ucatieve uitgaven
BIEB
Bootje varen Nina Flores
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 6
4
Bootje varen
1
2
VOORWOORD Ik hou van water. Rivieren, beken, meren en plassen: ik vind ze prachtig. Ze spreken allemaal tot mijn verbeelding. Ik vind het ontzettend fijn om erlangs te fietsen of te wandelen. Ik kan het dan niet laten om even te stoppen en te zwaaien naar de schippers op hun boten. Dan vraag ik mij af waar ze vandaan komen en waar ze naartoe gaan. Wat ze vervoeren en hoelang ze al onderweg zijn. En of dat niet het mooiste is wat er bestaat, leven en werken op het water. Soms droom ik zelfs van water. Dan zie ik mezelf aan het roer van een boot. Zo’n hele lange die allerlei belangrijke spullen vervoert. Dan zwaai ik naar alle mensen op de fiets langs de kant van het water. Of ik droom van peddelen, in een roeibootje. Of van zeilen, surfen, waterskiën of wakeboarden. (Dat is een beetje hetzelfde als waterskiën, maar dan op één plank in plaats van op twee ski’s.) Maar niet echt, hoor. Ik ben namelijk helemaal niet sportief. Ik zie mezelf niet meteen hangen aan een touw achter zo’n speedbootje aan. Echt niet! Ik brak vast meteen mijn twee benen. Of ik ging onder en kwam nooit meer boven en ik verdronk. Gelukkig zijn er ook een pak andere dingen te zien en te beleven op en rond het water!
3
DE BELGISCHE WATERWEGEN Een waterweg is water waarop je kunt varen. Zo simpel is dat. Het is dus water dat als een weg gebruikt wordt, om van de ene plek naar de andere te gaan. Er zijn verschillende soorten waterwegen: aan de ene kant hebben we de natuurlijke waterlopen (rivieren en beken), en aan de ander kant de waterlopen die door de mens aangelegd zijn (grachten en kanalen). In België zijn er ongeveer 2000 kilometer waterwegen. Dat is heel wat, vooral als je bedenkt dat België niet zo groot is: de langste afstand die je in ons land kunt afleggen, is slechts 280 km. Van die 2000 km zijn er meer dan 1500 die gebruikt worden voor de beroepsvaart, dus voor het vervoer van goederen. Op die andere, kleinere waterwegen kan er ook gevaren worden, maar dan door kleinere boten. Die worden meestal gebruikt voor de pleziervaart.
4
Het grootste deel van het bevaarbare water (1400 km) ligt in Vlaanderen, en niet in Wallonië. Daar hebben ze natuurlijk ook veel rivieren, maar vaak zijn die te klein om op te varen. Of er zit te veel stroming op. Elke rivier is anders: breed of smal, lang of kort, diep of ondiep. En ook elke boot is anders. Er zijn bootjes van een paar meter lang, die nauwelijks een paar centimeter diep in het water zitten. Maar er zijn ook schepen die tot 95 meter lang zijn en bijna drie meter diep gaan. Vóór je met je boot of schip op het water gaat, is het dus belangrijk om te weten of je daar wel kunt varen. Anders kun je vast komen te zitten! Gelukkig bestaat er daarvoor een lijst van de waterwegen. Daar staat op welke vaartuigen op welk water kunnen varen. Anders moest je zelf met een meter aan de slag. Stel je voor! Bovendien kom je op veel waterwegen ook bruggen tegen. Dan kun je maar beter op voorhand weten of jouw boot eronderdoor kan.
5
REGLEMENTEN Zoals je weet, zijn er in het verkeer heel wat regels om te zorgen dat alles vlot en veilig verloopt. Ook op het water is dat zo. Eerst en vooral zijn er de voorrangsregels. Er zijn er heel wat, maar dit zijn de belangrijkste: • Wie aan de rechterkant van de rivier vaart, heeft voorrang; • Grote boten hebben voorrang op kleinere boten; • Beroepsvaart heeft voorrang op pleziervaart. Daarnaast zijn er op het water ook verkeerslichten én verkeersborden. Ze duiden aan waar je wel en niet mag varen, waar je voor anker mag gaan, waar er gewaterskied mag worden en nog veel meer. Tot slot zijn er nog de geluidsseinen. Alle boten hebben een (mist)hoorn of een toeter aan boord. Dat dient niet alleen om elkaar te begroeten of te doen schrikken. De eerste reden voor die hoorn of toeter is om andere boten te laten weten dat er gevaar dreigt, dat ze elkaar voorbij willen steken of dat ze rechtsomkeer willen maken.
6
Wist je trouwens dat er ook voor boten een vaarbewijs of stuurbrevet bestaat? Op de beroepsvaart moet iedereen dat natuurlijk hebben. Maar voor de pleziervaart is het niet altijd nodig. Alleen als je boot meer dan 15 meter lang is of sneller dan 20 km/uur kan varen, heb je zo’n brevet nodig. Je moet daarvoor, net als voor een gewoon rijbewijs, een examen afleggen. Ook voor je vaartuig zelf zijn er regels. Zo is het verplicht om voor iedereen die meevaart een reddingsvest aan boord te hebben. Ook moet er een misthoorn of toeter op de boot aanwezig zijn, een anker, roeispanen, twee touwen en een blusapparaat. Zelfs op een kajak of een kano moet je je voorzorgen nemen. Daar moet je minstens een opblaasbaar kussen bij hebben, een fluit, een reservepeddel, een licht en een touw. Als je dat allemaal niet hebt, dan blijf je beter op de oever. Of dan gebruik je een luchtmatras.
7
8
BEROEPSVAART Wanneer we het hebben over vervoer van dingen, denken we vaak aan transport over de weg. Vrachtwagens dus. Heel veel vrachtwagens, vol met eten, drinken, kleren, brandstof en noem maar op. Maar het vervoer van al die zaken kan heel vaak ook over het water. Dat heeft trouwens een pak voordelen! 1 Het is sneller. Ja, echt waar. Een schipper staat immers niet in de file. Natuurlijk moeten ook schepen weleens wachten, aan een sluis bijvoorbeeld. Maar toch verliezen ze veel minder tijd dan vrachtwagens. Daardoor heb je meer kans dat je lading op tijd aankomt. 2 Het vervuilt veel minder. Heb je al eens gezien hoeveel vuile rook er uit een dieseltrein komt? Bij een schip is dat de helft daarvan. En maar een kwart zoveel als bij een vrachtwagen. Een stuk properder dus. 3 Het verbruikt minder brandstof. Oh, ja. Wel drie tot vijf keer minder. Dat is dus veel zuiniger dan het verkeer over de weg. Waarom zouden we brandstof verspillen als dat niet nodig is? 4 Het is veiliger. Op de weg zijn er bijna elke dag wel ongevallen, terwijl dat op het water haast nooit gebeurt. Bovendien zijn de schepen tegenwoordig zo gebouwd, dat de lading én de mensen op de boot bijna altijd veilig zijn. Redenen genoeg dus om te kiezen voor vervoer per boot!
9
Er worden veel soorten schepen gebruikt in de beroepsvaart. Ze hebben stuk voor stuk een verschillende grootte, vervoeren andere dingen en varen op andere waterwegen. Wist je dat er eigenlijk zelfs geen twee schepen bestaan die helemaal hetzelfde zijn? Echt waar. Ze zijn allemaal anders en uniek. Maar er zijn natuurlijk wel schepen die op elkaar lijken. Die behoren dan tot dezelfde soort. Dit zijn de belangrijkste: • Droge ladingschepen: Dit zijn schepen die losse stukken of droge dingen in heel erg grote hoeveelheden vervoeren. Dat kan graan zijn of kolen of veevoeder. Droge ladingschepen hebben luiken waarmee het ruim wordt afgesloten om alles droog te houden. • Tankschepen: Tankschepen vervoeren vloeistoffen (zoals benzine), gassen en poeders. Vaak zijn dat gevaarlijke zaken, die giftig zijn of kunnen ontploffen of in brand schieten. Ze worden over water vervoerd, omdat dat veiliger is dan met de vrachtwagen of de trein. Op die manier moeten ze niet door de steden passeren. • Duw- en sleepboten: Een duwboot kun je een beetje vergelijken met een locomotief van een trein. Het is een soort machinekamerboot die andere boten voortduwt. Die andere bakken hebben namelijk geen motor, net zoals treinwagons; het zijn duwbakken. Een sleepboot lijkt dan weer op een duwboot, maar hij sleept andere boten voort in plaats van ze te duwen.
10
In België varen er niet minder dan 1221 schepen op de binnenvaart. Het grootste deel daarvan (962) zijn droge ladingschepen. Daarnaast zijn er nog 168 tankschepen en 91 duw- en sleepboten. En weet je hoeveel die allemaal samen vervoeren? Hou je vast, hier komt het! 1.861.548 ton.
11
Bijna twee miljoen ton. Dat is bijna twee miljoen keer duizend kilo. Stel je voor dat dat allemaal over de weg vervoerd zou moeten worden. Dan raakte je met je autootje nergens meer! Om je even een idee te geven: de kleinste boten op de binnenvaart kunnen evenveel vervoeren als 14 vrachtwagens. Die boten noemen we een spits. Ze zijn minder dan 40 meter lang en 5 meter breed. Ze worden vooral gebruikt op smalle waterwegen. Het nadeel van een spits, is dat hij niet zoveel in één keer kan meenemen én dat hij tamelijk traag is. Maar het voordeel is dat hij op bijna alle binnenwateren van Europa kan varen, net omdat hij zo klein is. Net iets groter dan een spits, is de Kempenaar. Die heet zo, omdat hij in het begin vooral gebruikt werd op de kanalen in de Kempen1. De Kempenaar is 50 meter lang en bijna 7 meter breed, en hij kan evenveel vervoeren als 30 vrachtwagens. Lijkt je dat al veel? Eigenlijk is dat nog niets. Er zijn containerschepen die evenveel kunnen vervoeren als 250 vrachtwagens! Die zijn natuurlijk nog een stuk groter: 135 meter lang en 17 meter breed. De containers worden met een grote kraan bovenop elkaar geplaatst. En het allergrootste is een duwkonvooi. Dat is een duwboot met een hoop duwbakken ervoor. Zo’n duwkonvooi kan wel tot 190 meter lang zijn en kan evenveel vervoeren als 440 tot 660 vrachtwagens! Onvoorstelbaar, toch?
12
Al die schepen moeten natuurlijk ook geladen en gelost worden. Dat gebeurt vaak in een haven, vooral wanneer het om containerschepen gaat. Daarvoor bestaan zelfs speciale havens. Maar soms wordt een schip ook gewoon geladen en gelost op de kade van een fabriek. Veel bedrijven liggen aan het water, omdat ze dan rechtstreeks hun spullen op het schip kunnen laden. Dat is wel handig. En snel.
13
Mensen die de kost verdienen met dit soort vervoer, werken in de beroepsvaart. Dat zijn er heel wat. Hieronder vind je een lijstje van de belangrijkste beroepen: • De schipper of kapitein: de eigenlijke baas van het schip. • De stuurman: de bestuurder van het schip. • De machinist: de persoon die verantwoordelijk is voor de machines en de motoren. • De matroos: iemand die ongeveer alle werkjes aan boord kan uitvoeren. Knopen leggen, het schip onderhouden of aan het roer staan, de matroos kan het allemaal.
14
PLEZIERVAART Varen met een jacht, roeien, zeilen en varen met een kano: het valt allemaal onder de pleziervaart. Het is dus wel duidelijk dat niet iedereen die een boot heeft en vaart, dat doet om de kost te verdienen. Veel mensen varen gewoon voor de lol. Want het is gewoon ook reuzefijn om te varen of om je te laten varen.
15
De pleziervaart bestaat al van aan het einde van de 17e eeuw en is ontstaan in Nederland. Dat is ook logisch: Nederland was erg rijk omdat het veel handel voerde met andere landen. Er werden dan ook al snel boten gemaakt die niet bedoeld waren voor transport, maar voor ontspanning. Op oude schilderijen van havens kun je die boten zien tussen de grotere schepen die wel voor de handel dienden. Die eerste plezierboten werden speeljachten genoemd. Ze waren snel en erg luxueus ingericht, en er was altijd een hoop personeel aan boord. Korte tijd later, in de 18e eeuw, kwamen er boten met kajuiten op, en nog iets later waren er mooie, sierlijke stoomjachten. Omdat al deze boten erg veel geld kostten, was het een hobby die alleen heel rijke mensen zich konden veroorloven. Het is pas vanaf de 20e eeuw dat er ook kleine plezierbootjes werden gemaakt. Tegenwoordig gaan mensen niet alleen meer het water op om rustig te varen en te ontspannen, maar ook om zich in te spannen. Ze doen dan aan watersport: elke soort sport die je in of op het water kunt beoefenen. En dat zijn er heel wat: roeien, zeilen, zwemmen, kanovaren of kajakken, windsurfen, waterskiën, jetskiën2 , wakeboarden3 en tubing4.
16
Nu denk je misschien dat watersport tamelijk nieuw is, maar dat is niet zo. Sommige sporten bestaan al honderd jaar of langer. Zo werden er in de 19e eeuw al zeil-, roei- en kanowedstrijden georganiseerd. De allereerste kanotoerist was een Schotse advocaat. John MacGregor had de kano leren kennen tijdens zijn reizen naar Amerika en Canada. Hij vond hem zo fantastisch, dat hij zijn eigen houten kano bouwde toen hij terug in Schotland was.
17
Halverwege de 19e eeuw reisde hij ermee door een groot stuk van Europa, over de Oostzee5 en door Egypte, Syrië en Palestina. Hij was een echte avonturier en werd ooit zelfs een keer gevangengenomen in Israël. De bedoeïenen6 tilden hem met boot en al uit het water. Gelukkig liep het goed af, en MacGregor was de eerste die een landkaart van het gebied zou tekenen. Ook waterskiën is ouder dan je zou denken. Het bestaat al sinds 1922. Al moet ik er wel bij vertellen dat het toen nog niet helemaal was zoals nu. De eerste waterskiër ooit was de Amerikaan Ralph Samuelson. Bij zijn eerste poging bond hij twee planken van een houten vat aan zijn voeten en liet zich aan een waslijn voorttrekken door een boot. Later deed hij dat nog eens over met echte ski’s voor op de sneeuw. Uiteindelijk maakte hij zijn eigen waterski’s van dennenhout dat hij kookte in de koperen ketel van zijn moeder, om de punten vooraan omhoog te kunnen buigen. Je mag echter niet zomaar overal watersport beoefenen. Op sommige waterwegen mag je niet snel varen, dus daar kun je niet waterskiën of wakeboarden. Op andere mag je dan net weer niet met een roeibootje of een kano varen. Vaak is dat omdat er op die wateren veel grote boten varen en dan is het gevaarlijk om daar te gaan peddelen. Je kunt het een beetje vergelijken met een autosnelweg. Daar ga je toch ook geen ritje maken met je fiets of je skateboard?
18
WOONBOTEN Er zijn ook mensen die op een boot wonen, in plaats van in een huis. Eerst en vooral de schippers natuurlijk, die de beroepsvaart doen. Zij varen vaak dag en nacht, en wonen dus aan boord van hun schip. Maar zij zijn niet de enige! Op de foto hierboven zie je Eric en Margaret, een Brits echtpaar dat liever op het water woont dan aan land. Op het water zijn ze dichter bij de natuur en is het veel rustiger. Perfect dus om zonder stress door het leven te gaan. Ze hebben dan ook alles aan boord wat ze nodig hebben.
19
Er is een stuurcabine, een woonruimte (of kajuit) met keuken en zitplaats, een badkamer met douche en toilet, een slaapkamer en nog twee kleine kamertjes. Die zijn écht piepklein, maar wel nog net groot genoeg om een matras in te leggen en een jas op te hangen. Je zou er dus eigenlijk ook kunnen in slapen, en dan heb je plek voor 4 personen aan boord. Elektriciteit halen ze uit de zonnepanelen op het dek en uit de dieselgenerator7 wanneer het slecht weer is. Drinkwater vinden ze dan weer wanneer ze aanleggen in een haven of aan een kade bij een sluis. De boot waarin ze wonen, was vroeger een transportschip. Van 1923 tot 1981 werd hij gebruikt om fruit te vervoeren. Maar daar merk je nu helemaal niets meer van. Het lijkt wel alsof het altijd zo’n knusse woning is geweest.
20
SCHIPPERSTAAL Als je wilt gaan varen, zijn er een aantal woorden die je zeker moet kennen. Anders loop je veel kans ergens tegenaan te varen. Of te kapseizen8 en te zinken! Eerst en vooral moet je de delen van je boot kunnen benoemen. Zo is er de boeg: dat is de voorkant of de voorsteven van een boot. De kajuit of de hut is de plek aan boord waar je verblijft en de stuurcabine is de plek vanwaar de schipper de boot bestuurt. Het ruim, ten slotte, zit onderin en dat is de ruimte waarin de lading wordt vervoerd.
21
Als je aan het stuur – of beter: aan het roer – van een schip staat, dan moet je vast en zeker ook onthouden wat stuurboord en bakboord is. Stuurboord is de rechterkant van het schip, als je op het schip naar de boeg kijkt. Dat is ook logisch, want bij een schip staat het stuur (of het roer) meestal aan de rechterkant. En dus niet links, zoals bij een wagen. Bakboord is dan de linkerkant van het schip, als je op het schip naar de boeg kijkt. Aanleggen doe je aan de kade of de wal, en daar leg je je boot vast aan een bolder. Dat zie je op de foto hieronder. Het is een soort paaltje, in de vorm van een zwaar blok dat stevig vaststaat op de kade. (Ook op een schip staat vaak een bolder. Dan kan het touw ook daar omheen.) Bolders worden gebruikt om de schepen vast te leggen. De bovenkant van de bolder is dikker dan de onderkant. Op die manier kan het touw er niet afglijden.
22
HET JAAGPAD Je hebt vast al meer dan eens een jaagpad gezien. Misschien heb je er zelfs al op gewandeld of gefietst, maar wist je niet dat het een jaagpad was. Het is dan ook niet zomaar een wandelof een fietsweg. Ik leg het je even uit. Let goed op, dan vergeet je het nooit meer!
23
Een jaagpad of een trekpad is de smalle weg langs een waterweg. Vroeger werd dit pad gebruikt om schepen voort te trekken, of te ‘jagen’. Vandaar de naam. Zelfs in de tijd van de Romeinen deden ze dit al. Boten hadden toen nog geen motor, en vaak waren de rechte stukken rivier te kort om het zeil op te zetten. Of het was te druk door de vele andere boten, of de wind kwam van de verkeerde kant, er was geen wind genoeg of er was er net veel te veel … Het was altijd wel wat! Maar de vrachten moesten toch geleverd worden, of het weer nu goed was of niet. De aardappelen en de kolen moesten naar de markt. Daarom moest de boot getrokken worden, of ‘gejaagd’. Meestal gebeurde dat door een paard, maar soms gebeurde dat ook door mensen. Je kon in die tijd een scheepsjager huren, met of zonder jaagpaard, om je boot te trekken. Maar dat kostte natuurlijk geld, en schippers waren niet altijd erg rijk. Dus waren het de kinderen of de schippersvrouw die de boot trokken, met een dik touw dat aan een brede riem rond hun schouders zat. Een beetje zoals een halster van een paard. Ze leken wel trekezeltjes! De schipper zelf bleef aan boord. Niet omdat hij te lui was om dat harde werk te doen. Maar er moest nu eenmaal iemand de boot besturen en klaarstaan om het zeil op te zetten als er plots een goede wind stond. Hij had dus ook wel zijn handen vol.
24
25
Tegenwoordig zie je vaak mooie rijen bomen langs de waterkant, maar dat was vroeger niet het geval. Er mochten zo weinig mogelijk dingen staan tussen het jaagpad en het water. Zelfs geen paaltjes of hoge struiken. Anders kon de scheepsjager er niet langs met zijn touw en dan gebeurden er ongelukken. Het jagen was moeilijk werk: je moest weten hoe je een schip op gang kon trekken, door een bocht brengen en veilig door een sluis of onder een brug loodsen. En bovendien was het vreselijk lastig werk. Vooral wanneer het slecht weer was, of wanneer de boot helemaal tjokvol geladen was. Stel je voor dat je zo’n gevaarte moet trekken, met niets meer dan een touw! Oude scheepsjagers waren dan ook vaak helemaal kromgegroeid. Vandaag de dag worden de jaagpaden natuurlijk niet meer gebruikt om boten te trekken. Elke boot heeft nu immers een motor. Maar de paden bestaan nog steeds! Vaak zijn ze een fietspad of een wandelweg geworden. En ze dienen ook voor het onderhoud aan de waterwegen. Normaal gezien mag je alleen te voet, met de fiets en met een kleine bromfiets op het jaagpad. Maar de mensen die het onderhoud van de waterwegen doen, mogen met de auto. Ook schippers kunnen een vergunning krijgen, net als de boeren die eigenaar zijn van een stuk land naast het jaagpad en die enkel daarlangs met hun tractor op hun land kunnen geraken.
26
DE SLUIS Water stroomt naar beneden. Maar dat wist je ongetwijfeld al. Toch is het niet altijd zo simpel. Want als het water te snel naar beneden stroomt, of als de helling te steil is, dan is het voor boten bijna onmogelijk om erop te varen.
27
Bovendien hebben niet alle waterwegen hetzelfde waterpeil. Daardoor kan het moeilijk zijn om van de ene rivier naar de andere te gaan. Gelukkig is de mens slim, en hebben we daar iets op gevonden: de sluis. Een sluis is een bouwwerk op het water, dat dient om schepen te laten passeren. Daarvoor heeft een sluis minstens twee deuren, met daartussen een ruimte voor boten. Die noemen we de schutkolk. Het gaat zo: je vaart met je boot door de ene deur de schutkolk binnen. Die deur gaat achter je dicht. Daarna gaan de kranen van de sluis open. Als je van hoog water naar lager water gaat, loopt het water in de schutkolk langzaam weg, waardoor je boot gaat zakken. Zodra het water op dezelfde hoogte staat als de rivier waar je naartoe gaat, gaat de tweede sluisdeur open en kun je doorvaren. Als je van laag water naar hoog water gaat, gebeurt het omgekeerde. Je vaart de schutkolk binnen en de deur gaat achter je dicht. Dan komt er water uit de kranen, waardoor de schutkolk volloopt. Je boot gaat dus omhoog. Zodra je even hoog bent als de andere rivier, gaat de tweede deur open. Slim toch? Vroeger gebeurde dat allemaal met de hand. Toen was er een sluiswachter die daarvoor zorgde. Maar tegenwoordig gaat het meestal automatisch.
28
29
30
WIST JE DAT … • er wel stuurmannen bestaan, maar geen stuurvrouwen? Er zijn natuurlijk wel vrouwen die het beroep van stuurman uitoefenen, maar zij worden ook stuurman genoemd. • er mensen zijn die waterskiën zonder ski’s? Ze doen het gewoon op hun blote voeten. Nou ja, gewoon. Makkelijk is het natuurlijk niet. En je moet echt reusachtig snel gaan om boven water te blijven! • er heel wat uitdrukkingen in het Nederlands uit de scheepvaart komen? Bijvoorbeeld: het gaat hem voor de wind. Dat komt uit de zeilsport, en het betekent dat het iemand goed gaat. Want als je de wind in je zeilen hebt, dan ga je snel vooruit. • België met zijn 1500 km waterwegen voor beroepsvaart net in de middenmoot zit in Europa? Er zijn landen met een pak meer kilometers, zoals Duitsland (meer dan 7000) en Nederland (meer dan 5000). Maar er zijn er ook met heel wat minder. Zo heeft Zwitserland maar 18 km bevaarbare waterwegen. Ha! Dat kun je net zo goed met de fiets afleggen. • scheepsjagers in Nederland ook wel ‘de ridders van de lange lijn’ werden genoemd? Het waren natuurlijk geen echte ridders, maar ze hadden wél een paard. En die lange lijn was het touw om de schepen voort te trekken.
31
Woorduitleg 1 de Kempen = een streek in het noordoosten van België en het zuidoosten van Nederland. 2 jetskiën = varen op een soort waterscooter. 3 wakeboarden = lijkt op waterskiën, maar dan op een soort kleine surfplank, in plaats van op twee ski’s. 4 tubing = varen op een plastic binnenband die door een motorboot of een jetski voortgetrokken wordt. Dat gaat meestal heel snel, dus het is de bedoeling dat je probeert zo lang mogelijk te blijven zitten. 5 Oostzee = wordt ook wel de Baltische Zee genoemd en ligt aan de rand van de Atlantische Oceaan, tussen Zweden, Polen, Finland en nog enkele landen. 6 bedoeïen = woestijnbewoners in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Ze leven vaak in tenten. 7 dieselgenerator = een machine die draait op diesel (brandstof) en die op die manier elektriciteit aanmaakt. 8 kapseizen = wanneer een vaartuig omslaat, bijvoorbeeld tijdens een zware storm of doordat de lading helemaal naar de ene kant schuift.
32
Ik hou van water. Rivieren, beken, meren en plassen: ik vind ze prachtig. Ze spreken allemaal tot mijn verbeelding. Ik vind het ontzettend fijn om erlangs te fietsen of te wandelen. Ik kan het dan niet laten om even te stoppen en te zwaaien naar de schippers op hun boten. Dan vraag ik mij af waar ze vandaan komen en waar ze naartoe gaan. Wat ze vervoeren en hoelang ze al onderweg zijn. En of dat niet het mooiste is wat er bestaat, leven en werken op het water.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 6. ISBN 978 90 486 2537 6 Bestelnummer 60 1021 597 KB D/2016/0147/106 NUR 191 Foto’s: Nina Flores Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 625376
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.