3
MODULE 1 A-finaliteit
Gezellig!
Inhoud MODULE 1
Gezellig! 3
3
RE
1 Ontdek ...................................................................................................................... 1.1 Ik ook! ...............................................................................................................
5
5
8 11 15 18 23 26 28
EM
PL
AA R
D IE
KE U
2 Routeplanner ......................................................................................................... 2.1 Ik mep! .............................................................................................................. De dubbele punt De komma (deel 1) De spatie 2.2 Wat een woord ................................................................................................. Woordsoorten 2.3 Meer dan één(tje) ............................................................................................. Het meervoud Het verkleinwoord 2.4 Zo speel je! ........................................................................................................ 2.5 Beste kijkers, … ................................................................................................ Werkwoordstijden De tegenwoordige tijd (nu) 2.6 Even pauze nemen ........................................................................................... De komma (deel 2) 2.7 Hoe moet het? .................................................................................................. 2.8 Roadtrip ............................................................................................................
JK EX
3 Panorama ................................................................................................................ 38 3.1 Speel je mee? .................................................................................................... 38
IN
KI
4 Woordenlijst ........................................................................................................... 39
2
MODULE 1 Gezellig!
Ontdek
1
1.1 Ik ook!
1 We spelen bingo! Bekijk de bingokaart. Bespreek met je buur wat de verschillende categorieën betekenen. Bespreek daarna ook met de klas.
Wij hebben hetzelfde lievelingsspel:
PL
AA R
Wij hebben hetzelfde lievelingseten:
D IE
Wij hebben hetzelfde huisdier:
KE U
RE
groepen, soorten
EM
Wij hebben evenveel broers of zussen:
Wij doen dezelfde sport:
IN
KI
JK EX
Wij hebben hetzelfde lievelingsdier:
Wij hebben dezelfde hobby:
Wij hebben dezelfde angst:
Wij lusten hetzelfde gerecht niet: ILLUSTRATIES © DREW BARRY
hetzelfde, gezamenlijk
a Wandel door de klas. Kom je iemand tegen? Stel dan enkele vragen. Zoek naar iets dat jullie gemeenschappelijk hebben. Iets gevonden? Noteer de naam van die persoon in het vakje. b Wat heb jij gemeenschappelijk met jouw klasgenoten? Wat wist je al? Wat heb je nu net ontdekt? Vertel. MODULE 1 Gezellig!
3
2 We spelen samen klasmemory!
KE U
Let op: • Kies iets dat bijzonder is aan jou. Ik heb een python als huisdier. Ik heb een kat als huisdier. (Je bent waarschijnlijk niet de enige …) • Schrijf duidelijk en netjes. • Vertel nog niet wat jij hebt opgeschreven.
RE
Je krijgt twee kaarten van je leerkracht. Schrijf op de ene kaart je naam. Schrijf op de andere kaart een weetje over jezelf. Dat kan iets zijn uit het spel op de vorige pagina, of misschien nog iets helemaal anders!
PL
AA R
D IE
Spelregels: – Speel in groepjes van minstens 6 leerlingen. op zijn minst, minimaal – Schud de kaarten van jullie groepje goed door elkaar. – Leg de kaarten naast elkaar op tafel, met de geschreven kant naar beneden. – De kleinste speler begint. Hij draait een kaartje om en leest hardop voor wat erop staat. Daarna draait hij nog een tweede kaartje om en leest voor. • Er werden twee naamkaartjes of twee weetjeskaarten omgedraaid. Die kunnen niet bij elkaar passen. Draai ze terug om. De volgende speler is aan de beurt. • Er werd één naamkaartje en één weetjeskaartje omgedraaid. De speler die de kaartjes omdraait, vertelt of hij denkt of het een match is. De speler van wie de naam op het naamkaartje staat, zegt of het klopt. – Geen match … Draai de kaartjes terug om. De volgende speler is aan de beurt. – Een match! Je mag de kaartjes houden. Je mag nog twee kaartjes omdraaien.
IN
KI
JK EX
EM
3 Wat heb je deze les over je klasgenoten ontdekt? Wat wist je nog niet? Vertel.
4
MODULE 1 Gezellig!
Routeplanner
2
2.1 Ik mep!
1 Lees de spelregels.
Benodigdheden: een kaartspel zonder jokers Doel van het spel: als eerste alle kaarten bemachtigen
KE U
Het spel: 1. Schud de kaarten. Zorg dat alle jokers eruit zijn gehaald. 2. Verdeel de kaarten in gelijke stapels. Er moeten evenveel stapels als spelers zijn. De spelers mogen hun eigen kaarten en die van de andere spelers niet zien. omgedraaid, je ziet niet 3. Elke speler krijgt één stapel en legt die gedekt voor zich neer. welke kaarten het zijn 4. Eén speler legt zijn bovenste kaart open in het midden.
D IE
spullen die je nodig hebt
RE
Aantal spelers: 2 - 4 spelers
Meppen
PL
AA R
Daarna legt de volgende speler er een kaart bovenop. Ga door tot er twee kaarten na elkaar dezelfde waarde hebben. Dan moeten alle spelers zo snel mogelijk op de stapel met kaarten proberen te meppen. De speler die als eerste mept, wint de kaarten uit de pot. 5. Mept er iemand verkeerd? Dan moet die speler alle andere spelers één van zijn kaarten geven.
EM
2 Wie is de zender en de ontvanger? Wat is de boodschap? Kruis aan. zender
ontvanger
boodschap
a de spelregels b de spelers
JK EX
c de schrijver van de spelregels
IN
KI
3 Markeer alle dubbele punten in de spelregels. Waarom worden ze hier gebruikt? Bespreek.
De dubbele punt Je schrijft een dubbele punt: 1 voor een opsomming; Dit zijn mijn eigenschappen: eerlijk, vriendelijk, sportief en grappig. 2 bij een omschrijving. Hij is populair: mensen komen van overal om hem te zien.
MODULE 1 Gezellig!
5
4 Markeer de dubbele punten in de zinnen. Waarom worden ze gebruikt? Kruis aan. Ik maak een opsomming.
Ik geef een omschrijving.
a Hij heeft veel bij: boeken, een bal, een mand en een fles water. b Als ik de lotto zou winnen, zou ik veel kopen: een nieuwe fiets, een pony en een hele berg snoep!
RE
c Ik kom niet meer: het is al veel te laat geworden!
KE U
d Ik voel me ziek: ik heb veel hoofdpijn.
5 Lees de zinnen met een opsomming opnieuw. Welk ander leesteken zie je in deze zinnen?
D IE
De komma (deel 1)
AA R
Je schrijft een komma:
1 tussen delen van een opsomming; Ik heb een hond, een kat, twee konijnen en vijf goudvissen.
EM
PL
2 als je een pauze leest in de zin. Mama, wanneer is het eten klaar?
6 Noteer de komma’s op de juiste plaats in de opsommingen.
JK EX
a In een kaartspel zitten een aantal speciale kaarten: dames boeren koningen en azen.
KI
b Ik neem een picknick mee: broodjes fruit pasta worteltjes en een stukje
IN
chocolade.
6
c Ik speel graag kaartspelletjes zoals meppen UNO en eenentwintigen. d Ik heb veel hobby’s: kaarten paardrijden hardlopen lezen en gamen.
MODULE 1 Gezellig!
7 In elke zin ontbreekt een komma. Lees de zinnen luidop voor met je buur. Waar hoor je een pauze? Schrijf daar de komma. a Papa wil je een spelletje spelen? b Op de doos staat een grappig vrolijk varken. c Kom maar mee dan laat ik het je zien.
RE
d Kinderen volg mij!
KE U
8 Lees de zinnen. Ze hebben hoofdletters en leestekens. Toch zijn ze heel moeilijk te lezen. Hoe komt dat? Vertel.
D IE
Schuddekaarten.Zorgdatallejokerseruitzijngehaald.Verdeeldekaartenintweegelijkestapels. Despelersmogenhuneigenkaartenendievandeanderespelersnietzien. De spatie
Tussen woorden en zinnen zetten we een spatie.
AA R
Ik kijk uit naar de zomer. Ik heb niet zo graag winter.
PL
9 Lees de zinnen. Schrijf ze over. Zet spaties op de juiste plaats.
EM
a Mijnzusspeeltgraagspelletjes.
b Zehoudthetmeestvankaarten.
JK EX
Wist je dat …
IN
KI
Kan jij deze wrooden leezn? Ofvindjehettochlastig? De laatste zin vond jij vast het moeilijkst. Dat is heel normaal! Dat komt omdat onze hersenen woorden niet letter per letter lezen. Als je veel leest, herkennen ze woorden in hun geheel. Zoals je een afbeelding ook in één keer herkent. Als er hier en daar een letter werd omgewisseld, is dat niet zo’n probleem voor je hersenen. Zinnen zonder spaties zijn veel moeilijker! Dan zien je hersenen niet wat bij elkaar hoort. Lange of moeilijke woorden moet je vaak wél nog in stukjes, of letter voor letter lezen. Rioolwaterzuiveringssysteem, bijvoorbeeld.
10 Tijd om het spel te spelen!
MODULE 1 Gezellig!
7
2.2 Wat een woord 1 Lees de spelregels. Beantwoord de vragen.
Kwartet
Aantal spelers: 3 - 4 spelers
een groep van vier
Benodigdheden: een kaartspel met kaartensets die per vier bij elkaar horen Doel van het spel: zoveel mogelijk kwartetten verzamelen
PL
AA R
D IE
KE U
RE
Het spel: 1. Verdeel de kaarten eerlijk over alle spelers. Als er enkele spelers zijn met meer kaarten dan andere, is dat niet erg. Elke speler houdt zijn kaarten in de handen en kijkt ernaar, maar toont ze niet aan de anderen. 2. Kijk naar de uitgedeelde kaarten in je hand. Heb je er al vier die bij elkaar horen? Dan heb je een volledig kwartet. Leg ze open voor je neer. 3. Om de beurt mag een speler een kaart vragen aan een andere speler: “Heb jij (kaartnaam) van (kwartetgroep)?” Bijvoorbeeld: “Heb jij het lidwoord van de zin 'De hond zwemt.'?” - De andere speler heeft de kaart: hij moet de kaart geven. De vrager mag dan opnieuw een vraag stellen. - De andere speler heeft de kaart niet: de beurt van de vrager is voorbij. De volgende speler mag nu een vraag stellen. Let op: Je mag enkel een kaart vragen van een set waarvan je er zelf al minstens eentje in je hand hebt! 4. Als alle kwartetten verzameld zijn, is het spel gedaan. De speler met de meeste kwartetten, wint.
EM
a Met hoeveel spelers speel je het spel?
JK EX
met 3 of 4 spelers met 34 spelers maakt niet uit
b Welke spelregel is juist?
KI
Alle spelers moeten met precies evenveel kaarten aan het spel beginnen. Het is niet erg als niet alle spelers evenveel kaarten hebben aan het begin van het spel. Je moet de kaarten willekeurig verdelen. De ene speler mag je er bijvoorbeeld 3 geven, en een andere speler 8.
IN
zomaar gekozen
c Hoeveel kaarten horen bij elkaar in één set? 3 4 Dat is in elk spel anders.
8
MODULE 1 Gezellig!
2 Lees de stappen hieronder. Zet ze in de juiste volgorde. Nummer van 1 tot 4. Vraag een kaart aan een andere speler. Als hij de gevraagde kaart heeft, krijg je hem. Verdeel de kaarten. Tel hoeveel verzamelde kwartetten je hebt. De speler met de meeste kwartetten, wint!
RE
Kijk bij het begin of je al meteen een volledig kwartet hebt.
•
KE U
Woordsoorten De, het en een zijn lidwoorden. de jongen, het verhaal, een kat
Een zelfstandig naamwoord geeft een naam aan iets of iemand: planten, dieren, voorwerpen, personen … boom, kameel, zus, matroos, Anne, rots
Een werkwoord zegt wat iets of iemand doet of wat er gebeurt. Dit kan een handeling zijn of een toestand.
AA R
•
D IE
•
Bas loopt naar school. / Ik heb het koud.
Een bijvoeglijk naamwoord geeft meer uitleg over een zelfstandig naamwoord. Het vertelt hoe het is.
PL
•
EM
mooi, groot, mannelijk, papieren
JK EX
3 Lees de spelregels opnieuw. Markeer drie lidwoorden roze, drie zelfstandige naamwoorden geel en drie werkwoorden groen.
IN
KI
4 Markeer in de spelregels één bijvoeglijk naamwoord blauw. 5 Noteer de woorden in de juiste kolom. kwartet – tonen – speler – het – vragen – wint – de – kaart – een lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
MODULE 1 Gezellig!
9
6 Lees de zinnen. Markeer alle lidwoorden roze, alle zelfstandige naamwoorden geel en alle werkwoorden groen. a Verdeel de kaarten over de verschillende deelnemers. b Heb jij goede kaarten? c Dan heb je een volledig kwartet. d Leg het volledige kwartet op de tafel.
RE
e Vraag een nieuwe kaart.
KE U
7 Markeer in de vorige oefening alle bijvoeglijke naamwoorden blauw.
JK EX
EM
PL
AA R
D IE
8 Bekijk de afbeelding. Noteer drie zelfstandige naamwoorden met het juiste lidwoord (de of het), drie bijvoeglijke naamwoorden en drie werkwoorden die passen bij de afbeelding.
IN
KI
zelfstandige naamwoorden
bijvoeglijke naamwoorden
werkwoorden
9 Speel het kwartetspel. Hoeveel kwartetten kan jij verzamelen?
10
MODULE 1 Gezellig!
2.3 Meer dan één(tje) 1 Lees de zinnen. Markeer de zelfstandige naamwoorden geel. Noteer de letter van de zin onder de juiste afbeelding. a Het aapje lacht.
e Duiken de eenden?
b De aapjes lachen.
f
c De eekhoorns springen.
g De hond zwemt.
d De eekhoorn springt.
h De honden zwemmen.
PL
AA R
D IE
KE U
RE
Duikt de eend?
EM
2 Wat gebeurt er met de persoonsvorm als de zin van enkelvoud naar meervoud verandert? Bespreek.
JK EX
Het meervoud
Als je meer dan één van iets hebt, dan moet het woord in het meervoud staan. Bij de meeste woorden voeg je en of s toe. boek – boeken, jongen – jongens
IN
KI
•
Let op! Bij woorden met een korte klinker moet je de medeklinker verdubbelen. vlag – vlaggen
•
Als een woord eindigt op -i, -a, -o, -u, -y dan maak je het meervoud met ’s. auto – auto’s, baby – baby’s
•
Sommige meervouden eindigen op eren. kind – kinderen
Let op! Soms veranderen er letters als je het meervoud vormt. roos – rozen, druif – druiven
MODULE 1 Gezellig!
11
-->
b een schoen
-->
c de pony
-->
d de tafel
-->
e het spelletje
-->
f
-->
het ei
D IE
In het meervoud valt een voor het zelfstandig naamwoord weg. een boek --> boeken
KE U
a de panda
RE
3 Zet het zelfstandig naamwoord om naar het meervoud. Denk aan het lidwoord.
AA R
Bij zelfstandige naamwoorden met het lidwoord het, verandert het lidwoord naar de. het boek --> de boeken
4 Markeer de juiste persoonsvorm in de zin. a De kinderen belt – bellen naar hun ouders.
PL
b De hond blaft – blaffen luid.
EM
c Wij leest – lezen de krant.
d Mijn beste vriend houdt – houden van gezelschapspelletjes.
JK EX
5 Markeer alle zelfstandige naamwoorden geel. Schrijf de zinnen over en zet de zelfstandige naamwoorden om naar het meervoud. Let op verenkelen en verdubbelen.
KI
a De jongen spreekt.
IN
b Het broertje leest een boek. c De fles is leeg. d Het spelletje is tof.
12
MODULE 1 Gezellig!
e De okapi en de orka leven niet samen. f
Het meisje heeft geen kaart.
RE
6 Lees de zinnen uit oefening 1. Bij welke zin lees je een verkleinwoord? Noteer het dier.
KE U
Het verkleinwoord
D IE
Een verkleinwoord kan je maken door de uitgang -je, -tje, -etje, -pje of -kje aan een woord toe te voegen. schaap + je = schaapje tafel + tje = tafeltje ster + etje = sterretje film + pje = filmpje ketting + kje = kettinkje
AA R
Let op! Denk aan verdubbeling. Let op! Bij verkleinwoorden op -kje, valt de -g weg.
EM
PL
Soms moet je ook het lidwoord veranderen. de man --> het mannetje
7 Noteer de verkleinwoorden op de juiste plaats in de tabel.
JK EX
paardje – droompje – konijntje – kettinkje – ringetje – vriendje – beertje – koninkje – raampje -je
-pje
-etje
-kje
KI IN
-tje
MODULE 1 Gezellig!
13
-->
b het paard
-->
c de tafel
-->
d het spel
-->
e het kussen
-->
f
de kaart
-->
g de pion
-->
KE U
a de schoen
RE
8 Zet het zelfstandig naamwoord om naar het verkleinwoord. Denk aan het lidwoord.
D IE
9 Markeer alle zelfstandige naamwoorden geel. Schrijf de zinnen over en zet de zelfstandige naamwoorden om naar het verkleinwoord. a De kip eet een noot.
AA R
b De jongen vaart met de boot.
PL
EM
c De koning zingt een lied.
d De arm van mijn broer is gebroken.
IN
KI
JK EX
14
MODULE 1 Gezellig!
2.4 Zo speel je! 1 Werk in groepjes van drie of vier leerlingen. Elk groepje leest de spelregels van een kaartspel. Omcirkel het nummer van het spel dat je zal spelen.
2 om ter hoogst
1 eenentwintigen
Benodigdheden: een kaartspel zonder jokers
Doel van het spel: zo dicht mogelijk bij 21 punten komen, zonder erover te gaan
Doel van het spel: zoveel mogelijk kaarten verzamelen
De spelers houden de kaarten in hun hand en tonen ze niet aan de medespelers.
KE U
De overige kaarten worden in een gedekte trekstapel op tafel gelegd. Het spel: 1. De jongste speler begint. Hij legt een van zijn kaarten open op tafel. Daarna legt de volgende speler er een kaart bij. Ga met de klok mee. 2. De speler met de hoogste kaart wint alle kaarten van die ronde. Hij legt ze naast zich neer. Deze kaarten doen niet meer mee in het spel. 3. Elke speler neemt een kaart van de trekstapel, zodat ze er opnieuw drie in de hand hebben. 4. De winnaar van de vorige ronde legt als eerste een kaart. 5. Als de twee hoogste kaarten dezelfde waarde hebben, spelen die twee spelers opnieuw een kaart. De hoogste kaart, wint.
IN
KI
JK EX
EM
PL
AA R
Het spel: 1. Elke speler speelt om de beurt. 2. De eerste speler telt de waarde van zijn kaarten op, maar verklapt die niet aan de andere spelers. • aas = 1 of 11 punten (je mag zelf kiezen wat het beste uitkomt) • boer, dame of heer = 10 punten • alle andere kaarten = hun getalwaarde 3. De speler beslist of hij nog een kaart wil, of dat hij stopt. 4. Vanaf dat je 17 punten hebt, mag je stoppen. Onthoud je puntenaantal. 5. Heb je precies 21 punten? Dan moet je stoppen. Verklap nog niet dat je 21 punten hebt. 6. Heb je meer dan 21 punten? Dan heb je verloren. 7. Als alle spelers gestopt zijn, toont iedereen zijn kaarten. Wie het dichtst bij 21 punten scoort, wint.
Voorbereiding: Schud de kaarten. Elke speler krijgt drie kaarten. Hij mag ze zelf bekijken, maar toont ze niet aan de andere spelers.
D IE
Voorbereiding: Schud de kaarten. Kies één speler als deler. Hij deelt aan elke speler twee kaarten uit.
RE
Benodigdheden: een kaartspel zonder jokers
Ga door tot alle kaarten gespeeld zijn. De speler met de meeste gewonnen kaarten is de winnaar.
De winnaar wordt de nieuwe deler.
MODULE 1 Gezellig!
15
3 rijtjeskaarten
4 pesten
Benodigdheden: een kaartspel zonder jokers
Benodigdheden: een kaartspel zonder jokers
Doel van het spel: als eerste al je kaarten kwijtspelen
Doel van het spel: als eerste al je kaarten kwijtspelen
Voorbereiding: Schud de kaarten. Geef elke speler zeven kaarten en leg één kaart open op tafel.
Voorbereiding: Schud de kaarten. Kies één speler als deler. Hij deelt aan elke speler twee kaarten uit. De spelers tonen hun kaarten niet aan elkaar.
RE
KE U
D IE
De overige kaarten worden op een gedekte trekstapel gelegd. Eén kaart wordt open op tafel gelegd. Het spel: 1. Om de beurt legt elke speler een kaart af met hetzelfde symbool als de bovenste kaart van de stapel, of met dezelfde waarde (bv. een klaver op een klaver, of een 6 op een 6). 2. Speciale kaarten: • 2: de volgende speler moet twee kaarten trekken. • 7: de volgende speler moet een beurt overslaan. • 10: de volgende speler moet een kaart trekken. • aas: de speler die de kaart legt, mag van symbool veranderen. 3. Wie als eerste al zijn kaarten kwijt is, wint.
JK EX
EM
PL
AA R
Het spel: 1. De spelers leggen om de beurt een kaart die één hoger of één lager is dan de kaart in het midden. Bijvoorbeeld: er ligt een 8. Je mag een 7 of een 9 leggen. • Op een aas kan je een 2 of een heer leggen. • Op een heer kan je een dame of een aas leggen. 2. Kun je geen kaart leggen? Trek er dan een van de trekstapel. Als je die meteen kan leggen, mag dat. Anders is je beurt voorbij. 3. Wie als eerste al zijn kaarten kan leggen, wint.
KI
De winnaar wordt de nieuwe deler.
IN
2 Weet jij wat deze woorden betekenen in een kaartspel? Noteer het woord bij de juiste afbeelding. open kaart – heer – boer – dame – trekstapel – aas
16
MODULE 1 Gezellig!
kwijtraken, verliezen
3 Zoek twee zelfstandige naamwoorden en twee werkwoorden in jouw spelregels. Noteer. a zelfstandige naamwoorden:
b werkwoorden:
RE
KE U
4 Speel het spel een paar keer samen met je groepje. Zorg dat je goed weet hoe het werkt. Jij moet dadelijk het spel gaan uitleggen aan je medeleerlingen.
AA R
Hoe heet het spel? Wat heb je nodig? Wat is het doel van het spel? Hoe weet je wie er wint? Hoe zet je het spel klaar? Wat moet je allemaal doen? Gebruik signaalwoorden. Zijn er speciale regels? Heb je tips voor nieuwe spelers?
Weet je het nog?
PL
• • • • • • •
D IE
5 Oefen eerst samen met je groepje. Zorg dat je zeker een antwoord geeft op deze vragen:
EM
Signaalwoorden zijn woorden die verbanden duidelijk maken tussen zinnen en alinea’s.
IN
KI
JK EX
6 Vorm een nieuw groepje van drie of vier leerlingen. Zorg dat je medespelers elk een ander spel speelden in de eerste ronde. Leg je spel uit aan de andere spelers. Let op je taal: spreek voldoende luid, duidelijk en verzorgd.
7 Hoe ging jouw speluitleg? Hoe ging de speluitleg van een medeleerling? Beoordeel en kruis aan. Ik … zei de naam van het spel. zei wat je nodig hebt. zei het doel van het spel. zei hoe je het spel klaarzet. zei hoe je het spel speelt. gaf tips. sprak luid en duidelijk. sprak verzorgd.
Mijn medeleerling … zei de naam van het spel. zei wat je nodig hebt. zei het doel van het spel. zei hoe je het spel klaarzet. zei hoe je het spel speelt. gaf tips. sprak luid en duidelijk. sprak verzorgd.
MODULE 1 Gezellig!
17
2.5 Beste kijkers, … 1 Bekijk de video. Beantwoord de vragen. a Hoe heet het spel?
•
•
D IE
•
KE U
b Welk materiaal heb je nodig voor het spel? Noteer drie benodigdheden.
RE
Unbox Kwistet Fun Facts
c Hoe duidelijk vond jij het filmpje? Kleur de balk. Vertel wat je goed vond en wat niet.
AA R
🤔
😄
d Fun Facts is een coöperatief spel. Wat betekent dat?
EM
PL
Je speelt niet tegen elkaar. Je wint samen of je verliest samen. Je mag niet met elkaar overleggen. Er is één verliezer, de rest wint allemaal samen.
2 Zet de spelregels in de juiste volgorde. Nummer van 1 tot 5.
JK EX
Schrijf je antwoord op de achterkant van je pijl.
IN
KI
Schud eerst de kaarten goed door elkaar en maak een stapel. Geef iedereen een pijl en een stift.
schatten, beoordelen
18
Draai ten slotte de kaartjes om en bepaal de score. Begin onderaan, bij de laagste score en schuif telkens een plaats op. Haal de kaartjes die niet kloppen ertussenuit. Eén speler neemt vervolgens de bovenste vraag van de stapel en leest voor. Elke speler probeert in te schatten welk antwoord de anderen gegeven hebben. Een voor een probeert elke speler zijn kaartje zo op de juiste plek op tafel te leggen. Als alle kaarten op tafel liggen, mag de eerste speler zijn kaartje nog eens van plaats verwisselen. De andere spelers mogen niets meer veranderen.
MODULE 1 Gezellig!
3 Lees de vragen. Markeer de werkwoorden. a Hoeveel keer per uur knipper je met je ogen? b Hoeveel push-ups kan jij doen? c Hoeveel keer per maand vergeet jij je gsm thuis? d Hoeveel minuten duurde je laatste treinrit? e Hoeveel keer per week zeg jij ‘sorry’? f
KE U
RE
Hoeveel keer per week zing jij onder de douche?
4 Bekijk de zinnen uit de vorige oefening opnieuw. In welke tijd staan de werkwoorden? Eéntje is anders. Omcirkel.
D IE
Werkwoordstijden De tijd van een werkwoord vertelt je wanneer iets gebeurt. =
•
Tegenwoordige tijd
=
•
Toekomende tijd
=
-->
Ik draaide.
wat nu gebeurt.
-->
Ik draai.
wat nog gaat gebeuren.
-->
Ik zal draaien.
wat vroeger gebeurde.
AA R
Verleden tijd
PL
•
EM
5 Lees de zinnen. Markeer de werkwoorden. Kruis aan in welke tijd ze staan. verleden tijd (vroeger)
tegenwoordige tijd (nu)
toekomende tijd (later)
JK EX
a Hoeveel keer verhuisde jij al?
b Hoeveel keer per week heb jij de slappe lach?
IN
KI
c Hoeveel kinderen zal jij later hebben? d Hoe vaak stond jij al op een podium? e Hoeveel minuten per week sport jij? f
Hoeveel boeken las je het afgelopen jaar?
g Hoeveel landen zal jij ooit bezoeken? h Hoeveel uur per dag ben jij online?
MODULE 1 Gezellig!
19
De tegenwoordige tijd (nu) Heden = wat nu gebeurt. helpen --> hij helpt
ik
maak
stam
jij
maakt
stam + t
hij
maakt
stam + t
zij
maakt
stam + t
wij
maken
infinitief
jullie maken
infinitief
zij
infinitief
maken
RE
regel
KE U
vorm
D IE
Bij werkwoorden waarbij de stam eindigt op d, kan je het werkwoord vervangen door een werkwoord zonder d. Zo kan je weten of je d of dt moet schrijven. rijden --> werken hij werkt --> hij rijdt
AA R
Deze werkwoorden zijn speciaal en moet je uit het hoofd leren. zijn --> ik ben hebben --> ik heb --> jij bent --> jij hebt --> hij/zij is --> hij/zij heeft --> wij/jullie/zij zijn --> wij/jullie/zij hebben
EM
PL
Let op! Als je/jij na de persoonsvorm staat, dan schrijf je de stam. jij maakt --> maak jij?
6 Vul de tabel in.
stam
JK EX
infinitief vertellen
KI
dromen
IN
spelen
vinden bieden
stam + t
ik
hij
wij
ik
hij
wij
ik
hij
wij
ik
hij
wij
ik
hij
wij
Enkel als de stam eindigt op een d, moet je soms dt schrijven.
20
MODULE 1 Gezellig!
infinitief
7 Lees de zin. Schrijf je stam, stam + t of infinitief? Markeer. Vul daarna de juiste vorm van het werkwoord in. Volg het voorbeeld zoeken
stam stam + t
Mijn oom zoekt zijn bril.
infinitief stam het juiste lokaal.
De leerlingen
infinitief stam mijn huiswerk.
Ik
KE U
stam + t infinitief stam stam + t infinitief stam stam + t
Ik
stam + t infinitief stam
Hij
PL
schudden
AA R
infinitief stam
stam + t
hun aankoop.
De klanten
D IE
betalen
Ik
RE
stam + t
met de kaart.
aan de kassa.
de dobbelstenen in een beker.
EM
infinitief stam
stam + t
Wij
de kaarten.
JK EX
infinitief stam
stam + t
De man
de fles ketchup.
KI
infinitief
IN
dragen
stam stam + t
De kinderen
een zware doos.
Mijn moeder
een groene jurk.
infinitief stam stam + t infinitief stam stam + t
jij soms een das?
infinitief
MODULE 1 Gezellig!
21
8 Bekijk de video uit oefening 1 opnieuw. We spelen zelf het spel Fun Facts! Maak groepjes van vier of vijf leerlingen. Gebruik de vragen uit oefening 5 om het spel te spelen.
Fun Facts
RE
Voorbereiding: Je krijgt een blad van je leerkracht. Knip 8 papiertjes die ongeveer even groot zijn als de vakjes. Schrijf op elk papiertje je naam.
score 2 =
EM
score 1 =
PL
AA R
D IE
KE U
Hoe speel je? 1. Eén speler leest een vraag voor uit oefening 5. 2. Elke speler neemt een papiertje met zijn of haar naam erop, en schrijft op de achterzijde het antwoord. 3. De speler die de vraag heeft voorgelezen, legt zijn kaartje met de naam vanboven op een van de vakjes. Denk je dat je een hoog antwoord hebt? Leg je kaartje dan in een van de hoogste vakjes (lichte vakjes). 4. Elke speler legt om de beurt zijn kaartje op het veld. 5. Als elk kaartje er ligt, mag de eerste speler zijn kaartje nog ergens anders leggen. De andere spelers komen niet meer aan de beurt. 6. Draai alle kaartjes om. Kijk naar de cijfers die erop staan. Begin bij het onderste kaartje in het donkerste veld. Ga telkens een vakje hoger. De waardes op de kaartjes moeten ook steeds stijgen. De kaartjes die niet kloppen, haal je weg. 7. Tel het aantal kaartjes die nog op het veld blijven liggen. Dat is jullie score voor deze ronde. Noteer. 8. Ga zo door tot alle vragen beantwoord zijn. Wat is jullie totale score?
IN
KI
JK EX
score 5 =
22
MODULE 1 Gezellig!
score 6 =
totaal =
score 3 =
score 4 =
score 7 =
score 8 =
2.6 Even pauze nemen 1 Lees de stellingen. Ben jij het ermee eens of niet? Kleur de balk in. Bespreek daarna met je buur. a Ik speel graag gezelschapspelletjes. helemaal niet akkoord
helemaal akkoord
RE
b Ik kan tegen mijn verlies.
helemaal akkoord
KE U
helemaal niet akkoord
c Als ik een spel speel, lees ik graag eerst zelf de spelregels. helemaal niet akkoord
helemaal akkoord
D IE
d Ik speel om te winnen. helemaal niet akkoord
helemaal niet akkoord
f
helemaal akkoord
AA R
e Ik speel altijd eerlijk.
helemaal akkoord
Ik speel het liefst in een team.
helemaal akkoord
PL
helemaal niet akkoord
EM
2 Maak de zinnen af. Kleur de delen van de zin die bij elkaar horen in dezelfde kleur. 1
2
3
omdat
ik vind ze wel leuk.
Mijn zus werd boos,
maar
mijn broer het bord klaarzette.
Ik las de spelregels,
terwijl
ze niet goed tegen haar verlies kan.
IN
KI
JK EX
Ik speel niet vaak spelletjes,
Een voegwoord is een verbindingswoord dat zinnen of woorden aan elkaar koppelt. Voorbeelden van voegwoorden zijn omdat, terwijl, als en maar.
MODULE 1 Gezellig!
23
3 Lees de zinnen. Markeer telkens het voegwoord. a Ik wacht niet meer, want het is al veel te laat. b We moeten vertrekken, dus ruim ik het spel snel op. c Ze heeft het al weggestopt, terwijl ik er nog niet klaar mee was!
RE
d Ik dacht dat ik te laat zou komen, maar dat bleek gelukkig niet het geval!
4 Fien speelde het spel ‘Fun Facts’. Ze schreef wat ze ervan vond. Lees de tekst en markeer de voegwoorden.
KE U
Ik kende het spel nog niet, maar het werd me aangeraden door een vriend. Ik snapte er niets van, dus las ik de spelregels. Niet makkelijk, maar gelukkig bestaan er ook van die handige filmpjes online! Ik zette alles al klaar, terwijl ik naar de video keek. Ik vond het een supertof
meedoet, want zij speelt altijd vals …
D IE
spel, omdat je moet samenwerken! Ik speel niet graag tegen elkaar. Zeker niet als mijn zus
AA R
5 Bekijk de voegwoorden die je markeerde. Welk leesteken staat ervoor?
De komma (deel 2)
EM
Je schrijft een komma:
PL
JK EX
1 tussen delen van een opsomming; Ik heb een hond, een kat, twee konijnen en vijf goudvissen. 2 als je een pauze leest in de zin; Mama, wanneer is het eten klaar?
IN
KI
3 voor de meeste voegwoorden. Mijn mama maakt het eten, terwijl ik een boek lees.
6 Lees de zinnen met je buur. Waar een komma staat, neem je een korte pauze. Welke zin is juist? Kruis aan. a
24
Ik heb, honger dus ga ik naar de bakker. Ik heb honger, dus ga ik naar de bakker. Ik heb honger dus, ga ik naar de bakker. Ik heb honger dus ga ik naar, de bakker.
MODULE 1 Gezellig!
Ik ga, naar huis want het begint te regenen. Ik ga naar, huis want het begint te regenen. Ik ga naar huis, want het begint te regenen. Ik ga naar huis want het begint, te regenen.
c
Ik, voetbal elke dag behalve op maandag. Ik voetbal elke, dag behalve op maandag. Ik voetbal elke dag, behalve op maandag. Ik voetbal elke dag behalve, op maandag.
RE
b
KE U
7 Lees de zinnen luidop voor met je buur. Schrijf een komma waar je een pauze leest. a Je mag niet meer meespelen tenzij je sorry zegt. b Ik vind gezelschapspelletjes leuk zolang ik win!
D IE
c Jens speelt niet mee omdat hij moe is.
d Ik wil niet meer meedoen omdat jij vorige keer razend werd.
AA R
e Ik wil nog met je spelen als je je aan de regels houdt.
8 Voeg de twee zinnen samen met een voegwoord. Gebruik een komma op de juiste plaats. Volg het voorbeeld.
PL
Ik zie niets. Het is donker. Ik zie niets, want het is donker.
EM
a Ik doe niet mee. Het spel is saai.
JK EX
b Het spel is moeilijk. Ik begrijp het als ik de spelregels lees.
KI
c Ik wil niet meedoen. Zij wel.
IN
MODULE 1 Gezellig!
25
2.7 Hoe moet het? 1 Lees de twee versies van de spelregels van UNO. Beantwoord de vragen. Versie 1
UNO
RE
Aantal spelers: Je speelt dit spel met minstens twee spelers. Benodigdheden: Je hebt een pak UNO-speelkaarten nodig.
KE U
Doel van het spel: Als eerste speler alle kaarten kwijtspelen. Je wint door alle kaarten kwijt te raken die je in je handen hebt, voordat je tegenstanders dat doen.
D IE
Het spel: Wanneer de kaarten zijn geschud, ontvangt iedere speler zeven kaarten. De rest van het pak wordt met het cijfer naar beneden op de stapel gelegd. De bovenste kaart van de stapel wordt omgedraaid en is de eerste kaart van een nieuwe stapel.
AA R
De speler links van de deler begint. Deze speler moet een kaart op de open stapel leggen die qua cijfer, kleur of symbool gelijk is aan de kaart die er al ligt. Is de kaart bijvoorbeeld een rode 7, dan moet de speler een rode kaart neerleggen of een 7 van een willekeurige kleur. De speler kan ook een actiekaart neerleggen.
JK EX
Versie 2
EM
PL
Als de speler niet kan bijleggen, moet hij een kaart van de stapel pakken. Als hij deze kaart kan spelen, mag hij verder. Zo niet, dan gaat het spel verder met de volgende speler. Een speler kan ervoor kiezen om een speelbare kaart toch niet te spelen. Hij moet dan wel een kaart van de stapel pakken. Als hij deze kaart kan spelen, mag hij dat in dezelfde beurt doen, maar hij mag geen andere kaart meer neerleggen.
UNO
Aantal spelers: 2 of meer
KI
Benodigdheden: een pak UNO-speelkaarten
IN
Doel van het spel: als eerste alle kaarten kwijtspelen Het spel: 1. Schud de kaarten en geef elke speler zeven kaarten. Leg de rest van de kaarten in een gedekte stapel op tafel. 2. Leg de bovenste kaart van de stapel open op tafel. 3. Om de beurt legt elke speler een kaart op de open stapel. De kaart moet dezelfde kleur, hetzelfde symbool of hetzelfde cijfer hebben als de bovenste kaart. 4. Als de speler niet kan leggen, neemt hij een kaart van de gedekte stapel. Hij mag die kaart meteen leggen, of bijhouden. © KEITMA – STOCK.ADOBE.COM
26
MODULE 1 Gezellig!
a Welke versie vind je het duidelijkst? Waarom? Vertel. b Bekijk de tweede versie van de spelregels of neem de spelregels van een spel uit de klas. Welke informatie vind je terug? Kruis aan. waarom de bedenker van het spel het gemaakt heeft hoe je het spel speelt
RE
het aantal spelers hoe je het spel klaarzet waarom het spel leuk is hoe je het spel kan winnen
onnodige
KE U
2 Lees de zinnen. Welke informatie moet zeker in de spelregels staan? Wat zijn overbodige details? Kruis aan. belangrijke informatie
a Voor 2 tot 6 spelers vanaf 14 jaar.
overbodig detail
D IE
b Inhoud: een spelbord, 120 kaarten, 2 dobbelstenen. c De kaarten zijn gedrukt op glanzend papier.
d De tekenaar haalde zijn inspiratie uit zijn lievelingsfilm.
AA R
e Wie als eerste 100 punten haalt, wint.
PL
3 Kies een spel dat jij goed kent, of bekijk de video. Schrijf de spelregels op van jouw gekozen spel. Titel:
EM
Aantal spelers:
Benodigdheden:
JK EX
Doel van het spel:
KI
Het spel:
IN
4 Toon en vertel jouw spelregels uit de vorige oefening aan je buur. Vindt je buur alles duidelijk? Bespreek.
MODULE 1 Gezellig!
27
2.8 Roadtrip 5
1 Markeer de dubbele punten in de zinnen. Waarom worden ze gebruikt? Kruis aan. Ik maak een Ik geef een opsomming. omschrijving. a Line en Bas bakken taart: hun moeder is jarig.
RE
b De dokter schreef deze medicatie voor: een pijnstiller, een verdovende zalf en een siroopje.
5
KE U
c De namen van de kinderen beginnen met dezelfde letter: Lotte, Lore en Linus.
2 In elke zin ontbreekt een dubbele punt. Noteer het op de juiste plaats.
D IE
a De ontbijtmand bevat twee croissants, beleg, verse broodjes en sinaasappelsap.
AA R
b Morris verstond niet wat ze zei ze stond te ver.
c De dierenarts gaf zijn diagnose de kameel was verkouden. d In mijn handtas zitten veel spullen een spiegel, een pen, mijn identiteitskaart
3 Vul de ontbrekende dubbele punten aan.
EM
5
PL
en een notitieboekje.
Fie start de dag altijd op dezelfde manier ze wast zich, kleedt zich aan en
JK EX
maakt het ontbijt. Daarna leest ze haar favoriete krant De Morgen. Dan gaat de telefoon. Het is haar oudere zus, Mia. Mia heeft groot nieuws ze gaat
KI
trouwen!
4 Noteer de spaties op de juiste plaats.
IN
7
a driekonijntjes b hetfeestvoorhaarverjaardag
c deleerkrachtspringt d Opvrijdaggaanwenaarhetpark.
28
MODULE 1 Gezellig!
e Dekoningkomtopbezoekinhetwinkelcentrum. f
Werkjijgraagmetdecomputer?
5 Schrijf de zinnen over. Noteer spaties, hoofdletters en leestekens op de juiste plaats.
RE
7
KE U
mijnoudersgingenvanmorgenopbezoekbijmijngrootmoederzijligtinhetziekenhuiszewasvor igeweekgevallentoenbrakzehaarheupwemaaktenonsgrotezorgenzouzeooitnogkunnenstap pendedokterweethetzekerhetkomtwelweergoedmethaar.
D IE
AA R
PL
6 Noteer de woorden in de juiste kolom.
EM
9
het – vertellen – de – goochelaar – boek – gooien – een – zingen – verrassing
JK EX
lidwoord
KI IN
werkwoord
9
zelfstandig naamwoord
7 Lees de zinnen. Markeer de lidwoorden roze, de zelfstandige naamwoorden geel en de werkwoorden groen. a De ezels maken lawaai. b Leest de man een boek? c In de stad wonen veel mensen. d De jongen gaat naar de cinema met het meisje.
MODULE 1 Gezellig!
29
9
8
Noteer een zelfstandig naamwoord en een werkwoord met de gevraagde beginletter. zelfstandig naamwoord
werkwoord
p
RE
s r
KE U
v
9 Noteer de woorden in de juiste kolom.
D IE
l
bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
PL
EM
zelfstandig naamwoord
werkwoord
JK EX
AA R
acteur – zingen – het – museum – groot – kijken – de – lang – leerkracht – negatief – een – dansen
9
10 Lees de zinnen. Markeer de lidwoorden roze, de bijvoeglijke naamwoorden blauw, de zelfstandige naamwoorden geel en de werkwoorden groen.
9
KI
a Ik heb een schattige, zwarte kat.
IN
b Op school eet ik een warme maaltijd.
30
c Op het platteland staan grote paarden. d Mijn beste vriendin leest graag romantische boeken.
MODULE 1 Gezellig!
11 Noteer een bijvoeglijk naamwoord, een zelfstandig naamwoord en een werkwoord met de gevraagde beginletter. 9
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
m
RE
d
KE U
g
12 Vul de tabel aan.
11
enkelvoud
D IE
een hond
veel
een cavia
AA R
veel
een schaap
veel
veel maskers
EM
een konijn
JK EX
een tekening de doos
KI
het verhaal
IN
PL
een
een
meervoud
de pinda de dobbelsteen
veel veel brieven
de puppy’s de schoenen de spelletjes
MODULE 1 Gezellig!
31
De boze man roept luid.
De kikker kwaakt.
De opa heeft een paraplu.
De meisjes houden van hun panda’s.
-tje
b een vriend
-pje
-je
c een vraag
-kje
-je
d een bloem
-pje
-tje
14 Markeer alle zelfstandige naamwoorden. Schijf telkens het verkleinwoord.
een verkoopster
JK EX
een cadeau
een trouwring
IN
KI
een halsketting
Het kind wacht op haar moeder. De man schreef een lange brief. Mijn broer heeft veel vrienden.
32
D IE
-kje
AA R
a een koning
EM
13
13 Kruis de juiste uitgang aan van het verkleinwoord.
PL
13
KE U
De straten zijn donker.
RE
De kinderen gooien met de ballen.
MODULE 1 Gezellig!
verkleinwoord een klein een klein een klein een klein
15 Lees de zinnen. In welke tijd staan de werkwoorden? Kruis aan.
19
verleden tijd (vroeger)
tegenwoordige tijd (nu)
toekomende tijd (later)
a De man zegt niets. b Ze kwam binnen. c Ik zal het lied zingen.
RE
d Hij zocht zijn portefeuille.
KE U
e Hij wacht op me.
16 Markeer de werkwoorden. Kruis aan in welke tijd ze staan.
19
d Ik neem een beslissing.
PL
c De kinderen zullen morgen langskomen.
toekomende tijd (later)
AA R
a Ik geraakte helemaal in de war toen je dat zei! b De man gooide een stok in het water.
tegenwoordige tijd (nu)
D IE
verleden tijd (vroeger)
EM
e Hij antwoordde niet op de vraag.
17 Markeer telkens de juiste vorm van het werkwoord.
JK EX
19
a Gisteren belt – belden – zal bellen – belde – bellen Joris naar zijn oom. b Morgen kocht – zal kopen – koopt – kopen – kochten hij een nieuwe auto.
KI
c Vroeger zal maken – maakten – maakt – maken – maakte hij alles zelf!
IN
d Wachtte – Wachten – Wacht – Zal wachten hij gisteren ook? e Vandaag at – zal eten – eten – eet wij bij mijn grootouders.
MODULE 1 Gezellig!
33
18 Vul de tabel aan in de tegenwoordige tijd. infinitief
stam
spreken vinden worden
20
wij
ik voel
hij
wij
ik
hij
wij staren
ik spreek
hij
wij
ik
hij vindt
ik
hij
19 Noteer de juiste vorm van het werkwoord. Gebruik de tegenwoordige tijd. a geven
Hij
b lezen
Wij
c leiden
Op zondag
d strijden
Het meisje
e vertrouwen
Ik
f
Het doel van het spel is dat je een stad
haar een brief.
de spelregels grondig.
PL
EM
bouwen
ik een groep door het bos.
om de winst.
hem niet. .
20 Maak een goede zin met de verschillende zinsdelen. Vervoeg het werkwoord in de tegenwoordige tijd.
KI
a schudden – De man – de kaarten – grondig – .
IN
b voorspellen – wie wint – Ik – . c Het meisje – wat er op de kaarten staat – te raden – proberen – . d jij – Redden – je medespelers – ?
34
wij
wij worden
JK EX
20
hij belt
RE
staren
ik
KE U
voelen
infinitief
D IE
bellen
stam + t
AA R
20
MODULE 1 Gezellig!
21 Markeer de komma’s in de zinnen. Kruis alle zinnen aan met een opsomming.
6
De jongen zegt dat hij nog nooit kamelen, zebra’s of pinguïns in het echt gezien heeft. Mijn moeder gaat naar de muziekschool, omdat ze graag gitaar wil leren spelen. Kippen, paarden, koeien, varkens: we hebben ze allemaal bij ons op de boerderij. Wie kan het snelst lopen: Floris, Yasmine, Marco of Leontien?
RE
Ik wist het antwoord op die vraag, want mijn broer had het er vanmorgen over!
a Ik geraak niet op school, omdat mijn fiets stuk is. b Op donderdag heb ik geen tijd, maar wel op vrijdag. c Het regent, daarom ga ik met de auto.
KE U
22 Markeer de komma en onderstreep het voegwoord.
24
D IE
d Ik doe de afwas, terwijl mama de tafel kuist.
AA R
23 In welke zinnen staat de komma op de juiste plaats? Kruis aan. Soms, ga ik wel maar soms niet. Soms ga ik wel, maar soms niet. Soms ga ik wel maar soms, niet.
b
Ik ga eerst, naar de winkel omdat ik honger heb. Ik ga eerst naar de, winkel omdat ik honger heb. Ik ga eerst naar de winkel, omdat ik honger heb.
PL
a
EM
24
24 Schrijf de komma’s op de juiste plaats.
6
JK EX
a Mijn vader spreekt vijf talen: Turks Russisch Engels Frans en Nederlands.
b Stephanie heeft al veel Afrikaanse landen bezocht: Marokko Senegal
KI
Zuid-Afrika Kenia en Zimbabwe.
IN
c Onze buurman heeft drie paarden vijf honden twee katten zes konijnen en drie cavia’s.
MODULE 1 Gezellig!
35
24
25 Onderstreep het voegwoord. Schrijf de komma op de juiste plaats. a Ik wilde naar buiten maar het regende. b Ook al had hij er geen zin in toch kwam hij naar het feest. c Ik heb hem niet gesproken omdat ik haast had.
26 Schrijf drie zinnen met een opsomming.
KE U
6
RE
d Ik heb veel werk want die taak moet morgen klaar zijn.
27 Schrijf een zin met het gevraagde voegwoord. Schrijf de komma op de juiste plaats.
AA R
24
D IE
a omdat
PL
b maar
c want
JK EX
EM
28 Verbind de woorden met de juiste betekenis.
KI
onder de knie krijgen
IN
gemeenschappelijk
36
onnodig hetzelfde, gezamenlijk
overbodig
beter worden in iets
kwijtspelen
zomaar gekozen
willekeurig
kwijtraken, verliezen
MODULE 1 Gezellig!
29 Lees de zinnen. Welk woord ontbreekt? gemeenschappelijk – benodigdheden – minstens – inschatten – overbodig – categorie
a Ik heb een lijstje gemaakt met alle b Kan je
.
wanneer je thuis zal zijn?
c Ze sport d Welke interesses hebben jullie
We hebben al te veel spullen. De rest is
KE U
?
e Hij deed mee aan de verkiezingen in zijn leeftijds f
RE
twee keer per week. Ze is heel sportief.
.
.
D IE
30 Vul het kruiswoordraadsel in. De 'ij' noteer je in één vakje. a
AA R
b c
d
EM
f
op zijn minst, minimaal kwijtraken, verliezen spullen die je nodig hebt zomaar gekozen de groep, soort schatten, beoordelen
JK EX
a b c d e f
PL
e
IN
KI
Welk woord vind je in het geel?
MODULE 1 Gezellig!
37
3
Panorama
3.1 Speel je mee?
We maken een gameplay-video! Volg het stappenplan. Verdeel de klasgroep in groepjes van drie of vier leerlingen.
Stap 2
Kies een eenvoudig spel uit de klas, of breng er zelf eentje mee van thuis.
Stap 3
Speel het spel met je groep. Zorg dat iedereen de regels goed begrijpt.
Stap 4
Schrijf de spelregels in het kader hieronder.
Naam van het spel:
D IE
Aantal spelers:
Het spel:
PL
JK EX
EM
AA R
Benodigdheden: Doel van het spel:
KE U
RE
Stap 1
IN
KI
beter worden in iets
38
Stap 5
Maak een gameplay-video: • Toon en vertel wat je nodig hebt. • Toon en vertel hoe je het spel klaarzet. • Toon en vertel wat het doel van het spel is. • Toon en vertel hoe je het spel speelt. • Toon en vertel hoe het spel eindigt.
Stap 6
Speel elkaars spel. Gebruik de gameplay-video om het spel onder de knie te krijgen.
MODULE 1 Gezellig!
Woordenlijst
4
Woordenschat De juf zette alle benodigdheden voor de knutselles klaar.
spullen die je nodig hebt
de categorie
De boeken in de bibliotheek zijn opgedeeld in verschillende categorieën.
de groep, soort
gemeenschappelijk
De twee middelbare scholen hebben een gemeenschappelijk speelplein.
hetzelfde, gezamenlijk
inschatten
Ik kan niet goed inschatten hoelang de taak schatten, beoordelen zal duren.
kwijtspelen
Ik hoop dat ik mijn sleutel niet weer zal kwijtspelen, anders kan ik niet binnen.
kwijtraken, verliezen
minstens
Je moet minstens acht glazen water per dag drinken.
op zijn minst, minimaal
onder de knie krijgen
Het was moeilijk om piano te leren spelen, maar na veel oefenen kreeg ik het onder de knie.
beter worden in iets
overbodig
De uitleg was overbodig, omdat iedereen het al begreep.
onnodig
willekeurig
Ze trok willekeurig een kaart uit de stapel.
zomaar gekozen
KE U
D IE
AA R
geef het antwoord
We bekijken een video in de les.
kijk naar
Ik bespreek met mijn buur hoe we de opdracht aanpakken.
praat erover
Ik kruiste aan welke hobby’s ik leuk vind.
zet een kruisje in het vakje
markeer
Ik markeerde de belangrijkste woorden in de tekst geel.
kleur met je markeerstift
noteer
Ik noteer het juiste antwoord bij de vraag.
schrijf
omcirkel
Ze omcirkelde het juiste antwoord.
teken een cirkeltje rond
onderstreep
Ik onderstreep de belangrijke woorden in de tekst.
trek een streep onder
vertel
Ik mocht aan de klas vertellen wat ik in het weekend gedaan had.
zeg het aan de klas
volg
We volgden de leerkracht nauwkeurig bij de uitvoering van de proef.
doe zoals
vul aan
Ik vulde de zin aan met het juiste woord.
schrijf wat ontbreekt
vul in
Op het invullijntje vul ik het woord in dat ontbreekt.
schrijf op het lijntje
zet om
We zetten de werkwoorden om naar de verleden tijd.
verander
bespreek
KI
JK EX
kruis aan
EM
Ze beantwoordde de vraag van de leerkracht.
bekijk
IN
PL
Schooltaalwoorden beantwoord
RE
de benodigdheden
MODULE 1 Gezellig!
39
Ik kan
schrijven
luisteren
handeling
spreken
woordenschat
gesprek
onthouden
PL
uitbreiding
KI
JK EX
EM
lezen
AA R
kijken
D IE
KE U
RE
de belangrijkste informatie uit een tekst halen. dubbele punten correct gebruiken in een zin. komma’s correct gebruiken in een zin. spaties op de juiste plaats in een zin zetten. lidwoorden, zelfstandige naamwoorden en werkwoorden herkennen en gebruiken. verkleinwoorden en meervouden herkennen en vormen. werkwoorden in de verleden tijd, de tegenwoordige tijd en de toekomende tijd herkennen. werkwoorden in de tegenwoordige tijd herkennen en gebruiken. komma’s voor voegwoorden correct gebruiken. duidelijke spelregels beschrijven. de woorden uit de woordenlijst gebruiken. een gameplay-video maken. bijvoeglijke naamwoorden herkennen en gebruiken.
Colofon
IN
Auteur Anne-Marie Debloudts Eerste editie ISBN 978 90 4865 272 3 KB D/2026/0147/016 Bestelnummer 90 850 0202 (module 1 van 6) NUR 117 Thema YPCA Verantwoordelijke uitgever die Keure, Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 - © Copyright by die Keure, Brugge
Foto’s Adobe Stock Bij de totstandkoming van dit lesmateriaal is gebruikgemaakt van generatieve AI-tools ter ondersteuning van redactie en formulering. Alle inhoud is redactioneel gecontroleerd en gevalideerd.
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. De uitgever heeft naar best vermogen getracht de publicatierechten volgens de wettelijke bepalingen te regelen. Zij die niettemin menen nog aanspraken te kunnen doen gelden, kunnen dat aan de uitgever kenbaar maken.
Die Keure wil het milieu beschermen. Daarom kiezen wij bewust voor papier dat het keurmerk van de Forest Stewardship Council® (FSC®) draagt. Dit product is gemaakt van materiaal afkomstig uit goed beheerde, FSC®-gecertificeerde bossen en andere gecontroleerde bronnen.