Skip to main content

Verrekijkerbieb - 6e leerjaar - N3 - De bokkenrijders

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

De bokkenrijders Kristien Dieltiens

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 6

7


De bokkenrijders

1


Het leven was niet eerlijk! Zonet was ze de grote herenhoeve van boer Masereel gepasseerd. De gierigaard! Geertrui trok een lelijk gezicht en had spijt dat ze zo-even haar tong niet naar hem had uitgestoken. Ze had haar mooiste glimlach getoond en met de liefste stem gevraagd of hij niet een zelf gevlochten mand van haar wilde kopen. Hij staarde haar aan en ze kon net over zijn schouders zien hoe iedereen aan de tafel zat te eten. De gloeilamp brandde en ze zag de berg dampende aardappelen op een schotel, het gesneden roggebrood op de plank en de geur van gebakken panharing had haar doen likkebaarden. ‘Ze kosten maar twee stuivers en ze zijn ijzersterk! Ik heb de mand met de beste rietstengels gevlochten.’ Ze keek hem smekend aan, maar boer Masereel was niet gezwicht. ‘Vanwaar heb je het riet vandaan?’ vroeg hij nors. Geertrui moest even denken. ‘Ik heb ze bij het moeras gesneden,’ sprak ze hoopvol. Dat had ze beter niet gezegd. ‘Daar groeit alleen duivelsriet,’ sprak de boer nors. ‘Maak voort! Ik heb je manden niet nodig!’ Op de achtergrond riep de boerin: ‘Alfons, doe de deur dicht! De kinderen krijgen het koud.’ ‘Maar hebt u dan misschien nog een …’ Ze wilde nog zeggen, ‘een stukje brood?’ Maar de deur werd voor haar neus dichtgeslagen.

2


Nu moest ze terug naar huis, met de niet-verkochte manden. Haar vader zou haar er weer flink van langs geven. Geertrui stampte tegen een denappel op de weg. Naast haar liep Laurein, haar tweelingbroer en haar beste vriend. Hij zag er ook niet bepaald gelukkig uit. Hun ouders waren boeren, hun akkers grensden tegen het bos aan en ze hadden het moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen. De vlasoogst was mislukt en er was een ziekte uitgebroken onder de runderen. Geen enkele koe was eraan ontsnapt. Twee keer per dag acht monden voeden was een hele klus, zeiden hun ouders. Soms was het maar één keer per dag en dan ging Geertrui met knagende honger slapen. Geertrui tilde haar rok een beetje op zodat hij niet vuil zou worden. Het was haar enige rok en hij was een beetje te lang omdat hij van Florie, haar oudere zus was geweest. Als je al van een rok kunt spreken. Het ding dat ze aanhad, leek meer op een vod. Of een lappendeken. Ze schaamde zich dat ze zo naar buiten moest. ‘Stel je niet aan,’ had moeder gezegd. ‘Er is geen geld voor nieuwe kleren. En daarmee was de kous af. Van kousen gesproken … haar voeten waren ijskoud en het stro in haar houten blokken maakte het niet beter. Ze rilde maar toch liep ze voort. Hopelijk was er brood bij de avondpap.

3


Ze had vandaag alleen maar een appel gegeten. En dan was het nog zo’n wormstekig ding geweest. Maar ze had alles opgegeten, zelfs het klokhuis. Haar buik stopte niet met grollen. Wat verlangde ze naar een bord met aardappelen en panharing met een stuk roggebrood erbij. Wat verlangde ze ook om dit bos te kunnen verlaten. Het was de enige weg naar huis. Overal klonken akelige geluiden. De zon ging bijna onder. Het oranje licht spikkelde tussen de takken van de bomen. Het was een vreemd zicht. De boomtakken kruisten elkaar en even dacht ze een vreemd heerschap te zien in de kruin van de boom. Ach, het was gewoon haar verbeelding. Geertrui huiverde. Er waren de laatste maanden vreemde dingen gebeurd in hun dorp en in de verder gelegen dorpen.

4


Mensen spraken over het werk van de duivel. En over ruiters die werkten voor de hellegod. Ze reden op reusachtige bokken en ze konden door de lucht vliegen zoals heksen op een bezemsteel. De weg was smal en zanderig. Op haar rug droeg ze, net als Laurein, de overblijvende rietmanden. Ze had er vandaag drie verkocht in Wellen, het dorp wat verderop. In haar schortzak rinkelden zes stuivers. Laurein had tien stuivers verdiend. ‘We zijn er bijna,’ fluisterde Laurein. In de verte riep een uil. Een paar patrijzen stoven geschrokken uit het struikgewas. ‘Had ik maar een geweer,’ fluisterde Laurein. ‘Dan kon ik patrijzen schieten en dan hadden we vanavond vlees in de pot.’ ‘Je hebt geen geweer,’ mompelde Geertrui die net de honger in haar buik trachtte te vergeten. ‘Ik heb een hekel aan dit bos,’ bromde Laurein. ‘Kijk, daar staat de Onze-Lieve-Hereboom.’ Hij wees in de verte naar een hoge, kale boom met een enorme kruin. ‘Men zegt dat de bokkenrijders hier ’s nachts vergaderen. Hun leider is een vreemd heerschap. Hij is altijd gemaskerd en gekleed in het zwart. Niemand kent zijn ware naam en hij wordt door iedereen de Zwarte Man genoemd. Als ik de verhalen hoor ... ik zou hem niet graag tegenkomen. Hij moet een wrede kerel zijn. Er wordt gezegd dat hij op een bok door de lucht vliegt. Dat zijn ogen gloeiende kolen zijn en dat hij onder zijn donkere jas zijn vleugels opgevouwen draagt, net als vleermuizen doen.’ 5


Geertrui zweeg. Ze had echt geen zin in de verhalen over het stel rovers dat sinds enkele maanden de boerderijen plunderden en daarna in brand staken. En van de Zwarte Man wilde ze nog minder weten. Hij joeg haar angst aan. Maar misschien hielp praten haar de honger vergeten. ‘Zouden ze ook naar onze huizen komen?’ vroeg ze fluisterend. Laurein schudde zijn hoofd. ‘Ik denk het niet. Bij ons valt er niet veel te rapen.’ ‘Juist, onze ouders zijn arm,’ prevelde Geertrui. ‘Berooid zal je bedoelen,’ zei Laurein. ‘Kwam er maar een einde aan onze ellende! Nee, de bokkenrijders zullen ons nooit lastigvallen. Je kunt op je twee oren slapen.’ Hij gaf haar een klopje op de schouder en zette er weer stevig de pas in. Maar ze was er toch niet gerust in. Stel dat de dieven toch zouden komen, niets zouden vinden en dan uit woede het strooien dak van hun boerderij in brand zouden steken? Dan zouden ze zelfs geen dak meer boven het hoofd hebben. Dan zouden ze met zijn allen naar het armenhuis moeten.

6


Haar verbeelding sloeg weer op hol en in de nevels van het bos zag ze de zwartgemaskerde mannen op hun bokken door de lucht klieven. Opeens was de zon weg. Het donker viel als een lappendeken over het bos. Laurein nam de hand van Geertrui. ‘Kijk, we zijn al aan de splitsing van de weg. Nog even, en we zijn thuis.’ De takken kraakten onder hun klompen.

7


Geertrui keek goed uit waar ze liep en probeerde in het donker niet te struikelen over de boomwortels die boven de grond groeiden. Voor haar uit zag ze de kleine schaduw van haarzelf en van Laurein. Opeens verdween haar schaduw en geschrokken keek Geertrui op. Midden op de weg stonden vier grote jonge mannen, nog maar net de kinderbroek ontgroeid. Ze stonden wijdbeens en met de armen gekruist. De grootste droeg een brandende fakkel. De kleinste had een mes in zijn handen en speelde ermee. ‘Mogen we door?’ vroeg Laurein met trillende stem. ‘Wie zijn jullie?’ vroeg de jongen met de fakkel. ‘Ik ben Laurein, zoon van Emiel Claessoons en dit is mijn tweelingzusje Geertrui.’ ‘Aha, de kinderen van de bokkenrijders! Jullie mogen niet door, tenzij jullie tol betalen. Jullie vader heeft onze boerderijen geplunderd en in brand gestoken.’ ‘Onze ouders hebben niets misdaan! Laat ons door!’ gilde Geertrui angstig. De vier jongens gingen rond hen staan en de jongen met de fakkel hield het vuur gevaarlijk dicht bij hun gezichten. Zijn stem klonk dreigend. ‘Jullie boerderij is de enige die nog niet in de vlammen is opgegaan. Dat is het bewijs dat jullie bij de bokkenrijders horen. Jullie ouders hebben een pact met de duivel gesloten!’ ‘Dat is niet waar!’ riep Laurein. ‘Onze ouders zijn arm. Daarom zijn de bokkenrijders niet bij ons geweest.’

8


De jongen met het mes kwam dichterbij. Het maanlicht deed het lemmet flikkeren. ‘We zullen eens zien hoe arm jullie zijn!’ Hij gaf een teken aan de anderen die met grimmige gezichten naar de kinderen keken. In één tel werden Laurein en Geertrui tegen de grond gesmeten. Ze probeerden zich te verweren, maar tegen vier grote jongens konden ze niets beginnen. Ze trokken en duwden en het scheuren van stof was te horen. Het duurde niet lang of de jongen met het mes vond alle stuivers. Ze joelden om de buit zoals kleine kinderen die een stuk suikergoed hadden gevonden. ‘Dag bokkenrijders! Groeten aan de duivel!’ riep de jongen met de fakkel. Op zijn teken sprongen de drie andere jongens op de overblijvende manden. Ze trapten en stampten tot alle manden stuk waren. Daarna verdwenen ze in het bos. ‘Zo gemeen!’ snikte Geertrui. Het water stond in haar ogen. Laurein knikte en balde zijn vuisten. Ze wisten dat het hiermee niet afgelopen zou zijn. De overgebleven rieten manden waren reddeloos verloren, hun kleren waren gescheurd en de stuivers waren ze kwijt. ‘Vanavond geen brood bij de pap,’ zuchtte Geertrui. Laurein nam haar stevig bij de hand en met het geluid van de nachtuil boven hun hoofden, liepen ze verder door het donkere bos.

9


Ze spraken geen woord meer. Er viel ook niets meer te zeggen. Ze moesten het laatste stuk bos door. Daar begon het gebied van het moeras. Waar het duivelsriet groeide volgens boer Masereel. Het was onzin. Het riet was van uitstekende kwaliteit. Omdat het er altijd vochtig was door de vele sluiers mist die er hingen, was het riet buigzaam wat zeer handig is als je manden moet vlechten. Vele mensen hadden schrik van het moeras. Kwatongen beweerden dat het er niet pluis was. Ooit was de zoon van de smid in het moeras gesukkeld en niemand had hem eruit kunnen trekken. Men vertelde dat de duivel zelf in het moeras woonde en je naar beneden trok. Anderen zeiden dan weer dat er in de mist boosaardige elfen woonden die zich in je haar nestelden als je er voorbijkwam en je hoofd zot maakten zodat je domme dingen deed. Zoals pootjebaden in het moeras. Dat je uit de buurt van het moeras moest blijven, wist het kleinste kind. Moeras zuigt je naar beneden. Je komt er niet levend uit. Ze kwamen aan bij het donkere ven. De mist hing laag. ‘Loop achter me aan,’ zei Laurein. ‘Ik ken hier de weg als mijn broekzak.’ Geertrui volgde hem. Opeens stopte Laurein. Hij keek angstig voor zich uit. Voor hen doemde een grote schaduw op uit het niets. ‘Stil zijn, Geertrui. Er is daar iets,’ fluisterde hij. Geertrui keek naar de donkere gestalte in de mist.

10


Stond er een eeuwenoude eikenboom die ze nooit eerder hadden gezien? Ze spitsten hun oren. Opeens klonk er een zacht gehinnik van een paard. Een hoef schraapte op de grond, een bed van dennennaalden en zachte aarde. Ze durfden zich niet meer te bewegen. Het geluid van krakend leder. Van iemand die van zijn zadel stapte. Voetstappen in mul zand. De mist die niet prijsgaf wie of wat er zich verborgen hield. ‘Wees niet bang,’ zei een donkere stem. En daar stond hij opeens vlak voor hun neus. De Zwarte Man.

11


Geertrui en Laurein hielden hun adem in. Wat ze al die tijd hadden gevreesd, stond nu pal voor hun neus. Geertrui zag door de gaten van het masker twee gloeiende ogen. En zag ze daar niet die bult op zijn rug? Dat moesten de vleermuisvleugels zijn. Ze nam een stapje naar achter zodat ze achter de rug van Laurein verdween. ‘Ik doe jullie niets,’ zei de Zwarte Man. ‘Integendeel.’ Zijn stem klonk zacht. Heel menselijk zelfs. De kinderen durfden weer te ademen. ‘Ik heb daarnet gezien wat jullie is overkomen. Ik ken jullie. Ik weet waar jullie wonen en ik weet wie jullie ouders zijn. Het zijn eerlijke, hardwerkende mensen die een beter leven verdienen. Daarom ben ik hier. Ik zal jullie helpen.’ ‘Wie bent u?’ fluisterde Laurein. ‘Mijn naam zal nooit over mijn lippen komen. Ik wil onbekend blijven. Alleen zo kan ik helpen,’ sprak de donkere stem. Hij bleef, gehuld in de mist, onbeweeglijk staan. Het was een boom van een kerel. Zeker twee meter groot. ‘Ik heb gezien hoe jullie zijn beroofd door een groep boerenjongens. En hoe jullie handenwerk werd vertrappeld. Dat kan ik niet aanvaarden. Het is onrechtvaardig. Ik zal hen een lesje leren. Maar eerst wil ik jullie helpen. Ik geef jullie elk tien stuivers. Zo zijn alle manden dik vergoed en kunnen jullie ouders eten kopen. Zeg niets over onze ontmoeting hier.

12


Zeg gewoon de waarheid: een heer die jullie niet kennen heeft al jullie manden gekocht.’ De twee kinderen hoorden het gerinkel van muntstukken en even later stak een gehandschoende hand hen elk de tien stuivers toe.’ Zo snel als hij was verschenen, zo snel verdween hij ook weer en het leek alsof ze alles hadden gedroomd. Maar het geld in hun handen bewees het tegendeel. Even later kwamen ze thuis aan. Hun ouders waren verrukt met het geld en hun moeder maakte een kom warme pap. ‘Morgen koop ik meel en dan bak ik een heerlijk roggebrood,’ sprak ze met een blij gezicht. ‘En ik koop een nieuwe hengel om paling te vangen in de palingbeek,’ zei vader. Hij keek naar Laurein. ‘Toch vind ik het een vreemd verhaal. Een heer die zomaar opeens alle manden koopt? Voor meer geld dan jullie hebben gevraagd?’ Ook moeder was er niet helemaal gerust in. ‘Geertrui, hoe kom je aan die scheuren in je kleren? En hoe zien jullie er allebei uit. Zwart en besmeurd met modder. Je rok is onherstelbaar! En moet je je broek eens zien, Laurein!’ Laurein kon zijn gezicht in de plooi houden, maar voor Geertrui werd het te veel. Ze kon niet leven met een leugen. En in dit verhaal was zwijgen hetzelfde als liegen. Dus vertelde ze met hakken en stoten het verhaal van de vier aanvallers en de hulp van de Zwarte Man.

13


Dit verhaal klonk zo fantastisch dat Emiel nog meer argwaan kreeg. ‘De Zwarte Man is een verzinsel. En jullie hebben te veel fantasie. De honger is in jullie kop geslagen.’ De kinderen zwegen. Als vader iets niet geloofde dan mochten ze op hun kop gaan staan, hij zou niet van gedachte veranderen. Moeder wist niet meer wat ze ervan moest denken. ‘Gelukkig zijn jullie heelhuids teruggekomen,’ zei ze. Die avond gingen de kinderen zonder honger slapen. De volgende dag hoorden ze in het dorp hoe iemand vier jonge kerels uit hun bed had geplukt en hen had vastgebonden aan een boom. Ze werden pas s’ morgens bevrijd omdat iemand hen luidkeels had horen roepen. Op hun borst was een papier geprikt waarop iedereen kon lezen. ‘Deze kerel steelt het geld van arme mensen.’ Die dag kregen Laurein en Geertrui ook hun gestolen geld weer. Het lag zomaar voor hun deur. Niemand had gezien wie het er had gelegd. ‘Het zal de Zwarte Man geweest zijn,’ fluisterde Geertrui.

14


‘De Zwarte Man, de Zwarte Man, ik geloof niet in die onzin,’ bleef vader herhalen. Ook al kon de dag niet meer stuk voor Laurein en Geertrui en was er voor de komende dagen eten op tafel, vader bleef zeuren over de Zwarte Man. ‘Ach, Emiel, zeur niet,’ sprak zijn vrouw. ‘Jij ziet altijd eerst het slechte. Pak je hengel en ga vissen zodat we straks verse paling op ons bord hebben.’ De vader vertrok met zijn hengel. De weg van huis liep door het bos en hij keek verontrustend in het rond. Hier was het gebeurd. Hier hadden de kinderen bezoek gehad van iemand die hen geld had gegeven voor de kapotte manden. Hier waren ze afgeranseld door vier boerenpummels. Als hun verhaal waar was uiteraard! Hij dacht er nog steeds het zijne van. De kinderen hadden hun manden gewoon verkocht, klaar was Kees. Daarna hadden ze rondgelummeld in het bos. Misschien in de bomen geklommen want het waren speelvogels. Daarom waren hun kleren kapot en vuil en daarom hadden ze dat verhaal verzonnen. Maar dat geld op de stoep bleef een raadsel. Zou het van de pastoor komen? Hij had al eens eerder een paar stuivers gegeven toen ze in erge nood zaten. Emiel twijfelde. Zou meneer pastoor zomaar geld op de stoep leggen? Nee. Hij zou aankloppen, de stuivers overhandigen en een potje kruidenthee drinken.

15


Het was een mooie ochtend. De koude winterzon filterde door de naakte takken. Een dag zoals een ander. En toch … De beek waar nu ongetwijfeld paling te vinden was, lag vlak bij het Duivelsmoeras. Toen Emiel daar aankwam lagen de nevels en sluiers mist verspreid over het rietland. Hij moest voorzichtig zijn. De beek was omringd met het riet dat ze nodig hadden om manden te vlechten. Wat verder was een open plek waar hij zijn hengels kon uitgooien. Er was een kleine steiger, net groot genoeg om op te staan en zijn emmer en visgerei neer te leggen. Toch moest hij goed op zijn doppen letten. Wat verder in het water raakte het moeras het beekwater. Een stap verkeerd en hij was verloren. Veel keuze had hij niet. Hier zwommen de palingen het liefst, in een mengeling van water en modder. Emiel haalde zijn nieuwe hengel tevoorschijn. Hij had het laatste snufje onder de hengels uitgekozen. De paternosterhengel. Daaraan waren kleine haakjes op een rijtje bevestigd zodat de paling niet kon ontsnappen. Hoe meer hij kronkelde, hoe meer hij vast kwam te zitten. De haakjes waren niet groot genoeg om de paling te doden, en dat was goed. De paling moest vers blijven en in een emmer water mee naar huis worden genomen. Naast hem stond het grote net waarmee hij de paling kon scheppen. En voor alle zekerheid had hij ook zijn oude hengel mee. Emiel gooide zijn hengels uit en zette zich op het kleine krukje dat hij altijd meehad om te vissen.

16


Het duurde niet lang of de hengel trok. Aan de krinkelingen op het water zag hij dat het om een grote paling ging. De vis ging tekeer onder het wateroppervlak. Heel voorzichtig trok hij op en nam de paling bij de staart. Met zijn andere hand knoopte hij zijn omslagdoek los en draaide de paling erin om zijn bewegingsvrijheid te ontnemen. Een paling wordt rustig als zijn ogen afgeschermd worden en wanneer je met de hand over zijn lange lijf streelt. Maar deze reus bleef heftig tekeergaan en alle aandacht van Emiel ging naar het losmaken van de haakjes in de kleine bek van de vis. Daarom zag hij niet hoe er plotseling enkele gestaltes opdoken in de dichte mist. 17


Emiel had alleen oog voor de paling die hij in gedachten al in de pan zag liggen. Zijn vrouw zou er vast en zeker ajuintjes en wilde zurkel aan toevoegen om het nog lekkerder te maken. Opeens werd hij gegrepen door vele handen en voor hij iets had kunnen uitbrengen, lag hij gekneveld op de grond. Hij probeerde los te komen, net als de paling naast hem die nog steeds lag te kronkelen om vrij te komen. Vier gemaskerde mannen tilden hem weer rechtop en trokken hem voort aan het touw. Voor zijn ogen was een doek gespannen, zodat hij niet kon zien wie zijn belagers waren. Aan een dikke tak van een wilg werd Emiel met een touw vastgeknoopt. Als een rijpe vrucht, klaar om te vallen. De tak hing gedeeltelijk over het moeras. Een stem sprak: ‘Blijkbaar hebben jullie je lesje nog niet genoeg geleerd! Die stomme kinderen van jou hebben hun mond voorbijgepraat. Leugens zijn het! Leugens! We zullen jou eens een les leren die je niet vlug zal vergeten. De wraak roept!’ Een van hen maakte een vuurtje, pal onder de tak waar Emiel aan vastgebonden was. ‘Veel geluk en vaarwel!’ riep een van hen spottend. De wegstervende geluiden van voetstappen in het bos deden Emiel vermoeden dat hij alleen was. Het donker viel over het bos en over het moeras. Emiel voelde zijn ledematen verstijven.

18


Nog even en dan zou deze tak in vlam schieten. Dan was hij weerloos, een vogel voor de kat. Als hij in het water viel, zou hij naar beneden zinken. Hij zou niets kunnen doen, want zijn armen zaten stevig in het touw geknoopt. En het moeras zou hem naar beneden zuigen. Dit was moord! Hoelang zou zijn doodsstrijd duren? Emiel probeerde te roepen, maar de bandieten hadden een vieze prop in zijn mond gestoken. Thuis zaten Geertrui en Laurein in de schuur. Op hun schoot lagen de rietstengels die enkele nachten hadden geweekt in een teil water om ze soepel te maken. Het was iedere dag hetzelfde werk. Samen droomden ze van een ander leven. ‘Moest ik geld hebben, ik zou een eigen winkeltje hebben. Met stoffen en naaigarens,’ zei Geertrui. ‘Moest jij geld hebben, suffie, dan hoefde je niet meer te werken. Dan moet je geen winkeltje hebben,’ zei Laurein die zijn zus een beetje naïef vond. Geertrui moest er even over nadenken. ‘Maar dan heb ik niets te doen,’ zei ze een beetje verbouwereerd. ‘Dat is was rijke mensen doen,’ zei Laurein.

19


Het stemde Geertrui tot nadenken. Nietsdoen, was niets voor haar. Ondertussen vlochten haar handen het riet. Het ging razendsnel. Net zo snel gingen haar gedachten. ‘Is vader al thuisgekomen?’ vroeg ze. Laurein haalde zijn schouders op. De honger in zijn buik vroeg weer aandacht. Geertrui keek door het kleine raampje naar buiten. ‘Vader zou nooit in het donker gaan vissen,’ zei ze. ‘Het is te gevaarlijk bij de palingbeek.’ Het leek alsof er een zwarte schaduw over haar hart gleed. Er was iets, ze voelde het. ‘We moeten vader zoeken,’ zei ze. ‘Kom!’ Ze trok Laurein aan zijn arm zodat hij niet anders kon dan het rietvlechten te staken. ‘Overdrijf je nu niet een beetje?’ vroeg hij. Hij had totaal geen zin in een avondwandeling. Niet na wat er gisteren was gebeurd. Hij voelde nog steeds de harde vuisten in zijn maag die een van die kerels hem had toegebracht. Maar Geertrui sleurde hem mee.

20


Buiten stond moeder op de uitkijk. Florie droeg de baby in haar armen en de twee andere jongens stonden bij het hek. ‘Ik weet niet waar vader blijft,’ zei moeder. ‘Hij had al lang thuis moeten zijn.’ ‘Wij gaan wel even kijken,’ zei Laurein. ‘Misschien komen we hem tegen op het pad in het bos.’ ‘Misschien is hij in slaap gevallen naast zijn hengel,’ zei Dries, de jongen van acht. ‘Misschien heeft hij wel een reus van een paling gevangen en kan hij de vis niet alleen naar hier krijgen,’ zei de tienjarige Bertus. De jongens bleven van alles en nog wat opsommen. Alleen moeder zei zachtjes: ‘Misschien is hij wel in het moeras gesukkeld.’ ‘Wij gaan hem zoeken,’ sprak Laurein en hij trok Geertrui met zich mee. Ze holden alsof hun leven ervan afhing. Over het donkere pad, tussen eeuwenoude bomen. Zo dom van hen om geen olielamp mee te nemen! Af en toe geraakten ze verstrikt in takken of in een braamstruik. De maan was weg en de lucht was zwaar en zwart als een wollen deken. Maar de kinderen kenden de weg. Opeens zagen ze iets dat op vuur leek. Ze durfden niet na te denken. Vlammen? Toch weer niet aangestoken door de bokkenrijders? Maar ze beseften op hetzelfde moment dat er bij het ven geen boerderij was.

21


Ze holden nog sneller en volledig buiten adem zagen ze hoe een brandend stuk van een boom in het water plonsde. Het siste en het knetterde alsof de waterduivel stille pretjes had. Ontdaan keken ze naar het water. Geen vader te zien. Op de kleine steiger lag de nieuwe hengel. De oude hengel stond nog steeds aan de kant en de lijn stond strak alsof er een vis in het aas had gebeten. Laurein zette zijn handen aan zijn mond en riep: ‘Va-a-ader!!!’ Geertrui zette zich aan de kant. Bedrukt en verslagen. Er drupten tranen langs haar neus. Ze voelde het niet. Er was vader iets overkomen. Ze voelde het aan alles. Opeens klonk er geritsel wat verder. Gehaast stonden de kinderen op en liepen in de richting van het geluid. Tussen de rietstengels lag vader, nog steeds verstrikt in een touw. Het doek om zijn ogen was weggezakt en de kinderen konden de blijdschap in zijn ogen zien toen hij hen zag komen. ‘Jullie komen net op tijd,’ zei hij. ‘Net zoals de Zwarte Man.’ ‘De Zwarte Man?’ vroeg Laurein ongelovig. Terwijl vader zich losmaakte uit het touw knikte hij. ‘Ik had jullie moeten geloven. De Zwarte Man bestaat echt. En hij is goed voor arme lieden zoals ik. Hij heeft me bevrijd van het vuur en van het moeras.

22


Toen hij geluiden hoorde – waarschijnlijk jullie die kwamen aangelopen – is hij weggereden op zijn donkere paard. Hij wilde niet gezien worden, zei hij.’ Vader vertelde over de vier bandieten en wat ze hem hadden aangedaan. Hoe ze als wraak hem hadden willen vermoorden. De kinderen gruwelden bij de gedachten dat vader even goed dood had kunnen zijn. Dat hij leefde, hadden ze te danken aan de Zwarte Man. ‘Ik denk dat de Zwarte Man hen nog eens een lesje zal leren,’ zei Geertrui. Vader nam de gespannen hengel uit het ven. Geen vis, maar een natte hoop bladeren en takken met modder. Hij nam zijn emmer en toen hij de paling nog steeds zag kronkelen, maakte hij het doek los en wierp de vis weer in het water. ‘Wat doet u nu vader?’ riep Laurein. ‘Moeder heeft al uitjes en zurkel klaargemaakt,’ zei Geertrui. ‘Dan eten we zurkel en uitjes met brood. Ik weet wat die paling heeft moeten doorstaan toen hij in een doek omwikkeld moest vechten voor zijn leven. Ik hing, net als het arme dier, als een paling vastgebonden aan een tak. Nooit eerder heb ik zoveel doodsangsten uitgestaan.’ Uitgeput, maar tevreden liepen ze met hun drieën terug naar huis.

23


Geschiedenis van de Bokkenrijders. Het verhaal over de Bokkenrijders (1740-1774) vertelt dat rovers een pact met de duivel hadden gesloten en zich ‘s nachts op bokken voortbewogen. De Belgische Bokkenrijders hielden huis in de Kempen, in de omgeving van Luik maar ook in Nederland en Duitsland. In de eerste plaats ging het om een groep arme boeren. Uit pure frustratie omdat de belastingen en de taksen te hoog waren, schoten ze brandbrieven af naar de strooien daken van de rijke herenboeren. Hun eerste doel was niet de brandstichting op zich. Wel om de hoge heren onder druk te zetten om op die manier hun problemen aan het licht te brengen en hun geld terug te eisen. De verhalen gaan de ronde dat de bendes naast de brandstichtingen ook de huizen plunderden van mensen die als rijk werden beschouwd. Later hebben de bokkenrijders door allerlei verhalen een Robin Hood-achtige status gekregen. Want er werd verteld dat de leden van de bendes het geroofde geld onder de armen verdeelden.

24


Geertrui en haar tweelingbroer Laurein moeten manden verkopen van hun ouders. Anders is er geen geld voor eten. Op een avond worden ze aangevallen door een groepje jongens. Komt de Zwarte Man hen redden?

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 6. ISBN 978 90 486 2537 6 Bestelnummer 60 1021 597 KB D/2016/0147/106 NUR 191 Illustraties: Kristien Dieltiens Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 625376

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - 6e leerjaar - N3 - De bokkenrijders by die Keure - Issuu