ucatieve uitgaven
BIEB
Colombia Tine Mortier
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 6
1
Colombia
1
2
Hola!1 Ik ben Raúl. (Dat spreek je uit als Raoel. Met de nadruk op de oe!) Ik ben elf jaar oud en woon in Colombia, in Zuid-Amerika. Het dorp waar ik woon, heet Palomino. Dat ligt in het noorden van het land. Ik zal het je tonen. Kijk. Hiernaast zie je de kaart van Colombia. Colombia heeft vijf buurlanden: Ecuador, Peru, Brazilië, Venezuela en Panamá. Het grenst aan twee zeeën: de Caraïbische Zee en de Stille Oceaan. De Caraïbische Zee ken je vast wel van de piratenfilms, waarin zeerovers de hele tijd rum drinken en dan vloekend en vechtend over het dek van hun zeilschip rollen. Wanneer ze niet met elkaar aan het vechten zijn, overvallen ze andere schepen, onder de stralende zon over de diepblauwe Caraïbische zee. De Stille Oceaan ligt aan de andere kant van het land. Ik weet echt niet waarom hij die naam heeft gekregen. Want heus: hij is helemáál niet stil. Eén keer heb ik erin gezwommen, en toen was ik bijna mijn zwembroek kwijt in die reusachtige golven. Niks stil, superwoest was hij! Colombia is best groot. Wel drie keer zo groot als Frankrijk of 37 keer België. Dat betekent dat het dagen reizen is met de wagen om van de ene kant naar de andere kant te raken. En dan moet je ook nog eens over de bergen: de Andes. Daar zijn de wegen vaak smal en kronkelig, en dan gaat het nog trager. Gelukkig zijn er veel luchthavens, dus als je snel ergens heen moet, neem je beter het vliegtuig. Mijn dorp ligt bijna helemaal bovenaan, bij die rode pijl vlak bij de zee. Ons dorp heeft een van de mooiste stranden van de hele streek. Misschien zelfs van heel Colombia. Of van de hele wereld. Op een heldere dag kun je vanop het strand de besneeuwde bergtoppen van de Sierra Nevada2 zien.
3
Mi casa - mijn huis Dit is mijn huis. Hier woon ik met mijn ouders, mijn broers Juancho en Ever, mijn zusje Daniela, mijn tante Sarai, mijn oom Carlos en mijn halfbroertje Jeffer. We zijn dus met negen. Een grote familie, hé? En dan heb ik ze nog niet eens allemaal opgenoemd. Ik heb eigenlijk nóg een broer, maar die woont elders. Ignacio is al volwassen – 22 jaar! – en werkt in de stad. Af en toe komt hij wel eens op bezoek en dan blijft hij ook slapen. Dan zijn we met tien! We hebben natuurlijk geen tien slaapkamers, ben je gek? Dan zouden we wel stinkend rijk moeten zijn, en dat zijn we dus niet. We zijn gelukkig ook niet arm. Maar ons huis is niet reusachtig groot. Het is net groot genoeg voor ons allemaal. We hebben een keuken, een badkamer, een salon en drie slaapkamers. Mijn ouders slapen samen in één kamer. En mijn zusje en mijn tante slapen in de kamer daarnaast. Maar de grootste kamer is voor de jongens. Dat moet ook wel: we delen ze met vijf. Mijn oom Carlos heeft een bed voor zichzelf, en dan zijn er nog twee dubbelbedden. In eentje daarvan slaap ik met Jeffer, en in het andere slapen Ever en Juancho (dat spreek je uit als Chuwantsjo). Het is best gezellig met zijn vijven in één kamer. Het enige nadeel is dat oom Carlos snurkt. Vooral wanneer hij een glaasje gedronken heeft, wat nogal eens durft te gebeuren in het weekend. Maar daar hebben we wat op gevonden: we hebben een pak watten op het nachtkastje gelegd. Dus wanneer hij een avondje gaat stappen, steken we alvast propjes in onze oren voordat we gaan slapen. Dan worden we niet wakker van zijn gesnurk.
4
Ik kan het heel goed vinden met Jeffer. Eigenlijk is hij niet echt mijn halfbroertje. Hij is de zoon van mijn moeders beste vriendin. Zij werkt in de grote stad een paar uur verderop, en ze heeft weinig tijd voor haar zoon. Daarom woont hij bij ons. Jeffer vindt het best goed zo. Zijn moeder komt hem af en toe opzoeken en dan verwent ze hem keihard. En mijn moeder verwent hem ook wel een beetje. Omdat hij anders zijn familie te veel mist, zegt ze. Ik ben blij dat hij bij ons woont. Hij is maar een jaartje ouder dan ik, en is mijn beste vriend. Daarom noem ik hem mijn halfbroertje. We hebben dan wel niet dezelfde ouders, maar toch voelt het alsof we broers zijn.
5
6
Surf Ons huis ligt vlak bij de zee. Dat vind ik fantastisch. Zodra de school uit is, trek ik mijn uniform uit en ren ik met mijn broers en zus het huis uit, de tuin door, naar het strand. Dan gaan we zwemmen of surfen, als de golven goed zijn. Surfen is mijn favoriete hobby. Ik ben er best goed in, al zeg ik het zelf. Ik doe het al vijf jaar en vorige maand werd ik eerste in een wedstrijd voor kinderen tussen tien en twaalf. Ik heb zelfs een medaille gekregen! Die heb ik aan de muur van mijn slaapkamer gehangen, naast mijn bed. Er bestaan verschillende soorten surfplanken: longboards (lange planken), shortboards (tamelijk korte planken met drie vinnen) en skimboards (korte planken). Zelf heb ik een funboard: een plank van middelmatige grootte. Later wil ik het liefst een longboard, maar die kan ik nu nog niet dragen. Die is wel drie meter lang! Surfen is een superleuke, maar ook een moeilijke en lastige sport. Eerst moet je met je plank het water in en zo ver mogelijk proberen te raken, voorbij de grootste golven. Daarvoor moet je op je plank gaan liggen en peddelen, en elke keer kopje onder duiken wanneer je een grote golf passeert. Als je dan eindelijk ver genoeg bent, ga je op je plank zitten en wacht je tot er een mooie golf komt. Zodra je die ziet, ga je weer liggen en peddel je met de golf mee. En dan komt het erop aan om net op het goede moment rechtop te gaan staan en de golf te pakken. Dat lukt niet altijd, maar als het lukt is het prachtig. Dan rijd je op de golf, tot je weer op het strand komt. Ik probeer zo vaak te oefenen als ik kan. Misschien word ik ooit wel zo goed als Kelly Slater. Ken je hem? Dat is mijn idool. Hij is een Amerikaanse surfer en is al elf keer wereldkampioen geworden. Elf keer! Volgens mij is hij absoluut de allerbeste ter wereld. 7
School Helaas kan ik niet de hele dag door surfen: ik moet ook naar school. Bij ons begint het schooljaar eind januari. Dat vind ik makkelijk: op die manier is het einde van het (school)jaar ook écht het einde van het jaar. Er zijn nog wel dingen die een beetje anders zijn dan in België. Zo moeten wij een uniform dragen zoals sommige van jullie. Echt waar, elke dag. Voor de jongens is dat een wit hemd met een donkere broek en een donkere trui, maar die dragen we niet vaak, want meestal is het veel te warm. Voor de meisjes is het bijna hetzelfde, maar dan met een rok. En met lange witte kousen! Dat vindt mijn zusje vreselijk. Ze zegt dat die kousen prikken in haar benen en dat ze bovendien altijd afzakken. Haar kousen zijn dan ook het eerste wat Daniela uittrekt wanneer ze thuiskomt van school. Vaak gaat ze ook op haar blote voeten naar school, zonder kousen en zonder schoenen. Dan krijgt ze straf. Maar dat vindt ze niet erg. ‘Liever een half uur straf schrijven dan vijf uur met die vreselijke kousen aan,’ zegt ze. Hier in Colombia gaat niet iedereen op hetzelfde moment naar school. Je kunt kiezen uit twee mogelijkheden: ofwel ga je ’s morgens van 7u tot 12u, ofwel in de namiddag, van 13u tot 18u. Zelf ga ik liefst ’s morgens. Ik moet dan wel erg vroeg opstaan – om 6u al! – maar dan heb ik nog de hele namiddag om te surfen of te zwemmen. Als ik ’s namiddags zou gaan, bleef ik vast en zeker de hele morgen in bed. Vaak is er ook geen school. Er zijn niet zo veel kinderen bij ons in het dorp, dus worden er verschillende klassen samen gezet. Als de juf of de meester ziek is, dan is er geen les. De school heeft weinig geld om iemand anders aan te nemen en er zijn altijd leerkrachten tekort. Ooit hebben we een keer een hele maand mogen thuisblijven omdat onze juf in het ziekenhuis lag. Wij vonden dat natuurlijk niet erg, maar onze ouders wel. Niet alleen omdat we dan de hele tijd thuis rondhingen, maar ook omdat we niets leerden. 8
9
Mijn dorp Palomino is een tamelijk klein dorp in de provincie Guajira. Er wonen ongeveer 4200 mensen. Dat lijkt niet veel, maar vaak zijn we met een pak meer. Er komen namelijk heel wat toeristen bij ons op vakantie, omdat het hier zo ontzettend mooi is. De meeste mensen in mijn dorp leven nu van het toerisme. Want al die buitenlandse bezoekers moeten natuurlijk eten, drinken en winkelen. Daarom zijn er een heleboel restaurants en winkeltjes. En overal zijn er kraampjes langs de weg, waar je vers fruit kunt kopen. Vroeger was dat niet zo. Toen was Palomino een echt vissersdorp. Elke morgen kon je op het strand de Wayuuindianen met hun vissersbootjes zien vertrekken. In ruil voor wat hulp bij het uitladen kon je ’s avonds lekkere verse vis mee naar huis nemen. Nu is dat een pak minder geworden. De Wayuu zijn er nog steeds, maar ze wonen vooral in de bergen. Ze vissen niet meer zoveel als vroeger, maar ze maken handwerk: erg mooie spullen, zoals kleren, tassen en juwelen, en die verkopen ze in de winkels in het dorp. De toeristen zijn er gek op.
10
Iedereen vindt het hier leuk in Palomino, omdat het altijd mooi weer is. Het is bij ons het hele jaar door lekker warm: gemiddeld ongeveer 24 graden Celsius. Overdag is het soms nog een stuk warmer. Dan wordt het 35 graden Celsius of meer. Dan zweten de buitenlanders zich te pletter, maar wij niet. Wij zijn het gewoon. Soms vind ik het ’s avonds zelfs een beetje koud. Ik trek altijd een dikke trui aan wanneer het minder dan 28 graden Celsius is. Dat vinden zij grappig. ‘De hitte is eindelijk wat minder,’ zeggen ze dan. ‘Nu wordt het net een beetje draaglijker.’ Ik begrijp er niets van. Zij lopen zelfs ’s nachts nog in hun zwembroek op het strand, terwijl ik dan al een dekentje nodig heb. Rare mensen, die toeristen.
11
Vissen Af en toe gaan mijn broers en ik naar een strand verderop waar wel nog gevist wordt. Daar ligt de boot van Enrique. Enrique is arm. Hij woont in een zelfgebouwd hutje op het strand, zonder elektriciteit of stromend water. Het is nauwelijks meer dan een paar palen met een dak van stro en een zeil daarover, voor wanneer het regent. Het enige wat Enrique heeft, zijn de kleren die hij aanheeft, zijn boot en zijn netten. En dingen die andere mensen hem cadeau doen. Hij heeft zelfs geen schoenen. Er zijn helaas nog veel mensen in Colombia zoals Enrique. Vaak kunnen die mensen nauwelijks lezen en schrijven. Ze werken zich te pletter, dag in dag uit, en verdienen bijna niets. Omdat ze geen pensioen of verzekering hebben, moeten ze ook blijven werken als ze ziek worden of wanneer ze oud zijn. Tenzij ze iemand hebben die voor hen zorgt. Maar Enrique heeft geen familie. Daarom gaan wij elke week naar hem toe. Mijn moeder geeft ons dan een stapeltje kleren mee. Dingen die mijn vader of mijn grote broers niet meer nodig hebben. Of we brengen hem wat keukengerei of een kom soep.
12
Wij helpen Enrique met het herstellen van zijn netten en soms ook als hij een brief moet schrijven. Als dank neemt hij ons dan mee voor een rondje in zijn boot. We varen de rivier op en dan gaan we naar het oerwoud kijken, en naar de dieren. Dat is het mooiste wat er bestaat.
13
Beestjes kijken In het oerwoud zit het vol apen. Hebben jullie dat ook in België? Neen? Ach, wat jammer. Wij hebben er veel. Soms zelfs een beetje té veel. Raar, hé? Dat je te veel apen kunt hebben? Maar het is echt zo. Soms komen ze zelfs uit het bos tot vlak bij het dorp. En dat vinden de mensen niet altijd zo leuk. Apen zijn eigenlijk helemaal niet zo onschuldig en zo grappig als iedereen denkt. Geloof het maar: er zijn zelfs mensen die absoluut niet van apen houden. Mijn moeder bijvoorbeeld. Zij vindt het smerige beesten. Ze zegt dat ze vlooien hebben en dat ze stinken. En dat ze kaka gooien naar andere dieren, of zelfs naar mensen. Ik geloof er niets van. Volgens mij zijn apen helemaal niet smerig. Ik denk zelfs dat ze behoorlijk proper zijn op zichzelf. En ik heb nog nooit een aap met kaka zien gooien. Volgens mij verzint mijn moeder dat omdat ze niet wil dat we bij die apen in de buurt komen. Ze is vast bang dat we er een of andere ziekte van krijgen.
14
Er zijn veel soorten apen in Colombia: slingerapen, kapucijnapen, springapen, dwergzijdeaapjes, doodshoofdapen, leeuwaapjes, saki’s en nog veel meer. Bij ons in de buurt zitten er vooral rode brulapen. Dat zijn de grootste apen die je in Zuid-Amerika kunt vinden: ze worden een halve meter tot een meter groot en kunnen tot 10 kilogram wegen! Ze zijn roodbruin van kleur en nogal pluizig. Het mooiste aan brulapen vind ik hun staart: die is even lang als de apen groot zijn en heel sterk. Het is een beetje als een vijfde arm: ze kunnen er hun hele gewicht mee dragen. Vaak zie je dan ook brulapen die met hun staart aan de tak van een boom hangen en zo van de ene boom naar de andere slingeren. Prachtig mooi is dat. Ik wou dat ik dat kon. Maar meestal doen brulapen niet veel. Ze zijn namelijk erg lui. Dat is omdat ze bijna alleen maar bladeren eten, en een beetje fruit en bloemen. Er zit dus niet veel energie in hun voedsel en daarom houden ze zich vooral bezig met rusten. Rusten en brullen. Als je nog nooit een hoop brulapen bezig hebt gehoord, is het best even schrikken de eerste keer. Het klinkt heel erg hard en gevaarlijk. Je kunt ze zelfs tot drie kilometer verderop horen door het bos. De toeristen denken dan dat er een tijger in het oerwoud zit. Haha! Die hebben we hier helemaal niet! Gelukkig maar. Brulapen leven in groepen. Je kunt ze vooral bij zonsopgang en zonsondergang horen. Dan gaan de mannetjes in koor aan het brullen. Dat doen ze om andere groepen te laten weten waar ze zitten. Op die manier moeten ze niet met elkaar vechten om hun territorium te verdedigen.
15
Mijn zus is ook niet gek op apen, maar dat is een ander verhaal. Ze zal het nooit toegeven, maar Daniela is eigenlijk doodsbang van apen omdat er ooit eentje op haar verliefd was. Echt waar! Dat ging zo: op een morgen liepen we zoals elke dag samen langs het aardeweggetje van bij ons thuis naar school. Dat is een flink kwartier stappen. Alles was normaal, behalve dat er een paar brulapen in de bomen onderweg zaten. Dat gebeurde wel vaker, maar deze keer was er één aap die dichterbij kwam dan de rest. Hij hing op nauwelijks meer dan een meter boven ons hoofd en slingerde van de ene boom naar de andere, alsof hij ons volgde. Dat is raar, want de meeste apen zijn bang voor mensen. Maar die dus niet. Het was ook duidelijk dat hij mijn zus volgde, want wanneer ik een eindje verderop liep, bleef hij steeds in haar buurt. In mij was hij niet geïnteresseerd. Daniela vond het vervelend. Ze was bang dat moeder gelijk had en dat hij vieze dingen zou gooien. Daarom liep ze almaar sneller, maar de aap volgde haar nog steeds. Toen begon ze naar hem te roepen. ‘Ksj, ksj, lelijke aap,’ schreeuwde ze. ‘Scheer je weg.’ Hij trok er zich niets van aan. Integendeel: toen we ’s middags terug naar huis vertrokken, zat hij daar weer. Het leek wel of hij op haar wachtte. En zo ging het elke dag, meer dan een maand aan een stuk. Tot op die ene dag. Toen was hij het blijkbaar beu, want hij begon te krijsen toen hij Daniela zag. Keihard. Daniela krijste nog harder terug. En toen gooide die aap een banaan tegen haar hoofd. Pats! Een overrijpe banaan dan nog. De smurrie zat tot in haar oren. Dat was de laatste keer dat we de aap zagen. Arm beest! Van alle meisjes in het dorp moest hij uitgerekend op mijn zus verliefd worden.
16
17
Eten en drinken Van apen gesproken: weet je wat ik het allerlekkerste eten vind? Bananen! Niet zomaar bananen. In Colombia hebben we heel wat verschillende soorten. De gewone bananen, natuurlijk, zoals jullie die ook kennen. Maar daarnaast zijn er nog heel wat soorten die er allemaal verschillend uitzien en anders smaken. Zo bestaan er gele bananen, groene, rode en zwarte. En ze hebben allemaal een verschillende vorm en grootte. Sommige zijn wel 30 centimeter lang, en andere zijn nauwelijks groter dan een vuist. De lekkerste vind ik zelf de ‘verdes’. Verde betekent groen in het Spaans, en zo zien de verdes er ook uit: grote, groene bananen. Je kunt ze niet zomaar schillen en opeten, want dan smaken ze vies en bitter. Je moet ze bakken in de pan of in de frietketel en er wat zout overheen strooien. Dan zijn ze overheerlijk! Het zijn net frietjes. Die gefrituurde schijfjes banaan noemen wij ‘chifles’. Dat spreek je zo uit: tsjiefles. Maar je kunt van verdes ook ‘patacones’ maken. Daarvoor moet je gewoon dikkere schijfjes snijden. Die bak je even aan elke kant in de pan, je haalt ze eruit en drukt ze plat (met een deegrol of gewoon met een glas) en daarna bak je ze nog een keer. Het is een beetje meer werk, maar het loont de moeite. Mijn moeder maakt de beste patacones en chifles van heel Colombia. Ze kan supergoed koken. Banaan en rijst met kokos. En een arepa erbij, dat is een koek van maïsmeel. En daarbij nog een lekker stukje vlees en groene tomaat en biet en avocado en sla en komkommer. Alles gewoon vers geplukt uit onze groentetuin. (Behalve dat vlees dan natuurlijk!) Mmmmm. Het water loopt mij al in de mond. Ik krijg er honger van!
18
En om te drinken een glas vers fruitsap! Braambessensap, bijvoorbeeld. Of mangosap, of mandarijn. Dat maak je zo: je schilt het fruit en snijdt het in stukjes. Dan doe je dat in een grote kom, met water erbij. Of melk, dat is nog lekkerder. En heel veel suiker. Alles mixen en … klaar! (Suiker is slecht voor de tanden, ik weet het. Maar wat is dat fruitsap toch heerlijk! En het zit tjokvol vitamines.)
19
Viva Colombia! Zie je die boot hierboven? Dat is een bananenboot. Zo vertrekken er elke dag enkele tientallen uit de haven van Barranquilla, op 176 km van waar ik woon. De banaan is daarmee het tweede belangrijkste product dat vanuit Colombia vertrekt naar de rest van de wereld. Op nummer één staat koffie. Enkel Brazilië maakt meer koffie dan wij. Maar die van ons is een stuk lekkerder. Andere dingen die per schip vertrekken zijn katoen, tabak (bah!), en cacao (mmm!). En suikerriet! Wist je dat Colombia de grootste producent van suiker is ter wereld? En dat is nog niet alles! Hiernaast vind je een lijstje van de belangrijkste dingen die uit Colombia komen.
20
• • • • • •
Meer dan 60 procent van alle smaragden3 ter wereld. 20 procent van alle vogelsoorten ter wereld. Steenkool. Aardolie en aardgas. Koper, ijzer en nikkel. Shakira!
Inderdaad, ook Shakira is van Colombia. Van alle ZuidAmerikaanse artiesten is zij degene met de meest verkochte platen. Shakira werd op 2 februari 1977 geboren in Barranquilla, en komt dus bij mij uit de buurt. Eigenlijk heet ze voluit Shakira Isabel Mebarak Ripoll. Ze heeft net zoals alle Zuid-Amerikanen een dubbele achternaam: Mebarak is de achternaam van haar vader, die uit Libanon komt, en Ripoll is de achternaam van haar Colombiaanse moeder. Ze schreef haar eerste liedje al toen ze nog maar acht jaar oud was en ze won een nationale talentenjacht op haar tiende. Drie jaar later tekende ze een platencontract. Alle nummers op haar eerste plaat schreef ze zelf tussen haar achtste en dertiende. Ondertussen heeft ze al 16 albums uitgebracht en verkocht ze miljoenen platen. Ze kan ook ontzettend goed dansen, en bovendien doet ze veel voor het goede doel. Ze is ambassadrice4 van Unicef en ze zet zich in voor onderwijs voor arme kinderen. Ik ben heel erg fan van Shakira!
21
Een stukje geschiedenis In Colombia spreken we vooral Spaans, en daarnaast zijn er ook nog een paar inheemse of indiaanse talen, zoals het Kogui en het Arawak. Die lijken absoluut niet op Spaans of op andere Europese talen. Dat komt zo: voor de Spanjaarden naar het Amerikaanse continent5 kwamen in 1492, leefden er hier natuurlijk ook al mensen. De oudste resten die gevonden werden zijn al van 16.400 jaar geleden. Dat is dus bijna 15.000 jaar vóór de Spanjaarden! Toen de eerste boot in 1500 vanuit Europa in Colombia aankwam, was er al een bloeiende cultuur. Daarin speelde goud een grote rol. Nu waren die Spanjaarden natuurlijk niet dom: ze wilden zo snel mogelijk zoveel mogelijk goud in handen krijgen. En daar hadden ze heel wat voor over.
22
De inheemse dorpen werden geplunderd en de mensen werden slaven. Ze werden verschrikkelijk slecht behandeld en moesten vreselijk hard werken in de mijnen en op de plantages. Bovendien brachten de Spanjaarden allerlei ziektes mee waar de indianen niet tegen konden, zoals griep en windpokken. De plaatselijke bevolking stierf dan ook erg snel. Dat was niet naar de zin van de Spanjaarden, want zo hadden ze geen werkkrachten meer! Maar ze bedachten al snel een oplossing: ze brachten Afrikaanse slaven naar Colombia. Dat is de reden waarom de Colombianen vandaag veel verschillende huidskleuren hebben: van heel licht tot erg donker. We zijn een mengelmoes van inheemse indianen, Afrikanen en Spanjaarden. Tot 1810 bleef Colombia in handen van de Spanjaarden. We waren een mooie en rijke kolonie, maar niet voor de mensen van hier. Al het goud, zilver, katoen en bananen vertrokken naar Europa! Op de duur werden de Colombianen het beu en kwamen ze in opstand. Toch duurde het nog tot 1819 tot we helemaal onafhankelijk zouden worden. Colombia was toen een stuk groter dan nu. Ook Ecuador, Venezuela en Panamá hoorden erbij. Die onafhankelijkheid hadden we te danken aan Simón Bolívar. Hij werd onze eerste president en is nog steeds een beetje de held van heel Colombia. In elke stad vind je wel een plein of een straat die naar hem genoemd is, of een standbeeld, zoals hiernaast. Toen waren we dus
23
onafhankelijk en vrij. Maar dat betekende nog niet dat alle problemen opgelost waren. Bijna 200 jaar lang ging alles fout. Telkens weer probeerde iemand de macht te grijpen of de rijkdom van het land in handen te krijgen. En altijd waren de gewone mensen de klos. Ze hadden er genoeg van: ze staakten en kwamen in opstand, maar er veranderde niets. Integendeel: het leger werd ingezet en ze gingen wild tekeer. Hele steden en dorpen werden platgebrand en duizenden mensen kwamen om het leven. Het waren twee trieste, bloedige eeuwen, waarin iedereen wel tegen iedereen leek te vechten. Alsof dat allemaal niet genoeg was, kwam er nog een probleem bij: drugs. In Colombia worden cocaplanten gekweekt, en daarvan maakt men cocaïne. Die wordt voor heel veel geld over de hele wereld verkocht. De mensen die zich bezighielden met het kweken van coca en het maken en verkopen van cocaïne, vormden groepen. Het waren zwaargewapende drugbendes, een beetje zoals de maffia. Ze hadden heel veel geld en waren erg gevaarlijk. Wie hen voor de voeten liep, werd uit de weg geruimd. Zo simpel was dat. Gelukkig is het nu allemaal wat beter. Er wordt minder gevochten, en een groot deel van de drugbendes zijn er niet meer. Toch is het soms nog gevaarlijk. Er zijn nog altijd groepen van rebellen die tegen het leger vechten, en ook sommige drugbendes zijn nog actief. Daarom zijn er altijd veel soldaten op straat te zien. Ze controleren de grote wegen en zorgen ervoor dat de gewone mensen veilig de weg op kunnen. Je ziet ze soms zelfs op het strand: dan komen ze kijken of er misschien niet iemand probeert om met een bootje vol drugs het land te verlaten.
24
De toeristen vinden dat vreemd. Terwijl zij in hun zwembroek op het strand liggen te zonnen, komen daar ineens zwaargewapende soldaten langs. Maar ik ben blij dat ze er zijn. Vroeger hoorden we ’s nachts vaak geweerschoten. Soms zelfs vlak bij het dorp. Dan wisten we dat er weer drugbendes aan het vechten waren. Of dat het leger of de politie slaags waren geraakt met de rebellen. De laatste jaren is dat niet meer zo. De rebellen en de drugbendes hebben schrik van het leger en ze blijven weg. Ik slaap een stuk beter nu.
25
Feest! Maar goed. Laten we het over iets leuks hebben! Over feestjes, bijvoorbeeld. Daar zijn wij Colombianen bijzonder goed in. We oefenen dan ook heel vaak. Elke gelegenheid is goed om te dansen en te vieren. De belangrijkste feesten bij ons in Colombia zijn Kerstmis en nieuwjaar, het Carnaval van Barranquilla en mijn verjaardag. Haha. Neen, serieus. Als je echt eens stevig uit de bol wilt gaan, dan moet je naar Colombia komen. Naar de Fiestas del Mar (het Feest van de Zee) van Santa Marta, bijvoorbeeld.
26
Santa Marta is een grote stad op anderhalf uur van mijn dorp. Het is de oudste nog bestaande stad van het land: ze werd al in 1525 gesticht. Elk jaar vieren de inwoners er een groot feest ter ere van hun stad. Er is dan van alles te doen: watersportwedstrijden, optredens van allerlei bands, dansvoorstellingen en nog veel meer. Maar het allermooiste is de parade. Daaraan doen meer dan honderd groepen mee vanuit het hele land. Ze dragen de typische kledij van de verschillende streken van Colombia en dansen op traditionele muziek. Er zijn schoonheidskoninginnen die in speciale wagens voorbij gereden worden en groepjes die live muziek maken. En overal kun je allerlei lekkers kopen langs de kant van de weg. De hele optocht duurt meer dan drie uur, maar je verveelt je geen seconde!
27
Op stap Zoals ik eerder al zei: Colombia is een groot land en de wegen zijn niet altijd even goed. Bij ons in het dorp gaan we meestal te voet. Het dorp is niet zo groot, dus je kunt bijna overal raken zonder fiets of auto. Op een uur stap je makkelijk van de ene naar de andere kant. Als je toch een stukje verder moet, of als je heel veel spullen te dragen hebt, dan kun je met de brommer. Er rijden werkelijk tientallen brommers en motors rond in Palomino. Voor een klein prijsje voeren ze je het hele dorp rond. Ze brengen ook de toeristen van de bushalte naar het hotel. Gelukkig maar, want die hebben meestal heel zware rugzakken bij, en ze zijn het niet gewend om in de hitte en door het stof te sleuren. Daarnaast zijn er nog de ‘chivas’. Chivas zijn een soort brommers op drie wielen, waarover een cabine is gebouwd, zodat je altijd droog zit. Ook in het regenseizoen. Ik vind het super om met een chiva te rijden, maar meestal mag het niet van mijn moeder. Ze vindt het te duur. ‘Je kunt net zo goed te voet,’ zegt ze dan. Zelfs als het regent. En eigenlijk heeft ze gelijk. Je voeten kosten niets. Ze verslijten zelfs niet. En wanneer het regent, pluk je gewoon een blad van een bananenboom en je houdt dat boven je hoofd. Dat werkt even goed als een paraplu en het is helemaal gratis!
28
Er rijden in Colombia ook heel wat grotere chivas rond. Dat zijn grote jeeps of vrachtwagens waarvan de laadbak vervangen is door een bak met banken erin, zodat er passagiers mee kunnen. En bovenaan is er nog laadruimte voor bagage. Soms reizen er zelfs kippen of een geit mee op het dak! Chivas zijn altijd in vrolijke, felle kleuren geschilderd, met een heleboel versieringen. Vaak is er ook een radio aan boord, en luidsprekers. Als de chauffeur in een goed humeur is, draait hij salsa of regaetton, de dansmuziek van hier. Bij een ritje met de chiva lijkt het altijd een beetje carnaval.
29
Misschien moet ik ook nog maar iets vertellen over het verkeer in Colombia. Dat is nogal wild. Zelf schrik ik daar al lang niet meer van, want ik ben het gewoon. Maar de toeristen kijken vreemd op wanneer ze voor het eerst in het verkeer hier terechtkomen. Een echte heksenketel6 , zeggen ze. Dat is eigenlijk een beetje raar, want wij Colombianen staan bekend als heel lieve, rustige mensen. Maar als we eenmaal achter het stuur zitten, verandert dat nogal. Dan slingeren we blijkbaar op onze brommer tussen alle auto’s door. Dan rijden er drie of vier auto’s naast elkaar waar er maar twee mogen rijden en probeert iedereen iedereen in te halen langs alle kanten. Links of rechts, dat maakt niets uit. Dan moet je ogen op je rug hebben, of aan alle kanten van je hoofd, want de bussen, vrachtwagens, chiva’s, brommers, fietsen, paarden en ezels komen van overal tegelijk. Het is hier heus geen uitzondering om op de autosnelweg opeens een boer te zien die met zijn ezel en een kar vol koopwaar naar de stad trekt. Tussen de voorbijstuivende auto’s en bussen door. Zomaar op de pechstrook, soms zelfs tegen de richting van het verkeer in. Dat vindt iedereen hier heel normaal. Je moet toch op je werk raken?
30
Oh, en we houden ook van toeteren. We toeteren in de eerste plaats om duidelijk te maken dat iemand iets fout doet in het verkeer, net zoals overal ter wereld. Maar hier toeteren we net zo goed omdat er iemand te snel of te traag rijdt, omdat we willen indraaien, omdat er een kip de weg oversteekt, omdat we honger hebben of dorst, of gewoon omdat het mooi weer is en we er zin in hebben. En natuurlijk toeteren we ook als we aan de overkant van de weg iemand zien die we kennen. Of iemand die we niet kennen. Gewoon voor de lol. Je hoeft dus niet te schrikken als er opeens naar je getoeterd wordt in Colombia. Het is vast iemand die jou leuk vindt. Want zoals ik al zei: wij zijn heel lieve mensen!
31
Woorduitleg 1 hola = betekent ‘hallo’ in het Spaans. De h spreek je niet uit, dus het klinkt als oola. 2 Sierra Nevada = besneeuwde bergketen in het noorden van Colombia 3 smaragden = groene edelstenen die erg veel waard zijn 4 ambassadeur/ambassadrice = iemand die een land of organisatie vertegenwoordigt 5 continent = werelddeel 6 heksenketel = enorme drukte
32
Hallo daar! Ik ben Raúl. (Dat spreek je uit als Raoel. Met de nadruk op de oe!) Ik ben elf jaar oud en woon in Colombia, in Zuid-Amerika. Benieuwd naar mijn land? Ik zal je er alles over vertellen!
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 6. ISBN 978 90 486 2537 6 Bestelnummer 60 1021 597 KB D/2016/0147/106 NUR 191 Foto’s: Tine Mortier Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 625376
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.