Skip to main content

Verrekijkerbieb - 6e leerjaar - N3 - Het manuscript

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Het manuscript Katrien Vervaele

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 6

6


Het manuscript

De advertentie Rob Rutjes schuift het ronde, metalen brilletje wat hoger op zijn neus en trekt de krant wat dichter naar zich toe. ‘Vreemde advertentie,’ mompelt hij en leest het nogmaals. Reeds jaren wacht ik, maar nu dringt de tijd. Ik zoek een jonge schrijver, arm aan ambitie, maar rijk aan fantasie. Contacteer mij via deze krant met het codewoord RR 05101988. ‘Maar dat is niet mogelijk!’ roept Rob verbouwereerd uit. ‘RR, dat zijn mijn initialen. En die code wel mijn geboortedatum! 5 oktober 1988! Is dat nu puur toeval of niet?’ Hij zakt weer onderuit in zijn zetel, zoals hij aanvankelijk lag, maar schiet dan weer recht. ‘Toeval of niet, en los van die code … ik ben wel de geschikte man voor die job!’

1


Zou dit nu eindelijk de kans zijn waarop hij wacht? De kans van zijn leven? Hij begon al aan een paar boeken, maar geen één raakte afgewerkt. Hij was een man die een duwtje in zijn rug nodig had. Maar dat was toch echt wat hij wilde in zijn leven. Schrijver worden. En ja, fantasie, wat ze vroegen, had hij genoeg! Hij moest nu wel snel handelen, want stel dat er nog meer schrijvers in spe afkwamen op die advertentie? Hij mag er geen gras over laten groeien! Hij plooit de krant dicht, zoekt het telefoonnummer van de krant op de voorpagina, pakt zijn gsm en tikt het nummer in. Na twee beltonen wordt er al opgenomen. Een vriendelijke, licht hese vrouwenstem vraagt waarmee ze hem van dienst kan zijn. Dat hij voor die advertentie belt met de code RR 05101988, zegt hij. Aan de andere kant van de lijn blijft het even stil. Net ietsje te lang. Het is alsof de vrouw aarzelt. ‘Het is voor de advertentie met de code …’ herhaalt hij. ‘RR 05101988 …’ vult ze aan en weer gaan een paar stille, aarzelende seconden voorbij. ‘Momentje,’ zegt ze dan. Rob hoort haar aan de andere kant van de lijn tikken op haar pc en dan is er weer haar stem. ‘Hier heb ik het adres, het is in de buurt van Gent’ ‘Dat komt goed uit,’ zegt Rob. ‘Ik woon in Gent.’ Is dat nu weer toeval, denkt hij.

2


‘Het adres is Huize Malpertuis, Duivelsklauwdreef … nummer staat er niet bij … in het Gentse.’ ‘Maar u zei al dat het in de buurt van Gent was.’ ‘Jawel, maar er staat niet precies waar. Er staat gewoon In het Gentse.’ ‘Een deelgemeente van Gent?’ vraagt Rob. ‘Nee, ik kan je niet verder helpen,’ zegt de vrouw van de krant. ‘Hoe kan ik dat huis dan vinden?’ vraagt Rob. ‘Dat is mijn zorg niet,’ zegt de vrouw, nu wat ongeduldig, en ze verbreekt de verbinding.

3


Rob zucht even, krabt in zijn haar, maar dan klapt hij zijn pc open. Ik zoek het wel even op, denkt hij. Even googelen en ik weet zo meteen wel waar dat huis Malpertuis in die duivelsdrekdreef te vinden is. Hij tikt Duivelsklauwdreef in. Geen resultaat. Als hij Huize Malpertuis intikt, geraakt hij ook al niet verder. Hij komt niet op een locatie terecht, maar wel op een boek geschreven door John Flanders en een op het boek gebaseerde film. ‘Ook al zo’n vreemde kwibus, die John Flanders,’ denkt Rob en hij voelt ineens een rare kriebel lopen over zijn rug. Hij loopt naar zijn keukentje, zet een koffietje, drinkt het op en dan stapt hij naar buiten. Hij stapt op zijn fiets en lanterfant de straat uit. Zonder zich af te vragen waarheen, trapt hij een eindje door, maar dan fietst hij harder, steeds harder. Waar hij heen gaat, weet hij niet, maar hij fietst lekker. Hij laat zich gewoon leiden. Door zijn fiets? Of door iets anders? Het zal Rob een zorg zijn. De zon schijnt, het is windstil en het is heerlijk rijden. Hij ziet wel waar hij uitkomt. Na zowat een uur, komt hij in een bosrijke omgeving met veel mooie villa’s. Rob geniet en denkt al bijna niet meer aan die advertentie.

4


Het valt hem niet eens op dat er hoe langer hoe minder huizen staan. En dat er op een bepaald moment geen huizen meer staan. Toch fietst hij door. En dan ineens ziet hij het. Een straatnaambord. Duivelsklauwdreef. ‘Wel heb je me nu,’ bromt hij en hij slaat de dreef in. Links en rechts van het baantje staan prachtige beuken en eiken. En dan komt hij aan een oud smeedijzeren hek. Het staat open. Huize Malpertuis heet hem welkom, lijkt het wel.

5


Huize Malpertuis Hij stapt de tuin binnen en dan ziet hij een prachtig herenhuis. Of liever een klein kasteeltje. Er zijn torentjes en ook een balkon. Hoge, smalle ramen, met houten luiken. De ene gesloten, de andere opengezet om het zonlicht binnen te laten. Gebeeldhouwde franjes in de gevel. In sierlijke letters Huize Malpertuis. Rob zet zijn fiets tegen de stam van een plataan1 en stapt naar het huis toe, de zes treden op. Op de deur is een koperen klepper in de vorm van een duivelsklauw gemonteerd. Rob kleppert een paar keer. Het duurt maar even of hij hoort sloffende voetstappen die de deur naderen. De sleutel draait in het slot, een oude man in een geruite kamerjas doet open. Zijn gezicht is wit, neigend naar het gelige; zijn ogen, waterig lichtgrijsblauw, kijken Rob eerst wat wantrouwig aan. Maar dan glimlacht hij: ‘Jij bent diegene op wie ik al zo lang wacht …’ Rob knikt, verbouwereerd, stamelt dan zijn naam. ‘Pardon?’ zegt de man, steekt zijn hoofd wat naar voren en draait zijn rechteroorschelp naar Rob toe. ‘Rob Rutjes,’ zegt Rob, iets luider nu. En voor de zekerheid voegt hij eraan toe: ‘Jonge schrijver.’ ‘Perfect!’ zegt de oude man en hij nodigt Rob naar binnen. De inkomhal is immens. Maar hoe ze is ingericht, slaat Rob met verbazing. Boeken, allemaal boeken.

6


Vanaf de vloer tot het plafond zijn rekken aangebracht. En alle rekken staan propvol. Rob kijkt met ongeloof naar de oude man. De oude man glimlacht en zegt alleen: ‘John Flanders2.’ ‘Allemaal van John Flanders?’ stamelt Rob. De man knikt, alsof zo’n verzameling vanzelfsprekend is. ‘John Flanders, de schrijver van griezelverhalen,’ zegt Rob. ‘Ja, inderdaad, zoals je zegt. Ik hoopte al dat je die kende.’ ‘Tja, eigenlijk alleen van naam.’ ‘Nooit iets van hem gelezen?’ vraagt de man verbaasd. ‘Euh, nee … Wat ik wel van hem weet, is dat hij een heel avontuurlijk leven heeft geleid,’ zegt Rob, die het op die manier een beetje recht wil trekken. De man knikt, zijn ogen lichten op: ‘Hij voer de wereldzeeën af en in de Antillen smokkelde hij zelfs rum. En als hij niet op zee was of aan een boek zat te werken, was hij wel in een gore3 kroeg in een haven te vinden waar hij zich met louche4 zaken inhield.’ Rob begint zich nu toch weer af te vragen wat de man nu eigenlijk van hem verlangt. Het zal toch ook geen louche zaak zijn? ‘Maar het zijn toch in eerste instantie zijn boeken die ons interesseren, nietwaar?’ glimlacht de man en hij opent een van de vijf deuren die uitgeven op de inkomhal. Rob kijkt binnen: ook daar boeken, alle wanden vol boeken. De man opent nog een deur. Boeken, boeken, boeken. De wanden met rekken volgestouwd.

7


De derde, de vierde en de vijfde deur die de man openzet, geven hetzelfde plaatje. ‘Toch niet allemaal van John Flanders?’ vraagt Rob, totaal van zijn melk. ‘Toch wel,’ zegt de man. ‘Ik koop al jaren alles op wat ik vind. Op veilingen, tweedehandsboekhandels, rommelmarkten … ik kan geen boek van de man laten liggen. Zelfs al heb ik al honderd exemplaren van een van zijn boeken, als ik er nog een tegenkom, moet ik dat hebben.’ Rob kan zijn ogen niet geloven. Hij kijkt naar de ruggen van de boekjes en leest: De zilveren kaap. Drie rekken vol met hetzelfde boek. Spoken op de ruwe heide. Daar zijn wel vijf rekken van. Griezelen. Een hele wand vol. Het geheim van de Sargassen. Meer dan een halve wand. En voor Malpertuis is er een hele kamer nodig. Die man is kierewiet, denkt Rob. ‘Je denkt nu natuurlijk dat ik ze niet helemaal op een rijtje heb?’ vraagt de man alsof hij Robs gedachten kan raden.

8


Rob durft niet te knikken, staat daar maar zwijgend naar al die boeken te kijken. Wat verlangt die man van hem? ‘Zet je even,’ zegt de oude man en hij wijst naar een klein salontafeltje waarrond twee sofa’s bekleed met een bruinig, muf bloemenmotief staan. In een van de twee zit een langharige, grijze poes die zich lui uitrekt, uit haar plekje springt en zich neervlijt op het tapijt. ‘Dat is Madleintje,’ zegt de man glimlachend terwijl hij minzaam de poes nakijkt. Rob zet zich neer, kijkt naar de sepiakleurige foto in de zilveren lijst op het salontafeltje. Het is een man van een jaar of 45. Wazige, droevige ogen onder een gleufhoed. ‘John …?’ vraagt Rob. De oude man knikt: ‘John Flanders … dat was zijn pseudoniem5 voor jeugdboeken. Jean Ray was zijn pseudoniem voor boeken voor volwassenen. Hij heette eigenlijk Raymond De Kremer.’ Rob neemt een van de boeken van het stapeltje op de salontafel. Het bovenste is een eerste drukje6 in een mooie band7 van De koperen duivelsklauw. Dat wat eronder ligt, is een exemplaar van een van de wellicht 1000 exemplaren van Malpertuis die de man in zijn bezit heeft. Het valt Rob op hoezeer het huis dat op de kaft staat getekend, lijkt op het huis waarin hij zich nu bevindt. Ook al zo vreemd … ‘Het is sterker dan mezelf,’ zucht de man. ‘Ik verzamel alles van hem. Ik wil al zijn boeken, iedere druk, iedere uitgave, en dan nog in zoveel mogelijk exemplaren.

9


Vroeger ging ik er zelf achteraan, maar nu ik slecht ter been ben, heb ik mijn mannetjes die alles opkopen.’ Rob begint stilaan te vermoeden wat zijn taak zal zijn en hij vraagt voorzichtig: ‘U zoekt wellicht nog meer mensen die voor u gaan zoeken?’ De man glimlacht zijn gezicht in wel duizend rimpeltjes en zijn ogen worden spleetjes. ‘Mooi mis, jongeman,’ zegt hij. ‘Voor jou heb ik een totaal andere opdracht.’ Hij staat recht, dist een sleutel op uit de zak van zijn kamerjas en opent een lade. Hij neemt een stapeltje oude, vergeelde vellen papier met ezelsoren aan de hoeken. ‘Het gaat hierom,’ zegt de man. ‘Een onafgewerkt manuscript … een onafgewerkt, verontrustend verhaal, het heeft zelfs nog geen titel.’ Rob neemt het stapeltje aan en begint meteen te lezen.

10


Het manuscript Het was in een kasteeltje dat hij woonde, de oude man die boeken verzamelde. Hij vulde er zijn ganse huis mee, van de kelder tot de nok. Het was zijn grootste genot om langs de rekken te lopen, met zijn vingers de ruggen van de boeken te beroeren, er één uit te nemen, open te slaan, en luidop een zin te lezen. Vaak stond de oude heer minutenlang te staren naar een bepaald boek, terwijl hij zijn hoofd wat schuin hield, zijn wenkbrauwen gefronst, zijn handen diep in de zak van zijn geruite kamerjas. Het was alsof hij contact wilde maken met de schrijver, alsof hij wilde doordringen in de ziel van het boek.

Rob voelt een huivering over zijn rug lopen. ‘U schreef dit wellicht zelf?’ vraagt Rob. ‘Welnee,’ zegt de man. ‘Wat je leest is geschreven door John Flanders zelf! Het is een onafgewerkt manuscript, een verhaal dat hij niet afwerkte. Ik kreeg het een paar jaar geleden in handen. Ik schrok toen ik het las, want het was alsof ik in mijn eigen leven stapte. Het is alsof het verhaal over mij gaat. Ik herken er mezelf in en de zaken waarmee ik bezig ben, de dingen die rond mij gebeuren.’ Hij plooit zijn handen open, wijst in een vaag gebaar de vele boeken aan.

11


‘Het verhaal verontrust me al sinds ik het manuscript in handen heb. Maar de laatste weken laat het me niet meer los. Ik slaap niet meer, ik ben bang. Ik begrijp niet wat er gebeurt …’ Hij zwijgt even, zucht en vertelt dan verder: ‘Een aantal weken terug kreeg ik bezoek van een jonge vrouw. Ze kwam hier ineens aangereden op een zwart paard.’ ‘Op een zwart paard?’ vraagt Rob, wat ongelovig en bijna spottend. ‘Zoals ik het zeg, ja. Ze kwam hier aangereden, stalde haar paard in een van de bijgebouwen en gaat elke dag opnieuw rijden. Maar ze komt telkens terug en ze blijft hier gewoon wonen. Ongevraagd is zij bij mij komen wonen.’ Er is hier toch plek genoeg in dit huis, denkt Rob, ze zal hem wel niet voor de voeten lopen, zeker? En vindt hij het niet fijn? Een jonge vrouw die hem uit zijn eenzaamheid haalt? ‘Maar het gekke is, dat ook dat beschreven staat in het verhaal!’ zegt de man en hij houdt zijn vinger waar Rob verder moet lezen. Het was op een morgen. Gouden nevels kondigden de bruiloft aan van de late zomer met de jonge herfst. De oude man hoorde hoefgetrappel in de oprijlaan. Hij keek naar buiten en zag een ravenzwart paard met een jonge vrouw in het zadel. Ze was gekleed in een chic zwart rijkostuum. De kraag van haar witte bloes contrasteerde fel bij al dat zwart. De man was sprakeloos van bewondering, en tevens was hij ook een en al verwondering.

12


Zij zag hem staan aan het raam; hij droeg een geruite kamerjas. Zij keek hem aan, recht in zijn ogen. Hij schrok van haar koele schoonheid. Maar er was nog iets waardoor hij schrok, maar wat hij niet kon duiden. Was het haar onnatuurlijk bleke gelaatskleur? Of waren het haar lichtgrijze ogen die zo bodemloos diep leken en koud en wezenloos die hem bang maakten? Zijn eerste verbazing voorbij, haastte hij zich naar de voordeur en opende die. Hij zag hoe de vrouw met een soepele beweging van haar paard sprong en hoe ze de teugels aan een laaghangende tak van de plataan naast het huis bond. Met trage tred kwam ze naar het huis toe. De oude man liet haar binnen. Ze gedroeg zich alsof ze er al jaren woonde, alsof ze het huis en de oude man door en door kende.

‘En hier houdt de tekst op,’ zegt de oude man. ‘Om welke reden de schrijver hier gestopt is, weet ik niet, maar het houdt me wel heel erg bezig. Het is alsof mijn leven ophoudt nu ik op het moment ben gekomen waar ook het manuscript ophoudt. Die vrouw is hier komen wonen. Ze lijkt hier ook te zullen blijven. Maar het is alsof ze niet echt bestaat, alsof ze samen met mij ophoudt te bestaan.’ En dan komt Rob eindelijk te weten wat de man van hem wil. ‘Mijn vraag aan jou is of jij dit manuscript wil afmaken.’ Rob opent al zijn mond om het voorstel af te wijzen. Wat een vreemde toestand! Die man beeldt zich dat wellicht allemaal in. Die jonge vrouw op haar paard …

13


Maar nog voor Rob het voorstel wil afwijzen, trekt Madleintje, de kat, haar ogen wijd open en kijkt hem afkeurend en zelfs dwingend aan. Ze spitst nu ook haar oren en draait haar kopje in de richting van de deur. Een grote, slanke vrouw, gekleed in witte bloes, zwarte rijbroek en -laarzen komt binnen. ‘Eveline,’ stelt de man haar voor. De vrouw gaat tegen een boekenrek leunen, kijkt even vluchtig naar Rob en dan naar de oude man. Hoe vluchtig haar blik ook was, toch ving Rob de kleur op. Van het lichtste, meest broze, breekbaarste grijs. Doorschijnend, als een bodemloze put gevuld met helder water. Rob krijgt het ineens heel erg koud. Nog even kijkt hij haar aan. Haar mooie, bleke, serene gezicht, het zwarte haar strak en streng naar achteren gekamd. Hij merkt ook op hoe de parels die ze in haar oren draagt, net twee tranen lijken. Wat onhandig staat Rob recht. Stuntelend geeft hij de oude man een hand, met zijn hand tikt hij op de stapel papier, het manuscript. ‘Ik zal kijken wat ik kan doen,’ zegt hij. De oude man knikt, ietwat vermoeid, maar met ogen vol hoop.

14


In de stijl van Als in een droomtoestand fietst Rob terug naar huis. Pas wanneer hij terug in de stad is, te midden van het autogetoeter en tramgeklingel, kan Rob terug helder nadenken. Nu pas begint hij ook goed te beseffen wat een taak hij op zich neemt. Een einde schrijven voor een verhaal van John Flanders, kan hij dat wel? De twijfel begint te knagen. Hoe begint hij aan deze klus? Eerst een paar boeken van de man gaan uitlenen in de bib? Kwestie van zich de stijl van de schrijver eigen te maken. Hij laat er geen gras over groeien en nog geen uur later loopt hij de bibliotheek alweer uit met onder zijn arm een aantal boeken geschreven door John Flanders: De straat van de zeven duivels, Het geheim van de witte weerwolf, Het spookeiland en Geheimen van het Noorden. Op weg naar zijn tweekamerappartementje koopt hij een brood, wat plakjes kaas en een kuipje smeerpaté. Thuis zet hij koffie, smeert wat boterhammen en begint de boeken door te bladeren, hier en daar leest hij een zin. Luidop.

‘Een lange gestalte kwam tevoorschijn. Hij was in een zwarte pij 8 gehuld en een zwart masker bedekte zijn gezicht …’

15


‘Zij die slapen, zien dikwijls meer dan zij die waken. Hij zal spreken als de tijd gekomen is, want de geest van de dromen is in hem. En het grote geheim van het noorden is een droom.’ Rob komt helemaal in de ban van de verhalen, hij leest nu hele lappen tekst, hele hoofdstukken, en voor hij het weet, is het heel erg laat geworden. Moe, maar tevreden duikt hij in bed. Morgen begint hij aan de afwerking van het manuscript. Hij zal het noemen: Het huis van de duivelsdrekdreef. Want een titel had het verhaal nog niet. De volgende ochtend is hij al vroeg wakker en hij staat meteen op. Met een kop koffie en een stuk peperkoek, pakt hij de vellen papier en leest heel aandachtig het begin van het verhaal. De vellen die John Flanders eigenhandig typte. Hier en daar staat een aantekening, een krabbeltje, een verbetering in hanenpoten. Als hij daarmee klaar is, klapt Rob zijn laptop open, verkneukelt9 zich nog even in het besef dat het toch wel een stuk gemakkelijker is om op een pc te werken dan op zo’n oude typemachine. En dan begint hij. De eerste zinnen gaan wat moeizaam, haperend, maar dan is het alsof het uit zijn vingers vloeit. Tussen de jonge vrouw en de oude man ontspon zich een hechte vriendschap. Hoewel zij niet veel sprak, en hij ook al niet; kenden ze elkaar na enkele weken al zo goed dat het was alsof zij al jaren bij hem inwoonde.

16


Het was net alsof ze zijn kleindochter was. Maar toch bleef de oude man bang van die koude blik van haar. Overdag wandelden ze vaak samen in de grote tuin, soms in de bossen rondom. In de namiddag ging de vrouw paardrijden, wanneer de oude man een dutje deed. ’s Avonds speelden ze weleens schaak. Hij won altijd, maar hij voelde dat ze beter speelde dan hem. Hij voelde dat ze hem liet winnen. Telkens weer. Een keer was ze duidelijk aan de winnende hand. Hij zag hoe ze hem schaakmat kon zetten. Hij wist zeker dat hij deze partij zou verliezen. Maar nee, ze schoof een andere pion naar voren en zo liet ze hem toch weer winnen. Die nacht kreeg de man een lichte hartaanval. De jonge vrouw had snel de dokter gebeld. Die was meteen gekomen en had een diagnose gesteld. Ze raadde de oude man aan om zich te laten opnemen in het ziekenhuis. Maar de man weigerde. ‘Als mijn tijd gekomen is, dan ga ik wel,’ zei hij. ‘Voor mij geen ziekenhuisbed. Ik wil sterven tussen mijn boeken.’ Rob werkt een hele poos onafgebroken door, komt in de ban van het verhaal. Wanneer zijn rug wat stijf wordt, staat hij even recht, rekt zich uit. Hèhè, dat lijkt me wel te lukken, denkt hij tevreden. Rond de middag begint hij honger te krijgen. Hij trekt de koelkast open, maar daar zit weinig hartigs in. Nog een vlootje margarine, een kuipje met een restantje smeerpaté, te weinig voor één boterham, en een potje confituur. En nog één ei.

17


Daar kan hij zijn buik niet mee vullen. Bovendien heeft hij zin in een hartige hap. Een lekkere pasta bijvoorbeeld. Hij pakt zijn fiets en rijdt naar een Italiaans restaurantje in de buurt waar hij weleens vaker komt als hij geen zin heeft om te koken. Zijn laptop neemt hij ook maar mee. Zo werkt hij nog wat verder, want tijd heeft hij niet te verliezen.

De notaris Rob installeert zich in een rustig hoekje, bestelt een spaghetti bolognese en begint alweer verder te schrijven. Enkele dagen later nam de oude man een besluit. ‘Eveline,’ zei hij. ‘Ik voel dat mijn dagen korten. Ik denk dat ik niet lang meer te leven heb.’ Eveline kijkt hem aan, luistert. ‘Ik heb geen kinderen,’ herneemt hij. ‘Ook geen familie. Er is alleen Madleintje de kat en jij, die onlangs in mijn leven kwam. Ik weet niet wie jij bent, ik weet niet waar jij vandaan komt. Maar dat doet er niet toe. Alles wat ik heb, wil ik aan jou schenken.’ ‘Ik denk niet dat dat een goed idee is,’ antwoordt de jonge vrouw. De man kijkt haar onbegrijpend en ook wel wat gekwetst aan. ‘Ik weet heel zeker dat dat niet zo’n goed idee is,’ herhaalt ze met nadruk. ‘Er zijn tal van goede doelen die heel dankbaar zouden zijn met een schenking.’

18


De man haalt zijn schouders op en zucht. Hij zegt stil: ‘Sta me toe om je mijn huis te schenken.’ Eveline knikt, al is het wat weemoedig10. Alsof het haar eigenlijk niet aangaat. ‘En mijn boeken, wil je daar ook zorg voor dragen?’ vraagt de oude man. Nu schudt ze gedecideerd haar hoofd. ‘Daar ben ik niet de geschikte persoon voor.’ ‘Maar wat doe ik er dan mee? Het is mijn levenswerk!’ ‘Er komt wel een oplossing,’ sust de vrouw. De oude man zucht diep. Hij wil haar wel graag geloven. Wanneer de ober het bord spaghetti wil opdienen, zet Rob met een ferme tik een punt achter de zin en schuift zijn laptop opzij. Hij strooit wat parmezaankaas over de tomatensaus en begint zo snel te eten dat hij bij de eerste hap zijn tong verbrandt. Rustig, denkt hij bij zichzelf. Het gaat goed vooruit. Ik moet me niet overhaasten. In een mum van tijd is zijn bord leeg en kan hij verder schrijven.

19


De oude man liet een notaris komen om de mondelinge afspraak op papier te zetten. Want voor zo’n schenking of erfenis moet natuurlijk een testament worden opgemaakt. De jonge vrouw zei dat dat niet hoefde, maar de oude man stond erop. Enkele dagen later kwam dus de notaris. Het was in de namiddag, een zomerse, snikhete dag. Toch was de man gekleed in een zwart kostuum, colbertje11 eronder en wit hemd met grijze das. Hij leek wel een begrafenisondernemer. Eveline liet de man plaatsnemen op een stoel naast het raam. Hij zat pal in de zon die door het vederlichte gordijn naar binnen scheen. De man ging voorzichtig met zijn vinger achter de boord van zijn hemd, om het wat losser te wrikken. Iets later depte hij met een smetteloos witte zakdoek de zweetdruppels van zijn voorhoofd. De oude man zat zelf in de schaduw en had er geen erg in. Hij vroeg aan Eveline om wat koffie te brengen. De notaris opende zijn zwartleren aktentas en haalde er de papieren uit. Rob leest de laatste zinnen opnieuw en kijkt dan op. Twee tafeltjes verder ziet hij een man zitten. Die opent zijn zwartleren aktentas, haalt een stapeltje papieren tevoorschijn. De man slaat zijn ogen op, kijkt Rob aan. Rob schrikt. De notaris over wie hij net aan het schrijven was, had hij zich precies zo voorgesteld.

20


Zwart kostuum, colbertje, wit hemd, grijze das. Grijzig dun, gladgekamd haar, een wat papperig gezicht. Kleine, wat toegeknepen, bruine ogen. De man blijft Rob aankijken. Even lijkt het of hij naar Rob toe zal komen. Maar nee, hij kijkt nu weg, zoekt even zijn pen, neemt de papieren die hij voor zich liggen heeft door en zet een handtekening onderaan een blad. De ober komt eraan en zet een kopje koffie op het tafeltje van de man. Rob maakt teken naar de ober dat hij snel wil afrekenen. Dan sluit hij zijn laptop af, bergt die op in zijn tas. Totaal van slag haast hij zich naar buiten, springt op de fiets, maar realiseert zich ineens dat hij zijn tas met laptop vergat. Hij haast zich terug. Wanneer hij het restaurantje weer binnenkomt, kijkt hij in de richting van het tafeltje met de ‘notaris’. Maar aan dat bewuste tafeltje zit helemaal geen man in zwart kostuum, maar wel een gepensioneerd echtpaar dat zit te smullen van een lasagne. Ben ik stilaan gek aan het worden, vraagt Rob zich af wanneer hij weer op de fiets zit. Hij trapt zich de ziel uit zijn lijf. Hij wil zo snel mogelijk terug aan het werk. Hij wil zo snel mogelijk dat manuscript af hebben. Dan kan hij dat verhaal inleveren. Betaald worden. Maar dat is nog waar ook … er is helemaal geen prijs afgesproken! Nu ja, hij maakt het verhaal af en laat dan heel dat vreemde gedoe zo snel mogelijk achter zich.

21


Zijn rug is drijfnat van het zweet. Hij heeft dorst, tapt een glas water uit de kraan, drinkt het in één teug op. Maar hij blijft dorst hebben. Met een tong die kleeft aan zijn verhemelte zet hij zich terug aan het werk. Enkele dagen later speelden de oude man en de jonge vrouw opnieuw schaak. Ze begonnen in de vroege avond. De man zag dat ze andere oorknopjes droeg. Niet meer de parels die eruitzagen als tranen. Vanavond droeg ze knopjes van zwart koraal. Mooi, had hij gedacht. De partij was lastig. Hij speelde goed, maar hij merkte dat zij beter speelde dan anders. Zij wilde vanavond winnen. Zij ging vanavond winnen. En dat wilde hij niet. Hij wilde absoluut niet dat ze won. Hij speelde heel verbeten. Hij speelde alsof zijn leven ervan afhing. De partij duurde uren. Het werd zo stilaan middernacht. Hij voelde dat hij zou verliezen. En inderdaad. Ze zette hem schaakmat. Ze won. Hij keek haar aan. Zij keek hem aan. En toen wist hij het. Haar grijze ogen waren de ogen van de dood. En toen, op dat moment, stierf hij. Rob is een beetje aangedaan van die laatste zin. Het vloeide zo op het papier, hij had dat niet eens bedacht. Met een zekere schroom12 herleest Rob de laatste zin. Eerst stil en dan luidop. ‘En toen, op dat moment, stierf hij.’ Hij voelt een koude rilling lopen langs zijn rug.

22


Maar hoe moet het verhaal nu verder? Hij voelt zich ineens zo moe, zo leeg. Leeggeschreven, voelt het. Hij piekert zich suf op het vervolg, maar er komt niets. Zijn inspiratie laat hem in de steek. En dit is echt wel nog niet het einde van het verhaal, daar is hij wel zeker van. Eerst een kopje koffie zetten, denkt hij. Plots hoort hij iets achter zich. Hij kijkt achterom, ziet niets. Hij duwt op het knopje van de koffiemachine die begint te lopen. De koffie geurt heerlijk en Rob pakt er een koekje bij. Dan hoort hij het weer. Er wordt aan de deur gekrabd. Rob trekt de deur open. Miauuuwww … Grijze, langharige poes. Miauuuwww … ‘Wat doe jíj hier?’ roept Rob uit. Het is Madleintje van huize Malpertuis. De poes bekijkt hem niet eens, wandelt gewoon binnen en hupt in Robs oude leren, gemakkelijke zetel.

23


‘Hoe ben jij hier geraakt?’ vraagt Rob. Alsof die poes daar zomaar antwoord zal op geven. ‘En toevallig is dat wel mijn zetel,’ zegt Rob nog. Maar de poes vindt het blijkbaar de beste plek om zich te nestelen. Ze doet haar ogen al dicht voor een dutje. ‘Ja, als jij dat hele eind tot hier gelopen bent, dan zul je inderdaad wel moe zijn,’ merkt Rob op. ‘En honger, heb je honger?’ De poes trekt één oog open. ‘Ja dus!’ Veel heeft Rob niet te bieden. Wanneer hij het restje smeerpaté op de grond zet, springt de poes uit de zetel en gaat meteen smullen van het smeerseltje. Ze is een hele poos bezig want ze wil het kuipje helemaal leeg. Dan gaat ze kopjes geven tegen de pijpen van Robs jeans. ‘Nog een beetje melk?’ vraagt hij. Terwijl hij goed weet dat katten daar weleens diarree kunnen van krijgen. Hij giet wat koffieroom in een schoteltje en zet het op de grond. In een mum van tijd heeft ze het opgelikt en maakt ze alweer aanstalten om zich in zijn fauteuil te nestelen. ‘Ik breng je nu wel terug hoor,’ zegt Rob en hij pakt de poes op en steekt haar in een rieten boodschappenmand die hij aan het stuur van zijn fiets hangt.

24


Terug naar huize Malpertuis Rob fietst heel voorzichtig zodat de tas niet te veel heen en weer gaat zwaaien. Hij ontwijkt ook alle bobbels en putten in de weg. Het duurt dus toch een tijdje vooraleer hij Huize Malpertuis bereikt. Wanneer hij nadert, merkt hij op dat het er zo vreselijk verkommerd bij ligt. Het lijkt wel jarenlang verlaten. Maar misschien was het omdat de zon toen wel scheen, en nu niet? En ook zo vreemd is dat de luiken nu allemaal dicht zijn. Hij kleppert aan de koperen duivelsklauw. Maar die is helemaal niet meer zo mooi opgeblonken en van het kopergeel is niets meer te zien. De klepper slaat dof en groenachtig uit. Hij wacht, niemand verschijnt. Hij kleppert nog eens en wacht een poos. Tevergeefs? Niemand thuis. Vanuit de stal hoort hij plotseling een gehinnik. Hij loopt ernaartoe, opent de deur van de stal. Maar een paard is daar niet te zien. Hij loopt terug naar het kasteeltje, merkt nu ook hoe de tuin er verwilderd bij ligt. Overal woekert klimop, groeit onkruid. Ook de vorige keer was de tuin niet onderhouden, maar nu is het nog een heel stuk erger. Aan de achterkant van het kasteeltje is een van de luiken niet gesloten. Daar staat zelfs een raam open op een kier. Een lapje witgelig gordijn waait zachtjes naar buiten. Rob gaat op zijn tenen staan om naar binnen te kunnen kijken.

25


Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes en laat zijn ogen wennen aan het duister, maar hij ziet niets. Het is en blijft donker, daarbinnen. Op het ogenblik dat hij zich verwijdert, verschijnt er een gezicht achter het raam. Een vrouwengezicht, bleek en mooi. Eveline. Hij schrikt, zet enkele stappen achteruit, struikelt over zijn voeten, valt achterover. Wanneer hij terug opkijkt, is het gezicht weg. Het gordijn wappert niet meer. Het raam is dicht. Totaal over zijn toeren pakt Rob zijn fiets. Hij merkt dat de kat eruit gesprongen is. Hij trekt zijn schouders op, dat zal hem echt worst wezen … Met rillingen over zijn rug fietst hij weg, zo snel hij kan. Wanneer hij wat verder een wandelaar tegenkomt, remt hij wel abrupt. ‘Hé meneer! Mag ik u iets vragen?’ De wandelaar knikt. ‘Kent u de oude man die daar in het kasteeltje woont?’ De wandelaar kijkt hem verwonderd aan. ‘Daar woont niemand …’ ‘Daar woont toch een oude man?’ dringt Rob aan. ‘Dan spreek je wel over een hele tijd terug,’ zegt de wandelaar. ‘Jaren terug! Er woonde inderdaad een oude, eigenaardige figuur. Maar niemand die hem ooit zag … hij had, naar het schijnt, iets met boeken.’ ‘Hij woont daar dus niet meer?’ ‘Nee, een zomer of vijf terug is hij gestorven. Ook naar het schijnt, want niemand wist ook maar iets van hem. Dat kasteeltje staat al zo lang leeg. Onbewoond.

26


Je ziet toch dat alle luiken dicht zijn en dat het boeltje staat te verkommeren?’ Rob begrijpt er nu echt niets meer van. Overstuur en verward rijdt hij terug naar de stad.

De laatste zinnen Terug thuis laat hij zich op zijn bed vallen, niet van plan om er in de eerste uren weer af te komen. Hij ligt te daveren van angst. Alles is zo vreemd. Sinds hij die aankondiging in de krant las, heeft hij geen controle meer over zichzelf, geen vat op zijn leven. Voortdurend ziet hij het bleke gezicht van die vrouw, daar achter het raam. Was ze daar of beeldde hij zich dat maar in? En die man, die sprak hij toch? En nu blijkt dat hij al vijf jaar dood is! Rob twijfelt nu aan alles. En niet in het minst aan zichzelf. De gebeurtenissen tollen door zijn hoofd. Ze draaien als een kermismolen rond. En hij, hij zit op die molen, als een bang kind. Het manuscript is het enige, absoluut het enige waar hij helemaal zeker van is.

27


En die gedachte verdrijft zijn angst. Een vreemde rust overvalt hem. Het manuscript. Het verhaal. Hij moet dat zo snel mogelijk afwerken en dan alles van zich afzetten. Hij staat recht, voelt zich enigszins verdoofd, zonder enige angst of verwarring of andere emotie. Maar zijn gedachten zijn glashelder. Hij staat op scherp om verder te schrijven. Hij opent zijn laptop en het schrijven gaat nu als vanzelf. De uren verstrijken, maar hij heeft honger noch dorst. Het enige wat telt, is het verhaal afmaken De oude man werd begraven in alle stilte. Een dag zonder zon. Een dag zonder wind. Een dag om begraven te worden. Behalve de priester en de dragers voor de kist, was er niemand. Behalve Eveline. Bleek en mooi. Ze droeg opnieuw haar parels, als tranen. Ze legde een bloem op het graf. Een witte bloem. Rob wordt er treurig van, maar het gaat vlot, hij kan niet meer ophouden nu. Hij schrijft als in een moment van dronken helderheid. Uren gaat hij door. Maar dan toch overvalt hem de vermoeidheid. Loodzwaar en drukkend. Zijn ogen vallen dicht, hij probeert zich te verzetten, maar hij valt in een diepe slaap. Robs mond is droog en hij proeft een bittere smaak. Hij sluimert tussen waken en slapen, hij wil wakker worden maar het lukt hem niet.

28


Hij hoort gestommel, maar toch blijft hij liggen, met zijn hoofd op zijn armen, op de vellen papier geschreven door John Flanders en naast de laptop met het vervolg van het verhaal. Opnieuw dat gestommel. Hij krijgt zijn hoofd maar niet omhoog, zijn ogen niet open. Zware voetstappen nu, iets wordt neergezet op de grond. De voetstappen verwijderen zich. Maar daar zijn ze weer. Gestommel en iets dat wordt neergezet op de grond. Eindelijk krijgt Rob zijn ogen open. Een grote, zware man in blauwe overall komt binnen en zet een kartonnen doos neer. Een tweede man, zelfde outfit, komt binnen en zet eenzelfde doos op de andere. Rob komt recht, ziet dat zijn hele slaapkamer al staat volgestouwd met dozen. En ook zijn keukentje. En nu is de woonkamer aan de beurt. Hij trekt in paniek een van de dozen open. Boeken! Boeken, allemaal boeken van John Flanders. ‘Dat kan niet, dat kan niet, dat kan niet …’ mompelt hij eerst, maar dan schreeuwt hij in volle paniek. ‘DAT KAN NIET!’ Wanneer de verhuizers alweer bovenkomen met een nieuwe lading, roept hij: ‘Momentje!’ ‘Wat bedoel je?’ vraagt de verhuizer wat idioot. ‘Ik weet niet wat de bedoeling is, maar ik wil dat hele zootje opnieuw beneden, terug de verhuiswagen in en terug naar de plek waar het vandaan komt.’

29


‘Sorry meneer,’ antwoordt de verhuizer doodkalm. ‘Wij doen alleen ons werk. Opdracht is opdracht. Wij doen wat ons wordt gevraagd.’ De tweede verhuizer beaamt dat: ‘Wij hebben niets te beslissen. Wij doen ons werk. Daarmee gedaan. Wij hoeven ons geen vragen te stellen. Bijvoorbeeld hoe we al die dozen hierbinnen krijgen …’ ‘O jeetje!’ kermt Rob. Een derde verhuizer die net bovenkomt en de bedenking van de tweede hoorde, zegt: ‘Wat er niet ingaat, stapelen we in de gang en in het trappenhuis.’ ‘Maar ik wil die dozen niet! brult Rob. ‘Ik wil die verrekte boeken niet! Ik wil dat jullie de hele troep weer inladen.’ Maar de verhuizers reageren daar niet op. Alleen de tweede haalt zijn schouders even op en zegt kordaat: ‘Opdracht is opdracht. Dat is ons motto.’ Rob beseft dat er nu niets anders meer opzit dan naar het kasteeltje te rijden. Naar Huize Malpertuis in de Duivelsklauwdreef … Hij springt op zijn fiets en probeert alles uit zichzelf en uit zijn fiets te halen. Wanneer hij nog een verhuiswagen van dezelfde firma ziet aan komen rijden, steekt hij nog een tandje bij. Met hoeveel wagens rijden zij wel? Met hoeveel verhuizers zijn ze in de weer? Het zweet gutst van Robs lijf. Buiten adem komt hij aan het hek van het kasteeltje en ziet de verhuizers inladen. ‘Dat is wellicht de laatste vracht,’ roept er een.

30


Hij kijkt machteloos toe hoe ze de laatste boeken in de verhuiswagen duwen. De laatste dozen, de laatste boeken. Hij staat machteloos toe te kijken. Hij weet wat er gaat komen. Of tenminste, dat vermoedt hij. Hij ziet hoe de verhuismannen de inlaadkleppen sluiten, hij ziet de verhuismannen vertrekken. Met angst in zijn lijf, wacht Rob nu af. Lang hoeft hij niet te wachten vooraleer gebeurt wat hij al wist. Hij hoort een dof gerommel. Het zwelt langzaam aan en gaat over in een akelig geluid van iets dat splijt, iets dat scheurt. Daarna komt er een kreunend kraken. En dan … Rob slaat de handen voor zijn ogen. Wat hij ziet gebeuren, schreef hij gisteren, net voor hij in slaap viel. En toen er geen boeken meer waren, geen spanning om de muren te stutten, gebeurde het. Toen er geen mysterieuze verhalen meer waren, geen fantasie die de ruggengraat van Huize Malpertuis vormde, kwam van diep uit het huis een gerommel … de balken van de zolder begon te kraken, de muren scheurden, het dak schoof … het kasteeltje stortte in.

31


Woorduitleg 1 2

plataan = loofboom John Flanders = schrijver van griezelverhalen voor de jeugd (1887 – 1964). Zijn eigenlijke naam was Raymond Jean Marie De Kremer. Voor volwassenen schreef hij onder de naam Jean Ray. 3 goor = vies 4 louche = wat niet te vertrouwen is 5 pseudoniem = schuilnaam 6 eerste drukje = wanneer er meerdere uitgaves van een bijzonder boek zijn, is een eerste druk meestal het meest waardevol 7 band = kaft; vroeger werden boeken weleens vaker voorzien van een mooie lederen kaft 8 pij = lang gewaad, gedragen door monniken 9 zich verkneukelen = in de handen wrijven van voldoening, stilletjes verheugd zijn 10 weemoedig = droevig gestemd 11 colbert = kort jasje 12 schroom = gevoel van aarzeling of twijfel omdat je iets niet durft

32


Een jonge schrijver aanvaardt de opdracht om verder te schrijven aan een onafgewerkt verhaal. Wanneer hij eraan begint, gebeuren heel vreemde zaken. Het verhaal gaat met hem op de loop en het gaat van kwaad naar erger.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 6. ISBN 978 90 486 2537 6 Bestelnummer 60 1021 597 KB D/2016/0147/106 NUR 191 Illustraties: Vero Beauprez Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 625376

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - 6e leerjaar - N3 - Het manuscript by die Keure - Issuu