ucatieve uitgaven
BIEB
Vergiftigd! Frank Pollet
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 5
8
Vergiftigd!
1
1 De herfst, da’s niks voor mij. Regen, wind, kou. En elke dag wordt het vroeger donker. Nee, geef mij maar de lente, en de zomer. Ik zou het fijn vinden mochten er slechts twee seizoenen zijn. Op voorwaarde dat ik ze mocht kiezen, natuurlijk. Nee, de herfst, die zouden ze moeten afschaffen. Alleen al omwille van de jacht. Ik kan er niet aan doen, maar als ik aan zo’n kleine snoezige bambi denk, die dan oog in oog komt te staan met zo’n man met een groene jas en een geweer, dan breekt mijn hart. Mijn mama, papa, mijn zus Tilly en ik wonen sinds een paar jaar in een piepklein dorpje vlak bij een stiltegebied. Wij wonen dus heel landelijk, heel rustig. Behalve in de herfst, dan wordt er onophoudelijk geschoten. Het eerste jaar dachten we dat we in oorlogsgebied woonden. Mama en papa zeggen dat het went, dat schieten; ik vind van niet. Ik schrik me elke keer het apenzuur wanneer er weer een salvo1 wordt afgevuurd. Aan de rand van het stiltegebied, dan nog wel. Ik denk dan altijd: arm duifje, arm konijn, arme fazant, arme bambi … Ik had ooit opgevangen dat jagers nuttig werk verrichten, dat ze de dieren doodschieten die het evenwicht verstoren. Wanneer de boeren last hebben van veel te veel duiven, zullen de jagers vooral duiven schieten, zoiets. Dat dacht ik. Tot meester Tim vertelde dat bijvoorbeeld fazanten vaak gewoon worden gekweekt in rennen2.
2
Wanneer het dan herfst wordt, laat men ze los in bos en veld, en gaat men ze schieten. Die dieren weten natuurlijk niet hoe ze zich in het wild moeten redden, zijn niet erg bang van mensen, en bijgevolg makkelijk te schieten. Sinds ik dat weet, vind ik jagers gewoonweg moordenaars. Maar jagen is bij wet toegelaten. Er zijn reglementen voor gemaakt, en als jagers zich eraan houden, is er niets aan de hand. Pft, ik vind dat niet leuk.
3
4
2 Sinds een paar weken hebben we nieuwe buren. Of beter: hebben we een nieuwe buurvrouw. Ze woont alleen in het kleine huisje aan de overkant. Net naast de dierenarts. En ze valt op, want ze is zwart. Toen ik haar voor het eerst zag, zei ik vriendelijk gedag. Ze sprak vriendelijk terug. Alleen, ze heeft het niet voor honden. En iedereen in onze straat heeft een hond. Behalve zij. En wij. Ons vindt ze dus wel oké. (We hebben twee cavia’s – de ene heet Ca, de andere Via, dus als je ‘cavia’ roept, komen ze allebei!) Maar onze zwarte buurvrouw kan ontzettend zeuren over het dagelijkse voortdurende geblaf. Ik geef toe: hier wordt wat afgeblaft. Ik bedoel: veel van die honden blaffen af en toe. Maar doordat het er zoveel zijn, lijkt het erop dat hier één hond woont die de hele dag door lawaai maakt. Mij stoort het niet. Haar wel. Tjonge, kan ze daarover zeuren zeg, Adamma (zo heet die dame – ze heeft me ooit verteld dat haar naam ‘beeldschoon meisje’ betekent. Maar dat vind ik niet. Ze is geen meisje meer en mooi … Ach ja, over smaak kun je discuteren tot je een ons3 weegt, zegt mijn papa altijd.)
5
3 In mijn klas zit De Echte Adamma! Ze heet Tilly en ze is helemaal wow! Tilly houdt van dieren, vooral van cavia’s (ze is gek op Ca en Via), heeft een hekel aan geweld (dus is ze ook tegen jagers, denk ik dan) én ze is vegetariër. (Ik zou dat ook willen zijn, maar dat mag niet van mama en papa, die ervan overtuigd zijn dat je vlees moét eten om gezond en sterk te worden/blijven. Tilly is het levende bewijs dat je zonder vlees ook gezond en sterk kan zijn. En razend knap! Maar dat tussen haakjes). Ze is lid van Gaia en het Wereldnatuurfonds en gaat weleens helpen bij ezelasiel Anegria. Ze weet bijgevolg heel veel over dieren. Alleen over honden en katten weet ze minder, die vindt ze gewoon heel eh, gewoon. ‘Iedereen heeft een hond of een kat, dus hoef ik er niet zo nodig een,’ zegt Tilly. ‘Geef mij maar een pony, een ezeltje, een paard!’ Jammer voor haar woont ze, sinds haar ouders gescheiden zijn, samen met haar papa in een appartementje in het dorp. En dus heeft ze geen paard of een pony of een ezel. Zelfs geen cavia’s want haar papa is allergisch aan ongeveer alle dieren. (Zegt hij, denk ik dan …) En dus komt Tilly graag bij mij, want ik heb twee cavia’s. Ik hoop natuurlijk dat ze ook voor mij komt. We gaan ook vaak samen wandelen. Dan trekken we het stiltegebied in. Altijd neemt Tilly voor de beestjes wat te eten mee.
6
En voor ons, want Tilly is een snoeper die altijd chocolade bij zich heeft. Fondant4, want dat eet ze het liefst. ’s Winters legt ze in de schuilhut aan het eind van de Waterdreef geregeld wat voer voor de vogeltjes. In de lente, de zomer en de herfst (als het niet te koud is) zit Peter Persijn in die hut te tekenen. Peter is een kunstschilder uit het dorp. Ik vind hem maar een norse vent. Wanneer Tilly en ik aan de hut passeren, zegt hij soms: ‘Jaja, kom me maar storen. Hebben jullie echt niets beters te doen dan hier rond te lummelen?’ Op een keer vroeg hij: ‘Weten jullie wie er hier altijd vogeleten legt? Die verdomde rotbeesten fladderen hier voortdurend rond, en ze schijten op mijn fiets.’ Tilly zweeg. Dat leek me heel verstandig.
7
4
OPGELET! BERICHT AAN ALLE BEWONERS VAN DEZE STRAAT VERGIF in de Waterdreef! Gisteren, maandag, werd Palma, onze mooie schattige Maltezer een paar uur na een wandeling in de Waterdreef plotseling onwel. Ze moest braken, plassen en kreeg hevige diarree. Haar hartslag steeg en haar ademhaling ging heel snel. Gelukkig is ze nu aan de beterhand. Onze dierenarts veronderstelt dat het gaat om vergiftiging. Aangezien we haar niets te eten geven wat ze niet mag hebben, en de verschijnselen begonnen zijn na de wandeling, vermoeden we dat er vergif lag in de Waterdreef. Dus hondenliefhebbers: kijk uit! Hou je hond aan de leiband. Wil iedereen mee uitkijken naar verdachte mensen in de Waterdreef? Dank. Mia Peeters
8
5 Ik schrok toen mama dit bij het avondeten voorlas. Palma, zo’n braaf hondje, bijna vergiftigd! Wie deed nu zoiets? Eergisteren hadden Tilly en ik Palma nog gezien in de Waterdreef. Ze kwam helemaal alleen aangelopen, want dat mocht ze vaak van Mia. Palma is een jaar of tien. Een oud hondje, eigenlijk. Ze is al heel haar leven bij Mia die ontzettend goed voor haar zorgt. Toen Palma naar ons kwam gelopen, zei Tilly: ‘Eigenlijk zijn Maltezers toch wel schattige hondjes.’ Tilly ging op haar hurken zitten, boog voorover en Palma begon meteen haar gezicht te likken. ‘Hala, niet te heftig! Wacht, ik zal je een snoepje geven.’ In de verte zwaaide Mia naar me. Ik zwaaide terug. ‘Je bent een schatje,’ zei Tilly. ‘Ik weet het,’ probeerde ik. Maar Tilly wees naar het hondje. Ik kon maar proberen, natuurlijk. We hebben nog een leuke babbel gehad met Mia, die net de schuilhut gepasseerd was waar Peter Persijn zat te tekenen. ‘Wat een akelige man,’ zei Mia. ‘Heeft vast een pot zure bommen gegeten,’ lachte Tilly. ‘Kom, we zijn weg, Palma! We gaan frieten bakken voor het baasje!’ En weg was Mia. Met Palma. Ik had niks vreemds opgemerkt toen het diertje bij ons was. Ze sprong en likte, en liep en dronk uit de beek.
9
Alles wat ze altijd deed toen ik Palma zag. Maar nu was het anders. Er was dus iemand die Palma liever verloren had dan gevonden. Maar wie? En waarom? Zo’n lief klein hondje … Met die vragen in mijn hoofd ging ik slapen.
10
6
Tilly wil je nu wat weten? Palma is vergiftigd. Ze leeft wel nog. Grmpf. Als ik de dader vind … Slpwl, Dario Néé! Echt? Groeties, T’y
Ja echt! Wie doet nu zoiets???????????? Groeties, T’y
11
7 De volgende morgen ging ik op de speelplaats meteen Tilly zoeken. ‘Goeiemorgen Tilly!’ ‘Morgen Dario. Zeg, da’s erg hé, van Palma. En is alles nu in orde?’ ‘Ja, op het briefje staat dat ze aan de beterhand is. Dus het komt wel goed, blijkbaar. Maar …’ Tilly onderbrak me. Ze vroeg mij wat ik van plan was haar te vragen, de vragen die iedereen zich in zulke gevallen stelt: wie en waarom? ‘Heb je geen idee?’ vroeg ze. Ik zei dat ik er vannacht van wakker gelegen had, maar dat ik niet veel verder kwam dan … ‘… je buurvrouw? Je zegt toch dat ze altijd op honden foetert? Denk je dat die het gedaan heeft?’ Ik schudde het hoofd. Mijn papa had me geleerd dat ik nooit iemand ergens van mocht beschuldigen als er nog niks bewezen was. ‘Ze zeurt over honden, maar om nu Palma te vergiftigen, dat lijkt me sterk …’ Ik probeerde me te herinneren dat ik haar ook maar iets had zien doen dat erop kon wijzen dat ze met vergif bezig was. Maar waaraan merk je zoiets?
12
13
14
8 Ik verslikte me. ‘De jagers,’ zei mama. ‘Iemand nog soep?’ ‘Ik vind dat ze wel van héél dichtbij schieten,’ zei ik. ‘Da’s maar tijdelijk,’ reageerde papa luchtig. ‘Nog een paar weken en het jachtseizoen is voorbij.’ Ik bleef maar schrikken, elke keer wanneer zo’n knal weerklonk. ‘Dario, je hebt vast een slecht geweten,’ lachte mama. ‘Of eh … een beetje ... eh … verliefd?’ probeerde papa. Ik voelde mijn hoofd rood worden. ‘Tomatensoep,’ lachte papa. Ik keek boos want ik vind dergelijke uitspraken niet leuk. ‘Ik bedoel, ik wil nog wat tomatensoep. Jaja, jongen, die Tilly, dat ziet er wel een toffe uit.’ Ik knikte. Schrok. Wéér een knal. ‘Zeg,’ zei papa plots, ‘vandaag op het werk vertelde ik dat hier in de Waterdreef een hondje vergiftigd is, en Jean-Pierre zei meteen dat zoiets typisch is voor het jachtseizoen.’ Van bij het kookvuur vroeg mama wat hij bedoelde. ‘Jagers leggen naar verluidt weleens rattenvergif om vossen te vergiftigen, zodat die het wild niet kunnen opeten. ’t Is dus om de concurrentie te snel af te zijn.’ Mama kwam aan tafel staan: ‘Je bedoelt dat Mia haar hond weleens …’ Papa knikte. ‘Ik heb geen honger meer. En veel werk voor school,’ murmelde5 ik. Ik voelde me onpasselijk. Jagers, dus…
15
9 Tilly Het zijn de jagers! Gr D ??? Groeties, T’y De jagers hebben Palma vergiftigd! Gr D Dus niet je buurvrouw? Groeties, T’y Ik denk het niet. Papa zegt dat jagers soms vossen vergiftigen. Dus Palma? Grrrrrr D Verdorie. We moeten spioneren. Morgen woensdag kan voor mij. Ik kom mrgn nr jou. Slpwl. Groeties, T’y Oké! Slpwl. Gr D
16
10 Die woensdagmiddag hadden Tilly en ik ons verscholen onder een struik in de Waterdreef. Het was nogal koud, er zat een schrale wind, maar daar voelde ik niet veel van. Tilly was dicht bij me. ‘Hoe lang zitten we hier nu al?’ ‘Zal eens kijken … Anderhalf uur.’ ‘En wat hebben we al gezien?’ ‘Vogels, vogels, vogels.’ ‘En Peter Persijn.’ Tilly schoot in de lach: ‘Die gast foetert zelfs tegen zichzelf. Is me dat toch een vreemde kwiet!’ In de verte kwam een wandelaar aangestapt. Niet veel later zag ik dat het Adamma was. ‘Je buurvrouw?’ Ik knikte. Adamma droeg een schoudertas. Ook al had ik het warm, ik voelde een rilling over mijn rug lopen. Enerzijds wilde ik het liefst van al Adamma op heterdaad betrappen; dan was het vergiftigingsprobleem van de baan, dan was er een dader, en konden alle hondeneigenaars opgelucht ademhalen. Anderzijds hoopte ik dat het niet Adamma was. Ik weet niet waarom, maar iets zei me dat deze vrouw uit een soort van gewoonte over honden zeurde, maar geen vlieg – of geen hond – kwaad deed. Adamma was nu heel dichtbij gekomen. Tilly en ik lagen plat op onze buik toe te kijken hoe de dame een zijweggetje van de dreef insloeg en even verderop hurkte.
17
‘Ze gaat plassen,’ grinnikte Tilly. Ik vond het niet grappig. Adamma haalde iets uit haar tas. ‘Kijk, kijk, vergif!’ fluisterde Tilly. We zagen hoe de vrouw een zakje uit haar tas nam en het in de berm uitschudde. ‘Shit,’ zei ik.
18
11 Adamma wandelde eerst nog een eind verder. Daarna ging ze op het bankje bij de beek zitten. ‘Gatver, hoelang gaat die hier nu nog zitten?’ foeterde Tilly. ‘Hopelijk niet te lang, want ik moet straks naar huis.’ Er flitste van alles door mijn hoofd. Wanneer Adamma weg was, konden we gaan kijken wat ze in de berm had gegooid. Als het vergif zou zijn, dan … Wat moesten we dan doen? Naar de politie gaan? Ik voelde me zenuwachtiger worden. Plots stond de vrouw recht van het bankje. Ze keek nog eens rondom zich en zwaaide. ‘Ze zwaait naar de vogels,’ grinnikte Tilly. ‘Goed gek, die vrouw!’ Ik speurde in de richting naar waar ze gezwaaid had. De schuilhut! Toen zag ik Peter Persijn naast de hut staan. Hij zwaaide terug. ‘Die twee, zouden die …’ Ik maakte mijn zin niet af, maar Tilly dacht in een andere richting: ‘Die twee hebben een relatie!’ ‘Zot!’ ‘Je ziet toch hoe die twee tortelduifjes onnozel naar elkaar staan te zwaaien?’ ‘Ze gebaren misschien dat ze allebei vergif gelegd hebben,’ probeerde ik. ‘Méén je dat?’ ‘Ik weet het niet, maar het zou toch kunnen?’ We moesten nog een hele poos wachten tot de norse kunstschilder helemaal tot bij Adamma gekomen was. Op een bepaald moment bevonden ze zich allebei heel dichtbij.
19
20
Ik hoopte maar dat Tilly zou zwijgen. Of dat geen van ons beiden zou moeten niezen. ‘Gaan schilderen?’ vroeg Adamma. ‘Nee, schetsen.’ ‘Ah zo …’ ‘Kom je hier vaak?’ ‘Geregeld. Ik kom eten strooien voor de vogels.’ Tilly stootte me aan: ‘Voor de honden, bedoelt ze!’ ‘Sst!’ ‘Heb je goed kunnen werken?’ vroeg Adamma. ‘Ja, vandaag was het rustig,’ antwoordde Persijn, ‘geen last gehad van honden of zo.’ ‘Heb jij ook last van honden?’ ‘Ja, wie niet, hier in de buurt krioelt het ervan. Ze komen hier allemaal wandelen en laten die rotbeesten hier de boel onderschijten. Hoe dikwijls ik hier al met mijn voeten in de hondenpoep terechtgekomen ben … Niet te tellen!’ Adamma knikte: ‘Ik heb het ook al voorgehad. Niet fijn.’ Peter Persijn knikte en zei: ‘Zeg, over honden gesproken: heb jij ook zo’n briefje in de bus gehad van die vrouw wiens maltezertje hier vergiftigd zou zijn?’ Adamma knikte. ‘Het beestje is erdoor gekomen. Tja.’ Persijn haalde de schouders op alsof hij daarmee wilde zeggen dat een vergiftigde hond hem niets kon schelen. Tilly gaf me een duw. Ik knikte. ‘Er zijn er wel nog veel andere …’ ‘Zeg dat wel. Er zijn er te veel. Veel te veel.’ ‘Ik ga je laten, Peter, ik moet vanavond werken.’ ‘Oké, tot nog eens.’
21
12 Toen ze uit het zicht verdwenen waren, kropen Tilly en ik weg uit onze schuilplaats en begaven we ons zo snel als we konden naar de plek waar Adamma had gezeten. ‘Het was wel héél duidelijk dat ze een hekel aan honden heeft,’ zei Tilly. ‘En die vent, wat een smeerlap zeg! We gaan straks die schuilhut eens inspecteren, het zou me niet verwonderen dat dit stuk kunstschilder …’ We stopten net voor het bankje waar mijn buurvrouw had gezeten. Op de grond lagen kruimels. ‘Broodkruimels,’ zei Tilly, alsof ik niet wist wat er op de grond lag. ‘Gewoon broodkruimels. Ze komt hier gewoon het overschot van haar brood voor de vogels gooien. Tss …’ Ik probeerde in mijn hoofd het gesprek dat Adamma met de kunstschilder had gevoerd, opnieuw voor te stellen. Nee, ze vond dat er te veel honden waren, maar had niks gezegd waaruit je kon beslissen dat ze eigenhandig vergif had gelegd. Peter Persijn, dat was een ander paar mouwen. Die had heel duidelijk gemeld dat hij het spijtig vond dat Palma erdoor gekomen was. En dus … Even later stonden we bij de schuilhut waar de kunstschilder altijd kwam zitten. Maar op een paar lege bierflesjes na was er niks verdachts te vinden. ‘Dario help eens zoeken, we moéten iets vinden, die rotzak vergiftigt honden, dat is duidelijk!’ Ik schudde het hoofd: ‘Tilly, dat dacht je van Adamma ook, maar die komt de dieren gewoon voederen!’ Tilly opende haar mond, maar sloot hem snel opnieuw. Ze keek naar haar schoenen en fluisterde: ‘Ik trek soms heel snel conclusies, ik weet het, sorry.’
22
23
‘Geeft niks,’ zei ik, ‘want ik vind die kunstschilder ook maar verdacht. Ik vertrouw hem voor geen haar. Nog voor geen half.’ Tilly lachte. ‘Ik moet naar huis of er zwaait wat,’ zei ze. ‘Ik ook.’ We liepen een tijdje zwijgend naast elkaar. ‘Tilly …’ ‘Ja?’ ‘Eh, ik vond eh … ik vond het best leuk, vanmiddag.’ Het was eruit voor ik het goed en wel besefte. Tilly hield halt. Ook ik stopte. Tilly keek me aan en fluisterde: ‘Ik ook, Dario.’ Ik hoorde mooie muziek in mijn hoofd, en voelde een stevige kriebel in mijn buik. ‘Maar we moeten en zullen vinden wie Palma vergiftigd heeft, hé?’ ‘Ja,’ antwoordde ik, ‘en we wringen hem hoogstpersoonlijk, met onze eigen blote handen, de nek om.’
24
13 Zaterdagochtend knalden de jagers er lustig op los. Ik had afgesproken met Tilly dat we ’s middags weer gingen spioneren. Wanneer de jagers in het veld rondliepen, was het wellicht niet eenvoudig om hen ongezien te observeren, maar we wilden het er toch op wagen. We slopen van struik naar struik, in de richting van de Waterdreef. ‘Spannend,’ fluisterde Tilly. ‘Er wordt al minder geschoten dan vanmorgen,’ zei ik. ‘Misschien zijn ze straks weg, dat zou het makkelijker maken.’ We slopen naar de schuilhut. Heel voorzichtig … ‘Kijk eens hier, twee wilde beestjes!’ hoorde ik plotseling achter me zeggen. Ik schrok me te pletter. Tilly gilde: ‘Nee! Niet schieten! Niet schieten!’ Twee jagers waren ons dus gevolgd; we hadden ze niet opgemerkt. ‘Wat zijn jullie hier eigenlijk aan het doen? Romantiek in de graskant?’ grapte de ene. ‘Dat is duidelijk,’ zei de andere. ‘Schoon hé, zo’n jong koppeltje …’ De ene lachte schamper6: ‘Wel héél jong hé, om te gaan vrijen in het veld.’ Ik twijfelde: moesten we nu zeggen dat we op zoek waren naar vergif en dat we hen verdachten? Misschien deden we dat maar beter niet. Je wist maar nooit, uiteindelijk hadden ze een geweer bij zich.
25
‘We komen kijken waar jullie vergif leggen voor honden!’ zei Tilly plots. Ik schudde het hoofd. ‘Ze maakt een grapje, meneer,’ probeerde ik nog. Maar Tilly ging door: ‘Nietes, ik ben ernstig. Bloedernstig! Vorige week is hier een hondje vergiftigd. En jagers vinden vossen niet leuk en leggen vergif. Door jullie is dat hondje …’ De eerste jager onderbrak Tilly ruw: ‘Helaba, meid, dat laat ik me niet zeggen. Je hoeft me niet van dergelijke daden te beschuldigen!’ De ogen van de man stonden groot. Hij hief zijn wijsvinger op en zei: ‘Wij zijn échte jagers. Wij schieten alleen mét vergunning op dieren die schade aanrichten, die hier te veel rondlopen en het natuurlijke evenwicht verstoren. Wij houden ons aan de reglementen. En dan ga jij ons hier zomaar eventjes van vergiftiging beschuldigen … Je hebt wél lef, zeg. Trouwens, waarom zouden we vossen willen vergiftigen? Hier is in de wijde omtrek geen vos te bespeuren! Geen één! Heb je dat begrepen?!’ Tilly zag er heel bleek uit. Ze knikte fel. ‘J… j… ja, me… meneer…’ ‘En trouwens,’ zei de jager, ‘ik heb zelf een hond. Een heel mooi lief dier. Een golden retriever. Ons Delphine …’
26
27
28
14 Tilly en ik wandelden de Waterdreef uit. We waren fel geschrokken door wat ons was overkomen. ‘Geloof jij die jager?’ vroeg Tilly. Ik knikte. ‘Ik weet het niet …’ ‘Maar hij heeft zélf een hond,’ probeerde ik, ‘dus kan ik me niet voorstellen dat hij de hond van iemand anders zou willen vergiftigen.’ ‘Hij wilde geen honden vergiftigen, maar vossen,’ hield Tilly vol. ‘En trouwens, wie heeft het dan wél gedaan??’ Ik haalde de schouders op. Even later zagen we iemand naderen. Met een hond. Toen baasje en hond dichterbij gekomen waren, konden we zien wie het was. ‘Mia, met Palma!’ ‘Het gaat vast weer goed met Palma,’ zei Tilly. ‘Ze mag weer gaan wandelen.’ ‘Ze mag niet zonder leiband,’ zei ik. ‘Tuurlijk niet,’ reageerde Tilly, ‘veel te gevaarlijk. Hier kan overal vergif liggen, weet je wel!’ ‘Palma, Palmaatje!’ riep Tilly. ‘Oh maar, is het weer allemaal goed met je?’ Tilly knielde. Meteen likte Palma haar gezicht. ‘Ik heb je gemist,’ zei Tilly. Palma bleef maar likken. ‘Hoe gaat het nu met haar?’ vroeg ik. ‘Goed,’ antwoordde Mia, ‘het is allemaal best meegevallen. Oef!’ Ik knikte. ‘Wie denk je dat …’ probeerde ik. Op dat moment zag ik Mia naar beneden kijken.
29
‘Neeeeeee!’ gilde ze. ‘Niet doen!!’ Ik keek verschrikt naar Tilly. Mia trok Palma ruw weg bij Tilly. ‘Doe dat nooit meer, meisje!’ zei Mia. ‘Nooit meer!’ ‘Sorry,’ prevelde Tilly. Ik keek Tilly aan. Ze opende haar hand en toonde wat ze het hondje had willen geven: een stuk chocolade. Ik begreep het niet. ‘Geef nooit, nooit, nooit chocolade aan een hond, dat is giftig, daar kan het dier zelfs van sterven!’ Tilly kreeg de tranen in haar ogen. ‘Ik … ik was het dus,’ fluisterde ze. ‘Want ik heb Palmaatje die dag …’ Tilly weende. Huilde. Haar schouders schokten. ‘Sorry, sorry, het is … het is … mijn schuld,’ snikte ze, ‘maar ik wist echt niet dat chocolade … echt niet, ik heb Palma geen kwaad willen doen, echt niet, sorry Mia, echt.’ ‘Kom, niet wenen,’ zei Mia en ze trok Tilly tegen zich aan. ‘Je wist het niet, en het is uiteindelijk allemaal meegevallen.’ Tilly ging op haar knieën zitten en trok het Maltezertje tegen zich aan: ‘Sorry Palma … maar volgende keer breng ik iets … gezonds voor je mee …’
30
Toen we naar huis wandelden, zei ik: ‘Zo, we hebben de dader te pakken.’ Tilly knikte. Snikte. ‘Hadden we niet afgesproken dat, als we die vonden, we die hoogstpersoonlijk, met onze eigen blote handen, de nek zouden omwringen?’ Tilly keek me aan. Ik weet nog altijd niet waar ik het lef vandaan haalde, maar plots gaf ik Tilly een zoen op haar mond.
31
Woorduitleg 1 2 3 4 5 6
32
salvo = gelijktijdig afvuren van vuurwapens ren = hok of kooi met traliewerk of gaas een ons = oude gewichtseenheid (100 gram) fondant = pure chocolade murmelen = mompelen schamper = spottend
Tilly en Dario worden heel erg ongerust wanneer ze vernemen dat een hond uit de buurt is vergiftigd. Samen speuren ze naar de dader. Zijn het de jagers? De norse meneer Persijn? De nieuwe buurvrouw van Dario? Of toch iemand anders? Ze zoeken het uit!
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 5. ISBN 978 90 486 2536 9 Bestelnummer 60 1021 497 KB D/2016/0147/105 NUR 191 Illustraties: Lucy Elliott Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 625369
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.