Skip to main content

Verrekijkerbieb - 6e leerjaar - N3 - De weg kwijt

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

De weg kwijt Sofie De Moor

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 6

8


De weg kwijt

1 Mam staat met haar armen te zwaaien wanneer ik met mijn ruimtescooter onze planeet opdraai. Haar wangen kleuren limoengroen. ‘Hoe was het?’ vraagt ze bezorgd. ‘Er is één pakje niet op zijn bestemming raakt.’ ‘Welk pakje?’ ‘Dat van de ruimteloterij.’ ‘De ruimteloterij is een goede klant van pap. Was dat niet superbelangrijk?’ Ik haal mijn schouders op. ‘Vergeten.’ ‘Ik heb het je al gezegd, jongen. Leg een knoop in je zakdoek. Dan vergeet je de belangrijke zaken niet!’ ‘Maar er ligt een knoop in mijn zakdoek.’ Voorzichtig maakt mam het riempje onder mijn kin los. Het vergiet dat op mijn hoofd staat, haalt ze er traag af. Zweetparels glijden over mijn diepblauwe schubben.

1


2


‘Ben ik op tijd?’ ‘Maar drie uur te laat,’ zegt mam terwijl ze mijn voelsprieten terug in de juiste richting plooit. ‘Ik was de weg kwijt,’ fluister ik. ‘Dat dacht ik al.’ Kon ik maar iets uitvinden zodat ik moeiteloos de weg vind. Altijd en overal. Dan was mam minder ongerust.

De ik-vind-de-weg-bril zou er zo uitzien!  Je zet de ik-vind-de-weg-bril op je neus.  Wanneer je de weg kwijt bent, dan vraag je die.  Beleefd, natuurlijk.  Bijvoorbeeld: ‘Ik zoek de weg naar planeet Grompië. Kan je mij die geven, alsjeblieft?’  De bril vangt je stem op en doet zijn werk.  Door middel van de stand van de planeten berekent hij de kortste weg.  Daarna verschijnt er een klein pijltje dat je de juiste richting toont.  Dat pijltje is alleen te zien voor diegene die de bril draagt.  Zo valt het niet op dat je problemen hebt om de weg te onthouden.  Als je de richting die het pijltje aangeeft, volgt, dan kom je vanzelf op je bestemming.

3


2 ‘Ben je weer aan het dromen, grompie van me?’ lacht mam. ‘Geen wonder dat je de weg kwijtraakt.’ ‘Gelukkig ben ik thuis voor het donker is.’ Uit mams mond rolt een knorretje. ‘Het wordt nooit donker op planeet Grompië,’ zeggen we in koor. Mam kijkt naar de verse oogst in het vergiet. ‘Je hebt weer behoorlijk wat tomaten naar je hoofd gekregen.’ Ik knik. ‘Er zijn er genoeg om soep te maken.’ ‘Je bent toch beleefd geweest?’ ‘Uiteraard!’ ‘Ik bedoel, zoals we het je geleerd hebben? Je weet dat vriendelijkheid belangrijk is. Zeker als zoon van het enige postbedrijf in het heelal en ver daarbuiten. Je vader heeft een goede reputatie, dat weet je.’ ‘Tuurlijk ben ik beleefd geweest. Toen ze dommerik naar me riepen, heb ik dank je wel gebruld.’ Een pietepeuterige lachrimpel groeit om mams mond. ‘En dat is nog niet alles!’ ‘Oh?’ ‘Als extraatje heb ik geschreeuwd dat ze zelf dommeriken zijn. Meestal kreeg ik een extra tomaat naar mijn hoofd geslingerd. Goed, hé?’ Mam slikt. ‘Ga maar wat ontspannen. In een uurtje gaan we aan tafel. Blijf je in de buurt? Vooraleer …’ ‘… ik weer de weg kwijtraak?’ ‘Juist, ja.’ Ik geef mam een smakkerd en duik de droompoel in. In mijn uppie ronddobberen is de ideale ontspanning na een dag hard labeur. 4


5


Nog niet zo lang geleden zagen mijn weken er anders uit. Dan moest ik naar school en sommen maken, uitkomsten noteren, boeken lezen, planeten uit het hoofd kennen. Pffffeeew. De tijd die ik op de schoolbanken zat, duurde maar een fractie van de tijd die ik erover deed om van en naar school te vliegen. Ik was elke dag zo lang onderweg, dat ik beter de postronde kon overnemen. Dat vond pap althans. Mam zag er eerst tegenop. Maar aangezien pap bijna op pensioen gaat en ik hun enige zoon ben, lijkt het een logische beslissing. Ik kijk er al naar uit om binnenkort de baas van het postbedrijf te zijn. Dan mag ik op paps bureaustoel zitten en kan ik urenlang rondjes draaien zonder dat iemand zegt dat ik moet ophouden.

3 Heerlijk, dat ronddobberen. Wat had mam gezegd? Wanneer moest ik aan tafel gaan? En hoelang lig ik hier al? Oh, bijna vergeten. Grompies mogen niet te lang in het bad liggen. Ik moet er bijna uit. Per badbeurt krimpen ze één schub. Als ik te lang blijf liggen, dan blijft er niks van me over. Daarom tel ik schubben. Toen ik geboren werd, had ik er duizendzevenhonderdvijftig. Nu schieten er nog duizendvierhonderdzestien over. Niet dat ik het erg vind om minder groot te zijn. Klein maar dapper, zegt mam altijd. Maar ik wil wél nog met mijn voeten aan de pedalen van mijn ruimtescooter geraken. Dus ben ik voorzichtig. Kon ik maar een shampoo uitvinden tegen uitvallende schubben.

6


Die ik-wil-geen-schubben-kwijt-shampoo zou ik zo maken!  Gemaakt van biologische producten: vers geplukte kruiden (zodat de schubben niet uitvallen) en bloemen (zodat de shampoo lekker ruikt).  Ik lees veel boeken van tovenaars en heksen.  Ik brouw een spreuk.  Ik test de shampoo zorgvuldig uit.  Ik ga in de droompoel en tel schubben.  Ik zie dat de shampoo werkt.  Ik smeer me de dag nadien terug in met shampoo.  Ik ga nog eens in de droompoel en tel schubben.  Ik merk dat de shampoo werkt.  Ik blijf de shampoo uittesten omdat ik ronddobberen in de droompoel gewoon geweldig vind!  Ik maak genoeg flesjes voor alle grompies.  Ik verkoop veel shampoo en word rijk.  Dan kan ik lichtjaren in bad liggen zonder dat ik krimp. Ik zou er wel uitkomen om te eten, natuurlijk. En om naar het toilet te gaan. Stel je voor. Door de openstaande achterdeur vliegen geluiden tot aan de poel. Ik hoor stoelen verschuiven. Bestek rammelt in de lade. Borden worden op de tafel gezet. Mam en pap praten over wat er die dag allemaal gebeurd is, ze hebben het over de toestand van het heelal en over de laatste aflevering van Harry de politiespin. Elke avond zitten ze in de keuken en drinken ze een aperitief. Dat hoort zo, zegt mam. Meestal komt er zelfs een klein hapje op tafel. Een kommetje wortelstaafjes en trollensnot om in te soppen. Of krokante krekels. Het ideale begin om de avond af te sluiten, zegt ze dan. Mam is de liefste mam ver binnen en buiten de Melkweg. Pap is ook altijd lief.

7


4 Onder de carport staat mijn ruimtescooter te blinken. Die heb ik voor mijn honderdste verjaardag gekregen van pap. Het is echt een topmodel! Volledig uitgerust met muziekboxen, lederen bekleding en sportvelgen. En bovenal in mijn lievelingskleur: rood! Vooraleer ik aan tafel ga, test ik nog even of ik niet te veel gekrompen ben. Zolang de ik-wil-geen-schubben-kwijt-shampoo nog niet op de markt is, mag ik geen risico’s nemen. Oef! Mijn voeten raken nog net de pedalen. De wind blaast flarden van het gesprek tussen mam en pap tot bij mij. Hoor ik dat goed? Hebben ze het over mij? ‘Hoezo? Waarom wil je niet dat Perdu het postbedrijf overneemt?’ ‘De telefoon staat roodgloeiend. Pakjes die verkeerd bezorgd worden, pakjes die niet bezorgd worden. Perdu die steeds weer de weg kwijtraakt. Geef toe. Dat is geen goede reclame!’ ‘Je weet dat Perdu wat meer tijd nodig heeft dan andere grompies!’ ‘Dat is het probleem! Ik heb geen tijd! Over een maand moet ik op pensioen. Je weet dat ze me opsluiten op planeet Priezon als ik me niet aan de regels houd. Ik zie geen andere mogelijkheid dan het bedrijf verkopen.’ ‘Nee! Dat kan niet! Nee! Dat mag niet!’ Mams woorden stuiteren mijn oor in. ‘Vandaag moest Perdu één pakje op tijd afleveren. Dat van de ruimteloterij. Raad eens?’

8


Mam zucht. ‘Ik weet het. Geef hem nog een kans. Alsjeblieft?’ ‘Ik heb hem al zoveel kansen gegeven. Mijn besluit staat vast. Ik heb al gesprekken gehad met iemand die me verstandig genoeg lijkt om de zaak te leiden. Morgen zitten we rond de tafel om verdere afspraken te maken.’ Hoor ik dat nu goed? Mag ik geen baas worden van het postbedrijf? Ben ik te dom? Mijn maag vult zich met tranen. Als ze niet geloven dat ik pakjes kan afleveren, dan zal ik het bewijzen. Ik zorg dat het postpakket van de ruimteloterij nog voor het avondmaal op bestemming raakt! Mijn duim duwt op het zilveren knopje – supersnelheid – van de ruimtescooter. Met een vliegende vaart word ik het heelal in gekatapulteerd. Nog voor ik me kan oriënteren, besef ik dat ik niet vlieg, maar wél hang. In een web.

5 ‘En? Wat dacht meneer hiermee te bereiken?’ Een gigantische schaduw heeft me in zijn macht. Het is de schaduw van Harry, de meest afschuwwekkende en harige politiespin van de ruimte. Harry komt vaak op televisie. Mam en pap kijken elke avond naar zijn programma. Wat zou ze trots zijn dat ik hem nu ontmoet.

9


‘Aangenaam, meneer Harry,’ zeg ik opgetogen terwijl ik mijn hand vooruitsteek. Van mam en pap heb ik geleerd dat ik altijd beleefd moet zijn. Wat er ook gebeurt. Daarboven is het de eerste keer dat ik een échte ster ontmoet. Harry kan werkelijk alles! Hij is politiespin, schrijft boeken én heeft zijn eigen televisieshow! Zo eentje waarin hij alle boeven op een heldhaftige manier vangt. Met een web. Ja, met het web waar ik nu in hang! Wow! Waar zijn de camera’s? Misschien zit ik wel in een van zijn filmpjes. Harry’s acht poten knijpen mijn hand én gedachten tot moes. Ik hap naar adem. ‘Ik heb je wel door,’ zegt hij gemeen. ‘Wat bedoel je precies, meneer Harry?’ ‘Een politiespin een hand geven is wel een erg doorschijnend manoeuvre om een politiespin af te leiden. Helaas! U zal met straffere trucs op de proppen moeten komen. Waarvoor ik u tegenhoud: u bent gehaast?’ ‘Eh, ja, excuseer, meneer Harry. Ik moest dringend …’ ‘ …plassen?’ ‘Eh, nee, meneer Harry.’ ‘… naar de winkel? Om melk?’ ‘Eh, nee, meneer Harry.’ ‘Dringend, dringend. Ik zal eens iets dringends zeggen. In het heelal reizen we in lichtjaren. Luister goed: licht en jaren. Dringend? Dat is een woord dat niet bestaat. Begrepen?’ ‘Eh, ja, excuseer, meneer Harry.’

10


11


‘Met andere woorden, u krijgt nu van de enige, echte en beste politiespin, Harry, een bekeuring voor overdreven snelheid én rijden zonder vergiet op je hoofd.’ ‘Oh.’ ‘Oh, wie?’ ‘Oh, meneer Harry.’ Harry de politiespin komt dichterbij en kijkt me indringend aan. Ik zie mezelf acht keer weerspiegeld in zijn spinnenogen. Ik slik. ‘U betaalt deze bekeuring. Daarboven zorgt u onmiddellijk voor een vergiet en houdt u zich aan de maximum toegestane snelheid. Gebeurt dit niet, dan wordt uw ruimtescooter onmiddellijk in beslag genomen.’ ‘In beslag genomen, meneer Harry?’ ‘Dat betekent dat ik, Harry, hem persoonlijk ophaal en hem cadeau geef aan mijn kleinkinderen. U wordt dan in afzondering gebracht op planeet Priezon. Tot er iemand uw boete betaalt. Is dat duidelijk, jongeman?’ Harry’s hete adem laat elke schub in mijn lijf van plek wisselen. Kon ik maar een machine bedenken waardoor je politiespinnen kan opsnorren.

Die politie-opsnorder zou er zo uitzien!  Bevestig een kleine radar op je ruimtescooter, -step, -schip …  De radar reageert op achtpotige dieren die zich in een straal van vijf lichtjaren rondom jou bevinden.

12


 Automatisch worden de volgende zaken gecontroleerd: gordel, vergiet, snelheid, positie in het heelal.  Wanneer je op een van vorige zaken slecht scoort, dan worden er aanpassingen gemaakt.  Zo wordt de snelheid en positie in het heelal aangepast. Als je je gordel vergat aan te doen, dan krijg je een klap op je hoofd. Vergat je dan nog eens je vergiet, dan krijg je dubbel zoveel klappen. Je ruimtevoertuig brengt je naar de dichtstbijzijnde garage om nog extra attributen aan te schaffen (een vergiet, brandblusser, kinderzitje …).  Daarna kan je rustig verder vliegen zonder schrik te hebben van harige politiespinnen.

6 ‘Ik herhaal: heeft u dit begrepen?’ Ik knik en neem het papiertje in ontvangst. Hopelijk staat zijn handtekening op de bekeuring. Mam zal niet geloven wat ze ziet. Een handtekening van haar grote held. ‘Bedankt, meneer Harry,’ zeg ik beleefd. ‘Het is mij een waar genoegen, jongeman. Werkelijk een historisch moment in mijn leven als politiespin.

13


Een grompie die mij bedankt omdat ik een bekeuring uitschrijf. Omdat u zo vriendelijk bent, kan ik het volgende toevoegen. De bekeuring is zeer graag gedaan. Echt, uit het diepste van mijn spinnenhart. Nog fijner zou ik het vinden mocht ik u binnenkort aantreffen zonder vergiet. U zou me ook verrassen met een snelheidsovertreding. Het zit namelijk zo. Mijn kleinzoon is volgende week jarig en dan hoef ik geen cadeau te kopen. Geen cadeau kopen, betekent dat ik geen geld moet uitgeven. En geen geld uitgeven is goedkoop. Uw ruimtescooter zou een cadeau uit de hemel zijn. Wat denkt u? Gooien we het op een akkoordje? Krijg ik de ruimtescooter onmiddellijk? Spreken we hier af? Zodat u uw ruimtescooter gratis aan een bekende politiespin kan schenken. Nee? Ja? U bent een man van weinig woorden, zie ik.’ Ik kan niks uitbrengen. Ik dacht dat politiespinnen aardige kerels waren, maar deze man … In de riem die om zijn middel hangt, begint een gsm te rinkelen. Vliegensvlug plukt hij het toestel met een van zijn harige poten uit de riem. Na wat gemurmel, zet hij me moeiteloos met twee poten op mijn ruimtescooter. ‘Tot binnenkort?! Nu moet ik er vandoor! De ruimtecriminaliteit bestrijden! Lang leve Harry de politiespin!’ De laatste woorden vliegen in flarden van elkaar omdat hij ervandoor sjeest. Over te snel rijden gesproken. Die politie-opsnor-machine zou een geweldige uitvinding zijn.

14


7 Pap vindt de bekeuring vast niet erg als hij weet dat ik het pakje van de ruimteloterij voor etenstijd bezorgd heb. En mam zal helemaal in de wolken zijn met een handtekening van Harry, de politiespin. Vooruit: vliegen maar! Waar moest het pakje eigenlijk afgeleverd worden? Een pakje kauwgom, een zakdoek met een knoop in, twee ruimtepenningen, mijn gelukspoppetje. Er zitten allerlei dingen in mijn broekzak, behalve … Aha! Daar is hij! De post-it van pap! De bekeuring mag in de broekzak en de post-it kleef ik aan het stuur van mijn ruimtescooter. Even lezen wat er precies staat.

Pakje dringend bezorgen aan: Meneer Kwilwelbijtenmaarkdurfnie, Donkere Woud, kist 5B, planeet Bloddiemarrie Ik zie je graag, zoon. Wees voorzichtig onderweg. Dikke kus, pap Planeet Bloddiemarrie, daar heb ik nog nooit van gehoord. Even naar de Melkweg vliegen. Daar vind ik vast wel een pijl in de juiste richting. Gordel klikvast? Gordel klikvast! Vergiet op je hoofd? Vergiet vergeten! Dan maar zonder. Zevenhonderddertien bochten later, ben ik eindelijk op de Melkweg! Een wirwar van scooters, schepen, springveren en steps schuiven voorbij. De fluoroze neonletters van parking Wippelgem trekken de aandacht van reizigers die nood hebben aan een pauze. Van vliegen krijg je dorst! Ik parkeer mijn ruimtescooter op de lege parking. 15


16


8 ‘Waw wal hew woow u wijn?’ vraagt de kelner zonder handen en zonder tanden vriendelijk. Er druipt een beetje kwijl uit zijn mondhoek. Mijn hand glijdt in mijn broekzak. Ik zoek de ruimtepenning, maar heb mijn geknoopte zakdoek beet. Leg een knoop in je zakdoek zodat je niks vergeet, zegt mam. Maar wat mag ik niet vergeten? Juist, ik mag niet vergeten dat ik een boete heb én dat ik straks een pakje moet afleveren. Nu ik de zakdoek in mijn handen heb, kan ik hem maar beter gebruiken. Ik ga met mijn knieën op de kruk zitten en dep het kwijl van de kelner zonder handen en zonder tanden af. ‘Dwank we wew!’ Mijn hand graait in mijn broekzak verder. Daar is de ruimtepenning! ‘Een gwas dwakenswot?’ vraagt de kelner zonder handen en zonder tanden. Ik knik. De specialiteit van café Wippelgem is drakensnot. Vroeger leverde pap postpakken vol babydraken. Babydraken huilen luid en lang en produceren liters snot. Met verse slingers. Dat is overheerlijk! Aangezien het jammerlijke geklaag van de babydraken de klanten wegjoeg, gebruiken ze nu voorverpakt spul. Niet zo lekker als het verse snot, maar wel goedkoop. Precies één ruimtepenning. Veel meer mag het ook niet kosten. Want het duurt verschrikkelijk lang vooraleer je je drankje krijgt.

17


De kelner zonder handen en zonder tanden klungelt erop los. Eerst zuigt hij het drakensnot uit een grote bak door een rietje en vervolgens blaast hij het in mijn glas. Om dan op de toog te huppen en het met zijn voelsprieten in mijn richting uit te duwen. Misschien kan ik hem helpen en een handen-zonder-handen-machine uitvinden.

Die handige-handen-zonder-handen zouden er zo uitzien!  Ik monteer sensoren op de voelsprieten.  Die sensoren voelen de voelsprieten blindelings aan.  De sensoren sturen signalen naar de geautomatiseerde handen die rondvliegen.  Wanneer de kelner denkt aan een glaasje drakensnot, dan zullen de handen moeiteloos een glaasje uitschenken.  Daarboven zijn er heel wat extra opties om de gasten te entertainen: flessen in het rond gooien, brandende toortsen op je neus zetten terwijl je afwast …  De handen worden simpelweg bestuurd door gedachten.  Alle handelingen gaan in een handomdraai! (Snap je het mopje? Handomdraai?) Was ik maar zo handig in het bezorgen van post. Ik wil pap en mam niet teleurstellen. Ik moet tonen dat ik het kan. Dat ik een postpak kan bezorgen zonder te verdwalen. Hopelijk kan ik er na dit opsnottertje weer tegenaan. Hups!

18


9 Er komt een stevige bries opzetten. Zand vliegt rond mijn voelsprieten. Een gele post-it maakt een ruimtedans. Een paraplu waait voorbij. Jammer dat het geen vergiet is … Ik wrijf in mijn handen en spring op mijn ruimtescooter. Het belooft een turbulente rit te worden. Mijn gordel klik ik stevig vast. Iews wewewop swaan wichwingwaanwijzws, zei de kelner zonder handen en zonder tanden. Hij heeft gelijk! In het midden van het kruispunt staan tientallen palen met honderden bordjes. Nu nog het juiste bordje vinden. Mijn vinger wijst in de richting van de eerst paal en scant alle bordjes zorgvuldig van boven naar beneden. Niks. Daarna volgt de tweede paal. En de derde. En de vierde. En de vijfde. En de zesde. Enzovoort. Op de voorlaatste paal wijst het bordje Bloddiemarrie naar links. Of nee, naar rechts. Of nee. Wat is het nu? De wind waait zo fel dat alle pijlen tollen. Waardeloos. Wat nu? Misschien moet ik de truc van mam proberen. Nee, geen knoop in je zakdoek leggen. Mam zegt dat de enige juiste weg diegene is waar de wind je naartoe voert. Ik steek mijn vinger in mijn mond en hou hem de hoogte in. Mijn ogen pinnen zich vast op het toefje speeksel dat als een vergiet op mijn vinger staat. Het speeksel vliegt noch naar links, noch naar rechts. Het zoeft recht omhoog.

19


Ik leun achterover op mijn ruimtescooter en maak me klaar voor een verticale lancering. Het stuur trek ik langzaam naar me toe. Met kleine schokjes schiet ik de hoogte in. De wind duwt mijn ruimtescooter opzij. Een zucht ploft uit mijn neus. En ook een beetje snot. In de verte zie ik een planeet met omgewoelde aarde. Ik maak me klaar voor de landing. Waar moest het pak nu weer geleverd worden? Wat was het adres? Mijn ogen zoeken paps post-it. Verdwenen. Waarschijnlijk weggewaaid. Ook dat nog. Had ik maar een stuur met ingebouwd schermpje.

Dat super-stuur zou er zo uitzien!  Ik maak een zendertje dat de gedachten afstemt op een schermpje in het stuur.  Wanneer je denkt aan het leveringsadres, dan verschijnt het op je stuur.  Wanneer je denkt aan je boodschappenlijstje, dan verschijnt het ook op je stuur.  Wanneer je denkt aan je lievelings-meisjesgrompie, dan ...  Het scherm kan afgestemd worden met de ik-vindde-weg-bril.  Eindelijk zorgeloos door de ruimte snorren! ‘Hallo! Is daar iemand?’

20


Er komt geen antwoord. Wat vreemd! Een onbewoonde planeet, zou dat bestaan? Dat moet ik even onderzoeken.

10 ‘Wie durft er schaamteloos op mijn hoofd te parkeren?’ ‘Ik.’ ‘Zou je ervoor willen zorgen dat je als de bliksem weg bent, Ik.’ ‘Excuseer, mevrouw, ik heet niet Ik, ik heet Perdu. En ik zoek de planeet Bloddiemarrie. Kunt u me helpen?’ ‘Ik zou je kunnen helpen, mocht je van mijn hoofd af gaan!’ Geschrokken trek ik het stuur van de ruimtescooter naar me toe en zoek iets verderop een parkeerplek. ‘Ai! Wie durft er op mijn hoofd te parkeren!’ Alweer een wezen onder mijn ruimtescooter. ‘Sorry!’ ‘Auw! Ga van mijn haar af! Ben je blind, misschien?’ ‘Oeps, sorry!’ De ene vloek volgt de andere op. Blijkbaar is dit een planeet vol grondlingen. Maar dat zie ik pas als ze hun kleine deuren openklappen. Er komen geen grondlingen naar buiten. Maar er zijn wel tomaten te zien. Vliegende tomaten. Lang leve tomatensoep en lang leve het vergiet op mijn hoofd. Maar waar is het vergiet? Achja, vergeten.

21


Beleefde jongens aanvaarden beleefd de cadeaus die ze krijgen, zegt mam altijd. Als ik geen vergiet heb, dan moet het maar met mijn handen. Maar vijf handen zijn erg snel gevuld. ‘Erg bedankt voor de tomaten maar …’ ‘Dommerik,’ grommen de grondlingen, ‘dommerik, dommerik, dommerik.’ ‘Oh, bedankt. Jullie zijn zelf dommeriken.’ Het gemor van de bewoners wordt almaar luider. Het doet de grond daveren. De hele planeet davert zo hard dat de trillingen mijn ruimtescooter wegduwen. ‘Geen probleem hoor. Ik vraag de weg wel bij de volgende planeet!’ Vreemde ruimtewezens. Zelfs lichtjaren verderop hoor ik hun gemor nog. Bloddiemarrie. Even denken. Bloddiemarrie. Dat klinkt als een planeet in een zwart gat. Donkere planeten zijn de moeilijkste om te vinden. Als je ze niet ziet, dan vlieg je er voorbij. Had ik maar een zwart-kijker, dat was pas een goede uitvinding.

De zwart-kijker zou er zo uitzien!  Een zwart-kijker wordt op je ruimtevoertuig geïnstalleerd en scant de ruimte op zwarte gaten.  Wanneer hij een zwart gat detecteert, gaat er een alarm af.  Er wordt automatisch geremd of een andere koers ingezet.  De zwart-kijker kan samen gebruikt worden met de ik-vind-de-weg-bril.

22


Bestond de zwart-kijker maar, dan … KNAL!

11 ‘Oeps.’ Gele rook bolt op uit de motor van de ruimtescooter. Ik had niet mogen wegdromen. Ik weet hoe gevaarlijk planeten in zwarte gaten zijn. En nu ben ik ertegenop gebotst. Ik haal de geknoopte zakdoek uit mijn broekzak en dep het zweet onder mijn eerste oksel af. En onder mijn tweede. Was dat schrikken. Er zijn geen gewonden gevallen. En nu? Wat mocht ik niet vergeten? Juist, in tijden van nood, volg de noodprocedure. Dat zegt pap altijd. Eerste stap: anker uitslaan. Dat kan ik maar beter doen. ‘Ruimtepolitie! Handen in de lucht!’ ‘Maar, ik heb niks misdaan!’ ‘Zo zo, meneer vindt dat hij niets misdaan heeft?! Beschouwt u opbotsen tegen de geheime politiebasis dan niks?! Ik zal u even zeggen, meneertje, dat dit een zeer ernstig feit is.’ ‘Maar, het was een ongeluk!’ ‘Dit ongelukje zal u duur komen te staan. Net als het feit dat u geen vergiet op uw hoofd heeft. Aan de tomatensaus te zien, heeft u blijkbaar al wat tomaten naar uw hoofd geslingerd gekregen! Ziet u wel! Het dragen van een vergiet is onmisbaar in het verkeer! Wacht eens. U komt mij bekend voor. Staat u misschien op de lijst van vermiste gangsters?’

23


Eén harige spinnenpoot gaat naar het borstzakje en haalt er een boek uit. Een fotoboek. Razendsnel bladert Harry erdoorheen. Terwijl hij met twee paar ogen naar de prentjes kijkt, scannen zijn twee paar andere ogen me grondig. ‘Nee, u bent geen gangster. Maar waar … Aha! U bent diegene die mij bedankte voor de boete. U bent duidelijk minder beleefd dan voorheen. Ziet u wel, ik heb uw afleidingsmanoeuvres wel door! U bent duidelijk vergeten wat onze afspraak was! Mag ik dan nu de sleutels van uw ruimtescooter? Want die wordt in beslag genomen.’ ‘Dat meent u niet.’ ‘Dat meen ik wel.’ ‘U kan uw kleinkind toch geen kapotte ruimtescooter cadeau doen?’ ‘Dat kan ik wel. Een likje verf en hupsakee, hij is weer zo goed als nieuw.’ ‘Een ruimtescooter die niet kan vliegen?’ ‘Perfect om te oefenen, zonder brokken te maken. Nietwaar, meneer? U heeft duidelijk geen oefen-scooter gehad vroeger.’ Ik slik. ‘Hoe moet ik naar huis?’ ‘Dat is uw probleem, meneer. Wie de regels overtreedt, moet de gevolgen zelf dragen.’ ‘Ongelooflijk.’ ‘Wat zegt u? Bedankt, meneer Harry, omdat u mij niet afzondert op planeet Priezon? Het zal wel zijn dat ik bedankt ben!’

24


‘Eh, ja meneer Harry, u ook bedankt, zeker?’ ‘U verdient werkelijk een medaille omdat u dit kleine ongeluk zo sportief opvat! Zo zouden alle criminelen moeten reageren.’ ‘Crimineel? Ik?’ In enkele tellen rolt Harry zijn web op en haakt hij mijn ruimtescooter zorgvuldig op zijn spinnenrug. ‘Vergeet niet, dat agent Harry je overal ziet!’ Hij knipoogt, lacht scherpe tanden bloot en zet me met zijn twee poten op de dichtstbijzijnde planeet. ‘Lang leve Harry!’ roept de politiespin, terwijl hij met een gebalde poot verder vliegt. Uitgeput ga ik neerzitten. Wat moet ik nu beginnen? Ik ben niet alleen de post-it kwijtgeraakt, maar ook mijn ruimtescooter en de weg naar huis. Het pakje! Nee! Het pakje! Zat in mijn koffer. Dat ben ik ook kwijt. Het pakje was van een heel belangrijke klant. Hoe ga ik dat uitleggen aan mam en pap? Pap heeft gelijk. Ik kan onmogelijk baas worden van het postbedrijf. Wat moet ik nu beginnen? En waar ben ik? Is dat een huis in de verte? En is dat een droompoel? Nee, het is een traan. Die prikt in mijn oog. En die traan zorgt ervoor dat ik de dingen niet helder zie.

25


12 Kon ik maar iets bedenken zodat ik niet alles steeds vergeet.

De vergiet-me-niet zou er zo uitzien!  Voor de dag begint, importeer ik alle belangrijke zaken uit mijn agenda in een plug.  Die plug steek ik in mijn oor.  Wanneer er een taak afgerond is, dan wordt de volgende taak fluisterend in mijn oor doorgegeven.  Ontdekt de plug dat mijn handelingen niet overeenkomen met de zaken uit mijn agenda, dan gaat er een alarm af.  De plug kan gekoppeld worden aan de ik-vind-deweg-bril, de zwart-kijker of het super-stuur. Zolang de vergiet-me-niet niet bestaat, moet ik alles zelf onthouden. En dat kan ik niet. Ik blijf vergeten. Daar zijn ze weer. De tranen. Ze druppelen op de dorre grond. Langzaam scheurt de aarde tussen mijn voeten open. Een gat gaapt mij aan. ‘Hallo?! Is daar iemand?!’ vraag ik verbaasd. In de diepte hoor ik een zacht gestommel. Een zilverkleurig been met gebloemd hoedje komt uit het gat gehupt. Zie ik dat nu goed? ‘Zo. Ik ben Lampekap. Aangenaam.’ De lamp die naast me staat, knikt vriendelijk. Onder het fleurige hoedje zitten twee karbonkels van ogen die me stralend aankijken.

26


27


Droom ik nu of ben ik gek aan het worden? ‘Nee, hoor. Je bent niet gek. Ik kan gedachten lezen. En ik vind het verschrikkelijk als er iemand verdrietig is. Daarom ben ik hier. Om je te helpen.’ Iemand die mij wil helpen? Zomaar? Dat kan niet. ‘Ik heb geen ruimtepenningen om je te betalen,’ zeg ik zacht. ‘Geld? Betalen? Je hoeft helemaal niks te betalen. Ben je een beetje doof, misschien? Ik ben hier om je te h-e-l-p-e-n. Laat mijn lichtje branden. Je zult wel zien wat er gebeurt.’ Mijn hand gaat naar het touw dat van onder het gebloemde hoedje uit komt. Lampekap knikt en sluit haar ogen. Klik, doet de lamp. Ik werp een blik in het gat aan mijn voeten. ‘Oh,’ is het enige dat ik kan uitbrengen.

13 ‘Ben je blij?’ ‘Is dat …?’ ‘Jups!’ zegt Lampekap vrolijk. ‘Maar, waarom? Hoe?’ ‘Kom, stel niet te veel vragen. Het is een cadeautje. Van mij, voor jou.’ ‘Ik? Maar …’ … wat als dit een val is? Kan ik haar vertrouwen? ‘Wat heb je te verliezen?’ vraagt Lampekap. Ze houdt haar kapje scheef.

28


Ze heeft gelijk. Hier droom ik al zo lang van. Stap voor stap daalt mijn schaduw af. Lampekap blijft me op de voet volgen. Onderaan de trap kom ik in een gigantisch atelier terecht. Een uitvindersatelier. Er is alles en meer dan mijn hoofd bedenken kan. Potjes en stofjes, draadjes en gaatjes, chips en clips en knoopjes en hoopjes. ‘Wow.’ ‘Ik blijf bij je. Zolang het nodig is, laat ik mijn licht over jouw werktafel schijnen.’ Ik twijfel niet, ga aan de tekentafel zitten en maak een lijstje. ‘Goed zo,’ zegt Lampekap zacht. Dit wil ik maken!

• • • • • • • • •

Ik-vind-de-weg-bril Ik-wil-geen-schubben-kwijt-shampoo Politie-opsnorder Handige-handen-zonder-handen Super-stuur Zwart-kijker Vergiet-me-niet Alle uitvindingen samengebracht in een spiksplinternieuwe ruimtescooter. Kleur: rood!

29


30


14 Na het lijstje, teken ik de plannen uit. Lampekap knikt goedkeurend als ze de radertjes in mijn hoofd hoort ratelen. Als ik de uitkomst niet zie, laat ze haar lamp feller branden. Als ik moe ben, dempt ze het licht. Soms slaan we een babbeltje. Dan praat ik. Over mijn mam en pap. Over het postbedrijf. Over de uitvindingen. Ik praat graag over uitvindingen. Er springen kleine vuurvonkjes van me af als ik erover vertel. De vuurvonkjes nestelen zich aan de muren van het uitvindersatelier. Ze verlichten de hele ruimte. Lampekap is moe. Haar ogen vallen toe. Ik zoek een rustig plekje voor haar en leg een deken om haar smalle schouders. ‘Slaapzacht, Lampekapje.’ Terwijl ze zachtjes zoemt, werk ik verder. Uitvindingen worden van het lijstje geschrapt. De kamer komt voller te staan. Na een poos ben ik klaar. Al weet ik niet precies hoelang die poos geduurd heeft. ‘Lampekapje?’ zeg ik zacht. Ik wieg haar heen en weer om haar wakker te krijgen. Lampekap geeft geen kik. ‘Lampekapje. Wakker worden. Ik ben klaar. Wat moet ik doen?’ Ik plof neer in de zetel die naast Lampekapje staat. Een papier dwarrelt van onder de lampenkap op mijn schoot. Lieve Perdu Mijn werk zit erop. Je hebt je eigen licht laten schijnen. Alles wat je uitgevonden hebt, brengt je vanzelf terug naar huis. Nu is het aan jou. Je kan het! Lampekap XXX 31


Ik slik. Alleen? Vooraleer ik vertrek, plant ik een vlag. Want ik mag dit nooit vergeten. Aan een stok hang ik mijn geknoopte zakdoek. De motor van mijn spiksplinternieuwe ruimtescooter sputtert wanneer ik hem aan de praat wil krijgen. Op het super-stuur komt mijn volgende bestemming: café Wippelgem. In de verte zie ik de neonletters al. Het is er rustig en het drakensnot spat alle kanten op. ‘Ik heb een machine uitgevonden die je misschien wel zal interesseren. Deze handen-zonder-handen zorgen ervoor dat je supersnel en supergemakkelijk drankjes kan uitschenken.’ Ietwat bedenkelijk kijkt de kelner zonder handen en zonder tanden me aan. ‘Mag ik?’ ‘Woe Waaw,’ zegt hij. Ik klim over de toog en bevestig de sensoren op de voelsprieten. Alsof hij het al jaren gewoon is, gaat de kelner zonder handen en tanden aan de slag. Hij goochelt met glazen, schenkt drakensnot in een razendsnel tempo uit en kan de klanten zelfs boeien met een grappig dansje. De trol, prinses met baard, grompie en de astronaut die net voorbijkwamen, kunnen hun ogen niet geloven. Café Wippelgem vult zich met oe’s, oo’s en aa’s. Er worden berichten gestuurd, gebeld …

32


Het nieuws verspreidt zich als een lopend vuurtje. In een mum van tijd, zijn er journalisten en fotografen. Er is zelfs een cameraploeg afgezakt om dit geweldige nieuws te filmen. Wanneer het erg druk wordt in het café en ik bijna geen lucht meer krijg, besluit ik om naar huis te gaan. Ik wurm me tussen benen en poten. Net als ik de deur wil openen, word ik tegengehouden. De kelner mét handen en zonder tanden tikt op mijn schouder en geeft me een glaasje drakensnot. ‘Wewankt! We webt we wewukkig gewaakt!’ roept hij luid! Ik knik en drink het glaasje drakensnot in één teug leeg. Oh, dat is sterk spul. ‘Tot wauw!’ Ik steek mijn duim de hoogte in. In mijn oor fluistert de vergiet-me-niet dat mam en pap aan het aperitieven zijn. Tijd om huiswaarts te vliegen.

15 Naast mijn ruimtescooter staat een sakkerende astronaut. ‘Kan ik helpen?’ ‘Ik ben de weg kwijt.’ ‘Richting?’ ‘Ruimtestation ISS.’ ‘Ogenblikje.’ Uit mijn zak haal ik mijn ik-vind-de-weg-bril en zet die op de neus van de astronaut. ‘Erg hip. Maar nu?’

33


‘De groene pijltjes blijven volgen tot u aan de voordeur bent!’ ‘Hoeveel moet ik je?’ ‘Niks.’ ‘Wacht.’ De astronaut schudt iets uit zijn mouw. ‘Wat is dat?’ ‘Een visitekaartje. Mijn adres staat erop. Kom gerust eens langs als je in de buurt van de aarde bent!’ ‘Oh, bedankt!’ ‘Nee, jij bedankt!’ roept de astronaut terwijl hij op zijn ruimtefiets in juiste richting gaat. Het zal waarschijnlijk even duren vooraleer hij thuis is. Op mijn super-stuur flikkert het woord ‘thuis,’ daarna verschijnt er ‘mooie meisjes’. Twee giechelende grompies blozen van aan het puntje van hun neus tot achter hun schattige voelsprieten. Ze kleuren hun nagels en kijken mijn richting uit. Verlegen draai ik me om. Er is niemand te zien. Zouden ze …? ‘Hoeveel schubben heeft hij nog?’ vraagt het ene meisje. ‘Dat weet ik niet. Het ziet er geen stinkerd uit,’ lacht het andere meisje. ‘Hoe minder schubben, hoe properder.’ ‘Hoe meer schubben, hoe stoerder.’ ‘Wat heb jij het liefst, een stoere of een propere grompie?’ ‘Die grompie lijkt me wel iets.’ Een vinger wijst me aan. ‘Wist je trouwens dat de nieuwe shampoo je schubben heel zacht maakt?’ De meisjes veranderen van onderwerp wanneer ze me zien aankomen. Ik ruik mijn kans en ga naar de meiden toe. 34


‘Dames, excuseer dat ik even stoor. Mag ik jullie een cadeautje geven? Ik heb een shampoo ontwikkeld. Die zorgt ervoor dat je lekker lang in bad kan blijven liggen, zonder dat je schubben verliest. Wie wil testen?’ ‘Ik,’ giechelen ze in koor. ‘Als jij die shampoo gemaakt hebt, dan mag je onmiddellijk mijn lief worden,’ zegt het ene meisje. ‘Dat is niet eerlijk. Hij mocht mijn liefje worden.’ ‘Nee, mijn liefje.’ ‘Nee, het mijne.’ ‘Dames, geen geruzie. Zullen we afspreken dat jullie allebei mijn vriendinnetje worden?’ ‘Nee,’ zeggen ze in koor. ‘Oké, niet dan! Toch veel plezier met de shampoo!’ Ik knipoog naar de twee meiden, waarop ze in zwijm vallen. Vergrompt, dat ik daar geen uitvinding voor heb! Ik zou ze kunnen wakker kussen zoals de prins het doet in het sprookje. Maar dat is misschien … Een fluittoon herinnert mij dat ik dringend naar huis moet. Ik grabbel in mijn broekzak en leg het gelukspoppetje naast hen neer. Je weet maar nooit.

16 De nieuwe ruimtescooter parkeer ik onder de carport. Vooraleer ik in de droompoel spring, wrijf ik me in met shampoo tegen uitvallende schubben. De wind blaast flarden van het gesprek tussen mam en pap tot bij mij. Hoor ik dat goed? Hebben ze het over mij? ‘Hoezo? Waarom wil je niet dat Perdu het postbedrijf overneemt?’

35


‘Er zijn klachten. De telefoon staat roodgloeiend. Pakjes die verkeerd bezorgd worden, pakjes die niet bezorgd worden. Perdu die steeds weer de weg kwijtraakt. Geef toe. Dat is geen goede reclame!’ ‘Je weet dat Perdu wat meer tijd nodig heeft dan andere grompies!’ ‘Dat is het probleem! Ik heb geen tijd! In een maand moet ik op pensioen. Je weet dat ze me opsluiten op planeet Priezon als ik me niet aan de regels houd. Ik zie geen andere mogelijkheid dan het bedrijf verkopen.’ ‘Nee! Dat kan niet! Nee! Dat mag niet!’ Mams woorden stuiteren mijn oorschelp in. ‘Vandaag moest Perdu één pakje op tijd afleveren. Dat van de ruimteloterij. Raad eens?’ Mam zucht. ‘Ik weet het. Geef hem nog een kans. Alsjeblieft?’ ‘Ik heb hem al zoveel kansen gegeven. Mijn besluit staat vast. Ik heb al gesprekken gehad met iemand die me verstandig genoeg lijkt om de zaak te leiden. Morgen zitten we rond de tafel om verdere afspraken te maken.’ Pap en mam kijken geschrokken wanneer ze mij de keuken zien binnenkomen. ‘Heb je ons gesprek gehoord?’ vraagt mam. Ik knik. ‘Sorry, zoon …’ zegt pap beduusd. ‘Geen probleem, pap. Je hebt gelijk. Je zoekt beter iemand die goed voor het postbedrijf kan zorgen. Ik heb heel goed en diep nagedacht. Als het goed is voor jullie, dan word ik uitvinder.’

36


Pap kijkt mam met hoge voelsprieten aan. En mam kijkt pap met nog hogere voelsprieten aan. ‘Maar, wil je dan niet …?’ vraagt mam verbaasd. Vastberaden schud ik het hoofd. ‘Ik wil uitvinder worden. Dat is echt iets wat ik erg graag wil. Weet je pap? Ik denk dat ik zelfs een machine heb uitgevonden die kan voorkomen dat de postverdelers verdwalen.’ Ik ga naast pap zitten en leg mijn schriftje met schetsen op tafel. Geïnteresseerd bestudeert hij mijn plannen. Hij luistert aandachtig naar wat ik te zeggen heb. ‘Wel zoon, ik sta versteld. Dat is geweldig! Met het geld van de verkoop van het postbedrijf, wil ik jou helpen. Materiaal aanschaffen, reclame maken …’ Mam schenkt een glaasje drakensnot uit en schuift borden met tomatensoep voor onze neus. ‘En heb je ook al een naam voor je uitvindersbedrijf?’ vraagt pap. ‘Ja,’ zeg ik trots, ‘Lampekap & ouders.’ ‘Vanwaar Lampekap?’ ‘Omdat er altijd iemand is die je de weg wijst wanneer het donker is.’ Mams wangen kleuren limoengroen. ‘Ik ben fier op je, Perdu,’ zegt ze. We smakken luid het bord met tomatensoep leeg.

37


17 Na het avondmaal gaan we gezellig in de sofa zitten. Ik knip de staanlamp met bloemenhoedje aan en lees verder in mijn boek over uitvindingen. Mam en pap schuiven verliefd naast elkaar. Hun gekus leidt me af. ‘Bweik!’ zeg ik luid. ‘Wacht maar tot je een grompie-meisje tegenkomt dat je leuk vindt,’ zegt pap. Mijn wangen gloeien. Zou het gelukspoppetje haar werk doen? Misschien moet ik een poppetje uitvinden dat ervoor zorgt dat de meisjesgrompie verliefd wordt? Mam knipt de televisie aan en gaat op zoek naar haar favoriete muziekprogramma. ‘Laat eens staan,’ zegt pap terwijl hij het geluid hoger zet. Pap wordt echt een dagje ouder. En een dagje dover. Op het kleine scherm vragen ze ieders aandacht. Ik sluit mijn boek en volg mee. Politiespin Harry is op het scherm. ‘Mam, pap, dat was ik vergeten zeggen!’ ‘Ssssht!’ sissen ze in koor. ‘Maar …’ ‘Straks, Perdu!’ ‘Beste kijkers, vandaag maakte ik deze rode ruimtescooter per ongeluk buit. Blijkbaar is een ongeluk niet voldoende om een ruimtescooter in beslag te nemen. En ook niet voor het rijden zonder vergiet. Eigenlijk had ik gewoon pech. Ik wou de scooter aan mijn neefje geven als verjaardagscadeau, maar mijn baas had mijn, toch wel briljante, plan door. Daarom doe ik een oproep aan de rechtmatige eigenaar, een grompie. Zodat hij zijn ruimtescooter bij mij kan ophalen.

38


Ik zal ervoor zorgen dat hij helemaal hersteld is. En ik zal hem ook een grondige schoonmaakbeurt geven. Zo, dat was het.’ Op de televisie verschijnt een foto van mijn ruimtescooter. ‘Maar, dat is jouw scooter!’ roept pap. ‘Ja, dat wilde ik toch net zeggen!’ De baas van de politie komt ook in beeld. ‘Wat heb je nog te zeggen?’ oppert hij streng. ‘Eh … Niks.’ ‘Zeker?’ de wenkbrauwen van het hoofd van de politie trekken zo ver achteruit dat er alleen nog twee grote knikkers in de lens kijken. ‘Eh … Sorry, grompie. Voor het ongemak.’ ‘En?’ ‘En ook sorry aan alle mensen wiens ruimtescooter ik gestolen heb.’ ‘En?’ ‘En ik zal het nooit meer doen.’ ‘Flink zo.’ ‘Dat ik dat op mijn oude dag nog moet meemaken,’ oppert pap. ‘Een criminele agent die de ruimtescooter van mijn zoon steelt!’ Mam legt haar hoofd op paps schouder en neemt de afstandsbediening uit paps handen. Ze zapt verder naar haar muziekprogramma. Ik vertel haar morgen wel dat ik een handtekening heb van Harry. Tijd om wat frisse lucht te happen. Ver weg van het gejank op televisie.

39


De zon kleurt de droompoel oranje. In de achtertuin wappert een vlaggenstok met geknoopte zakdoek. Ik neem een potlood en klap mijn uitvindersschrift open.

Het geluk-in-de-liefde-poppetje zou er zo uitzien! 

40


Perdu helpt mee in het postbedrijf van zijn papa. Maar dat loopt allesbehalve goed. Na de zoveelste vergissing, wil hij bewijzen dat het toch anders kan. Hij moet en zal het postpakket op zijn bestemming brengen. Tijdens zijn ruimtetocht komt hij allerlei kleurrijke figuren tegen en raakt hij alweer de weg kwijt. Wie kan hem helpen?

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 6. ISBN 978 90 486 2537 6 Bestelnummer 60 1021 597 KB D/2016/0147/106 NUR 191 Illustraties: Sofie Nachtegael Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 625376

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - 6e leerjaar - N3 - De weg kwijt by die Keure - Issuu