ducatieve uitgaven
BIEB
De vuistman Gerda Van Erkel
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 6
7
De vuistman
1
De schoenmaker 1 ‘Weet je wie er ook dood is?’ vraagt Seppes vader die vrijdag aan tafel bij het avondeten. Hij gebruikt zijn hese fluisterstem die hij normaal alleen voor het werk bij de begrafenisondernemer bewaart. Mama’s hand met de volgeschepte pollepel blijft boven de pan broccolisoep zweven. ‘Wie dan?’ vraagt ze, met opgetrokken wenkbrauwen. ‘De schoenmaker van verderop. Hartstilstand. De postbode heeft hem deze ochtend gevonden, toen hij zoals gewoonlijk de brieven op de toonbank wilde leggen.’ ‘Hij was toch nog niet zo oud?’ vraagt mama. ‘Drieënzestig. Woensdag is de uitvaart, dat zal een trieste bedoening worden. Op een tante van vijfentachtig na, die dement1 is en in een home2 woont, had hij geen familie.’ ‘Dan wordt hij gecremeerd?’ ‘En uitgestrooid, dat is het beste, als toch niemand het graf kan onderhouden. Triest, maar zo is het nu eenmaal.’ ‘Ja. Ja, dat zal wel. Als het je tijd is, kun je daar niets tegen beginnen,’ zucht moeder en vervolgens brengt ze de pollepel van boven de soeppan naar Seppes bord. Hij steekt zijn handen uit om haar af te weren. ‘Ik heb geen honger,’ zegt hij dunnetjes. Het klinkt alsof hij de woorden uit zijn keel moet wringen. ‘Ik voel me ineens misselijk, ik denk dat ik moet overgeven ...’
2
Hij ziet inderdaad zo wit als het porselein van het serviesgoed en op zijn voorhoofd en bovenlip parelen kleine zweetdruppels. ‘Zo opeens?’ vraagt zijn moeder, terwijl ze hem bezorgd aankijkt. Het lijkt haar verdacht, haar intuïtie vertelt haar dat er iets niet klopt en die heeft haar nog nooit bedrogen. ‘Er is toch niets gebeurd op school, Seppe, iets wat wij moeten weten?’ hengelt ze. ‘Je weet toch dat je papa en mij alles kunt vertellen.’ ‘Er is niets, ik voel me alleen niet lekker.’ Ze zouden het niet begrijpen, denkt hij. Dat doet hij zelf ook niet. ‘Misschien een beginnend griepje,’ veronderstelt zijn vader. ‘Die tijd zit er weer aan te komen.’ Mama legt haar hand tegen Seppes voorhoofd, maar hij voelt niet koortsig aan, alleen enigszins klam. ‘Wil je dan liever iets anders eten?’ vraagt ze. ‘We hebben rijstpap als dessert.’ Maar zelfs daar zou hij met de beste wil van de wereld geen hap van naar binnen kunnen krijgen, hij voelt zich zelfs te beroerd om tv te kijken. Alsof hij duizelig wordt van zijn eigen gedachten, ze draaien steeds snellere rondjes in zijn hoofd. ‘Naar bed dan maar,’ beslist zijn moeder en ze helpt hem zelfs in zijn pyjama, alsof hij nog een joch van vijf is in plaats van bijna twaalf. Hij wilde dat hij dat was, vanavond wel. Als je twaalf bent, moet je stoer zijn. Cool.
3
2 Het is schemerdonker in zijn kamer, met alleen het zwakke schijnsel van zijn radiowekker die schaduwen werpt op het plafond. Toch is het niet daardoor dat Seppe niet in slaap kan komen, hij krijgt het beeld van de schoenmaker maar niet uit zijn gedachten. Het moet gebeurd zijn vlak nadat hij daar is gepasseerd, op weg naar school. Ze hadden zoals altijd hun hand naar elkaar opgestoken en even later had hij de postbode gekruist, aan de hoek met de Jules de Bruyckerlaan. Op die paar seconden moet het gebeurd zijn. Hij wil niet denken: gestorven. Gestorven is voor eeuwig en altijd.
4
Hij probeert zich te herinneren wanneer ze daar precies mee begonnen zijn, met hun hand op te steken, en waarom. Misschien is het al wel langer dan een jaar geleden. Hij heeft een keertje de schoenen van zijn moeder moeten afhalen die een nieuw hakje nodig hadden of zo. Misschien is het toen begonnen, in ieder geval niet met zijn schoenen, want die moeten nooit gelapt worden. Hij groeit eruit voor ze versleten zijn, of andersom, dan zijn ze zo toegetakeld dat er geen repareren meer aan is. Zijn moeder zegt dat het kosten op het sterfhuis zijn, waarmee ze bedoelt dat het de moeite niet meer is. Vandaag krijgen die woorden een lugubere klank. De postbode had meteen de hulpdiensten gewaarschuwd, maar ze hadden niets meer kunnen doen. Zo snel kan dat gaan, akelig vindt Seppe dat. Dat de dood zomaar op je kan vallen als duivenpoep. Vanochtend nog had de schoenmaker op zijn vaste stekje bij het raam zitten werken, onder de tl-lampen die een hard, wit licht verspreidden. Het vroeg beslist veel concentratie, en toch miste de schoenmaker Seppes voetstappen op de stoep geen enkele keer. Het leek of hij ze uit alle andere herkende, en dan keek hij op en stak glimlachend zijn hand omhoog. Er was een klik tussen hen, en nu is de schoenmaker dood en kent Seppe zelfs zijn naam niet, maar niettemin lijkt het of hij kopje onder gaat in een troebel moeras van verdriet.
5
3 Op de dag van de begrafenis spijbelt Seppe van school, daar heeft hij geen halve seconde over hoeven twijfelen. Hij wil erbij zijn als de schoenmaker ‘vertrekt’. Zo noemen mensen dat, alsof iemand op het punt staat een lange, verre reis te ondernemen. Zo lang en zo ver dat ze na verloop van tijd niet meer op zijn terugkeer wachten. Seppe heeft daar een beeld van in zijn hoofd. Een oude, gespikkelde zwart-witfilm van een kolossale stoomboot die zich langzaam losmaakt van de kade. De scheepshoorn loeit en uit de schoorsteen stijgen dikke zwarte rookpluimen op. Aan de kant wuiven mensen in ouderwetse kleren met witte zakdoeken naar de passagiers op het dek. Ze kijken tegen de zon in tot het schip een stip is, en ten slotte verdwijnt zelfs de stip aan de horizon. En dan deppen ze hun ogen met dezelfde witte zakdoek en als ze opkijken, is de wereld niet meer hetzelfde. Zo ziet Seppe dat. De schoenmaker hoeft niet alleen te vertrekken, niet zonder afscheid. Wat Seppe meer zorgen baart, is de vraag hoe hij dat geregeld moet krijgen zonder door zijn vader gezien te worden.
6
7
Hij stopt zijn tienuurtje en zijn broodtrommel in zijn boekentas, zegt zijn moeder gedag en vertrekt gewoon zoals anders voor school. Wanneer hij voorbij de vitrine komt, waarachter het doods en donker is, vertragen zijn voetstappen vanzelf. Hij brengt zijn hand boven zijn ogen en tuurt naar binnen. Wat verwacht hij te zien? De schoenmaker die onverwacht uit de schaduw komt aanlopen, het licht aanknipt en gebaart dat hij zich verslapen heeft? Zijn haar piekt alle kanten op en zijn stofjas is verkeerd geknoopt. Hij heeft zich gehaast om te kunnen zwaaien. Seppe kijkt schuw om zich heen of niemand in de straat hem kan zien, dan drukt hij stilletjes zijn hand tegen de ruit. Het glas is koel. Hij voelt zich een beetje belachelijk en bij die gedachte gaat hij zich schamen. De uitvaartdienst is om halftien, dat is nog ruim een uur. Hij vraagt zich af wat hij in de tussentijd kan gaan doen. Gelukkig regent het niet, maar het is fris en het waait stevig. November schudt flink aan de platanen3 in de middenberm van de dreef. Hij krijgt koude handen en denkt aan de supermarkt waar het warm is en waar ze strips verkopen en waar de tijd misschien een beetje sneller opschiet dan dit slakkengangetje, doelloos straat in straat uit. Hij heeft zich teruggetrokken achter de schappen, uit het zicht van de kassiersters, maar heeft helaas buiten de klanten gerekend.
8
Het lijkt of de halve wereld de krant of het tv-blad wil, of anders wel een puzzelboek met sudoku’s4 of kruiswoordraadsels. Ze staren hem argwanend aan alsof hij de winkel leeg wil jatten. Gelukkig zijn de meeste van hen gehaast of verfoeien ze gedoe en laten ze hem verder met rust. De oma’s op pensioen zijn andere koek. Ze komen als grote tokkende kippen op hem af gewaggeld, klaar om hem onder hun vleugels te nemen. ‘Moet je niet op school zijn?’ vragen ze en duwen hun polshorloge onder zijn neus. Het is twintig voor negen. Nog maar. ‘Vanochtend niet. Ik moet over een halfuurtje bij de tandarts zijn.’ Dat was het eerste leugentje dat hem te binnen was geschoten. De oma-hennen zuchten och en ach of proberen hem gerust te stellen. Eentje kijft dat hij beslist niet goed genoeg gepoetst heeft en straks ook een kunstgebit nodig heeft, en hij wil niet weten hoe vervelend dat is. Dat wil Seppe inderdaad niet. Even vreest hij dat ze het hare uit haar mond gaat nemen. Hij klapt zijn strip dicht, zet hem lukraak ergens terug in het rek en neemt ijlings de benen. Tot zijn opluchting is de kerk al open en ontbreekt van zijn vader of begrafenisauto’s nog elk spoor. In het portaal5, waar het donker is en een vage wierookgeur hangt, glipt hij door het lage zijdeurtje naar de stenen trap en het doksaal6. Op Open Monumentendag is hij hier met papa geweest.
9
Op het doksaal staat het orgel, en soms het kraaienkoor. Ze zingen alsof iemand op hun tenen staat. Nog hoger in de toren hangt de klok. Seppe verstopt zich en wacht, hij schrikt als de klok begint te luiden, maar de mensen die ze roept hebben geen tijd of belangrijker dingen aan hun hoofd. Alleen papa’s voetstappen klinken hol als hij door het middenpad naar het altaar loopt, met de urn tussen zijn zwarte handschoenen. Hij zet ze neer naast de foto van de schoenmaker die lacht alsof hem juist een fijne verrassing te beurt gevallen is. Dat hij lacht kan Seppe van daarboven niet zien, maar hij weet het gewoon. Hij steekt zijn hand op bij wijze van groet. Achter zijn ogen spoelt een zoute zee golven aan op zijn gezicht. 4 Papa heeft hem niet betrapt, maar op school moet Seppe bij de directrice komen. Dat is de regel voor telaatkomers. Naast de deur is een belletje, met daaronder haar naam. C. Raeymaeckers. Hij duwt op de knop en er gaat een groen lichtje branden. Op slappe benen stapt hij haar kantoor binnen, dat naar deftige, oude meubelen en naar boenwas ruikt. De directrice kijkt op van achter haar bureau en glimlacht zo vriendelijk dat hij met geen mogelijkheid meer kan jokken. Het excuus dat hij daarstraks had bedacht, is weg.
10
Mevrouw Raeymaeckers luistert met zachte grijze ogen. Seppe denkt dat hij er de zee in kan horen, wat natuurlijk onmogelijk is, maar toch denkt hij het. Behalve dat ruisen van de zee is het even ademloos stil. ‘Ik begrijp het,’ zegt de directrice na een poos, en ook dat lijkt perfect mogelijk, al begrijpt hij zichzelf niet eens. Ze geeft hem geen strafwerk op. Bij de deur, waar ze mee naartoe is gelopen, legt ze haar hand op zijn schouder. Ze ruikt naar vanille. Een vluchtige wolk van troost.
Verhuizen 1 Het is een week voor Kerstmis en sinds vanochtend sneeuwt het gestaag. De lucht wemelt van de vlokken. Ze dwarrelen op en neer op de koude zuchten van de wind en gaan dan zachtjes, als vermoeid, liggen. Waar niet geveegd is, ligt er al zo’n vijf centimeter. Hij knerpt7 onder Seppes laarzen en soms waait hij onder de rand van zijn muts, die hij tot tegen zijn wenkbrauwen heeft getrokken. IJzige druppels glibberen langs zijn neus omlaag. Het is grijs, al zo donker dat in de huizen het licht is aangestoken. Achter de vensters gloeien kerstboomlichtjes, maar de vitrine van de schoenmakerij is zwart zoals diep water. Seppe, die van school komt, schrikt er nog altijd van, alleen is de schok deze keer dubbel zo heftig. Er hangt een affiche met Te koop tegen de etalageruit.
11
De winkel zelf is leeggemaakt, dat was daarstraks nog niet zo. Op de mat achter de glazen deur ligt reclamedrukwerk, alsof de schoenmaker elk ogenblik tevoorschijn kan komen om het op te rapen. Seppe rent de rest van de weg naar huis, soms glijdt hij bijna uit. Hij roept met zijn jas nog aan op zijn moeder, die kijft dat hij eerst zijn vieze schoenen moet uittrekken. Het is te laat, een spoor van smeltende sneeuw komt achter hem aan. Zijn moeder gooit mopperend de dweil naar zijn hoofd. Waar ze zich druk om maakt, denkt hij. Zij had hetzelfde over hem kunnen denken, maar dat is niet het geval. In werkelijkheid is ze even hoteldebotel van het nieuws als hij, maar om een totaal andere reden. ‘Het is een geknipt huis,’ zegt ze opgewonden. ‘Ideaal voor mijn salon, ik wist dat ik geduld moest hebben en dat het dan op een dag gewoon in mijn schoot zou vallen. Ik zie het al helemaal voor me.’ Ze beweegt haar handen alsof ze al de spiegels boent. Ze kan nauwelijks wachten tot papa thuiskomt om het met hem te bespreken en die zegt geen nee. Het zat eraan te komen. Vorig jaar heeft mama een opleiding tot schoonheidsspecialiste gevolgd. Weldra zou Seppe naar de middelbare school gaan en dan wilde ze weer iets omhanden hebben. En dat was absoluut zeker niet terug naar het boekhoudkantoor.
12
Een schoonheidsspecialiste maakte mensen blij en daar zou ze zelf ook gelukkig van worden. Nog gelukkiger. Als ze dat soort dingen zei en daarbij naar papa keek alsof hij die man van de koffiereclame was op tv, kon hij haar niets weigeren. Seppe hoort de woorden alsof hij met zijn hoofd onder water zit. Hij wil niet bovenkomen, maar dan ontploft het bijna. De stilte maakt een plopgeluid in zijn oren en zijn ouders kijken hem ongerust aan. ‘Er is een grote tuin aan,’ pleit zijn moeder. ‘We kunnen een basketbalring hangen,’ vult vader aan. Seppe slikt een prop speeksel weg. Ik zou opgelucht moeten zijn, denkt hij, er komen geen vreemden in. Maar de dood is binnen geweest, ze kent de weg. In zijn hoofd lijkt de dood op Voldemort uit de Harry Potterfilms. Die nacht kruipt hij onder zijn donsdeken tot er geen plukje van zijn haar meer te zien is. Een onzichtbaarheidsmantel zou natuurlijk nog geschikter zijn, maar die bestaat niet. Voldemort bestaat ook niet echt. Zijn hersenen weten dat, maar zijn buik verdraait de waarheid. Hij legt er zijn handen op, het gerommel en de krampen gaan niet weg. God kun je ook niet zien en die bestaat toch ook. Niet volgens iedereen, maar wel volgens papa die de dode lichamen naar hun graf brengt, maar hun zielen stijgen op zoals een ijsvogeltje dat dicht bij de zon wil zijn. Seppe wilde dat zijn vader gewoon bakker was en naar vers krentenbrood rook.
13
2 Met Kerstmis eten ze gevulde kalkoen en met Nieuwjaar leest hij bij het ontbijt zijn brief voor. Alles is nog altijd hetzelfde en toch wordt straks alles anders. Zoals een klapdeur, denkt hij. Een scharnier tussen twee werelden. De koop is gesloten, eind januari wordt begonnen met de verbouwingen. De eerste keer dat hij in het huis komt, is hij niet op zijn gemak. Hun stemmen klinken hol, zoals in een grafkelder in horrorfilms. Overal ziet hij de schim van de schoenmaker opduiken. Het ruikt nog naar smeerolie van de machines en naar schoenpoets. De tl-lamp knippert aan en uit. Er zijn twee slaapkamers boven, bijna even groot, en hij mag kiezen. Dan neemt hij de linker, met zicht op de tuin van de buren waar een trampoline staat. Een meisje met kikkergroene muts en wanten springt op en neer, waarbij haar vlechten hoger vliegen dan haar hoofd. Ze zijn zo oranje als oranje maar kan zijn. Ze zingt iets van K3. Nauwelijks hoorbaar, af en toe een flard.
14
Aan de achterkant wordt hun tuin begrensd door een lelijke muur in betonplaten. Papa zegt dat ze daar weldra wel een mooie, houten wand kunnen zetten, als de buurman bijdraagt in de kosten. Intussen kunnen ze klimop planten, een sierstruik.
15
Van het huis van de achterbuur is alleen de bovenverdieping te zien, met gesloten bruine luiken. Ze zien er boosaardig uit, denkt Seppe en hij huivert. Alsof iemand hem van ginder tussen de kieren bespiedt, al komt de kou meer waarschijnlijk doordat de centrale verwarming afgesloten is. Zijn moeder slaat een arm om hem heen en trekt hem wat dichter tegen zich aan. ‘Ik heb het ook koud gekregen,’ zegt ze. Papa zegt dat ze bij de schaatsbaan op de markt appelbeignets en glühwein verkopen. Zullen ze? 3 Seppes moeder praat alleen nog over het schoonheidssalon, iets anders bestaat er niet meer. Ze heeft al een naam bedacht die in goud-met-zwarte letters op de vitrine moet komen. Cinderella. Dat is Assepoes, maar dankzij de goede fee ook de beeldschone prinses met het glazen muiltje. Uiteraard is mama de fee. Zij belooft de dames onder haar magische handen een prins op een wit paard.
16
17
Maar mama’s handen zijn niet genoeg. Zoals de fee pompoenen nodig had om tot een koets om te toveren, heeft zij heel wat crèmes, lotions8, borstels en makeupwatjes nodig. Er komt geen einde aan de bestellijst. Seppes vader fronst en rekent, één keer opperde hij voorzichtig dat ze toch een beetje aan haar budget moest denken. Toen bliksemde mama hem bijna neer met een boze stiefmoederblik. Zonder die producten kon ze niet werken. Investeren, zo heette dat. Ze kon het inbrengen bij de belastingen en op geen tijd had ze het dubbel en dik terugverdiend. ‘Vertrouw me.’ Dat zei ze ook. Het klonk alsof papa een mes in haar rug gestoken had en hij zweeg en liet zijn oren hangen zoals een tekenfilmhond die naar zijn mand wordt gestuurd. Elke avond rolt ze na het avondeten ook het plan van de architect uit op tafel. Dan moeten Seppe en papa mee komen kijken en eindeloos luisteren, waar de stopcontacten moeten komen, de wastafel, waar ze de kapstok en waar de paraplubak het best kan zetten, links of rechts, en het tafeltje met tijdschriften. Ze kan zich nu al best abonneren om straks een beetje keuze te hebben. Over mama’s hoofd werpt papa Seppe af en toe een knipoog of een scheef gezicht toe, samenzweerderig, maar het maakt hem niet minder alleen.
18
4 Elke dag op weg naar en van school ziet Seppe in plaats van de schoenmaker blauwe overalls in en uit lopen: de schrijnwerker, de loodgieter, de elektricien … Hoe langer ze bezig zijn, hoe vuiler de etalageruit wordt. Hij kan er bijna niet meer doorheen kijken, maar van binnenuit waait schelklinkende radiomuziek naar buiten. Zoals op het strand bij storm de zandkorrels in je ogen slaan. Hun eigen appartement staat te huur. Vreemde mensen lopen door de kamers, gooien met hun ogen meubels en spullen buiten, zetten er een kinderwagen of een vogelkooi voor in de plaats. ‘Er valt iets van te maken,’ zeggen ze tegen elkaar, maar zo dat je het onmogelijk niét kunt horen. Nu is het maar niks, zo denken zij erover. Seppe moet de neiging bedwingen om tegen hun schenen te schoppen. Hij is er nog altijd niet uit of hij nu wel of niet wil verhuizen. In de weekends gaan ze kijken hoe de werken opgeschoten zijn. Mama poetst als een gek. ‘Wat weg is, is weg,’ zegt ze tegen papa die zijn hoofd schudt. Hij zou liever een stevige wandeling in het park maken, waar de wind de geur van de doden uit zijn haren waait. Waar er knoppen in de wilgenkatjes komen en de eerste sneeuwklokjes bloeien. De toverhazelaar. Nog even en de eerste eendenkuikens komen uit. In de lege kamers weerkaatsen hun stemmen nog altijd tegen de muren.
19
Seppe probeert te zien waar zijn bed en zijn kleerkast moeten komen. Zijn bureau aan het raam zodat hij de tuin kan zien, al is het meisje met de oranje vlechten te jong. Hij is ook niet zo dol op K3 en zij wellicht niet op zijn Skylanders. Op een dag, als hij van school komt, hangt er een papier tegen de ruit. Opening op 21 maart. ‘Het begin van de lente,’ zegt mama. ‘Een nieuw begin.’ Alsof wat ervoor was, niet deugde. ‘Ik doe een promotie,’ zegt ze ook. ‘De eerste vijfentwintig mensen die een gezichtsbehandeling bestellen, krijgen er een gratis manicure9 bij.’ Ze ziet het groots. Af en toe heeft ze nog tijd om te koken, maar meestal eten ze friet of diepvriespizza’s.
20
‘Tijdelijk,’ zegt ze vergoelijkend10, want het is niet gezond. Vet verstopt je poriën en huid moet kunnen ademen. Niemand weet dat zo goed als zij, maar nood breekt wet. 5 Stukje bij beetje verdwijnt hun leven in kartonnen dozen, die mama in massa’s uit de supermarkt aansleurt. Ze pakt alles in wat ze niet onmiddellijk meer nodig hebben, maar zo eenvoudig ligt dat niet. Seppe kan vandaag toch niet beslissen of hij overmorgen niet opeens zin krijgt om in zijn lievelingsboek te lezen? Of om Zeeslag of Cluedo te spelen? Zijn moeder fronst geërgerd haar wenkbrauwen, ze zucht net niet. ‘Zin misschien wel, maar voor gezelschapsspellen is nu geen tijd, Seppe,’ beslist ze in zijn plaats. ‘Dat zou je nu toch moeten begrijpen!’ Seppe vindt dat hij al onwaarschijnlijk veel begrijpt, maar bijt op het nippertje een stuk van zijn tong, voor mama weer verwijten naar zijn hoofd gooit. Ze loopt rond met opgezette stekels, maar zijn boek laat ze voorlopig wel ongemoeid. Op een maandagochtend zoekt hij zich te pletter naar zijn zwembril, die heeft ze beslist ook al weggestopt. Ze weet toch dat hij om de veertien dagen zwemles heeft? ‘Dan moet het maar een keertje zonder,’ zegt ze ongeduldig. ‘Je bent toch geen baby meer. Straks lacht iedereen je uit.’ Zijn ogen branden van de chloor in het water, maar die ochtend branden ze van ingehouden tranen. Papa geeft een kneepje in zijn nek. ‘Nog even geduld,’ seinen zijn ogen. Seppe wilde dat hij het kon geloven. Het is of zijn moeder, zijn echte moeder, ook in een kist verdwenen is.
21
Op vrijdag 13 maart, een ongeluksdag, nog voor hij naar school vertrekt, komt de verhuiswagen met de ladderlift. Zijn ouders en de verhuizers lopen af en aan. Seppe, die dacht dat hij nog genoeg tijd zou hebben, barricadeert met zijn rug de deur van zijn slaapkamer, zodat er niemand naar binnen kan. Hij neemt afscheid, maar waar hij afscheid van neemt, is er al niet meer. Zijn kamer is leeg als een uitgebroed ei, hij heeft hier niets meer te zoeken.
22
Die avond slaapt hij in het huis van de schoenmaker, dat probeert hij althans. Vreemde geluiden houden hem wakker, buiten ruist de regen met een verdrietige mensenstem. Iets tikt tegen het raam. Tik tik tik. Alsof het weer naar binnen wil. Seppe ligt stokstijf onder zijn donsdeken, zijn hart stuitert als een zakje knikkers tot de slaap hem ten slotte toch overmant. Als hij de volgende ochtend wakker wordt, ruikt de keuken naar warm toastbrood en roerei. Misschien krijgt papa toch gelijk, denkt hij. Hij gaat op zijn tenen staan en duwt zijn neus in mama’s hals. Ze ruikt naar vroeger.
23
Wennen 1 De volgende dagen, in het weekend, wordt koortsachtig verder uitgepakt. Toch lijkt het of er aldoor alleen maar meer dingen gaan rondslingeren, waar nog geen geschikte plek voor gevonden is. Ze liggen overal in de weg, en tussen al die spullen loopt Seppe zichzelf in de weg. ‘Ga spelen,’ zeggen ze, maar hij wil op de computer en die is nog niet aangesloten. Een tijdje ligt hij met zijn armen onder zijn hoofd gevouwen op bed naar het plafond te staren. Aan een kromme draad hangt een peerlichtje met verfspatten op. Mama heeft beloofd dat er spotjes komen, zodra er tijd is gaan ze naar Ikea. 24
Hij knijpt zijn ogen dicht tegen het licht. Ergens in huis boort papa een gat in een muur, terwijl mama met de stofzuiger het gruis opzuigt. Het geronk verstomt voor even de regen en de fluitende wind. Het meisje met de vlechten kan vandaag niet op de trampoline. Plotseling houdt het boren op en rinkelt de telefoon, na een tijdje herbegint het. Als hij voor het middageten naar beneden gaat, vertelt zijn moeder glunderend dat ze haar eerste afspraak te pakken heeft. Ze laat het zien in haar gloednieuwe agenda, maar Seppe ziet vooral een kreukvrije zee van tijd. ‘Misschien kunnen we woensdagmiddag naar de film,’ oppert hij hoopvol. ‘Ze spelen …’ Dan hapert hij, halverwege zijn zin. Drie dagen voor de opening, ze hoeft het zelfs niet te zeggen. Hij schuift zijn stoel achteruit. Die stomme pizza hoeft hij niet meer. Een paar minuten later klopt ze zachtjes op de deur van zijn kamer. ‘Mag ik binnenkomen?’ vraagt ze. Als hij niet antwoordt, komt ze toch en gaat op de rand van zijn bed zitten. Hij heeft zijn rug naar haar gedraaid, ze legt er haar hand op, maar hij blijft koppig liggen. Tegelijk is hij benauwd dat ze hem zal terugtrekken. ‘Het spijt me,’ zegt ze met een heel dun stemmetje. ‘Het salon betekent zoveel voor me. Het is een droom die uitkomt, begrijp je dat?’ Seppe schokschoudert; hij wilde dat hij die droom was, maar toch knikt hij stom. Hij hoopt dat ze niet merkt dat hij ligt te janken; de snot verstopt zijn neus.
25
Tegelijk vraagt hij zich af wat zijn droom is, en of het papa’s droom is om begrafenisondernemer te zijn. Dat lijkt hem niet. ‘We zouden vanavond kunnen gaan,’ zegt mama. ‘Naar de film, bedoel ik. Als je met je schoolwerk klaar bent, en morgen eten we spinaziestoemp.’ ‘Met worst?’ ‘Als je nu mee terug naar beneden gaat en je pizza komt eten.’ 2 Er staat een donkergroen bestelbusje vol roestplekken op de oprit van hun vroegere appartement. Het is maandag na de verhuis en na schooltijd moest Seppe ernaartoe, het was sterker dan hemzelf. Op de achterbank ligt een gitaar, en daarnaast een plastic tasje waaruit loopschoenen steken. Vanzelf kruipt zijn blik omhoog, op zoek naar beweging achter de kale ramen. Ze zijn niet afgeplakt met papier zoals de etalage van het salon, waarin nog volop gewerkt wordt. ‘Dat is voor het verrassingseffect,’ heeft papa gezegd. ‘Je moet de mensen straks een wow-gevoel geven, zodat ze binnen staan voor ze erover kunnen nadenken.’ Even vangt Seppe een glimp van een silhouet op en hij trekt zich schielijk11 terug, met het onzinnige gevoel dat hij een inbreker heeft betrapt. Dat hun nieuwe huis zoveel ruimer en mooier is en bovendien een grote tuin heeft, maakt niet het minste verschil.
26
Hij wacht of de gestalte nog terugkomt, maar dat is niet het geval. Bij de buren verschijnt wel juffrouw Thijs aan het raam. Ze zwaait naar hem en hij zwaait terug, maar als ze gebaart dat hij moet wachten, dat ze naar beneden komt, doet hij alsof hij het niet begrepen heeft. Juffrouw Thijs heeft meer tijd dan de wereld oud is, en ze is zo nieuwsgierig dat ze haar neus zelfs in een mierennest zou durven steken. Hij maakt zich snel uit de voeten. In de loop van die week gaat hij nog een paar keer terug. Soms staat het bestelbusje er, soms niet. De gitaar ligt niet meer op de achterbank. Op vrijdag ziet hij een jonge vrouw met een half verwaaide paardenstaart naar binnen stappen. Ze heeft akelig dunne benen in een even dunne spijkerbroek en een spannend zwart truitje dat een streepje van haar blote rug laat zien. Zelf staat hij te zweten in zijn dikke jas. Van de ene op de andere dag lijkt de lente begonnen. Hij rent naar huis, waar de basketbalring wel nog moet opgehangen worden, maar misschien is papa vroeg vandaag. Misschien is er niemand doodgegaan. 3 Seppe veronderstelt dat de schoenmaker weinig tijd had om in de tuin te werken. Wat een wildernis. Het gras heeft geleden onder de natte bladeren en de sneeuw en tussen het hoog opgeschoten onkruid moeten een paar schaarse krokussen vechten om te overleven. Zodra het salon in orde is, wil mama dat papa de tuin onder handen neemt.
27
Ze droomt van een groot terras met ligstoelen en potten met planten, en liefst ook nog een tafel met een barbecue. ‘Ik zou het zelf doen,’ zegt ze, ‘mijn handen jeuken om eraan te beginnen, maar ik kan me geen gebroken nagels veroorloven. Dat zou slechte reclame zijn.’ En een tuinarchitect kost pakken geld dat ze nu niet hebben. ‘Als de zaken straks goed draaien,’ zegt mama. ‘Reken maar op volgende zomer,’ zegt papa voorzichtig. Voorlopig blijft de tuin dus zoals hij is. Seppe pakt zijn bal en twee emmers uit de bergruimte achter het salon. De emmers zet hij tegen de achterste tuinmuur, niet te ver uit elkaar, anders wordt het, ook nog eens zonder doelman, poepsimpelsaai. Hij gaat penalty’s trappen, steeds van een beetje verder, en liefst met effect, zodat de bal op het laatste nippertje wegdraait. Als er een doelman stond, had hij hem vast en zeker verschalkt. De narigheid is dat de bal meestal vanzelf afwijkt, zo hobbelig ligt het gras erbij. Toch haalt Seppe nog een gemiddelde van veertien op twintig, wat helemaal niet slecht is, gezien de miserabele toestand van het veld. Na de penalty’s gaat hij kopballen oefenen, maar daarbij is het moeilijker om in te schatten of hij scoort of niet. Hij schat op twaalf, maar het zou duidelijker zijn als hij een net had. Dat geldt nog meer voor de schoten naar de bovenhoeken. Stoepkrijt om de lat te tekenen zou al helpen, maar dat zit nog ergens ingepakt. Acht op de veertien. De negende, die hij nog scherper wil geven, gaat er helaas over. Hij gaat zelfs over de muur. Beduusd kijkt hij naar de lege lucht en daarachter naar de gevel met de grimmige luiken.
28
Hij stormt naar zijn moeder, die in het salon de spiegels boent die pas vanmiddag geplaatst zijn en al van ver gilt dat hij zijn slijkschoenen moet uitdoen en bij de deur moet laten staan. En dat hij niet moet denken dat hij zomaar kan blijven binnenstormen als er straks klanten zijn. Hij wil tegensputteren, maar ze snoert hem de mond. ‘Het is toch bijna tijd om te eten,’ zegt ze. ‘Morgen gooit de buurman hem wel terug.’ ‘En wat als hij niet in de tuin komt? Misschien woont er wel niemand, het ziet eruit als een spookhuis.’ ‘Er woont iemand, gisteren hoorde ik stemmen. Als ze de bal niet teruggooien, ga je maar aanbellen, beleefd, en je belooft om in het vervolg beter uit te kijken. Ik wil geen toestanden.’ Achter haar rug steekt papa één vinger naar hem op. Nog één nachtje slapen en het salon gaat open. Nog heel even geduld …
29
De vuistman 1 ‘Nog maar een kwartier!’ panikeert mama. Ze heeft nog duizend dingen te doen, zoals voor de zoveelste keer de spiegels of de glazen voor de cava opblinken.
Of de takken amaryllis herschikken in de hoge, melkwitte vaas op de toonbank, al ziet Seppe geen verschil met eerst. Of haar kapsel in orde brengen dat losjes, zogezegd toevallig is opgestoken, maar dat is maar schijn. Ze heeft erop gestudeerd. Seppe betrapt haar in de badkamer, op het randje van in tranen uitbarsten. En papa moet haar met verliefde ogen komen troosten dat ze nog altijd de allermooiste is van het land. Hij kust haar en ze moppert dat ze nu ook nog haar lipgloss moet bijwerken. En is hij niet te roze, neemt ze niet beter iets bruinigs? Papa stelt haar gerust. Hij glimlacht met het geduld van een kerstengel. Seppe maakt zich uit de voeten, maar ook uit de keuken wordt hij zonder pardon weggestuurd. Daar zijn oma en tante Janneke in de weer met komkommer met tonijnhapjes en prikkertjes met zongedroogde tomaat en ansjovis. Zoiets, weet hij veel. 30
Op de tafel staan nog schalen. Hij pikt in de vlucht twee toastjes mee en neemt de benen naar zijn kamer. ‘Niet kruimelen!’ roepen ze hem achterna. Hij antwoordt met zijn mond vol. Peer met iets zurigs en een reepje gerookte zalm. Lekker. Hij kijkt door het raam in de tuin, maar voor zover hij het kan zien, is de bal nog niet teruggegooid. Hij zou natuurlijk tussen de struiken kunnen liggen. Hij zou liefst gaan kijken, maar dat staat gelijk aan zijn leven riskeren. Plots gaan op de verdieping bij de achterbuur de luiken open. Een gezicht verschijnt achter het venster, het is moeilijk te onderscheiden maar Seppe denkt dat het een man is, en niet meer van de jongste. Hij heeft het gevoel dat de man naar hem kijkt, alsof hij straks aan de politie een persoonsbeschrijving moet kunnen geven. Dan steekt de man een vuist op die niets aan de verbeelding overlaat.
31
Het ziet er slecht uit voor zijn bal. In Seppes buik rent de angst als muizen door zijn darmen. Hij slikt en knijpt zijn ogen dicht. Als hij ze weer opent, is de vuistman verdwenen en is beneden het salon opengegaan. Gelach en geroezemoes vullen de traphal, zoals een onstuimige zee, en hij staat op de andere oever, zonder boot. Tot sluitingstijd is hij alleen op de wereld en daarna moet er opgeruimd en afgewassen worden, nagekaart, en nog later voelt mama haar voeten niet meer en gaat ze met gesloten ogen op de bank liggen, met haar hoofd in papa’s schoot en haar haren losgemaakt. Ze hangen langs zijn knie, soms windt hij ze dromerig rond zijn vinger. Op tv begint het wereldnieuws. 2 De opening was een succes. Er is nauwelijks genoeg ruimte om alle bloemen en planten een plaatsje te geven en drieëndertig mensen hebben een afspraak geboekt, waaronder mevrouw Ceuninckx, de vrouw van papa’s baas, de begrafenisondernemer. Mama is in de wolken en papa loopt op zijn tenen van trots, maar als ze op zondag na het ontbijt alweer in het salon wil verdwijnen, steekt hij daar vastbesloten een stokje voor. ‘We gaan met ons drietjes naar de film,’ beslist hij, ‘en daarna trakteer ik op Italiaans. Dat hebben we allemaal verdiend. Ik duld geen tegenspraak.’
32
Hij knipoogt naar Seppe en mama, die haar mond eerst open en vervolgens weer heeft dichtgeklapt, gaat zich optutten. Terwijl Seppe zijn vader helpt bij het afruimen van de tafel en ze samen de vaat doen, kan hij eindelijk over de vuistman beginnen. Papa luistert en trekt zijn voorhoofd in bedenkelijke rimpels. ‘En hij maakte echt een vuist naar je? Kom maatje, trek je schoenen aan, we gaan hem terughalen, nu meteen. We zullen die vuistman eens een lesje leren!’ Papa klinkt zoals vaders klinken die alles kunnen, maar daar maakt de buurman met één scherpe messtoot een einde aan. De lucht ploft uit de bal die in elkaar zakt. ‘Daar heb je hem,’ snauwt de vuistman. ‘Dat doe ik met ballen in mijn tuin en dat is maar het begin, knoop dat maar in je oren. Je bent gewaarschuwd.’
33
‘Wat bedoelt u daarmee?’ vraagt papa met argwanend dichtgeknepen ogen. ‘Als dat een bedreiging is, gaan we naar de politie.’ ‘Probeer maar,’ zegt de vuistman spottend en zonder nog één woord aan hen te verspillen, slaat hij de deur voor hun neus dicht. Seppe kijkt naar zijn vader die er even bedremmeld12 bijstaat als hijzelf, ondanks de hand op zijn schouder. Het is dezelfde hand van altijd, maar ze neemt zijn angst niet langer weg. Papa kijkt alsof hij zich schaamt. ‘Morgen kopen we een nieuwe bal,’ belooft hij, en hij steekt zijn hand op voor een high five. ‘High five,’ echoot Seppe dof. Er borrelt een verdriet in hem op alsof hij vanaf nu de wereld op zijn schouders draagt. 3 De vuistman is oud, stokoud. Hij heeft het gezicht van een uitgegraven boomwortel, met evenveel diepe groeven, en sporen van donkere aarde onder zijn huid. ‘Verbitterd,’ zegt papa tegen mama, wanneer ze haar thuis oppikken om naar de stad te rijden. ‘Waarschijnlijk ook heel eenzaam.’ Dat is dan zijn verdiende loon, denkt Seppe. Bij zo iemand wil toch niemand op bezoek? Dat is ook precies hoe zijn moeder erover denkt, maar toch kan hij er maar beter voor zorgen dat er in de toekomst geen ballen meer over de muur gaan. ‘Ik wil geen …’ ‘Toestanden,’ maakt Seppe de zin voor haar af.
34
Het salon 1 Het gebeurt nog geregeld dat de gedachte aan de schoenmaker Seppe overvalt. Meestal als hij in bed ligt en er is dat getik tegen zijn raam. Hij weet nu dat het de uitlopers van een klimplant zijn die tegen de gevel groeit; ze bewegen op de wind en roepen hem; zo lijkt het toch. Of als hij in gedroom verzonken van school komt en schrikt van de etalage van het schoonheidssalon, waar hij de grijze stofjas verwachtte, de opgestoken hand. Wat zou er met zijn spullen gebeurd zijn? Er waren geen kinderen of kleinkinderen die graag een aandenken wilden bewaren. Fotoalbums, een souvenir van op vakantie, misschien verzamelde hij iets, klokken, oude schrijfmachines, elektrische treintjes … Iets om uit elkaar te halen en weer ineen te steken. Alles voorgoed weg. Doder kun je niet zijn, denkt Seppe. Als er vrienden waren geweest, had hij die wel op de begrafenis gezien. Maar er kwam geen man, hij is de enige, en daarom moet hij aan de schoenmaker blijven denken. De vrouwen die voor een behandeling naar het salon komen moet hij niet, met hun hoge hakken die venijnig klikklakken op de blinkende stenen vloer, de scherpe inktlijn van hun geëpileerde13 wenkbrauwen en hun heksennagels. Omdat ze geen aparte ingang hebben, moet hij door het salon naar binnen. Het is een marteling.
35
Hij loopt naar binnen onder hun keurende blikken, de opmerkingen in zijn rug – dat hij groot wordt – alsof zij daar iets vanaf weten. En zijn moeder die door zijn haar woelt, hij haat het, en over zijn schouder kijkt of hij geen vuile voetsporen maakt. ‘Ga je huiswerk maar maken,’ zegt ze. ‘En straks overhoor ik je. Heb je toetsen morgen?’ Dat hoeft de wereld toch niet te weten? Mama noemt het public relations. De klant krijgt het gevoel dat hij deel van de familie is, hij – zij eigenlijk – zal terugkomen om meer te weten te komen. Maar hij is geen soap op tv, laat dat duidelijk zijn! Hij stampt naar boven, drinkt cola recht uit de fles en schranst te veel chocoladekoeken naar binnen. 2 De zaken draaien goed, mama heeft steeds minder tijd, dus worden het toch maar weer pizza’s of een gebraden kip van de markt met perziken uit blik, rijst en currysaus. Soms kookt papa, met het kookboek ernaast – hij maakt vorderingen – maar als mama in het laatste weekend van mei weer zegt dat ze aan haar boekhouding moet werken of poetsen, krijgen ze hoogoplopende ruzie. ‘Seppe en ik bestaan niet meer,’ schreeuwt papa boos. ‘Dat stomme salon van je verpest alles.’ Seppes moeder schreeuwt terug dat zij toch ook niet op zijn werk afgeeft, of zet elke zaterdag minstens één uitvaartdienst misschien ook geen domper op hun gezinsleven? ‘Al jaren!’ gooit ze erachteraan.
36
Maar het wordt uitgepraat en goedgemaakt, er komt een poetsvrouw die ook de strijk doet en zaterdag om twaalf uur gaat het salon dicht tot maandagmiddag twee uur. Ze rijden naar zee, zijn ouders lopen hand in hand langs de vloedlijn, papa voetbalt met Seppe met een nieuwe bal die ze op de dijk gekocht hebben, mama leest een romannetje en let op de spullen en ’s avonds eten ze gebakken pladijs en ijs met slagroom en aardbeien. Ze gaan niet scheiden, even was Seppe daar als de dood voor geweest14. Op woensdagmiddag gaat hij bij vrienden, maar bij goed weer komen ze liever naar hem om in de tuin te basketten of te voetballen. De ring is opgehangen en papa heeft ook een doel gekocht, dat tegen de muur van de vuistman staat. Hij heeft ook het gras gemaaid maar niettemin ligt het er nog altijd even hobbelig bij. Met de nieuwe lederen voetbal, die hij aan zee gekregen heeft, mag hij niet in de tuin spelen. Daar heeft hij een goedkope voor, van plastic, maar die weegt nauwelijks meer dan een hoopje veren van een vogel. Hij vliegt zo over de muur en de volgende dag ligt hij terug in hun eigen tuin, kapot gestoken met een mes. Gaan aanbellen bij de vuistman doen ze niet meer. Seppes moeder zegt dat ze geen nieuwe ballen kunnen blijven kopen, en dat hij voorzichtiger moet leren zijn. Ze begrijpt dan ook niets van voetbal, of van vrienden en het felst van de strijd.
37
Dat je als verdediger soms een bal wel loeihard van voor het doel moet wegtrappen zodat die over de lijn of over de muur gaat, al geef je de anderen dan een hoekschop cadeau. Zolang het grootste gevaar maar geweken is. ‘Het is toch maar spel,’ moppert ze, en dat is het bewijs. Ze begrijpt er echt geen mierenkeutel van. Bij het begin van de zomervakantie is het weer zo ver. ‘s Middags zijn Jonas, Kenneth en Mohammed komen spelen. Ze hadden penalty’s getrapt en Seppe had absoluut moeten scoren of hij lag uit competitie. Hij had de bal hoog in het net willen mikken, maar Kenneth had hem weggemept met zijn vuist en daardoor was de bal over de muur gegaan. Het ergste is dat het niet de plastieken maar de lederen bal was, en dat durft Seppe niet op te biechten. Hij staat in de tuin en denkt na. Het duurt nog even voor mama klaar is en papa thuiskomt van zijn werk. Op de verdieping bij de vuistman zijn de luiken dicht. De kust lijkt vrij. Seppe pakt de ladder uit het schuurtje en klimt erop. Hij ziet zijn bal liggen, midden in een bloembed, dat is niet het probleem … Hij heeft ook een touw nodig om straks terug te kunnen … Bij de verhuis hebben ze dik, stevig touw gebruikt. Hij vindt het zonder veel moeite en maakt het met zeven grote knopen vast aan de regenpijp. Hij klimt opnieuw op de ladder en vandaar op de muur. Daarna zwiert hij het touw over de muur en springt.
38
Marcel 1 Met een plof landt Seppe op de zachte grond. Hij heeft geprobeerd tussen twee struiken in te springen en het bloembed te ontwijken, wat grotendeels is gelukt, op het randje van een bodemplant met paarse kelkjes na. Een merel vliegt op, de stilte dwarrelt neer als stof dat kriebelt in zijn keel. Vergeleken met hun tuin is die van de vuistman een plaatje. Er is zelfs een vijver met een watervalletje en een plastic reiger aan de kant.
39
Juist onder het oppervlak zwemmen dikke vissen, zilverig, met gouden en zwarte vlekken. Het zijn kois, een soort sierkarpers. Hij heeft er onlangs over gelezen in een boek over een samoerai; het was een boeiend verhaal en ook een beetje om te huilen, onder zijn donsdeken zodat niemand het hoorde. Hij denkt dat de reiger de vissen moet beschermen, tegen echte reigers die zouden kunnen overvliegen en er hun buik mee willen volproppen. Op zijn tenen trippelt hij tussen de planten door om bij zijn bal te kunnen, hij doet zo voorzichtig als hij maar kan. Maar ook snel. De achterdeur gaat open. Daar staat de vuistman met een mestvork in zijn handen, zoals je een geweerloop op iemand richt. ‘Naar binnen!’ gromt hij. Seppe gehoorzaamt met knikkende knieën en de lederen voetbal als een schild voor zijn buik. 2 Zo keurig als de tuin is, zo’n rommeltje is het binnen. De vuistman duwt Seppe voor zich uit doorheen de garage, die het hele gelijkvloers inneemt. Ze moeten op hun kant lopen tussen torenhoge stapels spullen, kartonnen dozen, kasten, zelfs voorbij een geroeste kinderwagen. Overal hangen spinnenwebben. Het zou onmogelijk zijn om te ontsnappen, al heeft de vuistman de mestvork bij de tuindeur achtergelaten. Ook op de stoffige trap naar de eerste verdieping liggen spullen, goed om op uit te glijden en je nek te breken.
40
In de woonkamer is het nog erger: stapels oude kranten, post, minstens zes koffiekopjes, lege koekverpakkingen, zakjes zaaigoed, een hoop doppen van pistachenoten zomaar op tafel tussen de andere rommel, een plantenspuit, medicijnen … Als ze binnenkomen, smeert een rosgestreepte kat zich als de bliksem. Seppe houdt de voetbal nog steeds tegen zich aangeklemd. ‘Zitten!’ beveelt de vuistman. Hij wijst naar de driezit en Seppe kiest de hoek het dichtst bij de deur. Hij blijft ook op de rand zitten, met zijn voeten op de grond, de bal onder zijn handen op zijn schoot. Ze zweten, zijn handen. En zijn hart beukt zo hard tegen zijn ribben dat ze straks als wrakhout uiteen zullen spatten.
41
Wat is de vuistman met hem van plan? Hij is in de keuken verdwenen, waar hij in de besteklade rommelt. Zo klinkt het, alsof hij het scherpste mes zoekt dat hij heeft, en deze keer niet voor de bal maar voor hem. Ik moet wegrennen, denkt Seppe, maar zijn benen lijken verlamd. De vuistman komt terug met twee hoge glazen met een rozig drankje en een lepel in. ‘Grenadine,’ gromt hij. ‘Je moet misschien nog wat roeren.’ Dat zal wel, grenadine. Wedden dat het vergif is? Alleen het trampolinemeisje weet dat hij hier is en zij heeft een slotje op haar mond gedraaid. Nu kan alleen het touw rond de regenpijp nog een aanwijzing zijn. Zijn keel is dik van de angst, maar hij durft niet te drinken, zelfs niet als de vuistman een grote smakkende slok uit zijn eigen glas neemt. Dat is natuurlijk de truc, om hem te misleiden. Hij veegt zijn handen af aan zijn broek en probeert ongemerkt rond te kijken of er iets is waarmee hij zich zou kunnen verdedigen. Die koperen soldeerbout op de kast misschien? Dan ziet hij het doodsprentje ernaast, met de foto van de schoenmaker. Hij is het. Hij krijgt een schok alsof hij door de bliksem wordt getroffen. ‘Heb je een probleem met je oren?’ klinkt de stem van de vuistman van ver. Angstig schudt Seppe zijn hoofd. ‘En je hebt ook niet die ADH-dinges, of hoe heet dat, kinderen die niet stil kunnen zitten?’ Seppe schudt andermaal van nee, waarop de vuistman vreemde gromgeluiden maakt in zijn keel.
42
‘Dan heb je dus geen excuus,’ besluit hij ongenadig. ‘Het gaat per ongeluk,’ mompelt Seppe. Hij staart naar de punten van zijn schoenen, en naar de hoopjes zand die van tussen de ribbels op het tapijt gevallen zijn. Er liggen ook kruimels en twee kersenpitten. ‘Ik doe het niet met opzet, als u dat soms denkt.’ ‘Wat ik denk, gaat jou niets aan,’ snauwt de vuistman. ‘Jij zou beter een keertje nadenken.’ Hij tikt met zijn wijsvinger hard tegen zijn slaap. ‘Het spijt me,’ murmelt Seppe nog stiller. Als hij voetbalt, denkt hij aan dribbelen en een geweldige pas geven, aan de juiste hoek uitkiezen en hoe hij een tackle moet ontwijken ... Hij begrijpt maar half wat de vuistman bedoelt. Voor de muur is geen plaats in zijn hoofd. Hij kijkt naar het prentje van de schoenmaker om hulp bij hem te zoeken. De vuistman onderschept zijn blik. ‘Jean was een opperbeste buurman,’ zegt hij. ‘Veel te jong gestorven.’ ‘Drieënzestig,’ antwoordt Seppe. ‘Je weet dat? Ik ben vijfentachtig. Hoe heet je?’ ‘Seppe.’ ‘Marcel. Niet nadenken is egoïstisch. Lust je geen grenadine?’ ‘Jawel, maar …’ ‘Geef maar aan mij. In de koelkast staat misschien nog een flesje cola. Ga maar, mijn benen doen pijn.’
43
3 ‘Mijn broers dachten ook niet na,’ gaat de vuistman verder zodra Seppe met de cola is teruggekeerd. ‘Jules en Henri, en onze Toone. Alleen ik, ik was de enige.’ Hij staart voor zich uit, met zijn ogen als uitgelopen eieren, en glimlacht trillerig – omdat hij anders gaat huilen, denkt Seppe. Het is zo stil en er kriebelt stof in zijn keel. Eén kuchje maar en er zou iets kunnen breken – iets, een flinterdun glazen spinrag15 tussen hem en de vuistman. Marcel. Die hem vergeten lijkt en met de rug van zijn hand langs zijn ogen wrijft. In de keuken slaat met veel lawaai de koelkast aan. ‘Je bent hier nog,’ zegt Marcel; het klinkt verwonderd. ‘Waarover dachten ze niet na?’ wil Seppe weten. Zij. En ik. Maar dat laatste vraagt hij niet, hij wil niet dat Marcel weer in de vuistman verandert. ‘Het is lang geleden,’ zegt Marcel. ‘En het is een lang verhaal.’ Seppe knikt en legt de voetbal naast zich op de bank en zijn handen in zijn schoot. ‘Heb je weleens van de Grote Oorlog gehoord?’ ‘Een klein beetje.’ ‘En van de IJzer? Dat is een rivier niet ver van de zee, in de Westhoek waar het land zo plat is als een koeienvijg. De soldaten leefden er in loopgraven, om buiten schot van de Duitsers te blijven.
44
Het was er koud en vochtig, de nattigheid kroop in hen omhoog, van aan hun voeten tot in hun haar. Ze ging nooit meer weg, voor altijd zat ze in hun gewrichten, hun longen, hun hart …’ Hij zwijgt somber, en Seppe voelt de nattigheid in de kamer, de geur van aarde, slijk, mist, donkere bunkers waar hij aan zee weleens in gekropen is. De soldaten waren vast bang. Hij kan het niet helpen dat hij huivert. ‘Mijn vader was tweeëndertig toen hij terugkwam. De oorlog was voorbij. Nu kunnen we weer beginnen te leven, dacht mijn moeder. En ik zou eindelijk de papa krijgen die ik nog nooit in levenden lijve gezien had. Die mij nog nooit gezien had. Maar hij was ziek, versleten. Hij raakte het gebulder van de kanonnen niet kwijt in zijn hoofd. Werken kon hij niet meer, binnen in huis hield hij het niet uit. Altijd weer de tuin in, in de aarde graven … Ik denk dat hij er met de kameraden praatte die gesneuveld waren. Hij sprak er nooit over, zelfs niet met mij. En altijd maar bloemen planten, alsof de tuin één groot kerkhof met Allerzielen was. Mijn broers begrepen dat niet. Ze voetbalden, vertrapten alles, en mijn moeder liet hen begaan. ‘Het zijn kinderen, Louis,’ zei ze tegen mijn vader. Zij begreep het ook niet en hij kromp in zijn kleren en later kromp hij in zijn stoel bij het raam. Hij zei er niets meer over, maar hij keek. En toen kregen mijn broers kinderen, acht in totaal, en die begrepen het ook niet en ook zij mochten begaan.
45
En mijn vader was nog een schaduw in zijn stoel bij het raam, vanwaar hij zag hoe zijn tuin elke zondag wat meer stierf. Naar buiten kon hij niet meer, het water zat in zijn benen, het kroop stilaan naar zijn longen en zijn hart, en zijn vingers stonden krom.’ Marcel zucht en streelt de kat die ongemerkt weer tevoorschijn is gekomen en op zijn schoot is gesprongen. Seppe schuift ongemakkelijk heen en weer. ‘Het spijt me heel erg van uw vader,’ wringt hij eindelijk uit zijn keel. ‘En ik zal beter opletten in het vervolg.’ ‘Dat zal niet meer nodig zijn,’ zegt Marcel en hij schudt zijn hoofd. ‘Ze willen me wegsteken in zo’n home.’ 4 Hij heeft geen kinderen, Marcel, hij is ook nooit getrouwd geweest. ‘Ik heb de ware nooit gevonden,’ zegt hij. ‘Jawel, één keer, maar het was niet wederzijds. Ze vond me een moeilijk man. Waarschijnlijk had ze gelijk.’ Het zijn de kinderen van zijn broers die hem weg willen. Ze zeggen dat hij niet meer voor zichzelf kan zorgen, het huis is een varkensstal. ‘Maar dat komt omdat ik geen tijd heb,’ zegt Marcel. ‘Het gaat allemaal niet meer zo vlotjes in de tuin. En vroeger had ik Jean, die af en toe kwam helpen.’ ‘De schoenmaker? Hij was uw vriend? Ik heb u niet op zijn begrafenis gezien.’ Marcel trekt zijn ruige, langharige wenkbrauwen op. ‘Was jij daar dan?’
46
En dan ruilt hij zijn verhaal voor dat van Marcel, zoals vrienden dat met voetbalstickers doen, maar dan nog mooier. Seppe durft niet te vragen waarom Marcel er niet was, maar hij vertelt het zelf. ‘Ik ben niet zo’n kerkganger,’ zegt hij. ‘Ik praatte met hem in de tuin. Ik beloofde hem dat ik in de lente een magnolia voor hem zou planten, dat was zijn lievelingsboom. Maar dat zal er nu wel niet meer van komen …’ ‘Ik kan komen helpen,’ belooft Seppe. ‘En misschien kan u thuishulp krijgen en warme maaltijden aan de deur …’ ‘Misschien,’ beaamt Marcel. ‘En anders moet je die magnolia maar bij jullie planten, en mij af en toe een bezoekje brengen.’ De kat springt van Marcels op Seppes schoot. ‘Hij heet Poppy,’ zegt Marcel. ‘Dat is Engels voor klaproos. Het was de enige bloem die op het slagveld overleefde.’ ‘En staan er dan ook in je tuin?’ ‘Wat dacht je?’ Marcel hijst zich vanop de bank omhoog, hij loopt een beetje stram omdat hij zo lang gezeten heeft en houdt zich vast aan de tafel en de stoelen. En dan gaan ze naar beneden, kijken naar de poppy’s. En als Marcel het touw ziet, zegt hij dat Seppe dat maar moet laten hangen, voor het geval dat, als de bel het niet zou doen. ‘Ik zal erom denken,’ belooft Seppe opnieuw. De vuistman steekt zijn hand naar hem uit, die oud en benig is, maar ook ongelooflijk zacht.
47
Woorduitleg 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
48
dement zijn = wanneer je geheugen niet meer zo goed werkt omdat je al oud bent home = rusthuis plataan = soort loofboom sudoku = cijferpuzzel portaal = deel van een groot gebouw, vlak na de ingang doksaal = koorplaats voor kerkzangers knerpen = een hoog en krakend geluid maken lotion = geurige vloeistof om je huid of je haar mee te verzorgen manicure = verzorging van handen en nagels iets vergoelijkend zeggen = iets goedpraten schielijk = snel of plotseling bedremmeld = verward en verlegen tegelijkertijd epileren = ontharen als de dood zijn voor iets = heel bang zijn voor iets spinrag = draden van spinnenwebben
Het leven van Seppe staat plots op zijn kop wanneer de schoenmaker sterft. Hij verhuist en krijgt ruzie met zijn nieuwe buurman, die hij de vuistman noemt. Maar is de vuistman echt wel zo gemeen?
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 6. ISBN 978 90 486 2537 6 Bestelnummer 60 1021 597 KB D/2016/0147/106 NUR 191 Illustraties: Amber Lybeert Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 625376
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.