Skip to main content

Verrekijkerbieb - 6e leerjaar - N1 - De Overval

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

De overval Kristien Dieltiens

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 6

3


De overval

1


2


1 Het was ijzig koud daarboven op de heuvel. In het dal hing een sluier van mist. Mist die weldra in laagjes ijs zou veranderen, wist de jongen. Hij was tenger gebouwd en vrij klein voor zijn dertien jaar. Zijn haren waren donkerblond en krulden vanonder zijn muts gemaakt uit schapenvacht. Hoelang moest hij hier nog de wacht houden? De zon was nergens te bespeuren. De nevels sloten de bergen in met hun sluiers. Ook de maan zou vandaag niet zichtbaar zijn. Hij wreef zijn koude handen rond de stok. Niet dat het veel hielp. Olrac snoof luidruchtig en wreef met zijn magere jongenshand het lopende vocht weg onder zijn neus. Tijdens de wintermaanden was hij altijd verkouden in tegenstelling tot zijn vrienden van de grot op de Doodsberg. Olrac hoestte, verborgen in zijn vest, zodat het geluid zich niet kon verderzetten op de heuvelruggen. Niemand mocht weten dat hij hier was. Niemand mocht weten waar hun schuilplaats verborgen lag. De ingang lag verborgen in een smalle kloof op het hoogste punt van de rots. Zolang hij zich kon herinneren, woonde hij met de vijf andere rovers in deze grot. Niemand waagde zich in dit gebied, het gevaarlijkste deel van de Pyreneeën1.

3


Mensen die het toch waagden, werden afgeschrikt door angstaanjagende geluiden. Het gekrijs van vleermuizen, het gehuil van hongerige wolven, het dreigende gekraak van een bruine beer op zoek naar voedsel in het kreupelhout2. Niemand wist dat die geluiden werden nagebootst door de rovers zelf. Het werkte goed. In de nabijgelegen stad in het dal was er geen enkele waaghals die zijn leven durfde te riskeren. Het was een moeilijke tijd, want er heerste grote armoede. In de burchten leefden de edellieden welgesteld. Zij kenden geen honger of dorst, zij hadden een dak boven hun hoofd en iedere avond een zacht bed om in te slapen. Zij hoefden niet wakker te liggen van de honger. En dan had je ook nog de baljuw3. Olrac rilde als hij aan die man dacht. Zijn straffen waren genadeloos en wreed. Een jongen van zes jaar die vorige zomer was betrapt bij het stelen van een kippenei, werd zonder pardon in het houtblok vastgeklemd op het marktplein. Drie dagen hing hij daar, zonder eten of drinken. De burgers kregen het recht om de jongen te bekogelen met rotte eieren. Olrac huiverde bij de gedachte dat de baljuw hun grot zou vinden. Ze zouden met zijn allen worden opgehangen op het Knekelveld waar het uren in de wind stonk. Daarom was het heel belangrijk dat er iedere dag iemand op de uitkijk stond.

4


Zijn wachttijd zat er bijna op. Wanneer de uil riep, was het tijd om naar de grot terug te gaan. Even later beklom hij de steile rots naar boven. Hij moest opletten om niet uit te glijden. Het vocht op de rotsen was bevroren, er zat sneeuw in de lucht. Nu sprong hij de kloof in en zocht een veilige weg tussen de scherpe doorns. Hij moest een paar keer bukken om bij de ingang te komen. Olrac glipte naar binnen. Eén fakkel verlichtte de nauwe stenen gang die naar de ruw uitgehouwen trap leidde. Hij kende elke trede en elk geluid. De fakkel hoefde eigenlijk niet te branden want hij kende de weg blindelings. Maar het dansende licht van de vlam tegen de naakte rotswand heette hem welkom. Onmiddellijk rook hij de geur van vlees en gekruide raapjes. Het rommelde in zijn buik. De warmte vanuit de berg kwam hem tegemoet en verjoeg de kilte van de sneeuwlucht in de gang. Alles zag er vredig en vertrouwd uit. Iedereen was aanwezig. Oude Lazlo roerde in de pot, Mareck en Golus waren aan het kibbelen om de beste plaats bij het vuur. Friggor was zijn schoeisel aan het lappen en Thalan de hoofdman zat in de schaduw. Hij keek nors en was diep in gedachten verzonken.

5


2 ‘Daar heb je Olrac, onze wandelende boomtak!’ grapte Mareck en hij gaf zijn broer zo’n harde klap op diens schouder dat Golus zich verslikte in een slok geitenmelk. Een seconde later lagen ze vechtend en klauwend in elkaar verstrengeld als twee jonge honden. Gniffelend en graaiend in elkaars haren en pels. Oude Lazlo stak de kruiden in de vijzel en Olrac herkende de geuren van rozemarijn, tijm en salie. Met de stamper maakte Oude Lazlo alles fijn en deed daarna het mengsel bij de stoofpot. De geuren van kruiden waren heerlijk.

6


De twee broers staakten het gevecht en grepen naar hun kom. Oude Lazlo mepte met de lepel op hun handen. ‘Eerst Olrac. Hij komt terug van de wacht. Hij moet als eerste opgewarmd worden om de koude lucht uit zijn borst te verjagen. Zijn buik mag als eerste gevuld worden.’ Mareck en Golus gromden, maar ze protesteerden niet. De wetten van Oude Lazlo werden gerespecteerd. Toen kwam Thalan erbij zitten en er viel een stilte. Zijn gezicht zag er nog steeds erg nors uit. Hij raakte zijn kom niet aan, maar zijn donkere ogen staarden in de vlammen van het vuur. De stilte bleef aanhouden. Het enige wat te horen was, waren de gulzige happen van de broers en het knarsen van het hout in het vuur. ‘Ik moet jullie iets zeggen.’ Thalans stem brak de stilte en iedereen stopte met eten. ‘Het ziet er niet goed uit voor ons,’ zei hij hoofdschuddend. Olrac keek hem vragend aan. ‘De mensen hakken de bomen om op de zuidelijke flank van de Doodsberg. Ze laten de stammen naar beneden rollen en ze worden per trekos door de bergrivier naar de stad geleid. Naar het schijnt heeft men het hout nodig voor het nieuwe dak van de kathedraal. Door hun werkzaamheden worden de dieren verjaagd.’ Thalan zuchtte diep.

7


‘Maar…’ stamelde Olrac, ‘dat is toch niet zo erg. Wanneer de dieren vluchten, komen ze onze richting uit. Dan hoeven we niet meer de hele dag op hen te jagen.’ De jongen keek hoopvol zijn vrienden aan. Thalan schudde zijn hoofd. ‘Het is veel erger dan dat, Olrac. De mensen komen dichterbij. Spoedig zullen ze onze schuilplaats vinden. De baljuw is al maanden op zoek naar ons. Hij heeft gezworen op het hoofd van zijn kinderen dat hij iedere rover in deze streek een kopje kleiner zal maken. “Rovers zijn slecht. Het is ongedierte. Rovers zijn de handlangers van de duivel,” zegt hij.’ Olrac krabde in zijn haar. ‘Maar … wij zijn toch geen handlangers van de duivel! Wij zijn toch niet slecht!’ Hij voelde zich opgelaten, zelfs een beetje boos. Die baljuw was zelf slecht! Hij perste de mensen af. Hun laatste cent moesten ze afgeven aan de stadskas. Als ze niet gehoorzaamden, werden ze zwaar gestraft. Zonder voedsel en drinken moesten ze in de diepste en donkerste kerker verblijven. Gemarteld en gepijnigd worden. Olrac wist tot wat de baljuw in staat was. In tegenstelling tot hem waren zij lammetjes. Nooit zouden ze geld van een arme stelen! Nooit zouden ze iemand pijnigen of gevangennemen! Een goede rover weet wat hij moet stelen. Alleen bij mensen die zelf niet meer wisten hoe groot hun rijkdom was.

8


Bij lieden die een gevulde beurs hadden die zo zwaar was dat ze hem bijna niet meer konden dragen. Af en toe een lam meepikken bij een boer die zijn schapen haast niet meer kon tellen was toch ook geen misdaad? Of wel? Olrac geraakte er niet meer uit. Thalan had ondertussen van de stoofput geproefd. Er zou nog iets komen, wist Olrac. Hij kende de hoofdman als geen ander. ‘Maar … wij zijn toch geen slechteriken! We nemen alleen het geld om te overleven!’ Zijn stem sloeg over zoals de laatste dagen wel vaker gebeurde. Olrac dacht dat hij weer eens verkouden ging worden, maar volgens Oude Lazlo veranderde zijn kinderstem in die van een man. Thalan keek Olrac aan. Er lag iets droevigs in zijn blik.

9


‘Ja Olrac, wij zijn rovers en dit is ons leven. Maar slechteriken zijn we niet. Maar omdat we nu eenmaal bekend staan als de roversbende van de Doodsberg, zal men op ons blijven jagen. Wij moeten maatregelen nemen. We moeten ons hoofd redden van de strop. Daarom moeten we hier weg, nog voor de echte winter losbarst. Wij zijn nu het opgejaagde wild geworden!’ Olrac zat versteend en er kwam een vreemd gevoel in hem. De wereld die hij tot dan toe als veilig had beschouwd, brokkelde af. Hij had altijd gedacht dat er hem hier niets kon overkomen. De grot was voor hem de plek waar alles eindigde en alles begon. Hij had nooit een andere schuilplaats gekend. Hij had nog nooit in een huis gewoond. Met een schok besefte hij ook opeens dat hij zelfs niet wist wie zijn vader en zijn moeder waren geweest. Gek! Nooit eerder was die gedachte in zijn hoofd geweest. Thalan was als een vader voor hem. Hij had Olrac alles geleerd wat hij moest kennen. Hij had hem zelfs geleerd om te schrijven en te lezen, om te rekenen en zelfs muziek te maken. Geen enkel kind in de stad had dat geleerd. Oude Lazlo had voor hem gezorgd zoals moeders en grootmoeders doen. Als Olrac verkouden was, maakte hij kruidenbalsems en smeerde hij zalf op zijn borst. Hij zorgde dat er altijd genoeg te eten was.

10


Mareck en Golus waren als broers. Hij had met hen gespeeld en menig robbertje gevochten. Van hen had hij grappen leren maken. En dan had je nog Friggor. Friggor die door iedere mens werd gemeden door zijn uiterlijk. Hij was geboren met een wolfsmuil4. Daardoor had zijn moeder hem achtergelaten bij een bos, overtuigd dat haar kind toebehoorde aan een wolf. Hij werd gevonden door een boerenechtpaar die hem als knecht had opgevoed. Toen hij volwassen was, was hij weggelopen, de bossen in. Want mensen wilde hij niet meer tegenkomen. Iedereen verafschuwde zijn verminkte gelaat. Na jaren zwerven was hij Thalan tegengekomen. Ze waren vrienden geworden.

11


3 Olrac keek zijn vrienden in stilte aan. Hij hield van hen. Een leven zonder hen kon hij zich niet voorstellen. En toch waren er ineens die vragen in zijn hoofd. Vragen die niet weg wilden gaan. Wie waren zijn ouders? Hoe zagen ze eruit? Hadden ze van hem gehouden? Had hij ooit als baby in een huis gewoond? Net als de jongens in de stad in de vallei. Hoe was hij bij deze rovers terechtgekomen? Hij moest het weten! Hij rechtte zijn schouders en keek Thalan aan. ‘Hoofdman, ik wil weten wie ik ben. Zeg me wie mijn ouders zijn! Vertel me hoe ik bij jullie terecht ben gekomen?’ Thalan zuchtte en ook hij rechtte zijn schouders. ‘Olrac, ik wist dat dit moment vroeg of laat zou komen. Dat je alles over je verleden wilde weten. Wij weten echter niet alles. Wij zijn maar een schakel in je leven. Luister…’ De andere rovers waren ook dichter bij het vuur komen zitten. Alleen het knarsen van de houtblokken was hoorbaar. ‘Op een dag, dertien jaar geleden, besloten we voor het eerst om met ons allen op rooftocht te gaan. We hadden paarden nodig, want we waren op de vlucht. Ieder van ons had zijn reden om te vluchten, weg van zijn verleden, weg van een verhaal vol slechte herinneringen.

12


Ik wist dat er in de streek van Aragón5 een burcht was waar mogelijks veel te halen viel zonder dat we iemand in gevaar brachten. Het was midwinterfeest6 en alle burchtheren uit de omtrek waren uitgenodigd in het paleis van de bisschop. Dus de burcht zou minder bewaakt zijn. Ik kende de burcht en wist waar de schildwachten stonden en waar de zwakke plekken zaten in de verdediging van het domein. De stallingen waren gevuld met meer paarden dan er mensen op het kasteel woonden. We vertrokken tijdens de nacht en we hoopten dat enkele schildwachten zich tegoed hadden gedaan aan een vat wijn. Toen we er aankwamen, zagen we geen levende ziel. Nergens stond er een schildwacht. Hier en daar lag het dode lichaam van een dienstmeisje, een krijgsknecht of een dienstbode. De burcht leek volledig verlaten. We liepen door de lege ruimtes. Een andere roversbende, die niemand of niets hadden gespaard, was ons voor geweest. Men had geplunderd en gemoord. Het was niet om aan te zien …’ Thalan stopte even en Olrac wilde dat hij bleef praten. Hij wilde het weten. Alles weten! Maar Thalan zweeg en staarde in het vuur. Het was Oude Lazlo die het verhaal verder vertelde. ‘…In de burcht doorzochten we iedere kamer op een spoor van leven. Aan de paarden die we wilden stelen, dachten we niet meer. Overal waar we kwamen, zagen we de dode lichamen liggen.

13


Ik volgde een wenteltrap in de toren van de donjon7 en kwam uit in een kleine slaapkamer. Ik voelde me niet goed in mijn hoofd en werd duizelig van de ellende die ik had gezien. Ik zette me op het bed en toen zag ik onder de prop met lakens de jonge vrouw liggen. Iemand had een mes in haar rug gestoken en de lakens zagen rood van het bloed. Toen hoorde ik een klaaglijk geluid en ik moest onmiddellijk denken aan een poes die zich ergens verborgen hield. Ik schoof de bebloede lakens weg en daar lag jij. Een baby van nauwelijks twee maanden oud. De moordenaars moeten jou over het hoofd hebben gezien want je had geen enkele wonde. Je weende van de honger en je lijfje rilde van de kou. Hoelang had je daar gelegen? Het vuur in de haard was al lang gedoofd want het was ijzig koud in de kamer.’ Olrac snakte naar adem. ‘Oude Lazlo, was die …was die dode vrouw mijn moeder?’ De oude man schudde het hoofd en haalde zijn schouders op. ‘Wie zal het zeggen? Misschien was zij je moeder, misschien was zij de vrouw die je opvoedde. Ik weet het niet. Ik weet slechts één ding. Als ik de kamer zou verlaten zonder je te voeden en te warmen, zou je die nacht doodgevroren zijn.’ ‘En wat heb je toen gedaan?’ ‘Zonder verder na te denken, nam ik jou in mijn handen. Je stopte met huilen en keek me met je lichte ogen aan. Ik wist dat ik je nooit meer zou vergeten. Ik voelde dat jij ons leven zou veranderen. Dat jij op ons pad was gekomen met een boodschap.

14


Toen kwam Thalan binnen. Ik was bang dat hij zou zeggen dat we jou moesten achterlaten, dat het onze zaken niet waren, maar dat zei hij niet. Hij keek me aan en knikte. Toen nam hij je van me over en stopte je in de schapenvacht die hij rond zijn borst had gewikkeld. De warmte van zijn lichaam deed je terug in slaap vallen.’

15


Olrac durfde haast niet te ademhalen. Dit was zijn verhaal! Die burcht was zijn ouderlijk huis geweest. Oude Lazlo had nog niet gedaan met spreken. ‘Je was mooi aangekleed. Het was duidelijk dat jij niet het kind was van een dienstbode of de meid. Je was gewikkeld in de fijnste lakenstof die alleen in Vlaanderen werd vervaardigd. Onderaan droeg je een hemdje van witte zijde. Alleen een kind van welstellende burgers kon zoiets dragen. Daarbij had je nog iets …’ De oude man stond moeizaam op en slofte naar de hoekkoffer waar hij zijn kruiden en zalven in bewaarde. Hij kwam terug met een zakje dat dichtgeknoopt was met een getwist8, roodsatijnen touwtje. In zijn andere hand hield hij het witte zijden hemdje vast. Hij legde alles in Olracs schoot. Olrac bekeek het hemdje. Was hij ooit zo klein geweest? Vooraan stond een tekentje geborduurd in gouddraad. ‘Dit teken heeft te maken met wie je bent,’ sprak Thalan. ‘Het hoort bij het wapenschild van je ouders. Dit hemdje zal bewijzen wie je bent. Daarom Olrac, mag je dit nooit verliezen! Nooit!’ Olrac schudde zijn hoofd. Hij opende het zakje en haalde er een stukje koraal uit dat aan een touwtje bengelde.

16


‘Wat is dit?’ ‘Dat is een bijtring,’ sprak Thalan. ‘Het hing rond je nekje. Er zit nog iets in het zakje.’ De hoofdman glimlachte. Gretig stak Olrac zijn magere jongenshand in het zakje en haalde er een merkwaardige steen uit. Hij zag er onopvallend uit, grijs en ongelijk van vorm. Moest hij op de grond hebben gelegen, hij zou er geen aandacht aan hebben geschonken. Hij fronste zijn wenkbrauwen en keek de hoofdman vragend aan. ‘Deze steen noemt men Bezoar van Sol. De steen van de zon. Adellijke mensen geven de zeldzame steen aan hun pasgeboren zoon als tegengif voor mogelijk ziektes en epidemieën zoals de rode koorts, de zwarte dood en de builenpest. Aan meisjes geeft men de Bezoar van Luna: de steen van de maan. Zodat hun dochters vruchtbaar zouden zijn en niet zouden sterven aan kraamkoorts. Mensen betalen voor deze stenen een fortuin. Ze zijn alleen te vinden in Morenland. Ze zit in de ingewanden van de geiten die alleen in die streken kunnen overleven.’ ‘Het zakje lag tegen je voetjes ingewikkeld opdat het niet zou verloren gaan,’ sprak Oude Lazlo. ‘Je ouders waren voorname burgers, Olrac. We konden je niet achterlaten, dan zou je sterven. We konden je ook niet terugbrengen, want dan zou men ons beschuldigen van de slachtpartij die er was gebeurd. We waren al bekend als rover. Wie zou het woord van een rover geloven?’

17


Die avond kon Olrac de slaap niet vatten. Er was te veel om over na te denken. En bij iedere gedachte schoot er een vraag naar binnen die hij aan de rovers wilde stellen.

4 De geur van de lucht was fris en prikkelend toen Olrac de volgende ochtend zijn hoofd naar buiten stak. Hij was als eerste wakker geworden, zelfs eerder dan Oude Lazlo die meestal over het vuur waakte en aanwakkerde. Vandaag was de kortste dag van het jaar wist Olrac. In de vallei zouden ze feest vieren: het midwinterfeest. Van heinde en verre zouden de mensen naar de jaarmarkt komen. Er zou worden gedanst, gegeten en gedronken tot in de vroege ochtenduren. Niet voor hen natuurlijk. Rovers feesten niet. Met een steek in het hart vroeg Olrac zich af hoe zijn leven er zou hebben uitgezien, moest hij in een burcht zijn opgegroeid. Hij kon het zich niet voorstellen. De gedachte aan een leven zonder zijn vijf goede vrienden kon hij zich met de beste wil van de wereld ook niet voorstellen. Even laten zaten ze weer bij het vuur en dronken ze de thee die Oude Lazlo had gemaakt van gedroogde bessen, tijm en salie. Ze aten de resten op van de maaltijd van gisteren en doofden de laatste honger met stukken plat brood dat Oude Lazlo op stenen had gebakken. Thalan verdeelde de taken.

18


Mareck en Golus moesten de dieren verzamelen. Friggor en Oude Lazlo moesten het gereedschap inpakken. ‘En jij, Olrac,’ vervolgde Thalan, ‘jij gaat vandaag naar de stad in de vallei om een beurs met geldstukken te stelen. Het is de eerste keer dat ik je er alleen op uitstuur. Onze gezichten zijn al veel te bekend bij de handlangers van de baljuw. Daarom stuur ik jou. Niemand kent je. Gedraag je als een bedelaar. Verstop je in een smalle steeg vlak bij een herberg. Wie veel gedronken heeft, is niet goed te been, profiteer hiervan. Je mag ook nooit kinderen en vrouwen overvallen. En laat je niet vangen!’ zei Thalan nog. ‘Als de baljuw je te pakken krijgt, zal je gestraft worden als een volwassene omdat je ouder bent dan twaalf jaar.’ Olrac knikte en even dacht hij nog te vragen of er iemand anders in zijn plaats wilde gaan. Veel zin had hij niet. Hij was een angsthaas maar dat mocht hij vooral niet toegeven. Hij mocht ook zijn vrienden niet in de steek laten. Toen de zon net boven de bergen opkwam, vertrok hij. Hij kende de bergen als geen ander en behendig wipte hij van rots naar rots om op die manier de kortste weg naar de vallei te kunnen nemen. De zon deed het ijs op de rotsen glanzen en af en toe gleed Olrac uit. Hij moest het rustiger aandoen.

19


Er klonk geritsel in het struikgewas en verschrikt keek Olrac op. Vlak boven zijn hoofd vloog een roofvogel op. In zijn klauwen hield hij een vette rat geklemd. Olrac kende de geluiden van de dieren, maar toch schrok hij af en toe. Zeker als hij alleen op pad was zoals nu.

20


Hij bedacht dat hij van de overval onmiddellijk werk wilde maken. Voor het donker wilde hij weer thuis zijn, bij zijn vrienden. Aan de zon te zien had hij geen tijd te verliezen. De zon stond aan het hoogste punt van de hemel toen hij de poorten van de ommuurde stad zag. Eindelijk! Mensen dansten in grote kringen op het stadsplein. In de straten en stegen was er enorm veel volk. Overal waren er kraampjes te zien. Onbekende maar heerlijke geuren kringelden in zijn neus. Maar hij moest werken zodat ze konden eten en zodat ze konden vluchten. Weg van de baljuw en zijn gevaarlijke krijgslieden. Olrac keek zijn ogen uit. Klanken van muzikanten vlogen hem om de oren.

21


22


Er stonden jongleurs op het plein. Ze jongleerden met levende ratten of met brandende fakkels. Er was een man die een beer liet dansen. Een brede man plooide een ijzeren staaf op zijn borst. Een magere man kroop als een slang in een kooitje waar amper een konijn in zou hebben gepast. En overal waren er dieren. Ganzen, kippen, geiten, varkens. Ze liepen tussen de mensen door en maakten mee kabaal. Toen Olrac zich een duidelijke voorstelling van de stad en de vluchtwegen had gemaakt, koos hij een smalle steeg uit waar het minder druk was. Er liepen weinig mensen. Het waren voornamelijk dronkaards die de herberg verlieten. Olrac keek door de kleine ramen naar binnen. Hij wilde uitzoeken of er een mogelijk slachtoffer tussen zat. Het was een vreselijke steeg. Over de grond kringelde een spoor van braaksel, urine en uitwerpselen. Olrac zette zich in het midden van de steeg, tussen twee herbergen in. Het was de donkerste plek in de straat. Hij hield zijn stok zo onder zijn oksel dat het leek alsof hij er met zijn hele gewicht op steunde, als een kreupele. Zorgvuldig bekeek hij iedere zatlap die voorbijkwam. Te mager, te arm, te …

23


Toen zag Olrac in de verte de naderende figuur. Het was een schommelende dikke gestalte die niet goed meer kon wandelen. Hij praatte in zichzelf en lalde9 af en toe enkele noten van een lied. In een oogopslag had Olrac hem herkend toen hij in de herberg had gegluurd. De dikke man met de fluwelen wambuis10. Hij droeg een lederen riem met koperen gesp in de vorm van een berenkop. Daaraan hing een zware geldbuidel en een rinkelende sleutelbos. De man droeg een fijn linnen hemd, een voorname bliaut11 en aan zijn voeten zaten geen beenkappen maar echt leren schoeisel met uitlopende punten gemaakt in het fijnste kalfsleer. De man droeg een mouwloze overmantel afgezet met bont. Aan zijn dikke vingers prijkten gouden ringen.

24


25


Op zijn hoofd stond een vilten hoed met lange flappen, weliswaar schots en scheef zodat de man er eerder belachelijk uitzag dan voornaam. Dit was de man die hij hebben moest! Het perfecte slachtoffer. Olrac kreeg het warm. Hij wist dat hij nooit zou wennen aan dit soort situaties. Maar het moest! Voor zijn vrienden! Voor hun leven en hun kans op een veilige vlucht! Ze hadden het geld nodig om te kunnen vluchten, om de tol langs de wegen te kunnen betalen, om zich vrij te kopen wanneer ze door het land van halsstarrige12 monniken en hebzuchtige boeren moesten trekken. De man kwam naderbij en Olrac kon het dronken gestamel duidelijk horen. De man bleef wankelend staan, zijn armen ver van zijn vette lijf houdend om zijn evenwicht te bewaren. Olrac bukte zich nog verder naar voren en stak zijn magere bedelhand uit. Zijn andere hand omklemde de stok. Nog tien stappen! Het duurde een eeuwigheid. Hopelijk kwam er niemand de straat in. Vanuit zijn ooghoeken gluurde hij of de kust veilig was. Niemand, buiten een oude zwervershond. Nog vijf stappen te gaan. Loom kwam de dikkerd naderbij. Olrac voelde hoe het zweet in straaltjes over zijn rug liep. Het was niets voor hem! Maar hij moest! Nu stond de man pal voor hem en keek hem met zijn dronken ogen aan. Hij stonk naar drank en braaksel en Olrac moest bijna kokhalzen.

26


Toen ging het snel. Olracs stok schoot naar voren. Met een zware dreun viel de dikke man languit op de grond. Olrac sprong op het dikke lijf en trok uit alle macht de geldbeugel los. Maar de leren touwtjes gaven niet mee. De man begon te vloeken en wild om zich heen te slaan. Olrac voelde zich benauwd worden. Lieve hemel, dit liep slecht af! Het lukte niet! Vooruit! Trekken! VERVLOEKTE GELDBUIDEL! Zijn mes! Als een flits schoot het door zijn hoofd. Waarom had hij zijn mes niet klaar gehouden? Wat voor een uilskuiken was hij geweest! Hadden de lessen van Thalan hem dan niets geleerd? Het werd een heftige worsteling. De man was te dronken om te vechten maar hij was zo zwaar dat Olrac hem niet de baas kon. De man rolde zich op zijn rug en hield met beide handen zijn beugel vast. Olrac zat op zijn dikke buik en trok uit alle macht. Het lukte maar niet. Hij moest maken dat hij wegkwam, zonder beurs. Als een haas zette hij het op een lopen. Hijgend en struikelend en volledig in paniek rende Olrac de steeg uit. Zijn hart klopte wild in zijn keel. Toen hij de bocht in de steeg naderde hoorde hij de brullende woorden van de man. Ze galmden door de steeg en in zijn hoofd. ‘VUILE RAT! IK HEB JE GEZICHT WEL GEZIEN! WACHT MAAR TOT IK JE TE PAKKEN KRIJG!’

27


Olrac rende kriskras de steegjes door. De man bleef hem brullend achtervolgen. ‘HOUD DE DIEF!’ riep hij de hele tijd door. Hij moest zich verbergen, maar waar? Hij keek wild om zich heen. Koortsachtig dacht hij aan wat de hoofdman hem geleerd had. ‘Olrac, als je in gevaar verkeert en je moet een schuilplaats vinden, verstop je dan nooit onder een kar, in een ton, onder een bed of in een donkere steeg. Dat zijn de eerste plaatsen waar men je zal zoeken. De beste verstopplaats is waar vele mensen bij elkaar zijn. Doorheen het volk ziet men niet wie men wil vinden.’ In de verte zag Olrac het drukke marktplein. Hij was buiten adem en nog steeds hoorde hij de brullende man achter hem aankomen. Met zijn laatste krachten liep Olrac de mensenmassa in. De mensen stonden bij elkaar gedromd voor het theaterspel dat werd opgevoerd op een platte kar. Ze joelden en maakten de acteurs uit omdat ze niet voldeden. Olrac maakte zich zo klein mogelijk en gebukt duwde hij zichzelf tussen de mensen door. De man brulde nog steeds, maar omdat er zo veel mensen op het plein kabaal maakten, viel het minder op. Opeens werd Olrac tegengehouden door een hand op zijn schouder. Geschrokken keek hij op. Naast hem stond een jonge vrouw. Ze was misschien maar enkele jaren ouder dan hij. Ze droeg een witte kap en ze was duidelijk zwanger.

28


‘Kom,’ zei ze en ze opende haar lange mantel. ‘Verstop je hier en blijf stil zitten. Ik zal je laten weten wanneer de kust weer veilig is.’ Voor hij het goed en wel besefte, zat Olrac onder de blauwe, wollen mantel. De stem van de dikke man klonk vlakbij. Hij kon niet verder dan twee armlengtes verwijderd zijn. Olrac hield zijn adem in. De dikke man zocht verder, de stem schalde niet meer luidop. Daar zat hij, als een konijnenjong onder een vacht. Het voelde goed aan en de vrouw rook lekker. Naar lavendel en tijm. Olrac kwam tot rust. Opeens dacht hij weer aan de ouders die hij nooit had gekend. Zou zijn moeder ook zo lekker hebben geroken? Zou ze van hem gehouden hebben? Zou ze nog in leven zijn? Even later was de kust weer veilig. Olrac bedankte de vrouw en zonder geldbeugel ondernam hij weer de tocht naar de Doodsberg. Het viel hem zwaar. Enerzijds was hij blij dat hij ontsnapt was en terug naar zijn vrienden kon. Anderzijds wilde hij zo graag een gewone jongen zijn, met een moeder en een vader. Met vrienden van zijn leeftijd. Met een huis en een bed. Met een gevoel van veiligheid. Geen dreiging door de galg op het Knekelveld. Geen overvallen meer om te overleven.

29


Terwijl hij de heuvel besteeg, en de weiden passeerde waar de schapen hem nieuwgierig aankeken, nam Olrac een belangrijke beslissing. Het zou zijn leven veranderen, maar dat wist hij toen nog niet. Hij keek de schapen aan en zei: ‘Als ik terug bij mijn vrienden ben, zeg ik hen dat ik geen rover word. Ik deug niet als rover. Ook wil ik op onderzoek gaan om te ontdekken wie mijn ouders zijn.’ Het begon te schemeren maar opgewekt liep Olrac verder. Er was een zwaar pak van zijn hart gevallen.

30


31


Woorduitleg 1 2 3

Pyreneeën = bergengordel tussen Frankrijk en Spanje kreupelhout = lage begroeiing met bomen en struiken baljuw = een machtig man. Hij stond aan het hoofd van de krijgsknechten en inde de belastingen bij het volk. 4 wolfsmuil = een misvorming aan de mond met dubbele hazenlip 5 Aragón = een gebied/provincie in Noord-Spanje 6 midwinterfeest = Kerstmis 7 donjon = ronde afzonderlijke toren in een burcht 8 getwist = twee draden die strak rond elkaar zijn gedraaid 9 lallen = onduidelijk praten of zingen 10 wambuis = een overhemd zonder mouwen, meestal in dik gevoerde stoffen 11 bliaut = een lang onderkleed dat zowel door mannen als door vrouwen kan worden gedragen 12 halsstarrig = heel koppig Wil je weten hoe het verder verloopt met deze roversjongen? Lees dan Olrac (Clavis)

32


De jonge Olrac woont in een verborgen grot samen met zijn roversfamilie. Op een dag moet hij naar de stad om iemand te overvallen. Als dat maar goed gaat …

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 6. ISBN 978 90 486 2537 6 Bestelnummer 60 1021 597 KB D/2016/0147/106 NUR 191 Illustraties: Kristien Dieltiens Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 625376

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - 6e leerjaar - N1 - De Overval by die Keure - Issuu