Skip to main content

Verrekijkerbieb - 6e leerjaar - N2 - De beste jager

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

De beste jager Kristien Dieltiens

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 6

4


De beste jager

1


Langzaam werd Kiram wakker. Hij wreef zijn ogen uit en het duurde even voor hij wist waar hij was. Hij keek om zich heen. De zon stond aan de horizon, dus laat kon het niet zijn. Boven zijn hoofd vloog een stel vriesganzen. In de verte stond een kudde oerossen te grazen. Een groep elanden naderde de kudde en deed de rust verstoren. De oerossen draafden weg en hun rennende poten deden het stof opwaaien. Waar was hij? Voor hem lag een uitgestrekt gebied. En waar waren de anderen? Met een schok kwam alles weer tot leven. Gisteren was alles veranderd. Gisteren, vlak voor de nacht zijn vacht over het land had uitgespreid. Vlak voor het grote donker in zijn hoofd was gekomen. Gelukkig had hij kunnen slapen. Zijn leven was op zijn kop gaan staan maar hij was toch wakker geworden. Urug had hem niet in zijn vurige klauwen gekregen. De goden waren hem welgezind en ze hadden hem niet meegenomen naar het rijk der doden. Zijn buik gromde als een holenbeer. Hoelang was het geleden dat hij nog had gegeten? Ook zijn mond voelde kurkdroog aan. Iets verder lag een beek. Het water zag er helder uit. Kiram vormde zijn handen tot een kom en schepte het frisse drinkwater eruit.

2


3


Uit zijn hertenleren tas haalde hij de laatste repen gedroogd buffelvlees. Hij moest het rustig aandoen, langzaam kauwen, niet te vlug doorslikken, want dat was het laatste voedsel dat hij nog had. Morgen zou de honger niet meer grommen als een wilde kat, maar tekeergaan als een grizzlybeer of een mammoet. De zon klom hoger en Kiram voelde hoe de vorst op zijn tenen wegsloop en plaatsmaakte voor een behaaglijke warmte. Opeens hoorde hij het gedonder. Hij spitste zijn oren. Daar! Het klonk alsof de aarde beefde en het kwam dichterbij. Oh nee, dacht Kiram, niet weer! Hij stond langzaam op en keek in de richting van het lawaai. Veel was er niet te zien, alleen een donkere wolk in de verte. Het lawaai werd feller, de slagen luider. Als een geroffel op trommels. Iets dreigends en gevaarlijks naderde hem. Angstig keek Kiram om zich heen en net op tijd kon hij achter de grote rots springen. Het gedonder kwam dichterbij. De ijsganzen vlogen krijsend over zijn hoofd. Het trillen van de aarde werd sterker. Was dit de woede van de oppergod Urug?

4


Urug was machtig. Hij kon alles en iedereen vernietigen. Hij was sterker dan honderd mannen, sterker dan honderd buffels, sterker dan een rivier die zijn weg door het land zocht. Kiram dook in elkaar en hield zijn handen tegen zijn oren. Hij vreesde voor zijn leven. Nu zou Urug hem straffen. Hij had de vorige keer kunnen vluchten, maar nu zou het hem niet lukken. Kiram bleef in een bolletje zitten en luisterde naar het steeds dichterbij komende gevaar. Het was allemaal zijn eigen schuld. Hij had niet geluisterd naar de raad van zijn vader. Maar hoe moest hij nu ontsnappen? Urug zag alles en iedereen. De god kon vreselijk boos worden op de mensen. Kiram trok de berenvacht over zijn hoofd. Zo leek hij een beetje op een holenbeer. Urug zou nooit een holenbeer doden.

5


Kiram dacht aan de dag van gisteren. En aan alle dagen van gisteren. Gisteren was voorbij. Hoelang was hij nu al onderweg? Hij probeerde te tellen. Gisteren en gisteren en gisteren. Hij strekte zijn vingers en telde. Ja, hij was evenveel dagen onderweg als hij vingers had. Hij had ook evenveel keren de zwarte vacht van de nacht over zich gehad. Zijn voeten waren stukgelopen, maar nog steeds was hij niet waar hij moest zijn. De lucht rook zout en scherp. Zou hij nu aankomen op de plaats waar alle waterlopen samenvloeiden? Kiram dacht aan zijn stamgenoten en aan de veilige beschutting die hij had gekend in de kalkgrotten waar zijn vader Manoek stamhoofd was geweest. Ze hadden in vrede geleefd en als er al eens onenigheid was, dan kwam dit door het verlies van een vuistbijl of omdat de jacht op rendieren was mislukt. Kiram herinnert zich de dag van gisteren nog heel goed. Het was een mooie dag geweest. De mannen zaten bij het vuur en vertelden hun jachtverhalen. Zijn vader Manoek had een buffel in een hinderlaag gelokt. Hij had er dagen aan gewerkt.

6


Eerst had hij met zijn stenen hakbijl een put gegraven, groot en diep genoeg om een buffel in te krijgen. Daarna had hij met takken en taaie grassen een mat geweven die eruitzag als een stukje weiland en hiermee had hij de put afgedekt. Dagenlang had hij zich verscholen gehouden achter de rotsen en in de struiken. Hij had zich ingesmeerd met bevervet zodat de buffels zijn menselijke geur niet zouden ruiken. Die dag was er een kudde gepasseerd. Het was door iedereen geweten dat de zwakste dieren achteraan liepen. Het waren vaak ook de oudste en de grootste dieren. 7


Manoek had verteld hoe de laatste buffel in de val was gesukkeld. Het dier had nog verwoede pogingen ondernomen om uit de dodelijke put te geraken, maar daar had hij de kracht en de tijd niet voor gehad. Manoek was dichterbij geslopen, had de buffel in de ogen gekeken en had vervolgens met zijn vuistbijl het dier de kop ingeslagen. Zoveel slagen als hij vingers had, vertelde hij. Toen verliet de geest het logge lijf van de buffel. Met de hulp van vijf mannen had Manoek de buffel uit de put kunnen trekken. Heel snel hadden ze het gevild. De huid werd meegenomen door de vrouwen. Ze schraapten het vel schoon met hun vlijmscherpe stenen en spanden het op in een houten raam. Kiram moest glimlachen bij de gedachte. Omdat hij zo groot werd, had zijn moeder hem beloofd dat ze schoeisel voor hem zou maken, zodat hij de volgende keer mee op jacht kon gaan met de mannen. Op jacht gaan met de mannen, daar droomde iedere jongen toch van? Het was er echter nooit van gekomen en nu was het te laat. Er kwamen tranen in zijn ogen. Hij wreef ze ruw weg met het vlak van zijn handpalm. Niet meer aan denken! Alleen aan de mooie dingen denken! Het was zo’n mooie avond geweest.

8


9


Kayra, zijn moeder, had een deel van het buffelvlees in repen gesneden en opgehangen aan takken om te laten drogen boven de rook van het vuur. Een ander deel had ze in de grond gestoken op een bed van droge grassen. Daarna had ze alles afgedekt. Alleen aan een kleine opening kon je zien waar het vlees begraven lag. Daarna had ze het vuur aangestoken aan de grassen in de opening. Het vuur smeulde en baande zich een weg naar het vlees diep onder de grond. Het moest van ’s morgens tot ’s avonds brandend gehouden worden. De volgende dag kwam het vlees er zwartgeblakerd uit. Onder de zwarte korst was het vlees heerlijk sappig en het kon nog lang bewaard blijven. Die avond hadden de kinderen gesmuld van de lekkerste stukken. Kiram had een stuk van de borst gekregen. ‘Dit zal je sterker maken, mijn zoon,’ had Manoek gezegd. Als de vorst voorgoed voorbij is en de dieren verlaten hun holen, ga jij mee op jacht.’ Kiram was zo blij dat hij danste rond het vuur. Maar omdat deze plaatsen voorbehouden waren voor de mannen, was hij de grot ingegaan en had hij zijn vreugde op een andere manier geuit. Met kleine stukjes verkoold hout tekende hij een oeros op de wand van de rots.

10


Van zijn moeder had hij een restje ossenbloed gekregen, waarmee hij het lijf van de os kon inkleuren. Maar het bloed was veel te snel gestold en dus ging Kiram op zoek naar andere kleurstof. Het moest de juiste kleur zijn, wist hij. Kleuren die deden denken aan de vacht van het dier en aan het bloed. Vlak bij de knoken van de oeros lagen de ingewanden in een grote gevlochten mand. Kiram nam het hart eruit. Het orgaan was nog vochtig en glibberig. Hier kon hij zeker mee verder tekenen. Dit was zeker de juiste kleur! Kiram sneed een stukje van het hart en het bloed druppelde eruit. Nu moest hij snel zijn, voor het bloed was opgedroogd. De andere kinderen waren erbij komen staan en hadden zijn tekening bewonderd. Hij had ook zichzelf getekend, als een jager die de oeros te lijf ging. Terwijl hij aan het tekenen was, rook hij de heerlijke geuren van het vlees in het vuur. De honger deed hem likkebaarden. De mannen hadden ondertussen de ingewanden uit de mand gehaald en verdeeld. Ze mochten niet vergeten de goden gunstig te stemmen.

11


Een voor een legden ze de organen in het vuur. Het orgaan, dat op een vijgenblad werd gelegd, moest in zijn geheel geofferd worden. De lever voor de god van de levenskracht, de longen voor de god van de adem en de lucht, de maag voor de god van de vruchtbaarheid, de nieren voor de god van het water en het hart voor de oppergod Urug, de god van het vuur. Waar was het hart? Manoek keek dieper in de mand, tussen de darmen en vliezen en ander ingewandenvlees. Met een gezicht als een donderwolk haalde hij het hart eruit en bekeek het langs alle kanten. Er was duidelijk een stuk afgesneden. Manoek stond recht, balde zijn vuisten en liet een reeks vloeken en krachttermen horen waar iedereen stil van werd. Het duurde even voor Kiram besefte dat hij de oorzaak was van zijn vaders woede. Nee, hij mocht niets zeggen, niemand mocht weten dat hij de schuldige was. Zijn vader zou in staat zijn om hem de volgende maand niet mee te nemen op jacht. Kiram propte het kleine stukje hart tussen de losse stenen in de grot zodat het volledig uit het zicht was onttrokken. Manoek was nog steeds aan het tieren.

12


‘Wat moeten we nu offeren aan onze god Urug? Hij zal zijn toorn op ons neer doen dalen! We hebben hem boos gemaakt! Wat zal ons lot zijn? Hij is al eens vreselijk woedend geweest toen hij ontdekte dat we ook zonder zijn hulp vuur konden maken. We moeten hem te vriend houden.’ De god Urug antwoordde niet en Kiram had opeens geen eetlust meer. Misschien valt het nog wel mee, dacht hij toen hij ’s avonds onder de pelsvachten in slaap viel. Morgen komt er weer een dag. Misschien was morgen de vorst weg en dan konden ze op jacht gaan. Kiram droomde die nacht. Hoe hij bij de grote moerassen zat en met een scherpe stok een put had gemaakt en die had bedekt met takken. Het was de beste dierenval die hij ooit had gemaakt. Hij hoopte een wolharige neushoorn te vangen. Zo kon hij bewijzen aan de mannen van de stam dat hij ook een echte jager was. Hij glimlachte in zijn slaap. Hij zou de beste jager worden ooit! Het had niet mogen zijn, want de god Urug was die nacht vreselijk boos geworden. Het begon met gerommel in de verte. Daarna liet hij zijn stem bulderen in de lucht.

13


De kleur van de nacht werd vurig en er kwam een vreselijke stank tevoorschijn. De grond daverde en in de verte spuwde een berg vuur uit. Iedereen werd wakker. De baby’s en kleine kinderen huilden en klampten zich vast aan hun moeders vacht, de mannen trokken hun wapens. Kiram voelde zijn hart bonzen. Dit was zijn schuld! Het ging van kwaad naar erger. Heel de grond onder hun voeten trilde. Urug liet met zijn zware adem de rotsen beven zodat er overal barsten en kloven ontstonden. Hun veilige kalkrots scheurde en de stenen vielen neer op hun hoofd. Kiram zag hoe zijn moeder Kayra probeerde om zijn twee jongere zusjes met haar armen te beschermen. Maar de stenen en rotsblokken dreunden naar beneden, doofden het licht in hun ogen en namen hun laatste adem mee.

14


Kiram zat vlak bij zijn zelfgemaakte tekening en hij kroop dieper de grot in. Een stuk rots viel naar beneden, vlak boven hem. Hij kromp in elkaar, wachtend op de steen die hem zou verpletteren. Maar de platte steen bleef steken. Het was alsof Kiram beschermd werd door een dak van rotsgesteente. Kiram trok de berenvacht nog dichter tegen zich aan. In de verte bleef het rommelen. Hij dacht aan zijn moeder en zijn zusjes. Hij voelde een druk in zijn binnenste en met zijn vuist klopte hij hard op zijn borst opdat het knellende gevoel zou verdwijnen. Waarom leefde hij nog als enige van zijn stam? Waarom was hij niet meegegaan naar de geestenwereld waar het vuur nooit uitdooft en waar het gebraden vlees in je mond vliegt als je honger hebt? Alles was anders gelopen. Iedereen was dood, alleen hij bleef over. De god Urug verdween toen de zon weer opkwam. Het vuur in de berg bleef nog nasmeulen. Het was ijzig stil. Zelfs de vogels leken verdwenen. Toen Kiram vanonder zijn rotsige dak tevoorschijn kwam, zag hij de vele lichamen. Allemaal waren ze getroffen door vallende rotsblokken. Urug had zelfs de grond niet gespaard.

15


Waar eens het vuur had gebrand, liep een lijn, een diepe kloof, alsof de aarde zich in tweeën had gesplitst. Hij knielde neer bij zijn vader, zijn huid voelde nog warm aan. ‘Manoek, vader van me, opperhoofd van onze stam, blijf leven! Laat het vuur in je borst niet uitdoven! Wakker het aan!’ Maar zijn vader was te zwaar verbrand. Hij opende zijn ogen en met een laatste krachtinspanning nam hij de hand van zijn zoon vast ... ‘Kiram,’ sprak hij moeizaam, ‘blijf hier niet. Urug zal weer toeslaan als hij ziet dat je nog leeft. Volg de waterloop en draag zorg voor de vuurpot. De oppergod is woedend omdat we zelf in staat zijn ons eigen vuur te maken en omdat we hem geen hart hebben geofferd. Hij zal alles proberen om je vuur te doven. Ga naar het grote water, daar is het begin van de aarde. Ik weet dat er mensen wonen. Schrik niet van hun huizen. Ze zijn op palen in het water gebouwd. Lach niet omdat je denkt dat het domme wezens zijn. De hutten zijn zeer goed beschermd tegen gevaarlijke stammen, wilde dieren, brand en overstroming. Zeg dat je geboren bent uit de stam van Manoek-Spy. Ze zullen je niet als vijand beschouwen, maar helpen met het bouwen van een hut en je een vrouw geven …’ Toen was zijn vader voor altijd heengegaan.

16


Eerst had Kiram een groot vuur gemaakt en de lichamen van zijn stamgenoten en familieleden verbrand, zodat hun geest verder kon reizen. Daarna had hij de waterloop gevolgd tot hij op een plaats aan een splitsing was gekomen. De grootste waterarm kromde terug naar het zuiden vanwaar hij kwam, de andere was een kleine arm die aan de overkant noordwaarts ging. Op een boomstam roeide hij het water over. Toen gebeurde iets waar zijn vader hem voor had gewaarschuwd. Hij verloor zijn evenwicht en de vuurpot en vuurstenen glipten uit zijn handen. Hij kreeg echter geen tijd om zich zorgen te maken. Kiram spitste zijn oren. Het gedaver nam toe. De hele aarde beefde. Vlug was hij aan land geklauterd. Vanop de oever keek hij toe. Om zich te beschermen trok hij zijn vacht dichter tegen zich aan. Overal waren er grote zandwolken te zien. En eindelijk zag hij waar hij de hele tijd zo bang voor was geweest. Het was niet de oppergod Urug, maar een kudde mammoeten die de open vlakte in dreunende galop overstaken. De zandwolken werden terug zand en toen zag Kiram de open vlakte waar de aarde eindigde.

17


Daar lag het grote water, het begin en het einde van de wereld. De zee lag als een glinsterende speer aan het einde van de horizon. Kiram glimlachte. Dit was niet het einde. Dit was het begin van zijn nieuwe leven. Urug had hem niet te pakken gekregen. Ginds stonden de woningen waar zijn vader het over had gehad. Daar woonden mensen. En waar mensen waren, was er ook vuur. En vuur bracht leven. Kiram rende de vlakte over. Hij bleef rennen tot hij bij de paalwoningen kwam. Overal waren mensen, groot en klein. Zoveel mensen had hij nog nooit gezien. Ze droegen geen vachten zoals hij, maar vreemde gewaden van gelooid leder en een soort stof dat leek op fijne geweven grassen. De mensen schrokken niet toen hij eraan kwam. Niemand gooide een steen, niemand stak hem neer. Een meisje met lange donkere haren kwam hem tegemoet. Ze sprak met vreemde klanken en toch verstond Kiram haar. ‘Yo bin Lida. Wie boest die?’ ‘Ik ben Kiram,’ antwoordde hij. ‘En ik kom van ver. Ik kom van de stam van Manoek-Spy.’ Ze lachte en ze had prachtige witte tanden.

18


‘Was kanst die doe?’ ‘Ik ben een jager,’ zei hij. Maar het meisje luisterde al niet meer. Ze had hem bij zijn elleboog gegrepen en trok hem met zich mee. Even later zat hij in een huis op palen. Voor hem brandde er een vuur. Iedereen zat errond en at. Net als in de stam van zijn vader. Ja, hier wilde hij blijven. Hier zou zijn nieuwe thuis zijn. Lida glimlachte naar hem en Kiram kreeg het warm, heel warm. En dit kwam niet door het vuur in de kring, maar door het vuur dat in hem oplaaide. De god Urug had hem vergeven, wist hij. ***

19


Een stukje geschiedenis Kiram leefde in de periode van 10.000 tot 5000 jaar voor Christus met zijn stam in de kalkrotsen van Spy in de buurt van Namen (de Ardennen). De stam van Manoek-Spy heeft dus echt bestaan. In de rotsen waar hun holen waren, heeft men de resten van mensenbeenderen gevonden. Ook trof men voorhistorische tekeningen aan waarop buffels, oerossen, herten en jagers te zien waren. Ze kleedden zich met dierenhuiden want het was heel koud. Ze jaagden op rendieren, reuzenherten, mammoeten, oerossen, wolharige neushoorns en holenberen. Ze aten het vlees, het beenmerg en dronken het bloed. De organen werden geofferd aan de goden. Ze hadden voor alles een god. Iedere tegenslag die ze kenden was te wijten aan de toorn of de wraak van een god. Hun goden waren verbonden met de natuurelementen. Hun doden moesten verbrand worden. Verder aten ze riviervis, wilde vruchten, noten en wortels. Hun wapens maakten ze uit vuursteen, ivoor en rendierbeenderen. De vuurstenen werden gepolijst. Om aan veel vuurstenen te geraken, maakten de mensen schachten in de bergen. Dat waren de eerste mijnen.

20


De vuursteen komt voor in de krijtlagen op sommige plaatsen in Limburg, Luik en Henegouwen. Resten van paaldorpen zijn teruggevonden in Zeebrugge, Roeselare, Oudenaarde en Mechelen. Het klimaat veranderde (vergelijkbaar met ons huidige klimaat) en de rendieren en mammoeten trokken naar het noorden. Daardoor verhuisden de stammen en ze vestigden zich op het platteland of in de buurt van water. De eerste akkers ontstonden. Men ging brood eten en dieren werden voor het eerst getemd zodat ze als hulp konden dienen. Door de stijging van de temperatuur gingen de mensen zich anders kleden. Ze vonden al vlug een weefgetouw uit. Daarop konden ze stoffen maken van grassen en later van vlas. De dierensoorten veranderden ook. Schapen maakten hun intrede en de mensen wisten al vrij snel hoe ze de wol moesten verwerken. Engeland hing nog vast aan België en de zee bereikte het land op de kruising van de provincie Antwerpen en OostVlaanderen. Na deze periode kwam de bronstijd, gevolgd door de ijzertijd.

21


Een overzicht Oude en middensteentijd (800.000 - 5000 v.C.) Deze periode begint wanneer de mensen wapens en werktuigen vervaardigen uit vuursteen. In dit tijdvak wisselden koude en warme periodes elkaar af. Het oudste spoor van menselijke aanwezigheid in België werd gevonden in Hallembaye (provincie Luik). Daar werd een heel primitief werktuig in vuursteen aangetroffen dat ongeveer 800.000 jaar oud is. Rond 400.000 v.C. namen mensen hun intrek in de grotten van het Maasgebied. Zij beheersten op dat moment reeds de techniek van het maken van vuur. Hun gereedschap bestond uit ronde vuurstenen met een snijkant. Later werden beide kanten van de steen bewerkt. Hieruit ontstond dan de tweezijdige vuistbijl. Vanaf 250.000 v.C. bewerkte de mens de kern van de steen zo verfijnd dat de schilfers direct de juiste vorm hadden. Uit deze schilfers werden dan verschillende werktuigen gemaakt. Tussen 250.000 en 35.000 v.C. werd België bewoond door de neanderthaler. Hij eerde zijn doden met rituelen, hetgeen wijst op een geloof in een leven na de dood. De neanderthaler verdween vrij plots rond 35.000 v.C. In zijn plaats kwam de huidige mens.

22


Vanaf 30.000 v.C. begon de mens zichzelf op te smukken. Hij versierde zijn lichaam met kralen uit been, dierentanden en parels. Het gereedschap van de mens werd steeds verfijnder. Naast stenen gebruikte hij nu ook beenderen. Hij maakte hiermee werpspiesen, harpoenen met weerhaken en oognaalden uit been. In de oude steentijd leefde men vooral van de jacht op groot wild. De dieren werden bejaagd voor hun vlees, maar ook voor hun huid. Mammoetbeenderen werden gebruikt voor de bouw van hutten of als geraamte van tenten. Vanaf 9000 v.C. spreekt men van de middensteentijd. De ijstijd was voorbij. De begroeiing veranderde en het land werd stilaan bebost. België werd bevolkt door kleinere dieren, zoals herten, runderen en paarden. De jachttechnieken werden aangepast. Zo was de handboog een belangrijke verbetering. Het menu van de mensen bestond niet meer uitsluitend uit vlees, maar werd aangevuld met dingen die werden gevonden in de natuur, zoals bessen. Ook de visvangst kende een grote bloei. De mens gebruikte naast de harpoenen en haken ook netten uit schors.

23


Kenmerkend voor de middensteentijd zijn de kleine stukjes geslepen vuursteentjes. Zij werden gebruikt om groter gereedschap fijner af te werken. Zo ontstonden bijvoorbeeld bijlen en beitels. Daardoor konden de mensen voor het eerst ook het landschap veranderen door het kappen van bomen. Nieuwe steentijd (5000 - 2200 v.C.) Vanaf 5000 v.C. begonnen de mensen in België met het temmen van dieren. Schapen, geiten, runderen en varkens werden voortaan als vee gehouden. Het land werd bewerkt en gewassen werden gezaaid en geoogst. Zo ontstond de landbouw. De landbouw dwong de mensen om ter plaatse te blijven wonen. Zij bouwden hutten en hoeven en waar de grond moerassig of drassig was, bouwde men paalwoningen. De hutten bestonden uit klei en hout. De woning was onderverdeeld in een gedeelte voor de bewoners en een gedeelte voor het vee. Vanaf 3000 v.C. veranderden de woningen: zij werden kleiner. Het vee werd buitenshuis gehouden. De dorpen kregen rond dat tijdstip ook een aarden omwalling. Om het voedsel te verzamelen en te bewaren, vervaardigden de mensen aarden potten.

24


Kiram droomt ervan om jager te worden. Hij wil de beste val voor mammoeten maken die er is. Dan kan zijn vader, het stamhoofd, echt trots op hem zijn. Maar op een dag wordt de god van het vuur heel erg kwaad en dreigt alles te mislukken.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 6. ISBN 978 90 486 2537 6 Bestelnummer 60 1021 597 KB D/2016/0147/106 NUR 191 Illustraties: Kristien Dieltiens Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 625376

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook