Skip to main content

Verrekijkerbieb - 6e leerjaar - N3 - Antwerpen

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Antwerpen Alice van de Geest

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 6

4


Antwerpen

Hoofdstuk 1 ‘Zorgen jullie dat de tassen vanavond ingepakt zijn? We vertrekken morgenochtend vroeg. Het is een eind reizen van Bekelaere naar Antwerpen.’ De moeder van Delianne en Daniel zet twee rugzakken tussen de tweeling in, die op de bank televisie aan het kijken is. ‘Alles wat hierin past kun je meenemen, vergeet jullie tandenborstels niet.’ Delianne en Daniel hebben helemaal geen zin om naar Antwerpen te gaan en dat hebben ze een paar weken geleden al aangegeven. Ze hebben het er niet meer over gehad en eigenlijk hoopte de tweeling dat hun ouders het vergeten waren. Niet dus. Delianne en Daniel kijken elkaar chagrijnig aan. ‘Tandenborstel? Mooi niet!’ moppert Daniel. Hij zakt nog verder onderuit op de bank.

1


‘Ik heb die rugzak helemaal niet nodig, ik ga dat appartement toch niet uit.’ ‘En je tablet dan en de oplader? En je moet toch minstens één keer een schone onderbroek aan,’ antwoordt zijn zus. Daniel haalt zijn schouders op. ‘Ik denk dat ik het hele weekend in bed blijf liggen, dan gaat de tijd het snelst voorbij.’ ‘Je ziet maar wat je doet, ik ga mijn tas inpakken. Ik stop er wel een extra boek in voor het geval ik me verveel in het appartement.’ Ze pakt de rugzak en loopt naar boven naar haar kamer. Op de trap komt ze haar vader tegen. ‘Fijn dat je er toch zin in hebt.’ Hij wil haar een aai over haar hoofd geven maar Delianne weert hem af. ‘Hoe kom je daar nu bij, alleen maar omdat ik mijn tas ga inpakken?’ Ze loopt verder en smijt de deur van haar slaapkamer achter zich dicht. Ze gaat op haar bed zitten en zucht. Waarom deed ze zo gemeen tegen haar vader? Ze weet ook wel dat haar ouders dit weekendje niet gepland hebben om haar te pesten. Maar waarom hebben ze niet gevraagd wat zij wilde? Na een paar minuten staat ze zuchtend op en pakt alle spullen bij elkaar die ze denkt nodig te hebben.

2


Het past met gemak in haar rugzak, ze geeft niet veel om kleren, dus een schoon T-shirt, een paar schone sokken en een onderbroek is genoeg. Haar boek stopt ze er morgenochtend wel in, daar wil ze vanavond nog in lezen, het is echt ontzettend spannend. Haar mobiel en oplader doet ze ook morgenochtend pas in de tas. Op het laatste moment stopt ze haar tandenborstel en tandpasta ook nog in haar tas. Daniel moet zelf weten wat hij doet, maar een heel weekend je tanden niet poetsen, ze moet er niet aan denken. Ze laat haar rugzak naast haar bed staan en loopt weer naar beneden, daar valt ze precies in een discussie tussen haar broer en haar vader. ‘Jullie zien maar, maar op mij hoef je niet te rekenen. Jullie kunnen me dwingen om mee te gaan, maar jullie kunnen me niet dwingen om het naar mijn zin te hebben. Ik zit het weekend uit in het appartement, denk maar niet dat jullie me naar een van die stomme bezienswaardigheden krijgen.’ Delianne ziet dat haar vader heel erg zijn best moet doen om niet terug te schreeuwen. Haar moeder heeft een hand op zijn schouder gelegd, dat helpt. Delianne voelt zich rot en wil het liefst op haar ouders aflopen, maar ze wil ook geen ruzie met haar broer. Het liefst zou ze willen dat het hele weekend al voorbij was.

3


De volgende dag gaat de wekker al vroeg af. Er wordt in stilte ontbeten, niemand heeft zin om te praten. Daniel heeft uiteindelijk toch zijn tas ingepakt. Niet veel later zitten ze in de auto naar het station, nog steeds wordt er niets gezegd. In de trein zoeken ze deze keer geen plek met z’n vieren bij elkaar. De tweeling gaat samen zitten en hun ouders gaan achter hen zitten. Niet veel later hoort Delianne haar ouders praten over alle toeristische attracties die ze willen gaan bekijken, het klinkt eigenlijk best wel leuk. Maar ze draait zich niet om, in plaats daarvan zet ze haar koptelefoon op en luistert naar muziek. Daniel zit naast haar en heeft ook zijn koptelefoon op, maar ze hoort geen muziek, waarschijnlijk heeft hij ze alleen op zodat ze niet met hem kan praten. Het reizen lijkt langer te duren dan anders maar uiteindelijk komen ze in het station Antwerpen-Centraal aan. Hun logeeradres is een strak ingericht appartement met twee slaapkamers. De ene slaapkamer is voor de ouders, de andere voor de tweeling. De tweeling loopt hun kamer in en gooit de deur achter zich dicht.

4


Hoofdstuk 2 ‘Als jullie maar niet denken dat jullie ons plezier kunnen bederven. Wij hebben zin in dit weekend en jullie zoeken het maar uit.’ Met die woorden trekt hun moeder de deur dicht, de tweeling totaal verbouwereerd achterlatend op hun bed. Het blijft even stil. Hun moeder die schreeuwt, dat komt echt nooit voor. Dan fluistert Delianne: ‘Zo, die is echt boos. Zijn we te ver gegaan? Wat denk je?’ Daniel haalt zijn schouders op, draait zich om en doet het licht uit. Het kan hem echt helemaal niets schelen, hij was liever alleen thuisgebleven. Delianne gaat ook liggen, ze voelt zich nu toch wel een beetje schuldig. Ze zucht. Morgenochtend biedt ze haar verontschuldigingen aan. Met die gedachte valt ze in slaap. Als de tweeling de volgende dag wakker wordt, is het tien uur. Het is nog doodstil in het appartement. Delianne draait zich lekker nog een keertje om. Na nog een kwartiertje draait ze zich om naar Daniel. ‘Toch wel gek dat papa en mama nog niet wakker zijn.’ Daniel haalt zijn schouders op en verstopt zijn hoofd diep onder het dekbed. ‘Ik ga kijken.’

5


Delianne stapt uit bed en loopt naar de slaapkamer van haar ouders. Heel voorzichtig doet ze de slaapkamerdeur open zodat ze haar ouders niet wakker maakt. Maar daar had ze zich geen zorgen over hoeven maken. De gordijnen zijn wijd open getrokken, de kamer baadt in het zonlicht. Ze duwt de deur helemaal open. Het bed is keurig opgemaakt en van haar ouders is geen spoor. Ze rent naar de badkamer. Die is ook leeg maar zo te zien heeft er wel iemand gedoucht. Ze loopt naar de keuken waar alleen twee lege wijnglazen op het aanrechtblad staan. Dan rent ze terug naar Daniel. ‘Daniel, ze zijn er niet!’ Langzaam haalt Daniel zijn hoofd van onder het dekbed vandaan. ‘Wie zijn er niet?’ ‘Papa en mama zijn er niet, het appartement is leeg.’ Er klinkt paniek in haar stem. Daniel is direct klaarwakker, hij springt uit bed en maakt hetzelfde rondje als Delianne. Zijn ogen staan verwilderd als hij hun slaapkamer weer binnenrent. ‘Papa en mama zijn weg!’ schreeuwt hij. ‘Nee, je meent het,’ antwoordt Delianne droog. ‘Denk je dat ze ontvoerd zijn?’ Daniel kijkt Delianne vragend aan. ‘Welnee, dat hadden we heus wel gehoord, dan had mama het hele appartement bij elkaar geschreeuwd. Ik denk dat ze er samen tussenuit geglipt zijn omdat ze ons gezeur zat waren.

6


Ik geef ze eerlijk gezegd geen ongelijk, we hebben ons als kleine kinderen gedragen.’ ‘Maar dat kunnen ze toch niet maken?’ Daniel zinkt neer op zijn bed. ‘Wat moeten wij dan gaan doen?’ ‘Volgens mij schreeuwde jij gisterenavond tegen mama dat je het hele weekend op je kamer bleef, dat dus.’ Delianne grinnikt, eigenlijk vindt ze het een enorm goede grap van haar ouders en hebben zij het ook wel verdiend. Ze staat op van haar bed, loopt naar de woonkamer en gaat aan de eettafel zitten. Er ligt iets op tafel, ze trekt het naar zich toe. ‘Hé, Daniel, er ligt hier een envelop voor ons.’ Delianne houdt de envelop omhoog als Daniel de woonkamer in komt lopen. Hij trekt de envelop uit haar hand, maakt hem open en leest de brief hardop voor.

7


Delianne is ondertussen naar de voordeur gelopen en komt terug met de rugzak. Ze zet hem op de eettafel en ritst hem open. Ze begint de rugzak leeg te halen: een notitieboekje, een pen, een zakmes, een bolletje touw, een kompas, een liniaal, een plattegrond van Antwerpen, een portemonnee en een envelop. Daniel pakt meteen de portemonnee en opent hem. ‘Jemig, er zit vijftig euro in, wat voor een uitdaging is dat!’ In de envelop zit een papiertje met de cijfers:

8


Delianne leest ze voor, Daniel pakt het papiertje van haar af. ‘Ja hoor, papa is bezig geweest, een coördinaat, hebben ze een geocache voor ons gemaakt?’ Hij loopt naar de slaapkamer en komt even later terug met de tablet. ‘Die cijfers zijn een coördinaat, als je ze invoert in de app die ik heb, krijg je de plek te zien op de kaart. Kijk: N is noord en de E staat voor east. Dat is Engels voor oost. Delianne gaat naast hem staan terwijl Daniel de coördinaten invoert. ‘Waar is het?’ ‘Zo te zien niet zo ver hiervandaan, de Grote Markt. Wat gaan we doen?’ Daniel kijkt Delianne vragend aan. ‘Ik heb geen zin om de hele dag in het appartement te blijven, het is lekker weer. Ik ga me aankleden en naar de Grote Markt,’ antwoordt Delianne. Daniel knikt, hij heeft ook geen zin om de hele dag in het appartement te blijven. ‘Nemen we de uitdaging dan aan?’ ‘Ik wel, ik weet niet wat jij doet.’ ‘Ik ook, wie het laatst aangekleed is, is een loser.’ Daniel rent naar de slaapkamer, pakt zijn kleren en sluit zich op in de badkamer. ‘Hé, jij speelt vals,’ zegt Delianne lachend, misschien dat het toch nog een leuk weekend wordt.

9


Wat is geocachen? Het woord geocaching is een samengesteld woord. Het bestaat uit geo (dat is Grieks voor aarde) en cache (wat in het Engels een verstopplek is). Een geocache is dus eigenlijk een verstopplek op aarde en geocaching is het zoeken naar die verstopplek. Geocaching is een speurtocht, je gaat op zoek naar een kleine of grote doos, de schat. Je gebruikt hiervoor een GPS. GPS staat voor global positioning system. Dat is een wereldwijd gebruikt systeem voor plaatsbepaling en navigatie op aarde. Dat gebeurt met 24 satellieten die ieder tweemaal per dag om de aarde draaien. Geocaching is begonnen in Amerika, waar Dave Ulmer in mei 2000 zijn eerste geocache verstopt heeft in de buurt van de stad Portland. Dave verstopte een emmer met daarin onder andere een blik bonen en een paar cd’s. Hij plaatste de coördinaten N 45˚ 17’28” W 122˚ 24’48” op internet. Een dag later werd de emmer door Mike Teague gevonden, dat was het begin van geocachen. Tegenwoordig liggen er meer dan twee miljoen caches verstopt over de hele wereld. Wat voor caches zijn er? Er zijn verschillende soorten caches. De oudste zijn traditionals, daarbij krijg je een coördinaat waar je

10


naartoe moet lopen en daar ligt de cache. Dan heb je ook nog multicache. Daarbij krijg je een coördinaat waar je naartoe loopt en daar ligt dan een aanwijzing voor een volgend coördinaat. Na een aantal coördinaten krijg je dan een eindcoördinaat waar de cache ligt. Daarnaast heb je bijvoorbeeld nog mysterie- of vraagtekencaches en earthcaches. Alles bij elkaar zijn er een dozijn verschillende soorten geocaches. Wat zijn muggles? Misschien ken je het woord uit de Harry Potterboeken, daar zijn het mensen zonder toverkrachten. Bij geocachen zijn muggles mensen die niet aan geocachen doen. Het is niet de bedoeling dat muggles zien dat je een geocache vindt. Wat neem je mee? Zorg in ieder geval dat je iets te eten en te drinken bij je hebt. En natuurlijk een gps-apparaat of een mobiele telefoon waar een geocaching-app op staat. Daarnaast zijn pen en papier, een zakmes, een zaklamp, een magneet en een pincet handig. Vergeet ook niet thuis door te geven dat je gaat geocachen, dan weten ze waar je bent mocht er wat gebeuren. Meer informatie: Als je meer wilt weten over geocachen, dan kun je dat vinden op de website www.geocaching.com

11


12


13


Hoofdstuk 3 Een kwartier later staan ze buiten. Ze hebben nog twee flesjes water in de rugzak gestopt. In een van de kastjes vonden ze ook nog boterhammen die ze nu aan het opeten zijn. Daniel heeft de rugzak op zijn rug en Delianne houdt de plattegrond vast. ‘Oké, als we linksaf gaan, komen we vanzelf op de Grote Markt,’ wijst Delianne aan op de kaart. ‘Het is dezelfde weg die we gisteren gelopen hebben, als je je dat nog herinnert,’ lacht ze. Daniel geeft haar een stomp. ‘Jij bent zeker de leukste thuis.’ Lachend lopen ze naar de Grote Markt.

14


Als ze er bijna zijn, pakt Daniel zijn mobieltje. Hij houdt hem zo dat Delianne hem ook kan zien. ‘De rode stip zijn wij en naar dat vlaggetje moeten we toe,’ legt Daniel uit. Delianne kijkt op het schermpje en vervolgens naar het plein dat voor hen ligt. ‘Dan denk ik dat we die kant op moeten.’ Ze wijst naar het beeld midden op het plein. Daniel knikt, ‘ik denk dat je gelijk hebt.’ Ze lopen naar het beeld toe, het is erg druk op het plein. Overal staan toeristen foto’s te maken van de middeleeuwse huizen, het stadhuis met al z’n vlaggen en van het beeld. ‘Hier is het,’ zegt Daniel plotseling, ‘dit is het nulpunt.’ ‘En nu?’ vraagt Delianne zich af. ‘Geen idee,’ reageert Daniel, ‘als het goed is, dan ligt hier ergens een aanwijzing.’ ‘Hoe ziet die eruit?’ ‘Dat kan van alles zijn, maar een doosje lijkt me hier niet handig. Ik denk een papiertje.’ Delianne en Daniel lopen een rondje om het beeld en kijken onder de keien.

15


Ze zien niets wat op een aanwijzing lijkt. Daniel gaat op een van keien zitten. ‘Dat was de kortste speurtocht ooit. Dit weekend is echt gedoemd tot mislukken,’ zegt hij somber. Delianne gaat naast hem zitten en slaat een arm om hem heen. ‘Kom op, je weet hoe het gaat met geocaches, die zijn zo verstopt dat muggles ze niet kunnen vinden. Laten we nog één keer een rondje maken.’ ‘Zoeken jullie dit soms?’ Delianne en Daniel kijken op, voor hen staat een jongen met een ondeugende grijns op zijn gezicht. In zijn hand houdt hij een envelop vast. Daniel staat op en probeert de envelop uit de handen van de jongen te trekken. ‘Die is niet van jou, geef hier!’ De jongen springt op een kei en houdt de envelop zo hoog dat Daniel er niet bij kan. ‘Wat krijg ik ervoor?’ ‘Niets,’ snauwt Daniel, ‘hij is van ons.’ Delianne legt haar hand sussend op Daniels arm. ‘Doe nou rustig.’ Dan draait ze zich om naar de jongen. ‘Waar heb je de envelop gevonden?’ ‘Ik heb hem niet gevonden, iemand heeft me gevraagd om deze envelop aan jullie te geven.’ Delianne houdt haar hand op, ‘mag ik de envelop dan?’ De jongen springt van de kei af, ‘alleen als je me vertelt wat erin staat.’ Delianne knikt.

16


Voordat hij de envelop geeft, maakt hij een buiging. ‘Waar zijn mijn manieren? Ik heet Peer.’ Delianne pakt de envelop aan. ‘Ik heet Delianne en hij heet Daniel.’ Die kijkt een beetje schaapachtig en steekt zijn hand op, ‘hoi.’ ‘Kun je nu de envelop openmaken? ik wacht al uren op jullie,’ zegt Peer ongeduldig. Delianne lacht, scheurt de envelop open en begint meteen voor te lezen.

17


Delianne is nog niet uitgesproken of Peer zegt: ’85!’ Delianne en Daniel kijken hem vragend aan. ‘Het zijn 85 vlaggen,’ herhaalt hij. ‘Ik zit hier al uren en heb de vlaggen al minstens honderd keer geteld,’ overdrijft hij. ‘Het zijn er 85, tel maar na. En ik weet ook waar jullie nu naartoe moeten.’ Heel tevreden met zichzelf kijkt hij Delianne en Daniel aan. Daniel haalt het notitieblok en de pen uit de rugzak en schrijft op: A = 85 Delianne twijfelt. ‘Moeten we ze niet zelf tellen? Stel dat Peer een fout heeft gemaakt.’ ‘Vertrouw je me soms niet? Ik kan heel goed tellen hoor,’ antwoordt Peer verontwaardigd. ‘En de volgende plek waar jullie naartoe moeten is het MAS, dat is de afkorting van Museum aan de Stroom.’ Daniel voert het coördinaat in op zijn mobiel. ‘Het klopt,’ zegt hij. ‘Peer heeft gelijk, we moeten naar het MAS.’ ‘Mag ik mee?’ vraagt Peer. ‘Ik heb niets te doen en ik ken Antwerpen als mijn broekzak. Met mij erbij verdwalen jullie nooit.’ Delianne en Daniel kijken elkaar aan. ‘Ah toe, mag het? Ik verveel me te pletter en ik word gek van al die fotograferende toeristen.’ ‘Oké,’ zegt Daniel, ‘als je me vertelt wat er te vinden is in het MAS.’

18


‘Oh, dat is makkelijk! Ze zeggen dat er botten van de reus liggen, maar dat is helemaal niet waar, ze zijn eigenlijk van een walvis. Vroeger lag er ook een masker, maar dat ligt nu ergens anders,’ antwoordt Peer. ‘Maar je hebt wel een heel mooi uitzicht over de stad vanaf het MAS.’ Delianne pakt de plattegrond erbij. ‘Volgens mij kunnen we het best langs de Schelde lopen, dan weten we zeker dat we niet verdwalen. Dan pakken we de Suikerrui, aan het eind rechtsaf en dan alsmaar rechtdoor.’ ‘Nee, dat zou ik niet doen,’ zegt Peer snel, ‘dat is een heel eind om.’ Delianne kijkt nog een keer op de kaart. ‘Volgens mij valt dat wel mee.’ ‘Nee, echt, ik weet een snellere weg en hij is nog leuker ook, niet alleen maar auto’s.’ ‘Oké, ik ben voor,’ zegt Delianne meteen, ‘ik houd niet van auto’s, laten we meteen vertrekken.’

19


Hoe Antwerpen aan zijn naam komt Heel lang geleden toen de Romeinen heersten over Europa, woonde er aan de rivier de Schelde een reus in een groot kasteel. Zijn naam was Druon Antigoon. Hij zorgde voor een waar schrikbewind. Alle schepen die over de Schelde langs zijn kasteel voeren, moesten tol betalen. Deden ze dat niet, dan hakte de reus hun rechterhand af en gooide die in de Schelde. Totdat Julius Caesar met zijn legioen langskwam op weg naar Brittannië. Hij liet veel vrienden en volgelingen achter in België, om het land dat hij veroverd had te verdedigen, onder hen was Silvius Brabo. Op een dag was Brabo met een groep mannen op verkenning. Ze hadden lang gereden en de paarden waren dorstig. Brabo gaf het bevel: ‘Afstijgen, er moet hier ergens een rivier of een beek zijn waar we de paarden kunnen laten drinken.’ Een van de mannen vertelde dat de Schelde daar niet ver vandaan stroomde. ‘Breng ons daarheen,’ beval Brabo. ‘Graag heer,’ zei de man, ’maar de drinkplaats wordt bewaakt door de reus Druon Antigoon, niemand komt erbij.’

20


‘En daar doen jullie niets aan?’ vroeg Brabo. ‘Nee heer, hij is te sterk, de reus heeft iedereen die het tegen hem probeerde op te nemen gedood en in de rivier gegooid.’ Brabo bedacht zich geen moment. ‘Ik zal hem uitdagen, eens kijken wie er het sterkst is.’ Ze waren nog niet bij het kasteel aangekomen of daar verscheen Druon Antigoon, zijn zwaard dreigend omhoog geheven. ‘Als jullie naar de overkant willen, moeten jullie tol betalen. Of wil iemand met mij vechten?’ In plaats van te antwoorden trok Silvius Brabo zijn zwaard, gaf zijn paard de sporen en reed de reus tegemoet. Met een verschrikkelijke kracht hakte hij de rechterhand van Druon Antigoon af en gooide hem in de Schelde. Als dank mocht Silvius Brabo van Julius Caesar hier een stad stichten. Dankzij de vele voorrechten en privileges die Brabo van Caesar ontving, werd het al gauw een stad van grote betekenis, die in niets onder hoefde te doen voor de steden van het oude Romeinse Rijk. Hoe de stad genoemd werd? Antwerpen! Van het woord hand-werpen. Nog altijd herinnert de naam van de stad aan Brabo’s strijd met de reus Druon Antigoon.

21


Hoofdstuk 4 Met z’n drieën lopen ze het plein af. Peer heeft niets te veel gezegd, ze zigzaggen door straatjes die volgens Delianne niet eens op de kaart staan. Binnen een kwartier zien ze het MAS hoog boven hen. Daniel pakt zijn mobiel, Peer en Delianne kijken met hem mee. ‘Dat is bij de ingang van het MAS,’ zegt Peer en hij gaat ervandoor. ‘Wacht even!’ roept Daniel. Ze steken de straat over en lopen langs het plein waar een ijskarretje staat. Delianne kijkt bewonderend naar de glazen gevel van het MAS: ‘hoe zouden ze dat gemaakt hebben?’ Ze wijst naar het golvende glas, ze loopt ernaartoe en raakt het aan. ‘Het is echt glas.’ ‘Wat maakt dat nou uit,’ zegt Peer ongeduldig, ‘ik wil de volgende brief vinden.’ Hij trekt haar mee aan haar arm. Bij de ingang zien ze de envelop direct zitten, hij zit vastgeplakt op de glazen schuifdeur. Maar pakken wordt niet makkelijk, want telkens als de deur opengaat, verdwijnt de envelop achter het glazen raam. Peer loopt er als eerste op af, maar net als hij de envelop wil pakken, loopt er iemand door de deur en verdwijnt de envelop achter het glas. ‘Hé, dat is flauw!’

22


Daniel heeft een idee. ‘Je moet niet recht voor de deur gaan staan, maar aan de zijkant, dan ziet het oog je niet.’ ‘Welk oog?’ vraagt Peer verbaasd. Daniel wijst naar een klein apparaatje midden boven de deur. ‘Als jij aan de zijkant gaat staan, dan gaat Delianne binnen staan en ik buiten. Wij houden de mensen tegen zodat jij de envelop kan pakken.’ Niet veel later hebben ze de envelop te pakken. Peer opent hem meteen en geeft de brief aan Delianne. ‘Hier, lees jij hem maar voor.’

23


‘Ha, de tweede vraag is makkelijk,’ zegt Peer, ‘dat zijn die botten, maar die zijn niet echt. Schrijf voor de zekerheid dat masker ook maar op. Dat is echt heel oud, dat hebben ze in de zestiende eeuw gemaakt.’ ‘Hoe weet jij die dingen allemaal?’ vraagt Daniel, ‘leer je die hier op school of zo?’ Peer haalt zijn schouders op. ‘Ik ben ouder dan je denkt, hoor. Maar ik weet niet hoe hoog het MAS is,’ leidt hij de aandacht snel van zichzelf af. Daniel pakt het notitieblok erbij. ‘Dat moeten we kunnen uitrekenen. Weet jij hoeveel verdiepingen het MAS heeft?’ Hij kijkt vragend naar Peer. Die knikt. ‘Tien.’ Daniel schrijft het op in het notitieblok. ‘En hoe hoog zou 1 verdieping zijn?’ Hij kijkt omhoog. ‘Ik denk gemiddeld zo’n 6 meter. Dan is het hele gebouw 60 meter hoog,’ zegt hij triomfantelijk. ’65 meter,’ zegt Delianne die weer bij hen is komen staan. ‘Hoe weet jij dat nu weer?’ vraagt Daniel enigszins geërgerd. ‘Ik heb het binnen nagevraagd,’ lacht Delianne. Daniel schrijft het op, samen met de twee antwoorden over Druon Antigoon. ‘Wat gaan we nu doen?’ vraagt Peer, ‘meteen door of eerst het dak op?’

24


Daniel en Delianne kijken elkaar aan. ‘Het dak,’ hakt Daniel de knoop door, ‘ik heb nog niet zo’n honger en volgens mij heeft het volgende coördinaat iets met eten te maken.’ Delianne knikt. Ze lopen het museum in en nemen de roltrap naar boven. Het waait hier een stuk meer dan beneden, maar het is nog steeds lekker weer. ‘Wow, je kan echt ver kijken hier.’ Daniel staat met zijn handen en zijn neus tegen het raam geplakt. ‘Kijk, de Schelde!’ wijst zijn zus, ‘en heb je het plein hierbeneden gezien?’ Daniel en Peer kijken naar beneden, nu zien ze het ook: op het plein is met verschillende kleuren steen een afbeelding gemaakt. Als je er overheen loopt zie je niets, maar van zo hoog wel. Met z’n drieën maken ze een rondje over het dak. ‘Waar woon jij eigenlijk? Kun je dat zien vanaf hier?’ vraagt Delianne. Peer knikt. ‘Zie je de Schelde en het kasteel ernaast?’ De tweeling kijkt, na een tijdje knikken ze. ‘Daar dus.’ ‘Woon jij in een kasteel?’ Daniel kijkt Peer bewonderend aan. ‘Ja zoiets,’ zegt Peer een beetje stug. ‘Zullen we weer naar beneden gaan?’ Ze nemen alle roltrappen weer naar beneden en gaan het museum uit. Daniel voert de coördinaten in, de volgende bestemming is de Groenplaats.

25


Hoofdstuk 5 ‘We nemen een andere weg terug,’ zegt Peer, ‘dan kan ik jullie iets laten zien.’ Deze keer lopen ze eerst een stuk rechtdoor, gaan dan rechtsaf en dan komen ze bij een basketbalveld. ‘We zijn er,’ zegt Peer. ‘Waar zijn we?’ vraagt Daniel. ‘Bij de Sint-Pauluskerk, daar wil ik jullie wat laten zien.’ ‘Ik ga echt geen kerk bekijken, daar heb ik een enorme hekel aan,’ zegt Daniel. ‘Die wil ik jullie ook niet laten zien, loop nu maar gewoon mee.’ Peer loopt door de poort naar binnen. ‘Weet je wel zeker dat we hier naar binnen mogen?’ vraagt Delianne. ‘Ja hoor, iedereen mag hier komen zolang de poort open is.’ Een beetje aarzelend lopen Delianne en Daniel achter Peer aan. Ze lopen door een donkere gang naar een tuin waar heel veel beelden staan. Peer loopt het gras op en verdwijnt achter een van de beelden. Ze horen gejank en geblaf achter het beeld vandaan komen. Als Peer weer tevoorschijn komt, heeft hij een puppy in zijn armen. ‘Ah, wat is hij lief, is hij van jou?’ Delianne aait zijn kop. Het hondje probeert haar te likken. Ze lacht. ‘Kom, dan nemen we hem mee naar buiten, hij mag hier eigenlijk niet zijn,’ zegt Peer.

26


Met z’n drieën lopen ze naar buiten. Naast het basketbalveld staan bankjes, daar gaan ze zitten. Het hondje springt van de een naar de ander. ‘Is het jouw hondje?’ vraagt Delianne nogmaals. ‘Ik heb hem gevonden,’ zegt Peer, ‘hij is eigenlijk van niemand. Als ik niet voor hem zorg, dan gaat hij dood. Zijn moeder was een straathond, maar die is onder een auto gekomen. Er was nog een hondje, maar die heeft het niet gered. Ik heb ze hier begraven,’ zegt hij al knikkend naar de kerk waar ze net vandaan komen. ‘Hoe heet hij?’ vraagt Daniel. ‘Hij heet Wapper,’ antwoordt Peer met een schuine glimlach. ‘Wat een grappige naam,’ antwoordt Delianne. Het hondje kwispelt alsof hij weet dat ze wat leuks gaan doen. Het is niet ver meer naar de Groenplaats en met het hondje erbij gaat het nog sneller. Als ze op de Groenplaats staan, pakt Daniel zijn mobieltje. ‘We zitten al bijna op het nulpunt,’ zegt hij. ‘Als het met eten te maken heeft, dan zitten we hier goed,’ zegt Delianne. ‘We staan precies voor een frituur. Ik begin nu toch wel honger te krijgen.’ ‘Eerst de volgende envelop vinden,’ zegt Daniel. Wapper loopt naar de dichtstbijzijnde boom, doet z’n achterpoot omhoog en plast tegen de stam aan.

27


Delianne is met hem meegelopen, ze kijkt omhoog waar iets wits haar oog trekt. ‘Ik heb hem gevonden,’ schreeuwt ze. Boven haar hoofd bungelt een envelop aan een touwtje. ‘Ik kan er net niet bij. Daniel, lukt het jou? Jij bent langer.’ Het lukt! Daniel loopt naar een bankje aan de rand van het plein. Delianne gaat aan de ene kant zitten, Peer aan de andere kant en Wapper staat met zijn poten op de knieën van Daniel. Daniel begint direct voor te lezen:

28


Peer kijkt een beetje sip als de brief uit is. ‘Wat is er?’ vraagt Delianne. ‘In de brief staat dat het bijna afgelopen is en dan zie ik jullie nooit meer,’ zegt Peer verdrietig. ‘Maar we zijn nog niet weg,’ reageert Daniel, ‘we zijn hier het hele weekend. En de speurtocht is nog niet afgelopen, nu eerst lekkere frietjes eten. Ik neem de grootste zak die ze hebben. Wat neem jij?’ Niet veel later zitten ze op het bankje met alle drie een grote zak friet voor zich. Peer wil een frietje aan Wapper geven, maar Delianne houdt hem tegen. ‘Dat moet je niet doen, hondjes kunnen daar niet tegen, daar krijgen ze buikpijn van.’ ‘Maar hij heeft ook honger,’ reageert Peer verontwaardigd. ‘Dan halen we zo hondenbrokjes voor hem, er is vast een supermarkt in de buurt.’ Als Daniel zijn zak friet op heeft, pakt hij een flesje water uit zijn tas, gaat op zijn knieën zitten en giet een beetje water in zijn hand. Hij houdt zijn hand voor de bek van Wapper, die het water direct opslobbert. Daniel blijft water in zijn hand gieten tot Wapper genoeg gedronken heeft. Peer weet een supermarkt te vinden. Daniel blijft buiten wachten met Wapper terwijl Peer en Delianne samen naar binnen gaan.

29


Daniel heeft een hekel aan supermarkten, hij speelt liever met Wapper. Hoe zou het zijn als hij hun hond was? Hij heeft altijd al een hond willen hebben, maar het is er thuis nooit van gekomen. Hij weet dat zijn zus ook gek op honden is. Als Delianne en Peer weer naar buiten komen, hebben ze behalve brokjes ook twee bakjes bij zich. ‘Eentje voor brokjes en eentje voor water,’ legt Delianne uit, ‘dat is makkelijker dan hem uit je hand te laten drinken.’ Als Wapper de brokjes op heeft, stoppen ze de bakjes en het voer in de rugzak. ‘We moeten nu naar Sint-Jansvliet,’ zegt Daniel, ‘dat is hier vlakbij.’ ‘Oh, dan weet ik waar we naartoe gaan,’ reageert Peer, ‘naar de Sint-Annatunnel, dat is de voetgangerstunnel naar de andere kant van de Schelde.’

30


Hoofdstuk 6 Op hun gemak slenteren ze naar de Sint-Annatunnel, het is halverwege de middag en de zon schijnt. Wapper drentelt een beetje om hen heen. Delianne heeft in de supermarkt ook nog drie flesjes frisdrank gekocht, voor ieder een flesje, maar na één slok spuugt Peer de frisdrank weer uit. ‘Dat is echt smerig! Nog viezer dan water uit de Schelde.’ Delianne en Daniel beginnen te lachen. ‘Heb jij nog nooit frisdrank gedronken?’ vraagt Delianne. Peer steekt zijn tong uit. ‘Nee, en ik hoef het ook nooit meer te drinken.’ Daniel haalt een flesje water uit de rugzak en geeft het aan Peer, die kijkt er wantrouwig naar. ‘Dit kun je gerust drinken, dit is gewoon water uit de kraan, hetzelfde dat we aan Wapper hebben gegeven.’ Gerustgesteld neemt Peer een grote slok. ‘Lekker! Dat is beter.’ Vervolgens drinkt hij het hele flesje in één keer leeg. ‘Zo, jij had dorst,’ zegt Daniel. ‘Ja best wel, ik kan me niet herinneren wanneer ik voor de laatste keer heb gedronken,’ zegt Peer. ‘Ze houden hier wel van sporten,’ zegt Delianne als ze bij het Sint-Jansvliet aankomen, ‘alweer een basketbalveld.’

31


‘Dat gebouw daarachter is de ingang naar de voetgangerstunnel,’ wijst Peer. ‘Dan zal de laatste envelop daar ergens hangen, denk ik.’ Daniel loopt meteen door. ‘Ik denk niet dat we mijn mobiel nodig hebben.’ Ze kijken bij de ingang, maar zien niets. Ze lopen een rondje om het hele gebouw heen, maar een kwartier later hebben ze nog steeds geen envelop. ‘Deze is wel moeilijk hoor, stond er geen hint bij?’ vraagt Delianne aan Daniel. ‘Ja, maar ik snap er niets van,’ zegt Daniel. ‘Hoe diep gaan jullie?’ leest hij voor. ‘Ik wel,’ zegt Delianne, ‘we moeten naar beneden, de laatste envelop ligt beneden.’ ‘Oh leuk, mogen we dan alle roltrappen af?’ Peer huppelt bijna. ‘Dat heb ik nu altijd al een keer willen doen.’

32


‘Woon jij hier en heb je nog nooit deze roltrap genomen? Dan wordt het inderdaad tijd, kom op.’ Daniel duwt Peer voor zich uit. Ze lopen het gebouw in en nemen de roltrap naar beneden. ‘Dit is de oudste roltrap van Antwerpen,’ vertelt Peer. ‘Hij is grotendeels van hout gemaakt.’ Delianne schudt haar hoofd, ‘jij weet ook echt de raarste feitjes, je lijkt soms wel een reisgids.’ Na de eerste roltrap volgen er nog meer, tot ze diep onder de grond een lange halfronde tunnel zien met tegen het plafond een lange rij tl-buizen. Aan de rechterkant hangt een brandblusser met aan de zijkant een envelop geplakt. ‘Hebbes!’ zegt Peer en hij grist de envelop van de brandblusser. Hij maakt de envelop open en geeft de brief aan Daniel. ‘Lees jij hem maar voor,’ zegt Daniel. Peer schudt zijn hoofd, ‘ik kan niet zo goed lezen, veel verder dan mijn naam kom ik niet. Hij haalt een briefje uit zijn zak en laat het aan Daniel en Delianne zien. Peer P. Lawang staat geschreven op het briefje. ‘Waarom heb je dat opgeschreven?’ vraagt Delianne verwonderd. ‘Dan vergeet ik het niet,’ zegt Peer met een ondeugende grijns op zijn gezicht terwijl hij het briefje weer wegstopt.

33


Hoofdstuk 7 Delianne pakt de andere brief van Peer en begint te lezen:

Delianne en Daniel kijken allebei naar Peer, zou hij de antwoorden weer weten? Hij stelt hen niet teleur. ‘De tunnel is precies 572 meter en we zitten 31,57 diep, dat is afgerond 32 meter.’

34


Ze nemen de roltrap weer omhoog en gaan als ze boven zijn op een bankje aan de rand van het basketbalveld zitten om het coördinaat te berekenen. Daniel pakt het notitieblok en een pen en geeft het aan Delianne. ‘Schrijf jij alles op? Dan reken ik het uit op mijn mobieltje.’ Delianne opent het notitieboek. ‘Heeft iemand D opgezocht?’ Ze kijkt naar Daniel en Peer. Die schudden allebei hun hoofd. ‘Lekker dan, nu moeten we weer terug. Wat was de vraag ook alweer?’ ‘Volgens mij het nummer van de frituur,’ zegt Peer, ‘ik loop wel even terug.’ ‘Nee dat hoeft niet,’ zegt Daniel, ‘ik googel het adres wel.’ Hij tikt wat op zijn mobieltje. ‘Groenmarkt 12,’ zegt Daniel, ‘dus antwoord D is 12.’ Ze zetten alle antwoorden op een rijtje. Daniel vult voor de laatste keer een coördinaat in op zijn mobieltje. Peer en Delianne kijken over zijn schouder mee.

35


‘Het zit midden op Antwerpen-Centraal, rare plaats voor een cache.’ Daniel staat op. ‘Kom op, dan gaan we.’ Delianne staat ook op. Peer blijft verdrietig zitten. ‘Ik kan niet mee, ik mag niet zo ver bij de Schelde vandaan.’ Delianne en Daniel gaan aan weerskanten van hem zitten. ‘Waarom niet?’ vraagt Delianne. ‘Dan ga je toch gewoon stiekem,’ stelt Daniel voor. Peer schudt zijn hoofd. ‘Dat gaat niet, ik moet hier blijven. Maar willen jullie Wapper meenemen? Ik kan niet voor hem zorgen en jullie zijn goed voor hem.’ Delianne en Daniel knikken allebei bedrukt. ‘Ga dan maar gauw, ik hou niet van afscheid nemen.’ Delianne slaat haar armen om hem heen en geeft hem een knuffel. Daniel stompt hem tegen zijn schouder. ‘Het was leuk en bedankt voor het hondje.’ Peer aait Wapper nog één keer en dan lopen ze richting het station. Als ze halverwege het basketbalveld zijn, draaien ze zich nog één keer om, het bankje is leeg. Peer is weg. Delianne en Daniel lopen naar het station. Eerst nog stil omdat Peer zomaar verdween, maar Wapper is zo vrolijk dat ze vanzelf ook weer vrolijk worden. Daniel heeft een stok gevonden en Wapper probeert hem af te pakken. Als het gelukt is, legt hij de stok weer voor de voeten van Daniel en begint het spelletje opnieuw.

36


Als ze het station inlopen, wil Daniel zijn mobiel pakken als Delianne zegt: ‘Hé, daar staan papa en mama.’ Ze lopen naar hen toe. ‘Wat hebben jullie nu bij je?’ vraagt hun moeder. ‘Een puppy, die hebben we van Peer gekregen,’ zegt Delianne. ‘Wie is Peer?’ vraagt hun vader. ‘Dat is de jongen aan wie jullie de eerste envelop gegeven hebben,’ antwoordt Daniel. ‘Maar die eerste brief hebben we onder een kei verstopt in de buurt van het beeld, we kennen geen Peer,’ reageert hun moeder. ‘Kennen jullie Peer echt niet?’ vraagt Delianne, ‘maar hij zei dat hij die brief aan ons moest geven van jullie. Hoe wist hij dan wie wij waren?’ ‘Misschien heeft hij ons gezien en zag hij jullie zoeken,’ antwoordt haar vader. ‘Maar wat doen we met het hondje?’ Hij knielt voor Wapper neer. Wapper springt tegen hem op. ‘Mogen we hem houden? Zijn moeder is dood en zijn broertje ook, hij is helemaal alleen.’ Delianne kijkt op haar allerliefst naar haar vader. ‘Please ...’ Haar moeder kijkt naar haar vader. ‘Hij is wel heel erg lief en hij is alleen.’ ‘Oké, hij mag blijven,’ geeft hun vader toe. Daniel en Delianne knuffelen hem en Wapper springt om hen heen.

37


Hoofdstuk 8 Met z’n vijven lopen ze door de stad. Wapper aan zijn nieuwe rode lijn moet overal even ruiken. Op de Grote Markt kijken ze of ze Peer zien. Maar bij het beeld zien ze enkel de fotograferende toeristen waar hij zo’n hekel aan had. ‘Laten we bij het kasteel gaan kijken,’ stelt Delianne voor. Via de Suikerrui lopen ze over het Steenplein naar het kasteel. Hoe dichter ze bij het kasteel komen, hoe harder Wapper aan zijn lijn trekt. Tot Daniel half hollend vooroploopt samen met Wapper. Aan het begin van de oprit naar het kasteel stopt hij en springt tegen de sokkel van een beeld op en begint te blaffen. ‘Wat is er aan de hand, Wapper?’ Daniel probeert hem tegen te houden. Delianne loopt naar het beeld. Onderaan zit een koperen plaatje: Lange Wapper staat erop. ‘Hé, hij heet net als jij Wapper.’ Delianne aait de hond. Ze kijkt omhoog. ‘Hij komt me bekend voor.’ ‘Hij lijkt op Peer!’ roept Daniel. Wapper begint te blaffen. ‘Volgens mij vindt hij dat je gelijk hebt,’ lacht Delianne. ‘Wacht eens,’ zegt hun moeder, ‘hoe zeiden jullie ook alweer dat Peer helemaal heet?’

38


‘Peer Pang Pang of zoiets,’ antwoordt Delianne. ‘Hoezo?’ Haar moeder pakt een papiertje en schrijft er wat op. ‘Was het Peer P. La Wang?’ ‘Ja!’ zegt de tweeling tegelijk. ‘Hoe weet je dat?’ vraagt Daniel. Hun moeder geeft hen het papiertje. ‘Omdat het een perfect anagram is van Lange Wapper. Volgens mijn zijn jullie bij de neus genomen.’

39


Lange Wapper Bij het Steen, het kasteel langs de Schelde, staat sinds 1963 een bronzen beeld van Lange Wapper, een echte plaaggeest. Een van zijn fratsen was dat hij zich zo lang kon maken dat hij door de vensters van de hoogste verdiepingen naar binnen kon kijken. Zo staat hij ook afgebeeld. De legende wil dat de plaaggeest vooral ‘s nachts tevoorschijn kwam en dan dronkaards achtervolgde. Eerst liep hij als klein mannetje achter hen aan, maar hij kon zich almaar groter maken, tot hij boven de huizen uitstak. Als de dronkaard dan hijgend en zwetend thuiskwam, keek Lange Wapper door zijn raam naar binnen. Hij vond het leuk om spelletjes te spelen met kinderen, maar hij hield ze telkens voor de gek en verdween dan lachend in het niets.

40


Delianne en Daniel gaan een weekend naar Antwerpen met hun ouders. Maar ze hebben er helemaal geen zin in. Totdat ze in de stad aankomen en er een heuse speurtocht begint. Waar zijn ze naar op zoek? En wie is Peer?

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 6. ISBN 978 90 486 2537 6 Bestelnummer 60 1021 597 KB D/2016/0147/106 NUR 191 Illustraties: Marion Vrijburg Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 625376

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - 6e leerjaar - N3 - Antwerpen by die Keure - Issuu