Skip to main content

Verrekijkerbieb - 6e leerjaar - N1 - Het beloofde land

Page 1

ucatieve uitgaven

BIEB

Het beloofde land Katrien Vervaele en Fabienne Vervaele

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 6

2


Het beloofde land

In 2015 is er een grote toevloed vluchtelingen op gang gekomen. Vooral vanuit oorlogsgebieden zoals Syrië, Afghanistan en Irak. Mannen, vrouwen, kinderen vluchten naar Europa op zoek naar een veilige plek in de hoop een nieuw leven te beginnen. Op tal van plaatsen worden oude kazernes en zelfs vakantiedomeinen omgebouwd tot asielcentrum. Een aantal maanden verblijven ze er, wachtend op hun ‘papieren’. De onzekerheid is groot. Kunnen ze blijven of worden ze uitgewezen? Benieuwd naar wie die meisjes en jongens zijn, trokken we een aantal dagen met hen op in het opvangcentrum in Sijsele. We vroegen hen naar hun leven in hun thuisland, we wilden weten waarom ze gevlucht waren en hoe ze hun toekomst zagen.

1


De eerste dag proberen we contacten te leggen met jongens en meisjes tussen 9 en 16 jaar. Sommigen spreken al een mondje Engels, anderen die hier nog maar een paar weken zijn, begrijpen geen woord van onze uitleg. Gelukkig is er Marcilla, een 17-jarige moslima die overweg kan met Farsi, Pasjtoe, Hindi … talen die in Afghanistan, Syrië, Pakistan, Iran worden gesproken. En er is de goedlachse Anas die ons met veel plezier de Arabische wereld inleidt. Ook krijgen we hulp van Hayder en Fatima en Saleem Jan Zazai. Beetje bij beetje komen we meer te weten over hun redenen om te vluchten en begrijpen we op welke manier en hoe moeizaam de tocht naar hier verliep. Beetje bij beetje puzzelen we hun verhalen tot één verhaal.

2


Zubeidullah (10) uit Afghanistan Zubeidullah is 10 jaar en een paar weken geleden aangekomen samen met zijn zus Dewa van 16 jaar en zijn moeder en vader. Dewa, gesluierd, zit er heel afwezig bij en kijkt treurig. Eerst wil ze wel vertellen, maar na overleg met haar ouders, zegt ze dat ze hoofdpijn heeft. We weten niet wat we ervan moeten denken, maar we hebben heel erg met haar te doen. Zubeidullah daarentegen wil wel vertellen. En dat komt goed uit, want er is net een kennis van de familie op bezoek die al 16 jaar in Nederland woont. Hij wil graag tolken. Waar kom je precies vandaan, Zubeidullah? Uit Gugni, een dorp uit de streek van Jalalabad. Dat is een van de gevaarlijkste streken in Afghanistan. De taliban en ISIS zijn er aan de macht en zij maken het leven er tot een hel. Het was voor ons niet meer mogelijk om er te leven. Wat gebeurt daar dan allemaal dat het gevaarlijk maakt? Ze benaderen jongens vanaf 12 jaar. Ze proberen hen te brainwashen. Ze willen hun gedachten veranderen, ze willen dat ze denken op de manier van de taliban. Ze willen dat de jongens mee gaan vechten of zelfs zelfmoordaanslagen plegen. Jongens die dat niet willen, ontvoeren en vermoorden ze. Regelmatig verdwijnen er jongens. Voelde je je ook onveilig? Mijn vader was de rijkste man van het dorp. Hij was landbouwer en had veel grond en vee. Hij werd beschouwd als de chef van het dorp. De taliban en ISIS vroegen hem om mee te doen met hen, maar dat wilde hij niet. Daardoor waren we voortdurend in gevaar. Ook door wat mijn mama deed …

3


Wat deed je mama dan dat niet mocht? Mijn mama was lerares. Maar de laatste tijd mocht ze geen les meer geven. De taliban hadden de scholen gesloten. Ze wilden niet dat de kinderen les zouden volgen, en al zeker niet de meisjes. Zo ben ik al een jaar niet meer naar school gegaan. Vreselijk vond ik dat. Mijn mama is dan les beginnen geven in het geheim, in een kamer in ons huis. Aan de kinderen en ook aan de vrouwen. Wat ze deed was heel gevaarlijk. Toen de taliban dat te weten kwamen, was het niet meer veilig voor mijn mama. Ook dat was een reden voor ons om te vluchten. Mijn ouders vinden het heel belangrijk dat we naar school kunnen gaan en later iets worden. Wat zei je papa op het moment dat jullie vertrokken? ‘We gaan weg van hier, we gaan naar een vrij land,’ zei hij. Hij wist wel niet precies waar we zouden terechtkomen. Hij heeft ook niet gezegd dat we naar Europa zouden gaan. Hij zei alleen ‘We gaan weg, naar een land waar het veilig is, waar we vrij kunnen zijn.’ Toen hij dat zei, was ik zo blij, omdat ik wist dat ik weer naar school zou kunnen gaan. Wat namen jullie mee toen jullie vertrokken? We hebben niets meegenomen. We hadden alleen elk een klein rugzakje mee met een paar kleren in en wat eten, vooral noten, omdat die heel voedzaam zijn. We hadden ook één boek mee, de Koran. Geld deden we niet mee, of maar een heel klein beetje, want het risico dat je bestolen wordt, is groot. Op voorhand had mijn vader een grote som betaald aan mensensmokkelaars. Mensensmokkelaars? Dat zijn de slechtste mensen die er bestaan! Zij zijn helemaal niet bezorgd om ons. Ze beloofden van alles, maar de reis verliep veel moeizamer en gevaarlijker dan ze gezegd hadden. Met onze veiligheid zitten die smokkelaars niet in.

4


Het enige wat ze willen is geld, heel veel geld. Mensen die zulke grote sommen niet kunnen betalen, kunnen ook niet vertrekken. Ook al lopen ze veel gevaar. Wie geen geld heeft, kan niet anders dan daar blijven. Vertel eens over jullie reis. Die heeft bijna een maand geduurd. We wisten nooit waar we waren, de mensensmokkelaars brachten ons steeds verder. We waren in kleinere, soms grotere groepen, soms alleen met ons vier. We hadden de hele reis bijna geen eten en geen verse kleren. Het was koud en nat. Twee nachten sliepen we in een bos. Sommige stukken reisden we met de bus, met de trein, sommige stukken te voet. En dan was er het bootje … Vertel daar eens over. Het was nacht toen we met een hele groep mensen in een rubberen opblaasboot stapten. Met veel te veel mensen ... We zaten heel dicht opeengepakt. Als we wat verder in zee kwamen, zagen we een heleboel tassen en rugzakken drijven. Een van de andere bootjes die voor ons waren vertrokken, was gekapseisd. Het bootje was gezonken en de mensen die erin zaten, waren verdronken. We waren heel erg bang dat het ook met ons zou gebeuren. Bovendien viel de motor van onze boot regelmatig uit. Dan begon die boot rond te draaien en dat maakte ons nog banger. Maar dan lukte het weer om de motor in gang te krijgen. De boot wiebelde voortdurend en er stroomde water in de boot. Dat moesten we voortdurend uitscheppen. We werden helemaal nat. Zo zijn we overgestoken van Turkije naar Griekenland. Hoelang het geduurd heeft, weet ik niet precies. Het was maar een goeie twee uur, maar het voelde veel langer, want ik was zo bang daar in het donker op die wiebelende boot. Als we uitstapten aan land waren we allemaal heel erg blij. Daar in Griekenland werden we opgevangen door het Rode Kruis. Op dat moment hadden we het gevoel dat onze vlucht zou lukken.

5


Hoe was het moment dat jullie in België, in Brussel, aankwamen? We waren met een heleboel mensen. We zijn toen met een bus hier in Sijsele aangekomen. We zijn hier nu twee weken. Is het hier goed, in het asielcentrum? Alles is beter dan in Afghanistan. Het was daar geen leven meer. Weet je wat er nu verder zal gebeuren? We weten dat nog niet. Eerst moeten we afwachten of onze asielaanvraag wordt goedgekeurd en wachten tot we weten of we in België mogen blijven. Ik weet alleen dat ik binnen een week hier naar school kan gaan. Daar ben ik blij om, want later wil ik dokter worden.

6


Yasser (12) en Yassim (11) twee broers uit Irak Het is halftien en we zijn op zoek naar de twee jongens. Hayder en Fatima die ook uit Irak komen en zullen tolken, vertellen dat de twee nog liggen te slapen. Het is namelijk zo dat de mannen en jongens altijd tot heel laat in de activiteitenruimte blijven en daarom ook zo lang uitslapen. Ze vinden het niet erg als ze daardoor het ontbijt missen. Ze wachten wel tot de middag om te eten. Maar we moeten niet zo lang wachten of ze komen aangelopen, nog met de slapers in de ogen. Aan een kleine lavabo duwen ze hun handen onder de kraan en ze wassen vlug hun gezicht. Jullie zien er allebei als echte voetballers uit! Yassim: We zijn ook voetballers, en goeie! Yasser: Dat is onze droom, in een ploeg spelen. Zijn jullie fan van onze nationale voetbalploeg? Yassim: Wij zijn fans van Barcelona. Yasser: Ronaldo! Willen jullie ons vertellen waarom jullie uit Irak gevlucht zijn? Yassim: Wij hadden een klein winkeltje. Er was een bomaanslag en alles was vernield. (Ondertussen is Yasser weggelopen om iets te gaan halen. Hij komt terug met de smartphone van zijn vader en toont de foto’s van de vernielde winkel. Er is zo goed als niets van overgebleven.) Yassim: In Irak is Al Qaida overal aanwezig. Niet altijd openlijk, maar ondergronds. Ze kunnen altijd en overal een aanslag plegen.

7


Het is er dus heel onveilig? Yassim: Er gebeuren heel veel ontvoeringen. Kinderen worden ontvoerd. Al Qaida ontvoert kinderen omdat de ouders anders denken dan zij, maar er zijn ook anderen die de situaties misbruiken. Ze ontvoeren kinderen om er geld voor te vragen. Je kunt niemand meer vertrouwen! Yasser: Ik zag eens met mijn eigen ogen hoe een kind werd gekidnapt op de markt. De politie zag het, maar deed niets. Yassim: Er gebeuren ook veel moorden. We zagen dagelijks wel een lijk drijven in de rivier die door de stad loopt. Jullie waren blij dat jullie konden vertrekken? Yassim: Ja, zeker! We zijn naar hier gekomen voor meer veiligheid en om een toekomst op te bouwen. Yasser: Ik was vooral blij dat we onze vader zouden terugzien. Hij was al vroeger vertrokken naar Turkije waar hij mensen contacteerde die de vlucht zouden regelen. Hij moest eerst betalen en dan vertelden ze hem langs welke route we konden vertrekken. Yassim: Pas toen hij alles geregeld had, heeft hij ons opgebeld en konden we achtergaan. Hoe verliep de reis? Yassim: In Turkije ging het er hard aan toe! We werden met een heleboel mensen, zeker 50, in een beestenwagen geduwd. We zaten heel dicht opeengepakt. We hadden bijna geen lucht en er was ook maar een klein beetje licht dat van boven kwam. Er was ook een vrouw die zwanger was. Ze had al zo’n dikke buik. Ze moest waarschijnlijk al bijna bevallen! Yasser: Dat gevoel in die wagen was verschrikkelijk. Yassim: Maar ook in de boot waren we bang … Yasser: We hebben 10 uur in dat rubberen bootje gezeten. Van 1 uur ’s nachts tot de volgende middag.

8


Dat was een bootje van maar 9 meter lang en we waren met 75 mensen. Mannen, vrouwen en kinderen. Er was veel beweging in het water en velen werden zeeziek. Velen gaven over. Zij die aan de kant zaten, braakten in het water. Maar zij die niet aan de kant zaten, gaven gewoon over op de mensen die naast hen zaten. Verschrikkelijk. Die stank. Iedereen werd ook daardoor al ziek … Yassim: En op een gegeven moment zagen we een haai. Yasser: Toen werd iedereen natuurlijk nog banger. Iedereen was zenuwachtig en er waren er die riepen en schreeuwden om hulp. Sommigen weenden ook. (Ondertussen toont Yassim op de kaart hoe ze vanuit Irak Turkije zijn binnengekomen en de boot naar Griekenland hebben genomen.)

9


Zuhal (14) uit Afghanistan Zuhal en haar zusje van 10 kwamen een paar weken geleden aan in het kamp, samen met hun mama. Ze voelen zich nog zeer onwennig, voelen zich echt niet goed in het kamp. We hebben een babbel met haar, samen met tolk Marcilla. Waarom hebben jullie Afghanistan verlaten? Toen onze papa gestorven was, voelden we ons niet meer veilig. Een moeder alleen met haar twee dochters loopt er gevaar. Ik was ook klaar met het lager onderwijs en kon niet meer verder naar school. De school waar ik naartoe zou moeten gaan, lag te veraf vanwaar we woonden. De weg erheen en terug was ronduit gevaarlijk. We zijn naar hier gekomen voor een veiliger leven, dat alleszins. Maar ook zodat mijn zus en ik naar school zouden kunnen gaan en verder studeren. Studeren is belangrijk? Zeker! Een vrouw moet studeren om later een job te hebben. In mijn land is een vrouw zonder job helemaal afhankelijk van haar man. De man heeft alle macht over je, je kunt niets zelf beslissen en dus ook op financieel vlak kun je helemaal niets als je geen job hebt. Als ik naar school ga en een diploma behaal, zal ik later een job hebben en onafhankelijk zijn. Wat zou je willen worden? Dokter! Ik vind dat een heel mooi beroep. Wat deed je allemaal in je vrije tijd? Want een hele poos kon je niet naar school. Ik hou heel veel van breien en haken. Zo heb ik in de weken dat ik hier ben, heel wat poppenkleertjes gehaakt voor de poppen die ik hier heb gekregen.

10


Zijn er zaken die jullie meebrachten van Afghanistan? Zaken waaraan je persoonlijk gehecht was? Ik kreeg een haarborstel van een vriendin. Mijn haar kammen en mooi houden, vind ik belangrijk. Ook al draag ik erboven een sluier, ik verzorg mijn haar.

Jij draagt een sluier, maar je zusje van tien niet … Zuhal: Vanaf 12 jaar dragen moslimmeisjes een sluier. Onze godsdienst legt vrouwen op om ons haar en ons lichaam te bedekken. Marcilla (tolk): Als we met vrouwen onder elkaar zijn, hoeft het niet, maar van zodra er een man bij is, bedekken we ons. Alleen als we getrouwd zijn, mag de man ons zien. We mogen ons mooi maken, ons schminken … maar dat doen we alleen voor onze man. Ga je naar buiten, dan bedek je je.

11


Hebben jullie iets mee kunnen nemen toen jullie vertrokken? We hebben alles achtergelaten. Behalve een ring en wat kleren en een klein beetje geld, hebben we niets meegebracht. We hebben heel veel geld betaald voor de reis naar hier. Was het hard om te vertrekken? Het was moeilijk leven in ons land, maar toch was het lastig om te vertrekken. Zelfs al weet je dat je een betere toekomst tegemoet gaat - of dat hoop je toch - vertrekken uit je huis, uit je land is heel pijnlijk. Ik kan het moeilijk beschrijven, ik heb geen woorden om te zeggen hoe het voelde. Er was ook de onzekerheid. Hoe zal de reis verlopen? Waar komen we terecht? Hoe voelt het om hier te zijn? Het voelt niet goed. We zijn hier gekomen met grote verwachtingen, maar we zitten als een vogel in een kooi. We zijn zogezegd in een veilig en vrij land gekomen en we zouden moeten kunnen uitvliegen. Maar dat uitvliegen is niet gemakkelijk. We zitten hier maar te wachten. We weten niet hoe het nu verder zal verlopen.

12


Maar je was toch blij dat de reis erop zat? Dat wel, want het was heel zwaar. We hebben veel honger gehad. We hebben bijna geen enkele keer warm gegeten. We kochten wat we konden krijgen, wat we konden kopen. Zoals een broodje of een pak koekjes. Hier in het opvangcentrum wordt er wel goed voor ons gezorgd!

Na het interview worden we uitgenodigd in hun ‘kamer’. Iets wat toch heel bijzonder is, want de kleine ruimtes achter de zwarte doeken die als verblijf dienstdoen, zagen we tot nu toe alleen van buitenaf en normaal wordt er ook niemand toegelaten. In de immense hangars zijn aparte ruimtes ingericht voor telkens 6 personen: 1 of 2 gezinnen. Als we binnenkomen is er net een vrouw aan het bidden. Op een klein matje zit ze geknield, gezicht tegen de grond. We voelen ons een beetje beschaamd. Maar we waren uitgenodigd en de vrouw die aan het bidden is, lijkt het niet erg te vinden. Zij bidt ongestoord door. Aan de ene kant staan drie bedjes tegen elkaar, voor Zuhal en haar zus en haar moeder. Aan de andere zijde staan drie bedjes voor de andere vrouw met haar twee zonen. Ze hebben elk een grijze legerkast waar ze hun spulletjes in kwijt kunnen. Ernaast stapelden ze nog wat plastic zakken en bakken met gekregen kleren en met gekregen speelgoed. Veel knuffels ook. Allemaal gekregen. Als troost. Zuhal toont ons haar poppen waarvoor ze roze baljurkjes heeft gehaakt. Om de tijd te laten voorbijgaan, zegt ze. Ze zal zo blij zijn als ze eindelijk naar school kan. De moeder zoekt ondertussen in de grijze kast. Ze haalt twee brikjes fruitsap uit. Ze neemt een bord, zet de brikjes erop en biedt het ons aan. Ze heeft niets of bijna niets. En toch wil ze ons iets aanbieden. Het ontroert ons.

13


Marcilla (17) en Rachid (16) uit Afghanistan We vragen de tolk Marcilla om nog wat verder te vertellen, want er zijn toch een aantal zaken die we niet zo goed begrijpen. Waarom een moslimvrouw een sluier moeten dragen bijvoorbeeld. Zelf draagt ze een zwarte sluier en een lang zwart kleed. En hoewel ze heel open vertelt en in het centrum vaak gevraagd wordt om te tolken, is ze heel gereserveerd en heeft ze ook weinig kritiek op het feit dat vrouwen zich moeten bedekken, op het feit dat vrouwen ondergeschikt zijn aan de man. Bovendien heeft ze het ook niet graag dat men haar aanspreekt met haar naam. Ze wil liever aangesproken worden met ‘sister’. Een sluier om zich te verbergen en liever geen naam dus. En al zeker geen foto. Voor het interview komt ook haar broer Rachid (16 jaar) erbij, want ook hij heeft heel wat te vertellen. Vertel eens over jullie land. Rachid: Het gaat er heel slecht. Er zijn geen jobs en er is geen geld. Mijn vader had een supermarkt, wij hadden dus voldoende. Maar het was er niet veilig. Er wordt veel gestolen! Marcilla: Het is er ook gevaarlijk om naar school te gaan. Kinderen gaan naar school, maar je weet als ouder nooit helemaal zeker of je ze ’s avonds terugziet. De kans zit er altijd in dat ze gekidnapt worden. De taliban willen niet dat kinderen naar school gaan. En zeker niet de meisjes. Rachid: Mijn vader vond het heel belangrijk dat we Engels leerden. Daarom kwam er iemand aan huis die Engelse les gaf. Aan ons allemaal. Marcilla: Dat is de reden waarom ik goed Engels spreek. Daarom vragen ze me hier ook om te tolken. Ik ga bijvoorbeeld vaak mee naar het ziekenhuis als er iemand opgenomen wordt.

14


Jullie gaan nu ook starten met Nederlands leren? Marcilla: Zo snel mogelijk! Rachid: Ik wil verder studeren en later ingenieur worden. Marcilla: Mijn droom is om schrijfster te worden. Ik wil het verhaal van mijn leven neerschrijven. Hoe we gevlucht zijn maar ook hoe we leefden in Afghanistan, wat we allemaal hebben achtergelaten … Jullie hebben misschien ook een vriend of vriendin achtergelaten? Rachid: Het is niet de gewoonte dat een jongen er een meisje kent of een meisje een liefje heeft. Jongens en meisjes mogen helemaal geen contact hebben met mekaar. Onze godsdienst verbiedt dat. Maar je moet toch de kans krijgen om iemand te leren kennen om er dan mee te trouwen? Rachid: Onze ouders regelen dat. Als de tijd gekomen is, gaan ze op zoek naar een vrouw voor hun zoon. Ze gaan naar het huis van dat meisje en vragen aan de ouders van die jongeman of ze ermee akkoord gaan. Als dat het geval is, dan komt de jongen kennismaken met het meisje. Hij heeft wel de keuze: ermee instemmen of weigeren. Vinden jullie dat goed? Rachid: Wij vertrouwen onze ouders, wij vertrouwen de familie. Het is goed zoals het geregeld wordt. Marcilla: Het is niet altijd goed! Soms wel, maar zeker niet altijd! In mijn land zijn er nogal wat koppels die problemen hebben. Ze treden in het huwelijk zonder elkaar te kennen. Het klikt toch niet zo goed en ze slagen er niet in om elkaar graag te zien. En de gemeenschap vindt het absoluut niet goed dat die twee uit elkaar gaan.

15


Vind je het niet confronterend hoe het hier is? Marcilla: Hier is het allemaal zo anders, allemaal zo nieuw voor me. Dat is moeilijk! We willen een nieuw leven, maar we weten nog niet goed hoe eraan te beginnen. Het is niet gemakkelijk om ons aan te passen. We hebben veel achtergelaten, dat besef ik nu. Leefden jullie in een mooi huis? Rachid: Niet echt. Een gewoon huis, zoals de anderen. Maar we woonden er wel met velen. Zoals alle andere families in mijn land. We woonden er met achttien: mijn vader en moeder, mijn broer en ik, mijn broer met zijn vrouw en vier kinderen, mijn tweede broer met zijn vrouw en drie kinderen en mijn derde broer met zijn vrouw en een kind. Dan was het wel een heel groot huis? Marcilla (lacht): Nee, helemaal niet. Maar in Afghanistan is dat de gewoonte. Alle kinderen slapen er samen in één kamer en dan is er ook een kamer voor de koppels. Konden jullie iets meebrengen? Of hebben jullie alles moeten achterlaten? Rachid: We vertrokken met elk een klein rugzakje. Met wat eten en kleren. Ik heb toch ook mijn smartphone kunnen meebrengen. Zo kan ik in contact blijven met mijn familie. Marcilla: Ik nam mijn dagboek mee. Zo heb ik veel herinneringen mee op papier. En ik heb ook een popje mee dat ik kreeg van een nichtje. Dat popje betekent veel voor me, want als ik het verlies, denk ik dat onze vriendschap stukgaat. En ik heb ook nog een paar ringen.

16


17


Dunya (8) uit Afghanistan Dunya is nog erg jong, maar samen met mama Maryam wil ze wel een en ander vertellen aan ons. Het is opnieuw Marcilla die tolkt. Eerst wil de mama ons even apart spreken, zonder Dunya. Ze vertelt dat ze wilde scheiden van de papa van Dunya omdat ze de strenge regels en de ondergeschikte rol als vrouw niet wilde. Haar man wilde niet scheiden en werd erg kwaad. Ze is moeten vluchten omdat hij Dunya van haar wilde afnemen. Dunya en haar mama zijn eerst naar Iran gevlucht, maar de vader spoorde hen daar op. Daarom zijn ze naar België gevlucht, waar ze zich veilig voelen. Omdat dit gegeven erg pijnlijk ligt voor Dunya, wil de mama niet dat we haar daarover vragen stellen. Daar houden we ons nauwgezet aan.

18


Dunya komt er terug bij. Ze is een beetje verlegen, maar als ze mag poseren voor de foto, komt ze wat los. Kun je ons wat vertellen over de reis naar hier? Dunya: We hebben veel problemen gehad, het was heel zwaar en heel lastig. Het begon al aan de grens waar we werden weggejaagd door de politie. We zijn op de vlucht moeten gaan en hebben heel ver, urenlang moeten stappen langs de grens. Weg en weer, tot we een plek vonden waar we de grens konden oversteken. Mama Maryam: Dat was aan de grens met Turkije. De Iraanse grensbewakers wilden ons steeds terugdrijven. Vanuit Turkije zijn we dan overgestoken naar Griekenland in een heel klein bootje. We zaten met 60 mensen in dat kleine bootje. Was je bang op het bootje, Dunya? Dunya: Ik was heel erg bang. Het duurde maar 2 uur, maar het leek veel langer. We konden amper bewegen. We waren wel blij toen we eindelijk het strand in Griekenland bereikten en konden uitstappen. Hoe verliep de reis verder? Dunya: We hebben lange tijd op de bus gezeten, maar ook veel te voet gelopen. Mama: Vanuit Griekenland zijn we in Servië gekomen, dan Slowakije, Oostenrijk, Duitsland en van daar naar België. Hielpen de vluchtelingen elkaar? Mama: Zeker! Vooral de mensen met dezelfde nationaliteit hielpen elkaar. De mannen hielpen de vrouwen en de kinderen.

19


Dunya: Omdat mama en ik alleen waren, kregen we ook veel. Eten en een warme deken. Zeker toen ik ziek werd, kregen we hulp. Omdat ik zo ziek was en niet meer kon lopen, nam een man me op zijn rug en hij is zo een heel eind naar een dokterspost gelopen. Ik heb daar medicijnen gekregen en na een tijdje kon ik weer verder stappen. Zijn jullie blij om hier te zijn? Dunya en haar mama knikken allebei, maar in hun ogen lees ik iets anders. Maryam begint te wenen, heel zachtjes, maar heel verdrietig. Mama: We hebben alles achtergelaten, we zijn alles verloren. Maar er zijn toch een paar lichtpunten, er zijn toch zaken die jullie blij maken? Mama: Ik ben blij dat mijn dochter hier in alle vrijheid zal kunnen studeren. Het onderwijs is hier veel beter. In Iran ging ze ook wel naar school, maar hier zijn er meer mogelijkheden voor een meisje.

Dunya is blij dat ze hier een vriendinnetje van dezelfde leeftijd heeft gevonden, Aïsha. Een meisje uit Afghanistan.

20


Fjordian (16) en zus Lubiana (12) Fjordian en zijn zus Lubiana zijn samen met hun moeder gevlucht uit Albanië. Hun moeder voelt zich heel erg eenzaam. Ze weent veel, want ze mist haar man. Lubiana is erg verlegen en teruggetrokken. Terwijl we babbelen, verkiest zij om wat te tekenen. Wij hebben schriftjes en potloden mee, dus kan ze aan de slag. Zij luistert, haar broer vertelt. Jullie vader is omgekomen? Fjordian: Hij zat in de bouw, hij was metser. Hij is omgekomen in een bombardement. Het was er zo onveilig dat we niet in Albanië wilden blijven. Is het hier goed, in het kamp? Fjordian: We zijn nog maar een paar weken geleden aangekomen. We wonen samen met mama in een kamer die we delen met nog een familie. Samenleven met een andere familie voelt niet zo goed. We hebben heel weinig privacy. Binnenkort gaan we naar school. Daar hebben we allebei veel zin in. Lubiana’s ogen blinken als ze het woord ‘school’ hoort en ze knikt, dan tekent ze verder. Jij spreekt al goed Engels, Fjordian! Fjordian: Ik leerde Engels vooral al chattend op mijn smartphone. Die kocht ik hier. Zo kan ik ook in contact blijven met mijn vrienden en familie die daar zijn gebleven. Ik zit ook op Facebook! Wat willen jullie later worden? Fjordian: Ik wil acteur worden. Lubiana (lacht voorzichtig): Tekenares …

21


Maha (11) en Mahmoud (12) uit Libië Het gesprek doen we samen met hun papa die een aardig mondje Engels spreekt. Hun familie komt oorspronkelijk uit Palestina vanwaar ze in 1966 emigreerden naar Libië. Ze woonden er aan de kust in Al Bayda.

Wat was de reden dat jullie zijn vertrokken uit Libië? Vader: Libië was een land waar het aangenaam leven was. Maar in 2011 veranderde alles door de revolutie en de dood van kolonel al-Qadhafi. Al Qaida en ISIS zaaien nu terreur in Libië. De Libiërs wantrouwen de aanhangers van ISIS en Al Qaida die allemaal buitenlanders zijn, maar tegelijk is ook hun wantrouwen tegenover alle buitenlanders gegroeid. Dat is de achterliggende reden waarom we vertrokken zijn. Het was er niet meer veilig. Maar toen is er iets gebeurd dat ons ertoe heeft aangezet om zo snel mogelijk het land te verlaten.

22


Kun je ons dat vertellen? Vader: Ik was leraar in het secundair onderwijs. Ik gaf scheikunde en fysica. In mijn klas zat de zoon van een officier van het leger. Hij vroeg me de examenvragen en oplossingen voor zijn zoon. Principieel wilde ik die niet geven. Maar hij begon me te bedreigen. Hij zei ‘Jij bent een buitenlander, jij bent een Palestijn. Als je niet doet wat ik je vraag, zal ik je doden.’ De bedreigingen werden realiteit. Ze saboteerden mijn auto en daarna werd er een bom gegooid in ons huis. Alle ramen sneuvelden. Gelukkig was er niemand gewond. De dreigementen bleven duren. Ik kreeg de boodschap: ‘Als je niet doet wat ik zeg, zal ik een bom gooien op je huis waarbij je familie wordt gedood.’ Hij dreigde er ook mee om mijn kinderen te kidnappen. Ik belde naar een vriend in Tripoli, de hoofdstad, maar die vertelde dat het daar even erg was.

23


Het was ook daar niet meer leefbaar voor buitenlanders. Er zat niets anders op dan te vluchten. Ik overwoog eerst om naar een buurland te trekken. Maar in Egypte heb je ook ISIS. Soedan, Nigeria, Tsjaad … dat zijn allemaal arme landen. In Israël en Palestina laait het geweld ook hoog op. Toen begon ik aan Europa te denken. Er was geen andere oplossing meer. In mijn hoofd werd Europa stilaan ‘het beloofde land’. The European dream … Hoe verliep de tocht naar hier? Vader: We namen het vliegtuig naar Tripoli. Vandaar gingen we naar Sabratah, want we wisten dat daar mensensmokkelaars actief waren. Samen met Zuara is dat de belangrijkste plaats voor mensensmokkel in Italië. Kun je wat meer vertellen over de boottocht, Maha? Maha: We zaten echt op elkaar gepropt. De kinderen zaten op de knieën van de grote mensen. De boot was ongeveer 12 meter op 9 meter. Daar werden 800 passagiers op geduwd. Dat is dus 10 man per vierkante meter. We werden echt die boot ingestouwd. Ik was de laatste die opstapte en ik werd weer uit de boot getrokken. Gelukkig kon mijn vader me weer die boot intrekken. Om plaats te maken gooiden ze al onze bagage in zee. Mahmoud: Onze iPads, een van de weinige dingen die we mee hadden gebracht, zaten daarin! Vader: Het enige wat we konden redden, waren onze documenten. Hoelang duurde de tocht? Maha: We zaten bijna twaalf uur op de boot. Er waren golven. Ik was heel erg bang. Iedereen was trouwens bang. Het enige wat we deden was bidden, bidden, bidden … Mahmoud: Ik werd erg moe en ben in slaap gevallen.

24


Vader: Ik had vier van mijn kinderen op mij. Twee op elk been. Ik kon mijn benen niet meer voelen! Toen we uitstapten, kon ik ze zelfs niet meer bewegen. Ik kon een poos lang niet meer stappen. Waar zijn jullie aan land gegaan? Vader: We zijn eerst opgepakt door een schip van het Italiaanse leger. Zij stuurden zodiacs, rubberboten, die ons naar het grote schip brachten. Ze brachten ons eerst naar internationale wateren en vandaar naar Sicilië. Daar stapten we uit en kregen we eten en kleren. Vanaf dan was het ergste voorbij en waren we gered. Van daaruit hebben we de veerboot naar Napels genomen. Daar wilden ze ons papieren geven, maar we wilden niet in Italië blijven en dus hebben we ze geweigerd. Een maatschappelijk werker liet ons gaan vooraleer de politie aankwam. Vandaar hebben we de trein genomen naar Ventimiglia, aan de grens met Frankrijk en van daaruit vertrokken we met de bus door Frankrijk. Maar de Franse politie pakte ons weer op en stuurde ons terug naar Verona. We waren dus weer in Italië verzeild, waar we niet wilden blijven. We zijn uiteindelijk toch in Duisland kunnen geraken, in München. Daar werden we opgepakt door de Duitse politie die ons met de trein naar Keulen bracht en van daaruit vertrokken we met een andere trein naar Brussel. Wanneer we hier in Sijsele aankwamen, hebben we de klok rond geslapen, zo moe waren we. Achteraf gezien was het gekkenwerk. Het was niet menselijk! Ik was kwaad op mezelf: wat had ik mijn familie aangedaan? Maar we wisten het niet op voorhand en we hadden geen keuze.

25


Vonden jullie het jammer om Libië te verlaten, Maha en Mahmoud? Maha: Ik vond het wel jammer dat ik al mijn vriendinnen zou verliezen. We gingen altijd samen naar school en we keerden samen terug. Het was wel vervelend dat we nooit buiten konden, het was veel te gevaarlijk. We speelden altijd binnen … Playstation, televisie. Ik breide, naaide en haakte ook wel. Wat ik zeker zal missen is het strand. We woonden heel dicht bij de zee en ik ging zo graag zwemmen. Mahmoud: Ik ben niet zo’n waterrat als Maha. Ik was al bang van water en ben nog banger geworden door die tocht op zee! Waarom hebben jullie België uitgekozen? Mahmoud: Papa zegt dat het onderwijs hier heel goed is. Hier zijn ook drie officiële talen én er wordt Engels onderwezen op school. Ook de gezondheidszorg is hier goed. En niet te vergeten … de chocolade! (lacht).

Het viel heel erg op dat de familie Fawzi niet bang was om te vertellen. Ze wilden ook best dat we foto’s namen. Het waren ook zij die uitgebreid aan bod kwamen in het televisieprogramma over Sijsele ‘De bril van Martin.’ Bij hen was het anders dan bij de meeste andere vluchtelingen. Vooral de moeders waren eerder wantrouwig. En met foto’s moesten we al zeker opletten.

26


27


Schrift We vroegen aan de kinderen om hun naam te schrijven in hun taal. De kinderen uit Irak, Iran, Afghanistan, Pakistan en heel veel andere moslimlanden gebruiken het Arabische alfabet. Dat was voor ons wel vreemd omdat het niet alleen andere letters zijn maar ook omdat er ‘omgekeerd’ wordt geschreven. Van rechts naar links dus. Het kan echter nog gekker! In China en in Mongolië schrijven ze van boven naar onder. Arabisch is een wereldtaal die door ongeveer 320 miljoen mensen in verschillende landen wordt gesproken. Arabisch is de taal van de Koran, het heilige boek van de islam en het wordt daarom gezien als de moedertaal van de islamitische wereld. Veel van de mensen in het opvangcentrum, zowel kinderen als volwassenen, spraken niets anders dan hun eigen taal. Communicatie was daardoor niet gemakkelijk. Gelukkig begrijpt iedereen een glimlach en een knuffel ...

28


Asiel in een paar termen Opvangcentrum: biedt opvang aan mensen van heel wat verschillende nationaliteiten die hun land ontvlucht zijn en in ons land bescherming, ‘asiel’ zoeken. Asielprocedure: de werkwijze om uit te zoeken of de mensen in het land mogen blijven of niet, of ze dus ‘papieren’ krijgen of niet. Papieren: om in een land te mogen blijven, moet het land toestemming geven en de nodige ‘papieren’ zoals een identiteitskaart geven. Gesloten centra: bieden tijdelijk verblijf voor mensen die geen asiel krijgen, die uitgewezen worden. Open centra: bieden tijdelijk verblijf voor asielzoekers in afwachting van hun asielprocedure; de mensen mogen hier vrij binnen- en buitengaan. Bijvoorbeeld het opvangcentrum in Sijsele. Recht op asielaanvraag: iedereen mag asiel aanvragen, ongeacht of hij man of vrouw is, meer- of minderjarig en ook om het even uit welk land hij/zij komt. Minderjarigen zonder ouders: soms komen jongeren in België aan zonder ouder(s) of voogd. Die jongeren zijn erg kwetsbaar. Zij worden met bijzondere zorg omringd. Zij krijgen een Belgische voogd - iemand die voor hen zorgt - tot ze meerderjarig zijn. Organisaties die instaan voor de opvang van asielzoekers: het Rode Kruis, Fedasil (Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers – van de overheid), Vluchtelingenwerk Vlaanderen … Ook gemeenten zorgen voor kleine opvanginitiatieven.

29


Wat krijgen de asielzoekers in het centrum? Eten, drinken en een dak boven hun hoofd. Ook wordt gezorgd voor de hygiëne (douches en lavabo’s), kleding en medische hulp. Hoelang blijven ze in zo’n opvangcentrum? Ongeveer vier maanden. Daarna gaan ze naar een kleinere opvang of een huis, waar ze veel meer privacy en zelfstandigheid hebben. Gaan de kinderen naar school? Voor de kleuters wordt een school gezocht in de buurt. Voor de kinderen van het lager onderwijs wordt ook een school in de buurt gezocht, liefst met een OKAN-klas. OKAN staat voor Onthaalonderwijs Anderstalige Nieuwkomers. Voor de kinderen boven twaalf jaar zijn er de OKAN-klassen in het secundair onderwijs. Na één jaar volgen ze mee les in het gewoon onderwijs.

30


Enkele maanden later … De kinderen interviewden we eind december 2015. De meesten waren nog maar net toegekomen in Sijsele. Sommigen waren er al een paar maanden en kregen les in het opvangcentrum zelf. Op maandag 4 januari konden ze naar een school in de buurt. Drie maanden later, begin april, nemen we opnieuw contact op om te horen waar ze terechtkwamen en hoe het met hen gaat. Omdat het centrum in Sijsele een noodasielopvangcentrum is, werden vele gezinnen na een week of zes overgeplaatst naar een kleiner asielcentrum, waar ze als gezin een eigen kamer hebben. Zo kwamen Fjordian en zijn zus Lubiana in het asielcentrum in Overpelt terecht. We hielden contact met elkaar via Facebook. Fjordian postte foto’s en zo konden we volgen hoe het met hen ging. Op 3 april schreef hij: ‘Ja, we zijn nog steeds in Overpelt. Mijn zus en ik gaan nu weer naar school, in een OKAN-klas. We stellen het goed, maar het wachten duurt lang. We hebben nog steeds geen antwoord van het commissariaat voor de vluchtelingen. We hebben 50 procent kans dat we kunnen blijven …’ Dunya en haar moeder werden overgeplaatst naar SintNiklaas. Daar hebben ze een kamer voor hen twee. Dunya gaat naar school. Ze voelen zich allebei gelukkig. Ze hopen echt dat ze in België kunnen blijven en een leven opbouwen. Ze hebben hun eerste interview op het commissariaat voor de vluchtelingen gedaan en wachten nu op het tweede interview. Pas dan gaan ze weten of ze kunnen blijven.

31


Maha en Mahmoud zijn nog steeds in Sijsele. Hoewel ze al oud genoeg zijn, zijn ze nog niet klaar voor het secundair onderwijs. Ze gaan naar een steinerschool in Brugge en stellen het goed. Ze leren vlot Nederlands. Hun ouders volgen ook Nederlandse les, maar bij hen gaat het wat minder gemakkelijk. Ze hopen op een positief antwoord, zodat ze in België kunnen blijven. Van zodra ze de documenten hebben, gaan hun ouders kijken voor een huis en voor een job. Ze willen heel graag in België blijven, want ze voelen zich hier goed. Zuhal, Yasser en Yassim, Fatima en Rachid zijn we uit het oog verloren. We hadden telefoonnummers uitgewisseld, maar we krijgen geen contact meer. We weten nu dus niet wie van de gezinnen in België kan blijven of wie niet. Het commissariaat voor de vluchtelingen beslist hierover. Of ons land dan voor hen het beloofde land is, kunnen we nu nog niet zeggen. Maar het is wel het land waar ze vrij en veilig zijn.

32


In 2015 is er een grote toevloed vluchtelingen op gang gekomen. Ook heel veel kinderen zijn naar Europa gevlucht op zoek naar een nieuw leven. Benieuwd naar wie die meisjes en jongens zijn, trokken we een aantal dagen met hen op in het opvangcentrum in Sijsele. We vroegen hen naar hun leven in hun thuisland, we wilden weten waarom ze gevlucht waren en hoe ze hun toekomst zagen.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 6. ISBN 978 90 486 2537 6 Bestelnummer 60 1021 597 KB D/2016/0147/106 NUR 191 Foto’s: Katrien Vervaele Coverfoto: Lore Dhaeze Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 625376

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - 6e leerjaar - N1 - Het beloofde land by die Keure - Issuu