Skip to main content

Verrekijkerbieb - 6e leerjaar - N2 - Paloma

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Paloma Bart Koubaa

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 6

6


Paloma

1


Dit verhaal gaat over de liefde en het toeval. Het verhaal speelt zich af op een klein eiland. Vanuit de lucht gezien lijkt het eiland op een vliegende duif. De inwoners noemen het eiland dan ook Paloma, wat duif betekent in hun taal. Paloma wordt omringd door een azuurblauwe zee en heeft prachtige witte stranden en baaien om in te zwemmen. Het is tien keer kleiner dan België en wordt van het oosten naar het westen door een bergketen verdeeld. In het midden zijn de bergen het hoogst. Veel van de bergtoppen zijn kraters van vulkanen die veel verwoestingen hebben aangericht maar ook het eiland gevormd hebben. In het midden staat de hoogste berg de Spijker. Hij heet zo omdat men vroeger dacht dat de berg het eiland aan de aarde had vastgeklonken. Af en toe kun je een rookpluim uit zijn krater zien komen, en soms knort hij als een lege reuzenmaag. De zuidkust van Paloma is steil en zeer hoog, de woeste zee klotst er tegen de kliffen en rotsen. Het is onmogelijk voor een schip om er aan te meren. De havens liggen in het noorden, dat laag en rustig is en waar dagelijks vissersboten uitvaren. In een van de haventjes, waar het verhaal begint, kijkt een groot Moors1 fort uit over de oceaan. In het fort bevindt zich het postkantoor. En in de muur van het postkantoor zit een gat ter grootte van een sinaasappel. Ze zeggen dat het van een Spaanse kanonskogel komt. O ja, op het eiland komen geen katten voor. In het verhaal dus ook niet. Mocht je er een kat in ontdekken, laat het mij dan weten. Dat zou groot nieuws zijn!

2


*** Er steeg een uitgelaten geroezemoes op uit het postkantoortje. Binnen en buiten hingen kleurige vlaggetjes en slingers en af en toe kon je een kurk van een fles horen ploppen2. Stoelen en tafels waren aan de kant geschoven en een orkestje speelde vrolijke deuntjes. Er werd gewalst en geswingd en de lambada3 werd gedanst. De genodigden kwamen afscheid nemen van Bolivar, de oude postbode die met pensioen ging. Meer dan veertig jaar had hij met de fiets door weer en wind brieven, kaartjes en pakjes afgeleverd tot helemaal aan de voet van de Spijker. ‘Het is tijd voor een opvolger,’ had hij een paar weken geleden tegen zijn baas gezegd, ‘iemand met jonge benen moet het nu maar doen. De mijne zijn oud en moegetrapt.’ De baas van de post had op de dikke muren van het fort een oproep opgehangen. Gezocht: jonge benen voor sportieve job in de buitenlucht.

3


De tweede ochtend na het feest stonden drie jongemannen te wachten in het postkantoortje. Ze kwamen examen doen om de nieuwe postbode te worden. Een van hen was Fernando. Het examen bestond uit drie delen. Een heel blad vragen ging over het eiland; welke wegen er waren, waar er kliffen en rotsen waren en wanneer de wind het gevaarlijkst was. Het tweede deel was een praktische proef over de kennis van de fiets. De nieuwe postbode zou de oude fiets van Bolivar krijgen, een fiets waaraan af en toe moest gesleuteld en gevezen worden. De drie kandidaten moesten om beurt bij de fiets gaan staan en verschillende onderdelen benoemen. Daarna moesten ze het zadel verhogen, de lichten controleren en de posttas op de bagagedrager vooraan monteren. Op het einde van de proef kregen ze alle drie een lekke band, een kommetje water en materiaal om de band te herstellen. Wie het eerst klaar was, had grote kans de nieuwe postbode te worden. Nadat ze de band hersteld hadden, moesten ze elk afzonderlijk op gesprek bij de baas van het postkantoor. Fernando stond voor het bureau terwijl de baas papieren aan het invullen was. ‘Ben je bang in het donker?’ vroeg hij zonder Fernando aan te kijken. ‘Nee,’ zei Fernando. ‘Ben je al tot de Spijker gefietst?’ vroeg de baas die zijn pen in zijn borstzak stak. ‘Verschillende keren,’ antwoordde Fernando. ‘En de wind? Bij de post kunnen we geen sukkels gebruiken.’ ‘Ik rijd met de wind mee en tegen de wind, maakt me niet uit, zijwind, noordenwind, mistral4, moesson5, ik wijk niet van mijn pad.’ Dat antwoord stond de baas aan. Ondanks dat Fernando pas als tweede klaar was met de lekke band, werd hij de nieuwe postbode.

4


Fernando was opgewekt dat hij de nieuwe postbode was geworden. Toch was hij ook triest omdat zijn vrouw twee jaar geleden op een nacht in de baai was gaan zwemmen en niet meer was teruggekeerd. Het had in de dorpskrant gestaan dat ze door een draaikolk was verrast en de diepte werd ingesleurd. Fernando had het bericht uitgeknipt en in de blikken doos bij wat foto’s en een paar postkaartjes gestoken. Hij bewaarde de doos onder zijn bed omdat hij niet wilde dat zijn zoon het bericht zou zien. Op heldere nachten trokken ze naar de kliffen en gingen ze op hun rug naar de sterren liggen kijken. ‘Kijk, de Grote Beer,’ zei de jongen. Hij heette Pablo.

5


*** ‘Laten we een kat een kat noemen,’ zei de baas tegen Fernando, ‘wat ga je met Pablo doen deze zomer als je brieven moet bestellen?’ ‘Ik neem hem mee op de fiets.’ ‘En hoe ga je dat doen?’ pufte de baas onder de zwierende ventilator boven zijn bureau. ‘Ik heb een zitje gemonteerd op de bagagedrager achteraan. Hij kan mee.’ ‘Jij je zin, als de brieven maar op hun bestemming komen,’ gromde de baas en hij depte het zweet van zijn hals met een grote witte zakdoek. ‘Kom, begin er maar aan, tijd is geld. Hier heb je nog een brief.’ ‘Mijn tas is al gevuld,’ zei Fernando. ‘Er is vast nog plek voor deze brief,’ zei de baas terwijl hij Fernando de brief aanreikte. Fernando nam de brief aan en liep naar buiten. Op de crèmekleurige enveloppe was geen postzegel en geen afzender te bespeuren. Alleen het adres was in sierlijke krullende letters op de enveloppe geschreven. De blauwe inkt leek nog niet volledig droog. Fernando zwaaide met de brief naar Pablo die de wacht hield naast de fiets. Omdat zijn posttas al goed vol zat, gaf hij de brief aan Pablo. ‘Maak dat je de brief niet verliest onderweg,’ zei Fernando. ‘Hij ruikt naar oranjebloesem,’ zei Pablo. 6


Door het gat in de muur van het postkantoor hoorden ze de baas telefoneren: ‘Wanneer gaan jullie iets aan dat gat doen?!’ riep hij tegen iemand aan de andere kant van de lijn. Fernando en Pablo schoten in de lach. Nadat Fernando de drinkbus met water had gevuld, stapte hij op zijn fiets en kroop Pablo achterop. Hij had de brief onder zijn T-shirt gestoken. ‘Vasthouden,’ riep Fernando en Pablo sloeg zijn beide armen om zijn vader. De zomer blies warme wind over ze heen en af en toe stopten ze bij een huis. Soms stond iemand hen op te wachten, soms mocht Pablo een brief in de brievenbus steken. Nadat ze de post in het dorp hadden afgewerkt, reden ze langs de haven tot een kruispunt waar Fernando een zandwegel insloeg die hoog de bergen in kronkelde. Ondanks de zware posttas vooraan en Pablo achterop, reed Fernando als een wielrenner langs blauwe vlasvelden, wuivende korenvelden, twee olijfgaarden en een eindje langs de spoorwegbedding. ‘Gek,’ zei hij tegen Pablo, ‘als je bedenkt dat een paar brieven die in mijn tas zitten hier al zijn gepasseerd.’ ‘Hoezo?’ vroeg Pablo. ‘Met de trein, jongen, vanuit de hoofdstad,’ zei Fernando ‘Niet de brief die onder mijn T-shirt zit,’ riep Pablo. ‘Inderdaad. Heb je hem nog? Een ijsje als je hem niet verliest.’ ‘Twee bollen?’ ‘Twee bollen!’ 7


Pablo legde een hand tegen zijn T-shirt waaronder de brief zat. ‘Wanneer gaan jullie iets aan dat gat doen?!’ riep hij. Nadat ze een brief hadden afgeleverd bij een boerderij stopten ze aan een kabbelend beekje. Ze verfristen hun hals en aangezicht en dronken een paar slokken water uit de drinkbus. Er kwam een herder met een kleine kudde schapen voorbij. Hij liet zijn schapen drinken in de beek. ‘Waar rijden jullie naartoe?’ vroeg de herder. ‘We moeten een brief afleveren aan de Spijker.’ ‘Ho, dat is nog een eind,’ zei de herder. ‘Ja, we moeten er weer vandoor,’ zei Fernando. De middagzon brandde op hun gezichten. Al fietsend had Fernando de klep van zijn kepie6 naar achteren gedraaid en Pablo zat met beide armen gespreid als een duif. Na een uurtje fietsen bereikten ze de voet van de Spijker. Er steeg een beetje rook op uit de top.

8


‘Daar mag je de brief afleveren, jongen,’ zei Fernando en hij wees naar een huisje op de groene bergflank. ‘Ik blijf beneden op je wachten, afgesproken?’ Pablo liep langs een kleine wegel naar het huisje en nam de brief van onder zijn T-shirt. Voor het huisje was een moestuintje waarin tomaten en komkommers groeiden en er stond een boom vol limoenen. ‘Bel eerst aan, jongen,’ riep zijn vader, ‘misschien is er iemand thuis.’ ‘Er is geen bel,’ riep Pablo terug. ‘Klop dan op de deur!’ Pablo klopte aan, maar er deed niemand open. ‘Er is ook geen brievenbus,’ riep Pablo nu. ‘Je mag de brief aan mij geven,’ klonk het achter Fernando die Pablo boven gadesloeg. Zijn kepie viel op de grond, hij kon geen woord uitbrengen. ‘Euh,’ mompelde hij, ‘euh,’ en hij raapte zijn kepie op, sloeg er het stof af en zette hem op. ‘Ik woon in dat huis,’ zei de vrouw in een jurk met blauwe bloemetjes zoals ze in de velden onderweg hadden gezien. Ze had een donkere huid waartegen haar gouden ringen en halsketting sterk afstaken. Haar groene amandelogen schitterden als brokjes kristal en haar zwarte haar golfde als de oceaan over haar schouders. ‘Dan is de brief inderdaad voor u,’ zei Fernando en hij wenkte Pablo.

9


‘Komt u helemaal van de haven?’ vroeg ze. ‘Ja,’ knikte Fernando. ‘Jullie hebben vast dorst, ik heb limoenen geplukt, en binnen staat er bergwater in de koelkast. Ik heb ijsblokjes.’ Ze dronken een glas verse limonade. De vrouw had de brief die naar oranjebloesem rook op een tros druiven in de fruitschaal gelegd. Ze heette Inara. Ze vertelde dat ze uit een ver land naar het eiland was gevlucht. In haar land had ze gehoord dat ze op Paloma dezelfde taal spraken als in haar moederland. Ze was alleen naar het eiland gekomen, haar vader en moeder waren te oud om te reizen en haar broers waren soldaten. Ze was een week in een rubberbootje onderweg geweest, samen met veertien anderen. Onderweg waren twee mensen verdronken. De politie had haar naar het huisje aan de voet van de Spijker gebracht. Niemand wil hier wonen, dacht Fernando, als de Spijker uitbarst wordt het huisje onder lava bedolven. Op weg naar huis dacht Pablo aan de sterren en aan zijn moeder die in de zee was verdwenen. En hoe dichter ze de zee naderden, hoe meer hij aan het ijsje dacht dat zijn vader hem had beloofd. Hij koos een hoorntje met chocola en pistache. De volgende ochtend was er weer een brief die naar oranjebloesem geurde. En na hun ronde reden Fernando en Pablo weer naar de Spijker.

10


‘Wat denk jij dat er in die brieven staat, papa?’ vroeg Pablo nadat ze zich in het beekje hadden verfrist. ‘Ik zou het niet weten, jongen,’ pufte Fernando. ‘Van wie zouden ze zijn?’ wilde Pablo weten. ‘Geen idee,’ zei Fernando en ze zetten hun weg verder. Op woensdag, donderdag en vrijdag was er weer een brief die naar de Spijker moest. En zo ging het heel de maand juli. Iedere werkdag waren Fernando en Pablo vroeg uit de veren om brieven en pakjes af te leveren in het dorp om daarna naar de Spijker te fietsen. Achterop zat Pablo met een brief die naar oranjebloesem rook.

11


Op de laatste dag van juli reden ze lek op een kleine kilometer voor het beekje waar ze zich altijd verfristen. ‘Wanneer gaan jullie iets aan dat gat doen?’ mompelde Pablo. Lachend liepen ze tot aan het kabbelende water. Fernando had de fiets over zijn schouder geslagen. Toen ze het beekje hadden bereikt, zette hij de fiets op zijn kop naast een plasje stilstaand water. Hij maakte de buitenband los van de velg en trok er voorzichtig de binnenband uit. Daarna pompte hij de binnenband op en spoorde het lek op in het plasje water. ‘Luchtbelletjes,’ riep Pablo, ‘ik heb luchtbelletjes gezien!’ ‘Goed, jongen,’ zei Fernando, ‘daar zit het gaatje.’ Fernando duidde met een potlood aan waar het gaatje zat. Nadat hij de binnenband droog had gewreven met een vod, schaafde hij zachtjes met een stukje schuurpapier over het gaatje. Dan bracht hij met lijm een pleister aan en duwde er lange tijd op. ‘Ruim jij het gereedschap op, dan pomp ik de band op,’ zei hij tegen Pablo, ‘we kunnen zo weer verder.’

12


‘Er staat iets op die vod geschreven, papa,’ zei Pablo. ‘Geschreven?’ ‘Ja, kijk.’ Pablo toonde de vod aan zijn vader. ‘Ik dacht dat het vetvlekken waren. Nee maar, Bolivar heeft een rebus gemaakt.’ ‘Wat is een rebus, papa?’ wilde Pablo weten. ‘Dat is een soort puzzel. De oplossing wordt uitgebeeld met kleine tekeningen.’ Ze legden de vod op de grond. Bolivar had een golf, een ei en een harp getekend. ‘Volg je hart,’ riep Pablo, ‘er staat: volg je hart!’ ‘Dat heb je goed gezien, jongen,’ zei Fernando. ‘Hoe kunnen we ons hart volgen, als het in ons zit?’ vroeg Pablo. ‘Het wil zeggen dat je niet altijd naar je verstand moet luisteren, jongen,’ zei Fernando. ‘Kan ons verstand dan spreken?’ vroeg Pablo. ‘Ik bedoel dat je niet altijd moet doen wat anderen denken dat goed voor je is.’ ‘Zoals niet elke dag een ijsje eten?’

13


‘Als je elke dag een ijsje zou eten, word je te zwaar voor op de fiets. Kom, steek jij die vod nu maar weg. De zon staat al hoog. We moeten verder.’ ‘We zullen ons hart volgen!’ riep Pablo. Inara was in het moestuintje tomaten en komkommers aan het plukken. Ze maakte koude soep en vroeg of ze een bordje wilden. ‘Ik zal brood roosteren,’ zei ze. Terwijl ze van de soep zaten te slurpen, vertelde Inara over haar moederland waar het oorlog was en de huizen in puin lagen. Haar stem trilde een beetje en haar groene amandelogen waren wat vochtig. Pablo en Fernando hielpen haar met het ophangen van de was. Daarna vertrokken ze. ***

In het weekend sliepen Fernando en Pablo een uurtje langer en deed Fernando ook de was. Hij had een keer Pablo’s wollen trui veel te warm gewassen waardoor hij was gekrompen. Ze gebruikten hem als theemuts. ’s Namiddags gingen ze naar zee en als het ’s avonds was afgekoeld, roosterden ze vis op het dak van hun huis. Daarna trokken ze naar de kliffen om naar de sterren te kijken. ‘Kijk, de Boogschutter!’ 14


Toen Pablo op zaterdagochtend naar de bakker om zoete koeken liep, zag hij de baas van de post de kruidenier binnengaan. Hij volgde hem en zag dat hij een flesje oranjebloesemwater kocht en het snel in de jas van zijn zak wegstopte. Pablo volgde hem naar het fort tot aan het postkantoor. Hij moest achter een struikje springen, bijna had de baas hem gezien. De baas deed de deur achter zich op slot en Pablo sloop tot aan het raam. Hij zag de baas aan zijn bureau zitten. Hij was een brief aan het schrijven. Toen hij klaar was, besprenkelde hij de brief met een beetje oranjebloesemwater en gaf de brief een kus. Daarna stak hij hem in een crèmekleurige enveloppe en stak hem in een lade die hij op slot deed. ‘Waar heb jij zolang gezeten?’ vroeg Fernando toen Pablo met de zoete koeken thuiskwam. ‘O, nergens,’ zei Pablo, ‘ik heb mijn hart gevolgd.’ Er verscheen een grote glimlach op Fernando’s gezicht. ‘Kom, ik heb verse chocolademelk gemaakt,’ zei hij. Pablo roerde met een zoete koek in de chocolademelk. Er ontstond een kleine draaikolk in zijn kom. Plots dook zijn moeder op uit de draaikolk. Op het moment dat ze haar handen naar hem reikte, brak zijn koek in twee en verdween zijn moeder. ‘Wat zit jij daar te dromen, jongen? je hebt precies een kat gezien,’ lachte zijn vader.

15


*** Augustus was nog warmer dan juli. Je kon de warmte zien trillen boven de blauwe vlasvelden, de gele korenvelden en de spoorwegbedding. Fernando en Pablo hadden ondertussen al eenentwintig brieven naar de Spijker gebracht. Pablo wist dat de baas de geheime brievenschrijver was. Op de tweede dinsdag van augustus blies een hevige windstoot de brief uit Pablo’s handen. De wind nam de brief mee over de vallei en olijfgaarden, hij verdween als een vliegtuigje van papier. Toen weerklonk een dof gerommel boven de bergen en steeg er donkere rook op uit de top van de Spijker. ‘Wat nu?’ zei Fernando en hij krabde zich achter zijn oor. Ze vertelden Inara wat er was gebeurd en Pablo zei dat hij de brief zou gaan zoeken. ‘Laat maar,’ zei Inara, ‘ik weet wat erin staat. Kom vlug binnen.’ Het gerommel leek steeds dichterbij te komen, maar er was geen wolkje te bespeuren. Wel trok er af en toe een flard zwarte rook voorbij. Inara leek bang van het gerommel. Ze maakte zich heel klein. ‘Kom je naar het dansfeest?’ vroeg Pablo zomaar. ‘Het dansfeest?’ vroeg Inara. ‘Ja, binnenkort vieren we het feest van de beschermer van de vissers. Dan dansen we rond een groot vuur.’ 16


17


‘Dat lijkt me leuk.’ ‘We kunnen je komen halen,’ zei Pablo. ‘Hoezo, jongen?’ vroeg zijn vader. ‘Met de fiets. Ik voorop, Inara achterop.’ Nadat ze thuiskwamen van hun ronde luisterden ze naar het nieuws op de radio. De omroeper had het over de Spijker die onrustig was en over de oorlog in het land van Inara. We moeten haar redden, dacht Pablo, en hij viel in een zoete slaap.

18


*** ‘Als we nu eens zo’n brief zouden lezen,’ zei Pablo tegen zijn vader toen ze langs de spoorwegbedding reden. ‘Dat kunnen we niet doen, jongen,’ zei Fernando streng, ‘wie post opent voordat die op de plaats van bestemming is, maakt inbreuk op briefgeheim.’ ‘Briefgeheim?’ ‘Zonder de toestemming van Inara mogen wij de brieven niet lezen,’ ging Fernando verder, ‘dat heb ik voor mijn examen geleerd.’ ‘En als iemand de brief vindt die uit mijn handen is gewaaid?’ ‘Dan moet de vinder de brief bezorgen aan de geadresseerde of terugbrengen naar het postkantoor,’ zei Fernando en hij ging op zijn trappers staan. ‘En als hij in het beekje is terechtgekomen?’ ‘Dan kan niemand hem meer lezen, ook Inara niet.’ ‘Dat is toch niet nodig,’ mompelde Pablo. ‘Hoezo?’ vroeg Fernando. ‘Inara zegt dat ze weet wat in de brief staat, ze zijn misschien allemaal hetzelfde.’ ‘Misschien, maar daarom mogen wij ze nog niet lezen.’

19


‘Maar als de enveloppe gescheurd is en de brief valt open voor je voeten.’ ‘Dan vouw je hem dicht en stop je hem terug in de enveloppe.’ ‘Ook als de brief van je baas is?’ ‘Maak dat de kat wijs!’ riep Fernando, ‘waarom zou mijn baas alle dagen een brief aan Inara schrijven?’ en hij trok zijn remmen dicht. ‘Omdat hij met haar wil trouwen,’ zei Pablo die tegen zijn vaders rug botste. ‘Zo, en hoe weet jij dat?’ ‘Toen ik om zoete koeken ging, ben ik hem gevolgd. Hij had bij de kruidenier oranjebloesemwater gekocht en was ermee naar het postkantoor gelopen. Dan had hij een brief geschreven, er een kus op gegeven en daarna met oranjebloesemwater besprenkeld.’ ‘En hoe weet jij wat er in die brief staat?’ vroeg Fernando en hij vertrok weer. ‘Voor hij de brief in de enveloppe deed, heeft hij hem hardop voorgelezen. Ik heb het gehoord door het gat in de muur.’ ‘We moeten onze neus niet in andermans zaken steken, Pablo, we moeten gewoon ons werk doen.’ ‘En ons hart volgen,’ zei Pablo.

20


21


De herder stond met zijn kudde bij de beek. Hij vertelde dat een van zijn schapen een stuk papier had opgegeten. ‘Dat was de liefdesbrief voor Inara!’ riep Pablo. ‘Straks denkt het schaap dat de brievenschrijver met haar wil trouwen,’ zei de herder droog. Pablo viel achterover in de beek van het lachen. De schapen die aan het drinken waren, stoven uiteen. Het water spatte in het rond. ‘Nou, bedankt,’ zei de herder, ‘mooie boel.’ Boven de olijfgaarden kronkelden zwarte slierten rook. Een dof gerommel weerklonk in de verte. De schapen begonnen te blaten. ‘De Spijker maakt zich kwaad,’ zei de herder. Fernando en Pablo vervolgden hun weg.

22


‘Waarom krimpen schapen niet als het regent, papa?’ vroeg Pablo zomaar ineens. Hij moest aan de wollen trui denken die zijn vader een keer te warm had gewassen. Fernando en Pablo vonden Inara onder de tafel. Ze zat ineengedoken als een gewond vogeltje. Ze leek wel een rebus. Het hele huis rook heerlijk zoet. ‘Wat scheelt er?’ vroeg Fernando en hij ging op zijn hurken zitten. Inara zweeg. Toen rommelde de Spijker opnieuw en begon Inara te bibberen. ‘Ben je bang van de Spijker?’ vroeg Pablo en hij toonde haar de brief. ‘Kunnen we iets doen?’ vroeg Fernando. Inara bleef onder tafel tot het gerommel ophield. Haar ogen waren vochtig en haar stem breekbaar. ‘Het is … het is,’ zei ze en verder kwam ze niet. Ze legde de brief op de fruitschaal en sloeg het stof van haar jurk. ‘Hebben jullie zin in koekebrood? Ik heb koekebrood gebakken,’ zei Inara. ‘Jaaaaa,’ riep Pablo voor zijn vader iets kon zeggen. Ze aten koekebrood en dronken chocola en luisterden naar het nieuws op de radio. Inara had een brief naar haar familie geschreven en vroeg of Fernando en Pablo hem voor haar konden posten. Het was een brief naar Afrika.

23


’s Nachts kon Fernando niet slapen. Hij lag te woelen onder zijn laken en probeerde zich voor te stellen wat er in de brieven voor Inara stond. Ze waren vast van haar ouders en van haar broers. Zij hadden de enveloppen besprenkeld met oranjebloesemwater. Had Inara hem niet verteld over de vele sinaasappelbomen in haar land? Ze misten haar zo dat ze alle dagen een brief schreven. En de baas gaf hem iedere ochtend een brief omdat hij altijd de post die uit het buitenland kwam controleerde. En hij weekte er de postzegels af omdat hij die verzamelde. Of had Pablo gelijk? Waren de negenendertig brieven die hij naar de Spijker had gebracht echt allemaal van zijn baas? Zou hij Pablo vragen wat hij door het gat in de muur van het postkantoor gehoord had? Ach, het waren zijn zaken niet. Hij was postbode en het was zijn taak brieven en pakjes af te leveren. En wat als de Spijker zou uitbarsten? Tegen de ochtend lag hij over Inara te babbelen in zijn slaap. Pablo hoorde alles wat zijn vader zei.

24


*** Het was zaterdag. De zon zat hoog aan de azuurblauwe hemel. Zoals beloofd reden Fernando en Pablo naar de Spijker om Inara op te halen voor het feest. Fernando had zijn beste pak al aangetrokken en Pablo droeg een vlinderdas. Toen ze zich verfristen in het beekje, stopte een auto. De baas draaide het raampje open en zei: ‘Wat doe jij hier? Er moet vandaag geen post geleverd worden. Die fiets is alleen voor het werk.’ ‘Ik … euh … wij …’ en Fernando wees met zijn duim over zijn schouder naar de rommelende Spijker. Toen zag hij Inara op de stoel naast de baas zitten. Ze glimlachte naar Fernando en Pablo. ‘En als u me nu wilt excuseren, ik breng mevrouw naar het feest,’ zei de baas en hij vertrok. Fernando en Pablo zagen de auto op de slingerende weg kleiner worden tot hij nog een glinsterende kever leek. Ze reden terug naar het dorp en zeiden geen woord. Pablo dacht aan wat zijn vader in zijn slaap over Inara had gezegd en Fernando dacht aan het rubberbootje waarmee Inara naar het eiland was gekomen. En toen zag hij een draaikolk waarin het bootje verdween en moest hij plots remmen voor de slagboom van de overweg. Thuis nam hij het krantenbericht uit de blikken doos vanonder zijn bed en stak het in de zak van zijn vest. Het vuur knetterde en smeet hoge vlammen in de sterrenhemel. De mensen stonden in een grote cirkel met het warme flikkerende licht op hun gezichten te keuvelen.

25


Pablo en Fernando volgden de kleine vuuroogjes die opstegen en in de hemel verdwenen. Een beetje verder stond de baas tegen Inara te praten. Pablo liep naar hen toe en tikte Inara op de schouder. Ze boog zich naar hem. Pablo vertelde wat hij zijn vader in zijn slaap had horen zeggen. ‘Hij heeft gezegd dat hij geen mooie brieven kan schrijven, maar dat hij met zijn fiets naar Afrika zou rijden om iemand te ontmoeten zoals jij. Over de oceaan,’ zei Pablo in Inara’s oor. Inara glimlachte en wierp een blik naar Fernando die in het vuur stond te staren. Hij verfrommelde het krantenartikel in zijn zak en wierp het in de vlammen. Toen merkte de baas de man op die beloofd had het gat in de muur van het postkantoor te dichten. Terwijl hij op de man afstapte, liep Inara met Pablo naar Fernando. Fernando groette haar en Pablo wierp een voetzoeker7 in het vuur. Na een paar kleine knalletjes volgde een enorme explosie. Inara sloeg haar armen om Fernando van de schrik. Er ontstond lichte paniek rond het vuur. Na nog een paar ontploffingen trok een reusachtige donkere wolk over de haven en het fort. Het begon af te koelen en het leek alsof er vuur en sterren uit de hemel neervielen. De Spijker was uitgebarsten. ***

26


27


Er steeg een uitgelaten geroezemoes op uit het postkantoortje. Buiten en binnen hingen kleurige slingers en vlaggetjes en nu en dan kon je een kurk van een fles horen knallen. Stoelen en tafels waren aan de kant geschoven en een orkestje speelde vrolijke deuntjes. Er werd gewalst en geswingd en de foxtrot8 werd gedanst. De genodigden vierden het trouwfeest van Fernando en Inara. Nadat de pasgehuwden de openingsdans hadden gedaan, tikte de baas tegen zijn glas. Hij schraapte zijn keel en kuchte een paar keer. ‘Beste Fernando. Toen Bolivar met pensioen ging werd jij de nieuwe postbode. In juli en augustus stuurde ik je alle werkdagen met een brief naar de Spijker. De zon was onverbiddelijk, maar geen enkele keer heb je geklaagd of gepuft. Zelfs met Pablo achterop deed je wat van je gevraagd werd. Ik kan me geen betere postbode voorstellen. Ik wens je alle geluk met je nieuwe vrouw.’ De baas hief het glas en nam een slokje champagne. Dan richtte hij zich tot Inara. ‘Beste Inara. Toen ik je samen met andere vluchtelingen op het strand zag staan, werd ik getroffen door je glinsterende ogen. Ze leken van groen vuur. Die nacht kon ik niet slapen en schreef ik je een eerste brief. Het werden er meer dan veertig waarin ik je probeerde voor mij te winnen, maar je gaf je jawoord aan de postbode. Aan de beste postbode die ik ken.’ Er volgde een klein applausje waaraan de baas een einde maakte met een kleine handbeweging. ‘Beste Inara, ik heb nog een brief voor je. Sta me toe om hem op deze heuglijke dag voor te lezen.’ Fernando en Inara keken elkaar verwonderd aan. Pablo zat op zijn stoel te draaien en kreeg het warm terwijl de baas de brief openvouwde. 28


29


De baas schraapte weer een paar keer zijn keel en las met luide stem: ‘Liefste Inara …’ Het werd muisstil. ‘Liefste Inara, je weet dat we er graag waren bij geweest nu je in het huwelijksbootje stapt. De oorlog thuis en onze oude benen maken het ons echter onmogelijk om naar Paloma te reizen. En we kunnen je broers niet achterlaten. Ze zitten aan het front en vechten voor onze vrijheid.’ De baas nam weer een slokje champagne en las verder. Je kon een speld horen vallen: ‘We zijn verheugd dat je een lieve man met een lieve zoon hebt ontmoet. We wensen jullie alle geluk van de wereld. Als de oorlog voorbij is zullen we elkaar terugzien. Dan kom jij met je gezin naar huis en zullen we couscous eten … Volg je hart …’ Er rolden een paar tranen over Inara’s donkere wangen. Ze hoorde niet meer wat de baas voorlas. Fernando legde zijn arm over haar schouder en fluisterde iets in haar oor. De baas hief het glas nog een keer op de pasgetrouwden en gaf de brief aan Inara. ‘One, two, three,’ riep de gitarist en het orkest zette de macarena in. ‘En strek je rechterarm, en strek je linkerarm en draai de palm van je rechterhand naar boven, draai de palm van je linkerhand naar boven … leg je rechterhand op je linkerschouder, leg je linkerhand op je rechterschouder … leg je rechterhand op de achterkant van je hoofd, leg je linkerhand op de achterkant van je hoofd … en leg je rechterhand op je linkerheup, leg je linkerhand op je rechterheup…’ klonk het door de boxen en iedereen stond op de dansvloer mee te doen.

30


*** En zo kunnen we Paloma met een gerust hart verlaten. Er zit nog steeds een gat in de muur van het postkantoor en er werd nog steeds geen kat gezien op het eiland. Of wel? Misschien heb jij ergens tussen of in de regels van het verhaal een kat gezien. Laat het me weten. Je weet me te vinden.

31


Woorduitleg 1 Moors = eigen aan de Moorse bevolking (islamitische bevolking van het middeleeuwse Spanje) 2 ploppen = het geluid ‘plop’ maken 3 lambada = Zuid-Amerikaanse dans 4 mistral = droge, koude wind 5 moesson = wind die een halfjaar lang uit een bepaalde richting waait 6 kepie = uniformpet 7 voetzoeker = klein stukje vuurwerk 8 foxtrot = Amerikaanse stapdans

32


In het postkantoor op het eiland Paloma gaat een nieuwe postbode aan de slag. Fernando deelt met zijn zoon Pablo alle brieven rond. Iedere dag stoppen ze met een mysterieuze brief bij de mooie Inara. Wie zou de brievenschrijver zijn?

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 6. ISBN 978 90 486 2537 6 Bestelnummer 60 1021 597 KB D/2016/0147/106 NUR 191 Illustraties: Wietse Palmans Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 625376

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - 6e leerjaar - N2 - Paloma by die Keure - Issuu