in de Franse spelling toepassen.

Les 4 1 De leerlingen kunnen deelnemen aan een gesprek in het Frans waarin ze elkaar groeten en afscheid nemen.

2 De leerlingen durven een gesprek in het Frans te voeren.

3 De leerlingen kunnen interesse tonen in de Franse taal aan de hand van een lied.

Les 5 Toets en differentiatie

Taalhandelingen en taalsituaties

- iemand ontmoeten

- iemand groeten

- afscheid nemen van iemand

Nieuwe woorden à bien

ça comment et moi toi très

Nieuwe uitdrukkingen

bonjour salut

Ça va?

Comment ça va?

Ça va (très) bien.

Leermiddelen

Au revoir. À bientôt.

À demain. À ce soir.

Voilà ... oui ↔ non

- Leerwerkboek 1 pagina 7 – 12

- Mon mémento 1 pagina 1 – 4

- Kopieerbladen 1 – 2

- Woordenschatlijst

- Bijlagen 1 – 2

- Bewegend leren

- Praatplaten 1 – 2

- Klassikale prent 1

- Animatie 1

- Audiofragmenten 1 – 4

- Sorteertool

- Digitale oefenreeksen:

Les bases: oefenreeksen 1 – 2

En plus: oefenreeksen 3 – 10

Parachute: oefenreeks 11

En forme: oefenreeks 12

- Adaptief traject KAI

- Spraakoefening op de woordenschat

- Passepartout Plus 1 pagina 5 – 6

Contact 1 Les 1

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

1 Voorkennis activeren en lesdoel

Maak een keuze of je dit contact start vanuit optie 1.1, 1.2 of 1.3. Naargelang je keuze volg je hieronder de bijhorende werkvorm en leg je de materialen klaar. In elke optie komen de leerlingen in contact met groeten en afscheid nemen en hoe dat verschilt tussen mensen en talen onderling. Rond af met 1.4 en maak de opstap naar de dialoog..

1.1 Bijlagen op papier

Verdeel de leerlingen in groepen en geef elke groep een exemplaar van de afbeeldingen en de woordkaarten van bijlage 1 en 2. Laat de leerlingen in groepen de woordkaarten lezen.

Geef als opdracht:

- Verdeel de kaarten in twee groepen.

- Bedenk een titel voor elke groep.

Ongetwijfeld zullen de leerlingen snel op de opdeling ‘goeiedag zeggen’ en ‘afscheid nemen’ komen.

Overloop en bespreek:

- Welke kaarten horen bij ‘goeiedag zeggen’?

hej - guten Tag - namaste - bonjour - hoi - hallo - good morning - hola

- Je ziet kaarten in verschillende talen, welke talen herken je?

- Ken je nog andere manieren om iemand te begroeten? Hoe begroet jij jouw vrienden en familie?

Doe hetzelfde voor het afscheid nemen. à bientôt - farewell - adios - doei - hasta la vista - goodbye - arrivederci - tschau - adjö - tot ziens - au revoir - tot morgen

Waardeer de individuele verschillen tussen leerlingen.

1.2 Sorteertool

Open de sorteertool op je digitaal bord. Laat de leerlingen in groepen de woordkaarten lezen.

Geef als opdracht:

- Verdeel de kaarten in twee groepen.

- Bedenk een titel voor elke groep.

Ongetwijfeld zullen de leerlingen snel op de opdeling ‘goeiedag zeggen’ en ‘afscheid nemen’ komen. Laat hen aan bord komen om de woordkaarten te plaatsen onder één van beide rubrieken en bespreek:

- Welke kaarten horen bij ‘goeiedag zeggen’?

- Je ziet kaarten in verschillende talen, welke talen herken je?

- Ken je nog andere manieren om iemand te begroeten? Hoe begroet jij jouw vrienden en familie?

Doe hetzelfde voor het afscheid nemen.

Waardeer de individuele verschillen tussen leerlingen.

1.3 Klasgesprek

Start de les met een klasgesprek:

- Als jullie elkaar ’s morgens aan de schoolpoort zien, wat zeggen jullie dan?

- Hoe begroet je jouw familie thuis of op een feest?

- Ken je nog andere manieren om iemand te begroeten? Wat zeg je en wat doe je?

- Wie weet hoe ze in andere talen goeiedag zeggen?

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Doe hetzelfde voor ‘afscheid nemen’.

1.4 Opstap naar de dialoog

We bespraken enkele woorden om goeiedag te zeggen en afscheid te nemen. Daarover gaat dit contact. Bonjour! Dit is de eerste les Frans. Welke Franse woorden gebruikt men om te groeten of afscheid te nemen? bonjour – au revoir - salut …

Bonjour! Voici le premier cours de français. Dans ce cours, nous allons étudier le dialogue «Salut!». Dans l’animation, les copains se rencontrent dans la rue. Qu’est-ce qu’ils font? Regardez et écoutez l’animation.

Goeiedag! Dit is de eerste les Frans. In deze les gaan we de dialoog `Hallo!’ bestuderen. In de animatie ontmoeten de vrienden elkaar op straat. Wat doen ze? Bekijk en beluister de animatie.

2 Kern

2.1 Dialoog: de eerste luisterbeurt

Speel animatie 1 met de dialoog af. De leerlingen kijken en luisteren aandachtig. Bespreek nadien:

- Qu’est-ce qui s’est passé? De quoi s’agit-il?

- Wat is er gebeurd? Waarover gaat het?

Héléna, Adam et Séverine se rencontrent et disent bonjour. Ils demandent comment ça va. À la fin du dialogue, on dit au revoir.

Héléna, Adam en Séverine ontmoeten en begroeten elkaar. Ze vragen hoe het gaat. Op het einde van de dialoog nemen ze afscheid.

- Quels mots connais-tu déjà?

- Welke woorden die je hoorde, kende je al?

- Quels mots sont nouveaux?

- Welke woorden heb je gehoord die nieuw zijn?

De dialoog wordt straks nog een aantal keren bekeken en beluisterd. De leerlingen hoeven dus nog niet alles opgepikt te hebben na deze eerste luisterbeurt.

2.2 Nieuwe woordenschat

Prenez votre livre à la page 8. Nous lisons les nouveaux mots. Après chaque mot, on regarde la traduction.

Neem jullie boek op pagina 8. We lezen de nieuwe woorden. Na elk woord bekijken we de vertaling.

Je lis les nouvelles expressions. Regardez chaque fois la traduction.

Ik lees de nieuwe uitdrukkingen. Bekijk elke keer de vertaling.

Laat de leerlingen hun leerwerkboek nemen op pagina 8. Overloop het kader met de nieuwe woordenschat. Om de begripsvorming vlot te laten verlopen, vertaal je best meteen de nieuwe woorden, structuren en uitdrukkingen van de dialoog.

Lees in deze fase zelf telkens de Franse woorden voor en laat een korte pauze per woord of uitdrukking zodat de leerlingen de vertaling zelf kunnen lezen.

Het doornemen van het kader mag vlot gaan. De woordenschat wordt doorheen het contact nog veelvuldig verder ingeoefend, dit is pas een eerste kennismaking.

2.3 Dialoog: luisteren en lezen

Nous regardons l’animation une deuxième fois. Pendant qu’on écoute le dialogue, on suit le texte dans le livre ou sur l’écran.

We bekijken de animatie een tweede keer. Terwijl we de dialoog beluisteren, volgen we de tekst in het boek of op het scherm.

Speel animatie 1 voor de tweede keer af. De leerlingen kunnen kijken en luisteren naar de ondertitelde versie of meevolgen in hun leerwerkboek op pagina 7. De uitspraak wordt zo gekoppeld aan het schriftbeeld. Laat de leerlingen de vraag in de sleutel oplossen.

Nous regardons l’animation une troisième fois. Pendant qu’on écoute le dialogue, on peut lire à voix basse.

We bekijken de animatie een derde keer. Terwijl we de dialoog beluisteren, lezen we zachtjes mee.

Speel de dialoog nog een derde keer af. De leerlingen kunnen fluisterend meelezen. Hardop lezen is pas verantwoord als men voldoende geluisterd heeft, dit is dus geen must.

Maintenant je lis le dialogue. Vous répétez chaque phrase après moi.

Nu lees ik de dialoog voor. Jullie herhalen elke zin na mij.

Lees de dialoog zelf voor. De leerlingen herhalen telkens de gelezen zin.

Faites l’exercice 1 à la page 8. Cochez les cases correctes. Maak oefening 1 op pagina 8. Kruis de juiste vakjes aan.

Neem in het leerwerkboek pagina 8, opdracht 1 erbij. Laat de leerlingen die individueel (of in duo’s) oplossen. Overloop nadien de antwoorden klassikaal.

Als je voelt dat de leerlingen nog veel ondersteuning nodig hebben, kan je ervoor kiezen om deze opdracht klassikaal te maken. Bewaak dan goed dat elke leerling uitgedaagd wordt om mee te denken en gebruik eventueel wisbordjes. Wanneer je liever inzet op individueel werk, dan laat je de leerlingen de dialoog beluisteren via de QRcode in hun werkboek.

2.4

Klankenhoek

Om tot een goed begrip te komen bij het beluisteren van een taal, is kennis van de Franse klanken een belangrijke voorwaarde. Correct uitspreken is in eerste instantie correct horen. Daarom wordt in elk contact de uitspraak van enkele Franse klanken onder de loep genomen.

Prenez votre livre à la page 8 et écoutez. Répétez les mots à haute voix.

Neem jullie boek op pagina 8 en luister. Herhaal de woorden luidop.

Neem het leerwerkboek op pagina 8 erbij en laat audiofragment 1 van de klankenhoek horen. Laat de leerlingen de woorden luidop herhalen. Benadruk de aandachtspunten.

- In het Frans ligt de klemtoon op de laatste lettergreep. De laatste letter spreek je niet altijd uit.

- Als het woord eindigt op een doffe -e, ligt de nadruk op de voorlaatste lettergreep.

Zijn er leerlingen met een Franse voornaam? Bespreek of dit bij hun naam ook van toepassing is.

- Ç als in ça wordt als een s uitgesproken. Het teken dat dit duidelijk maakt is een ‘cédille’.

Laat de term ‘une cédille’ hier al een keer vallen, zo kunnen leerlingen wennen aan de term.

Faites l’exercice 2 à la page 8. Prononcez les phrases à haute voix. Travaillez à deux.

Maak oefening 2 op pagina 8. Spreek de zinnen luidop uit. Werk per twee.

Laat de leerlingen opdracht 2 op pagina 8 uitvoeren om dit in te oefenen. Indien nodig laat je audiofragment 2 horen.

De leerlingen kunnen de audio van de klankenhoek individueel opnieuw beluisteren via de QR-code in hun werkboek.

3 Lesafsluiting

3.1 Lezend spreken

Om de eerste les van dit contact af te ronden, neem je de tekst van de dialoog klassikaal door. Kies zelf op basis van de noden van je klasgroep hoe je dit doet.

Heb je het gevoel dat de leerlingen je houvast en ondersteuning nog nodig hebben, lees dan zelf zin per zin de tekst voor. Laat de leerlingen telkens de zin nazeggen.

Konden je leerlingen vrij vlot om met de woordenschat en de uitspraken in de klankenhoek, dan laat je zin per zin door een leerling voorlezen. Zorg er in dat geval voor dat elke leerling aan bod komt. Je kan de dialoog meerdere keren herhalen.

On lit le dialogue encore une fois.

- Moi, je lis le dialogue et vous répétez chaque phrase.

- Si je dis ton nom, tu lis la phrase suivante.

- Ensuite, on va traduire les phrases.

We lezen de dialoog nogmaals.

- Ik lees de dialoog en jullie herhalen elke zin.

- Als ik je naam zeg, lees je de volgende zin.

- Nadien gaan we de zinnen vertalen.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Peux-tu déjà dire «goeiedag» ou «tot ziens» en français?

Kan je al goeiedag zeggen of afscheid nemen in het Frans?

3.2 Memoriseren

Geef de leerlingen de opdracht om de dialoog thuis te memoriseren tegen de volgende les.

Dit kunnen ze doen door de dialoog op Kabas te beluisteren of aan de hand van hun leerwerkboek

À la maison, mémorisez le dialogue. Utilisez le livre-cahier ou Kabas.

Memoriseer de dialoog thuis. Gebruik je leerwerkboek of Kabas.

Zorg ervoor dat de dialoog en de oefeningen op Kabas openstaan voor de leerlingen.

Differentieer: niet alle leerlingen hoeven de volledige dialoog te memoriseren. Verdeel volgens de noden van je klasgroep.

Contact 1

Les 2 INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

1 Instap: spelen van de dialoog

Het memoriseren van dialogen is in een eerste jaar Frans heel belangrijk, zo ontstaan er kapstokfuncties. Vanuit deze startzinnen kunnen de leerlingen zelf tot vrijere vertolkingen komen tijdens mondelinge interactie.

Vous avez mémorisé le dialogue. Maintenant, on va jouer le dialogue en petits groupes.

Jullie hebben de dialoog gememoriseerd. Nu gaan we de dialoog naspelen in kleine groepen.

De leerlingen hebben de dialoog gememoriseerd na de vorige les. Verdeel de leerlingen in meerdere groepen zodat elke leerling actief is. Laat de groepen de dialoog naspelen. Doe dit eventueel een tweede keer waarbij ze elk een andere rol opnemen. Loop rond en beluister zoveel mogelijk groepen, laat eventueel één groep de dialoog voor de klas naspelen

Laat zwakkere leerlingen (en/of leerlingen die bijvoorbeeld afwezig geweest zijn) hun boek bij de hand nemen zodat ze de tekst kunnen aflezen. Met deze opdracht stimuleer je de spreekdurf. Aflezen is beter dan niet deelnemen.

Opgelet: dit naspelen kent een belangrijke functie om tot kapstokfuncties voor het verdere hoofdstuk te komen, maar is niet het hoofdonderdeel van de les. Bewaak de tijd en zorg dat je snel naar de kern van de les kan overgaan.

Hier kan je het herhalend spreken evalueren.

Dans ce cours, nous faisons un exercice d’écoute et nous apprenons les accents.

In deze les maken we een luisteroefening en leren we de accenten.

2 Kern

2.1 Inleiding op de luisteroefening

Prenez votre livre à la page 9, exercice 3. Travaillez à deux. Un(e) élève pose les questions, l’autre élève répond.

Neem jullie boek op pagina 9, oefening 3. Werk per twee. Eén leerling stelt de vragen, de andere leerling antwoordt.

Laat de leerlingen hun leerwerkboek nemen op pagina 9 bij oefening 3. Maak duo’s. De ene leerling stelt de vragen (uit de tekstballonnen). De andere leerling kiest een antwoord met behulp van de tekstballonnen en de foto’s met tekst erbij. Zo bouwen de leerlingen korte gesprekken op.

Laat de leerlingen dit een paar keer in duo’s oefenen. Vraag nadien enkele duo’s om hun conversatie voor de groep na te spelen.

Hier kan je het bewerkend/beschrijvend spreken evalueren.

De dialoog van het eerste contact is erg kort. Laat nu zeker elke leerling aan bod komen. Ze spreken (wellicht) voor het eerst zelf Frans.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Deze conversaties vormen de brug tussen de dialoog van waaruit het contact opgestart is en de luisteropdracht zo meteen. De leerlingen zetten hier ook een eerste stap in hun ontwikkeling van spreekdurf en het loskomen van vaste dialoogtekst.

2.2 Luisteroefening

Prenez votre livre à la page 9, exercice 4. Écoutez bien: dit-on bonjour ou prend-on congé? Reliez les numéros à la photo correcte.

Neem jullie boek op pagina 9, oefening 4. Luister goed: zegt men goeiedag of neemt men afscheid. Verbind de nummers met de juiste foto.

Laat de leerlingen in hun leerwerkboek opdracht 4 nemen. Bespreek eerst samen de opdracht zodat de leerlingen weten met welk doel ze naar de gesprekken luisteren.

Speel audiofragment 3 met de luisteropdracht af. Laat het een tweede keer horen als je merkt dat niet alle leerlingen de opdracht konden oplossen. Verbeter nadien klassikaal.

1 - Bonjour, Antoine.

- Bonjour, Julie.

2 - Salut, Louise, ça va?

- Ça va bien et toi?

3 - À bientôt, Marie.

- Oui, à bientôt, Simon.

4 - Salut, Mathieu.

- Salut, Olivier, à ce soir.

1 saluer

2 saluer

3 prendre congé

4 prendre congé

5 saluer

6 prendre congé

7 saluer

8 prendre congé

5 - Bonjour, Jeanne. Comment ça va?

6

- Ça va bien et toi, Thomas?

- Au revoir, Claire.

- Au revoir, Arnaud. À ce soir.

7 - Salut, Nicolas, ça va bien?

- Oui, très bien.

8 - À demain, Philippe.

- Oui, à demain, Céline.

2.3 Taalhoek

Prenez votre livre à la page 10, le coin de grammaire. En français, on utilise beaucoup d’accents.

Neem jullie boek op pagina 10, de taalhoek. In het Frans worden veel accenten gebruikt.

Laat de leerlingen hun leerwerkboek openleggen op pagina 10 en overloop het kader.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Bespreek achtereenvolgens ‘l’accent aigu’, l’accent grave’, l’accent circonflexe’ en ‘la cédille’. Als je de Franse terminologie liever nog niet gebruikt, spreek dan over: ‘boogje omhoog’, ‘boogje omlaag’ en ‘hoedje’. De term ‘cédille’ behoud je beter wel, de term cedille bestaat namelijk ook in het Nederlands.

Zorg dat je als leerkracht zelf op de hoogte bent van de nieuwe Franse spelling. De regels vind je terug in de algemene inleiding van Passepartout op Kabas

In contact 1 worden nog geen grammaticale items mondeling ingeoefend. Vanaf contact 2 volgen er na elke taalhoek mondelinge opdrachten.

De leerlingen kunnen via de QR-code bij elke taalhoek een instructievideo met de uitleg oproepen.

3 Lesafsluiting

Maintenant, vous connaissez les accents. Vous pouvez saluer quelqu’un et prendre congé. Au revoir! Le prochain cours, nous allons saluer quelqu’un.

Nu kennen jullie de accenten. Jullie kunnen iemand begroeten en afscheid nemen. Tot ziens! De volgende les gaan we iemand begroeten.

Contact 1

Les 3

1 Instap

Saluez d’abord quelqu’un de la classe. Begroet eerst iemand uit de klas.

Dans cette leçon, nous lisons un petit texte et nous faisons des exercices. In deze les lezen we een korte tekst en maken we oefeningen.

De leerlingen krijgen bij Passepartout onmiddellijk korte, eenvoudige leesteksten. Op die manier komen ze direct in aanraking met Frans in een realistische context.

2 Kern

2.1 Leestekst

On ouvre notre livre à la page 10. Le texte, c’est quoi?

We openen ons boek op pagina 10. Wat voor tekst is het? un texte informatif, un tableau een informatieve tekst, een tabel

Quel est le but de ce texte?

Wat is het doel van deze tekst? donner de l’information informeren

Où peut-on trouver ce texte?

Waar kan je deze tekst vinden? dans un journal, sur Internet … in een krant, op het internet …

Lisez le tableau et regardez les traductions à côté. De quoi s’agit-il?

Lees de tabel en bekijk de vertalingen aan de zijkant. Waarover gaat deze tekst? Il s’agit des prénoms les plus choisis en France en 2024. Het gaat over meest gekozen voornamen in Frankrijk in 2024.

Bespreek de top vijf van de voornamen.

Il y a quelqu’un dans la classe avec un de ces noms?

Is er iemand in de klas met één van deze namen?

Vous connaissez quelqu’un avec un nom de la liste?

Ken je iemand met een naam uit de lijst?

Quel nom a un accent aigu? Surligne-le en vert.

Welke naam heeft een accent aigu (boogje omhoog)? Markeer met groen.

2.2 Vertalend spreken

Vooraleer te starten met de schrijfoefeningen raden wij aan om de rubriek ‘Nouvelles expressions’ nog eens door te nemen. De leerlingen bedekken de Franse zinnen en vertalen op halfluide toon de Nederlandse zinnen.

On regarde maintenant les nouveaux mots et les nouvelles expressions à la page 8. On cache le français avec la main gauche et on traduit à voix basse.

We bekijken de nieuwe woorden en uitdrukkingen op pagina 8. We bedekken het Frans met de linkerhand en vertalen fluisterend.

2.3 Schrijven

De leerlingen oefenen de woordenschat en de inhoud van dit contact verder in met de schriftelijke oefeningen. De opdrachten zijn in verschillende moeilijkheidsgraden opgebouwd.

We onderscheiden drie verwerkingsniveaus:

- Herhalend: de leerlingen schrijven woorden of zinnen foutloos na. Leerlingen die hier al vlot mee weg zijn kunnen de zinnen in het Frans bedekken nadat ze die gelezen hebben. Ze schrijven de zin daarna over vanuit het geheugen.

- Beschrijvend/bewerkend: de opdrachten vragen wat denkwerk van de leerlingen. Dit zijn associatieoefeningen, chronologisch rangschikken, vertalen, teksten aanvullen of samenstellen aan de hand van aangegeven bouwstenen ...

- Structurerend: er zijn geen aangereikte bouwstenen. De leerlingen doen een beroep op hun kennis of zoeken het gevraagde op (in het leerwerkboek of in hun onthoudboekje Mon mémento 1). Deze opdrachten zijn geen must maar kunnen door vluggere leerlingen afgewerkt worden.

Prenez votre livre à la page 10-11. On parcourt les exercices. Faites les exercices. On travaille en silence. Si nécessaire, vous pouvez utiliser Mon mémento.

We openen ons boek op pagina 10-11. We overlopen de oefeningen. Maak de oefeningen. We werken in stilte. Als het nodig is, kunnen jullie Mon mémento gebruiken.

De leerlingen nemen hun leerwerkboek pagina 10-11. Overloop kort de opdrachten, zodat die voldoende duidelijk zijn en laat de leerlingen aan de slag gaan. Differentieer waar nodig zodat elke leerling op maat kan werken.

Herhalend: opdracht 6

Beschrijvend: opdracht 7 – 8 – 9*

Structurerend: opdracht 10

*Opdracht 9 is vertalend schrijven. Voor bepaalde leerlingen kan het nuttig zijn om de zinnen eerst mondeling te laten vertalen.

Op het einde kan je de opdrachten klassikaal verbeteren, laat alle leerlingen willekeurig aan bod komen.

On corrige les exercices ensemble. We verbeteren de oefeningen klassikaal.

3 Lesafsluiting

Quels exercices sont faciles/difficiles pour toi? Connais-tu les accents?

Welke oefeningen zijn gemakkelijk/moeilijk voor jou? Ken je de accenten?

Préparez-vous pour le prochain cours. À la maison, prenez Mon Mémento à la page 1, les mini-dialogues numéro 1.1. Posez les questions et répondez.

Bereid jullie voor op de volgende les. Neem thuis Mon mémento op pagina 1, de minidialogen van nummer 1.1. Stel vragen en beantwoord ze.

Vooraleer je les 4 start, is het zinvol om de leerlingen (thuis) met hun onthoudboekje Mon mémento 1 pagina 1 de minidialogen te laten inoefenen. Geef hen de raad af te wisselen: de antwoorden te bedekken om de vragen te beantwoorden en de vragen formuleren vanuit het lezen van de antwoorden.

Contact 1

1 Voorkennis activeren

Doorheen de voorbije lessen is de nieuwe woordenschat van dit contact herhaaldelijk geoefend via luisteren, lezen, schrijven en spreken. Nu gaan we een stap verder door in te zetten op vrijere vertolkingen en de leerlingen tot mondelinge interactie aan te zetten.

Leid de opdracht van de mondelinge interactie in:

Aujourd’hui, c’est à vous. Vous allez dire bonjour, demander et répondre comment ça va et prendre congé. Vandaag is het aan jullie. Jullie gaan goeiedag zeggen, vragen en zeggen hoe het gaat en afscheid nemen.

2 Kern

2.1 Mondelinge interactie

Mondelinge interactie vormt de belangrijkste rode draad van elk contact. De leerlingen hebben dit normaal gesproken thuis voorbereid. Groepeer de leerlingen in groepen van maximaal vier leerlingen met hetzelfde niveau.

Passepartout biedt hiervoor opdrachten aan op drie niveaus:

- Niveau 1

Leerlingen die het moeilijk hebben met mondelinge interactie nemen het leerwerkboek op pagina 11. Daar vinden ze uitgeschreven zinnen in een kader om zelf een conversatie mee op te bouwen. Dit is het eerste niveau waarbij de meest uitgebreide ondersteuning op zinsniveau geboden wordt.

Let op: het is niet de bedoeling dat de leerlingen alles aflezen van links naar rechts. Ze krijgen alle elementen aangeboden, maar ze moeten opletten dat hun antwoord aansluit bij de vraag.

- Niveau 2

Voor leerlingen die er al vlotter mee weg zijn, bieden we individuele ondersteuning op woordniveau aan. Met de praatplaten 1 en 2 voeren ze in duo’s mindialogen uit. Een leerling stelt een vraag van op de achterzijde, de ander antwoordt. Af en toe wordt de opdracht in het Nederlands verduidelijkt. De leerling die de vraag stelt controleert of de antwoorden correct zijn en biedt, indien nodig, hulp aan in drie fases:

1 De leerling geeft het eerste woord van het antwoord.

2 De leerling geeft de eerste twee woorden van het antwoord.

3 De leerling zegt het antwoord voor, de medeleerling herhaalt het antwoord.

- Niveau 3

De leerlingen die vlot tot mondelinge interactie komen, baseren zich voor het naspelen van een dialoog op de geprojecteerde klassikale prent 1. Zij verwoorden zelf vragen en antwoorden zonder bijkomende ondersteuning.

Zet klassikale prent 1 open op het digitale bord en deel praatplaten 1 en 2 uit aan de duo’s die er gebruik van zullen maken. Laat de leerlingen die er nood aan hebben, het leerwerkboek op pagina 11 gebruiken.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

De leerlingen oefenen enkele keren een gesprek. Ze wisselen een paar keer van rol, zodat ze beiden zowel de vragen als de antwoorden geoefend hebben.

Laat een aantal duo’s klassikaal opvoeren wat ze geoefend hebben. Laat hen ook bij de opvoering gebruikmaken van de materialen zoals ze geoefend hebben (naargelang het niveau).

On travaille en groupes.

(niveau 1) Vous travaillez à deux. Regardez votre livre à la page 11: un(e) élève pose les questions, un(e) autre élève forme des réponses. Échangez de rôle.

(niveau 2) Vous travaillez à deux. Utilisez les scènes de vocabulaire: un(e) élève pose les questions, un(e) autre élève forme des réponses. Échangez de rôle.

(niveau 3) Vous travaillez à deux: regardez le tableau pour former des phrases correctes.

We werken in groepen.

(niveau 1) Jullie werken per twee. Bekijk jullie boek: één leerling stelt de vragen, een andere leerling vormt antwoorden op die vragen. Wissel van taak.

(niveau 2) Jullie werken per twee. Gebruik de praatplaten: één leerling stelt de vragen, een andere leerling vormt antwoorden op die vragen. Wissel van taak.

(niveau 3) Jullie werken per twee: bekijk het bord om goede zinnen te vormen.

Hier kan je het herhalend (niveau 1) of bewerkend/beschrijvend (niveau 2) spreken evalueren.

Begin elke les vanaf nu met Bonjour of een andere aanspreking en sluit ook af in het Frans. Zo weten de leerlingen heel goed wanneer Frans de voertaal is in de les.

3 Lesafsluiting

3.1 Cultuur

Pour terminer ce cours, on va écouter une chanson. Prenez votre livre à la page 12.

Om deze les af te sluiten gaan we een lied beluisteren. Neem jullie boek op pagina 12.

Naast het bijbrengen van vaardigheden, kennis en attitudes, willen we de leerlingen ook kennis laten maken met de Franstalige socioculturele wereld. Elk contact eindigt met een lesmoment waarbij we een aspect van de cultuur belichten.

Rond het eerste contact af door audiofragment 4 met het lied ‘Bonjour’ te beluisteren. De leerlingen hebben de tekst in hun leerwerkboek op pagina 12. Je kiest zelf of ze vrij luisteren of meevolgen in hun boek.

3.2 Voorbereiden op de toets

Après le dialogue et la chanson, il faut se préparer pour le test. Apprenez les nouveaux mots et les expressions. Faites attention aux accents. Faites les exercices sur Kabas. Consultez Mon mémento si nécessaire.

Na het spreken en het lied moeten we ons voorbereiden op de toets. Leer de nieuwe woorden en uitdrukkingen. Let op de accenten. Maak de oefeningen op Kabas. Gebruik indien nodig je onthoudboekje.

Om zich voor te bereiden op de toets, zet je de leerlingen aan het werk met de opdrachten op Kabas: oefenreeksen 2 tot en met 10. Ze nemen er, waar nodig, hun onthoudboekje bij.

Beheersingsreeks

Doel en opbouw

De beheersingsreeks oefent op het einde van elk contact de doelen die aan bod kwamen op drie niveaus en wordt ondersteund door instructievideo’s. Hier gaat het om herhaling of verdieping.

De leerlingen tonen in het adaptieve leerpad dat ze de doelen van dit thema beheersen. Ze krijgen een individueel leerpad voorgeschoteld tot ze voldoende goed scoren.

Kai toont wat de leerlingen moeten leren en bepaalt de volgorde waarin de doelen aan bod komen. Zo krijg elke leerling een op maat samengesteld leerpad.

Als een leerling de doelen beheerst, dan verandert de ksnapometer bij dat doel. De leerlingen kunnen er nog voor kiezen om expert te worden in het doel, maar ze beheersen de basis.

Praktisch

Zo zet je jouw leerlingen aan het werk:

- Ga naar Kabas

- Open de inhoudstafel en klik op het contact waarvoor je de beheersingsreeks wil klaarzetten.

- Klik het tabblad ‘leerlingen toegang’ aan

- Vink het contact aan waarvoor je de beheersingsreeks wil klaarzetten.

- Klaar! De leerling krijgt dit leerpad nu in zijn/haar overzicht te zien.

Als leerkracht krijg je in je resultatenscherm een overzicht van de oefenreeks van elke leerling. Je ziet welke opdrachten ze gekregen hebben en wat hun resultaten waren. Je ziet ook welke instructievideo’s aan bod gekomen zijn, als een leerling dit te zien kreeg.

Contact 1

Les 5

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Toets

Focus erop dat de lessen Frans in een prettige en positieve sfeer kunnen verlopen. Toetsen die alleen opgemaakt zijn om een rapportering in cijfers uit te drukken kunnen (vooral zwakkere) leerlingen demotiveren.

On va faire le test. D’abord, on va parcourir tous les exercices. We gaan de toets maken. Eerst gaan we alle oefeningen overlopen.

Bezorg elke leerling kopieerblad 4 met de toets. Overloop samen de opdrachten zodat die voor alle leerlingen duidelijk zijn.

Y a-t-il encore des questions? Bonne chance! Zijn er nog vragen? Veel succes!

Differentiatie

Na elke toets voorziet Passepartout een aanbod aan differentiatiemateriaal. Per vier contacten voorziet Passepartout in het jaarplan een dubbel lesmoment om te herhalen en gedifferentieerd in te oefenen wat in de voorbije vier contacten geleerd werd. Kies je ervoor om te differentiëren na elk contact, voorzie hiervoor dan extra tijd in je jaarplanning.

Automatisch gedifferentieerde taak

Voor Passepartout biedt Kabas de optie om een automatisch gedifferentieerde taak klaar te zetten voor je leerlingen. Die bevat een oefenreeks per geselecteerd doel op zijn of haar niveau, die wordt voorgesteld vanuit Kabas.

Zo’n automatisch gedifferentieerde taak zet je na evaluatie eenvoudig klaar: duid aan waarna je de taak wil geven en geef de scores van de leerlingen op deze evaluatie in. Kabas roept vervolgens de doelen van die evaluatie op en doet op basis van de scores van de leerlingen een voorstel tot remediëringsoefeningen, verdere inoefening of een verrijkingsaanbod.

Je kan dan nog kiezen of die oefeningen effectief aangeboden worden aan elke leerling of bijvoorbeeld enkel aan de leerlingen die remediëring nodig hebben. In je resultatenscherm krijg je een handig overzicht te zien waarbij je kan volgen welke differentiatie elke leerling aangeboden kreeg en hoe die leerling gepresteerd heeft. Neem die info mee naar de verdere contacten.

Remediëring

Heeft de leerling de accenten nog onvoldoende onder de knie?

Zet hem of haar aan de slag met de opdrachten van oefenreeks 11 op Kabas of Parachute kopieerblad 2.

Beheerst de leerling de uitdrukkingen om iemand een te groeten of afscheid te nemen nog onvoldoende?

Zet hem of haar aan het werk met het onthoudboekje Mon mémento 1 om de minidialogen te verwerven. Laat deze leerlingen indien mogelijk in duo’s de opdracht mondelinge interactie uit les 4 herhalen.

Verdieping

Laat de leerlingen die de inhoud van contact 1 beheersen, verder oefenen met het oefenaanbod op Kabas. Ze kunnen later ook verder oefenen met het aanbod van het werkboek En forme. Hiermee starten we pas vanaf contact 2.

Passepartout Plus

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Passepartout Plus is een set van extra leerwerkboeken die aansluiten op het basisaanbod. Bij elk leerwerkboek van Passepartout hoort ook een boekje van Passepartout Plus met dezelfde opdeling per contact. Wie al Frans geeft vanaf de tweede graad of wie meer dan gemiddeld lestijden Frans geeft, kan hiermee elk contact verder uitbreiden.

Passepartout Plus biedt verdere inoefening van de woordenschat en grammatica. Daarnaast zijn er ook luister- en spreekopdrachtjes en creatievere oefeningen. De leerlingen kunnen zelfstandig met Passepartout Plus aan de slag.

Contact 2

Ils vont où ?

Lesdoelen

Les 1 1 De leerlingen kunnen het onderwerp in een luisterfragment bepalen.

2 De leerlingen kunnen vooraf beluisterde woorden en zinnen nazeggen.

3 De leerlingen kunnen de woordenschat rond vragen en zeggen waar iemand naartoe gaat toepassen.

Les 2 1 De leerlingen durven een gesprek in het Frans te voeren.

2 De leerlingen kunnen vooraf beluisterde woorden en zinnen nazeggen.

3 De leerlingen kunnen het werkwoord ‘aller’ vervoegen.

4 De leerlingen kunnen het onderscheid maken tussen de persoonlijke voornaamwoorden.

Les 3 1 De leerlingen kunnen informatie uit een tekst halen.

2 De leerlingen kunnen foutloos kopiëren.

3 De leerlingen kunnen de woordenschat en zinstructuren rond vragen en zeggen waar iemand naartoe gaat functioneel toepassen.

4 De leerlingen kunnen het werkwoord ‘aller’ vervoegen.

5 De leerlingen kunnen het onderscheid maken tussen de persoonlijke voornaamwoorden.

Les 4 1 De leerlingen kunnen deelnemen aan een gesprek in het Frans waarin ze verwoorden waar iemand naartoe gaat.

2 De leerlingen durven een gesprek in het Frans te voeren.

3 De leerlingen kunnen interesse tonen in de Franse taal en cultuur.

Les 5 Toets en differentiatie

Taalhandelingen en taalsituaties

Nieuwe woorden

Nieuwe uitdrukkingen

- vragen en zeggen waar iemand naartoe gaat

l’école la gare le magasin la maison aller à alors avec de déjà là le, la, l’ où je tu il/elle nous vous ils/elles

Tu vas où?

Je vais à la gare.

Il va où?

Il va à la maison.

Où ça?

Elles vont où?

Elles vont au magasin. Vous allez où? Nous allons à l’école.

Leermiddelen

- Leerwerkboek 1 pagina 13 – 22

- Mon mémento 1 pagina 1 – 5

- Kopieerbladen 3 – 5

- Woordenschatlijst

- Bijlagen 3 – 4

- Bewegend leren

- Praatplaten 3 – 6

- Klassikale prent 2

- Animatie 2

- Audiofragmenten 5 – 9

- Sorteertool

- Digitale oefenreeksen:

Les bases: oefenreeksen 1 – 2

En plus: oefenreeksen 3 – 10

Parachute: oefenreeks 11

En forme: oefenreeks 12

- Adaptief traject KAI

- Spraakoefening op de woordenschat

- En forme pagina 3

- Passepartout Plus 1 pagina 7 – 10

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Contact 2

1

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

1 Voorkennis activeren en lesdoel

Maak een keuze of je dit contact start vanuit optie 1.1, 1.2 of 1.3. Naargelang je keuze volg je hieronder de bijhorende werkvorm en leg je de materialen klaar. In elke optie komen de leerlingen in contact met vragen en zeggen waar iemand naartoe gaat. Rond af met 1.4 en maak de opstap naar de dialoog.

1.1 Doolhof

Verdeel de leerlingen in groepen van drie en geef elke leerling een doolhof van op kopieerblad 3 Geef als opdracht:

- Zoek de weg uit het doolhof.

- Waar gaan ze naartoe?

Laat de leerlingen elkaar controleren. Bespreek de verschillende locaties van de oefeningen.

- Gaan jullie soms naar die plaatsen?

- Zijn er nog andere plaatsen of gebouwen waar jullie soms naartoe gaan?

1.2 Luisteroefening

Toon de leerlingen de verschillende afbeeldingen in de sorteertool of in bijlage 3. Herkennen ze de verschillende locaties?

- Jullie zullen nu een fragment horen waarin de verschillende locaties van op de afbeeldingen aan bod komen. Kunnen jullie ze in de volgorde van het verhaal plaatsen?

Speel audiofragment 5 met de luisteroefening af.

Naëlle is zoals elke woensdag blij dat ze al om twaalf uur naar huis mag. Nadat ze thuis gegeten heeft, gaat ze snel naar de stad. Aan de bibliotheek heeft ze afgesproken met Gilles. Als ze elkaar gevonden hebben, gaan ze naar het postkantoor, Gilles moet nog een pakje opsturen. Daarna gaan ze zoals elke woensdag samen naar de muziekschool. Vandaag mogen ze instrumenten uitproberen.

Naëlle mag van haar ouders piano leren spelen. Om te vieren dat ze een instrument mogen kiezen, gaan ze samen naar de ijskar en kiezen ze hun favoriete ijsje. Ze gaan met hun ijsje even in het park wandelen, maar dan beseft Gilles dat hij nog naar de winkel moet. Ze nemen afscheid van elkaar en vertrekken.

Bespreek de volgorde die aan bod gekomen is.

- Komen jullie zelf ook wel eens op deze plaatsen?

1.3 Klasgesprek

Start de les met een klasgesprek:

- Waar ben je afgelopen weekend naartoe geweest?

- Ging je daar alleen naartoe of ging er iemand mee?

- Zijn er nog plaatsen waar je vaak naartoe gaat?

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

1.4 Opstap naar de dialoog

We bespraken enkele locaties waar de leerlingen of anderen soms naartoe gaan. Daarover gaat dit contact.

Voici le deuxième contact de français: «Ils vont où?». Dans ce cours, nous allons étudier le dialogue. Dans l’animation, les enfants veulent savoir où tout le monde va. Regardez et écoutez l’animation.

Dit is het tweede contact van Frans: `Waar gaan ze naartoe?’. In deze les gaan we de dialoog bestuderen. In de animatie willen de kinderen weten waar iedereen naartoe gaat. Bekijk en beluister de animatie.

2 Kern

2.1 Dialoog: de eerste luisterbeurt

Speel animatie 2 met de dialoog af. De leerlingen kijken en luisteren aandachtig. Bespreek nadien:

- Qu’est-ce qui s’est passé? De quoi s’agit-il?

- Wat is er gebeurd? Waarover gaat het?

Nabil et Séverine disent bonjour. Ils parlent d’où tout le monde va. Sacha et Héléna passent aussi et elles disent où elles vont.

Nabil en Séverine begroeten elkaar. Ze spreken over waar iedereen naartoe gaat. Sacha en Héléna passeren ook en zeggen waar zij naartoe gaan.

- Comment dit-on en français où on va?

- Hoe zeg je in het Frans waar je naartoe gaat?

Je vais …

- Quels mots connais-tu déjà?

- Welke woorden die je hoorde, kende je al?

- Quels mots sont nouveaux?

- Welke woorden heb je gehoord die nieuw zijn?

- De quels endroits parle-t-on?

- Over welke locaties wordt gesproken?

De dialoog wordt later nog een aantal keer bekeken en beluisterd. De leerlingen hoeven dus nog niet alles opgepikt te hebben na deze eerste luisterbeurt.

2.2 Nieuwe woordenschat

Prenez votre livre à la page 14. Nous lisons les nouveaux mots. Après chaque mot, on regarde la traduction.

Neem jullie boek op pagina 14. We lezen de nieuwe woorden. Na elk woord bekijken we de vertaling.

Je lis les nouvelles expressions. Regardez chaque fois la traduction. Ik lees de nieuwe uitdrukkingen. Bekijk elke keer de vertaling.

Laat de leerlingen hun leerwerkboek nemen op pagina 14. Overloop het kader met de nieuwe woordenschat. Om de begripsvorming vlot te laten verlopen, vertaal je best meteen de nieuwe woorden, structuren en uitdrukkingen van de dialoog.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Lees in deze fase zelf telkens de Franse woorden voor en laat een korte pauze per woord of uitdrukking zodat de leerlingen de vertaling zelf kunnen lezen.

Het doornemen van het kader mag vlot gaan. De woordenschat wordt doorheen het contact nog veelvuldig verder ingeoefend, dit is pas een eerste kennismaking.

2.3 Dialoog: luisteren en lezen

Nous regardons l’animation une deuxième fois. Pendant qu’on écoute le dialogue, on suit le texte dans le livre ou sur l’écran.

We bekijken de animatie een tweede keer. Terwijl we de dialoog beluisteren, volgen we de tekst in het boek of op het scherm.

Speel animatie 2 voor de tweede keer af. De leerlingen kunnen kijken en luisteren naar de ondertitelde versie of meevolgen in hun leerwerkboek op pagina 13. De uitspraak wordt zo gekoppeld aan het schriftbeeld. Laat de leerlingen de opdracht in de sleutel oplossen.

Nous regardons l’animation une troisième fois. Pendant qu’on écoute le dialogue, on peut lire à voix basse.

We bekijken de animatie een derde keer. Terwijl we de dialoog beluisteren, lezen we zachtjes mee.

Speel de dialoog nog een derde keer af. De leerlingen kunnen fluisterend meelezen. Hardop lezen is pas verantwoord als men voldoende geluisterd heeft, dit is dus geen must.

Maintentant je lis le dialogue. Vous répétez chaque phrase après moi.

Nu lees ik de dialoog voor. Jullie herhalen elke zin na mij.

Lees de dialoog zelf voor. De leerlingen herhalen telkens de gelezen zin.

Faites l’exercice 1 à la page 14. Cochez les cases correctes.

Maak oefening 1 op pagina 14. Kruis de juiste vakjes aan.

Neem in het leerwerkboek pagina 14, opdracht 1 erbij. Laat de leerlingen die individueel (of in duo’s) oplossen. Overloop nadien de antwoorden klassikaal.

Als je voelt dat de leerlingen nog veel ondersteuning nodig hebben, kan je ervoor kiezen om deze opdracht klassikaal te maken. Bewaak dan goed dat elke leerling uitgedaagd wordt om mee te denken en gebruik eventueel wisbordjes. Wanneer je liever inzet op individueel werk, dan laat je de leerlingen de dialoog beluisteren via de QRcode in hun werkboek.

2.4 Klankenhoek

Om tot een goed begrip te komen bij het beluisteren van een taal, is kennis van de Franse klanken een belangrijke voorwaarde. Correct uitspreken is in eerste instantie correct horen. Daarom wordt in elk contact de uitspraak van enkele Franse klanken onder de loep genomen.

Prenez votre livre à la page 15 et écoutez. Répétez les mots et les phrases à haute voix.

Neem jullie boek op pagina 15 en luister. Herhaal de woorden en zinnen luidop.

Neem het leerwerkboek op pagina 15 erbij en laat audiofragment 6 van de klankenhoek horen. Laat de leerlingen de woorden luidop herhalen. Benadruk de aandachtspunten.

- Een s tussen twee klinkers wordt uitgesproken als z.

- Let op het verschil in uitspraak tussen maison en demain.

- Let op de verbinding.

Faites l’exercice 2 à la page 15. Prononcez les phrases à haute voix. Travaillez à deux.

Maak oefening 2 op pagina 15. Spreek de zinnen luidop uit. Werk per twee.

Laat de leerlingen opdracht 2 op pagina 15 uitvoeren om dit in te oefenen. Indien nodig laat je audiofragment 7 horen.

De leerlingen kunnen de audio van de klankenhoek individueel opnieuw beluisteren via de QR-code in hun werkboek.

3 Lesafsluiting

3.1 Lezend spreken

Om de eerste les van dit contact af te ronden, neem je de tekst van de dialoog klassikaal door. Kies zelf op basis van de noden van je klasgroep hoe je dit doet.

Heb je het gevoel dat de leerlingen je houvast en ondersteuning nog nodig hebben, lees dan zelf zin per zin de tekst voor. Laat de leerlingen telkens de zin nazeggen.

Konden je leerlingen vrij vlot om met de woordenschat en de uitspraken in de klankenhoek, dan laat je zin per zin door een leerling voorlezen. Zorg er in dat geval voor dat elke leerling aan bod komt. Je kan de dialoog meerdere keren herhalen.

On lit le dialogue encore une fois.

- Moi, je lis le dialogue et vous répétez chaque phrase.

- Quand je dis ton nom, tu lis la phrase suivante.

- Ensuite, on va traduire les phrases.

We lezen de dialoog nogmaals.

- Ik lees de dialoog en jullie herhalen elke zin.

- Als ik je naam zeg, lees je de volgende zin.

- Nadien gaan we de zinnen vertalen.

Peux-tu déjà dire où quelqu’un va?

Kan je al zeggen waar iemand naartoe gaat?

3.2 Memoriseren

Geef de leerlingen de opdracht om de dialoog thuis te memoriseren tegen de volgende les.

Dit kunnen ze doen door de dialoog op Kabas te beluisteren of aan de hand van hun leerwerkboek

À la maison, mémorisez le dialogue. Utilisez le livre-cahier ou Kabas.

Memoriseer de dialoog thuis. Gebruik je leerwerkboek of Kabas.

Zorg ervoor dat de dialoog en de oefeningen op Kabas openstaan voor de leerlingen.

Differentieer: niet alle leerlingen hoeven de volledige dialoog te memoriseren. Verdeel volgens de noden van je klasgroep.

Contact 2

Les 2

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

1 Instap: spelen van de dialoog

Het memoriseren van dialogen is in een eerste jaar Frans heel belangrijk, zo ontstaan er kapstokfuncties. Vanuit deze startzinnen kunnen de leerlingen zelf tot vrijere vertolkingen komen tijdens mondelinge interactie.

Vous avez mémorisé le dialogue. Maintenant, on va jouer le dialogue en petits groupes.

Jullie hebben de dialoog gememoriseerd. Nu gaan we de dialoog naspelen in kleine groepen.

De leerlingen hebben de dialoog gememoriseerd na de vorige les. Verdeel de leerlingen in meerdere groepen zodat elke leerling actief is. Laat de groepen de dialoog naspelen. Doe dit eventueel een tweede keer waarbij ze elk een andere rol opnemen. Loop rond en beluister zoveel mogelijk groepen, laat eventueel één groep de dialoog voor de klas naspelen.

Laat zwakkere leerlingen (en/of leerlingen die bijvoorbeeld afwezig geweest zijn) hun boek bij de hand nemen zodat ze de tekst kunnen aflezen. Met deze opdracht stimuleer je de spreekdurf. Aflezen is beter dan niet deelnemen.

Opgelet: dit naspelen kent een belangrijke functie om tot kapstokfuncties voor het verdere hoofdstuk te komen, maar is niet het hoofdonderdeel van de les. Bewaak de tijd en zorg dat je snel naar de kern van de les kan overgaan.

Hier kan je het herhalend spreken evalueren.

Dans ce cours, nous faisons un exercice d’écoute et nous apprenons le verbe «aller». In deze les maken we een luisteroefening en leren we de vervoeging van het werkwoord ‘aller’.

2 Kern

2.1

Inleiding op de luisteroefening

Prenez votre livre à la page 15, exercice 3. Travaillez à deux. Un(e) élève pose les questions, l’autre élève répond.

Neem jullie boek op pagina 15, oefening 3. Werk per twee. Eén leerling stelt de vragen, de andere leerling antwoordt.

Laat de leerlingen hun leerwerkboek nemen op pagina 15 bij oefening 3. Maak duo’s. De ene leerling stelt de vragen (uit de tekstballonnen). De andere leerling kiest een antwoord met behulp van de tekstballonnen en de foto’s met tekst erbij. Zo bouwen de leerlingen korte gesprekken op.

Laat de leerlingen dit een paar keer in duo’s oefenen. Vraag nadien enkele duo’s om hun conversatie voor de groep na te spelen.

Hier kan je het bewerkend/beschrijvend spreken evalueren.

Deze conversaties vormen de brug tussen de dialoog van waaruit het contact opgestart is en de luisteropdracht zo meteen. De leerlingen zetten hier ook reeds een volgende stap in hun ontwikkeling van spreekdurf en het loskomen van vaste dialoogtekst.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Geef sterkere leerlingen de kans om extra zinnen aan hun dialoog toe te voegen. Een begroeting aan het begin of afscheid nemen op het einde kan er zeker bij.

2.2 Luisteroefening

Prenez votre livre à la page 15, exercice 4. Écoutez bien : où va tout le monde? Reliez les personnes à l’endroit correct.

Neem jullie boek op pagina 15, oefening 4. Luister goed: waar gaat iedereen naartoe? Verbind de personen met de juiste plaats.

Laat de leerlingen in hun leerwerkboek opdracht 4 nemen. Bespreek eerst samen de opdracht zodat de leerlingen weten met welk doel ze naar de gesprekken luisteren.

Speel audiofragment 8 met de luisteropdracht af. Laat het een tweede keer horen als je merkt dat niet alle leerlingen de opdracht konden oplossen. Verbeter nadien klassikaal.

1 - Voilà Olivier. Il va où?

- Il va à la gare.

2 - Salut Margot. Tu vas où?

- Je vais à la maison.

3 - Et Marie?

- Marie? Elle va au magasin.

1 Olivier va à la gare

2 Margot va à la maison

3 Marie va au magasin

2.3 Taalhoek

4

- Simon et Sylvie vont où?

- Ils vont à l’école.

5 - Pierre! Cédric! Vous allez où?

- Nous allons au magasin.

4 Simon et Sylvie vont à l’école

5 Pierre et Cédric vont au magasin

Kies je ervoor om inductief te werk te gaan, laat de leerlingen dan eerst opdracht 5 en 6 op pagina 16 van het leerwerkboek maken. Zo kunnen ze zelf de regels uit de taalhoek ontdekken.

In wat volgt omschrijven wij de deductieve aanpak waarbij we eerst de regels toelichten en de leerlingen dan laten verwerken en inoefenen met opdrachten.

In deze les vervoegen we het werkwoord ‘aller’. Voor de leerlingen is het de eerste keer dat ze een werkwoord in het Frans leren vervoegen. We brengen bewust in contact 2, 3 en 4 de werkwoorden ‘aller’, ‘être’ en ‘avoir’ aan, zodat de leerlingen zelf onmiddellijk conversaties kunnen voeren. Daarbij koppelen we direct de persoonlijke voornaamwoorden aan de vervoeging, zowel in het enkelvoud als in het meervoud. Op die manier zien de leerlingen duidelijk het verband en kunnen ze onmiddellijk zinnen maken en vragen beantwoorden. Dat komt niet alleen hun spreekdurf ten goede, maar ook hun plezier in de Franse taal kan op die manier gestimuleerd worden. In de loop van het schooljaar blijven we sterk inzetten op de verankering en herhaling van deze werkwoorden. Vanaf contact 5 gaan we verder in op de werkwoorden op -er die ze geleidelijk aan zullen tegenkomen.

Prenez votre livre à la page 16, le coin de grammaire. On va conjuguer le verbe «aller» (gaan). Neem jullie boek op pagina 16, de taalhoek. We gaan het werkwoord ‘aller’ (gaan) vervoegen.

Laat de leerlingen hun leerwerkboek openleggen op pagina 16 en overloop de vervoeging.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Het is belangrijk dat de leerlingen de vervoeging uit het hoofd leren. Een onthoudtip bij de vervoeging is dat vier vormen beginnen met een v (vais – vas – va – vont) en bij ‘nous’ en ‘vous’ vertrek je van de infinitief (allons – allez).

Bekijk ook goed de persoonlijke voornaamwoorden en koppel ze onmiddellijk aan de vervoeging (let op de verbinding bij nous allons en vous allez). Verduidelijk aan de hand van het tweede kader het verschil tussen ‘ils’ en ‘elles’.

De leerlingen kunnen via de QR-code bij elke taalhoek een instructievideo met de uitleg oproepen

2.4 On s’entraine

Prenez l’exercice 5 à la page 16. On travaille à deux. Un(e) élève forme une question correcte. L’autre élève forme une bonne réponse. Échangez de rôle.

Neem oefening 5 op pagina 16. We werken per twee. Eén leerling vormt een juiste vraag. De andere leerling vormt het antwoord. Wissel van rol.

Prenez l’exercice 6 à la page 16. Complétez la phrase avec le pronom personnel exact. Neem oefening 6 op pagina 16. Vul de zin aan met het passende persoonlijk voornaamwoord.

Met deze rubriek oefenen we mondeling de vervoegingen uit de taalhoek. Laat de leerlingen opdracht 5 in duo’s overlopen. Op de stippen moeten ze zelf de juiste vervoeging gebruiken in hun conversatie.

Het eerste blok bevat opdrachten op herhalend niveau. Het tweede blok bevat opdrachten op beschrijvend/bewerkend niveau: om de juiste vervoeging in de zin in te passen, kunnen de leerlingen het kader op pagina 16 bekijken.

In opdracht 6 vullen de leerlingen op dezelfde manier het correcte persoonlijk voornaamwoord aan in de zin.

Hier kan je het bewerkend/beschrijvend spreken evalueren.

3 Lesafsluiting

Le verbe «aller» est un verbe important. Apprenez la conjugaison par cœur. N’oubliez pas je, tu... Het werkwoord ‘aller’ is ene belangrijk werkwoord. Leer de vervoeging uit het hoofd. Vergeet de persoonlijke voornaamwoorden niet.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Rond klassikaal af door de vervoeging van het werkwoord ‘aller’ te herhalen, gekoppeld aan de persoonlijke voornaamwoorden: de eerste leerling start met ‘je vais’, de tweede leerling vervolgt met ‘tu vas’ … Ga zo de rij af.

Je kan ook bewegend aan de slag: laat de leerlingen al wandelend (op de trap) de vervoeging opzeggen, elke stap (of trede) = de volgende vorm. Wie gaat er het snelst vooruit zonder fouten te maken?

Je kan er ook nog meer competitie aan toevoegen: verdeel de klasgroep in groepen. Welke groep kan als snelste de vervoeging van het werkwoord ‘aller’ tweemaal na elkaar foutloos beurtelings opzeggen?

Heb je eens een moment over in de les, grijp dan af en toe de kans om de vervoeging nog eens te overlopen. Dit werkwoord komt de leerlingen later ook van pas bij het vormen van de futur proche.

Contact 2

Les 3

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

1

Instap

Pour commencer cette leçon, on va parcourir la conjugaison du verbe «aller». Je dis ton nom et tu donnes la forme exacte du verbe. Om deze les te beginnen gaan we de vervoeging van het werkwoord ‘aller’ overlopen. Ik zeg jouw naam en jij geeft de volgende vorm.

Dans cette leçon, nous lisons un petit texte et nous faisons des exercices. In deze les lezen we een korte tekst en maken we oefeningen.

In het dagelijks leven korten we woorden vaak af als we snel iets willen zeggen. Dat is ook zo in het Frans: le / la professeur wordt le / la prof, sympathique wordt sympa … Om tijd uit te sparen, nemen we die afkortingen vaak op in berichten. Onze leestekst vandaag bestaat uit een online gesprek dat heel wat afkortingen bevat.

2 Kern

2.1 Leestekst

On ouvre notre livre à la page 17. Le texte, c’est quoi? We openen ons boek op pagina 17. Wat voor tekst is het? une conversation en ligne een online gesprek

Suivez bien pendant que je lis le texte. Volg goed terwijl ik de tekst voorlees.

Bekijk met de leerlingen de tekst op pagina 17 in het leerwerkboek.

Bespreek:

Ce texte est facile ou difficile? Is deze tekst gemakkelijk of moeilijk?

Quels mots reconnaissez-vous? Welke woorden herkennen jullie?

Faites l’exercice 7. Faites attention aux accents. Maak oefening 7. Let op de accenten.

Laat de leerlingen opdracht 7 maken. Overloop achteraf zeker de oplossing zodat de leerlingen kunnen controleren of ze alle accenten toegevoegd hebben.

Bonjour !

Oui, ça va. Et toi ? À bientôt.

Salut ! Ça va ?

Ça va très bien. À demain !

2.2 Vertalend spreken

Vooraleer te starten met de schrijfoefeningen raden wij aan om de rubriek ‘Nouvelles expressions’ nog eens door te nemen. De leerlingen bedekken de Franse zinnen en vertalen op halfluide toon de Nederlandse zinnen.

On regarde maintenant les nouveaux mots et les nouvelles expressions à la page 14. On cache le français avec la main gauche et on traduit à voix basse.

We bekijken de nieuwe woorden en uitdrukkingen op pagina 14. We bedekken het Frans met de linkerhand en vertalen fluisterend.

2.3 Schrijven

De leerlingen oefenen de woordenschat en de inhoud van dit contact verder in met de schriftelijke oefeningen. De opdrachten zijn in verschillende moeilijkheidsgraden opgebouwd.

We onderscheiden drie verwerkingsniveaus:

- Herhalend: de leerlingen schrijven woorden of zinnen foutloos na. Leerlingen die hier al vlot mee weg zijn kunnen de zinnen in het Frans bedekken nadat ze die gelezen hebben. Ze schrijven de zin daarna over vanuit het geheugen.

- Beschrijvend/bewerkend: de opdrachten vragen wat denkwerk van de leerlingen. Dit zijn associatieoefeningen, chronologisch rangschikken, vertalen, teksten aanvullen of samenstellen aan de hand van aangegeven bouwstenen ...

- Structurerend: er zijn geen aangereikte bouwstenen. De leerlingen doen een beroep op hun kennis of zoeken het gevraagde op (in het leerwerkboek of in hun onthoudboekje Mon mémento 1). Deze opdrachten zijn geen must maar kunnen door vluggere leerlingen afgewerkt worden.

Prenez votre livre à la page 18-19, 22. On parcourt les exercices. Faites les exercices. On travaille en silence. Si nécessaire, vous pouvez utiliser Mon mémento.

Neem jullie boek op pagina 18-19, 22. We overlopen de oefeningen. Maak de oefeningen. We werken in stilte. Als het nodig is, kunnen jullie Mon mémento gebruiken.

De leerlingen nemen hun leerwerkboek pagina 18-19, 22. Overloop kort de opdrachten, zodat die voldoende duidelijk zijn en laat de leerlingen aan de slag gaan. Differentieer waar nodig zodat elke leerling op maat kan werken.

Herhalend: opdracht 8

Beschrijvend: opdracht 9 – 10 – 11 – 12 – 13 – 14*

Structurerend: opdracht 15

*Opdracht 14 is vertalend schrijven. Voor bepaalde leerlingen kan het nuttig zijn om de zinnen eerst mondeling te laten vertalen. Op het einde kan je de opdrachten klassikaal verbeteren, laat alle leerlingen willekeurig aan bod komen.

On corrige les exercices ensemble. We verbeteren de oefeningen klassikaal.

3

Lesafsluiting

Quels exercices sont faciles/difficiles pour toi? Peux-tu conjuguer le verbe «aller»? Peux-tu utiliser «je, tu,…»?

Welke oefeningen zijn gemakkelijk/moeilijk voor jou? Kun je het werkwoord ‘aller’ vervoegen? Kun je de persoonlijke voornaamwoorden gebruiken?

Préparez-vous pour le prochain cours. À la maison, prenez Mon Mémento à la page 1, les mini-dialogues, numéro 1.2. Posez les questions et répondez.

Bereid jullie voor op de volgende les. Neem thuis Mon mémento op pagina 1, de minidialogen van nummer 1.2. Stel vragen en beantwoord ze.

Pratiquez la conjugaison du verbe «aller». N’oubliez pas «je, tu...».

Oefen ook de vervoeging van het werkwoord ‘aller’ en de persoonlijke voornaamwoorden.

Vooraleer je les 4 start, is het zinvol om de leerlingen (thuis) met hun onthoudboekje Mon mémento 1 pagina 1 de minidialogen te laten inoefenen. Geef hen de raad af te wisselen: de antwoorden te bedekken om de vragen te beantwoorden en de vragen formuleren vanuit het lezen van de antwoorden

Zorg er ook voor dat de leerlingen het werkwoord ‘aller’ vlot kunnen vervoegen. Geef hen daarbij voldoende tips om te oefenen: elke keer als ze de trap op en af gaan, hang de vervoeging een tijd uit in de klas, zoek of maak er en een liedje van … De mogelijkheden zijn eindeloos.

Contact 2

Les 4

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

1 Voorkennis activeren

Doorheen de voorbije lessen is de nieuwe woordenschat van dit contact herhaaldelijk geoefend via luisteren, lezen, schrijven en spreken. Nu gaan we een stap verder door in te zetten op vrijere vertolkingen en de leerlingen tot mondelinge interactie aan te zetten.

Leid de opdracht van de mondelinge interactie in:

Aujourd’hui, c’est à vous. Vous allez travailler ensemble pour parler d’où tout le monde va. Vandaag is het aan jullie. Jullie gaan samenwerken om te spreken over waar iedereen naartoe gaat.

2 Kern

2.1 Mondelinge interactie

Mondelinge interactie vormt de belangrijkste rode draad van elk contact. De leerlingen hebben dit normaal gesproken thuis voorbereid. Groepeer de leerlingen in groepen van maximaal vier leerlingen met hetzelfde niveau.

Passepartout biedt hiervoor opdrachten aan op drie niveaus:

- Niveau 1

Leerlingen die het moeilijk hebben met mondelinge interactie nemen het leerwerkboek op pagina 22. Daar vinden ze uitgeschreven zinnen in een kader om zelf een conversatie mee op te bouwen. Dit is het eerste niveau waarbij de meest uitgebreide ondersteuning op zinsniveau geboden wordt.

Let op: het is niet de bedoeling dat de leerlingen alles aflezen van links naar rechts. Ze krijgen alle elementen aangeboden, maar ze moeten opletten dat hun antwoord aansluit bij de vraag.

- Niveau 2

Voor leerlingen die er al vlotter mee weg zijn, bieden we individuele ondersteuning op woordniveau aan. Met de praatplaten 3 tot en met 6 voeren ze in duo’s mindialogen uit. Een leerling stelt een vraag van op de achterzijde, de ander antwoordt. Af en toe wordt de opdracht in het Nederlands verduidelijkt. De leerling die de vraag stelt controleert of de antwoorden correct zijn en biedt, indien nodig, hulp aan in drie fases:

1 De leerling geeft het eerste woord van het antwoord.

2 De leerling geeft de eerste twee woorden van het antwoord.

3 De leerling zegt het antwoord voor, de medeleerling herhaalt het antwoord.

- Niveau 3

De leerlingen die vlot tot mondelinge interactie komen, baseren zich voor het naspelen van een dialoog op de geprojecteerde klassikale prent 2. Zij verwoorden zelf vragen en antwoorden zonder bijkomende ondersteuning.

Zet klassikale prent 2 open op het digitale bord en deel praatplaten 3 tot en met 6 uit aan de duo’s die er gebruik van zullen maken. Laat de leerlingen die er nood aan hebben, het leerwerkboek op pagina 22 gebruiken.

De leerlingen oefenen enkele keren een gesprek. Ze wisselen een paar keer van rol, zodat ze beiden zowel de vragen als de antwoorden geoefend hebben.

Laat een aantal duo’s klassikaal opvoeren wat ze geoefend hebben. Laat hen ook bij de opvoering gebruikmaken van de materialen zoals ze geoefend hebben (naargelang het niveau).

On travaille en groupes.

(niveau 1) Vous travaillez à deux. Regardez votre livre à la page 22: un(e) élève pose les questions, l’autre élève forme des réponses. Échangez de rôle.

(niveau 2) Vous travaillez à deux. Utilisez les scènes de vocabulaire: un(e) élève pose les questions, l’autre élève forme des réponses. Échangez de rôle.

(niveau 3) Vous travaillez à deux: regardez le tableau pour former des phrases correctes.

We werken in groepen.

(niveau 1) Jullie werken per twee. Bekijk jullie boek: één leerling stelt de vragen, een andere leerling vormt antwoorden op die vragen. Wissel van taak.

(niveau 2) Jullie werken per twee. Gebruik de praatplaten: één leerling stelt de vragen, de andere leerling vormt antwoorden op die vragen. Wissel van taak.

(niveau 3) Jullie werken per twee: bekijk het bord om goede zinnen te vormen.

Hier kan je het herhalend (niveau 1) of bewerkend/beschrijvend (niveau 2) spreken evalueren.

3 Lesafsluiting

3.1 Cultuur

Pour terminer ce cours, on va regarder quelques pays et régions où on parle français. Prenez votre livre à la page 20-21.

Om deze les af te sluiten gaan enkele landen en regio’s bekijken waar men Frans spreekt. Neem jullie boek op pagina 20-21.

Où parle-t-on français?

Waar spreekt men Frans?

La France, la Belgique (Wallonie), le Luxembourg, le Canada, le Congo, le Maroc, la Vietnam… Franrijk, België (Wallonië), Luxemburg, Canada, Congo, Marokko, Vietnam …

Vous avez fait un voyage dans un de ces pays?

Ben je al op reis geweest naar één van deze landen?

Naast het bijbrengen van vaardigheden, kennis en attitudes, willen we de leerlingen ook kennis laten maken met de Franstalige socioculturele wereld. Elk contact eindigt met een lesmoment waarbij we een aspect van de cultuur belichten.

3.2 Bewegend leren

On va bouger!

We gaan bewegen!

Vanaf dit contact voorziet Passepartout bij elk contact twee activiteiten bewegend leren. De activiteit bewegend leren kan ofwel op woordenschat of op grammatica oefenen, er is gezorgd voor een afwisseling tussen de contacten. Dat houdt in dat voor de overige contacten naar analogie nog meer activiteiten uitgewerkt kunnen worden indien je dat wil.

Passepartout kiest ervoor om bepaalde werkvormen in de activiteit bewegend leren te laten terugkomen binnen een leerjaar en over de leerjaren heen. Zo zijn de leerlingen snel vertrouwd met de werkvorm en kan alle aandacht naar het inoefenen van de Franse woordenschat of grammatica gaan. Een overzichtstabel van het aanbod werkvormen en onderwerpen bij elk contact vind je op Kabas terug.

Open de lesfiche op Kabas. Print de bijlagen indien van toepassing. De meeste activiteiten vragen daarnaast vrij weinig materiaal (bijvoorbeeld eens een hoepel, kladblad of schrijfgerei) zodat de activiteit snel kan worden opgestart.

3.3 Voorbereiden op de toets

Après le dialogue et la culture, il faut se préparer pour le test. Apprenez les nouveaux mots et les expressions. Apprenez la conjugaison du verbe «aller». N’oubliez pas «je, tu...». Faites les exercices sur Kabas. Consultez Mon mémento si nécessaire.

Na het spreken en de cultuur moeten we ons voorbereiden op de toets. Leer de nieuwe woorden en uitdrukkingen. Leer de vervoeging van het werkwoord aller en de persoonlijke voornaamwoorden. Maak de oefeningen op Kabas. Gebruik indien nodig je onthoudboekje.

Om zich voor te bereiden op de toets, zet je de leerlingen aan het werk met de opdrachten op Kabas: oefenreeksen 2 tot en met 10. Ze nemen er, waar nodig, hun onthoudboekje bij.

Beheersingsreeks

Doel en opbouw

De beheersingsreeks oefent op het einde van elk contact de doelen die aan bod kwamen op drie niveaus en wordt ondersteund door instructievideo’s. Hier gaat het om herhaling of verdieping.

De leerlingen tonen in het adaptieve leerpad dat ze de doelen van dit thema beheersen. Ze krijgen een individueel leerpad voorgeschoteld tot ze voldoende goed scoren.

Kai toont wat de leerlingen moeten leren en bepaalt de volgorde waarin de doelen aan bod komen. Zo krijg elke leerling een op maat samengesteld leerpad.

Als een leerling de doelen beheerst, dan verandert de ksnapometer bij dat doel. De leerlingen kunnen er nog voor kiezen om expert te worden in het doel, maar ze beheersen de basis.

Praktisch

Zo zet je jouw leerlingen aan het werk:

- Ga naar Kabas

- Open de inhoudstafel en klik op het contact waarvoor je de beheersingsreeks wil klaarzetten

- Klik het tabblad ‘leerlingen toegang’ aan

- Vink het contact aan waarvoor je de beheersingsreeks wil klaarzetten.

- Klaar! De leerling krijgt dit leerpad nu in zijn/haar overzicht te zien.

Als leerkracht krijg je in je resultatenscherm een overzicht van de oefenreeks van elke leerling. Je ziet welke opdrachten ze gekregen hebben en wat hun resultaten waren. Je ziet ook welke instructievideo’s aan bod gekomen zijn, als een leerling dit te zien kreeg.

Contact 2

Les 5

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Toets

Focus erop dat de lessen Frans in een prettige en positieve sfeer kunnen verlopen. Toetsen die alleen opgemaakt zijn om een rapportering in cijfers uit te drukken kunnen (vooral zwakkere) leerlingen demotiveren.

On va faire le test. D’abord, on va parcourir tous les exercices. We gaan de toets maken. Eerst gaan we alle oefeningen overlopen.

Bezorg elke leerling kopieerblad 4 met de toets. Overloop samen de opdrachten zodat die voor alle leerlingen duidelijk zijn. Deze toets bevat een luisteroefening, audiofragment 9

1 - Voilà Margot. Elle va à l’école.

2 - Salut Mathieu. Tu vas où?  - Je vais à la maison.

Y a-t-il encore des questions? Bonne chance! Zijn er nog vragen? Veel succes!

Differentiatie

3 - Et Olivier? - Olivier, il va déjà au magasin.

Na elke toets voorziet Passepartout een aanbod aan differentiatiemateriaal. Per vier contacten voorziet Passepartout in het jaarplan een dubbel lesmoment om te herhalen en gedifferentieerd in te oefenen wat in de voorbije vier contacten geleerd werd. Kies je ervoor om te differentiëren na elk contact, voorzie hiervoor dan extra tijd in je jaarplanning.

Automatisch gedifferentieerde taak

Voor Passepartout biedt Kabas de optie om een automatisch gedifferentieerde taak klaar te zetten voor je leerlingen. Die bevat een oefenreeks per geselecteerd doel op zijn of haar niveau, die wordt voorgesteld vanuit Kabas.

Zo’n automatisch gedifferentieerde taak zet je na evaluatie eenvoudig klaar: duid aan waarna je de taak wil geven en geef de scores van de leerlingen op deze evaluatie in. Kabas roept vervolgens de doelen van die evaluatie op en doet op basis van de scores van de leerlingen een voorstel tot remediëringsoefeningen, verdere inoefening of een verrijkingsaanbod.

Je kan dan nog kiezen of die oefeningen effectief aangeboden worden aan elke leerling of bijvoorbeeld enkel aan de leerlingen die remediëring nodig hebben. In je resultatenscherm krijg je een handig overzicht te zien waarbij je kan volgen welke differentiatie elke leerling aangeboden kreeg en hoe die leerling gepresteerd heeft. Neem die info mee naar de verdere contacten.

Remediëring

Beheerst de leerling de woordenschat en grammatica nog niet?

Zet hem of haar aan de slag met de opdrachten van oefenreeks 11 op Kabas of Parachute kopieerblad 5

Beheerst de leerling de uitdrukkingen om te vragen of zeggen waar iemand naartoe gaat nog onvoldoende?

Zet hem of haar aan het werk met het onthoudboekje Mon mémento 1 om de minidialogen te verwerven. Laat deze leerlingen indien mogelijk in duo’s de opdracht mondelinge interactie uit les 4 herhalen.

Verdieping

Laat de leerlingen die de inhoud van contact 2 beheersen, verder oefenen met het oefenaanbod op Kabas. Ze kunnen ook verder oefenen met het aanbod van het werkboek En forme

Passepartout Plus

Passepartout Plus is een set van extra leerwerkboeken die aansluiten op het basisaanbod. Bij elk leerwerkboek van Passepartout hoort ook een boekje van Passepartout Plus met dezelfde opdeling per contact. Wie al Frans geeft vanaf de tweede graad of wie meer dan gemiddeld lestijden Frans geeft, kan hiermee elk contact verder uitbreiden.

Passepartout Plus biedt verdere inoefening van de woordenschat en grammatica. Daarnaast zijn er ook luister- en spreekopdrachtjes en creatievere oefeningen. De leerlingen kunnen zelfstandig met Passepartout Plus aan de slag.

Contact 3

Vous êtes là ?

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Lesdoelen

Les 1 1 De leerlingen kunnen het onderwerp in een luisterfragment bepalen.

2 De leerlingen kunnen vooraf beluisterde woorden en zinnen nazeggen.

3 De leerlingen kunnen de woordenschat rond waar iemand zich bevindt toepassen.

Les 2 1 De leerlingen durven een gesprek in het Frans te voeren.

2 De leerlingen kunnen vooraf beluisterde woorden en zinnen nazeggen.

3 De leerlingen kunnen het werkwoord ‘être’ vervoegen.

4 De leerlingen kunnen het onderscheid maken tussen de (on)bepaalde lidwoorden: un, une / le, la, l’.

Les 3 1 De leerlingen kunnen een eenvoudige narratieve tekst lezen en begrijpen.

2 De leerlingen kunnen foutloos kopiëren.

3 De leerlingen kunnen de woordenschat en zinstructuren rond vragen en zeggen waar iemand zich bevindt functioneel toepassen.

4 De leerlingen kunnen het werkwoord ‘être’ vervoegen.

5 De leerlingen kunnen het onderscheid maken tussen de (on)bepaalde lidwoorden: un, une / le, la, l’.

Les 4 1 De leerlingen kunnen deelnemen aan een gesprek in het Frans waarin ze verwoorden waar iemand zich bevindt.

2 De leerlingen durven een gesprek in het Frans te voeren.

3 De leerlingen kunnen interesse tonen in de Franse taal aan de hand van een lied.

Les 5 Toets en differentiatie

Taalhandelingen en taalsituaties

Nieuwe woorden

Nieuwe uitdrukkingen

- vragen en zeggen waar iemand zich bevindt

un bureau un diner un garage un instant une maman un papa un séjour être dans ici pourquoi prêt(e) sûr(e) un(e)

Tu es où?

Je suis ici.

Je suis dans le séjour.

Elle est où?

Elle est dans le garage.

Tu es sûr?

Ils sont où?

Ils sont dans le bureau.

Vous êtes là?

Oui, nous sommes là.

Le diner est prêt.

Leermiddelen

- Leerwerkboek 1 pagina 23 – 30

- Mon mémento 1 pagina 1 – 5

- Kopieerbladen 6 – 9

- Woordenschatlijst

- Bewegend leren

- Praatplaten 7 – 10

- Klassikale prent 3

- Animatie 3

- Audiofragmenten 10 – 16

- Digitale oefenreeksen: Les bases: oefenreeksen 1 – 2

En plus: oefenreeksen 3 – 10

Parachute: oefenreeks 11

En forme: oefenreeks 12

- Adaptief traject KAI

- Spraakoefening op de woordenschat

- En forme pagina 4

- Passepartout Plus 1 pagina 11 – 14

Contact 3 Les 1

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

1 Voorkennis activeren en lesdoel

Maak een keuze of je dit contact start vanuit optie 1.1, 1.2 of 1.3. Naargelang je keuze volg je hieronder de bijhorende werkvorm en leg je de materialen klaar. In elke optie komen de leerlingen in contact met vragen en zeggen waar iemand naartoe gaat. Rond af met 1.4 en maak de opstap naar de dialoog.

1.1 Plattegrond

Geef elke leerling kopieerblad 6 met daarop de plattegronden. Geef als opdracht:

- Bekijk goed de beschrijvingen.

- Vul de namen van de kamers en van de klassen in op elke plattegrond.

Vinden de leerlingen alle oplossingen? Bespreek de antwoorden.

- Waar is …?

- Hebben jullie nog andere kamers in huis?

- Weten jullie de verschillende klassen in de school zijn?

1.2 Luisteroefening

Toon de leerlingen de plattegrond op kopieerblad 7. Overloop de kamers (en de tuin).

- Jullie zullen nu een fragment horen waarin de verschillende kamers van op de plattegrond aan bod komen. Kunnen jullie noteren wie in welke kamer is?

Speel audiofragment 10 met de luisteroefening af.

Papa is het middageten aan het klaarmaken. Hij staat in de keuken. Hij heeft wat hulp nodig, maar er is niemand anders. Gelukkig ziet hij Elisabeth in de tuin. Hij roept haar.

‘Weet jij waar iedereen is? Ik heb hulp nodig.’

Elisabeth antwoordt: “Ik kan zelf niet helpen, mijn schoenen zijn vuil, maar Nathan zit in de woonkamer, ik kijk even door het raam.” Nathan zit in de zetel, hij gaat volledig op in zijn spel en ziet Elisabeth niet eens staan.

Papa roept dan maar Emma, maar zij zit in het bureau, met de koptelefoon op haar hoofd, dus ook zij reageert niet. Mama kan hij ook niet roepen, die ligt nog te slapen na haar nachtshift. Om zeker niet wakker te worden, hebben ze verduisterende gordijnen aan hun slaapkamerraam en draagt ze oordoppen. Aangezien papa ook de douche nog hoort lopen, weet hij dat hij ook op Gabriel niet zal kunnen rekenen. Als die in de badkamer bezig is, duurt dat nogal lang.

Papa zucht eens, maar hij krijgt plots een idee. Hij roept gewoon dat het eten al klaar is, dan komt iedereen binnen de vijf minuten de keuken binnen.

Bespreek de kamers die aan bod gekomen zijn.

- Hebben jullie deze kamers ook in huis?

- Ontbreken er nog ruimtes in het verhaal?

1.3 Waar is het?

Ik zal telkens verschillende kamers in een huis (of een klas hier op school) beschrijven. Als je weet over welke kamer (of klas) het gaat, schrijf je jouw antwoord op en sta je recht. Ik kom rond om te kijken of het klopt. Probeer dus snel en juist te zijn.

Living / woonkamer

- Er staan vier stoelen.

- Er staat een grote tafel.

- Er staat ook een kleine tafel.

- Er staat een grote kast met enkele glazen deuren.

- Er staat een televisie.

- Er staat een sofa.

Slaapkamer

- Er staat een ladekast.

- Er staat een kleerkast.

- Er staat een laptop.

- Er staat een bureau.

- Er staat een bed.

- Er staat een nachtlampje.

Bureau

- Er staat een computer.

- Er staat een ladekastje.

- Er staat een boekenkast.

- Er hangt een lamp.

- Er ligt een koptelefoon.

- Er staat een bureaustoel.

Badkamer

- Er hangt een spiegel.

- Er is een raam.

- Er liggen kleren op de grond.

- Er hangt een handdoek.

- Er staat een bad.

Garage

- Er ligt een bal.

- Er staat een fiets.

- Er ligt gereedschap.

- Er staat een werkbank.

- Er staat veel voorraad.

- Er staat een auto.

Tuin

- Er ligt een bal.

- Er staan planten.

- Er spelen kinderen.

- Er staan bloemen.

- Er is veel gras.

- Het is niet echt een kamer.

Keuken

- Er staan vier stoelen.

- Er staat een grote tafel.

- Er staat een koelkast.

- Er staan veel kasten.

- Er staat een vaatwasmachine.

- Er staat een fornuis.

Klas (mogelijke tips, aan te passen naargelang de situatie op school)

- Er staan stoelen.

- De muren zijn wit.

- Er staan kasten.

- Er staat een boekenkast.

- Er hangt een wereldkaart.

- Er hangt een digibord.

- De leerlingen zijn … jaar.

- …

1.4 Opstap naar de dialoog

We bespraken enkele kamers in het huis waar we soms zijn. Daarover gaat dit contact.

Voici déjà le troisième contact: «Vous êtes là?». Dans ce cours, nous allons étudier le dialogue. Dans l’animation, papa cherche les enfants. Où sont-ils? Regardez et écoutez l’animation.

Dit is het derde contact: `Zijn jullie daar?’. In deze les gaan we de dialoog bestuderen. In de animatie zoekt papa de kinderen. Waar zijn ze? Bekijk en beluister de animatie.

2 Kern

2.1 Dialoog: de eerste luisterbeurt

Speel animatie 3 met de dialoog af. De leerlingen kijken en luisteren aandachtig.

Bespreek nadien:

- Qu’est-ce qui s’est passé? De quoi s’agit-il?

- Wat is er gebeurd? Waarover gaat het?

Papa cherche tout le monde parce que le diner est prêt.

Papa zoekt iedereen omdat het eten klaar is.

- Comment dit-on en français où on est?

- Hoe zeg je in het Frans waar je bent?

Je suis …

- Quels mots connais-tu déjà?

- Welke woorden die je hoorde, kende je al?

- Quels mots sont nouveaux?

- Welke woorden heb je gehoord die nieuw zijn?

- De quelles pièces de la maison parle-t-on?

- Over welke kamers wordt gesproken? le garage, le bureau, le séjour de garage, het bureau, de woonkamer

De dialoog wordt later nog een aantal keer bekeken en beluisterd. De leerlingen hoeven dus nog niet alles opgepikt te hebben na deze eerste luisterbeurt.

2.2 Nieuwe woordenschat

Prenez votre livre à la page 24. Nous lisons les nouveaux mots. Après chaque mot, on regarde la traduction.

Neem jullie boek op pagina 24. We lezen de nieuwe woorden. Na elk woord bekijken we de vertaling.

Je lis les nouvelles expressions. Regardez chaque fois la traduction. Ik lees de nieuwe uitdrukkingen. Bekijk elke keer de vertaling.

Laat de leerlingen hun leerwerkboek nemen op pagina 24. Overloop het kader met de nieuwe woordenschat. Om de begripsvorming vlot te laten verlopen, vertaal je best meteen de nieuwe woorden, structuren en uitdrukkingen van de dialoog.

Lees in deze fase zelf telkens de Franse woorden voor en laat een korte pauze per woord of uitdrukking zodat de leerlingen de vertaling zelf kunnen lezen.

Het doornemen van het kader mag vlot gaan. De woordenschat wordt doorheen het contact nog veelvuldig verder ingeoefend, dit is pas een eerste kennismaking.

2.3 Dialoog: luisteren en lezen

Nous regardons l’animation une deuxième fois. Pendant qu’on écoute le dialogue, on suit le texte dans le livre ou sur l’écran.

We bekijken de animatie een tweede keer. Terwijl we de dialoog beluisteren, volgen we de tekst in het boek of op het scherm.

Speel animatie 3 voor de tweede keer af. De leerlingen kunnen kijken en luisteren naar de ondertitelde versie of meevolgen in hun leerwerkboek op pagina 23. De uitspraak wordt zo gekoppeld aan het schriftbeeld. Laat de leerlingen de vraag in de sleutels oplossen.

Nous regardons l’animation une troisième fois. Pendant qu’on écoute le dialogue, on peut lire à voix basse.

We bekijken de animatie een derde keer. Terwijl we de dialoog beluisteren, lezen we zachtjes mee.

Speel de dialoog nog een derde keer af. De leerlingen kunnen fluisterend meelezen. Hardop lezen is pas verantwoord als men voldoende geluisterd heeft, dit is dus geen must.

Maintentant je lis le dialogue. Vous répétez chaque phrase après moi.

Nu lees ik de dialoog voor. Jullie herhalen elke zin na mij.

Lees de dialoog zelf voor. De leerlingen herhalen telkens de gelezen zin.

Faites l’exercice 1 à la page 24. Reliez les combinaisons correctes. Maak oefening 1 op pagina 24. Verbind de juiste combinaties.

Neem in het leerwerkboek pagina 24, opdracht 1 erbij. Laat de leerlingen die individueel (of in duo’s) oplossen. Overloop nadien de antwoorden klassikaal.

Als je voelt dat de leerlingen nog veel ondersteuning nodig hebben, kan je ervoor kiezen om deze opdracht klassikaal te maken. Bewaak dan goed dat elke leerling uitgedaagd wordt om mee te denken en gebruik eventueel wisbordjes. Wanneer je liever inzet op individueel werk, dan laat je de leerlingen de dialoog beluisteren via de QR-code in hun werkboek.

2.4 Klankenhoek

Om tot een goed begrip te komen bij het beluisteren van een taal, is kennis van de Franse klanken een belangrijke voorwaarde. Correct uitspreken is in eerste instantie correct horen. Daarom wordt in elk contact de uitspraak van enkele Franse klanken onder de loep genomen.

Prenez votre livre à la page 24 et écoutez. Répétez les mots à haute voix.

Neem jullie boek op pagina 24 en luister. Herhaal de woorden luidop.

Neem het leerwerkboek op pagina 24 erbij en laat audiofragment 11 van de klankenhoek horen. Laat de leerlingen de woorden luidop herhalen. Benadruk de aandachtspunten.

- Oi zeg je niet als hoi, maar wel als wa, zoals in wanneer.

- Als er ou staat in het Frans, spreek je die uit als een Nederlandse oe, zoals in voet.

- De g kan in het Frans op twee manieren uitgesproken worden. Let op het verschil.

Staat de g voor a, o of u, dan spreek je hem uit als in Garfield.

Staat de g voor e of i, dan spreek je hem uit als in Jeanne.

- Let op de verbinding.

Faites l’exercice 2 à la page 24. Prononcez les phrases à haute voix. Travaillez à deux.

Maak oefening 2 op pagina 24. Spreek de zinnen luidop uit. Werk per twee.

Laat de leerlingen opdracht 2 op pagina 24 uitvoeren om dit in te oefenen. Indien nodig laat je audiofragment 12 horen.

De leerlingen kunnen de audio van de klankenhoek individueel opnieuw beluisteren via de QR-code in hun werkboek.

3

Lesafsluiting

3.1 Lezend spreken

Om de eerste les van dit contact af te ronden, neem je de tekst van de dialoog klassikaal door. Kies zelf op basis van de noden van je klasgroep hoe je dit doet.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Heb je het gevoel dat de leerlingen je houvast en ondersteuning nog nodig hebben, lees dan zelf zin per zin de tekst voor. Laat de leerlingen telkens de zin nazeggen.

Konden je leerlingen vrij vlot om met de woordenschat en de uitspraken in de klankenhoek, dan laat je zin per zin door een leerling voorlezen. Zorg er in dat geval voor dat elke leerling aan bod komt. Je kan de dialoog meerdere keren herhalen.

On lit le dialogue encore une fois.

- Moi, je lis le dialogue et vous répétez chaque phrase.

- Quand je dis ton nom, tu lis la phrase suivante.

- Ensuite, on va traduire les phrases. We lezen de dialoog nogmaals.

- Ik lees de dialoog en jullie herhalen elke zin.

- Als ik je naam zeg, lees je de volgende zin.

- Nadien gaan we de zinnen vertalen.

Peux-tu déjà dire où quelqu’un est?

Kan je al zeggen waar iemand is?

3.2 Memoriseren

Geef de leerlingen de opdracht om de dialoog thuis te memoriseren tegen de volgende les.

Dit kunnen ze doen door de dialoog op Kabas te beluisteren of aan de hand van hun leerwerkboek

À la maison, mémorisez le dialogue. Utilisez le livre-cahier ou Kabas. Memoriseer de dialoog thuis. Gebruik je leerwerkboek of Kabas.

Zorg ervoor dat de dialoog en de oefeningen op Kabas openstaan voor de leerlingen.

Differentieer: niet alle leerlingen hoeven de volledige dialoog te memoriseren. Verdeel volgens de noden van je klasgroep.

Contact 3

Les 2

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

1 Instap: spelen van de dialoog

Het memoriseren van dialogen is in een eerste jaar Frans heel belangrijk, zo ontstaan er kapstokfuncties. Vanuit deze startzinnen kunnen de leerlingen zelf tot vrijere vertolkingen komen tijdens mondelinge interactie.

Vous avez mémorisé le dialogue. Maintenant, on va jouer le dialogue en petits groupes. Jullie hebben de dialoog gememoriseerd. Nu gaan we de dialoog naspelen in kleine groepen.

De leerlingen hebben de dialoog gememoriseerd na de vorige les. Verdeel de leerlingen in meerdere groepen zodat elke leerling actief is. Laat de groepen de dialoog naspelen. Doe dit eventueel een tweede keer waarbij ze elk een andere rol opnemen. Loop rond en beluister zoveel mogelijk groepen, laat eventueel één groep de dialoog voor de klas naspelen.

Laat zwakkere leerlingen (en/of leerlingen die bijvoorbeeld afwezig geweest zijn) hun boek bij de hand nemen zodat ze de tekst kunnen aflezen. Met deze opdracht stimuleer je de spreekdurf. Aflezen is beter dan niet deelnemen.

Opgelet: dit naspelen kent een belangrijke functie om tot kapstokfuncties voor het verdere hoofdstuk te komen, maar is niet het hoofdonderdeel van de les. Bewaak de tijd en zorg dat je snel naar de kern van de les kan overgaan.

Hier kan je het herhalend spreken evalueren.

Dans ce cours, nous faisons un exercice d’écoute et nous apprenons le verbe «être» et «un, une, le, la, l’». In deze les maken we een luisteroefening en leren we het werkwoord ‘être’ en de lidwoorden in het enkelvoud.

2 Kern

2.1 Inleiding op

de luisteroefening

Prenez votre livre à la page 25, exercice 3. Travaillez à deux. Un(e) élève pose les questions, l’autre élève répond.

Neem jullie boek op pagina 25, oefening 3. Werk per twee. Eén leerling stelt de vragen, de andere leerling antwoordt.

Laat de leerlingen hun leerwerkboek nemen op pagina 25 bij oefening 3. Maak duo’s. De ene leerling stelt de vragen (uit de tekstballonnen). De andere leerling kiest een antwoord met behulp van de tekstballonnen en de foto’s met tekst erbij. Zo bouwen de leerlingen korte gesprekken op.

Laat de leerlingen dit een paar keer in duo’s oefenen. Vraag nadien enkele duo’s om hun conversatie voor de groep na te spelen.

Hier kan je het bewerkend/beschrijvend spreken evalueren.

Deze conversaties vormen de brug tussen de dialoog van waaruit het contact opgestart is en de luisteropdracht zo meteen. De leerlingen zetten hier ook een volgende stap in hun ontwikkeling van spreekdurf en het loskomen van vaste dialoogtekst.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Geef sterkere leerlingen de kans om extra zinnen aan hun dialoog toe te voegen. Een begroeting aan het begin of afscheid nemen op het einde kan er zeker bij.

2.2 Luisteroefening

Prenez votre livre à la page 25, exercice 4. Écoutez bien: où est tout le monde? Reliez les personnes à l’endroit correct.

Neem jullie boek op pagina 25, oefening 4. Luister goed: waar is iedereen? Verbind de personen met de juiste plaats.

Laat de leerlingen in hun leerwerkboek opdracht 4 nemen. Bespreek eerst samen de opdracht zodat de leerlingen weten met welk doel ze naar de gesprekken luisteren.

Speel audiofragment 13 met de luisteropdracht af. Laat het een tweede keer horen als je merkt dat niet alle leerlingen de opdracht konden oplossen. Verbeter nadien klassikaal.

1 - Julie est où?

- Elle est à l’école.

2 - Et Thomas? Il est où?

- Il est dans le garage.

3 - Valérie! Pierre! Vous êtes où?

- Nous sommes dans le bureau.

- Le diner est prêt.

- Très bien.

4 - Papa et maman sont où?

- Ils sont là.

- Où ça?

- Dans le séjour.

5

- Marie et Sylvie sont où?

- Elles sont à la gare.

1 Julie est à l’école 4 Papa et maman sont dans le séjour

2 Thomas est dans le garage

3 Valérie et Pierre sont dans le bureau

2.3 Taalhoek

5 Marie et Sylvie sont à la gare

Kies je ervoor om inductief te werk te gaan, laat de leerlingen dan eerst opdracht 5 en 6 op pagina 26 en 27 van het leerwerkboek maken. Zo kunnen ze zelf de regels uit de taalhoek ontdekken.

In wat volgt omschrijven wij de deductieve aanpak waarbij we eerst de regels toelichten en de leerlingen dan laten verwerken en inoefenen met opdrachten.

In deze les vervoegen we het werkwoord ‘être’. Daarbij koppelen we direct de persoonlijke voornaamwoorden aan de vervoeging, zowel in het enkelvoud als in het meervoud. Op die manier zien de leerlingen duidelijk het verband en kunnen ze onmiddellijk zinnen maken en vragen beantwoorden. Dat komt niet alleen hun spreekdurf ten goede, maar ook hun plezier in de Franse taal kan op die manier gestimuleerd worden. In de loop van het schooljaar blijven we sterk inzetten op de verankering en herhaling van dit werkwoord.

Prenez votre livre à la page 26, le coin de grammaire. On va conjuguer le verbe «être». Neem jullie boek op pagina 26, de taalhoek. We gaan het werkwoord ‘être’ (zijn) vervoegen.

Laat de leerlingen hun leerwerkboek openleggen op pagina 26 en overloop de vervoeging.

Bekijk opnieuw goed de persoonlijke voornaamwoorden en koppel ze onmiddellijk aan de vervoeging (let op de verbinding bij vous êtes).

De leerlingen kunnen via de QR-code bij elke taalhoek een instructievideo met de uitleg oproepen.

‘Être’ is het tweede werkwoord voor de leerlingen. Zorg dat ze ook hiervan de vervoeging uit het hoofd leren

Prenez votre livre à la page 26, le deuxième coin de grammaire. On apprend les articles au singulier. Neem jullie boek op pagina 26, de tweede taalhoek. We leren de lidwoorden in het enkelvoud..

Laat de leerlingen hun leerwerkboek openleggen op pagina 26 en overloop de lidwoorden.

2.4 On s’entraine

Prenez l’exercice 5 à la page 26. On travaille à deux. Un(e) élève forme une question correcte. L’autre élève forme une bonne réponse. Échangez de rôle.

Neem oefening 5 op pagina 26. We werken per twee. Eén leerling vormt een juiste vraag. De andere leerling vormt het antwoord. Wissel van rol.

Prenez l’exercice 6 à la page 27. Complétez avec l’article qui convient.

Neem oefening 6 op pagina 27. Vul aan met het passende lidwoord.

Met deze rubriek oefenen we mondeling de vervoegingen uit de taalhoek. Laat de leerlingen opdracht 5 in duo’s overlopen. Op de stippen moeten ze zelf de juiste vervoeging gebruiken in hun conversatie.

Het eerste blok bevat opdrachten op herhalend niveau. Het tweede blok bevat opdrachten op beschrijvend/bewerkend niveau: om de juiste vervoeging in de zin in te passen, kunnen de leerlingen het kader bovenaan pagina 26 bekijken.

In opdracht 6 vullen de leerlingen het juiste lidwoord aan.

Hier kan je het bewerkend/beschrijvend spreken evalueren.

3 Lesafsluiting

Le verbe «être» est un deuxième verbe important. Apprenez la conjugaison par cœur. N’oubliez pas «je, tu...» Apprenez aussi «un, une, le, la, l’». Het werkwoord ‘être’ is een tweede belangrijk werkwoord. Leer de vervoeging uit het hoofd. Vergeet de persoonlijke voornaamwoorden niet. Leer ook de lidwoorden.

Rond klassikaal af door de vervoeging van het werkwoord ‘être’ te herhalen, gekoppeld aan de persoonlijke voornaamwoorden: de eerste leerling start met ‘je suis, de tweede leerling vervolgt met ‘tu es’ … Ga zo de rij af.

Je kan ook bewegend aan de slag: laat de leerlingen al wandelend (op de trap) de vervoeging opzeggen, elke stap (of trede) = de volgende vorm. Wie gaat er het snelst vooruit zonder fouten te maken?

Je kan er ook nog meer competitie aan toevoegen: verdeel de klasgroep in groepen. Welke groep kan als snelste de vervoeging van het werkwoord ‘être’ tweemaal na elkaar foutloos beurtelings opzeggen?

Heb je eens een moment over in de les, grijp dan af en toe de kans om de vervoeging nog eens te overlopen. Het werkwoord komt de leerlingen later ook van pas bij het vormen van de passé composé.

1 Instap

Pour commencer cette leçon on va parcourir la conjugaison du verbe «être». Je dis ton nom et tu donnes la forme exacte du verbe.

Om deze les te beginnen gaan we de vervoeging van het werkwoord ‘aller’ overlopen. Ik zeg jouw naam en jij geeft de volgende vorm.

On va répéter quelques mots. Faites l’exercice 10 sur Kabas. We gaan enkele woorden herhalen. Maak oefenreeks 10 op Kabas.

Dans cette leçon, nous lisons un petit texte et nous faisons des exercices. In deze les lezen we een korte tekst en maken we oefeningen.

2 Kern

2.1 Leestekst

On ouvre notre livre à la page 27. Le texte, c’est quoi? We openen ons boek op pagina 27. Wat voor tekst is het? une histoire een verhaal

Suivez bien pendant que je lis le texte. Volg goed terwijl ik de tekst voorlees.

Lees met de leerlingen de tekst op pagina 27 in het leerwerkboek.

Bespreek:

Où est tout le monde? Waar is iedereen?

Faites l’exercice 7. Maak oefening 7.

Laat de leerlingen opdracht 7 maken. Overloop achteraf zeker de oplossing zodat de leerlingen kunnen controleren of hun antwoorden correct zijn.

2.2 Vertalend spreken

Vooraleer te starten met de schrijfoefeningen raden wij aan om de rubriek ‘Nouvelles expressions’ nog eens door te nemen. De leerlingen bedekken de Franse zinnen en vertalen op halfluide toon de Nederlandse zinnen.

On regarde maintenant les nouveaux mots et les nouvelles expressions à la page 24. On cache le français avec la main gauche et on traduit à voix basse.

We bekijken de nieuwe woorden en uitdrukkingen op pagina 24. We bedekken het Frans met de linkerhand en vertalen fluisterend.

2.3 Schrijven

De leerlingen oefenen de woordenschat en de inhoud van dit contact verder in met de schriftelijke oefeningen.

We onderscheiden drie verwerkingsniveaus:

- Herhalend: de leerlingen schrijven woorden of zinnen foutloos na. Leerlingen die hier al vlot mee weg zijn kunnen de zinnen in het Frans bedekken nadat ze die gelezen hebben. Ze schrijven de zin daarna over vanuit het geheugen.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

- Beschrijvend/bewerkend: de opdrachten vragen wat denkwerk van de leerlingen. Dit zijn associatieoefeningen, chronologisch rangschikken, vertalen, teksten aanvullen of samenstellen aan de hand van aangegeven bouwstenen ...

- Structurerend: er zijn geen aangereikte bouwstenen. De leerlingen doen een beroep op hun kennis of zoeken het gevraagde op (in het leerwerkboek of in hun onthoudboekje Mon mémento 1). Deze opdrachten zijn geen must maar kunnen door vluggere leerlingen afgewerkt worden.

Prenez votre livre à la page 27-29. On parcourt les exercices. Faites les exercices. On travaille en silence. Si nécessaire, vous pouvez utiliser Mon mémento. We openen ons boek op pagina 27-29. We overlopen de oefeningen. Maak de oefeningen. We werken in stilte. Als het nodig is, kunnen jullie Mon mémento gebruiken.

De leerlingen nemen hun leerwerkboek pagina 27-29. Overloop kort de opdrachten, zodat die voldoende duidelijk zijn en laat de leerlingen aan de slag gaan. Differentieer waar nodig zodat elke leerling op maat kan werken.

Herhalend: opdracht 8

Beschrijvend: opdracht 9 – 10 – 11 – 12 – 13 – 14*

Structurerend: opdracht 15

*Opdracht 14 is vertalend schrijven. Voor bepaalde leerlingen kan het nuttig zijn om de zinnen eerst mondeling te laten vertalen. Op het einde kan je de opdrachten klassikaal verbeteren, laat alle leerlingen willekeurig aan bod komen.

On corrige les exercices ensemble. We verbeteren de oefeningen klassikaal.

3 Lesafsluiting

Quels exercices sont faciles/difficiles pour toi? Peux-tu conjuguer le verbe «être»? Peux-tu utiliser «un, une,le, la, l’»?

Welke oefeningen zijn gemakkelijk/moeilijk voor jou? Kan je het werkwoord ‘être’ vervoegen? Kan je de lidwoorden gebruiken?

Préparez-vous pour le prochain cours. À la maison, prenez Mon Mémento à la page 1, les mini-dialogues, numéro 1.3. Posez les questions et répondez.

Bereid jullie voor op de volgende les. Neem thuis Mon mémento op pagina 1, de minidialogen van nummer 1.3. Stel vragen en beantwoord ze.

Pratiquez les articles et la conjugaison du verbe «être». Oefen ook de lidwoorden en de vervoeging van het werkwoord ‘être’.

Vooraleer je les 4 start, is het zinvol om de leerlingen (thuis) met hun onthoudboekje Mon mémento 1 pagina 1 de minidialogen te laten inoefenen. Geef hen de raad af te wisselen: de antwoorden te bedekken om de vragen te beantwoorden en de vragen formuleren vanuit het lezen van de antwoorden.

Zorg er ook voor dat de leerlingen de werkwoorden ‘être’ en ‘aller’ vlot kunnen vervoegen. Geef hen daarbij voldoende tips om te oefenen: elke keer als ze de trap op en af gaan, hang de vervoeging een tijd uit in de klas, zoek of maak er en een liedje van … De mogelijkheden zijn eindeloos.

Contact 3

1 Voorkennis activeren

Doorheen de voorbije lessen is de nieuwe woordenschat van dit contact herhaaldelijk geoefend via luisteren, lezen, schrijven en spreken. Nu gaan we een stap verder door in te zetten op vrijere vertolkingen en de leerlingen tot mondelinge interactie aan te zetten.

Leid de opdracht van de mondelinge interactie in:

Aujourd’hui, c’est à vous. Vous allez travailler ensemble pour parler d’où tout le monde est. Vandaag is het aan jullie. Jullie gaan samenwerken om een te spreken over waar iedereen is

2 Kern

2.1 Mondelinge interactie

Mondelinge interactie vormt de belangrijkste rode draad van elk contact. De leerlingen hebben dit normaal gesproken thuis voorbereid. Groepeer de leerlingen in groepen van maximaal vier leerlingen met hetzelfde niveau.

Passepartout biedt hiervoor opdrachten aan op drie niveaus:

- Niveau 1

Leerlingen die het moeilijk hebben met mondelinge interactie nemen het leerwerkboek op pagina 29. Daar vinden ze uitgeschreven zinnen in een kader om zelf een conversatie mee op te bouwen. Dit is het eerste niveau waarbij de meest uitgebreide ondersteuning op zinsniveau geboden wordt

Let op: het is niet de bedoeling dat de leerlingen alles aflezen van links naar rechts. Ze krijgen alle elementen aangeboden, maar ze moeten opletten dat hun antwoord aansluit bij de vraag.

- Niveau 2

Voor leerlingen die er al vlotter mee weg zijn, bieden we individuele ondersteuning op woordniveau aan. Met de praatplaten 7 tot en met 10 voeren ze in duo’s mindialogen uit. Een leerling stelt een vraag van op de achterzijde, de ander antwoordt. Af en toe wordt de opdracht in het Nederlands verduidelijkt. De leerling die de vraag stelt controleert of de antwoorden correct zijn en biedt, indien nodig, hulp aan in drie fases:

1 De leerling geeft het eerste woord van het antwoord.

2 De leerling geeft de eerste twee woorden van het antwoord.

3 De leerling zegt het antwoord voor, de medeleerling herhaalt het antwoord.

- Niveau 3

De leerlingen die vlot tot mondelinge interactie komen, baseren zich voor het naspelen van een dialoog op de geprojecteerde klassikale prent 3. Zij verwoorden zelf vragen en antwoorden zonder bijkomende ondersteuning.

Zet klassikale prent 3 open op het digitale bord en deel praatplaten 7 tot en met 10 uit aan de duo’s die er gebruik van zullen maken. Laat de leerlingen die er nood aan hebben, het leerwerkboek op pagina 29 gebruiken.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

De leerlingen oefenen enkele keren een gesprek. Ze wisselen een paar keer van rol, zodat ze beiden zowel de vragen als de antwoorden geoefend hebben.

Laat een aantal duo’s klassikaal opvoeren wat ze geoefend hebben. Laat hen ook bij de opvoering gebruikmaken van de materialen zoals ze geoefend hebben (naargelang het niveau).

On travaille en groupes.

(niveau 1) Vous travaillez à deux. Regardez votre livre à la page 29: un(e) élève pose les questions, l’autre élève forme des réponses. Échangez de rôle.

(niveau 2) Vous travaillez à deux. Utilisez les scènes de vocabulaire: un(e) élève pose les questions, l’autre élève forme des réponses. Échangez de rôle.

(niveau 3) Vous travaillez à deux: regardez le tableau pour former des phrases correctes.

We werken in groepen.

(niveau 1) Jullie werken per twee. Bekijk jullie boek: één leerling stelt de vragen, de andere leerling vormt antwoorden op die vragen. Wissel van taak.

(niveau 2) Jullie werken per twee. Gebruik de praatplaten: één leerling stelt de vragen, de andere leerling vormt antwoorden op die vragen. Wissel van taak.

(niveau 3) Jullie werken per twee: bekijk het bord om goede zinnen te vormen.

Hier kan je het herhalend (niveau 1) of bewerkend/beschrijvend (niveau 2) spreken evalueren.

3 Lesafsluiting

3.1 Cultuur

Pour terminer ce cours, on va écouter une chanson. Prenez votre livre à la page 30 pour le texte. Om deze les af te sluiten gaan we een lied beluisteren. Neem jullie boek op pagina 30 voor de tekst.

Naast het bijbrengen van vaardigheden, kennis en attitudes, willen we de leerlingen ook kennis laten maken met de Franstalige socioculturele wereld. Elk contact eindigt met een lesmoment waarbij we een aspect van de cultuur belichten.

Rond het derde contact af door audiofragment 15 met het lied ‘Tu es où?’ te beluisteren. De leerlingen hebben de tekst in hun leerwerkboek op pagina 30. Je kiest zelf of ze vrij luisteren of meevolgen in hun boek.

3.2 Bewegend leren

On va bouger!

We gaan bewegen!

Bij elk contact voorziet Passepartout twee activiteiten bewegend leren. De activiteit bewegend leren kan ofwel op woordenschat of op grammatica oefenen, er is gezorgd voor een afwisseling tussen de contacten. Dat houdt in dat voor de overige contacten naar analogie nog meer activiteiten uitgewerkt kunnen worden indien je dat wil.

Passepartout kiest ervoor om bepaalde werkvormen in de activiteit bewegend leren te laten terugkomen binnen een leerjaar en over de leerjaren heen. Zo zijn de leerlingen snel vertrouwd met de werkvorm en kan alle aandacht naar het inoefenen van de Franse woordenschat of grammatica gaan. Een overzichtstabel van het aanbod werkvormen en onderwerpen bij elk contact vind je op Kabas terug.

Open de lesfiche op Kabas. Print de bijlagen indien van toepassing. De meeste activiteiten vragen daarnaast vrij weinig materiaal (bijvoorbeeld eens een hoepel, kladblad of schrijfgerei) zodat de activiteit snel kan worden opgestart.

3.3 Voorbereiden op de toets

Après le dialogue et la chanson, il faut se préparer pour le test. Apprenez les nouveaux mots et les expressions. Apprenez la conjugaison du verbe «être» et «un, une, le, la, l’». Faites les exercices sur Kabas. Consultez Mon mémento si nécessaire.

Na het spreken en het lied moeten we ons voorbereiden op de toets. Leer de nieuwe woorden en uitdrukkingen. Leer de vervoeging van het werkwoord ‘être’ en de lidwoorden. Maak de oefeningen op Kabas. Gebruik indien nodig je onthoudboekje..

Om zich voor te bereiden op de toets, zet je de leerlingen aan het werk met de opdrachten op Kabas: oefenreeksen 2 tot en met 10. Ze nemen er, waar nodig, hun onthoudboekje bij.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Beheersingsreeks

Doel en opbouw

De beheersingsreeks oefent op het einde van elk contact de doelen die aan bod kwamen op drie niveaus en wordt ondersteund door instructievideo’s. Hier gaat het om herhaling of verdieping.

De leerlingen tonen in het adaptieve leerpad dat ze de doelen van dit thema beheersen. Ze krijgen een individueel leerpad voorgeschoteld tot ze voldoende goed scoren.

Kai toont wat de leerlingen moeten leren en bepaalt de volgorde waarin de doelen aan bod komen. Zo krijg elke leerling een op maat samengesteld leerpad.

Als een leerling de doelen beheerst, dan verandert de ksnapometer bij dat doel. De leerlingen kunnen er nog voor kiezen om expert te worden in het doel, maar ze beheersen de basis.

Praktisch

Zo zet je jouw leerlingen aan het werk:

- Ga naar Kabas

- Open de inhoudstafel en klik op het contact waarvoor je de beheersingsreeks wil klaarzetten

- Klik het tabblad ‘leerlingen toegang’ aan

- Vink het contact aan waarvoor je de beheersingsreeks wil klaarzetten.

- Klaar! De leerling krijgt dit leerpad nu in zijn/haar overzicht te zien.

Als leerkracht krijg je in je resultatenscherm een overzicht van de oefenreeks van elke leerling. Je ziet welke opdrachten ze gekregen hebben en wat hun resultaten waren. Je ziet ook welke instructievideo’s aan bod gekomen zijn, als een leerling dit te zien kreeg.

Contact 3

Les 5

Toets

Focus erop dat de lessen Frans in een prettige en positieve sfeer kunnen verlopen. Toetsen die alleen opgemaakt zijn om een rapportering in cijfers uit te drukken kunnen (vooral zwakkere) leerlingen demotiveren.

On va faire le test. D’abord, on va parcourir tous les exercices. We gaan de toets maken. Eerst gaan we alle oefeningen overlopen.

Bezorg elke leerling kopieerblad 8 met de toets. Overloop samen de opdrachten zodat die voor alle leerlingen duidelijk zijn. Deze toets bevat een luisteroefening, audiofragment 16

1 - Nicolas est où?

- Il est dans le garage.

2 - Le diner est prêt. Claire est où?

- Elle est dans le séjour.

Y a-t-il encore des questions? Bonne chance!

Zijn er nog vragen? Veel succes!

Differentiatie

3

- Julie et Thomas sont où?

- Pourquoi?

- Nous allons au magasin.

- Ils sont dans le bureau.

Na elke toets voorziet Passepartout een aanbod aan differentiatiemateriaal. Per vier contacten voorziet Passepartout in het jaarplan een dubbel lesmoment om te herhalen en gedifferentieerd in te oefenen wat in de voorbije vier contacten geleerd werd. Kies je ervoor om te differentiëren na elk contact, voorzie hiervoor dan extra tijd in je jaarplanning.

Automatisch gedifferentieerde taak

Voor Passepartout biedt Kabas de optie om een automatisch gedifferentieerde taak klaar te zetten voor je leerlingen. Die bevat een oefenreeks per geselecteerd doel op zijn of haar niveau, die wordt voorgesteld vanuit Kabas

Zo’n automatisch gedifferentieerde taak zet je na evaluatie eenvoudig klaar: duid aan waarna je de taak wil geven en geef de scores van de leerlingen op deze evaluatie in. Kabas roept vervolgens de doelen van die evaluatie op en doet op basis van de scores van de leerlingen een voorstel tot remediëringsoefeningen, verdere inoefening of een verrijkingsaanbod.

Je kan dan nog kiezen of die oefeningen effectief aangeboden worden aan elke leerling of bijvoorbeeld enkel aan de leerlingen die remediëring nodig hebben. In je resultatenscherm krijg je een handig overzicht te zien waarbij je kan volgen welke differentiatie elke leerling aangeboden kreeg en hoe die leerling gepresteerd heeft. Neem die info mee naar de verdere contacten.

Remediëring

Beheerst de leerling de woordenschat en grammatica nog niet?

Zet hem of haar aan de slag met de opdrachten van oefenreeks 11 op Kabas of Parachute kopieerblad 9

Beheerst de leerling de uitdrukkingen om te vragen of zeggen waar iemand is nog onvoldoende?

Zet hem of haar aan het werk met het onthoudboekje Mon mémento 1 om de minidialogen te verwerven. Laat deze leerlingen indien mogelijk in duo’s de opdracht mondelinge interactie uit les 4 herhalen.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Verdieping

Laat de leerlingen die de inhoud van contact 3 beheersen, verder oefenen met het oefenaanbod op Kabas. Ze kunnen ook verder oefenen met het aanbod van het werkboek En forme

Passepartout Plus

Passepartout Plus is een set van extra leerwerkboeken die aansluiten op het basisaanbod. Bij elk leerwerkboek van Passepartout hoort ook een boekje van Passepartout Plus met dezelfde opdeling per contact. Wie al Frans geeft vanaf de tweede graad of wie meer dan gemiddeld lestijden Frans geeft, kan hiermee elk contact verder uitbreiden.

Passepartout Plus biedt verdere inoefening van de woordenschat en grammatica. Daarnaast zijn er ook luister- en spreekopdrachtjes en creatievere oefeningen. De leerlingen kunnen zelfstandig met Passepartout Plus aan de slag.

Contact 4

Tu as de la chance

Lesdoelen

Les 1 1 De leerlingen kunnen het onderwerp in een luisterfragment bepalen.

2 De leerlingen kunnen vooraf beluisterde woorden en zinnen nazeggen.

3 De leerlingen kunnen de woordenschat rond verjaardagen toepassen.

Les 2 1 De leerlingen durven een gesprek in het Frans te voeren.

2 De leerlingen kunnen vooraf beluisterde woorden en zinnen nazeggen.

3 De leerlingen kunnen het werkwoord ‘avoir’ vervoegen.

4 De leerlingen kunnen op verschillende manieren een vraag stellen.

Les 3 1 De leerlingen kunnen informatie uit een tekst halen.

2 De leerlingen kunnen foutloos kopiëren.

3 De leerlingen kunnen de woordenschat en zinstructuren rond verjaardagen functioneel toepassen.

4 De leerlingen kunnen het werkwoord ‘avoir’ vervoegen.

5 De leerlingen kunnen op verschillende manieren een vraag stellen.

Les 4 1 De leerlingen kunnen deelnemen aan een gesprek in het Frans waarin ze een verjaardag vieren.

2 De leerlingen durven een gesprek in het Frans te voeren.

3 De leerlingen kunnen interesse tonen in de Franse taal aan de hand van een lied.

Les 5 Toets en differentiatie

Taalhandelingen en taalsituaties

Nieuwe woorden

Nieuwe uitdrukkingen

- iemand een gelukkige verjaardag wensen - iemand een geschenk aanbieden - verwondering uitdrukken en bedanken

un anniversaire un cadeau un CD la chance un cinéma un film un jeu (vidéo)

Bon anniversaire

Joyeux anniversaire

J’ai un cadeau pour toi. Super!

C’est quoi?

la musique une question un ticket de cinéma aimer avoir regarder beaucoup

Qu’est-ce que c’est?

C’est un jeu vidéo.

C’est qui?

Bien sûr! Merci (beaucoup).

bon(ne) content(e ) formidable joyeux, joyeuse moderne pour qui quoi

C’est formidable.

Je suis très content.

Tu as de la chance.

Ça alors!

J’ai une question.

Aimes-tu regarder un film?

Leermiddelen

- Leerwerkboek 1 pagina 31 – 39

- Mon mémento 1 pagina 1 – 5

- Kopieerbladen 10 – 12

- Woordenschatlijst

- Praatplaten 11 – 12

- Klassikale prent 4

- Animatie 4

- Audiofragmenten 17 – 22

- Kahoot

- Sorteertool

- Digitale oefenreeksen:

Les bases: oefenreeksen 1 – 2

En plus: oefenreeksen 3 – 10

Parachute: oefenreeks 11

En forme: oefenreeks 12

- Adaptief traject KAI

- Spraakoefening op de woordenschat

- En forme pagina 5 – 6

- Passepartout Plus 1 pagina 15 – 19

Contact 4

Les 1

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

1 Voorkennis activeren en lesdoel

Maak een keuze of je dit contact start vanuit optie 1.1, 1.2 of 1.3. Naargelang je keuze volg je hieronder de bijhorende werkvorm en leg je de materialen klaar. In elke optie komen de leerlingen in contact met het vieren van een verjaardag. Rond af met 1.4 en maak de opstap naar de dialoog.

1.1 Quiz

Verdeel de leerlingen in groepen en werk met de digitale oefening via Kahoot of deel kopieerblad 10 uit.

Wat hoort niet in de rij? Zoek telkens uit wat niet past in de rij. Kunnen jullie ontdekken waarover de volgende dialoog zal gaan? Kijk daarvoor naar de foto’s die je aangeduid hebt, welk thema zou er bij al die foto’s passen?

1. blij – verdrietig – boos – sip

2. sla – tomaat – taart – appel

3. kaars – ijsblok – koud – sneeuw

4. les volgen – toets maken – studeren – spelen

5. cadeau – lepel – mes – glas

1.2 Sorteertool

Open de sorteertool op je digitaal bord. Laat de leerlingen in groepen de woordkaarten lezen. Geef als opdracht:

- Verdeel de kaarten in verschillende groepen.

- Bedenk een titel voor elke groep.

Merken de leerlingen dat alles te maken kan hebben met een verjaardag? Laat hen aan bord komen om de woordkaarten te plaatsen onder één van de rubrieken en bespreek:

- Welke kaarten horen bij ‘verjaardagseten’? cupcakes, taart, pannenkoeken, frietjes

- Welke kaarten horen bij ‘verjaardagsactiviteiten’? gaan bowlen, zoektocht, gaan zwemmen, muzikaal pak spelen

- Welke kaarten horen bij ‘verjaardagsgeschenken’? videogame, skeelers, speelgoed, stripverhaal

1.3 Klasgesprek

Start de les met een klasgesprek:

- Wie is er al jarig geweest dit jaar?

- Wat heb je gedaan voor je laatste verjaardag of wat zou je eens willen doen?

- Wie nodig je uit op je verjaardagsfeestjes?

- Wat eet je graag op je verjaardag?

- Welke geschenken krijg je graag?

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

1.4 Opstap naar de dialoog

Vat samen hoe een verjaardagsfeest er kan uitzien en maak de koppeling naar de dialoog.

Connaissez-vous des mots français liés à un anniversaire?

Kennen jullie Franse woorden die te maken hebben met een verjaardag (zoals geschenken, eten, feest, uitstapjes …)? un cadeau, un dessert, aller au cinéma …

Voici le quatrième contact: «Tu as de la chance». Dans ce cours, nous allons étudier le dialogue. Dans l’animation, c’est l’anniversaire d’Adam. Les copains viennent à la fête et ils ont des cadeaux. Regardez et écoutez l’animation.

Dit is het vierde contact: `Jij hebt geluk’. In deze les gaan we de dialoog bestuderen. In de animatie is het de verjaardag van Adam. De vrienden komen naar het feest en ze hebben geschenken bij. Bekijk en beluister de animatie.

2 Kern

2.1 Dialoog: de eerste luisterbeurt

Speel animatie 4 met de dialoog af. De leerlingen kijken en luisteren aandachtig. Bespreek nadien:

- Qu’est-ce qui s’est passé? De quoi s’agit-il?

- Wat is er gebeurd? Waarover gaat het?

Adam fête son anniversaire et ses amis lui rendent visite avec un cadeau. Adam viert zijn verjaardag en zijn vrienden komen langs met een geschenk.

- Comment dit-on «gelukkige verjaardag»?

- Hoe kun je in het Frans ‘gelukkige verjaardag’ zeggen? Bon anniversaire! Joyeux anniversaire!

- De quels cadeaux parle-t-on ?

- Over welke geschenken wordt er gesproken? un ticket de cinéma, un jeu vidéo moderne (un CD)

- Quels mots connais-tu déjà?

- Welke woorden die je hoorde, kende je al?

- Quels mots sont nouveaux?

- Welke woorden heb je gehoord die nieuw zijn?

De dialoog wordt later nog een aantal keer bekeken en beluisterd. De leerlingen hoeven dus nog niet alles opgepikt te hebben na deze eerste luisterbeurt.

2.2 Nieuwe woordenschat

Prenez votre livre à la page 32. Nous lisons les nouveaux mots. Après chaque mot, on regarde la traduction.

Neem jullie boek op pagina 32. We lezen de nieuwe woorden. Na elk woord bekijken we de vertaling.

Je lis les nouvelles expressions. Regardez chaque fois la traduction.

Ik lees de nieuwe uitdrukkingen. Bekijk elke keer de vertaling.

Laat de leerlingen hun leerwerkboek nemen op pagina 32. Overloop het kader met de nieuwe woordenschat. Om de begripsvorming vlot te laten verlopen, vertaal je best meteen de nieuwe woorden, structuren en uitdrukkingen van de dialoog.

Lees in deze fase zelf telkens de Franse woorden voor en laat een korte pauze per woord of uitdrukking zodat de leerlingen de vertaling zelf kunnen lezen.

Het doornemen van het kader mag vlot gaan. De woordenschat wordt doorheen het contact nog veelvuldig verder ingeoefend, dit is pas een eerste kennismaking.

2.3 Dialoog: luisteren en lezen

Nous regardons l’animation une deuxième fois. Pendant qu’on écoute le dialogue, on suit le texte dans le livre ou sur l’écran.

We bekijken de animatie een tweede keer. Terwijl we de dialoog beluisteren, volgen we de tekst in het boek of op het scherm.

Speel animatie 4 voor de tweede keer af. De leerlingen kunnen kijken en luisteren naar de ondertitelde versie of meevolgen in hun leerwerkboek op pagina 31. De uitspraak wordt zo gekoppeld aan het schriftbeeld. Laat de leerlingen de vraag in de sleutel oplossen.

Nous regardons l’animation une troisième fois. Pendant qu’on écoute le dialogue, on peut lire à voix basse.

We bekijken de animatie een derde keer. Terwijl we de dialoog beluisteren, lezen we zachtjes mee.

Speel de dialoog nog een derde keer af. De leerlingen kunnen fluisterend meelezen. Hardop lezen is pas verantwoord als men voldoende geluisterd heeft, dit is dus geen must.

Maintenant je lis le dialogue. Vous répétez chaque phrase après moi.

Nu lees ik de dialoog voor. Jullie herhalen elke zin na mij.

Lees de dialoog zelf voor. De leerlingen herhalen telkens de gelezen zin.

Faites l’exercice 1 à la page 32. Reliez les combinaisons correctes. Maak oefening 1 op pagina 32. Verbind de juiste combinaties.

Neem in het leerwerkboek pagina 32, opdracht 1 erbij. Laat de leerlingen die individueel (of in duo’s) oplossen. Overloop nadien de antwoorden klassikaal.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Als je voelt dat de leerlingen nog veel ondersteuning nodig hebben, kan je ervoor kiezen om deze opdracht klassikaal te maken. Bewaak dan goed dat elke leerling uitgedaagd wordt om mee te denken en gebruik eventueel wisbordjes. Wanneer je liever inzet op individueel werk, dan laat je de leerlingen de dialoog beluisteren via de QRcode in hun werkboek.

2.4 Klankenhoek

Om tot een goed begrip te komen bij het beluisteren van een taal, is kennis van de Franse klanken een belangrijke voorwaarde. Correct uitspreken is in eerste instantie correct horen. Daarom wordt in elk contact de uitspraak van enkele Franse klanken onder de loep genomen.

Prenez votre livre à la page 32 et écoutez. Répétez les mots à haute voix.

Neem jullie boek op pagina 32 en luister. Herhaal de woorden luidop.

Neem het leerwerkboek op pagina 32 erbij en laat audiofragment 17 van de klankenhoek horen. Laat de leerlingen de woorden luidop herhalen. Benadruk de aandachtspunten.

- De klank ien spreek je niet uit als tien, maar als Lucien.

- Maak de verbinding.

Faites l’exercice 2 à la page 33. Prononcez les phrases à haute voix. Travaillez à deux.

Maak oefening 2 op pagina 33. Spreek de zinnen luidop uit. Werk per twee.

Laat de leerlingen opdracht 2 op pagina 33 uitvoeren om dit in te oefenen. Indien nodig laat je audiofragment 18 horen.

De leerlingen kunnen de audio van de klankenhoek individueel opnieuw beluisteren via de QR-code in hun werkboek.

3 Lesafsluiting

3.1 Lezend spreken

Om de eerste les van dit contact af te ronden, neem je de tekst van de dialoog klassikaal door. Kies zelf op basis van de noden van je klasgroep hoe je dit doet.

Heb je het gevoel dat de leerlingen je houvast en ondersteuning nog nodig hebben, lees dan zelf zin per zin de tekst voor.

Laat de leerlingen telkens de zin nazeggen.

Konden je leerlingen vrij vlot om met de woordenschat en de uitspraken in de klankenhoek, dan laat je zin per zin door een leerling voorlezen. Zorg er in dat geval voor dat elke leerling aan bod komt. Je kan de dialoog meerdere keren herhalen.

On lit le dialogue encore une fois.

- Moi, je lis le dialogue et vous répétez chaque phrase.

- Quand je dis ton nom, tu lis la phrase suivante.

- Ensuite, on va traduire les phrases.

We lezen de dialoog nogmaals.

- Ik lees de dialoog en jullie herhalen elke zin.

- Als ik je naam zeg, lees je de volgende zin.

- Nadien gaan we de zinnen vertalen.

Peux-tu déjà demander ou dire quelque chose pendant une fête d’anniversaire?

Kan jij al iets vragen of zeggen tijdens een verjaardagsfeestje?

3.2 Memoriseren

Geef de leerlingen de opdracht om de dialoog thuis te memoriseren tegen de volgende les.

Dit kunnen ze doen door de dialoog op Kabas te beluisteren of aan de hand van hun leerwerkboek

À la maison, mémorisez le dialogue. Utilisez le livre-cahier ou Kabas.

Memoriseer de dialoog thuis. Gebruik je leerwerkboek of Kabas.

Zorg ervoor dat de dialoog en de oefeningen op Kabas openstaan voor de leerlingen.

Differentieer: niet alle leerlingen hoeven de volledige dialoog te memoriseren. Verdeel volgens de noden van je klasgroep.

Contact 4

Les 2

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

1 Instap: spelen van de dialoog

Het memoriseren van dialogen is in een eerste jaar Frans heel belangrijk, zo ontstaan er kapstokfuncties. Vanuit deze startzinnen kunnen de leerlingen zelf tot vrijere vertolkingen komen tijdens mondelinge interactie.

Vous avez mémorisé le dialogue. Maintenant, on va jouer le dialogue en petits groupes.

Jullie hebben de dialoog gememoriseerd. Nu gaan we de dialoog naspelen in kleine groepen.

De leerlingen hebben de dialoog gememoriseerd na de vorige les. Verdeel de leerlingen in meerdere groepen zodat elke leerling actief is. Laat de groepen de dialoog naspelen. Doe dit eventueel een tweede keer waarbij ze elk een andere rol opnemen. Loop rond en beluister zoveel mogelijk groepen, laat eventueel één groep de dialoog voor de klas naspelen.

Laat zwakkere leerlingen (en/of leerlingen die bijvoorbeeld afwezig geweest zijn) hun boek bij de hand nemen zodat ze de tekst kunnen aflezen. Met deze opdracht stimuleer je de spreekdurf. Aflezen is beter dan niet deelnemen.

Opgelet: dit naspelen kent een belangrijke functie om tot kapstokfuncties voor het verdere hoofdstuk te komen, maar is niet het hoofdonderdeel van de les. Bewaak de tijd en zorg dat je snel naar de kern van de les kan overgaan.

Hier kan je het herhalend spreken evalueren.

Dans ce cours, nous faisons un exercice d’écoute, nous apprenons le verbe «avoir» et nous posons des questions.

In deze les maken we een luisteroefening, leren we het werkwoord ‘avoir’ en stellen we vragen.

2 Kern

2.1

Inleiding op de luisteroefening

Prenez votre livre à la page 33, exercice 3. Travaillez à deux. Un(e) élève pose les questions, l’autre élève répond.

Neem jullie boek op pagina 33, oefening 3. Werk per twee. Eén leerling stelt de vragen, de andere leerling antwoordt.

Laat de leerlingen hun leerwerkboek nemen op pagina 33 bij oefening 3. Maak duo’s. De ene leerling stelt de vragen (uit de tekstballonnen). De andere leerling kiest een antwoord met behulp van de tekstballonnen en de foto’s met tekst erbij. Zo bouwen de leerlingen korte gesprekken op.

Laat de leerlingen dit een paar keer in duo’s oefenen. Vraag nadien enkele duo’s om hun conversatie voor de groep na te spelen.

Hier kan je het bewerkend/beschrijvend spreken evalueren.

Deze conversaties vormen de brug tussen de dialoog van waaruit het contact opgestart is en de luisteropdracht zo meteen. De leerlingen zetten hier ook een volgende stap in hun ontwikkeling van spreekdurf en het loskomen van vaste dialoogtekst.

Geef sterkere leerlingen de kans om extra zinnen aan hun dialoog toe te voegen. Een begroeting bij het begin of afscheid nemen bij het einde kan er eventueel bij. Vragen waar iemand is of naartoe gaat, is zeker ook een optie.

2.2 Luisteroefening

Prenez votre livre à la page 33, exercice 4. Écoutez bien: si c’est une question, écrivez un point d’interrogation. Si ce n’est pas une question, mettez une croix.

Neem jullie boek op pagina 33, oefening 4. Luister goed: als je een vraag hoort, schrijf je een vraagteken. Als het geen vraag is, plaats je een kruisje.

Laat de leerlingen in hun leerwerkboek opdracht 4 nemen. Bespreek eerst samen de opdracht zodat de leerlingen weten met welk doel ze naar de gesprekken luisteren.

Speel audiofragment 19 met de luisteropdracht af. Laat het een tweede keer horen als je merkt dat niet alle leerlingen de opdracht konden oplossen. Verbeter nadien klassikaal.

1 Il a un cadeau pour toi.

2 Vas-tu dans le séjour?

3 C’est quoi?

4 Qui est là?

5 Elles sont dans le bureau.

1

6 Brigitte est où?

7 Il est content?

8 Où allez-vous?

9 Christophe a le jeu.

10 Est-ce qu’il est à l’école?

Bij moeilijkheden kun je overlopen hoe je een gesproken vraag kan herkennen. Verwijs daarbij naar de stijgende toonhoogte.

2.3 Taalhoek

Kies je ervoor om inductief te werk te gaan, laat de leerlingen dan eerst opdracht 5 en 6 op pagina 34 en 35 van het leerwerkboek maken. Zo kunnen ze zelf de regels uit de taalhoek ontdekken.

In wat volgt omschrijven wij de deductieve aanpak waarbij we eerst de regels toelichten en de leerlingen dan laten verwerken en inoefenen met opdrachten.

In deze les vervoegen we het werkwoord ‘avoir’. Daarbij koppelen we direct de persoonlijke voornaamwoorden aan de vervoeging, zowel in het enkelvoud als in het meervoud. Op die manier zien de leerlingen duidelijk het verband en kunnen ze onmiddellijk zinnen maken en vragen beantwoorden. Dat komt niet alleen hun spreekdurf ten goede, maar ook hun plezier in de Franse taal kan op die manier gestimuleerd worden. In de loop van het schooljaar blijven we sterk inzetten op de verankering en herhaling van dit werkwoord.

Prenez votre livre à la page 33, le coin de grammaire. On va conjuguer le verbe «avoir». Neem jullie boek op pagina 33, de taalhoek. We gaan het werkwoord ‘avoir’ vervoegen.

Laat de leerlingen hun leerwerkboek openleggen op pagina 33 en overloop de vervoegingen.

Een derde belangrijk werkwoord wordt in dit contact aangebracht. Zorg ervoor dat de leerlingen de vervoegingen vlot uit het hoofd leren. Let erop dat de leerlingen van in het begin een duidelijk onderscheid maken tussen ils ont (van avoir), ils sont (van être) en ils vont (van aller).

Regardez la page suivante. On apprend comment on peut poser des questions. Bekijk de volgende pagina. We leren hoe we vragen kunnen stellen.

Overloop het tweede kader op pagina 34 in het leerwerkboek. Aansluitend bij de luisteropdracht bespreken we de vraagzinnen.

In het Frans kun je op verschillende manieren een vraag stellen: een intonatievraag, een inversievraag, een vraag met ‘Est-ce que’ of een vraagwoordvraag. Bij een inversievraag met il of elle, wanneer het werkwoord niet eindigt op een t, wordt -t- toegevoegd.

Est-il à la maison?

Est-elle là?

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Va-t-il à la gare?

A-t-elle le cadeau?

De leerlingen kunnen via de QR-code bij elke taalhoek een instructievideo met de uitleg oproepen.

2.4 On s’entraine

Prenez l’exercice 5 à la page 34. On travaille à deux. Un(e) élève forme une question correcte. L’autre élève forme une bonne réponse. Échangez de rôle.

Neem oefening 5 op pagina 34 We werken per twee. Eén leerling vormt een juiste vraag. De andere leerling vormt het antwoord. Wissel van rol.

Prenez l’exercice 6 à la page 34. Posez à tour de rôle les bonnes questions.

Neem oefening 6 op pagina 34. Stel om beurten de juiste vragen.

Met deze rubriek oefenen we mondeling de vervoegingen uit de taalhoek. Laat de leerlingen opdracht 5 in duo’s overlopen. Op de stippen moeten ze zelf het juiste werkwoord of voornaamwoord gebruiken in hun conversatie.

Het eerste blok bevat opdrachten op herhalend niveau. Het tweede en derde blok bevatten opdrachten op beschrijvend/bewerkend niveau: om de juiste vervoeging in de zin in te passen, kunnen de leerlingen het kader onderaan pagina 33 bekijken.

In opdracht 6 vormen de leerlingen mededelende zinnen om tot vragen van de verschillende types.

Hier kan je het bewerkend/beschrijvend spreken evalueren.

3 Lesafsluiting

Le verbe «avoir» est un troisième verbe important. Apprenez la conjugaison par cœur. Écrivez la conjugaison (sur un tableau effaçable). Het werkwoord ‘avoir’ is een derde belangrijk werkwoord. Leer de vervoeging uit het hoofd. Noteer de vervoeging (op een wisbordje).

In het aanleren van de Franse taal zijn we op een belangrijk moment gekomen. We hebben drie van de meest gebruikte werkwoorden aangeleerd. Het is van belang dat elke leerling deze drie werkwoorden beheerst. Ze moeten niet alleen de werkwoordvervoegingen in de juiste volgorde per werkwoord kunnen geven, maar ze ook door elkaar kunnen gebruiken. Doorheen de volgende contacten en herhalingsmomenten zetten we er regelmatig op in om dit te herhalen en te verankeren.

Heb je eens een moment over in de les, grijp dan af en toe de kans om de vervoegingen nog eens te overlopen. Deze werkwoorden komen de leerlingen later ook van pas bij het vormen van de futur proche en de passé composé.

Contact 4

Les 3

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

1 Instap

Pour commencer cette leçon on va parcourir la conjugaison du verbe «avoir». Je dis ton nom et tu donnes la forme exacte du verbe.

Om deze les te beginnen gaan we de vervoeging van het werkwoord ‘avoir’ overlopen. Ik zeg jouw naam en jij geeft de volgende vorm.

Dans cette leçon, nous lisons un petit texte et nous faisons des exercices. In deze les lezen we een korte tekst en maken we oefeningen.

De leerlingen komen op een leeftijd dat ze, onder andere via games en binnenkort ook via sociale media, meer en meer in aanraking komen met ongevraagde berichten of reclame. In dit contact laten we hen ook in het Frans met deze tekstsoort in aanraking komen.

2 Kern

2.1 Leestekst

On ouvre notre livre à la page 35. Le texte, c’est quoi? We openen ons boek op pagina 35. Wat voor tekst is het? un courriel, un e-mail een e-mail

Suivez bien pendant que je lis le texte / qu’on écoute le texte. Volg goed terwijl ik de tekst voorlees / we de tekst beluisteren.

Lees met de leerlingen de e-mail op pagina 35 in het leerwerkboek. Indien nodig kun je de versie van audiofragment 20 laten horen.

Bespreek:

C’est un e-mail normal d’un copain? Is dit een normale e-mail van een vriend?

Que faites-vous avec des courriels bizarres? Wat doen jullie met vreemde e-mails?

2.2 Vertalend spreken

Vooraleer te starten met de schrijfoefeningen raden wij aan om de rubriek ‘Nouvelles expressions’ nog eens door te nemen. De leerlingen bedekken de Franse zinnen en vertalen op halfluide toon de Nederlandse zinnen.

On regarde maintenant les nouveaux mots et les nouvelles expressions à la page 32. On cache le français avec la main gauche et on traduit à voix basse.

We bekijken de nieuwe woorden en uitdrukkingen op pagina 35. We bedekken het Frans met de linkerhand en vertalen fluisterend.

2.3 Schrijven

De leerlingen oefenen de woordenschat en de inhoud van dit contact verder in met de schriftelijke oefeningen.

We onderscheiden drie verwerkingsniveaus:

- Herhalend: de leerlingen schrijven woorden of zinnen foutloos na. Leerlingen die hier al vlot mee weg zijn kunnen de zinnen in het Frans bedekken nadat ze die gelezen hebben. Ze schrijven de zin daarna over vanuit het geheugen.

- Beschrijvend/bewerkend: de opdrachten vragen wat denkwerk van de leerlingen. Dit zijn associatieoefeningen, chronologisch rangschikken, vertalen, teksten aanvullen of samenstellen aan de hand van aangegeven bouwstenen ...

- Structurerend: er zijn geen aangereikte bouwstenen. De leerlingen doen een beroep op hun kennis of zoeken het gevraagde op (in het leerwerkboek of in hun onthoudboekje Mon mémento 1). Deze opdrachten zijn geen must maar kunnen door vluggere leerlingen afgewerkt worden.

Prenez votre livre à la page 35-38. On parcourt les exercices. Faites les exercices. On travaille en silence. Si nécessaire, vous pouvez utiliser Mon mémento.

We openen ons boek op pagina 35-38. We overlopen de oefeningen. Maak de oefeningen. We werken in stilte. Als het nodig is, kunnen jullie Mon mémento gebruiken.

De leerlingen nemen hun leerwerkboek pagina 35. Overloop kort de opdrachten, zodat die voldoende duidelijk zijn en laat de leerlingen aan de slag gaan. Differentieer waar nodig zodat elke leerling op maat kan werken.

Herhalend: opdracht 8

Beschrijvend: opdracht 9 – 10 – 11 – 12 – 13 – 14 – 15 – 16*

Structurerend: opdracht 17

*Opdracht 16 is vertalend schrijven. Voor bepaalde leerlingen kan het nuttig zijn om de zinnen eerst mondeling te laten vertalen. Op het einde kan je de opdrachten klassikaal verbeteren, laat alle leerlingen willekeurig aan bod komen.

On corrige les exercices ensemble. We verbeteren de oefeningen klassikaal.

3 Lesafsluiting

Quels exercices sont faciles/difficiles pour toi? Peux-tu conjuguer le verbe «avoir»? Peux-tu poser des questions?

Welke oefeningen zijn gemakkelijk/moeilijk voor jou? Kan je het werkwoord ‘avoir’ vervoegen? Kan je vragen stellen?

Préparez-vous pour le prochain cours. À la maison, prenez Mon Mémento à la page 2, les mini-dialogues, numéro 1.4. Posez les questions et répondez.

Bereid jullie voor op de volgende les. Neem thuis Mon mémento op pagina 1, de minidialogen van nummer 1.4. Stel vragen en beantwoord ze.

Pratiquez les conjugaisons des verbes. Oefen ook de vervoegingen van de werkwoorden.

Vooraleer je les 4 start, is het zinvol om de leerlingen (thuis) met hun onthoudboekje Mon mémento 1 pagina 2 de minidialogen te laten inoefenen. Geef hen de raad af te wisselen: de antwoorden te bedekken om de vragen te beantwoorden en de vragen formuleren vanuit het lezen van de antwoorden.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Zorg er ook voor dat de leerlingen de werkwoorden ‘avoir’, ‘être’ en ‘aller’ vlot kunnen vervoegen. Geef hen daarbij voldoende tips om te oefenen: elke keer als ze de trap op en af gaan, hang de vervoeging een tijd uit in de klas, zoek of maak er en een liedje van … De mogelijkheden zijn eindeloos.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

1 Voorkennis activeren

Doorheen de voorbije lessen is de nieuwe woordenschat van dit contact herhaaldelijk geoefend via luisteren, lezen, schrijven en spreken. Nu gaan we een stap verder door in te zetten op vrijere vertolkingen en de leerlingen tot mondelinge interactie aan te zetten.

Leid de opdracht van de mondelinge interactie in:

Aujourd’hui, c’est à vous. Vous allez travailler ensemble pour jouer un anniversaire. Vandaag is het aan jullie. Jullie gaan samenwerken om een verjaardag na te spelen.

2 Kern

2.1 Mondelinge interactie

Mondelinge interactie vormt de belangrijkste rode draad van elk contact. De leerlingen hebben dit normaal gesproken thuis voorbereid. Groepeer de leerlingen in groepen van maximaal vier leerlingen met hetzelfde niveau.

Passepartout biedt hiervoor opdrachten aan op drie niveaus:

- Niveau 1

Leerlingen die het moeilijk hebben met mondelinge interactie nemen het leerwerkboek op pagina 38. Daar vinden ze uitgeschreven zinnen in een kader om zelf een conversatie mee op te bouwen. Dit is het eerste niveau waarbij de meest uitgebreide ondersteuning op zinsniveau geboden wordt.

Let op: het is niet de bedoeling dat de leerlingen alles aflezen van links naar rechts. Ze krijgen alle elementen aangeboden, maar ze moeten opletten dat hun antwoord aansluit bij de vraag.

- Niveau 2

Voor leerlingen die er al vlotter mee weg zijn, bieden we individuele ondersteuning op woordniveau aan. Met de praatplaten 11 en 12 voeren ze in duo’s mindialogen uit. Een leerling stelt een vraag van op de achterzijde, de ander antwoordt. Af en toe wordt de opdracht in het Nederlands verduidelijkt. De leerling die de vraag stelt controleert of de antwoorden correct zijn en biedt, indien nodig, hulp aan in drie fases:

1 De leerling geeft het eerste woord van het antwoord.

2 De leerling geeft de eerste twee woorden van het antwoord.

3 De leerling zegt het antwoord voor, de medeleerling herhaalt het antwoord.

- Niveau 3

De leerlingen die vlot tot mondelinge interactie komen, baseren zich voor het naspelen van een dialoog op de geprojecteerde klassikale prent 4. Zij verwoorden zelf vragen en antwoorden zonder bijkomende ondersteuning.

Zet klassikale prent 4 open op het digitale bord en deel praatplaten 11 en 12 uit aan de duo’s die er gebruik van zullen maken. Laat de leerlingen die er nood aan hebben, het leerwerkboek op pagina 38 gebruiken.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

De leerlingen oefenen enkele keren een gesprek. Ze wisselen een paar keer van rol, zodat ze beiden zowel de vragen als de antwoorden geoefend hebben.

Laat een aantal duo’s klassikaal opvoeren wat ze geoefend hebben. Laat hen ook bij de opvoering gebruikmaken van de materialen zoals ze geoefend hebben (naargelang het niveau).

On travaille en groupes.

(niveau 1) Vous travaillez à deux. Regardez votre livre à la page 33: un(e) élève pose les questions, l’autre élève forme des réponses. Échangez de rôle.

(niveau 2) Vous travaillez à deux. Utilisez les scènes de vocabulaire: un(e) élève pose les questions, l’autre élève forme des réponses. Échangez de rôle.

(niveau 3) Vous travaillez à deux: regardez le tableau pour former des phrases correctes.

We werken in groepen.

(niveau 1) Jullie werken per twee. Bekijk jullie boek: één leerling stelt de vragen, een andere leerling vormt antwoorden op die vragen. Wissel van taak.

(niveau 2) Jullie werken per twee. Gebruik de praatplaten: één leerling stelt de vragen, een andere leerling vormt antwoorden op die vragen. Wissel van taak.

(niveau 3) Jullie werken per twee: bekijk het bord om goede zinnen te vormen.

Hier kan je het herhalend (niveau 1) of bewerkend/beschrijvend (niveau 2) spreken evalueren.

Een leuk idee kan zijn om de verjaardagen van de leerlingen vanaf nu in het Frans te vieren. Laat de jarige leerling zelf een Frans lied kiezen om af te spelen (waarbij hij of zij eventueel traktaties uitdeelt of vuistjes krijgt van de andere leerlingen …). Eén van de andere leerlingen kan een (nep-)cadeautje geven (gewoon iets wat in de klas ligt: een boek, een balpen …).

3 Lesafsluiting

3.1 Cultuur

Pour terminer ce cours, on va écouter une chanson. Prenez votre livre à la page 39 pour le texte. Om deze les af te sluiten gaan we een lied beluisteren. Neem jullie boek op pagina 39 voor de tekst.

Naast het bijbrengen van vaardigheden, kennis en attitudes, willen we de leerlingen ook kennis laten maken met de Franstalige socioculturele wereld. Elk contact eindigt met een lesmoment waarbij we een aspect van de cultuur belichten.

Rond het vierde contact af door audiofragment 21 met het lied ‘Bon anniversaire’ te beluisteren. De leerlingen hebben de tekst in hun leerwerkboek op pagina 39. Je kiest zelf of ze vrij luisteren of meevolgen in hun boek.

3.2 Bewegend leren

On va bouger!

We gaan bewegen!

Bij elk contact voorziet Passepartout twee activiteiten bewegend leren. De activiteit bewegend leren kan ofwel op woordenschat of op grammatica oefenen, er is gezorgd voor een afwisseling tussen de contacten. Dat houdt in dat voor de overige contacten naar analogie nog meer activiteiten uitgewerkt kunnen worden indien je dat wil.

Passepartout kiest ervoor om bepaalde werkvormen in de activiteit bewegend leren te laten terugkomen binnen een leerjaar en over de leerjaren heen. Zo zijn de leerlingen snel vertrouwd met de werkvorm en kan alle aandacht naar het inoefenen van de Franse woordenschat of grammatica gaan. Een overzichtstabel van het aanbod werkvormen en onderwerpen bij elk contact vind je op Kabas terug.

Open de lesfiche op Kabas. Print de bijlagen indien van toepassing. De meeste activiteiten vragen daarnaast vrij weinig materiaal (bijvoorbeeld eens een hoepel, kladblad of schrijfgerei) zodat de activiteit snel kan worden opgestart.

3.3 Voorbereiden op de toets

Après le dialogue et la chanson, il faut se préparer pour le test. Apprenez les nouveaux mots et les expressions. Apprenez la conjugaison du verbe «avoir» et à poser des questions. Faites les exercices sur Kabas. Consultez Mon mémento si nécessaire.

Na het spreken en het lied moeten we ons voorbereiden op de toets. Leer de nieuwe woorden en uitdrukkingen. Leer de vervoeging van het werkwoord avoir en vragen stellen. Maak de oefeningen op Kabas. Gebruik indien nodig je onthoudboekje.

Om zich voor te bereiden op de toets, zet je de leerlingen aan het werk met de opdrachten op Kabas: oefenreeksen 2 tot en met 10. Ze nemen er, waar nodig, hun onthoudboekje bij.

Beheersingsreeks

Doel en opbouw

De beheersingsreeks oefent op het einde van elk contact de doelen die aan bod kwamen op drie niveaus en wordt ondersteund door instructievideo’s. Hier gaat het om herhaling of verdieping.

De leerlingen tonen in het adaptieve leerpad dat ze de doelen van dit thema beheersen. Ze krijgen een individueel leerpad voorgeschoteld tot ze voldoende goed scoren.

Kai toont wat de leerlingen moeten leren en bepaalt de volgorde waarin de doelen aan bod komen. Zo krijg elke leerling een op maat samengesteld leerpad.

Als een leerling de doelen beheerst, dan verandert de ksnapometer bij dat doel. De leerlingen kunnen er nog voor kiezen om expert te worden in het doel, maar ze beheersen de basis.

Praktisch

Zo zet je jouw leerlingen aan het werk:

- Ga naar Kabas

- Open de inhoudstafel en klik op het contact waarvoor je de beheersingsreeks wil klaarzetten

- Klik het tabblad ‘leerlingen toegang’ aan

- Vink het contact aan waarvoor je de beheersingsreeks wil klaarzetten.

- Klaar! De leerling krijgt dit leerpad nu in zijn/haar overzicht te zien.

Als leerkracht krijg je in je resultatenscherm een overzicht van de oefenreeks van elke leerling. Je ziet welke opdrachten ze gekregen hebben en wat hun resultaten waren. Je ziet ook welke instructievideo’s aan bod gekomen zijn, als een leerling dit te zien kreeg.

Contact 4

Toets

Focus erop dat de lessen Frans in een prettige en positieve sfeer kunnen verlopen. Toetsen die alleen opgemaakt zijn om een rapportering in cijfers uit te drukken kunnen (vooral zwakkere) leerlingen demotiveren.

On va faire le test. D’abord, on va parcourir tous les exercices. We gaan de toets maken. Eerst gaan we alle oefeningen overlopen.

Bezorg elke leerling kopieerblad 11 met de toets. Overloop samen de opdrachten zodat die voor alle leerlingen duidelijk zijn. Deze toets bevat een luisteroefening, audiofragment 22

1 Christophe est très content.

2 Est-il dans le bureau?

3 Est-ce que tu as le cadeau?

Y a-t-il encore des questions? Bonne chance!

Zijn er nog vragen? Veel succes!

Differentiatie

4 Pierre aime la musique.

5 Marie a de la chance.

6 Allez-vous déjà à l’école?

Na elke toets voorziet Passepartout een aanbod aan differentiatiemateriaal. Per vier contacten voorziet Passepartout in het jaarplan een dubbel lesmoment om te herhalen en gedifferentieerd in te oefenen wat in de voorbije vier contacten geleerd werd. Kies je ervoor om te differentiëren na elk contact, voorzie hiervoor dan extra tijd in je jaarplanning.

Automatisch gedifferentieerde taak

Voor Passepartout biedt Kabas de optie om een automatisch gedifferentieerde taak klaar te zetten voor je leerlingen. Die bevat een oefenreeks per geselecteerd doel op zijn of haar niveau, die wordt voorgesteld vanuit Kabas

Zo’n automatisch gedifferentieerde taak zet je na evaluatie eenvoudig klaar: duid aan waarna je de taak wil geven en geef de scores van de leerlingen op deze evaluatie in. Kabas roept vervolgens de doelen van die evaluatie op en doet op basis van de scores van de leerlingen een voorstel tot remediëringsoefeningen, verdere inoefening of een verrijkingsaanbod.

Je kan dan nog kiezen of die oefeningen effectief aangeboden worden aan elke leerling of bijvoorbeeld enkel aan de leerlingen die remediëring nodig hebben. In je resultatenscherm krijg je een handig overzicht te zien waarbij je kan volgen welke differentiatie elke leerling aangeboden kreeg en hoe die leerling gepresteerd heeft. Neem die info mee naar de verdere contacten.

Remediëring

Beheerst de leerling de woordenschat en grammatica nog niet?

Zet hem of haar aan de slag met de opdrachten van oefenreeks 11 op Kabas of Parachute kopieerblad 12

Beheerst de leerling de uitdrukkingen om iemand een gelukkige verjaardag te wensen nog onvoldoende?

Zet hem of haar aan het werk met het onthoudboekje Mon mémento 1 om de minidialogen te verwerven. Laat deze leerlingen indien mogelijk in duo’s de opdracht mondelinge interactie uit les 4 herhalen.

Verdieping

Laat de leerlingen die de inhoud van contact 4 beheersen, verder oefenen met het oefenaanbod op Kabas. Ze kunnen ook verder oefenen met het aanbod van het werkboek En forme

Passepartout Plus

Passepartout Plus is een set van extra leerwerkboeken die aansluiten op het basisaanbod. Bij elk leerwerkboek van Passepartout hoort ook een boekje van Passepartout Plus met dezelfde opdeling per contact. Wie al Frans geeft vanaf de tweede graad of wie meer dan gemiddeld lestijden Frans geeft, kan hiermee elk contact verder uitbreiden.

Passepartout Plus biedt verdere inoefening van de woordenschat en grammatica. Daarnaast zijn er ook luister- en spreekopdrachtjes en creatievere oefeningen. De leerlingen kunnen zelfstandig met Passepartout Plus aan de slag.

Contact 1-4

Herhaling en uitgebreide

toetsen

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

1 Voorkennis activeren

Per vier contacten is er een herhalingsmoment. De leerlingen krijgen tijd om op een gevarieerde manier de woordenschat en zinsstructuren te herhalen en in te oefenen vooraleer we een volgend blok van vier contacten starten.

Leid de herhaling in:

Aujourd’hui, on va répéter le contenu des premiers contacts. Qu’avez-vous déjà appris ?

Vandaag gaan we de inhoud van de eerste contacten herhalen. Wat hebben jullie al geleerd?

2 Kern

2.1 Rollenspel

Het rollenspel ‘J’ai un cadeau pour Thomas’ in het leerwerkboek op pagina 40 herhaalt de woordenschat van de voorgaande contacten. Je kan ervoor kiezen om de leerlingen dit rollenspel vooraf thuis enkele keren te laten doorlezen of te memoriseren, indien nodig met behulp van audiofragment 23. Laat de leerlingen dit in groep naspelen in klas. Zorg voor gevarieerde groepen van vier leerlingen.

2.2 Herhalingsopdrachten

De schriftelijke herhalingsopdrachten zijn volgens de verschillende moeilijkheidsgraden opgebouwd.

- Herhalend: de leerlingen schrijven woorden of zinnen foutloos na. Leerlingen die hier al vlot mee weg zijn kunnen de zinnen in het Frans bedekken nadat ze die gelezen hebben. Ze schrijven de zin daarna over vanuit het geheugen.

- Beschrijvend: de opdrachten vragen wat denkwerk van de leerlingen: associatieoefeningen, chronologisch rangschikken, teksten aanvullen of samenstellen aan de hand van aangegeven bouwstenen …

- Structurerend: er zijn geen aangereikte bouwstenen. De leerlingen doen een beroep op hun kennis of ze zoeken het gevraagde op (in het leerwerkboek of in hun onthoudboekje Mon mémento 1). Deze opdrachten zijn geen must, maar kunnen door vluggere leerlingen afgewerkt worden.

Bij deze herhalingsopdrachten zijn er ook enkele speelsere oefenvormen. Om dat mogelijk te maken heb je extra materiaal nodig.

Voor opdracht 6 hebben de leerlingen één dobbelsteen per groep nodig en één pion per persoon. (Heb je geen dobbelsteen voorzien, kies dan een digitale dobbelsteen of schrijf willekeurig een reeks cijfers (van 1-6) op het bord die de worpen van de dobbelsteen voorstellen. Als pion kunnen de leerlingen zelf iets kiezen.)

Voor opdracht 7 voorzie je een schaar voor elke leerling en een envelop of iets dergelijks om de kaartjes in te bewaren.

De leerlingen nemen hun leerwerkboek pagina 41. Overloop kort de opdrachten, zodat die voldoende duidelijk zijn en laat de leerlingen aan de slag gaan. Differentieer waar nodig, zodat elke leerling op maat kan werken.

Bij de herhalingsopdrachten zit ook een luisteroefening, opdracht 2, audiofragment 24. Beslis zelf of je deze opdracht eerst klassikaal doet of ter afronding van het individuele oefenmoment.

1 - À bientôt, Antoine. - Oui, à bientôt, Louise.

2 - Bon anniversaire, Marie. J’ai un cadeau pour toi.

3 - Où est Brigitte?

- Elle est dans le bureau.

2 3 4

1 6 5

2.3 Herhalingsreeks met KAI

4 - Tu vas où?

- Je vais au magasin.

5 - Qu’est-ce que c’est?

- C’est un CD.

6 - Est-ce que tu es prêt, Arnaud?

- Pourquoi?

- Nous allons à l’école.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Het adaptieve leerpad van de herhalingsreeks herhaalt na vier contacten de behandelde doelen. Ofwel suggereert Kai de zwakste doelen, ofwel maakt de leerling zelf zijn of haar keuze.

Zo zet je jouw leerlingen aan het werk:

- Ga naar Kabas

- Open de inhoudstafel en klik op het herhalingsmoment waarvoor je de herhalingsreeks wil klaarzetten.

- Klik het tabblad ‘leerlingen toegang’ aan.

- Vink het herhalingsmoment aan waarvoor je de herhalingsreeks wil klaarzetten.

- Klaar! De leerling krijgt dit leerpad nu in zijn/haar overzicht te zien. In het leerpad kan de leerlingen zelf de doelen aanklikken, maar krijgt die ook een suggestie van Kai te zien.

2.4 Portfolio

We ronden dit herhalingsmoment af met een zelfevaluatiemoment.

Op het portfolio op de backcover van het leerwerkboek kunnen de leerlingen zichzelf inschatten voor de verschillende onderdelen. Wat ze nog onvoldoende kennen of kunnen, kunnen ze raadplegen in Mon mémento 1 en inoefenen op Kabas

Vooraleer je uitgebreide toetsen afneemt, laat je de leerlingen (thuis) verder oefenen op de leerstof.

3 Lesafsluiting

3.1

Uitgebreide toetsen

Bij elk herhalingsblok voorziet Passepartout ook een aanbod van overkoepelende toetsen. Er zijn specifieke onderdelen voor woordenschat, taalstructuren, luisteren, lezen en schrijven.

Per toets zijn er telkens twee niveaus:

- Niveau 1 is iets eenvoudiger. Er zijn aangeefelementen bij de verschillende opdrachten.

- Niveau 2 sluit aan bij de minimumdoelen en de leerplannen. Er zijn meestal geen aangeefelementen voorzien. De opdrachten gaan verder dan het foutloos kopiëren.

Kies zelf welke toets (niveau 1: kopieerblad 13, niveau 2: kopieerblad 14) je inzet voor je klas of je leerlingen op basis van de noden of sterktes van je klasgroep en het evaluatiebeleid van de school. De toets bevat ook een luisteroefening, audiofragment 25. Alle leerlingen horen dezelfde tekst, het niveauverschil zit bij de vragen.

L’anniversaire de papa

Antoine est à l’école. Bientôt, il va à la maison.

Demain c’est l’anniversaire de papa.

Antoine est très content. Il a déjà un cadeau.

Papa aime la musique moderne.

Alors, le cadeau est quoi? Un CD, bien sûr!

Je kunt ook vragen uit de verschillende niveaus combineren. Kijk naar de noden van je leerlingen en pas aan waar nodig.

3.2 Leerlingenvolgsysteem

Diagnostische toetsen zijn uiteraard bedoeld om de vaardigheden en kennis van de leerlingen te meten en te evalueren. Om het overzicht te bewaren en de vorderingen, evoluties en vooruitgang van de leerlingen goed op te volgen, raden we aan om op een overzichtelijke manier de persoonlijke prestaties van de leerlingen bij te houden. Attitudes worden in de toetsen niet meegenomen. Zorg ervoor dat je die ook in kaart brengt en op hetzelfde overzicht bijhoudt.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook