INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Themaoverzicht
Week 1 Vlot en vloeiend lezen
Les 1 Intro
Les 2
Begrijpend lezen: Als de herfst komt
Les 3 De seizoenen
Les 4
Les 5
Les 6
Taalwijs: Zelfstandig naamwoord en lidwoord
Luisteren: Wat gebeurt er in de herfst?
Schrijven: Speuren in de herfst
Les 7 Tover je mee?
Les 8 Memo-les 1
Week 2 Vlot en vloeiend lezen
Les 9
Begrijpend lezen: De spin
Les 10 en 11 Herfstwandeling
Les 12 Schrijven: De kruisspin
Les 13 Spreken en luisteren: Waar griezel jij van?
Les 14 Taalwijs: Enkelvoud en meer voud
Les 15 Insecten
Les 16
2
Week 3 Vlot en vloeiend lezen
Les 17 Begrijpend lezen: Eekhoorn in de stad
Les 18 Wie woont waar ? Wat groeit daar?
Les 19 Spreken: Welk dier ben ik?
Les 20 Delen van een boom
Les 21 Taalwijs: Experimenteren met woordenschat
Les 22 Vleermuizen, eng of niet?
Les 23

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
3
Week 4 Vlot en vloeiend lezen
Les 24 Begrijpend lezen: De paddenstoel
Les 25 Delen van een paddenstoel
Les 26 Evaluatie taalwijs
Les 27
Les 28 Opruimen in de herfst
Les 29
Les 30 Herhaling
begrijpend lezen
Les 31 Leren leren
Week 5 Vlot en vloeiend lezen
Les 32 Differentiatie taal
Les 33 Evaluatie wereldoriëntatie
Les 34 Outro: herfstdieren maken
x 25’
x 25’
Inleiding
Op een grote paddenstoel

In dit thema maken de leerlingen uitgebreid kennis met de herfst en de veranderingen die dit seizoen met zich meebrengt. Ze gaan op ontdekkingstocht in de natuur en observeren wat er verandert voor mens, dier en plant. Tijdens de herfstwandeling in het bos ervaren ze de herfst met al hun zintuigen: ze voelen de frisse lucht, ruiken de geur van natte bladeren, horen het ritselen van de wind en zien de warme kleuren van de herfstblaadjes. Ook maken ze kennis met dieren die een belangrijke rol spelen in de herfst, zoals de vleermuis die zich voorbereidt op zijn winterslaap en de eekhoorn die voedsel verzamelt.

Focus op ‘biologie’
De leerlingen verdieping zich in de kenmerken van de herfst en bespreken seizoensveranderingen. Ze leren over:
• hoe de natuur zichtbaar verandert;
• hoe de mens zich aanpast aan de herfst;
• hoe de eekhoorn en de vleermuis zich voorbereiden op de winter;
• hoe loof- en naaldbomen op een verschillende manier overleven in de winter.
Om de kennis over planten en dieren aan te vullen, leren de leerlingen ook:
• kenmerken van insecten en spinnen te benoemen;
• typische planten en dieren te associëren met de biotopen `stad’, `bos’ en `grasland’;
• de delen van loof- en naaldbomen te benoemen;
• de delen van een paddenstoel te benoemen.
Bij dat laatste lezen de leerlingen informatieve teksten over zwammen en maken ze een afdruk van paddenstoelsporen.
We staan ook stil bij afval sorteren. De leerlingen leren waarom afval scheiden belangrijk is, welke soorten afval er zijn en welke gevaren er zijn voor de natuur.

Focus op ‘informatieve tekst’ en ‘voorkennis activeren’
De tekstsoort die in dit thema centraal staat, is de informatieve tekst. De leerlingen leren hoe ze informatieve teksten kunnen herkennen en hoe ze de structuur (titels, tussentitels, foto’s …) kunnen gebruiken om snel de gewenste informatie te vinden. Dit oefenen ze aan de hand van lees- en luisteropdrachten over de herfst, waarin ze leren hoe dieren, mensen en planten zich aanpassen aan de seizoensveranderingen.
De leerlingen leren hoe ze een tekst beter kunnen begrijpen door hun voorkennis te activeren. Voor ze een tekst lezen, denken ze na over wat ze al weten over het onder werp en welke vragen ze nog hebben. Tijdens en na het lezen vergelijken ze deze voorkennis met de nieuwe informatie die ze hebben geleerd. Dit helpt hen om informatieve teksten beter te begrijpen en verbanden te leggen.
Focus op ‘spreken’
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
In dit thema staat spreken centraal. De leerlingen leren spreekopdrachten voorbereiden en presenteren dieren. Ze oefenen om de juiste woorden te gebruiken, en om verstaanbaar te spreken.
Focus op ‘zelfstandige naamwoorden’
In de lessen taalwijs werken de leerlingen rond de soorten zelfstandige naamwoorden en het verschil tussen enkelvoud en meer voud.

Praktische aandachtspunten
Voor dit thema zijn er enkele voorbereidingen nodig.
• Communiceer tijdig dat jullie een herfstwandeling maken.
• Neem voldoende materiaal (bladeren en vruchten) mee tijdens de herfstwandeling voor de volgende lessen wereld.
• Voorzie materialen voor het maken van een sporenafdruk van een paddenstoel.
• Maak plaats voor een herfsttafel in de klas met het gevonden materiaal van de wandeling.
• Verzamel afval voor de les rond afval sorteren.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Bronnen
De teksten begrijpend lezen voor dit thema komen uit de volgende boeken:
• Seizoen na seizoen, Ruth Owen, Schoolsupport Uitgeverij
• Een dier in de tuin, Liesbeth van Bogaert, Uitgeverij De Eenhoorn
• Op safari in de stad, Isabel Thomas, Schoolsupport Uitgeverij
• Het leven van … een paddenstoel, Mijn eerste docuboek, Schoolsupport Uitgeverij

het weer
• kortere dagen

• regen jas
• kouder de mensen

• regenlaarzen de dieren (de fauna)
• voedsel verzamelen
• voorbereiden op winterslaap

ZELFSTANDIG NAAMWOORD
LIDWOORD herfst seizoen egel
1 bes spin jas
MEER bessen spinnen jassen
ENKELVOUD MEERVOUD

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
titel tussentitel informatie afbeelding
INFORMATIEVE TEKST

VERANDERINGEN IN DE HERFST de spin de antenne de kop het borststuk het achterlijf groente-, fruit- en tuinafval
het insect de mier het zoogdier de vleermuis




zes poten de mierenkoningin het ei de pop de volwassen mier de het een



plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankkartons


de planten (de flora) bladeren vallen van de bomen




SEIZOENEN de winter de lente de herfst de zomer de stad de eendde duifde haag

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
bomen de loofboom de naaldboom de paddenstoel de zwamvlok de schimmeldraad het vruchtlichaam de hoed de ring de steel



BIOTOPEN de kruin





het blad de tak de stam de wortel de naald de buisjesde plaatjes de spore








het bos de spin de paddenstoel de kastanje




het grasland de mol de paddenstoel de veldmuis
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Les 1.1 Hond Skip zoekt een baas
Doel leerlingen
We oefenen eenvoudige woorden en herhalen woorden uit de vorige lessen.

Lesdoelen
1 De leerlingen (her)kennen grafemen en kunnen ze fonemisch benoemen (korte en lange klinkers, medeklinkers, tweetekenklanken).
2 De leerlingen lezen woorden en eenvoudige teksten.
3 De leerlingen verklaren en oefenen woorden.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Lesmaterialen
- concordantie
- leesboek p 2-3
- krant
- wisbordje en stift voor elke leerling
Wat ging vooraf?
In Labo lezen we elke dag. In Thema 2 werken we gelijkaardig als in Thema 1.
We oefenen verder met de groepen die we vormden tijdens Thema 1 (zie ook schema hieronder). Op het einde van de eerste week hertesten we de leerlingen en stellen we de groepssamenstelling bij op basis van de leesresultaten.
Op het einde van het thema voorzien we een facultatieve leestoets. Hiermee willen we vooral scholen ondersteunen die geen gebruik maken van een leerlingvolgsysteem voor lezen.
We wisselen tijdens de lessen drie methodieken:
- voor – koor – door: leraar leest voor, alle leerlingen lezen na, de leerlingen lezen in duo’s. - echolezen: een leerling leest voor en de andere leest hetzelfde in echo.
- wissellezen: de leerlingen lezen om de beurt een stuk tekst (net als bij het lezen in rollen).
Leesprogramma
5 x 25’
Extra aanbod
Verdiepingsspoor enkel leerlingen ≥ AVI E4 woordrijen en woordverklaring
Labospoor alle andere leerlingen
3 x 20’ leerlingen met onvoldoende letterkennis Labo letters oefenen leerlingen met onvoldoende woordherkenning Labo woorden oefenen
verdiepingsteksten Labo (leesspoor 3) vrij lezen (klas)bieb
tekst 1 Labo (leesspoor 1 en 2)

LESVERLOOP
1 Voorkennis activeren en lesdoel
Laat de leerlingen door hun nieuwe leesboek bladeren. Wat zien ze? Wat valt op? Waarover gaan we lezen? Zien de leeslessen er anders uit?
Lezen is heel belangrijk en oefenen we elke dag. We lezen woordrijen en teksten. Vandaag oefenen we eenvoudige woorden en herhalen we woorden uit de vorige lessen. De woorden en teksten worden elke week een beetje moeilijker.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
2 Kern
2.1 Letter- en woordrijtjes lezen (5 minuten)
Open het leesboek op pagina 2-3. Lees het eerste rijtje van boven naar beneden voor. Vraag de leerlingen om in hun boek mee te wijzen.
Lees het eerste rijtje van boven naar beneden in koor. De leerlingen wijzen bij.
Laat in duo’s of fluisterend hardop (door) het rijtje lezen.
Herhaal voor alle volgende rijen.
Tot slot vraag je de leerlingen alle rijtjes nog eens te lezen. Wandel rond en obser veer.
Geef feedback aan de leerlingen. Je oefent goed op woorden lezen; we oefenen nog veel op woorden zodat jij ze snel kent.
2.2 Woorden schrijven (5 minuten)
Dicteer een voor een de woorden: flits - klank - slang.
De leerlingen schrijven de woorden op hun wisbordje en spreken gelijktijdig de klanken uit.
De leerlingen kunnen naar de woorden in hun leesboek kijken (kopiëren) of zelf schrijven. Als ze klaar zijn, controleren ze of ze het juist schreven en schrijven opnieuw waar nodig. Controleer snel of alle leerlingen juist schreven. Wis de bordjes en dicteer het volgende woord. Bij de start van het schooljaar is deze manier van werken nog geen routine.
2.3 Tekst (herhaald) lezen (13 minuten)
Voor je start met lezen, bekijk je de 2 moeilijke woorden onderaan de pagina met de leestekst. Wijs er de leerlingen op dat de woorden ‘flits’ en ‘bruist’ (bruisen) moeilijke woorden zijn. Bekijk onderaan de bladzijde de verklaring. Vraag de leerlingen of ze een flitspaal en bruiswater kennen. Wat doet een flitspaal? Hoe herken je bruiswater?
Kunnen leerlingen met eigen woorden betekenis geven of voorbeelden geven bij de woorden?
Leerlingen ≥ AVI E4 kunnen zelfstandig lezen (als ze dat wensen). Alle andere leerlingen volgen de Laboles.
Lees de tekst een eerste keer voor. De leerlingen wijzen mee met hun vinger.
Lees de tekst nogmaals in koor. De leerlingen wijzen bij.
Geef duo’s de opdracht om via echolezen de tekst samen nog een keer te lezen. Na 5 zinnen wisselen ze van rol. Hier kan je ook differentiëren door een zwakkere lezer aan een sterkere lezer te koppelen waarbij de sterke lezer steeds voorleest en de zwakke lezer echoot.
3 Lesafsluiting
Deze tekst komt uit de krant. Wie heeft er al eens in een krant gelezen? Welke teksten staan er in de krant?
Laat even een krant zien zonder specifiek te bespreken.
Vertel dat je er nieuws in kan lezen, maar ook strips, sportuitslagen …
Les 1.2 De dag van het dier
Doel leerlingen
We oefenen eenvoudige woorden en herhalen woorden uit de vorige lessen.

25’
Lesdoelen
1 De leerlingen (her)kennen grafemen en kunnen ze fonemisch benoemen (korte en lange klinkers, medeklinkers, tweetekenklanken).
2 De leerlingen lezen woorden en eenvoudige teksten.
3 De leerlingen verklaren en oefenen woorden.
Lesmaterialen
- concordantie
- leesboek p 4-5
- wisbordje en stift voor elke leerling
Wat ging vooraf?
In Labo lezen we elke dag.
We wisselen tijdens de lessen drie methodieken:
- voor – koor – door: leraar leest voor, alle leerlingen lezen na, de leerlingen lezen in duo’s.
- echolezen: een leerling leest voor en de andere leest hetzelfde in echo.
- wissellezen: de leerlingen lezen om de beurt een stuk tekst (net als bij het lezen in rollen).
Leesprogramma
5 x 25’
Extra aanbod
Verdiepingsspoor enkel leerlingen ≥ AVI E4 woordrijen en woordverklaring
Labospoor alle andere leerlingen
3 x 20’ leerlingen met onvoldoende letterkennis Labo letters oefenen leerlingen met onvoldoende woordherkenning Labo woorden oefenen
verdiepingsteksten Labo (leesspoor 3) vrij lezen (klas)bieb
tekst 2 Labo (leesspoor 1 en 2)

LESVERLOOP
1 Voorkennis activeren en lesdoel
Noteer het woord ‘krant’ op het bord. Waar denken we aan? (de vorige leesles). Onderstreep ‘kr’ en ‘nt’. Krant is een woord met twee medeklinkers vooraan en twee medeklinkers achteraan.
Lezen is heel belangrijk en oefenen we elke dag. Vandaag oefenen we woorden met twee medeklinkers vooraan en twee medeklinkers achteraan.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Zijn er leerlingen die een woord kennen met drie medeklinkers vooraan of achteraan? Noteer er enkele op het bord.
2 Kern
2.1 Letter- en woordrijtjes lezen (5 minuten)
Open het leesboek op pagina 4-5. Lees het eerste rijtje van boven naar beneden voor. Vraag de leerlingen om in hun boek mee te wijzen.
Lees het eerste rijtje van boven naar beneden in koor. De leerlingen wijzen bij.
Laat in duo’s of fluisterend hardop (door) het rijtje lezen.
Herhaal voor alle volgende rijen.
Tot slot vraag je de leerlingen alle rijtjes nog eens te lezen. Wandel rond en obser veer.
Geef feedback aan de leerlingen. ‘Je oefent goed op woorden lezen; we oefenen nog veel op woorden zodat jij ze snel kent’.
2.2 Woorden schrijven (5 minuten)
Dicteer een voor een de woorden: minst - streel - worst.
De leerlingen schrijven de woorden op hun wisbordje en spreken gelijktijdig de klanken uit.
De leerlingen kunnen naar de woorden in hun leesboek kijken (kopiëren) of zelf schrijven. Als ze klaar zijn, controleren ze of ze het juist schreven en schrijven opnieuw waar nodig. Controleer snel of alle leerlingen juist schreven. Wis de bordjes en dicteer het volgende woord. Bij de start van het schooljaar is deze manier van werken nog geen routine.
2.3 Tekst (herhaald) lezen (13 minuten)
Voor je start met lezen, bekijk je de 2 moeilijke woorden onderaan de pagina met de leestekst.
Wijs er de leerlingen op dat de woorden ‘mos’ en ‘strijken’ moeilijke woorden zijn. Bekijk onderaan de bladzijde de verklaring. Kunnen leerlingen met eigen woorden betekenis geven of voorbeelden geven bij de woorden?
Zorg bij het woord strijken voor meerdere voorbeelden: zalf op de huid strijken, de was strijken.
Leerlingen ≥ AVI E4 kunnen zelfstandig lezen (als ze dat wensen). Alle andere leerlingen volgen de Laboles.
Lees de tekst een eerste keer voor. De leerlingen wijzen mee met hun vinger.
Lees de tekst nogmaals in koor. De leerlingen wijzen bij.
Geef duo’s de opdracht om de dialogen te lezen. Bij een tweede leesbeurt wisselen ze van rol.
3 Lesafsluiting
Wat doen Mol en Beer om de dieren zich goed te laten voelen?
Wat doen wij om de dieren zich goed te laten voelen?
Les 1.3 De man die van dieren houdt
Doel leerlingen
We oefenen eenvoudige woorden en herhalen woorden uit de vorige lessen.

25’
Lesdoelen
1 De leerlingen (her)kennen grafemen en kunnen ze fonemisch benoemen (korte en lange klinkers, medeklinkers, tweetekenklanken).
2 De leerlingen lezen woorden en eenvoudige teksten.
3 De leerlingen verklaren en oefenen woorden.
Lesmaterialen
- concordantie
- leesboek p 6-7
- wisbordje en stift voor elke leerling
Wat ging vooraf?
In Labo lezen we elke dag.
We wisselen tijdens de lessen drie methodieken:
- voor – koor – door: leraar leest voor, alle leerlingen lezen na, de leerlingen lezen in duo’s.
- echolezen: een leerling leest voor en de andere leest hetzelfde in echo.
- wissellezen: de leerlingen lezen om de beurt een stuk tekst (net als bij het lezen in rollen).
Leesprogramma
5 x 25’
Extra aanbod
Verdiepingsspoor enkel leerlingen ≥ AVI E4 woordrijen en woordverklaring
Labospoor alle andere leerlingen
3 x 20’ leerlingen met onvoldoende letterkennis Labo letters oefenen leerlingen met onvoldoende woordherkenning Labo woorden oefenen
verdiepingsteksten Labo (leesspoor 3) vrij lezen (klas)bieb
tekst 3 Labo (leesspoor 1 en 2)

LESVERLOOP
1 Voorkennis activeren en lesdoel
Noteer de letters ‘spr’ en ‘str’ / ‘kst’ en ‘tst’ op het bord. Vraag de leerlingen per twee of ze een woord vinden dat begint met spr- en str- of eindigt op -kst of -tst. Laat enkele leerlingen ver woorden wat ze vonden en noteer een voorbeeld bij elke lettercombinatie.
Lezen is heel belangrijk en oefenen we elke dag. Vandaag oefenen we woorden met drie medeklinkers vooraan en drie medeklinkers achteraan.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
2
Kern
2.1 Letter- en woordrijtjes lezen (5 minuten)
Open het leesboek op pagina 6-7. Lees het eerste rijtje van boven naar beneden voor. Vraag de leerlingen om in hun boek mee te wijzen.
Lees het eerste rijtje van boven naar beneden in koor. De leerlingen wijzen bij. Laat in duo’s of fluisterend hardop (door) het rijtje lezen.
Herhaal voor alle volgende rijen.
Tot slot vraag je de leerlingen alle rijtjes nog eens te lezen. Wandel rond en obser veer. Geef feedback aan de leerlingen. Je oefent goed op woorden lezen; we oefenen nog veel op woorden zodat jij ze snel kent.
2.2 Woorden schrijven (5 minuten)
Dicteer een voor een de woorden: spraak - straat - spring.
De leerlingen schrijven de woorden op hun wisbordje en spreken gelijktijdig de klanken uit.
De leerlingen kunnen naar de woorden in hun leesboek kijken (kopiëren) of zelf schrijven. Als ze klaar zijn, controleren ze of ze het juist schreven en schrijven opnieuw waar nodig. Controleer snel of alle leerlingen juist schreven. Wis de bordjes en dicteer het volgende woord. Bij de start van het schooljaar is deze manier van werken nog geen routine.
2.3 Tekst (herhaald) lezen (13 minuten)
Voor je start met lezen, bekijk je de 2 moeilijke woorden onderaan de pagina met de leestekst. Wijs er de leerlingen op dat de woorden ‘stroef’ en ‘spraak’ moeilijke woorden zijn. Bekijk onderaan de bladzijde de verklaring. Kunnen leerlingen met eigen woorden betekenis geven of voorbeelden geven bij de woorden?
Leerlingen ≥ AVI E4 kunnen zelfstandig lezen (als ze dat wensen). Alle andere leerlingen volgen de Laboles.
Lees de tekst een eerste keer voor. De leerlingen wijzen mee met hun vinger.
Lees de tekst nogmaals in koor. De leerlingen wijzen bij.
Geef duo’s de opdracht om via wissellezen de tekst samen nog een keer te lezen. Elke lezer neemt een blokje voor zijn/haar rekening. Bij een tweede leesbeurt lezen ze de blokjes die ze bij de vorige beurt niet lazen.
3 Lesafsluiting
‘Dit is een man die van dieren houdt!’ is de laatste zin van de tekst. Waarom zegt de schrijver dat? Hoe kan jij laten zien dat je van dieren houdt?
Les 1.4 Bij de dierenarts
Doel leerlingen
We oefenen eenvoudige woorden en herhalen woorden uit de vorige lessen.

Lesdoelen
1 De leerlingen (her)kennen grafemen en kunnen ze fonemisch benoemen (korte en lange klinkers, medeklinkers, tweetekenklanken).
2 De leerlingen lezen woorden en eenvoudige teksten.
3 De leerlingen verklaren en oefenen woorden.
Lesmaterialen
- concordantie
- leesboek p 8-9
- wisbordje en stift voor elke leerling
Vooraf
In Labo lezen we elke dag.
We wisselen tijdens de lessen drie methodieken:
- voor – koor – door: leraar leest voor, alle leerlingen lezen na, de leerlingen lezen in duo’s.
- echolezen: een leerling leest voor en de andere leest hetzelfde in echo.
- wissellezen: de leerlingen lezen om de beurt een stuk tekst (net als bij het lezen in rollen).
Leesprogramma
5 x 25’
Extra aanbod
Verdiepingsspoor enkel leerlingen ≥ AVI E4 woordrijen en woordverklaring
3 x 20’ leerlingen met onvoldoende letterkennis Labo letters oefenen leerlingen met onvoldoende woordherkenning Labo woorden oefenen 25’
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
verdiepingsteksten Labo (leesspoor 3) vrij lezen (klas)bieb
Labospoor alle andere leerlingen tekst 4 Labo (leesspoor 1 en 2)

LESVERLOOP
1 Voorkennis activeren en lesdoel
Vertel dat jongeren die leren voor dierenarts helpen en leren bij een dierenarts. In het lesje van vandaag lezen we over een dierenarts en een student dierenarts.
Lezen is heel belangrijk en oefenen we elke dag. Vandaag oefenen we woorden met twee medeklinkers vooraan en/of achteraan.
2 Kern
2.1 Letter- en woordrijtjes lezen (5 minuten)
Open het leesboek op p. 8-9. Lees het eerste rijtje van boven naar beneden voor. Vraag de leerlingen om in hun boek mee te wijzen.
Lees het eerste rijtje van boven naar beneden in koor. De leerlingen wijzen bij. Laat in duo’s of fluisterend hardop (door) het rijtje lezen. Herhaal voor alle volgende rijen.
Tot slot vraag je de leerlingen alle rijtjes nog eens te lezen. Wandel rond en obser veer. Geef feedback aan de leerlingen. Je oefent goed op woorden lezen; we oefenen nog veel op woorden zodat jij ze snel kent.
2.2 Woorden schrijven (5 minuten)
Dicteer een voor een de woorden: kwart - blaast - klopt. De leerlingen schrijven de woorden op hun wisbordje en spreken gelijktijdig de klanken uit. De leerlingen kunnen naar de woorden in hun leesboek kijken (kopiëren) of zelf schrijven. Als ze klaar zijn, controleren ze of ze het juist schreven en schrijven opnieuw waar nodig. Controleer snel of alle leerlingen juist schreven. Wis de bordjes en dicteer het volgende woord. Bij de start van het schooljaar is deze manier van werken nog geen routine.
2.3 Tekst (herhaald) lezen (15 minuten)
Voor je start met lezen, bekijk je de 2 moeilijke woorden onderaan de pagina met de leestekst. Wijs er de leerlingen op dat de woorden ‘koorts’ en ‘kwart’ moeilijke woorden zijn. Bekijk onderaan de bladzijde de verklaring. Kunnen leerlingen met eigen woorden betekenis geven of voorbeelden geven bij de woorden?
Leerlingen ≥ AVI E4 kunnen zelfstandig lezen (als ze dat wensen). Alle andere leerlingen volgen de Laboles.
Lees de tekst een eerste keer voor. De leerlingen wijzen mee met hun vinger.
Lees de tekst nogmaals in koor. De leerlingen wijzen bij.
Geef duo’s de opdracht om de tekst in rollen te lezen. Bij een tweede leesbeurt wisselen de leerlingen van rol.
3 Lesafsluiting
Houd een kort slotgesprek met de woorden prijzen en blozen. Prijs een leerling in de klas, bv. Rune jij kan mooi tekenen. Moet Rune nu blozen? Wie wil iemand prijzen in de klas? Zal die leerling dan blozen?
Les 1.5 Herhaling
Doel leerlingen
We herhalen en toetsen wat we al kunnen.
Lesdoelen

1 De leerlingen (her)kennen grafemen en kunnen ze fonemisch benoemen (korte en lange klinkers, medeklinkers, tweetekenklanken).
2 De leerlingen lezen woorden en eenvoudige teksten.
3 De leerlingen verklaren en oefenen woorden.
Lesmaterialen
- concordantie
- leesboek p 10-11
- kopieerblad 1: lettertoets
- kopieerblad 2: woordtoets
- kopieerblad 3: zinnentoets
- wisbordje en stift voor elke leerling
Wat ging vooraf?
Tijdens deze les breng je de leesvaardigheid van de leerlingen in beeld. Dit doe je door (herhalings) toetsen af te nemen. Waar mogelijk doe je beroep op het zorgteam voor ondersteuning.
Het belangrijkste doel is om het leesmenu van de volgende weken voor de leerlingen samen te stellen.
Leesprogramma
5 x 25’
Extra aanbod
Verdiepingsspoor enkel leerlingen ≥ AVI E4 woordrijen en woordverklaring
Labospoor alle andere leerlingen
3 x 20’ leerlingen met onvoldoende letterkennis Labo letters oefenen leerlingen met onvoldoende woordherkenning Labo woorden oefenen 25’
verdiepingsteksten Labo (leesspoor 3) vrij lezen (klas)bieb
tekst 1-4 Labo (leesspoor 1 en 2)

LESVERLOOP
1 Voorkennis activeren en lesdoel
Lezen is heel belangrijk en oefenen we elke dag. Vandaag ga ik kijken wat al goed en minder goed lukt bij iedereen.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
2 Kern
Vraag de leerlingen om individueel of in duo’s de woordrijen en de teksten opnieuw te lezen. De leerlingen kiezen zelf welke woordrijen en teksten ze lezen. Je roept leerlingen beurtelings bij jou en neemt toetsen af.
Na 6 weken leesonderwijs laat je alle leerlingen lezen. Het ‘zomerverlies’ zou weggewerkt moeten zijn bij de meeste leerlingen.
Neem de herhalingstoets letters lezen (kopieerblad 1) af bij de leerlingen die het spoor ‘Labo letters oefenen’ volgen.
Neem de herhalingstoets woorden lezen (kopieerblad 2) af bij de leerlingen die het spoor ‘Labo woorden oefenen’ volgen of leerlingen die je op dit niveau wil testen.
Neem de leestest (kopieerblad 3) af van leerlingen die geen herhalingstest afleggen.
Maak op basis van de testresultaten het leesprogramma voor de volgende weken klaar:
- leerlingen die hun letters niet kennen, volgen het reguliere programma in de klas en aanvullend Labo letters oefenen;
- leerlingen die te veel woorden fout lezen, volgen het reguliere programma in de klas en aanvullend Labo woorden oefenen;
- leerlingen die leeftijdsadequaat lezen, volgen het reguliere programma en stimuleren we tot lezen buiten de leestijd;
- leerlingen die AVI E4 of hoger lezen, volgen de start van de les inclusief de woordrijen en lezen nadien de uitbreidingsteksten in het werkboek of beschikbare boeken in de klas.
Wanneer je twijfelt aan een leerling, laat dan ‘de nood van de leerling’ het belangrijkste criterium zijn.
bv Stel dat een leerling onvoldoende individuele letters kent, maar wel woorden in de woordrijen relatief vlot kan lezen (eventueel dubbelcheck met toets woorden lezen), grijp dan naar Labo woorden oefenen.
Belangrijk is dat je tempo in deze fase van het leesproces nog niet meeneemt als criterium. Vanaf thema 3 zetten we wel in op ‘versnelling van de woordherkenning’.
Les 1 Intro
Lesdoelen
1 De leerlingen kunnen voorkennis ophalen over de herfst.

2 De leerlingen kunnen hun voorkennis over de herfst in woorden noteren in een woordweb.
3 De leerlingen kunnen een passende vraag stellen bij een bekeken videofragment.
Lesmaterialen
- concordantie
- werkboek p. 2
- video 1: intro-video
- video 2: boom die verkleurt
- video 3: mensen harken bladeren
- video 4: egel in winterslaap
- video 5: groeiende paddenstoelen
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Woordenschat in deze les (richtinggevend)
het afval het insect de paddenstoel de schors de vrucht het blad de kaak het plaatje het seizoen het vruchtvlees de bolster de kastanje PMD sorteren het web het buisje de knobbel de pompoen de spore de winterslaap de egel de knop de prooi de stam de wortel de eikel de kruin de regenworm de steel het zaadje GFT de kruisspin het restafval de stengel het zintuig het gif de lantaarn de rijp tam de zwamvlok glad de levenscyclus de safari uithollen de griezelfiguur het mineraal schaars verkleuren Halloween nuttig de schimmel verwelken de hoed oogsten de schimmeldraad de vliegenzwam
Leerlijn
Wat ging vooraf? Wat is de voorkennis?
Dit is het tweede thema van de methode Labo Taal & Wereld. In dit thema gaan we dieper in op de seizoenen. De meeste leerlingen hebben hier al over geleerd in de kleuterklas en ook in het eerste leerjaar kwam dit aan bod. In het eerste thema van Labo werden bovendien de maanden en seizoenen al eens herhaald. In dit tweede thema wordt dit onderwerp meer in detail behandeld met aandacht voor de veranderingen voor mens en natuur.
Wat volgt?
Het woordweb dat de leerlingen in deze les opbouwen, kan doorheen het thema in heel wat lessen aangevuld worden met nieuwe begrippen die de leerlingen verwerven.
De leerlingen maken in deze les kennis met de herfst als seizoen. Dit wordt in de volgende lessen verder uitgediept. In les 3 leren de leerlingen hoe de natuur er in elke seizoen uitziet; je kunt hiervoor verwijzen naar de videofragmenten uit deze les. In les 7 diepen we de leerstof rond seizoenen nog verder uit en bekijken we concreet wat er verandert door de seizoenen heen. In les 10 en 11 maken we een herfstwandeling. De leerlingen obser veren daarbij de herfst in hun eigen omgeving en onderzoeken hoe de natuur eruitziet. In Thema 6 gaan we opnieuw op wandeling, in de lente deze keer. We kunnen zo onderzoeken hoe de omgeving in elk seizoen verandert.

Voor de les
Voor anderstalige en taalarme leerlingen is er een intro-video beschikbaar (video 1). In deze video maken ze kennis met de belangrijkste concepten van het thema. Bekijk de video vooraf met deze leerlingen, of laat de video op voorhand thuis bekijken.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

LESVERLOOP
1 Voorkennis activeren en lesdoel
Vraag de leerlingen of ze veranderingen hebben opgemerkt buiten, onderweg naar school. Zien ze andere kleuren aan de bomen? Zien ze vallende blaad jes? Zien ze bloemen verwelken?
Zien ze bepaalde vruchten rijpen? Voelt het kouder aan?
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Weten jullie nog wat een seizoen is? Welke vier seizoenen zijn er? Wie weet in welk seizoen we nu zitten?
Laat de leerlingen benoemen dat het herfst is.
Vertel dat je de laatste weken veranderingen zag in de natuur en dat je korte video’s hebt verzameld. Bekijk samen video 2. De eerste video laat een boom doorheen de vier seizoenen zien. Laat de leerlingen hun verwondering uiten. Laat ze de video met de eigen omgeving vergelijken en ver woorden wat ze in hun omgeving aan veranderingen zien. Herkennen ze in welk seizoen ze nu zitten? Kunnen ze stop zeggen op het moment dat het filmpje de verkleuring in de herfst laat zien?
Kom tot de onderzoeksvraag ‘wat verandert er in de herfst?’. Vertel de leerlingen dat jullie de komende weken de veranderingen in de herfst gaan onderzoeken en dat jullie vandaag al kennis maken met het thema.
Vandaag maken we een woordweb over wat we al weten over de herfst.
2 Kern
2.1 Dit is de herfst
Bekijk samen video 3. Stel vragen: Wat heb je gezien? Heb je dat al eens gezien? Heb jij dat ook al eens gedaan?
Laat de leerlingen er varingen delen over bladeren harken. Gebeuren diezelfde dingen ook hier in de buurt? Wat is hetzelfde? Wat is er anders? Misschien gebeurt dit in de gemeente of stad met bladblazers en een veegwagen. Je kunt de video eventueel nog een tweede keer bekijken.
Toon dan video 4. Laat de leerlingen in duo’s voor elkaar een vraag bedenken die bij de video past. Bespreek samen enkele van hun vragen en de antwoorden erbij.
Ten slotte bekijk je samen video 5. Herkennen de leerlingen wat ze zien? Dit zijn groeiende paddenstoelen. Paddenstoelen houden van vocht, daarom zien we ze veel in de herfst. In de herfst regent het veel en is de grond vochtig. Sommige paddenstoelen zijn heel giftig en sommige kun je eten. In dit thema gaan we samen paddenstoelen onderzoeken.
2.2 Woordweb maken
Maak samen na het bekijken van de vier video’s het woordweb over de herfst in het werkboek Laat de leerlingen woorden opsommen die hen aan de herfst doen denken. Corrigeer waar nodig, maar laat de leerlingen zo vrij mogelijk antwoorden. Schrijf een paar woorden in een woordweb aan bord, maar laat de leerlingen ook zelf extra woorden opschrijven in hun werkboek. Geef mee dat ze niet op alle invullijnen iets moeten schrijven, ze zullen dit woordweb in de volgende lessen nog verder aanvullen.

Wijs de leerlingen ook even op het tekstje in de bol bovenaan de pagina. Op het einde van het thema zullen de leerlingen hun werkboek moeten gebruiken om te studeren voor de toets. Daarom is het belangrijk dat ze verzorgd werken en net schrijven. Na de laatste les in het werkboek moeten ze zichzelf op dit punt evalueren.
3 Lesafsluiting
Op het einde van iedere les herhaal je ook het lesdoel.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
We maakten in deze les een woordweb over de herfst. Wat weten we al over de herfst?
Bespreek klassikaal de woordwebben van enkele leerlingen.
Laat het woordweb nog eens samenvatten door enkele leerlingen.
Blik ook al eens vooruit naar de volgende lessen.
Wat zouden jullie graag nog bijleren over de herfst? Wat hopen jullie dat we gaan doen in dit thema?
Les 2 Als de herfst komt
Lesdoelen

1 De leerlingen halen voorkennis op met betrekking tot de inhoud van de tekst.
2 De leerlingen kunnen de betekenis van een gelezen woord in een tekst achterhalen.
3 De leerlingen kunnen zich oriënteren op een tekst.
4 De leerlingen kunnen gericht informatie zoeken in een leestekst.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Lesmaterialen
- concordantie
- werkboek p. 3-5
- video 2: boom die verkleurt
Woordenschat in deze les (richtinggevend) de blaadjes de foto de kastanje de rijp de vliegenzwam het doel de herfst de natuur het seizoen de vrucht dwarrelen de informatie de paddenstoel de storm de wind de eikel de kleur de regen de tussentitel vallen
Leerlijn
Wat ging vooraf? Wat is de voorkennis?
In deze eerste les begrijpend lezen neem je als leerkracht het voortouw. Door hardop na te denken en duidelijk te verwoorden hoe jij als er varen lezer aan de slag gaat met een tekst, welke vragen je je stelt, waar je op let, wat je verwacht ... toon je aan de leerlingen welke strategieën en denkprocessen er zich tijdens het lezen in je hoofd afspelen en geef je een voorbeeld waaraan de leerlingen zich kunnen spiegelen.
De focus in dit thema ligt op informatieve teksten. De leerlingen leren hoe ze in een informatieve tekst de juiste informatie snel kunnen terugvinden. Als leesstrategie leren leerlingen hierbij dat het belangrijk is om hun eigen voorkennis te activeren om een tekst goed te begrijpen. In de lessen zal hier dan ook bewust aandacht aan besteed worden. Vraag de leerlingen voldoende wat ze al weten over het onder werp, dit zal hen helpen de teksten vlotter en diepgaander te lezen.
In deze les lees je meer over de herfst en leer je samen hoe de natuur er in dit seizoen uitziet. Je kunt als leerkracht verwijzen naar de video’s van de introles om de voorkennis en woordenschat van de leerlingen te activeren.
Wat volgt?
In deze les neem je als leerkracht het voortouw. In de tweede en derde les zullen de leerlingen meer betrokken worden en in de vierde leesles ten slotte gaan de leerlingen volledig zelfstandig aan de slag.
In de leestekst van deze les wordt de paddenstoel kort besproken. Dit onderwerp wordt onder andere verder verdiept in les 24-25. In die lessen leren de leerlingen de verschillende onderdelen van de paddenstoel benoemen en ze gaan zelf aan de slag met een sporenonderzoek. Tijdens de leesles kun je hier al naar verwijzen.

LESVERLOOP
1 Voorkennis activeren en lesdoel
Begin deze les met het opnieuw bekijken van video 2 uit de introles. In een kort klasgesprek kun je aanhaken bij de video en de voorkennis van de leerlingen activeren.
- Welke seizoenen zijn er?
- Wat weet je al over de vier seizoenen?
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
- Wat weet je al over de herfst?
- Wat gebeurt er allemaal in de herfst?
- Hoe verandert de natuur in dit seizoen?
Noteer wat de leerlingen vertellen op het bord. Na het lezen van de tekst bekijken we of we al dingen op voorhand wisten, die in de tekst verteld worden.
Vandaag zullen we samen een tekst over de herfst lezen. Ons doel is om de informatie in de tekst te begrijpen.
2 Kern
2.1 Instructie: de tekststructuur verkennen + eerste leesbeurt
Bekijk samen met de leerlingen het werkboek op pagina 3 en 4. Ga hardop denkend aan de slag, zo toon je de leerlingen hoe je te werk gaat als je een nieuwe tekst wilt lezen. Maak hen duidelijk dat ze goed moeten volgen met de stapjes in je hoofd.
Ze moeten meedenken en meevolgen, maar zelf niets doen.
Voor ik echt begin te lezen, vraag ik me enkele zaken af. Ik vraag me af wat voor een tekst het is. Zou het een verhaal zijn met veel fantasie, een artikel uit een krant of magazine, een uitnodiging, een advertentie ...? Ik zie als titel ‘Als de herfst komt’ staan. Ik zie ook meteen dat er foto’s bij de tekst staan. Dit soort tekst heb ik wel al eens gezien in informatieve boeken en weetjesboeken. Ik denk dus dat het een tekst is met informatie over de herfst. Ik leer graag iets bij als ik een tekst lees. Als ik een informatieve tekst lees, moet ik heel goed weten waar ik welke informatie kan vinden. Hoe kan ik dat doen? Oh ja, de foto’s en tussentitels helpen me daarbij! Het is een tekst over de herfst denk ik, dat zie ik aan de titels en de foto’s. Ik weet al veel over de herfst. Ik weet dat er veel in de natuur verandert, het wordt slechter weer, de blaadjes veranderen van kleur, er komen paddenstoelen ... Waarschijnlijk zal ik hierover lezen.
Vertel dat je de tekst een eerste keer gaat voorlezen. De leerlingen volgen mee in het werkboek en denken samen met jou mee. Lees de tekst voor. Stop geregeld om hardop enkele vragen aan jezelf te stellen.
Het doel is om een eerste idee te hebben van wat deze tekst ons wil vertellen over de herfst. Het is nu nog niet zo belangrijk om alles volledig te begrijpen. Ik zie foto’s over blaadjes die van kleur veranderen en ik zie de titel ‘als de herfst komt’. Ik weet dat blaadjes in de herfst van kleur veranderen! En de schrijver vertelt in de titel iets over de herfst. Ik denk dat we in deze tekst gaan leren over wat er allemaal gebeurt als de herfst komt.
Lees de tekst op pagina’s 3 en 4 voor. Sta dan even stil bij wat je gelezen hebt en stel enkele vragen. Wat zijn we nu te weten gekomen over de herfst? Wat betekent rijp? Waar vind je de verklaring van dat woord? Ik vind rijp een moeilijk woord. Soms kun je een moeilijk woord begrijpen door een beetje terug of verder te lezen. Van sommige moeilijke woorden zie ik de verklaring ook onderaan de pagina.

Tot slot lees je de tekst op pagina 5 voor. Ga opnieuw hardop denkend aan de slag. Oh ik zie op deze pagina foto’s van paddenstoelen. We hebben al gelezen over de bomen in de herfst, ik denk dat we nu meer gaan lezen over paddenstoelen. Wie heeft die paddenstoel al eens gezien? Waar vind je paddenstoelen meestal?
Lees de tekst voor Controleer of de leerlingen begrijpen welke strategie je gebruikt. Wat doe ik voor ik begin te lezen? Wat doe ik als ik woorden niet begrijp in de tekst?
2.2 Begeleide inoefening: tweede leesbeurt + opdrachten in het werkboek
Lees de tekst hardop in koor. Alle leerlingen lezen dus hardop mee. Als leerkracht bepaal jij het leestempo door zelf hardop mee te lezen. Nu maak je tijdens het lezen tijd om de vragen in het werkboek te beantwoorden. Maak de opdrachten in het werkboek samen.
2.3 Zelfstandige verwerking: derde leesbeurt
Laat de leerlingen de tekst tot slot nog een derde keer fluisterend of in stilte lezen. Laat de sterke leerlingen alleen lezen, zwakkere leerlingen laat je in duo werken.
Jullie lezen de tekst nog een laatste keer, je zal voelen dat dit al veel vlotter gaat!
Schrijf de zin ‘Als de herfst komt, dan…’ op het bord. Na de derde leesbeurt moeten de leerlingen deze zin in hun eigen woorden aanvullen.
3 Lesafsluiting
Neem het woordweb over de herfst uit les 1 erbij, op pagina 2 van het werkboek.
Kunnen we het woordweb nu aanvullen met interessante informatie uit de tekst?
Gebruik de woorden uit de kaders als startpunt. Geef de leerlingen de tijd om de begrippen toe te voegen aan het woordweb.
Rond af met een klasgesprek.
Vandaag hebben we een tekst over de herfst gelezen om de info zo goed mogelijk te begrijpen.
Om de informatie in een tekst goed te begrijpen, bekijken we voor het lezen aandachtig hoe de tekst eruitziet. Aan wat konden we zien dat de tekst een informatieve tekst is?
- Bovenaan staat een hoofdtitel.
- Tussen de tekst staan veel foto’s in plaats van tekeningen zoals bij een verhaal.
- De tekst geeft veel informatie.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Kennismuur van deze les
INFORMATIEVE TEKST titel
tussentitel informatie afbeelding


Les 3 De seizoenen
Lesdoelen
1 De leerlingen kunnen de vier seizoenen benoemen.
2 De leerlingen kennen de begin- en einddatum van de vier seizoenen.
3 De leerlingen kunnen verwoorden dat een seizoen drie maanden duurt.
4 De leerlingen kunnen de herfstperiode op een seizoencirkel aanduiden.

5 De leerlingen kunnen de begin- en einddatum van de herfstvakantie op een jaarkalender aanduiden.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Lesmaterialen
- concordantie - werkboek p 6-8 - video 2: boom die verkleurt - set bijlagen voor de kennismuur - klassikale jaarkalender - kleurpotloden voor iedere leerling
Woordenschat in deze les (richtinggevend)
het blaadje kleuren markeren het weer de herfst de lente het seizoen de winter felgroen lichtgroen tekenen de zomer de klaskalender de maand de vakantie
Leerlijn
Wat ging vooraf? Wat is de voorkennis?
In de eerste les bekeken de leerlingen een paar video’s over de natuur en de dieren in de herfst. Ze vulden ook een woordweb aan met woorden die goed passen bij dit seizoen. In deze les gaan jullie hier dieper op in. De leerlingen leren welke seizoenen er zijn en hoe de natuur er in elk seizoen uitziet.
Wat volgt?
In les 7 wordt dit onderwerp nog verder uitgediept. De leerlingen leren in die les waarom de herfst een seizoen is van verandering voor zowel dieren, planten als mensen.
Achtergrondinfo bij deze les
In Labo hanteren we de astronomische seizoenen. De begindatum van elk seizoen ligt daarbij tussen de 20ste en de 23ste en verschilt per jaar Je kan er voor kiezen om met de exacte data van dit jaar te werken, of om telkens de 21ste als startdatum te gebruiken. De exaxte data kun je raadplegen via deze link: www.jaarkalender.nl/a-z/zomer-lente-herfst-winter/
Je kunt er ook voor kiezen om met de meteorologische seizoenen te werken. De begindata van de seizoenen liggen dan op 1 september, 1 december, 1 maart en 1 juni.

LESVERLOOP
1 Voorkennis activeren en
lesdoel
In een klasgesprek kun je de inhouden van de vorige lessen oprakelen en de voorkennis van de leerlingen activeren.
In de vorige les hebben we een tekst gelezen, weten jullie nog waarover die ging? (de herfst) In welk seizoen zien we regelmatig paddenstoelen? (in de herfst) Dat is juist, in de herfst; nu dus. Over de herfst hebben we ook al gesproken. Weet je nog, het woordweb dat je in het werkboek bent beginnen maken? Wat heb je daar al bij ‘herfst’ geschreven?
Vandaag leren we meer over de seizoenen. We leren welke vier seizoenen er zijn en hoe de natuur er in elk seizoen uitziet.
2 Kern
2.1 Instructie: de vier seizoenen
Hoeveel seizoenen zijn er? (4) Er zijn vier seizoenen in een jaar en de herfst is daar één van.
Wat zijn de drie andere seizoenen? (lente, zomer, winter) Hoelang duurt een seizoen? (drie maanden)
Laat de leerlingen de typische kenmerken van de seizoenen benoemen. Laat hen vrij vertellen en vul aan waar nodig.
- Lente: De natuur ontwaakt! De bomen krijgen nieuwe blaad jes en staan volop in bloei. Dieren worden wakker uit winterslaap of keren terug uit warme landen. De dieren krijgen kleintjes. Het weer wordt warmer. We zien voorjaarsbloeiers zoals sneeuwklokjes, tulpen De mensen doen een lenteschoonmaak en zaaien zaden.
- Zomer: De temperatuur gaat nog meer omhoog. We dragen lichte kledij. De natuur ziet er helemaal groen uit, maar wanneer het te lang niet regent, begint de natuur te verdorren. In de tuinen bloeien veel bloemen. Het is vakantie.
- Herfst: De dieren maken zich klaar voor de winter: ze verzamelen voedsel, trekken weg naar een warmere plek, maken zich klaar voor een winterslaap We zien veel paddenstoelen, de bomen verkleuren en de blaad jes vallen. De mensen maken de tuin winterklaar. Het regent vaak.
- Winter: We zien veel kale bomen. Het is kouder weer. Soms sneeuwt het. Er zijn minder dieren buiten. Het gras groeit niet meer. Mensen dragen dikkere kleren. Sommige dieren hebben een wintervacht om warm te blijven.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Bekijk nu samen met de leerlingen de klassikale jaarkalender die in de klas uithangt. Vraag aan de leerlingen of ze weten wanneer de herfst begint en eindigt. Weten ze dit ook voor de andere seizoenen? Laat de leerlingen dit aanduiden op de jaarkalender. Leg uit dat de herfst op 21 september begint (22 of 23 september als je met de exacte data werkt), maar dat dit volgens de weerkalender eigenlijk op 1 september is. Kies zelf welke data jullie volgen in de klas.
Vraag of iemand weet welke dag het vandaag is. Duid de huidige dag met de vinger aan en noteer de datum op het bord als dag – maand – jaartal.

2.2 Begeleide inoefening: de vier seizoenen
Bekijk met de leerlingen pagina 6-7 van het werkboek Maak opdrachten 1 tot 5 samen. Bekijk nog eens video 2 van de introles.
Kleine lesafsluiting
Controleer of alle leerlingen weten wat er gebeurt in de seizoenen. Trek namen uit een pot zodat je willekeurige leerlingen laat antwoorden.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
- Welke vier seizoenen zijn er?
- Welk seizoen vindt nu plaats?
- Wat gebeurt er in de herfst?
- Hoe is het weer in de zomer en in de winter?
2.3 Zelfstandige verwerking: de natuur in elk seizoen
In de video zagen de leerlingen hoe de blaadjes van een boom verkleuren. De leerlingen gaan bij opdracht 6 de boom nu zelfstandig in vier verschillende seizoenen tekenen en kleuren met kleurpotloden. In de lente tekenen ze met een lichtgroen en roze kleurpotlood blaad jes en bloesems aan de bomen en kleuren deze in. In de zomer tekenen ze met een donkergroen kleurpotlood blaadjes aan de bomen en kleuren ze deze in. In de herfst tekenen en kleuren ze met geel, rood, bruin en oranje. In de winter tekenen ze helemaal geen blaad jes.
3 Lesafsluiting
Geef de leerlingen een bepaalde stelling en laat ze kort even nadenken bij welk seizoen die stelling past. Wanneer je een seintje geeft, zetten de leerlingen hun vinger op het juiste seizoen op hun seizoenencirkel op pagina 6. Enkele voorbeeldstellingen:
- Het is erg koud. Ik trek mijn muts, sjaal en wanten aan om naar buiten te gaan.
- De appels zijn klaar om geplukt te worden. Mmm…. Zo’n sappig stukje fruit net van de boom zal me smaken.
- Wat een kleurenpracht in het bos: rood, geel, bruin, oranje ...
- Al die pakjes onder de kerstboom! Het is vroeg donker en de dorpen zijn prachtig en sfeervol met een zee van lichtjes versierd.
- Joepie! De grote vakantie begint!
Vandaag leerden we meer over de vier seizoenen. We weten nu beter hoe de natuur er in elk seizoen uitziet. Welke seizoen vinden jullie het leukste en waarom?
Bouw de kennismuur op met de woordkaarten en foto’s van de set bijlagen voor de kennismuur. Laat de leerlingen de juiste woordkaart bij de juiste foto hangen.

Kennismuur van deze les

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

SEIZOENEN de winter de lente de herfst de zomer


Les 4 Zelfstandig naamwoord en lidwoord
Lesdoelen

1 De leerlingen herkennen woorden die een naam geven aan personen, dieren, planten, dingen (zelfstandige naamwoorden).
2 De leerlingen kunnen zelfstandige naamwoorden indelen volgens personen, dieren, planten, dingen.
3 De leerlingen weten dat er meestal een lidwoord voor een zelfstandig naamwoord staat.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Lesmaterialen
- concordantie
- werkboek p 9
- Memoboekje p. 35
- instructievideo: het zelfstandig naamwoord
- instructievideo: het lidwoord
- bijlage 1: afbeeldingen van personen, dieren, planten, dingen
- digitale oefeningen op Kabas
Woordenschat in deze les (richtinggevend)
het dier het lidwoord de plant het zelfstandig naamwoord het ding de persoon het voorwerp
Leerlijn
Wat ging vooraf? Wat is de voorkennis?
De leerlingen hebben al verschillende planten, dieren en dingen geleerd in de eerste lessen van dit thema. In deze les leren ze hoe ze deze woorden kunnen onderverdelen volgens de soorten zelfstandige naamwoorden. Verwijs hiervoor naar woorden die ze in dit thema al geleerd hebben.
Wat volgt?
In les 14 gaan de leerlingen verder aan de slag met zelfstandige naamwoorden. Ze oefenen daarbij niet alleen op de indeling persoon, dier, plant en ding, maar ook op het onderscheid tussen enkelvoud en meer voud.
Voor de les
Knip de kaartjes van bijlage 1 uit. Elke leerling krijgt één foto.

LESVERLOOP
1 Voorkennis activeren en lesdoel
Vraag de leerlingen om verschillende woorden op te sommen. Maak vier kolommen op het bord (persoon, dier, plant, ding) en schrijf de woorden die de leerlingen zeggen in de juiste kolom. Wie kan mij een dier zeggen? En wie kent de naam van een plant? Kunnen jullie ook een paar dingen benoemen die jullie zien in de klas? En welke namen kennen jullie voor personen? Ik ken bijvoorbeeld jongen, vrouw of zus. Welke kennen jullie nog?
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Vandaag oefenen we om die woorden, we noemen dat zelfstandig naamwoorden, en lidwoorden te herkennen.
2 Kern
2.1 Instructie: soorten zelfstandige naamwoorden
We hebben hier op het bord verschillende woorden staan. We noemen die woorden zelfstandige naamwoorden, omdat ze een naam geven aan personen, dieren, planten en dingen. Voor elk van die woorden kan ik een lidwoord schrijven: voor alle woorden past ‘een’ en bij sommigen ‘het’ en anderen ‘de’.
Laat de leerlingen hun foto (bijlage 1) in de juiste kolom hangen.
zelfstandige naamwoorden met een lidwoord persoon dier plant ding de grootmoederde duif de eekhoorn de eend de egel de lar ve de mier de mol de muis de regenworm de spin de vos de dennenappel de eik de eikel de haag de kastanje de struik de tak de paraplu de regenlaars de rugzak de verrekijker het web
2.2 Begeleide inoefening: zelfstandige naamwoorden herkennen
Maak de eerste opdracht in het werkboek samen.
Welke woorden zijn een zelfstandig naamwoord? Hoe kunnen we een zelfstandig naamwoord herkennen? (door een lidwoord). Welke lidwoorden zijn er?
Kleine lesafsluiting
Controleer of alle leerlingen zelfstandige naamwoorden kunnen herkennen. Zeg een woord en laat de leerlingen rechtstaan als het een zelfstandig naamwoord is. Is het geen zelfstandig naamwoord, dan blijven ze zitten.
Begin met de zelfstandige naamwoorden met lidwoord te zeggen. Probeer daarna ook zelfstandige naamwoorden zonder het lidwoord te zeggen. Zo weet je welke leerlingen het lidwoord nodig hebben om te herkennen of het om een zelfstandig naamwoord gaat of niet.

2.3 Zelfstandige verwerking: opdrachten in het werkboek
Laat de leerlingen de tweede en derde opdracht in duo of individueel maken. Leerlingen die de leerstof al goed beheersen kunnen de vierde opdracht, een knoopoefening, maken.
3
Lesafsluiting
Eindig met een klasgesprek.
We oefenden vandaag met het herkennen van zelfstandige naamwoorden.
Bij wie ging dit al goed? Wie vond dit moeilijk en wil nog wat meer oefenen?
Neem er ook het Memoboekje bij op pagina 35 bij. Begrijpen de leerlingen alles wat daar staat?
Wijs de leerlingen erop dat het Memoboekje een belangrijk hulpmiddel is wanneer ze leren voor de toets.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
De leerlingen kunnen verder oefenen op zelfstandige naamwoorden via de digitale oefeningen op Kabas die bij deze les horen. Afhankelijk van de prestaties van de leerling kiest Kai het passende niveau van de oefening en het traject dat moet worden afgewerkt.
Les 5 Wat gebeurt er in de herfst?
Lesdoelen

1 De leerlingen kunnen informatie achterhalen uit een informatief videofragment.
2 De leerlingen kunnen vragen van de leerkracht begrijpen in verband met een informatieve uitzending.
3 De leerlingen houden hun aandacht bij het luisterdoel door gericht informatie te zoeken in de beluisterde tekst.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Lesmaterialen
- concordantie - werkboek p 10
- video 6: de verschillende seizoenen (minuut 1:45 tot minuut 3:23) - rubric spreken en luisteren
Woordenschat in deze les (richtinggevend)
de dag de kat de snoep Halloween het stootje de herfst de pompoen de vampier het griezelfiguur verslijten de heks de schoen de vleermuis het spook vroeger
Leerlijn
Wat ging vooraf? Wat is de voorkennis?
Bekijk vooraf het videofragment (video 6) al eens. In deze les luisteren neem je als leerkracht het voortouw. Door hardop te denken en duidelijk te verwoorden hoe jij als er varen luisteraar aan de slag gaat met een tekst, welke vragen je je stelt, waar je op let, wat je verwacht toon je de leerlingen welke strategieën en denkprocessen er zich tijdens het luisteren in je hoofd afspelen en geef je een voorbeeld waar ze zich aan kunnen spiegelen.
Het videofragment gaat over de herfst en Halloween. In vorige lessen vulden de leerlingen al een woordweb aan, lazen ze een tekst over de herfst en kleurden ze een boom volgens de seizoenen. Verwijs kort terug naar die lessen om de voorkennis te activeren.
Wat volgt?
De seizoenen worden verder besproken in les 7. Daar leren de leerlingen welke specifieke veranderingen er met de herfst gepaard gaan. In de tweede helft van de video praat de reporter over Halloween. Deze kennis kunnen de leerlingen gebruiken in les 13, een spreek- en luisterles over griezelen. De leerlingen moeten in die les verschillende vragen stellen en beantwoorden binnen dit thema.
In deze les kun je, indien je dat wenst, de luistervaardigheid van de leerlingen obser veren en beoordelen met behulp van de rubric:
Luisteren – Voorkennis
Ik kan niet vertellen wat ik al weet over iets voor ik naar nieuwe informatie luister.
Ik kan een beetje vertellen wat ik al weet over iets voor ik naar nieuwe informatie luister.
Ik kan goed vertellen wat ik al weet over iets voor ik naar nieuwe informatie luister.

LESVERLOOP
1 Voorkennis activeren en lesdoel
Start deze les met een klasgesprek over gaan wandelen in de herfst. Activeer de voorkennis van de leerlingen.
Wie is er al eens buiten gaan wandelen in de herfst? Welke kledij deed je dan aan? Hoe was het weer dan? Vertel dat jullie naar een videofragment gaan kijken over wat er allemaal gebeurt in de herfst.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Vandaag bekijken we een video over de herfst en proberen we de informatie in het filmpje zo goed mogelijk te begrijpen.
2 Kern
2.1 Instructie: eerste luisterbeurt
Open de link van video 6, die brengt je naar een video van Zomerschool Vlaanderen Je gaat hier opnieuw hardop denkend werken. Lees de titel en ga hardop denkend aan de slag. Zo toon je de leerlingen hoe je te werk gaat als je een luisterfragment gericht en precies wilt beluisteren.
Ik vraag me af wat voor video dit is. Ik klik nog niet meteen op afspelen, ik kijk eerst even naar welke informatie er al te zien is. Op het beeld van de video zie ik een man in een regenjas en een kat bij een pompoen, ik geloof dat dat een reporter van Zomerschool Vlaanderen is. Herkennen jullie hem?
Ik weet dat Zomerschool altijd informatieve filmpjes maakt waaruit ik veel kan leren. Boven de video zie ik ‘de vier seizoenen’ staan.
Ik denk dat in deze video de reporter over de vier seizoenen zal vertellen. Ik wil alleen naar informatie over de herfst kijken, dus daar ga ik even met de muis naartoe. Klik met de muis op minuut 1:45. Ik leer wel graag iets bij als ik een tekst beluister. Als ik een informatieve tekst beluister, moet ik heel gericht luisteren.
Maak samen opdracht 1 in het werkboek
Vertel dat je nu het stuk van de herfst van de video zult laten zien. We gaan een vraag in het achterhoofd houden: ‘Wat gebeurt er in de herfst?’ Bekijk de video een eerste keer en bespreek nadien wat de leerlingen al kunnen vertellen.
2.2 Begeleide inoefening: tweede luisterbeurt
Vertel dat je zo meteen het fragment van de video een tweede keer zult bekijken/beluisteren. Lees eerst samen met de leerlingen de vragen in het werkboek door Speel hierna heel gericht het fragment af en zet de video op pauze op het moment dat er een antwoord gegeven wordt op een van de vragen. Vul samen met de leerlingen het werkboek in.
Tot slot herhaal je klassikaal de essentie van de video
Wat hebben we geleerd uit deze video? Laat leerlingen dit kort mondeling samenvatten.
Reflecteer ook kort even op de tekstsoort. Waaraan kun je een informatieve tekst herkennen?
Blik terug op de kenmerken van een informatieve luistertekst. De tekst geeft veel informatie. De beelden bij de tekst helpen bij het begrijpen van de informatie.

3
Lesafsluiting
Eindig de les met een klasgesprek.
Vandaag hebben we een informatief filmpje over de herfst bekeken.
- Hoe hebben we dit aangepakt?
- Wat vond je het moeilijkste: een fragment lezen of beluisteren en waarom?
- Wat helpt jou om aandachtig naar een filmpje te kijken en luisteren?
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Kunnen we ons woordweb over de herfst nu aanvullen met interessante informatie uit deze les?
Geef de leerlingen de tijd om de begrippen toe te voegen aan het woordweb op pagina 2 van het werkboek.
Les 6 Speuren in de herfst
Lesdoelen
1 De leerlingen kunnen eenvoudige zinnen aanvullen met passende woorden.

2 De leerlingen kunnen correcte zinnen schrijven met aandacht voor de juiste spelling.
Lesmaterialen
- concordantie
- observatieboekje p 2-3
- rubric schrijven
Woordenschat in deze les (richtinggevend)
het blad het insect onderzoeken ruiken voorspellen de boom de kleur ontdekken de speurneus de wandeling de herfst de missie de paddenstoel speuren zien horen observeren de regenjas voelen
Leerlijn
Wat ging vooraf? Wat is de voorkennis?
De leerlingen leerden in de eerste lessen al over de verschillende aspecten van de herfst. Deze kennis gaan ze nu toepassen in enkele korte schrijfopdrachten.
Wat volgt?
Volgende week gaan de leerlingen op herfstwandeling met hun observatieboekje. Je kunt hierbij ver wijzen naar de schrijfles.
In deze les kun je, indien je dat wenst, de schrijfvaardigheid van de leerlingen obser veren en beoordelen met behulp van de rubric:
Schrijven – Spelling en interpunctie
Ik schrijf eenvoudige woorden nog niet correct. Ik gebruik nog geen gepast leesteken.
Ik schrijf eenvoudige woorden vaak al correct. Ik gebruik soms al een gepast leesteken.
Ik schrijf eenvoudige woorden bijna altijd correct. Ik schrijf al vaak een gepast leesteken.

LESVERLOOP
1 Voorkennis activeren en lesdoel
Ga in gesprek met de leerlingen over de herfstwandeling en over wat jullie allemaal gaan zien. Wie is er al eens in het bos gaan wandelen tijdens de herfst? Wat zie je dan? Wat kun je horen, ruiken, voelen of smaken?
Vandaag schrijven we enkele zinnen over wat we gaan zien tijdens de herfstwandeling.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
2 Kern
2.1 Instructie: opdracht uitleggen
Vertel de leerlingen dat jullie volgende week op herfstwandeling gaan om zelf de herfst te onderzoeken.
Beste onderzoekers, het is herfst! Overal verandert de natuur, kleden de mensen zich anders en zien we andere dieren dan in de zomer. Maar wat gebeurt er echt? Jullie krijgen een speciale missie om dit te ontdekken! Pak je observatieboekje, we bereiden ons voor op een onderzoeksmissie.
Herhaal de belangrijkste principes waaraan je je moet houden als je een schrijfopdracht maakt. Focus hierbij op de aspecten die moeilijk lopen in de klas. Bijvoorbeeld: Denk eraan dat jullie mooi schrijven. Schrijf traag en verzorgd.
2.2 Begeleide inoefening: dit ben ik
Maak de eerste opdracht samen in het observatieboekje op p. 2. Herhaal hierbij dat de leerlingen goed moeten nadenken over de juiste woorden en dat ze verzorgd moeten schrijven. Noteer op het bord het begin van een zin: “Ik ben speurneus...” en “Mijn missie is om...”. Doe hardop denkend voor en vul de zin op het bord aan. Nodig de leerlingen uit om mee te denken. Ik ben speurneus [naam] en ik onderzoek bomen en bladeren. Welke andere dingen kunnen we tijdens een herfstwandeling onderzoeken?
Ga verder met de volgende zinnen. Doe opnieuw hardop denkend voor. Tijdens een herfstwandeling kun je misschien eikels of paddenstoelen vinden. Welke dieren en planten willen jullie nog zien?
Bespreek ten slotte de weersomstandigheden in de herfst. Wijs op het verschil tussen zomer en herfst en vul samen met de leerlingen een voorbeeld in.
Nu de leerlingen hebben gezien hoe ze de opdracht kunnen invullen, gaan ze aan de slag in duo’s. Ze vullen samen de tweede opdracht in hun obser vatieboekje in. Wie sneller klaar is kan de touwoefening maken.
Kleine lesafsluiting
Waarop moet je letten als je zinnen schrijft?
- Ik gebruik de juiste woorden.
- Ik maak geen schrijffouten.
- Ik ben duidelijk

2.3 Zelfstandige verwerking: mijn missie
De andere opdrachten maken de leerlingen zelfstandig. Ze schrijven twee zinnen over wat er anders is in de herfst vergeleken met de zomer. Stimuleer hen om zo veel mogelijk zintuigen te gebruiken en herinner hen eraan dat ze niet alleen kunnen schrijven over wat ze zien, maar ook over wat ze horen, ruiken of voelen. Wie sneller klaar is, kan een extra zin bedenken.
Daarna gaan de leerlingen aan de slag met een creatieve opdracht: ze ontwerpen hun eigen speurneusbadge. Geef een korte uitleg en wijs op de belangrijkste elementen.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Denk na over hoe jouw badge eruit moet zien. Misschien wil je een herfstblad of een paddenstoel tekenen? Vergeet ook niet jouw speurnaam op de badge te zetten!
De leerlingen werken zelfstandig aan hun badge en mogen kleuren gebruiken om deze aantrekkelijk te maken.
Voor wie de leerstof goed beheerst, is er een knoopoefening onderaan pagina 3
3 Lesafsluiting
Vandaag hebben we enkele korte zinnen geschreven over wat we gaan zien tijdens de wandeling.
Lees elkaars werk na en geef elkaar feedback. Geef elkaar één tip en één pluim.
Les 7 Tover je mee?
Lesdoelen

1 De leerlingen kunnen illustreren dat de herfst, net als de lente, een overgangsseizoen is waarin voor plant en dier in de vrije natuur veel verandert.
2 De leerlingen kunnen veranderingen bij plant, dier, mens en weer toekennen aan het juiste seizoen.
3 De leerlingen kunnen illustreren dat de seizoenen zich cyclisch herhalen en dat daarin de herfst een periode is van verandering.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Lesmaterialen
- concordantie
- werkboek p. 11-12
- bijlage 2: de zomer
- bijlage 3: de winter
- bijlage 4: de herfst
- set bijlagen voor de kennismuur
- schaar en lijm voor elke leerling
- ABCD-kaarten voor elke leerling (zie Thema 1)
Woordenschat in deze les
bloeien groeien kleven de plant veranderen de boom de herfst knippen het seizoen de winter het blad kaal de lente tekenen de zomer het dier kleuren de mens toveren
Leerlijn
Wat ging vooraf? Wat is de voorkennis?
In de vorige lessen leerden de leerlingen al dat er in de herfst van alles verandert: dieren bereiden zich voor op hun winterslaap, de blaad jes veranderen van kleur, er komen paddenstoelen In deze les komen al die veranderingen samen en leren de leerlingen dat de herfst als overgangsseizoen gezien kan worden.
Wat volgt?
In Thema 6 maken de leerlingen de vergelijking met de lente.
Voor de les
Verknip de bijlagen 2 tot 4 en kleef ze vooraf, één per één, onder de stoel van de leerlingen, met de tekening niet zichtbaar.

LESVERLOOP
1 Voorkennis activeren en lesdoel
In de voorbije lessen maakten we kennis met de cyclus van de vier seizoenen, met de focus op het huidige seizoen: de herfst. We leerden over de veranderingen die er gebeuren bij plant, dier en mens.
Laat de leerlingen in een kort gesprek hierop even terugkomen.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Welke seizoenen kennen we? Wat komt voor en na de herfst? Wat doet je denken aan de winter, de lente, de zomer of de herfst? Laat de leerlingen aanvullen en illustreren.
Vandaag leren we dat de herfst een seizoen is waarin veel verandert, voor ons mensen, maar ook voor planten (flora), dieren (fauna), en het weer.
We kijken hoe het was in de zomer, wat er verandert in de herfst, en hoe het straks wordt in de winter. We leren dat het leven van de dieren, planten en onszelf sterk verandert doorheen de herfst.
Herinner de leerlingen aan de termen ‘flora’ en ‘fauna’ om planten en dieren te benoemen.
2 Kern
2.1 Instructie: wat hangt er onder mijn stoel?
Vertel dat je onder de stoel van de leerlingen een kaartje hebt gekleefd. Laat ze even kijken. Wat zie je op het kaartje? Welk kleurtje heeft je kaartje? Wat valt er op? De kaartjes hebben drie verschillende kleuren.
Laat nu de leerlingen die een groen kaartje onder hun stoel hangen hebben, dat er voorzichtig afnemen en vooraan in de klas komen. Laat hen één per één kort beschrijven wat er te zien is op hun kaartje. Projecteer de kaarten eventueel op je digitaal bord. Ga verder.
Waarom hebben deze tekeningen allemaal hetzelfde kleurtje gekregen? (Het zijn allemaal dingen die we herkennen van de zomer.)
We denken aan:
- een appel die groeit aan de tak van de boom
- een zonovergoten weide
- een visser aan de oever van de vijver
- een foto van op het strand
- een man ligt in zijn tuin in het mooie zomerweer
- zomerkledij: een T-shirt, korte broek, slippers
Wanneer zien we dit? Wanneer doen we dit? In de zomer!
Kleef nu de kaarten op het bord.
Vraag nu de leerlingen met een blauw kaartje naar voren te komen. Wat we eerst oplossen is waarom deze kaarten allemaal dezelfde kleur hebben. Juist, het zijn allemaal dingen die we zien of doen in de winter.
We denken aan:
- de tak waaraan de appel hing, is nu helemaal kaal
- de weide is helemaal dor en er kan rijp of sneeuw liggen
- de vijver is dichtgevroren
- we vieren kerst
- de man in de tuin voedert de vogels op zijn voederplank
- winterkledij: een dikke muts, sjaal en wanten tegen de kou.

Maar we zijn nog niet klaar. Wat kunnen we nog vertellen over de kaartjes? Juist, ze hebben alle zes te maken met onze prenten van de zomer. Wat heeft met elkaar te maken?
Laat de leerlingen de prenten bij elkaar hangen, maar laat plaats tussen om straks het kaartje van de herfst op te hangen.
We hebben nog zes kaartjes over onder onze stoelen. Dat zijn de kaarten van de tovenaar!
Die kan de ene kaart omtoveren in de andere kaart. Haal ze van onder je stoel en kom vooraan!
Wie beschrijft wat we zien op je kaart? Tussen welke twee kaartjes hoort jouw tekening aan het bord?
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
We denken aan:
- de oogst van rijpe appels; de herfst is het seizoen van de oogst.
- wilde paddenstoelen die overal opduiken; paddenstoelen zijn dé organismen van de herfst omdat de grond en lucht nog warm zijn en het meestal nat is door de regen.
- de visser aan de vijver onder zijn regenparaplu; vissen kan nog, maar het weer is wel anders. Het begint veel meer te regenen en het wordt langzaamaan kouder.
- we verkleden ons voor het feest van Halloween; elk seizoen is anders en heeft zijn eigen feest(en).
- de man harkt de afgevallen bladen bijeen.
- herfstkledij: laarzen, regenjas, paraplu; tijd voor verandering in onze kleerkast. We ronden al even af. Zoals we kunnen zien, is de herfst een echte tovenaar. De herfst verandert het leven van de planten en dieren en ook dat van ons, de mensen
2.2 Begeleide inoefening: tover je mee?
Neem het werkboek op pagina 11. Laat de leerlingen even rustig de eerste opdracht lezen. Begrijpen ze wat er staat? Verwijs naar het bord. Wie of wat kan er toveren? De herfst! De herfst verandert de zomer in de winter. De herfst laat ons allemaal andere dingen beleven en doen.
Welk seizoen kan er ook toveren? De lente! De lente tovert de winter terug om in de zomer. En zo begint alles opnieuw vanaf het begin. Telkens opnieuw.
Ver werk samen de opdracht. Laat de leerlingen de seizoenen aanvullen en de herfst en lente aanduiden als de ‘toverseizoenen’, de seizoenen van verandering.
Kleine lesafsluiting
De herfst is een seizoen van verandering. Ga na of de leerlingen dit begrijpen. Laat ze werken met hun ABCD-kaarten van de Memo-lessen. Hang drie foto’s (van bijlagen 2-4) op het bord onder de letters A, B en C. Vraag de leerlingen om hun kaarten in de juiste volgorde te leggen.
2.3 Zelfstandige verwerking: toveren met potlood, schaar en lijm
Leg uit dat jullie eerst opdracht 3 verwerken. Opdracht 2, die een touwoefening bevat, maken ze als ze klaar zijn. Leg uit dat ze op pagina 12 de afbeeldingen op de juiste plaats moeten kleven. Daar voor knippen ze eerste de knipstrook los en verknippen ze die in 8 tekeningen met een schaar Neem de tijd om de tekeningen te laten uitknippen en klaar te leggen. Deel ondertussen de lijm uit.
De leerlingen werken samen per twee. Om de beurt kiezen ze een tekening en leggen ze uit aan hun partner waarom ze die op die plaats willen kleven. Allebei akkoord? Kleven maar! Als ze juist werkten, heb je nog één tekening over voor de knoopoefening onderaan. Vul daar ook aan welke twee seizoenen er daar ontbreken.
Wie klaar is, mag opdracht 2 maken op de vorige pagina. Daar toveren ze zelf door te tekenen wat er gebeurt in de herfst en daarna in de winter.

Lesafsluiting
Vandaag leerden we dat de herfst een seizoen is waarin veel verandert voor ons mensen, planten en dieren.
Overloop samen kort nog even opdracht 2 en 3 Laat de leerlingen verwoorden wat ze zien op de foto’s en wat er verandert in de herfst.
Weet iemand nog een voorbeeld van iets wat verandert in de herfst?
Bouw de kennismuur op met de materialen van de set bijlagen voor de kennismuur
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Kennismuur van deze les

• regen jas
• regenlaarzen
het weer
• kortere dagen

• kouder de mensen
VERANDERINGEN IN DE HERFST

• bladeren vallen van de bomen
de dieren (de fauna)
• minder voedsel
• winterslaap de planten (de flora)

Les 8 Memo-les 1
Lesdoelen
1 De leerlingen verankeren wereldoriënterende kennis.
2 De leerlingen verankeren talige kennis.

3 De leerlingen kunnen verbanden leggen tussen verschillende kenniselementen.
4 De leerlingen er varen dat ze door gespreid herhalen kennis beter onthouden en duurzaam opslaan in het langetermijngeheugen.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Lesmaterialen
- concordantie
- bijlage 5: flitskaarten Memo
- wisbordje en stift voor elke leerling
- ABCD-kaarten voor elke leerling
Voor de les
Tijdens deze lessen herhalen de leerlingen leerstof uit vorige thema’s. Ze oefenen woordenschat, taalbeschouwelijke en wereldoriënterende kennis. Zo zorgt Labo voor diepe verankering en beter onthouden.
We werken doelbewust niet digitaal en niet in het werkboek. We bevorderen ‘interactie’ en ‘graven in de hersenen’. Naast het oefenen, krijgt samen hardop reflecteren een belangrijke plaats. Leraar en leerlingen geven taal aan hun denken – leren wordt zichtbaar gemaakt – én er ontstaat een mooie kans tot het geven van feedback.
De werkvormen zijn zo gekozen dat alle leerlingen actief kunnen deelnemen. Daarvoor gebruiken we telkens weerkerende werkvormen (routines) zodat er weinig tijd verloren gaat aan klasmanagement en er herkenbaarheid en vertrouwbaarheid ontstaat voor de leerlingen. Lees ook de gouden tips bij de Memo-lessen in de algemene inleiding.
In het tweede leerjaar bieden we voornamelijk klassikaal geleide werkvormen aan. Zo kan instructie, informatie of feedback van de leraar of medeleerlingen kennisgaten opvullen bij leerlingen die minder onthouden hebben uit de vorige thema’s.
Belangrijkste doelen tijdens deze herhalingslessen:
- belangrijke woorden kennen die in meerdere situaties bruikbaar zijn; - belangrijke concepten rond de thema’s tijd, veiligheid, planten, dieren, landschapselementen; - kennis verankeren via taal, tekenen, schematiseren.
Deze les wordt aangeleverd als een les van 50 minuten, maar kan opgedeeld worden in twee lessen van 25 minuten. Sommige opdrachten kunnen opgenomen worden in de zelfgestuurde werking zoals contract- of hoekenwerk.
Knip de flitskaarten van bijlage 5 uit voor het begin van deze les.
In deze tweede reeks Memo-lessen blijft de instap laagdrempelig om de leerlingen te laten kennismaken met de materialen en oefenvormen waarmee we werken. Voor de inhoud baseren we ons op Thema 1 en leerplandoelen voor het eerste leerjaar

LESVERLOOP
1 Voorkennis activeren en lesdoel
Vandaag oefenen we weer leerstof die we best onthouden. Dat deden we in het vorige thema ook. Welke oefeningen maakten we? Wat moesten we doen op onze wisbordjes? Wat moesten we doen met onze ABCD-kaarten? Wie kan nog een voorbeeld geven? Let goed op want we werken weer met de wisbordjes en de kaarten, maar de oefeningen zijn een beetje anders.
Vandaag gaan we belangrijke zaken uit vorig jaar en vorige lessen herhalen, zodat we ze beter onthouden en ze kunnen gebruiken wanneer we nieuwe dingen leren.
2 Kern
Verduidelijk dat de leerlingen tijdens deze les dingen herhalen die ze eerder al leerden. Soms oefent heel de klas samen, soms werken de leerlingen in duo’s en soms alleen. Jouw rol als leerkracht tijdens dit onderdeel van de les bestaat uit instructie geven, begeleid oefenen, begrip controleren en leerlingen activeren om actief deel te nemen aan de oefeningen.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
2.1
Wisbord quiz – meerkeuzevragen
Vertel de leerlingen dat je een vraag zult stellen en dat iedereen het antwoord op zijn/haar wisbordje moet noteren.
Vraag 1 Welke dag is het vandaag?
Controle De naam van de dag waarop je deze oefening doet.
Feedback en Wie kan de dagen van de week opnoemen, startend met vandaag? Wie kan de reflectie dagen van de week andersom opnoemen. Je start met vandaag, dan de dag van gisteren en zo verder.
Vraag 2 Welk seizoen is het nu? Zomer, herfst of winter?
Controle Herfst (tenzij je voorloopt met het thema).
Feedback en Op welke dag start de herfst? Welke seizoenen komen na de herfst? reflectie
Vraag 3 Waarom trekken mensen in de prehistorie rond? Omdat ze graag reizen, omdat ze dat moeten van de koning, omdat ze voedsel en water zoeken?
Controle Voedsel en water zoeken
Feedback en Herhaal kort dat mensen in de prehistorie rondtrekken op zoek naar eten en reflectie drinken. In het begin eten ze vooral planten, later ook dieren. Weet er iemand nog hoe de mensensoort uit de prehistorie heet? (vb. homo sapiens, homo neanderthaler)
2.2 Wisbord – tekenen
Vertel de leerlingen dat we op de wisbordjes blijven werken. Nu moeten ze geen woord opschrijven, maar een eenvoudige tekening maken.
Vraag 4 Teken een eenvoudige plattegrond van de klas. Zet een kruisje waar het bord staat.
Controle Een eenvoudige plattegrond van de klas
Feedback en Laat twee leerlingen met een duidelijke tekening verwoorden wat ze tekenden. reflectie Wat is belangrijk: vier muren, de deur, banken, het bord vooraan.

Vraag 5 Teken een week.
Controle Een visuele voorstelling van een week
Feedback en Laat enkele tekeningen zien en verwoord wat je er sterk aan vindt. Vermoedelijk reflectie hebben leerlingen een weekkalender getekend met zeven vakken. Geef aan dat jij dat ook zo zou doen. Een schema is ook een tekening en helpt vaak om dingen te begrijpen of te onthouden.
2.3
ABCD-kaarten – de leugen vinden
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Vraag de leerlingen om hun ABCD-kaarten te nemen. Vertel dat je telkens vier zinnen zegt. Drie zijn er waar, één is een leugen. Vraag de leerlingen om eerst naar de vier zinnen te luisteren en op jouw signaal de juiste kaart in de lucht te steken.
Vraag 6 A Om te groeien heeft een plant water nodig.
B Om te groeien heeft een plant licht nodig.
C Om te groeien heeft een plant bloem nodig.
D Om te groeien heeft een plant warmte nodig.
Controle C
Feedback en Wat is bloem? Waarom heeft een plant geen bloem nodig? Een plant kan wel een reflectie bloem hebben. Bloem heeft meerdere betekenissen.
Vraag 7 A Een rotstekening vertelt ons hoe de mensen leven in de prehistorie.
B Een fossiel vertelt ons hoe de mensen leven in de prehistorie.
C Een trein vertelt ons hoe de mensen leven in de prehistorie.
D Een gebruiksvoorwerp gemaakt van botten van dieren vertelt ons hoe mensen leven in de prehistorie.
Controle C
Feedback en Sta stil bij het feit dat bronnen iets vertellen over vroeger. In de prehistorie tekenden reflectie mensen op muren van grotten, maakten ze voor werpen van botten/beenderen van dieren, fossielen vertellen over het leven in de prehistorie. Er reden nog geen treinen in de prehistorie.
Vraag 8 A In de ver warming zit water.
B In het toilet zit water.
C In frisdrank zit water.
D In een lamp zit water.
Controle D
Feedback en Overloop met de leerlingen de antwoorden. In de meeste verwarmingen zit water reflectie (soms hoor je het borrelen). Het toilet weet iedereen. In frisdrank zit water gemengd met suiker en smaakstoffen. In een lamp zit geen water. Water en elektriciteit komen best niet samen, want dat is gevaarlijk.
2.4 Flitskaarten – duo quiz
Vertel de leerlingen dat je 10 pakjes met flitskaarten hebt klaargelegd (bijlage 2). Elk pakje heeft kaartjes met een vraag of opdracht aan de voorkant en het antwoord op de achterkant.
De leerlingen werken in duo’s.
Een leerling leest de vraag, de andere leerling antwoordt. Controleer samen het antwoord.
Dan wissel je de vragensteller. Klaar met de kaartjes? Dan ruil je kaartjes met een ander duo.

De 10 sets flitskaarten zijn materiaal voor de drie Memo-lessen van dit thema. De leerlingen moeten in deze les dus zeker niet alle sets verwerken.
set 1: woordenschat
set 2: woordenschat
set 3: soorten dieren
set 4: pictogrammen
set 5: lang geleden
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
set 6: planten en bloemen
set 7: begrippen vrucht
set 8: landschapselementen
set 9: klinkers en medeklinkers
set 10: tweetekenklanken en meertekenklanken
3 Lesafsluiting
Vandaag hebben we belangrijke zaken uit vorig jaar en vorige lessen herhaald. Want herhalen helpt om iets beter te onthouden.
Wat wist je niet meer en heb je vandaag opnieuw geleerd?